1.b Ontwerp regionaal waterprogramma
Tekst van het document
Overige wateren Dit zijn wateren die zowel geen KRW-waterlichaam als geen WKW zijn. Deze wateren liggen in stedelijk en landelijk gebied en omvatten tenminste 75% van al het oppervlaktewater in Overijssel. De doelen voor de overige wateren in Overijssel betreffen het niveau “goed” zoals gesteld in de STOWA handleiding voor afleiding van doelen voor overig water (STOWA 2013 9) en richten zich op de ecologie ondersteunende fysisch-chemische parameters. Dit is het niveau waarbij de fysisch-chemische kenmerken het ecologisch functioneren niet in de weg staan. De doelen worden overgenomen van het voorgaande RWP. In tegenstelling tot de KRW-waterlichamen is doelbereik uiterlijk in 2027 niet nodig. Uitgangspunt is dat achteruitgang van de kwaliteit wordt voorkomen. Wel geldt voor de chemische kwaliteit van alle overige wateren de normering zoals opgenomen in het Bkl en de Omgevingsregeling. Voor overige wateren wordt verwacht dat uit ander bestaand of verwacht beleid een min of meer autonome verbetering van de waterkwaliteit optreedt die hoort bij de klasse ‘goed’.
Denk hierbij aan Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON), de aanpak van stikstof in de landbouw (7e en 8e Nitraatactieprogramma), de visie op landbouw van het ministerie van LNV, de evaluatie van regelgeving voor meststoffen (door LNV) en de ‘toekomstvisie gewasbescherming 2030 naar weerbare planten en teeltsystemen’ of Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW). Beschermde gebieden Naast de KRW kan voor specifieke oppervlaktewateren ook andere wet- en regelgeving van kracht zijn. Dit is het geval in de zogeheten ‘beschermde gebieden’, waar ofwel de zwemwaterrichtlijn (ZWR),
9 STOWA (2013): “Referenties en Maatlatten voor overige wateren (geen KRW-waterlichamen)”, STOWA-rapport
2013-14.
51
Natura2000 (vogel/habitatrichtlijn, N2000) of NNN verdere eisen stelt aan de kwaliteit van het water. Voor N2000 moet de provincie instandhoudings- en uitbreidingsdoelen halen. Deze instandhoudingsen uitbreidingsdoelen worden elders beschreven. Aanpalend aan deze doelen zijn in meerdere gebieden in het NNN maatregelen nodig om de natuur in naastgelegen Natura 2000-gebieden te behouden en herstellen10. De afstemming tussen provinciaal natuur- en waterbeleid, waarbij gezocht wordt naar versterking in plaats van het halen van gestelde doelen, wordt onder dit RWP verder geconcretiseerd. Naast de ZWR, Natura2000 en NNN, is ook de Nitraatrichtlijn relevant voor oppervlaktewaterkwaliteit. De Nitraatrichtlijn is onder andere gericht op vermindering van eutrofiering van oppervlaktewateren vanuit agrarische bronnen. De KRW heeft ook als doel om de eutrofiering te verminderen, maar richt zich ook op andere bronnen om eutrofiering te verminderen. De KRW geeft specifiek invulling van de normen van de Nitraatrichtlijn voor oppervlaktewateren. Naast bovengenoemde types beschermde gebieden, heeft de provincie de mogelijkheid om maatschappelijke functies aan (alle) oppervlaktewateren toe te kennen, zoals recreatie of natuur (artikel 4.4 Bkl).
Het vastleggen van maatschappelijke functies biedt een duidelijk kader bij het beoordelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen (artikel 8.22 Bkl) of voor een wateractiviteit (artikel 8.84 Bkl). Daarnaast kan de functieaanwijzing ook helpen om bij het uitwerken van bijvoorbeeld het water en bodem sturend principe (infiltratie, vasthouden of vernatten). Zwemwater In Overijssel zijn ruim 40 zwemlocaties aangewezen (zie Figuur 15. Locaties van zwemwateren in Overijssel.) Deze officiële locaties worden periodiek geïnspecteerd door de provincie om hygiëne en veiligheid tijdens het badseizoen te garanderen. Actuele informatie over deze locaties is te vinden op de website www.zwemwater.nl. Hoewel in de KRW normen voor waterkwaliteit zijn opgenomen, zijn in de Zwemwaterrichtlijn uit 2006 aanvullende regels opgenomen om de gezondheid van de mens te beschermen. Deze regels zijn van toepassing op de door de provincie aangewezen zwemwateren (Bijlage X).
10 Werken aan het Natuurnetwerk Nederland in Overijssel - Provincie Overijssel
52
Figuur 15. Locaties van zwemwateren in Overijssel.
4.3.4 Waterkwaliteit: wat doen wij verder? Tot en met 2027 maar ook daarna, is het KRW-beleid het meest prominente beleid voor het verbeteren van de chemische en biologische kwaliteit oppervlaktewateren. Daarnaast hebben we echter ook aanvullend beleid. De aanpak om de waterkwaliteit te verbeteren heeft de komende jaren de volgende beleidsmatige focuspunten: 1. Voldoen aan de gestelde KRW-doelen door: a. Uitvoeren van maatregelen. i. Vastgestelde maatregelen ii. KRW-Impuls b. Verlagen van buitenlandse belasting. c. Verbeteren van de staat van de Waardevolle Kleine Wateren. d. Verbeteren van de staat van de Overige wateren. 2. Goede zwemwaterkwaliteit onder een veranderend klimaat behouden. 3. Verdere afstemming tussen natuur- (N2000, NNN) en KRW-beleid. KRW Uitvoering reeds vastgestelde maatregelen De staat van de Overijsselse KRW-waterlichamen aan het begin van de derde planperiode van de KRW (2021) is vastgelegd in factsheets (zie de Factsheets KRW waterlichamen in bijlage VII). De staat bestaat uit de chemische en ecologische toestand. Voor de chemische toestand voldoet op dit moment geen van de Overijsselse waterlichamen. De oorzaak is de aanwezigheid van zowel de initieel vastgestelde als de later toegevoegde ubiquitaire stoffen (stoffen die niet meer geloosd mogen worden). De normen voor de niet-ubiquitaire stoffen worden voor veel waterlichamen wel gehaald.
53
De ecologische toestand is op dit moment voor geen van de Overijsselse waterlichamen ‘goed’. De oorzaak is het niet halen van alle normen van de specifiek verontreinigende stoffen (‘one out, all out’). Op basis van alleen het ‘biologie totaal’ oordeel, bevinden een aantal waterlichamen zich wel in de klasse ‘goed’. Op deelmaatlat niveau bevinden meer waterlichamen zich in de klasse ‘goed’. Alleen voor de deelmaatlat ‘vis’ bevinden een aantal waterlichamen zich in de klasse ‘slecht’. Voor het behalen van de vastgestelde doelen zijn in SGBP3 maatregelpakketten op- en vastgesteld. De maatregelpakketten worden voornamelijk uitgevoerd door de waterschappen (zie §4.4.1). Hoewel er maatregelpakketten zijn op- en vastgesteld, moet ook verder gedacht worden dan de termijnen van de SGBP’s om onder een veranderend klimaat de gestelde KRW-doelen te halen. De doelen van de KRW hebben namelijk een sterke relatie met de klimaatopgave. Grotere weersextremen met langere perioden van droogte, maar ook heviger piekbuien en meer neerslag in het winterhalfjaar hebben een effect op de (ecologische) waterkwaliteit. Voor een robuust doelbereik van de KRW en het voorkomen van achteruitgang is het daarom van toenemend belang om in de watersysteemaanpak meer rekening te houden met de verwevenheid van de KRW- en klimaatopgave en de principes van water en bodem sturend.
