1.c Catalogus Gebiedskenmerken - ontwerp
Tekst van het document
Het beekdal inrichten als een corridor voor dieren en planten, maar ook beleefbaar en toegankelijk voor inwoners en bezoekers
Kenmerken Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van de zandgronden verzamelde het water zich. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Het stelsel van beken en beekdalen dat door de Overijsselse zandgronden stroomt, is een essentieel onderdeel van het natuurlijk watersysteem. Soms waren er geen beken, maar zocht het water
44
via laagtes zijn weg over het maaiveld met name in de flauw hellende gebieden. Zo ontstonden in Salland de weteringen. Een beek ontspringt in de brongebieden op de hogere zandgronden en wordt gevoed door grondwater uit het stroomgebied van die beek. Stroomgebieden worden van elkaar gescheiden door een waterscheiding, het hoogste punt tussen twee stroomgebieden. Kleine beken vloeien samen tot grotere beken en vormen uiteindelijk rivieren. De
Bodem: beekeerdgronden Hydrologie: lokale en diepe kwel, stagnatie Natuurlijk bostype: elzen- eikenbos, eikenhaagbeukenbos, vogelkers-essenbos Cultuurlandschap: maten- en flierenlandschap, kraggenlandschap Kansen voor
ook de natuurlijke beken over grote lengte zijn rechtgetrokken. Dit alles om de lagere en hogere gronden sneller te ontwateren ten behoeve van voedselproductie. • De snelle waterafvoer heeft uiteindelijk geleid tot verdroging bovenstrooms en wateroverlast benedenstrooms. Ambitie Beekdalen als dragende structuren van het landschap weer functioneel en ruimtelijk betekenis geven. De natuurlijke dynamiek wordt hersteld en beekdalen worden vormgegeven als groenblauwe verbindingen voor mens, plant en dier.
het watersysteem, de waterkwaliteit, voldoende ruimte voor water en het versterken van natuurlijke dynamiek. • De duinen, die bijvoorbeeld langs de Vecht veel voorkomen, krijgen een beschermende regeling gericht op de instandhouding van het kenmerkende reliëf en waar relevant de natuurkwaliteit. • Het waterpeil is niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk is. Richting • Ontwikkelingen, in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dragen bij aan extra
ruimte voor de dynamiek van het stromende water, het vasthouden van water en aan de versterking van de samenhang in het beeksysteem. • Ontwikkelingen dragen bij aan de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. • Ontwikkelingen mogen het beekdal als verbinding voor planten en dieren niet onderbreken. Inspiratie • Inrichten en beheren met perspectief op het hele beeksysteem, van bron tot benedenloop. De oeverlanden komen onder invloed van de waterdynamiek. (Broek)bos op de hogere randen.
De continuïteit van het watersysteem en ruimte voor water zijn leidend. Door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen, kan wateroverlast benedenstrooms en watertekort (droogte) bovenstrooms worden tegengegaan. Dit betekent onder andere: • Beekdalen verondiepen en rechtgetrokken beken weer laten meanderen. • In het voorjaar later het land op, zodat het water langer vastgehouden kan worden en kan infiltreren in de bodem. • Beekdalen vergroenen en inheense bomen aanplanten. Schaduw zorgt ervoor dat het water zomers minder warm wordt en minder snel verdampt. Sturing Norm • Beekdalen en natte laagtes krijgen een beschermende regeling gericht op instandhouding van
45
De kalkrijke Mosbeek is een belangrijke verbinding voor mens, plant en dier
1.5 Natuurlijke laag • Laagveengebied en laagveenrestant / kraggenlandschap Denk bijvoorbeeld aan het Staphorsterveld en Polder Mastenbroek. Ontwikkelingen • Het waterpeil hooghouden is noodzakelijk om veenoxidatie, bodemdaling en CO2 uitstoot tegen te gaan. • Door de lage grondwaterstanden in de Noordoostpolder zijgt veel water weg vanuit de Weerribben-Wieden. Om het laagveenmoeras nat te houden moet water aangevoerd worden. • Het laagveenmoeras van de Weerribben-Wieden wordt natgehouden, terwijl in de omliggende landbouwpolders het waterpeil lager wordt door bodemdaling en veenoxidatie. Hierdoor wordt het hoogteverschil tussen beide gebieden steeds groter en dit vergroot ook de wegzijging vanuit de Weerribben-Wieden.
De Weerribben-Wieden is het grootste aaneengesloten laagveenmoeras van Noordwest Europa
Kenmerken De laagveengebieden zijn grote gebieden waar onder invloed van stagnerend water en grondwater uitgestrekte veenmoerassen zijn ontstaan. Het is een samengesteld landschap van rietland op een pakket veenlagen (kraggen) en vaarten, afgewisseld met bos.
semi-natuurlijk laagveenrestant van de Weerribben-Wieden bestaat uit relicten van dit gebiedstype met een hoge water- en natuurkwaliteit. Door een uitgekiend beheer (fijn regelen van de waterstand en waterkwaliteit, openhouden van petgaten) worden hier rietteelt en laagveenmoeras in stand gehouden.
De laagveengebieden zijn ontstaan door turfwinning, rietteelt en extensieve veehouderij. Het
Elders zijn de laagveenmoerassen ontwaterd en in cultuur gebracht als veenweidegebied of polder.
46
Bodem:laagveen, in de IJsseldelta afgedekt met zeeklei en/of zand Hydrologie: kwel en stagnant water Natuurlijk bostype: elzenbroekbos, berkenbroekbos Cultuurlandschap: laagveenontginningen, kraggenlandschap Kansen voor
Ambitie Weerribben-Wieden, het grootste aaneengesloten laagveenmoeras van Noordwest Europa, robuust verbinden met Rottige Meenten in Friesland en Oldematen-Veerslootslanden in het zuiden. Het gebied heeft een hoge biodiversiteit en biedt mogelijkheden voor recreatie (wandelen, fietsen, varen, verblijven). De omliggende kernen fungeren als poorten naar de natuur. Een hoog waterpeil in en rond het gebied is van belang om veenoxidatie en bodemdaling tegen te gaan en het veenlandschap te behouden. Behoud en verbetering van de waterkwaliteit door wegzijging te verminderen, zoveel mogelijk gebiedseigen water in het gebied te houden en alleen schoon water in te laten. Daarbij hoort ook het open karakter, dit is zowel ruimtelijk waardevol, als ook voor weidevogels.
lijk, aan toename van de natuurkwaliteit en het areaal levend laagveen. Inspiratie • Verzachten van de overgangen tussen de laagveenrestanten en het omliggende laagveengebied.
Sturing Norm • De laagveenrestanten krijgen een beschermende regeling gericht op instandhouding van de waterkwaliteit, de natuurkwaliteit en bijbehorend waterpeil. • De overige laagveengebieden krijgen een beschermende regeling gericht op behoud van het veenpakket. Het waterpeil is hier niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk is. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan verhoging van het waterpeil om bodemdaling en verdwijnen van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogeWeidevogels houden van natte en open laagveengebieden
47
• De laagveengebieden beleefbaar en toegankelijk maken. Mogelijkheden voor natuurontwikkeling combineren met extensievere vormen van recreatie. De recreatieve potenties zijn in balans met de natuurwaarden.
1.6 Natuurlijke laag • Hoogveengebied en hoogveenrestant dijkvenen en het Wierdense Veld. Hier wordt de waterstand kunstmatig hoog gehouden, zodat het hoogveen zich op een aantal geïsoleerde plekken kan regenereren. Deze hoogveenrestanten worden gekenmerkt door een hoge waterkwaliteit, een hoge waterstand en een hoge natuurkwaliteit. Lokaal is sprake van levend hoogveen (veenaangroei). Ontwikkelingen • De hoogveenrestanten zijn erg gevoelig voor droogte. Door klimaatverandering komt dit steeds vaker voor. • De hoogveenrestanten zijn N2000 gebieden. De harde overgang naar de omliggende, vaak intensieve, landbouwgebieden maakt het lastig om de natuurdoelen te halen. • In de directe omgeving van enkele hoogveenrestanten wordt drinkwater gewonnen. Dit vergroot de kans op verdroging.
Landgoed Het Lankheet bestaat voornamelijk uit naaldbos, heide, hoogveen en vennen (foto Mark van Veen)
Kenmerken Hoogveen ontwikkelde zich op grote en kleine schaal op plekken waar de waterhuishouding los stond van de rest van het watersysteem. Deze gebieden waren volledig afhankelijk van regenwater en daardoor ontstonden hier veenmoerassen. Deze groeiden als een dikke spons van veenmossen steeds verder omhoog, los van het
48
grondwater. De extreem zure en voedselarme omstandigheden leidden tot natte, slecht toegankelijke moerasgebieden, waar vrijwel geen boom kon groeien. De grootste delen van het hoogveen zijn afgegraven en als turfblokken verstookt, maar we hebben nog enkele hoogveenrestanten, zoals Engberts-
Bodem: hoogveen Hydrologie: regenwaterlens Natuurlijke vegetatie: veenmos Cultuurlandschap: hoogveenontginningen, veenkoloniaal landschap Kansen voor
Ambitie De hoogveengebieden zijn grotendeels ontgonnen en in cultuur gebracht. Hier en daar is een klein hoogveenrestant achtergebleven. Maak de ruimtelijke samenhang tussen beide delen inzichtelijk, zodat een leesbaar landschap ontstaat. Houd de hoogveenrestanten in stand en breng het hoogveen op een aantal plekken opnieuw tot groei. Dit bevordert ook de opname van CO2. Het open en natte karakter behouden door het waterpeil rond de venen te verhogen. Sturing Norm • De hoogveenrestanten krijgen een beschermende regeling gericht op de instandhouding van het levend hoogveen, het waterpeil, de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de natuurkwaliteit. • De overige delen van het hoogveengebied krijgen een beschermende regeling gericht op het behoud van het nog resterende veenpakket. Het waterpeil is hierop afgestemd. Richting • Ontwikkelingen in de nabijheid van hoogveenrestanten dragen bij aan de verbetering van de hydrologie om verdroging van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan de toename van de natuurkwaliteit en het areaal levend hoogveen. Inspiratie • Beheer is gericht op de instandhouding van de variatie en de vitaliteit van het hoogveen. De kraanvogel broedt graag in hoogveenmoerassen
49
1.7 Natuurlijke laag • Rivierengebied bestaan uit zand en leemhoudend materiaal, dat ooit door de rivier is afgezet. Van nature groeien hier rijke en afwisselende loofbossen (hardhoutooibos) met een weelderige struikenlaag. Het zandige materiaal van de oeverwallen verwaaide in de omgeving van de oeverwal hier en daar tot ‘rivierduinen’. De oeverwallen werden als eerste bewoond en bewerkt en fungeerden als uitvalsbasis bij het in cultuur brengen van de omgeving. De kommen liggen verder van de rivier af en hier werd door overstromingen fijner materiaal afgezet. Dit resulteerde in zware kleipakketten. In de delen waar het water bleef staan ontwikkelde zich via verlanding moerasbos. Ontwikkelingen • In het rivierdal zijn rivierverruimende maatregelen nodig voor de piekafvoer van de rivieren.
De IJssel bij Deventer (foto Emy Visser)
Kenmerken De rivieren IJssel en Vecht zijn continue structuren die als ruimtelijke eenheden fungeren. Vanwege de hoge natuurlijke dynamiek is het rivierdal lang het domein van natuurlijke processen gebleven. Door de voedselrijkdom van de gronden en de regelmatige overstromingen zijn deze gronden al eeuwenlang als wei- en hooiland in gebruik. De rivier en het rivierdal staan nog steeds onder invloed van de rivierdynamiek met wisselende waterstanden,
50
stroomsnelheden en processen als erosie en sedimentatie. Het beeld van een natuurlijk rivierdal is gevarieerd: geulen, hanken en poelen, afgesneden meanders, (begraasde) ruigte, struweel, opgaand (zachthoutooi)bos. Vanwege toenemende wateroverlast werden de rivieren vanaf de twaalfde eeuw bedijkt. De oeverwallen langs de IJssel en het Zwarte Water zijn de hogere gronden langs de rivier. Deze
Bodem:vaaggronden, overslaggronden Hydrologie: periodieke overstroming, inzijging Natuurlijk bostype: schietwilgenbos, zachten hardhoutooibos, abelen-iepenbos,eikenhaagbeukenbos, (elzenrijk) essen-iepenbos Cultuurlandschap: rivierenlandschap Kansen voor
Deze opgave wordt vaak gecombineerd met natuurontwikkeling. • De kommen zijn vanwege de moeizame ontwatering lang extensief gebruikt. Door de bedijking van de rivieren en de ontwatering zijn de natuurlijke condities van dit gebiedstype nu verdwenen. Ambitie In het rivierdal, de uiterwaarden, worden wateren natuurprojecten gecombineerd. Zo kan een samenhangende, ruimtelijke structuur ontwikkeld worden, waarin de rivier meer ruimte heeft voor piekafvoer. Hierbij zijn de beleefbaarheid en zichtbaarheid van het water, de natuurlijke dynamiek en de cultuurhistorie belangrijke uitgangspunten. De oeverwallen ontwikkelen als ruimtelijk herkenbare structuren langs de rivier. De natuurlijke kwaliteiten kunnen versterkt worden als voor de juiste beplanting wordt gekozen. Daarnaast kan op een aantal plekken de natuurlijke overgang van de hoge oeverwal naar het dynamische rivierdal hersteld worden. In de kommen wordt gewerkt aan het herstel van het oorspronkelijke karakter, een laag en nat gebied met zware klei. Dit biedt kansen voor natuurontwikkeling (kleimoeras) en klimaatmaatregelen. Sturing Norm • Het rivierdal krijgt een beschermende regeling gericht op de instandhouding van een robuust watersysteem, de waterkwaliteit, ruimte voor water en de natuurkwaliteit.
51
Ruimte voor water, rivierdynamiek en natur in het Vechtdal
• De duinen krijgen een beschermende regeling gericht op de instandhouding van het kenmerkende reliëf en waar relevant de natuurkwaliteit. Richting • Ontwikkelingen in het rivierdal dragen bij aan ruimte voor de rivier, de rivierdynamiek, hermeandering en/of het vasthouden van water. Daarnaast wordt gewerkt aan het versterken van een open en afwisselend dynamisch landschap
van geulen of meanders, open vlaktes en zachthoutooibos. • Ontwikkelingen op de oeverwallen dragen bij aan herstel van de natuurlijke variatie: bos op de hogere delen en open ruigte langs de voet. • Ontwikkelingen in de komgronden dragen bij aan het lage, natte karakter en het ontwikkelen van kleimoeras met ofwel moerasbos ofwel ruimte voor weidevogels.