Dit vraagt een andere, meer stroomgebiedsbrede benadering die niet voor alle waterlichamen is uitgevoerd en haalbaar is voor 2027. In de volgende planperiode werken we deze benadering uit. Dit doen we in eerste instantie samen met het Rijk en andere provincies. KRW-Impuls Ondanks de vastgestelde maatregelpakketten, de omvangrijke investeringen in de maatregelen, en gerelateerd beleid (NNN, Groen Blauwe Dooradering (GBDA)) is de verwachting dat de gestelde doelen niet volledige bereikt gaan worden. Daarom heeft minister Harbers in 2023 de KRW-Impuls gestart. Vanuit RWS is een memo opgesteld die een lijst met stoffen bevat die qua aanpak prioriteit krijgen. De stoffenlijst omvat stoffen die in meerdere waterlichamen de norm overschrijden, of waarvoor de norm in 2027 naar verwachting zonder aanvullende maatregelen niet wordt gehaald. Voor 30 stoffen geldt dat de KRW-norm uiterlijk in 2027 moet zijn gehaald (deze hebben de hoogste prioriteit), voor 8 stoffen uiterlijk in 2033 en voor 4 stoffen uiterlijk in 2039. De KRW-Impuls richt zich daarmee op het aanpakken van de te hoge belastingen van stoffen, waardoor zowel een goede chemische als ecologische toestand niet bereikt worden. De provinciale uitwerking van mogelijke acties binnen deze KRW-Impuls loopt (Q1&2 2025).
Naast de aanpak van stoffen vanuit de KRW-Impuls is ook een provinciaal project geïnitieerd naar indirecte lozingen op het gemeentelijk rioleringsstelsel om te komen tot KRW-proof vergunningen met betrekking tot prioritaire en specifiek verontreinigende stoffen, zodat bij de lozingspunt op het oppervlaktewater (RWZI) de waterkwaliteit aan de KRW-normen voldoet. Buitenlandse belasting Naast de voorgenomen maatregelen (KRW) en nog te nemen maatregelen (KRW-Impuls) in Nederland, is afstemming met andere landen, in dit geval Duitsland, nodig om de gestelde doelen te behalen. Door afwenteling worden voor een aantal KRW-grenswateren mogelijk de doelen niet gehaald door:
54
-
De aanvoer van norm-overschrijdende concentraties totaal stikstof, totaal fosfaat en een aantal ubiquitaire11 stoffen De aanwezigheid van niet-vispasseerbare barrières
Het blijkt dat in veel grenswateren te weinig wordt gemeten om inzicht te hebben in de daadwerkelijke belasting van stoffen. De komende jaren starten we met de uitbreiding van en harmonisatie met de monitoring van de Duitse partners voor de grenswateren waar data ontbreekt. Doordat in Duitsland recentelijk het mestbeleid is aangescherpt, kan het zijn dat stikstof in het aanvoerende water in 2027 op de norm zit. Aanpassingen van barrières om vismigratie te faciliteren zijn aan de Duitse zijde pas gepland in 2039 en 2044 en kunnen een oorzaak zijn voor het niet halen van de doelen voor de deelmaatlat ‘vis’. Waardevolle kleine wateren De uitvoering van beleid voor WKWs is beperkt gebleven. In de komende jaren wordt het bestaande beleid vernieuwd. Dit gebeurt in samenwerking met de waterschappen. Overige wateren Op dit moment wordt het niveau “goed” voor de fysisch-chemische kenmerken nog niet in alle overige wateren gehaald en is hiervoor geen specifiek maatregelenpakket. Dit betekent dat er geen inspanningsverplichting is voor de waterschappen. Vanuit bestaand beleid, waaronder de Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater, is de verwachting dat een min of meer autonome verbetering van de waterkwaliteit optreedt die hoort bij de klasse ‘goed’.
Dat geldt ook voor de verbetering vanuit andere opgaven zoals Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON), de aanpak van stikstof in de landbouw (7e en 8e Nitraatactieprogramma), en de ‘toekomstvisie gewasbescherming 2030 naar weerbare planten en teeltsystemen’ of Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW). Zwemwater De provincie waarborgt de veiligheid van zwemmers door regelmatige inspecties uit te voeren en gevaarlijke objecten op de bodem te signaleren en daar actie op te ondernemen, duidelijke drijflijnen voor zwemgebieden te bieden en informatieve borden te plaatsen om zwemmers te informeren over regels en risico's. De waterschappen monitoren de waterkwaliteit (zie §4.4.2). Op basis van deze monitoring kan de provincie een negatief zwemadvies uitgeven. Daarnaast kan de provincie een zwemlocatie tijdelijk sluiten wanneer er sprake is van ernstige verontreiniging of gevaarlijke situaties. Om ook op de langere termijn voldoende zwemlocaties in Overijssel te kunnen waarborgen, onderzoekt de provincie wat de effecten zijn van klimaatverandering op zwemwaterkwaliteit en hoe klimaatverandering de vraag naar zwemlocaties beïnvloedt. Op basis van dit onderzoek worden, indien nodig, acties geformuleerd. Daarnaast richt de provincie zich ook op: -
Hoe om te gaan met de kosten en inspanning rondom publieke versus private zwemlocaties Hoe om te gaan met zwemmen in niet-officiële zwemwaterlocaties.
Natuurbeleid Water is een belangrijke factor voor de kwaliteit van aquatische en grondwaterafhankelijke natuur. Grondwaterafhankelijke natuur en oppervlaktewater vinden elkaar alleen daar waar het peil van het 11 Stoffen die niet meer geloosd mogen worden, maar door nalevering vanuit onder andere het sediment nog
wel aangetroffen kunnen worden.
55
oppervlaktewater de grondwaterstand rechtstreeks beïnvloedt. Ook wanneer oppervlaktewater wordt ingelaten om grondwater aan te vullen is er via waterkwaliteit een relatie met grondwaterafhankelijke natuur. Een door menselijk handelen veranderd oppervlakte-watersysteem laat zijn sporen na in de kwaliteit van de natuur en de daarbij behorende biodiversiteit: obstakels (stuwen) belemmeren migratie en dispersie, het rechttrekken van waterlopen verminderen gradiënten in stroomsnelheid (minder diversiteit) en lozing van nutriënten en toxische stoffen verslechteren de waterkwaliteit voor flora en fauna. Een minder vitale natuur zorgt op haar beurt voor onder meer een verlaagde retentiecapaciteit van nutriënten en verminderd invangen van zwevend stof. Hierdoor verslechtert de waterkwaliteit. Voor de 29 gebieden van het NNN, die ook alle N2000-gebieden omvatten, is in beeld gebracht welke wettelijke en beleidsmatige gebiedsbeschermingsregimes samenvallen en wat de kansen en knelpunten tussen deze regimes zijn. Niet alle kansen tussen oppervlaktewaterbeleid en natuurbeleid zijn nog benut. De onbenutte kansen gaan onder dit RWP verkent worden. Daarnaast wordt de afstemming tussen het beleid rondom de KRW-, de waardevolle kleine wateren en N2000 verbeterd door een nog verder vorm te geven interne afstemming.
4.4 Wat verwachten wij van onze partners 4.4.1 KRW-waterlichamen Om de KRW-doelen te halen, worden met name door de waterschappen maatregelen uitgevoerd. Deze maatregelen omvatten onder andere een aanpassing van de hydrologische omstandigheden, de herinrichting van wateren (zoals natuurvriendelijke oevers en hermeandering) en het voor vissen passeerbaar maken van stuwen of andere barrières (Tabel 5).