1.8 Natuurlijke laag • Zeekleigebied Langs de voormalige Zuiderzeekust vind je nu de Noordoostpolder en de Randmeren. Deze grote zoetwaterpartijen zijn een restant van het voormalige open water (open water, rietlanden, oevervegetatie) en vormen de overgang naar het ‘nieuwe land’. Je vindt hier vaak hoge randen van afgezet, opgestoven zand. Ontwikkelingen • De aanleg van de Noordoostpolder heeft ertoe geleid dat een deel van de zeekleigebieden inklinkt. Het water zijgt weg naar de Noordoostpolder, waardoor deze polders gevoelig zijn voor droogte. • Op termijn wordt het IJsselmeerpeil dynamischer, zodat er voldoende zoet water is in Nederland. De peilstijging is bovendien nodig, zodat we kunnen blijven spuien als de zeespiegel stijgt. • Het Kampereiland ligt buitendijks. Dit betekent dat de waterveiligheid hier grote aandacht verdient. Er wordt onderzoek gedaan naar een
De voormalige Zuiderzeedijk met links de Noordoostpolder en rechts daarvan het 'oude land' met zeeklei op veen
Kenmerken Het zeekleigebied is het overgangsgebied tussen de zoetwaterdelta van de rivieren en de voormalige Zuiderzee. Vóór de bedijking was het een dynamisch open gebied met een stevige kleiondergrond. Onder invloed van de zee, wind en erosie ontstond hier een herkenbaar waaierpatroon met geulen, kreken en kreekruggen en hogere
52
oevers met daartussen laagtes. In de laagtes vond later veenvorming plaats. Door de invloed van de voormalige Zuiderzee was er verdere opslibbing in de vorm van kleiafzettingen. Het landschapsbeeld is er één van geulen, hogere oevers en overstromingsvlaktes. In gebieden waar de omstandigheden minder dynamisch waren, ontwikkelde zich kleimoeras met diverse verlandingsstadia.
Bodem:zeeklei, rivierklei Hydrologie: vroeger overstroming, nu plaatselijk kwel Natuurlijk bostype: essen-iepenbos Cultuurlandschap: zeekleilandschap Kansen voor
slimme delta, waarin waterveiligheid gecombineerd wordt met natuurontwikkeling en drinkwaterwinning. Ambitie De grootsheid en het open karakter van het zeekleigebied bewaren en versterken. Langs de waterrijke randen, wielen en kwelplekken zijn kansen voor natuurontwikkeling, als herinnering aan de herkomst van dit landschapstype. Ontwikkelingen houden rekening met een mogelijke peilstijging van het IJsselmeer.
Sturing Norm • Het patroon van geulen en kreken, hogere oevers en kreekruggen en (voormalige) overstromingsvlaktes krijgt een beschermende regeling gericht op de instandhouding van dit karakteristieke patroon met bijbehorend reliëf. Richting • Ontwikkelingen houden rekening met een dynamischer peil van het IJsselmeer.
Zicht op het Kampereiland en daarachter het Ketelmeer, de voormalige Zuiderzee (foto Anne Nijland)
53
Inspiratie • Waar mogelijk kleimoeras ontwikkelen met diverse verlandingsstadia: open water, rietmoeras en/of moerasbos. • Langs de Randmeren waar mogelijk natuurlijke oevers realiseren en de randkwaliteit en randlengte benutten. • Waar mogelijk een beleefbaar en toegankelijk natuurlandschap realiseren.
54
2 Laag van het agrarische cultuurlandschap
Het aanzien van ruim tweederde van Overijssel wordt bepaald door het agrarisch gebruik
Inleiding Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Het is de weerslag van de manier waarop de mens heeft ingespeeld op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte heeft gemaakt. Het aanzien van ruim tweederde van Overijssel wordt bepaald door het agrarisch gebruik. Dit landschap bestaat uit zowel de agrarische gronden, de beplantingen, routes, waterlopen en het reliëf als de erven, buurtschappen en dorpen deel uit. Vanuit de nederzettingen werden de omliggende gronden ontgonnen, daardoor is er een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omringende landschap.
55
Bij de ontwikkeling van de cultuurlandschappen hebben ideeën over schoonheid nooit een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral de herkenbaarheid, het contrast en de afwisseling worden gewaardeerd. Daarbij spelen ook de cultuurhistorie en het verhaal van het landschap een steeds belangrijkere rol evenals de natuurwaarden, de aanwezigheid van gebiedseigen soorten, planten en dieren. Er zijn grote verschillen in de leeftijd van de verschillende landschappen. De eerste hoge plekken van het dekzand werden vanaf 400 na Christus op een nu nog herkenbare wijze in cultuur gebracht. Steeds werden andere gebieden en mogelijkheden gezocht, tot in de jaren ‘60 van de afgelopen eeuw zijn natuurlijke gebieden gecultiveerd. Dit verschil in ‘tijdsdiepte’ geeft mede richting aan de ontwikkeling van deze gebieden. Ontwikkelingen Het geschakeerde patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen, dorpen) is door de eeuwen heen gegroeid. Structuur, maatvoeringen en landschapselementen werden keer op keer aan de veranderende omstandigheden aangepast. Vanaf 1900, maar met name vanaf de Tweede Wereldoorlog, zijn de verschillen tussen de cultuurlandschappen steeds minder groot geworden.
De uitvinding van het kunstmest en het prikkeldraad, de beheersing van de waterhuishouding, en de schaalvergroting en modernisering van de landbouw hebben de vaak eeuwenoude cultuurlandschappen in een relatief korte periode veranderd. De landbouw die de cultuurlandschappen vormgaf, heeft zich zo ontwikkeld, dat ze niet meer vanzelfsprekend past in haar oude jas. Egalisatie om makkelijker te kunnen maaien en oogsten, heeft in veel gebieden het microreliëf uitgevlakt. Natuurlijke laagtes waar tijdelijk water werd opgevangen en kon infiltreren zijn verdwenen. Door gebruik van zwaarder landbouwmateriaal is sprake van bodemverdichting en door het toepassen van meststoffen is op verschillende plaatsen sprake van een overbemesting. Tegelijk is in Salland en Noordoost Twente ihet kleinschalige landschap deels intact gebleven. Boeren zijn hier met een beperkt verdienvermogen, in staat geweest om veel van dit gewaardeerde landschap te behouden.
Ambitie De eigenheid en kwaliteit, de rust, de ruimte en de mogelijkheden om te wandelen en te fietsen wordt enorm gewaardeerd. We hebben dan ook de ambitie om de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen terug te brengen, te behouden en te versterken. Maat- en schaalverschillen, wegenpatronen, erven en beplantingen, historische ensembles, karakteristieke nederzettingen als esdorpen, kanaaldorpen of ontginningslinten zijn belangrijke dragers van de verscheidenheid, cultuurhistorie en biodiversiteit. Ontwikkelingen dragen bij aan de instandhouding en versterking van een klimaatadaptief, vitaal en aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap waar voedselproductie en biodiversiteit hand in hand gaan.
De hoge waterstand is typerend voor de veenweidegebieden in de Kop van Overijssel
Landschapselementen hebben hun functie als bijvoorbeeld perceelscheiding of geriefhout verloren en verdwijnen uit het landschap. Dit heeft ook gevolgen voor planten en dieren, de biodiversiteit. Door uniforme, vaak grootschalige agrarische bebouwing en schaalvergroting van percelen zijn landschapselementen en paden verdwenen. Maar ook de herkenbaarheid en eigenheid van dorpen, buurtschappen en agrarische erven verdwijnt, wat zorgt voor een vervlakking van de verschillende landschappen. Burgers op getransformeerde boerenerven hebben vaak weinig (economische) binding met de grond en het landschap en genieten van de vrijheid op het eigen erf.