Bron-maatregelen
n
25
25
n
10
10
1.2
n
5
5
140
134
2
4
km
278
198
52
14.8
12
n
137
99.8
19
9.2
9
Instrumentele maatregelen
n
15
12
2
1
Beheer-maatregelen
km
6
2
0
4
Immissie-maatregelen
ha
Inrichtings-maatregelen
56
Ingetrokken
14.8
Vervangen
98
575
Gefaseerd
461
km
ha
Immissie-maatregelen WDOD
WRIJ
Uitgevoerd
Beheer-maatregelen
In planvoorbereidin g InUitvoering
Categorie maatregel
Totale omvang
Waterbeheerder
Eenheid
Tabel 5. Status van de voorgenomen maatregelen voor SGBP 3 (KRW-bronbestanden 2024). WDOD = Waterschap Drents Overijsselse Delta, WRIJ = Waterschap Rijn en IJssel, WVS = Waterschap Vechtstromen. Een meer volledig overzicht is opgenomen in bijlage XI.
1.2
Inrichtings-maatregelen Instrumentele maatregelen
km
5
4
n
5
5
Beheer-maatregelen
km
1325
920
Bron-maatregelen
n
20
ha
2510
502
n
80
71
Immissie-maatregelen WVS Inrichtings-maatregelen Instrumentele maatregelen
1
405 20 502 3
6
ha
69000
69000
km
620
606
14
n
818
813
3
n
15
14
1
Niet alle maatregelen zullen in de derde planperiode worden uitgevoerd: •
Waterschappen hebben aangegeven dat een aantal maatregelen niet op tijd getroffen kunnen worden door uitvoeringsproblemen, met name grondverwerving.
•
De tijdige uitvoering van de aanpak overstorten door gemeenten. Officieel zijn deze KRWmaatregelen een afspraak tussen gemeenten en waterschappen (volgens het principe dat niet meer dan 2 bestuurslagen zich met één probleem bezig houden). De provincie mengt zich alleen hierin wanneer blijkt dat meer actie (ondersteuning, budget) nodig is, zoals nu gebeurt met de KRW-Impuls. De aanpak van overstorten is aangeduid als KRW-maatregel vanwege koppeling met renovatie wegen of riolering en afkoppelen. Hierbij zijn investeringen veelal over decennia verdeeld.
Daarnaast zijn er ook maatregelen voor verbetering van de (oppervlakte-) waterkwaliteit die niet onder de verantwoordelijkheid van de provincie vallen, maar onder het Rijk: •
Actieprogramma’s Nitraat. De omvang en effectiviteit van de aanpak nutriëntenproblematiek via het 7e Actieprogramma Nitraat draagt richting 2027 minder bij aan N (stikstof) en P (fosfaat) en daarmee GEP/GET in oppervlaktewater dan verwacht. Eventuele aanscherpingen in de 8e NAP (2026) zijn (te) laat voor doelbereik in de 3e planperiode.
•
Het uitvoeringsprogramma vanuit de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 (Rijk).
•
Deltaplan Agrarisch Waterbeheer: gericht op het verminderen van de belasting van het watersysteem met nutriënten en bestrijdingsmiddelen middels vrijwillige deelname.
Verder worden gemeenten gestimuleerd om overstorten van riolen op oppervlaktewater zoveel mogelijk te verminderen. Acties moeten terug te vinden zijn in de gemeentelijke stedelijke watervisies en rioleringsplannen. Ook vragen we de gemeenten om indirecte lozingen beter in beeld te krijgen en zo nodig scherpere eisen te stellen in vergunningen. Voor de toekomst, gaan we in eerste instantie samen met andere provincies werken aan een meer stroomgebiedsbrede benadering om te zorgen dat de KRW- en klimaatopgaves en het Water en Bodem sturend principe meer geïntegreerd worden. Na deze eerste stap werken we de stroomgebiedsbrede
57
benadering specifiek uit voor Overijssel en dat doen we in samenwerking met waterschappen en gemeenten.
4.4.2 Zwemwater Provincie Overijssel heeft in haar omgevingsverordening opgenomen dat het onderhoud van een zwemwaterlocatie verricht wordt door de terreinbeheerder, en niet door de provincie, zoals aangegeven staat in het Bkl. De waterschappen bewaken en controleren de waterkwaliteit van zwemwater tijdens het badseizoen, dat loopt van 1 mei tot 1 oktober (paragraaf 11.2.4 Bkl), door regelmatig metingen uit te voeren om de hygiëne en ecologie van het water te beoordelen en zwemadviezen te verstrekken. Als het water verontreinigd is door bacteriën, algen of chemische stoffen, waarschuwt de provincie om niet te zwemmen. Verder stellen de waterschappen voor elke zwemwaterlocatie een zwemwaterprofiel op. Deze worden regelmatig beoordeelt en zo nodig geactualiseerd en bevatten uitgebreide informatie over de locatie, inclusief bronnen van verontreiniging en resulterende risico's. Op basis van deze profielen worden passende maatregelen genomen om de waterkwaliteit te verbeteren of te behouden.
4.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen Beleid met een andere focus dan oppervlaktewater kan ook een bijdrage leveren aan het verbeteren van de ecologische toestand van het oppervlaktewater, zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Groen-Blauwe Dooradering (GBDA). We zoeken daarom naar onderlinge verbindingen. Het NNN is een belangrijk onderdeel van het nationaal natuurbeleid en streeft naar een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Sinds 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de ontwikkeling en beheer van het NNN. In Overijssel kunnen eigenaren van NNN-gebieden SNL-subsidie aanvragen. Voor oppervlaktewateren kan instandhoudingssubsidie aangevraagd worden voor de beheertypen ‘rivier’, ‘zoete plas’ en ‘poelen’. Voor monitoring van de bijdrage aan de instandhoudingsdoelen vanuit SNL-subsidie wordt aangehaakt bij KRW-monitoring. De GBDA werkt aan het robuuster maken van de biodiversiteit buiten de aangewezen natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) via de zogenoemde Basiskwaliteit Natuur (BKN): zorgen dat algemene soorten algemeen blijven of weer worden. Het BKN is een onderdeel van de Agenda Natuurinclusief en er wordt gekeken of het ook past binnen het Programma Natuur. Voor het landelijk gebied wordt gestreefd naar 10% Groen-Blauwe Dooradering (was 6% in 2022).
De handvatten voor het behalen van deze 10% zijn uitgewerkt in het Aanvalsplan Landschap (Aanvalsplan Landschap | Deltaplan Biodiversiteitsherstel (samenvoorbiodiversiteit.nl)), dat onderdeel is van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel (Samen voor biodiversiteit | Deltaplan Biodiversiteitsherstel). Een onderdeel van de GBDA is oppervlaktewater, waar uitgegaan wordt van een minimale kwaliteit van het water, zoals aangegeven in de KRW. Voor een robuust oppervlaktewatersysteem (KRW in de brede zin) is afstemming met andere functies en beleid wenselijk. Denk hierbij aan de GGOR (Gewenst Grondwater en Oppervlaktewaterregime) en het NBW (Nationaal Bestuursakkoord Water). Gedacht kan worden aan een ruimtelijke afstemming van functies, waarbij risicogestuurd denken in termen van wateroverlast (zie hoofdstuk 8) en daarmee kansen benutten voor verbetering van het watersysteem een goed uitgangspunt is. Op dit moment is 58
de afstemming tussen deze beleidsterreinen er niet. In de komende periode gaan we verkennen hoe we deze afstemming gaan invullen.
59
5 Bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit Onze bodem en ons grondwater spelen vaak een onzichtbare rol bij het realiseren van diverse maatschappelijke opgaven. Zo is ons grondwater de leverancier van ons drinkwater, verbouwen we voedsel op onze bodem en zijn grondwater en bodemgesteldheid randvoorwaardelijk voor natuur met grote diversiteit. Door intensief gebruik en emissies vanuit (historische) activiteiten is de kwaliteit van bodem en grondwater verslechterd. Deze verslechtering betekent dat (op termijn) gewenste functies niet meer mogelijk zijn. Als provincie streven we naar een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem. Daarmee is het veerkrachtig als het gaat om veranderingen die op ons afkomen.