56
Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen • De inzet is de ontwikkeling van een uitgesproken, herkenbaar en contrastrijk palet van agrarische cultuurlandschappen door het versterken van de landschappelijke diversiteit en de overgangen tussen de verschillende landschappen en het versterken van de eigenheid, herkenbaarheid en kwaliteit van de verschillende landschappen. Maat- en schaalverschillen, patronen van wegen, erven en beplanting en de historische ordening (ensembles) zijn belangrijke dragers van de verscheidenheid. • In de levende cultuurlandschappen bouwen nieuwe functies en programma’s voort op de kenmerken, kwaliteiten en ontwikkelingsgeschiedenis van de verschillende landschappen, zodat
contrast en herkenbaarheid worden vergroot. • Voorop staat het behoud van de bestaande kwaliteiten en het zichtbaar houden van de tijdslagen, omdat de identiteit van de cultuurlandschappen sterk verbonden is met het ontstaan en de geschiedenis van de streek. Ontwikkelingen (agrarische bebouwing, wonen, werken, voorzieningen) dragen bij aan de instandhouding van bestaande en de ontwikkeling van nieuwe kwaliteiten en samenhang. Met de ambitie dat iedereen die ontwikkelt ook investeert in zijn omgeving, wordt de binding met de plek groter. • Behoud en ontwikkeling van duurzame landbouw voor een gezond bodem- en watersysteem in een vitaal en aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap. Dit biedt perspectief voor een rendabele landbouwsector die hoogwaardig voedsel produceert of maatschappelijke diensten levert. Elke stad en dorp zijn eigen kleur • Ontwikkelingen dragen bij aan een nieuwe samenhang tussen dorp, erf en landschap. Hierbij gaat het om de samenhang (landschappelijk, routestructuren, gebruik) tussen de (voormalige) boerenerven, buurtschappen en dorpen en hun omliggende landschappen. Elk dorp, landschap en gebied heeft zijn eigen kansen en mogelijkheden, de inzet is de eigen karakters te versterken.
Daarbij is het de ambitie voort te bouwen op het landschaps- en nederzettingspatroon van de diverse typen agrarisch cultuurlandschap en de ruimtelijke karakteristiek: esdorp, wegdorp, kanaaldorp, ontginningslint, etc.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
2.1 Essenlandschap 2.2 Oude hoevenlandschap 2.3 Maten- en flierenlandschap 2.4 Jonge heide- en broekontginningen 2.5 Ontginningsbos en heidevelden 2.6 Laagveenontginningen 1.5 Laagveenrestant / Kraggenlandschap 1.6 Hoogveenrestant 2.7 Hoogveenontginningen 2.8 Veenkoloniaal landschap 2.9 Rivierenlandschap Uiterwaard Oeverwal Komgrond
2.10 Zeekleilandschap 2.11 Dorp of buurtschap
Grote stad of streekcentrum
57
2.1 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Essenlandschap Ontwikkelingen • De herkenbaarheid van de essen en hun flanken is sterk afgenomen. De samenhang van het essenlandschap, bijvoorbeeld de relatie tussen de bebouwing/erf en het omliggende land, verdwijnt. • Het open karakter van de essen wordt bedreigd door toename bebouwing, en grondgebruik bijvoorbeeld boomteelt en mais. • De hogere essen zijn gevoelig voor droogte. • Schaalvergroting, mechanisatie en kunstmest in
Esdorp bij Rheeze
Kenmerken Het essenlandschap treffen we aan op de hoger gelegen zandgronden en bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden (§2.3), (voormalige) heidevelden (§2.4) en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen (§2.11) en verspreide erven). Het landschap is georden vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting, met heideplaggen en stalmest, heeft geleidt tot het karakteristieke reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. De dorpen en erven la-
58
gen op de flanken van de es, op de overgang naar de lager gelegen maten en fliergronden. Zo lagen ze droog en werden tegelijkertijd de werklijnen zo kort mogelijk gehouden. De zandpaden volgen de lange ‘luie’ lijnen van het landschap. Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinwebstructuur naar de omliggende gronden en de dorpen. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet met vaak de kerktoren als markant element.
Ondergrond:stuwwallen en dekzandgronden Ontstaan:vanaf ca 400 Structuur:organisch, spinnewebstructuur Bebouwing: esdorpen: kern-, flank- en kransesdorpen. Grote erven met grote volumes en zware beplantingen Bakens door de tijd: hallenhuisboerderijen, hooibergen, bakhuisjes, schaapskooien, molens Beplanting:houtwallen, bosjes, weg- en erfbeplanting Gidssoorten:geelgors, gewone grootoorvleermuis, grote muur, kamsalamander, kleine ijsvogelvlinder Kansen voor:
de landbouw hebben geleid tot het een verandering in de kenmerkende mineralenstromen in dit landbouwsysteem en de vermindering van de landschappelijke contrasten. De samenhang tussen essen, flanken en erven verdwijnt. • Veel boeren stoppen. Dit betekent ook dat er veel agrarische erven vrijkomen. Een deel van de erven wordt getransformeerd tot burgererf. • Burgererven hebben het karakter van het landelijk gebied veranderd richting een mix van wonen en werken. Nieuwbouw ontneemt soms het zicht op de es of vanaf de es op het dorp. Ambitie De es behouden als ruimtelijke eenheid en versterken van het contrast tussen de grote open maat van de essen en het mozaïek van de flanken. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. Op de es geen ontwikkelingen die ten koste gaan van de openheid. Zicht op het essenlandschap vanuit de omgeving zo veel mogelijk behouden en versterken. Microreliëf op de es biedt mogelijkheden om regenwater vast te houden en te laten infiltreren. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt. Goed beheerde landschapselementen als houtwallen, weg- en erfbeplanting, kruidenrijke bermen en akkerranden dragen bij aan de gebiedseigen biodiversiteit.
De essen en flanken zijn vanwege de cultuurhistorische waarde slecht geschikt zijn voor het plaatsen van (grote) windturbines.
59
Het contrast tussen de grote open maat van de es en de beslotenheid van de flanken versterken
Sturing Norm • De essen krijgen een beschermende regeling gericht op de instandhouding van de karakteristieke openheid, de huidige bodemkwaliteit en het huidige reliëf. • Op de flanken krijgen de kleinschalige landschapselementen, zoals houtwallen, bosjes, zandpaden, karakteristieke erven en beeldbepalende open ruimte daartussen, een beschermende regeling gericht op instandhouding van dit kleinschalige patroon. Richting • Ontwikkelingen vinden plaats op de flanken, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.
• Ontwikkelingen dragen zowel bij aan het vasthouden en infiltreren van water als aan de waterkwaliteit. • De herontwikkeling van vrijkomende agrarische erven sluit aan bij de karakteristieken van het essenlandschap. • Ontwikkelingen vergroten de toegankelijkheid van erven en erfroutes. • Ontwikkelingen dragen bij aan het accentueren en zichtbaar houden van de rand van de es als groene ‘mantel’. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. Inspiratie • Knooperven als inspiratie voor de herontwikkeling van vrijkomende boerenerven. • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten.
2.2 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Oude hoevenlandschap Ontwikkelingen • Schaalvergroting, mechanisatie en kunstmest in de landbouw hebben geleid tot een verandering in de kenmerkende mineralenstromen in dit landbouwsysteem en vermindering van de landschappelijke contrasten. De samenhang tussen essen, flanken en erven verdwijnt. • Het open karakter van de essen wordt bedreigd door toename van (grotere) bebouwing en grondgebruik zoals boomteelt en mais. • Het kleinschalige oude hoevenlandschap is gevoeliger voor verandering dan het essenlandschap. • De hogere essen zijn gevoelig voor droogte.