5.1 Doelen Bodemkwaliteit • • • •
•
Wij streven naar een bodem is in topconditie in 2050. Dit geldt voor de zowel de chemische, fysische en biologische kwaliteit. We voorkomen dat de bodem- en grondwaterkwaliteit verder verslechtert door preventieve maatregelen. We buigen de trend om van saneren van verontreinigde bodems naar het behouden van de goede kwaliteit en zorgvuldig beheer. Alle bekende bodemverontreinigingen met humane of verspreidingsrisico’s, behorende tot de spoedoperatie, zijn gesaneerd dan wel beheerst in 2030. Dit gaat om locaties waarvoor provincie vangnet voor is. We hebben en werken volgens een samenhangend beleidskader en een afgestemd normenkader voor het bodem- en watersysteem.
Grondwaterkwaliteit • •
•
Ons grondwater is van goede kwaliteit en voldoet ten minste aan de chemische doelen van de Kaderrichtlijn Water. Drinkwaterbedrijven kunnen drinkwater blijven maken van ons grondwater en dat drinkwater voldoet aan alle eisen. Drinkwaterbedrijven hoeven geen extra zuivering aan te brengen omdat de kwaliteit achteruitgaat. Op termijn verbetert de grondwaterkwaliteit. We begrijpen de oorzaken van ‘vergrijzing’ van het grondwater en beginnen die terug te dringen.
5.2 Rolverdeling In onderstaand schema worden de rollen en taken rond bodem- en grondwaterkwaliteit kort omschreven.
60
Het Rijk is verantwoordelijk voor de wet- en regelgeving rond bodem en grondwater. De belangrijkste wetten, de Wet bodembescherming en de Waterwet, zijn opgegaan in de Omgevingswet. De normen voor stoffen in grondwater zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving op grond van de Omgevingswet (voorheen ook Besluit kwaliteitseisen en monitoring water). Onder de Omgevingswet blijft de provincie verantwoordelijk voor de aanpak van de aangemerkte spoedlocaties en bevoegd gezag voor bodemverontreinigingen die onder het overgangsrecht vallen. Onder de Omgevingswet wordt de provincie verantwoordelijk voor het beheer van grondwaterverontreiniging, als gevolg van het vervallen van de Wet bodembescherming. Provincies zijn verantwoordelijk voor de KRWdoelen voor grondwater. Tot slot heeft de provincie een initiërende en aanjagende rol als het gaat om aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen. Voor grondwater is de provincie verantwoordelijk voor de coördinatie van de werkzaamheden van waterschappen en gemeenten. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor het vaststellen van de begrenzing van grondwaterlichamen en de bescherming van de grondwaterkwaliteit ten behoeve van de openbare drinkwaterwinning. Verder is de provincie verantwoordelijk voor de KRW-monitoring van grondwaterkwaliteit. Onder de Omgevingswet verschuift een deel van de bodemtaken van provincie naar gemeenten.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de algehele kwaliteit leefomgeving en zijn bevoegd gezag voor de aanpak van bodemverontreiniging en grondverzet. Gemeenten zijn ook verantwoordelijk voor het vergunnen van lozingen op of in de bodem en van rioollozingen.
5.3 Uitwerking beleid Het beleid voor grondwaterkwaliteit wordt sterk bepaald door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De provincie staat met waterschappen en gemeenten gezamenlijk aan de lat voor de doorvertaling van de KRW naar regionaal beleid voor o.a. grondwaterkwaliteit. Als provincie hebben we hierin een kaderstellende en initiërende taak. Met de Omgevingswet is de taak van bevoegd gezag voor bodemkwaliteit grotendeels komen te liggen bij gemeenten maar hebben we vanuit de Wet bodembescherming nog wel een betrokkenheid bij verschillende verontreinigde en gesaneerde locaties. Voor de Kaderrichtlijn Water zijn in Overijssel twee grondwaterlichamen aangewezen, in samenspraak met de naburige provincies (zie bijlage XII). Deze grondwaterlichamen lopen beide door naar andere provincies (zie figuur 16). In de Kaderrichtlijn zijn doelen geformuleerd voor de chemische toefstand en de kwantitatieve toestand. De chemische toestand van de grondwaterlichamen wordt bepaald aan de hand van acht stoffen/stofgroepen. De beide grondwaterlichamen zijn in de goede chemische toestand. Daarnaast komen zeer veel andere stoffen in grondwater voor die weliswaar niet meetellen voor de KRW-beoordeling maar wel de bruikbaarheid negatief beïnvloeden, bijvoorbeeld als bron voor drinkwater. Deze zogeheten ‘vergrijzing’ willen we als provincie terugdringen.
De kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen wordt bepaald door twee elementen: • de onttrekking is niet groter dan de aanvulling (langjarig gemiddeld); • er is geen schade aan oppervlaktewateren en natuurgebieden door te weinig grondwater. Het eerste element bepaalt in de Nederlandse systematiek (zie het ‘‘protocol toetsen en beoordelen’) het eindoordeel voor de kwantitatieve toestand; dat is voor de Overijsselse grondwaterlichamen positief. Het tweede doel wordt niet gehaald omdat er te weinig grondwater beschikbaar is voor natuurgebieden; dat oordeel is voor de Overijsselse grondwaterlichamen negatief maar beïnvloedt het eindoordeel niet.
61
Figuur 16. Grondwaterlichamen in Overijssel
5.3.1 Bodemkwaliteit • • • • • •
We geven de transitie van chemische bodemkwaliteit naar vitale bodem vorm. We zetten in op kennisopbouw en -deling. We zetten in op terugdringen van emissies vanuit ons menselijk handelen. We stimuleren de aanpak van specifieke verontreinigingen. We stellen beoordelingskaders op voor locaties waar een bodemverontreiniging in de grond en het grondwater aanwezig is. We verzorgen beleidsvorming hoe om te gaan met PFAS.
Onze inzet als provincie maken we concreet in een periodieke uitvoeringsagenda bodem en ondergrond. 5.3.1.1 We geven de transitie van chemische bodemkwaliteit naar vitale bodem vorm We realiseren ons steeds beter het belang van een gezonde en veerkrachtige bodemecosystemen, oftewel een vitale bodem. Hierbij kijken we breed naar de chemische, biologische en fysische bodemkwaliteit en de maatschappelijke functies op het maaiveld en in de bodem. Een vitale en 62
veerkrachtige bodem is nodig om voedsel van goede kwaliteit te blijven produceren, om de effecten van klimaatverandering te beperken en om waardevolle natuur en biodiversiteit te beschermen. Daarnaast maakt de bodem een essentieel onderdeel uit van het water- en bodemsysteem en heeft de bodem een regulerende functie als het gaat om kwantiteit van grondwater (sponswerking) en kwaliteit van grondwater (afbraak en vasthouden verontreinigde stoffen). Het streven naar een vitale bodem wordt versneld door de komst van de EUbodemmonitoringsrichtlijn. De EU richt zich ook op een goede bodemgezondheid en duurzaam bodembeheer ter bevordering van de gezondheid en veerkracht van bodems. Dit is een duidelijke koerswijziging omdat tot voor kort de bodem(kwaliteit) vooral vanuit chemisch verontreinigingsperspectief werd bekeken. Om onze maatschappelijke opgave in de beperkte ruimte toekomstbestendig te kunnen realiseren is deze nieuwe koers noodzakelijk. Met het verwachte nationaal programma ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’ (2026) zet ook Nederland een stap vooruit in deze ontwikkelingen. Wat de exacte gevolgen zijn voor de provincie is nog niet bekend. Op termijn hebben we beter inzicht nodig en handvatten om te bepalen wanneer een bodem vitaal is en welk bodembeheer noodzakelijk is om tot een vitale bodem te komen.