Ontwikkelingen dragen bij aan de toegankelijkheid van het landschap
Kenmerken Het oude hoevenlandschap treffen we, net als het essenlandschap, aan op de hoger gelegen zandgronden. Het is onlosmakelijk verbonden met de beekdalen en de voormalige woeste gronden. Het is een kleinschalig landschap met verspreide erven. De oude hoeven werden ontwikkeld nadat de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelruimte zocht. Die vonden ze op de kleinere dekzandkoppen die individueel werden ontgonnen. Zo ontstond een landschap met eenzelfde opbouw als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige en individuele variant. Deze kleinere maat en schaal
60
is ook de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het is het essenlandschap in het klein met een samenhangend systeem van essen/kampen met boerenerven op de flank. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgen. Spinnenwebstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en erven. Contrastrijk landschap met veel variatie op de korte afstand: open es of kamp met een erf op de flank. Daartussen kleinere (boven)lopen van beken en natte laagtes met veel houtwallen (maten- en flierenlandschap, §2.3) en open heidevelden en ontginningen (jonge heide- en broekontginningen, §2.4).
Ondergrond:kleinschalige dekzandgronden Ontstaan:vanaf ca 1200 Structuur:organisch, routes van erf tot erf Bebouwing:verspreide individuele erven, geen dorpen Bakens door de tijd: hallenhuis- en keuterboerderijen, hooibergen, bakhuisjes Beplanting:houtwallen, boomsingels, wegen erfbeplanting Gidssoorten:geelgors, gewone grootoorvleermuis, grote muur, kamsalamander, kleine ijsvogelvlinder Kansen voor:
• Steeds meer boeren stoppen met het agrarische bedrijf. Er komen hierdoor agrarische gronden en bijbehorende gebouwen vrij. Een deel daarvan wordt getransformeerd tot burgererf. • Schaalvergroting in de landbouw en toename van burgererven veranderen het karakter van dit kleinschalige, agrarische landschap. Dit zorgt voor een mix van wonen en werken. Ambitie Het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls geven. Deze erven bieden ruimte voor landbouw in combinatie met wonen, werken en recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplanting. Goed beheerde landschapselementen als houtwallen, weg- en erfbeplanting, kruidenrijke bermen en akkerranden dragen bij aan de gebiedseigen biodiversiteit. Microreliëf op de es behouden en herstellen, waardoor het mogelijk wordt om regenwater vast te houden en te laten infiltreren. Het oude hoevenlandschap is in principe geschikt voor het plaatsen van kleine clusters windturbines, met uitzondering van de essen en flanken die slecht geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines. De clusters staan op voldoende afstand van elkaar. Sturing Norm • De essen en esjes krijgen een beschermende regeling gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de bodemkwaliteit en
61
Voortbouwen op de kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de erven en de opgaande beplanting (foto gemeente Almelo)
het reliëf. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en de accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes). Daarnaast dragen ze bij aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de kleinschalige landschapsonderdelen: de erven met erfbeplanting, de open es(je), het beekdal en de voormalige heidevelden. • Ontwikkelingen dragen zowel bij aan het vasthouden en infiltreren van water als aan de waterkwaliteit. • De herontwikkeling van vrijkomende agrarische erven sluit aan bij de karakteristieken van het oude hoevenlandschap.
• Ontwikkelingen vergroten de toegankelijkheid van erven en erfroutes. • Ontwikkelingen dragen bij aan het accentueren en zichtbaar houden van de rand van de es als groene ‘mantel’. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. • De opstelling van windturbines in kleine clusters sluit aan bij de karakteristieken van het oude hoevenlandschap. De turbines in een cluster zijn identiek (hoogte, type, kleur, aantal wieken). Inspiratie • Knooperven als inspiratie voor de herontwikkeling van vrijkomende boerenerven. • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten.
2.3
Laag van het agrarische cultuurlandschap • Maten- en flierenlandschap hakhoutstruweel, de open kamers van de hooi- en weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Ontwikkelingen • De structurerende werking van de beekdalen en oeverlanden als landschap met coulissen staat onder druk door schaalvergroting in de landbouw, maar ook door natuurontwikkeling. • Het natte karakter verdwijnt door drooglegging in verband met landbouwkundig gebruik. Door de waterpeilverlaging wordt het maten- en flierenlandschap ook geschikt voor allerlei niet karakteristieke vormen van grondgebruik.
Door het meanderen en verondiepen van de beek kan het water beter vastgehouden worden
Kenmerken Het maten- en flierenlandschap treffen we aan op lager gelegen zandgronden en is onlosmakelijk verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap (§2.1 en §2.2) en de voormalige woeste gronden (jonge heide- en broekontginningen, (§2.4)). Het is min of meer de contramal van het essen- en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden.
62
Het maten- en flierenlandschap is een laaggelegen, kleinschalig landschap dat zich langs beken en in natuurlijke laagtes, maar ook langs de Vecht, heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant, dat ook gebruikt werd als perceelafscheiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Zo ontstond een gevarieerd landschap: de open ruimte van de beek, de coulissen van
Ondergrond: dekzandlaagtes Ontstaan:vanaf ca 400 Structuur:onregelmatige blokverkaveling, soms een strokenverkaveling Bebouwing:vrijwel niet Bakens door de tijd: veldschuurtjes, vloeivelden, dammen, in- en uitlaten Beplanting:houtwallen en boomsingels op perceelsgrenzen Gidssoorten:wegedoorn, beekrombout, boomkikker, grote gele kwikstaart, bunzing Kansen voor
• Bijzondere natuurlijke kwaliteiten die de landbouw vroeger met zich meebracht (bloemrijke graslanden) komen onder druk te staan. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie Het maten- en flierenlandschap weer herkenbaar maken en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis geven. De nog gave delen verdienen een inrichting en beheer dat gericht is op cultuurhistorische waarden. Het aanzetten van de randen, het beleefbaar maken van het waterrijke karakter en de continuïteit van het landschap is het uitgangspunt. Beekdalen en natte laagten benutten om water vast te houden en te laten infiltreren. Meer ruimte voor water en herstellen van een robuust watersysteem. Waar mogelijk het waterpeil verhogen en karakteristieke vormen van grondgebruik terugbrengen. Brede natuurlijke oevers langs meanderende beken, poelen, houtwallen en -singels dragen bij aan de gebiedseigen biodiversiteit. Het maten- en flierenlandschap is slecht geschikt voor het plaatsen van windturbines. Sturing Norm • De maten, flieren en beken krijgen een beschermende regeling gericht op instandhouding van het onbebouwde karakter, de continuïteit van de beekloop, voldoende ruimte voor water en het lineaire landschap met open ‘kamers’ en coulissen. • In het maten- en flierenlandschap is het waterpeil niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk is.
63
Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering van de maten en flieren
Richting • Ontwikkelingen versterken het historische, lineaire landschap met open ‘kamers’ en coulissen en accentueren de overgang naar de hogere gronden. De inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden. • Ontwikkelingen dragen bij aan de toegankelijkheid en beleefbaarheid van het maten- en flierenlandschap. • Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en herstel van een natuurlijk en klimaatrobuust
watersysteem. Dit betekent water vasthouden en infiltreren, het waterpeil verhogen en de waterkwaliteit verbeteren. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. Inspiratie • Openheid behouden door het gebruik als hooi- en weiland te combineren met natuur- en landschapsbeheer. • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten.