5.3.1.2 We zetten in op kennisopbouw en -deling We willen beter grip krijgen op de oorzaken van de achteruitgang van de grondwater- en bodemkwaliteit. Het verschijnsel dat we steeds meer stoffen aantreffen, per stof vaak in een lage concentratie (‘vergrijzing’ genoemd), baart ons zorgen. Vergrijzing heeft meerdere oorzaken: • • •
Bodem en grondwater reageren traag op veranderingen. Een stof die in de bodem en vervolgens het water terecht komt wordt vaak pas na geruime tijd ontdekt. Het is technisch en/of financieel niet uitvoerbaar deze stoffen te verwijderen. We kennen de bronnen niet goed genoeg om effectieve maatregelen te kunnen nemen, zeker bij diffuse verontreinigingen.
Daarom zetten we in op monitoring van ons grondwater, voeren we stof- of stofgroep-specifiek onderzoek (bijvoorbeeld PFAS) uit en zetten we nieuwe technieken in die bijdragen aan het aanscherpen van modellen om het functioneren van het water en bodemsysteem te vergroten. Naast het ontwikkelen van kennis en inzicht is het ook belangrijk deze kennis en expertise te delen met medeoverheden en initiatiefnemers. Hierbij maken we zoveel mogelijk gebruik van bestaande netwerken en instrumenten (bijvoorbeeld Atlas van Overijssel). De komende jaren richten we onze inzet op de volgende onderdelen: •
•
•
Faciliteren van het kennisnetwerk Zeer Zorgwekkende Stoffen Overijssel. Dit is een netwerk van overheden en verschillende werkvelden (milieu, lucht, water en bodem) die de kennis vergroot en handvatten ontwikkeld voor de omgang met Zeer Zorgwekkende Stoffen. Het vergroten van de kennis met betrekking tot duurzaam grondwater- en bodembeheer. We onderzoeken welke maatregelen en activiteiten bijdragen aan een vitale bodem of een robuust grondwatersysteem waarbij de kwaliteit verbeterd. Met andere provincies en het Rijk zoeken we uit waar de stoffen vandaan komen die we in het grondwater aantreffen, zodat we de juiste maatregelen kunnen nemen. Voor zover we het wel weten, overwegen we extra maatregelen, bijvoorbeeld via de omgevingsverordening.
63
5.3.1.3 We zetten in op terugdringen van emissies vanuit ons menselijk handelen Het terugdringen van emissies door menselijke activiteiten is cruciaal voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van grondwater en bodem. Door ons handelen stoten we schadelijke stoffen uit naar de lucht, lozen we deze in het oppervlaktewater of brengen we ze in de bodem. Deze emissies kunnen leiden tot een verslechtering van de bodem- en grondwaterkwaliteit, wat moeilijk technisch of economisch te herstellen is. Daarom is het essentieel om emissies tot een minimum te beperken om de beschikbaarheid van schoon drinkwater en een vruchtbare grond voor toekomstige generaties te waarborgen. De komende jaren is onze inzet gericht op het dicht draaien van de kraan. In samenwerking met het Rijk en mede overheden zetten we stappen om de emissie vanuit het menselijk handelen te verminderen. Waar nodig verkennen we de inzet van ons instrumentarium waaronder de omgevingsverordening of vergunningverlening. 5.3.1.4 We stimuleren de aanpak van specifieke verontreinigingen We stimuleren de aanpak van specifieke verontreinigingen om de kwaliteit van grond en grondwater te verbeteren. Dit is overwegend een brongerichte aanpak waarbij de risico’s van een bodemverontreiniging in de grond en/of het grondwater worden weggenomen. Dit doen we op verschillende wijzen: 1.
Extra regels in onze omgevingsverordening: In onze omgevingsverordening stellen we extra regels aan diverse milieubelastende activiteiten die te maken hebben met graven in of saneren van de bodem. Het gaat hierbij onder andere om een bronaanpak van de verontreiniging als deze aanwezig is in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebieden. 2. Onderzoeken en saneren van specifieke locaties met een bodemverontreiniging: Naast de aanpak van bekende vangnetgevallen van bodemverontreiniging worden we soms geconfronteerd met onvoorziene bodemverontreinigingen waarbij er geen veroorzaker is aan te wijzen maar wel aanpak vereist is. Voorbeelden zijn drugsdumpingen en historische verontreinigingen waarbij de bron en/of veroorzaker niet in beeld is. De Omgevingswet kent geen vangnetbepaling. In overleg met gemeente, omgevingsdienst en het Rijk gaan we in overleg onder welk kader een aanpak haalbaar en financierbaar is. 3. Pilots uitvoeren: We stimuleren duurzaam grondwater- en bodembeheer via pilots. Dit kan gaan om maatregelen in het beheer en de inrichting om de gevolgen van een bodemverontreiniging op de leefomgeving te verkleinen of natuurlijke afbraak te stimuleren. Ook inventariseren we de mogelijke aandachtslocaties voor PFAS, naar aanleiding van de grote zorgen over deze stofgroep en bestuurlijke afspraken Bodem.
We streven naar het toekomstbestendig maken van locaties waarvoor nog een grote nazorgopgave resteert. Tot slot geven we samen met gemeenten invulling aan gebiedsgericht grondwaterbeheer onder de Omgevingswet. 5.3.1.5
We stellen beoordelingskaders op voor locaties waar een bodemverontreiniging in de grond en het grondwater aanwezig is Onder de Omgevingswet is de gemeente primair verantwoordelijk voor de zorg van de fysieke leefomgeving. De gemeenten zijn bevoegd gezag voor bodemsanering, bouwen op verontreinigde grond en graven in sterk verontreinigde grond. Dit is een verschuiving van bevoegdheid van de 64
provincie naar gemeenten ten opzichte van de Wet bodembescherming. Met het wegvallen van de Wet bodembescherming is er geen landelijk kader meer voor de aanpak van grondwaterverontreiniging. Het is aan de provincie om dit vanuit de KRW zelf in te vullen. Gekozen is voor een beleidsneutrale overgang van Wet bodembescherming naar de Omgevingswet. In de provinciale omgevingsverordeningen zijn instructieregels voor gemeenten opgenomen voor de omgang met bodemverontreiniging. In de toelichting van onze omgevingsverordening is een nadere duiding opgenomen van onze instructieregels. De provincie blijft bevoegd gezag voor locaties die vallen onder het overgangsrecht. Dit gaat om uiteenlopende situaties waaronder lopende saneringen, saneringen met actieve nazorg of locaties waar na saneren een restverontreiniging is achtergebleven. Voor deze locaties blijft de Wet bodembescherming van toepassing. 5.3.1.6 We verzorgen beleidsvorming hoe om te gaan met PFAS Eén van de lastigste groepen stoffen op dit moment zijn PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen). PFAS is een groep van meer dan 6.000 stoffen. Het zit bijna overal in het milieu en de normen zijn extreem laag. Het is daarom nodig op een pragmatische manier om te gaan met aanwezige verontreinigingen, en daarnaast zwaar in te zetten op het voorkómen van extra uitstoot van deze stoffen.
Vanwege de unieke eigenschappen van PFAS (vet-afstotend, waterafstotend, afparelend en hittebestendigheid) werden en worden PFAS grootschalig toegepast, van blusschuim tot cosmetica en van papier en textiel tot bestrijdingsmiddelen. De stoffen breken alleen af onder zeer extreme condities (boven 1.100 °C) en verspreiden zich gemakkelijk in het milieu. PFAS kunnen al bij zeer lage concentraties risico's opleveren voor mens, dier en milieu. Door de eigenschappen en de grootschalige, diffuse aanwezigheid in het milieu vormen PFAS een enorme technische en beleidsmatige uitdaging voor het realiseren van een vitale bodem en schoon grondwater. Landelijk is een analysepakket vastgesteld waarin 28 PFAS-stoffen zijn opgenomen. Tot voor kort ging de meeste aandacht uit naar PFOS (onder andere de belangrijkste PFAS in blusschuim). Inmiddels wordt steeds duidelijker dat het milieu vanuit diverse andere activiteiten, waaronder bestrijdingsmiddelen, ook wordt belast met PFAS-stoffen die nog niet bij de reguliere bemonstering worden meegenomen. Het bodembeleid richt zich van oudsher op de aanpak van puntbronnen van verontreiniging. De PFAS-problematiek laat zien dat ook diffuse verontreiniging een significante bedreiging vormt voor het bodem/watersysteem. De aanpak van diffuse bronnen is erg lastig waardoor het steeds belangrijker wordt om te voorkómen dat stoffen in met milieu terechtkomen.