2.4 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Jonge heide- en broekontginningen Ontwikkelingen • In de agrarische sector is steeds meer sprake van schaalvergroting voor een efficiëntere voedselproductie. Hierdoor verdwijnen landschapselementen, worden percelen samengevoegd, vergroot de schaal op het boerenerf en neemt de biodiversiteit af. • Plaatselijk veranderen de boerderijlinten in een vrije tijds- en woonlandschap met burgererven en recreatieve en zorgfuncties. • In het verleden zijn de nattere gronden ontwa-
Ontwikellingen dragen bij aan een grofmazige groenblauwe dooradering en de toegankelijkheid van de jonge heide- en broekontginningen
Kenmerken De grote oppervlakte aan, voormalige, natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap (§2.1 en §2.2). Hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal. Deze plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later
64
werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot ca 1960). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. De jonge ontginningen bestaan uit relatief grote, open ruimtes, rationeel verkaveld en deels omzoomd door boscomplexen. Erven liggen als blokken aan de weg. Boerderijen zijn familie van elkaar, in dezelfde tijd met vaak dezelfde bouwstijl gebouwd. Wegen zijn lange rechte lanen.
Ondergrond: dekzandvlaktes Ontstaan:vanaf ca 1820 Structuur:planmatig, rechtlijnig Bebouwing: koloniedorpen van de Koloniën van Weldadigheid, daarna langs ontginningswegen verspreide, kleine erven met carré van erfbeplanting, enkel nieuw wegdorp Bakens door de tijd: koloniehuisjes en -hoeven, aardappelkelders, hooibergen, bakhuizen Beplanting:lanen, bosjes met heiderelicten Gidssoorten:witte kwikstaart, tormentil, roodborsttapuit, bruin zandoogje, gewone pad Kansen voor
terd. Nog steeds wordt water te snel afgevoerd, waardoor het niet kan infiltreren. Dit vergroot de kans op watertekort in droge zomers. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). • Ontwikkeling van verschillende clusters windturbines, met name ten noorden van de Vecht. Ambitie De bodem en wateromstandigheden van de jonge heide- en broekontginningen zijn, ook op lange termijn, geschikt voor landbouw en hier wordt prioriteit aan gegeven. Het behoud van dit landschap is namelijk ook afhankelijk van een agrarische sector met voldoende verdienvermogen. De landschappelijke structuur bestaat uit een raamwerk van lanen, bosstroken en waterlopen, die het rechtlijnige karakter van de ontginningen versterken. De ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit van de jonge ontginningen wordt versterkt door een grofmazige groenblauwe dooradering met o.a. kruidenrijke wegbermen, natuurlijke slootkanten, lanen en erfbeplanting. Daarnaast worden de omstandigheden voor boerenlandvogels verbeterd. Er wordt gewerkt aan een klimaatrobuust watersysteem door water langer vast te houden, afvoer te vertragen en infiltratie in de bodem te vergroten. Hierdoor zijn de jonge ontginningen beter bestand tegen extremere weersomstandigheden en de toenemende kans dat wateraanvoer (tijdelijk) niet mogelijk is.
De maat en schaal van de jonge heide- en broekontginningen biedt kansen voor de ontwikkeling van grote clusters windturbines. De beschikbare ruimte optimaal benutten en rekening gehouden met toekomstige clusters.
65
De maat en schaal en het agrarische gebruik van de jonge ontginnigen kan gecombineerd worden met windclusters, zoals hier in Tolhuislanden
Sturing Norm • De jonge heide- en broekontginningen krijgen in de leefgebieden voor boerenlandvogels een beschermende regeling gericht op instandhouding van de openheid. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken, waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen. • Ontwikkelingen dragen zowel bij aan het verbeteren van de waterkwaliteit als aan het infiltreren, vasthouden en tijdelijk bergen van water om de gevolgen van extreme neerslag en tijdelijke
tekorten te kunnen opvangen. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. • De opstelling van windturbines in een groot cluster versterkt het grootschalige en lineaire karakter van de jonge heide- en broekontginningen. De turbines in een cluster zijn identiek (hoogte, type, kleur, aantal wieken). Inspiratie • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten. • Verruiming van het watersysteem, bijvoorbeeld door verbreden van watergangen en plas-dras zones om tijdelijke tekorten en overschotten beter op te vangen.
2.5 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Ontginningsbos en heidevelden ontginning van de voormalige woeste (heide) gronden heeft geresulteerd in agrarische jonge heide- en broekontginningen, ontginningsbossen en (nooit ontgonnen) heidevelden. Karakteristiek zijn de grote rechte bosvakken met gelijkjarige bomen bestaande uit één soort. Over het algemeen vinden we ontginningsbossen op droge gronden, met van nature lage grondwaterstanden. Aanvankelijk waren de eenvormige bossen, omdat grove den en hakhout overheersten. Later is er voor meer afwisseling gezorgd door oa. de aanleg van bomenlanen en parken om ook recreanten te trekken. Er kwam meer diversiteit in boomsoorten door toevoegen van bemesting. De ontginningsbossen zijn nog volop in ontwikkeling en zijn nog jonge bosecosystemen.
Op de stuwwallen en stuifzanden werden eind 19e, begin 20ste eeuw grootschalige boscomplexen aangelegd
Kenmerken Delen van de jonge heide- en broekontginningen (§2.4) zijn ingeplant met bos. Het gaat hier om de grote boscomplexen op stuwwallen, zoals de Sallandse Heuvelrug, op dekzandruggen, zoals de Zwarte Dennen bij Staphorst, en op de stuifzandgronden bijvoorbeeld langs de Vecht. Op verschillende plaatsen was het gebruik van heidevelden zo intensief, dat de heide zich niet kon herstellen en de blootgelegde grond door wind in beweging kwam en stuifzanden ontstonden. Deze stuifzan-
66
den werden ingeplant met grove den en dit was het begin van de ontginningsbossen. Eind 19e, begin 20ste eeuw werden voormalige heidegronden op grote schaal ontgonnen voor de landbouw, de uitvinding van kunstmest maakte dit mogelijk. Op gronden die niet of minder geschikt waren voor de landbouw werd op grote schaal bos aangeplant voor de jacht en houtproductie. Het hout werd gebruikt in de Limburgse mijnen, de eikenbast voor leerlooierijen en als brandhout. De grootschalige
Ondergrond:dekzandruggen, stuwwallen Ontstaan:vanaf ca 1820 Structuur:planmatig, rechtlijnig Bebouwing:bijna niet, landgoederen Bakens door de tijd: landhuizen, pachtboerderijen, zagerijen, bosbouwschuren, koetshuizen, theekoepeltjes, jachthuizen Beplanting:grootschalige boscomplexen met (nooit ontgonnen) heidevelden Kansen voor
Ontwikkelingen • Ontginningsbossen worden omgevormd naar een gemengd bos met een mix van loof- en naaldhout. • De bossen zijn gevarieerder in soorten en ouderdom. Dit maakt ze aantrekkelijker, waardoor de recreatiedruk toeneemt. Bovendien is de spreiding van de bezoekers beperkt, waardoor sommige delen overbelast zijn, terwijl andere delen niet of nauwelijks gebruikt worden. • De kwaliteit en vitaliteit van de bossen staat onder druk. In sommige ontginningsbossen worden de stikstofwaarden ruim overschreden. • Er is steeds meer vraag naar lokaal geproduceerd hout.
Sturing Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het vitaliseren en diverser maken van het ontginningsbos. Er wordt een mix van loof- en naaldbomen aangeplant en er worden brandwerende stroken aangelegd. • Ontwikkelingen dragen bij aan het vasthouden en infiltreren van water in ontginningsbos, denk
aan opnieuw vernatten van rabatbossen. Bij ontwikkelingen worden recreatieve routes behouden of toegevoegd. Het recreatieve gebruik is in balans met de natuurwaarden. Zonering is hierbij belangrijk. Inspiratie • Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de leefomstandigheden wilde planten en dieren.