In bijlage XIIV is het Beleidskader PFAS opgenomen. Hiermee neemt de provincie onduidelijkheden weg bij initiatiefnemers, ontwikkelaars en in het VTH-traject rondom de aanpak van PFAS. Het beleidskader gaat in op de volgende onderdelen: • De noodzaak voor een beleidskader; • Stofeigenschappen, risico’s en normstelling; • Hoe om te gaan met PFAS bij bodemonderzoek en sanering; • Het traject aanpak aandachtslocaties PFAS dat door de provincie wordt uitgevoerd. Het beleidskader PFAS is daarmee een handvat en invulling van het landelijke wettelijke kader en geeft aan hoe het zich verhoudt tot onze omgevingsverordening. 65
5.3.2 Grondwaterkwaliteit Een belangrijk deel van ons beleid voor grondwaterkwaliteit vloeit voort uit de Kaderrichtlijn Water. Daarom wordt die hieronder eerst behandeld. Uiteindelijk is het doel het grondwater schoon te houden of te krijgen, en daarom behandelen we grondwaterkwaliteit breder. 5.3.2.1 Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) onderscheidt grondwaterlichamen. In Overijssel komen twee grondwaterlichamen voor, Zand Rijn-Oost en Deklaag Rijn-Oost (zie Figuur 16. Grondwaterlichamen in Overijssel) Deze grondwaterlichamen lopen door in andere provincies. Voor de grondwaterkwaliteit zijn in de KRW de volgende doelen geformuleerd: • • • •
Inbreng van verontreinigende stoffen voorkomen of beperken (zie link 5.3.2.2); De achteruitgang van de toestand te voorkomen (art. 4.15 Bkl) (zie link 5.3.2.3); Goede chemische toestand (art. 2.14 Bkl) (zie link 5.3.2.3); Voorkómen of ombuigen van stijgende trends van verontreinigende stoffen (art. 4.17 Bkl) (zie link 5.3.2.3).
5.3.2.2 Inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater Conform artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en artikel 6 van de Grondwaterrichtlijn (GWR), vastgelegd in art 4.10 lid 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Blk), beperken of voorkomen we de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater, voor zover wij daar invloed op hebben. Op diffuse verontreiniging heeft het Rijk meer invloed dan wij, dus daarvoor zijn wij van het Rijk afhankelijk. De provincie beschouwd de volgende stoffen als verontreinigde stoffen: • • • •
Bijlage IV van het Bkl met de omgevingswaarden voor de goede chemische toestand Bijlage VC van het Bkl met signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering Bijlage XVIIa van het Bkl met standaardwaarden voor grondwater Bijlage XIX van het Bkl met toetsingswaarden voor te infiltreren water. Deze stoffen worden in onze omgevingsverordening ook aangemerkt als schadelijke stoffen
De KRW en GWR maken daarbij onderscheid tussen ‘gevaarlijke’ en niet-gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen, en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid. De inbreng van gevaarlijke stoffen in het grondwater is in principe verboden, tenzij de stof door ons college als nietgevaarlijk wordt beschouwd; leidend zijn daarbij de uitzonderingen zoals opgenomen in de KRW en de Grondwaterrichtlijn, zoals opgenomen in de Nederlandse wetgeving. Ook potentieel zeer zorgwekkende stoffen worden aangemerkt als gevaarlijk. Van alle niet-gevaarlijke stoffen wordt de inbreng beperkt. Dat wil zeggen dat enige inbreng is te accepteren, maar dat we maatregelen nemen om te zorgen dat de goede chemische toestand niet verslechtert en dat geen significante en aanhoudende stijgende trend in de concentratie van die stof in het grondwater wordt veroorzaakt. Hiervoor gaan we voorstellen maken voor in de omgevingsverordening. Daarin verwerken we ook de uitzonderingsmogelijkheden die de Grondwaterrichtlijn (GWR) biedt. Uitzonderingen inputs Voor de aanpak van (historische) verontreinigingen die de grondwaterkwaliteit negatief beïnvloeden zijn instructieregels opgenomen in onze omgevingsverordening.
Hierbij sluiten we zoveel mogelijk aan bij de Wet bodembescherming en circulaire bodemsanering zoals deze gold voor de 66
inwerkingtreding van de Omgevingswet. Uitzonderingen op het nemen van maatregelen zijn volgens de GWR mogelijk als: • •
•
Het om diffuse bronnen gaat waarvan de aanpak technisch onmogelijk is (art 6 lid 2 GWR); Het om verwaarloosbare hoeveelheden of concentraties gaat in relatie tot de mogelijke achteruitgang van de kwaliteit van het grondwater (art 6 lid 3 sub b GWR). Dat is alleen mogelijk als enig onmiddellijk of toekomstig gevaar van achteruitgang van de kwaliteit van het ontvangende grondwater uitgesloten is; Het onevenredig kostbaar is om hoeveelheden verontreinigende stoffen uit vervuilde bodem of grondwater te verwijderen, of anderszins het zorgen dat insijpeling daarvan kan worden beheerst onevenredig kostbaar is (art. 6 lid 3 sub e onder ii GWR). Kosteneffectiviteit en doelmatigheid zijn dan ook aspecten die in de afweging meegenomen mogen worden.
In bijlage XIV is opgenomen hoe de provincie de monitoring heeft ingericht in relatie tot prevent en limit, de aanpak van bodemverontreiniging en gebruik maken van de bovenstaande uitzonderingen. 5.3.2.3 Toestand en trend De drie andere doelen die genoemd zijn in 5.3.2.1 hebben allemaal te maken met de toestand en de trend van verontreinigende stoffen. Die worden beoordeeld conform het Nederlandse protocol voor toetsen en beoordelen. Voor de toestandbeoordeling wordt gekeken naar stoffen uit de EU-grondwaterrichtlijn (nitraat en bestrijdingsmiddelen) en naar stoffen waar Nederland drempelwaarden voor heeft vastgesteld (chloride, nikkel, arseen, cadmium, lood en totaal-fosfaat). Per stof wordt een beoordeling gemaakt. Zolang het percentage meetpunten met een overschrijding van de drempelwaarde beperkt blijft tot 20%, is de toestand voor die stof goed. Daarnaast mogen grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren en grondwaterwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen niet nadelig worden beïnvloed door een slechte kwaliteit van toestromend grondwater. Voor de beoordeling van trends wordt gekeken naar dezelfde stoffen. Stijgende trends van die stoffen, die bovendien boven 75% van de drempelwaarden zijn, moeten worden omgebogen. We gebruiken gegevens uit ons eigen en het Landelijke Meetnet Grondwaterkwaliteit voor zowel de toestand- als de trendbeoordeling.
5.3.2.4 Monitoren grondwaterkwaliteit Met behulp van een landelijk en provinciaal monitoringnetwerk brengen we de grondwaterkwaliteit in beeld Figuur 17 geeft het huidige monitoringnetwerk voor de grondwaterkwaliteit weer. We delen deze gegevens publiekelijk en zorgen voor een duiding.
67
Figuur 17. Monitoringspunten voor de grondwaterkwaliteit.
Met dit grondwaterkwaliteitsmeetnet brengen we de kwaliteit van het grondwater in Overijssel zo goed mogelijk in beeld. Daarin wordt jaarlijks bemonsterd en gemeten op een aantal standaardparameters. Daarnaast worden met enige regelmaat meer ‘exotische’ stoffen onderzocht. Dit gebeurt zo veel mogelijk in afstemming met andere provincies via het Platform Meetnetbeheerders. Ons meetnet kent ondiepe filters (minder dan 10 meter), filters rond 10 meter onder maaiveld en filters rond 25 meter onder maaiveld. Het meetnet heeft tot doel de toestand en de trend van de kwaliteit goed in beeld te houden, voor stoffen die voor de KRW van belang zijn en ook voor stoffen die meer in het algemeen voor de waterkwaliteit van belang zijn. Er vallen een aantal zaken op die onze metingen aantreffen: •
•
Van sommige stoffen worden de kwaliteitsnormen/drempelwaarden overschreden, bijvoorbeeld van arseen, nitraat of bestrijdingsmiddelen. Dit leidt (nog) niet tot een negatief oordeel over de chemische toestand, omdat een overschrijding nergens meer is dan 20% van de meetpunten. Daarom is de chemische toestand goed. We zien op een aantal plaatsen in Overijssel stijgende trends chloride (zout) in het grondwater. De oorzaak is mogelijk natuurlijk, maar dit is niet goed uitgezocht. 68
•
•
Daarnaast vinden we een zeer groot aantal andere stoffen in het grondwater die niet altijd een kwaliteitsnorm of drempelwaarde hebben: medicijnresten, hormonen, antibiotica, industriële stoffen, gewasbeschermingsmiddelen, biociden, PFAS. Daaronder ook Zeer Zorgwekkende Stoffen. Hierboven (zie 5.3.2.2) is aangegeven dat de inbreng van verontreinigende stoffen voorkomen of beperkt moet worden. Kennelijk lukt dat niet goed genoeg. We gaan samen met Rijk en andere provincies na of er voor meer stoffen een drempelwaarde moet worden vastgesteld; het aantal bekende probleemstoffen groeit in elk geval snel. Ook in grondwaterbeschermingszones zien we allerlei stoffen in het grondwater. Dat kan betekenen dat op termijn Vitens de zuivering moet uitbreiden. Daarmee ontstaat dan een juridische spagaat: de KRW geeft in art. 7 aan dat de zuiveringsinspanning voor drinkwater niet mag toenemen maar geeft ook aan dat het eindproduct aan de Drinkwaterrichtlijn moet voldoen. Met maatregelen moet dat voorkomen worden. Echter, als hierin in de toekomst een keuze moet worden gemaakt, kiezen we voor de gezondheid van de inwoners en dus voor goed drinkwater.
5.3.2.5 Vergrijzing van het grondwater Sinds ‘Lekkerkerk’, de eerste bodemverontreiniging die veel media-aandacht kreeg, in 1980, is er veel aandacht voor lokale bodem- en grondwaterverontreinigingen. Typerend voor dergelijke verontreinigingen was dat ze lokaal waren, vaak enkele stoffen, en per stof een vrij hoge concentratie. De laatste jaren zien we een ander type verontreinigingen: (bijna) overal, veel stoffen, en per stof een lage concentratie. Dit verschijnsel (steeds meer stoffen aantreffen, per stof vaak in een lage concentratie) wordt ‘vergrijzing’ genoemd. Het verschijnsel baart ons zorgen omdat: • • • •
grondwater traag reageert: een stof die in het water terecht komt wordt vaak pas na geruime tijd ontdekt; het praktisch onmogelijk is deze stoffen te verwijderen; we van de meeste stoffen de bronnen niet goed genoeg kennen om effectieve maatregelen te bedenken; het grondwater buiten grondwaterbeschermingszones langzaamaan steeds minder geschikt wordt als bron voor drinkwater. Dit belemmert de zoektocht naar nieuwe drinkwaterwinningen.
Er is op dit moment geen eenduidige manier om de mate van vergrijzing uit te drukken. Daarom ontwikkelen we in samenwerking met andere provincies hiervoor een indicator. Verder willen we onderzoeken welke activiteiten de vergrijzing van het grondwater veroorzaken. Vaak weten we dat nu niet. Zo nodig gaan we deze activiteiten reguleren. Verder werken wij aan een afwegingskader gewasbestrijdingsmiddelen.
5.4 Wat verwachten wij van onze partners Met de Omgevingswet zijn de gemeenten verantwoordelijk geworden voor de bodemkwaliteit en zijn het bevoegd gezag. Daarmee kunnen ze sterk sturen op functietoekenning en daarmee de emissies naar bodem en grondwater en de aanpak van bodemverontreiniging en grondverzet. Het grondwater is mede afhankelijk van de kwaliteit in de bodem. Gemeente zijn daarmee mede sturend op de kwaliteit van het bodem-watersysteem. We verwachten van gemeenten en waterschappen een 69
proactieve houding om te komen tot samenhangend beleid voor bodem- en grondwaterkwaliteit. Dit betekent een actieve deelname aan kennisnetwerken, aanpak specifieke verontreinigingen en beleidsontwikkeling. Vanuit het Rijk verwachten we dat de juiste randvoorwaarden in Wet en regelgeving, kennis en middelen beschikbaar worden gesteld om onze taken en verantwoordelijkheden op te pakken. Wij hebben extra aandacht voor de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingszones, in verband met de winning daarvan voor drinkwater. We verwachten dat de waterschappen, gemeenten, TBO’s, de landbouw en andere sectoren nauw met ons samenwerken. Met drinkwaterbedrijven willen we in deze cruciale periode samen optrekken om te garanderen dat er voldoende grondstof is waarmee drinkwaterbedrijven gemakkelijk goed drinkwater kunnen maken.
5.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen In hoofdstuk 6 is aandacht voor grondwaterkwantiteit. In hoofdstuk 3 is aandacht voor drinkwater.
6 Grondwaterkwantiteit Dit hoofdstuk zet het provinciale beleid voor grondwaterkwantiteit uiteen. Het biedt een gedetailleerde uitwerking van onze doelen en maatregelen, en beschrijft de rolverdeling en de verwachte bijdragen van verschillende partners. Het beleid is gericht op voldoende beschikbaarheid van grondwater voor functies die een goede grondwaterkwaliteit vereisen. Dit is van cruciaal belang voor drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en natuur. Zoals in de Omgevingsvisie al aangegeven kiezen we als uitgangspunt ‘functie volgt peil’: gebruik en functies moeten zich aanpassen aan grondwaterstanden, niet andersom. Het beleid is in lijn met de Kaderrichtlijn Water (KRW), die doelen stelt voor zowel grondwaterkwantiteit als voor grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen.
Het beleid voor grondwaterkwantiteit heeft vier kernpunten: (1) we vergroten de grondwatervoorraad via samenwerking met partners om de waterbeschikbaarheid te vergroten door maatregelen zoals water vasthouden, (2) we werken aan beter zicht op onttrekkingen door registratie van kleinere onttrekkingen en monitoring van de totale onttrekkingen om een beter beeld te krijgen van de waterbalans, (3) we gaan een afwegingskader ontwikkelen, evalueren ons huidige onttrekkingenbeleid en scherpen het zo nodig aan om grondwater te reserveren voor hoogwaardig gebruik, en (4) we overwegen een periodieke evaluatie van onttrekkingsvergunningen, rekening houdend met alle belangen, vooral die van de publieke drinkwatervoorziening.
6.1 Doelen •
•
We zorgen dat er voldoende grondwater beschikbaar blijft voor functies die een goede grondwaterkwaliteit vereisen. In droge perioden zal het niet altijd mogelijk zijn al die functies te bedienen. Dan kunnen beperkingen nodig zijn. Conform de KRW is onttrekking per grondwaterlichaam gemiddeld niet groter dan de aanvulling 12 en dalen de grondwaterpeilen niet.