Ambitie De ontginningsbossen ontwikkelen zich verder tot een divers bos met een mix van loof- en naaldhout. Het omvormen naar een gemengd bos draagt ook bij aan het vasthouden van grondwater, omdat loofbomen minder water verdampen. Met de toenemende droogte is dit niet alleen belangrijk voor de natuur, maar ook voor de landbouw en de drinkwaterwinning. Het omvormen naar een meer natuurlijk bos verbetert bovendien de ecologische waarde. De ontginningsbossen zijn belangrijk voor toerisme en recreatie, denk aan Landgoed Junne of Lutterzand, en kunnen daarnaast gebruikt worden voor lokale houtproductie. De bossen zijn slecht geschikt voor het plaatsen van windturbines. Loofbomen toevoegen aan naaldbossen om de ontginningsbosser vitaler, klimaatbestendiger en meer biodivers te maken
67
2.6 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Laagveenontginningen Ontwikkelingen • Het waterpeil wordt kunstmatig laag gehouden, waardoor de bodem daalt en het veen oxideert. Dit zorgt voor schade aan gebouwen en infrastructuur en CO2 uitstoot. • Het karakteristieke beeld van lange smalle slagen kan worden bedreigd door de samenvoeging van naast elkaar gelegen percelen, het kappen van houtsingels en de schaalvergroting op de erven. • De schaalvergroting in de landbouw zet door. Daardoor groeit in Polder Mastenbroek de bebouwing van de terp af.
De weidse Polder Mastenbroek met het lineaire poldergrid en boerderijen op terpen is onderdeel van Nationaal Landschap IJsseldelta
Kenmerken De laagveenontginningen zijn een open, laag en nat landschap die ontgonnen zijn vanuit de bewoonde, hogere randen. Deels door vervening, deels alleen door ontwatering. Boerderijen in linten langs vaarten en wegen. Polder Mastenbroek en de polder van Staphorst en Rouveen zijn de nationaal bekende iconen van het Overijsselse laagveenontginningen. Er zijn diverse verschijningsvormen. Zo is er het kleinschalige slagenlandschap van Staphorst en Rouveen met zijn lintvormige kernen en langgerekte, uitwaaierende kavels en houtsingels. Nabij de boerderijen worden de kavels intensief gebruikt en dit wordt steeds extensiever richting het achterland (de hooilanden). In dit extensieve
68
achterland zijn met de ruilverkaveling nieuwe boerderijlinten ontstaan. Daarnaast zijn ook Kamperveen en de rationeel verkavelde en ingerichte Polder Mastenbroek met zijn lineaire poldergrid en boerderijen op terpen onderdeel van dit landschap. Net als de diepe ontginningspolders rond Scheerwolde, in feite droogmakerijen waar het veen is afgegraven en de polders zijn drooggelegd. De polders zijn open, rationeel verkaveld en boerderijen staan in linten langs rechte wegen. De kavelbeplanting rond de erven is de enige beplanting in deze polders. Op delen van de laagveenontginningen is door menselijk handelen een ‘kraggenlandschap’ (§1.5) ontstaan, herkenbaar aan de afwisseling van sloten, open water en land. Denk aan Oldematen-Veerslootslanden.
Ondergrond: laagveen Ontstaan:vanaf ca 1000, Polder Mastenbroek halverwege de 14e eeuw Structuur:opstrekkende verkaveling en rechtlijnige ontginningsstructuur Bebouwing:wegdorpen, relatief kleine erven Bakens door de tijd: Staphorsterboerderijen, aan stegen, kerkheuvels, -hoven, voormalige kasteelplaatsen, omgrachtingen, Beplanting:opstrekkende houtsingels (els, berk, eik) en erfbeplanting (op de terp) Gidssoorten:grutto, grote modderkruiper, groene glazenmaker, hermelijn, dotterbloem Kansen voor
Het waardevolle kleinschalige slagenlandschap van Staphorst met langgerekte kavels en houtsingels
• De biodiversiteit neemt af en ook de omstandigheden voor de weidevogels verslechteren. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie De cultuurhistorische kwaliteiten van de laagveenontginningen zoveel mogelijk in stand houden en beleefbaar maken. Het herstel van de smalle, opstrekkende kavels en sloten met houtsingels nabij de historische bebouwingslinten draagt bij aan de gebiedseigen biodiversiteit. De grote open ruimtes, het patroon van sloten en de vochtige bloemrijke weides rond de boerderijlinten van na de ruilverkaveling geven dit landschap grote belevingswaarde en zijn essentieel voor weidevogels. De grondgebonden landbouw is de drager van deze kwaliteiten. Natuurvriendelijke oevers, erven met kleinschalige landschapselementen, kruidenrijke randen langs wegen, sloten en weilanden dragen bij aan de gebiedseigen biodiversiteit.
69
Het waterpeil wordt geleidelijk verhoogd om bodemdaling en CO2 uitstoot tegen te gaan. Daarbij geldt wel dat maatwerk geleverd moet worden, omdat de fysieke omstandigheden (veensoort, bodem, etc.) verschillen. Het karakteristieke bebouwingspatroon (voorkant aan de weg, achterkant aan het landschap, in Polder Mastenbroek op terpen) vormt vertrekpunt bij herstructurering, verdichting en uitbreiding van de agrarische bebouwing. De laagveenontginningen bieden alleen mogelijkheden voor het plaatsen van windturbines als de landschappelijke, economische en ecologische waarden zijn geborgd. Sturing Norm • De laagveenontginningen krijgen, mede voor weidevogels, een beschermende regeling gericht op de instandhouding van de ter plaatse karak-
teristieke maat en schaal van de ruimte, met onderscheid tussen gebieden met grote open ruimtes en gebieden met een langgerekte kavelstructuur met beplanting. • Polder Mastenbroek krijgt een beschermende regeling gericht op instandhouding van het grootschalige, open karakter, mede voor weidevogels, met zijn grid van weteringen, stegen en aanliggende huisterpen en het dijkenpatroon. • In de laagveenontginningen is het waterpeil niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het lint als karakteristieke bebouwingsstructuur. In de Polder Mastenbroek vinden ontwikkelingen plaats op de huisterpen en wordt de erfbeplanting versterkt. • Ontwikkelingen in het slagenlandschap respecteren en versterken de ruimtelijke structuur met de langgerekte, opstrekkende kavels, sloten en houtsingels. • Ontwikkelingen werken met gebiedsgericht maatwerk toe naar een geleidelijke verhoging van het waterpeil om bodemdaling en CO2 uitstoot tegen te gaan. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. • De opstelling van windturbines sluit aan bij de plaatselijke karakteristieken van de laagveenontginningen. De turbines in een cluster zijn identiek (hoogte, type, kleur, aantal wieken). Inspiratie • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten.
2.7 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Hoogveenontginningen Ontwikkelingen • Het bijzondere karakter van de hoogveenontginningen staat onder druk door toename van bebouwing, verdichting van de linten en woonwijkjes, het verdwijnen van de karakteristieke bomensingels en houtwallen, aanpassingen vanuit landbouwkundige optimalisatie en ver-breding van de infrastructuur. • De schaalvergroting van de landbouw heeft het oorspronkelijk karakter van het landschap veranderd. Hierdoor verdwijnen landschapselementen, worden percelen samengevoegd, vergroot de schaal op het boerenerf en neemt de biodiversiteit af. • De hoogveenontginningen zijn gevoelig voor
Het kleinschalige en gevarieerde karakter van de bebouwingslinten met de kenmerkende weg- en kavelbeplanting
Kenmerken Het hoogveengebied werd in eerste instantie op kleine schaal ontgonnen. Vanuit de linten werd het omliggende hoogveengebied door middel van sloten langs smalle, opstrekkende kavels ondiep ontwaterd en in cultuur gebracht. Hierbij bleef veel veen onder het grondwater zitten. Een groot deel van dit landschapstype is dan ook later alsnog afgegraven ten behoeve van turfwinning, verder ontwaterd en weer als landbouwgrond in cultuur gebracht, het veenkoloniale landschap
70
(2.10). Andere delen zijn door landinrichtingswerken minder herkenbaar geworden. De hoogveenontginningen zijn te herkennen aan de opstrekkende verkavelingen, een min of meer grillig patroon van wegen en paden en de vele elzensingels. Reliëfrijk, vanwege het niet vergraven van de dunne veenpakketten. Het landschapstype is afwisselend meer of minder open.
Ondergrond: hoogveengebieden Ontstaan:vanaf ca 1600 Structuur: wat grillige opstrekkende verkavelingen Bebouwing:losse lintbebouwing, relatief kleine erven Bakens door de tijd: wijken, sloten, kanalen, gemalen, sluizen Beplanting:boomsingels op perceelscheiding Gidssoorten: patrijs, kleine watersalamander, koevinkje, stijf havikskruid, parelamaniet Kansen voor
droogte. Door klimaatverandering komt dit steeds vaker voor. Bovendien is de inrichting gericht op het snel afvoeren van water. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie De resterende hoogveenontginningen als ruimtelijk zelfstandige eenheden, herkenbaar en beleefbaar maken. In de kleinschalige linten met de karakteristieke beplanting zijn kansen voor een afwisselend woon- en werkmilieu, waar op kleinschalige en behoedzame wijze aan voortgebouwd kan worden. Karakteristieke boomsingels en houtwallen worden behouden en zo veel mogelijk teruggebracht. Goed beheerde landschapselementen als houtwallen, weg- en erfbeplanting, kruidenrijke bermen en akkerranden dragen bij aan de gebiedseigen biodiversiteit. Om bodemdaling te beperken en veenoxidatie en CO2 uitstoot te verminderen, worden hoogveenontginningen vernat. De inrichting is gericht op het vasthouden en infiltreren van water. Met dubbele lintstructuren voor bijvoorbeeld langzaam verkeer kunnen deze linten nog aan woonen recreatieve kwaliteiten winnen. Landbouw past bij het kleinschalige landschap. De hoogveenontginningen zijn slecht geschikt voor het plaatsen van windturbines. Sturing Norm • De hoogveenontginningen krijgen een beschermende regeling gericht op de instandhouding van de kenmerkende afwisseling in de mate van
71
openheid, elzensingels, reliëf, verkavelings- en slotenpatroon met een relatief grillig patroon van wegen en paden. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en de versterking van het kleinschalige karakter en de kenmerkende weg- en kavelgrensbeplanting en de diverse bebouwingslinten. • Ontwikkelingen dragen bij aan de verbetering van de hydrologie om verdroging van de hoogveenontginningen tegen te gaan en, waar mo-
gelijk, aan een toename van de natuurkwaliteit. Daarnaast wordt de waterkwaliteit verbeterd en wordt ingezet op het infiltreren, vasthouden en tijdelijk bergen van water. • Ontwikkelingen dragen bij aan een grofmazige groenblauwe dooradering . Inspiratie • De variatie en verschillen in grondgebruik handhaven. • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten.
Het Veenschap bij Vriezenveen bestaat uit smalle stroken grond, waar boeren vroeger voor eigen behoefte turf staken
2.8 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Veenkoloniaal landschap
•
•
• •
Vanuit bebouwingslinten langs kanalen en wijken werd het hoogveen ontgonnen
Kenmerken Het veenkoloniaal landschap is een grootschalige open landschap met lineaire bebouwings-, verkavelings- en ontwateringsstructuur. Ontstaan door grootschalige ontginning van de hoogveengebieden voor de turfwinning. Een ontwateringsstelsel van kanalen en wijken is typerend voor dit landschap. Vanuit nieuwe bebouwingslinten en kanaaldorpen werd het hoogveen ontgonnen. Het vergraven landschap werd vervolgens als akkerbouwgebied in gebruik genomen. Inmiddels heeft de melkveehouderij ook in grote delen van het veenkoloniaal landschap zijn intrede gedaan. Kanaaldorpen met het kanaal als centrale
72
open(bare) ruimte en drager van de bebouwing zijn karakteristiek voor dit landschap. Het Overijssels veenkoloniaal landschap is deel van een groter geheel dat zich uitstrekt over Groningen en Drenthe. Het is mede gevormd door de vestiging van ontginners en boeren uit andere regio’s. In de boerderijbouw is dit herkenbaar: typisch Groningse boerderijen staan naast Overijsselse.
dorpsuitbreidingen, infrastructurele aanpassingen en architectuur die zich niet voegt naar het landschap. De kenmerkende architectonische kwaliteit van de bebouwing is kwetsbaar. Toenemend en groter verkeer op krap bemeten lokale wegen en met name in linten. Hier ligt de weg ingeklemd ligt tussen het kanaal en bebouwing, waardoor de leefkwaliteit afneemt. Door intensivering van de landbouw neemt de biodiversiteit af. Ook de omstandigheden voor de boerenlandvogels verslechteren. De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ontwikkeling van verschillende clusters windturbines.
Ondergrond:afgegraven hoogveengebieden Ontstaan:vanaf ca 1800 Structuur: rechtlijnige structuur, kanalen Bebouwing:kanaaldorpen, afwisseling van grote en kleine erven aan een lint Bakens door de tijd: rijk gedecoreerde herenboerderijen, bruggen, sluizen, kalkovens, pakhuizen, scheepswerven, kerken Beplanting:boomsingels langs linten en als perceelsscheidingen Gidssoorten:witte kwikstaart, gewone pad, roodborsttapuit, bruin zandoogje, tormentil Kansen voor
Ontwikkelingen • De dragende structuur van kanalen en waterlopen wordt veronachtzaamd; kanalen worden soms gedempt. • De kwaliteit en identiteit vermindert door
Ambitie De aantrekkelijkheid, leefbaarheid en kwaliteit van de veenkoloniale landschappen versterken. Waarbij kanalen en waterlopen weer zichtbaar worden gemaakt en het contrast tussen de grote open ruimtes en verdichte zones (linten en kanaaldorpen) worden versterkt. De leefkwaliteit van de dorpen kan worden verhoogd door de wegen in te richten als fietsstraten of ‘shared space’, waar de auto te gast is. De relicten van het hoogveen, de formele kanalen en wijkenstructuur met mooie bruggen, royale laanbeplantingen en de soms landgoedachtige buitens, villa’s en herenboerderijen vormen hierbij de ruimtelijke aanknopingspunten. Kruidenrijke wegbermen, natuurlijke slootkanten, lanen, struikhagen en erfbeplanting dragen bij een de biodiversiteit van het veenkoloniale landschap. De landschappelijke kwaliteiten voor boerenlandvogels in stand houden en versterken, waaronder de aanwezige openheid en een hoog waterpeil. Er wordt gewerkt aan een klimaatrobuust watersysteem door water langer vast te houden, de afvoer te vertragen en de infiltratie in de bodem te vergroten. Hierdoor zijn de jonge ontginningen beter bestand tegen extremere weersomstandigheden en de toenemende kans dat wateraanvoer (tijdelijk) niet mogelijk is. De maat en schaal van het veenkoloniaal landschap biedt kansen voor de ontwikkeling van grote clusters windturbines.