12 Officiële tekst van de KRW: de gemiddelde jaarlijkse onttrekking op lange termijn overschrijdt de beschikbare
grondwatervoorraad niet.
70
• •
• •
We houden meer water vast dan nu. Een consequentie kan zijn dat zich, zeker in het voorjaar, nattere omstandigheden voordoen. We hebben goed zicht op de hoeveelheid onttrokken grondwater zodat we over enkele jaren kunnen vaststellen of het nodig is een grondwateronttrekkingsplafond en/of een soort verdringingsreeks vast te stellen. We besparen water waar mogelijk. Functies die minder eisen stellen aan een grondwaterkwaliteit proberen we zoveel mogelijk door te sluizen naar andere bronnen.
Deze doelen komen overeen met wat de Kaderrichtlijn Water (KRW) van ons vraagt. De KRW formuleert een aantal doelen voor grondwaterkwantiteit. Daarnaast heeft de KRW doelen voor grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren en grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen. Menselijke ingrepen mogen er niet de oorzaak van zijn dat de kwantiteitsdoelen voor die oppervlaktewateren niet worden gehaald en/of dat de toestand van die wateren achteruitgaat. Dit geldt ook voor grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen. Daarnaast noemt de KRW specifiek dat er geen sprake mag zijn van intrusie van bijvoorbeeld zout.
6.2 Rolverdeling Voor grondwater is de provincie verantwoordelijk voor de coördinatie van de werkzaamheden van waterschappen en gemeenten. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor het vaststellen van de begrenzing van grondwaterlichamen. Verder is de provincie verantwoordelijk voor de KRW-monitoring van grondwaterpeilen. Ook is de provincie bevoegd gezag voor onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, industriële onttrekkingen boven de 150000 m3/jaar en open bodemenergiesystemen. Waterschappen zijn integraal verantwoordelijk voor het grondwaterbeheer in hun gebied. Met het peilbeheer sturen ze op de waterberging in de bodem en grondwaterstand. Ze zijn bevoegd gezag voor overige onttrekkingen en bemalingen alsmede de infiltratie.
6.3 Uitwerking beleid De beoordeling van de kwantitatieve toestand vindt plaats op het niveau van een grondwaterlichaam, net als bij de chemische toestand. De grondwaterlichamen zijn te zien op de kaart in het vorige hoofdstuk. Met behulp van een provinciaal monitoringnetwerk van peilbuizen brengen we de grondwaterkwantiteit in beeld. Figuur 18 geeft het monitoringsnetwerk weer in de twee grondwaterlichamen binnen het grondgebied van Overijssel.
71
Figuur 18. Monitoringspunten voor de grondwaterkwantiteit.
Op het niveau van de grondwaterlichamen (Deklaag Rijn-Oost en Zand Rijn-Oost, zie figuur 14 in hoofdstuk 5) is de onttrekking gemiddeld in balans met de aanvulling; slechts ca. 10% van het neerslagoverschot wordt onttrokken. Daarmee is dat doel van de KRW bereikt. Toch is de druk op de waterbeschikbaarheid groot doordat lokaal en/of tijdelijk knelpunten kunnen ontstaan die niet zichtbaar zijn op het niveau van het grondwaterlichaam en gemiddeld in de tijd. Zo zijn er conflicten tussen watergebruikers: grootzakelijke gebruikers krijgen niet altijd meer een aansluiting bij Vitens omdat er regionaal te weinig water beschikbaar is; in droge zomers worden beperkingen ingesteld voor gebruik van het grondwater, etc. Met name in de gebieden in Twente waar geen wateraanvoer mogelijk is zijn de problemen in droge zomers groot. Ook zijn effecten van (tijdelijke) tekorten in grondwater terug te zien in de natuur: voor een deel van grondwaterafhankelijk oppervlaktewater blijkt de grondwaterkwantiteit onvoldoende om het ecologisch functioneren voldoende te kunnen ondersteunen. Dit geldt ook voor een aantal grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen (waaronder Natura-2000-gebieden).
72
Wij voeren de volgende activiteiten uit: •
•
•
We vergroten de grondwatervoorraad o We werken samen met partners in het programma Zoetwatervoorziening OostNederland, als onderdeel van het Deltaprogramma Zoetwater, aan de vergroting van de waterbeschikbaarheid door het uitvoeren van maatregelen gericht op het vergroten van de grondwatervoorraad. o We gaan actieve infiltratie13 toestaan, als één van de middelen om aanvulling van de grondwatervoorraad ter vergroten, mits kan worden gegarandeerd dat het grondwater niet verontreinigd raakt door het infiltratiewater, en er geen andere doorslaggevende nadelen aan zijn verbonden. o We maken met gemeenten en waterschappen afspraken over een aanpak om steilranden en micro-reliëf in het landschap te behouden en zo nodig te creëren. Zo proberen we het effect van piekafvoeren te beperken en lokaal meer water vast te houden om daarmee de grondwatervoorraad aan te vullen. o Als blijkt dat in gebieden grondwaterpeilen, jaarrond bekeken, steeds verder uitzakken, willen we met waterschappen een aanpak ontwikkelen hoe we deze dalende trend ombuigen (bijvoorbeeld door het vergunningsbeleid aan te scherpen). We werken aan beter zicht op onttrekkingen o We gaan kleinere (maar nog steeds grote) onttrekkingen registreren, zoals aanbevolen door de Rekenkamer Oost.
Daarmee krijgen we beter zicht op de totale onttrekkingen, en kunnen we na enkele jaren beoordelen of een grondwateronttrekkingsplafond dan wel een soort verdringingsreeks voor grondwater nodig is. o We zorgen voor voldoende inzicht in de hoeveelheid water die Overijssel in komt en uitgaat. Ook willen we een afwegingskader ontwikkelen voor onttrekkingen waarbij integraal naar grondwater en oppervlaktewater wordt gekeken, o.a. rekening houdend met locatie, beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater op die locatie, vereiste kwaliteit en aanwezige alternatieven. o We monitoren de grondwaterkwantiteit en nemen aanvullende maatregelen als de monitoringsresultaten daar aanleiding toe geven. We gaan een afwegingskader ontwikkelen o We gaan ons huidige onttrekkingenbeleid evalueren en zo nodig aanscherpen. Grondwater moet worden gereserveerd voor hoogwaardig gebruik: in eerste instantie voor de publieke drinkwatervoorziening, en pas daarna voor industrieel gebruik (voor zover de kwaliteit hoog moet zijn, bijvoorbeeld als grondstof voor dranken of conserven), kapitaalintensieve landbouw en pas daarna voor andere functies. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat er voldoende water voor natuurgebieden overblijft (vereisten uit de KRW). Voor individuele gebieden kunnen specifieke aanvullende regels worden gesteld, bijvoorbeeld voor boringsvrije zones.
In het afwegingskader wordt rekening gehouden met de vereiste kwaliteit van het te
13 Onder actieve infiltratie verstaan wij “dat water bewust wordt ingenomen, verplaatst en geïnfiltreerd ten
behoeve van de grondwateraanvulling” (KWR, rapport BTO 2024.006, 2024).
73
•
gebruiken water, de kwaliteit van het geloosde water en de verdere verwerking van dat water na het gebruik. o In de programmering van bedrijventerreinen ontmoedigen we de nieuwvestiging van bedrijven in Oost-Overijssel met een extreem groot (drink)waterverbruik. We vragen van bedrijven met een grote watervraag hun bedrijfsprocessen door te lichten om te proberen de vraag te verkleinen. We houden ons vergunningenbeleid onder de loep o We gaan na of het mogelijk en nodig is de huidige eeuwigdurende vergunningen periodiek te evalueren en hoe dat dan zou moeten. Hierbij houden we rekening met de bedrijfsvoering van de vergunninghouders.
6.3.1 Vergroting grondwatervoorraad Bij de inrichting van het landelijk gebied, inclusief het watersysteem, zetten we in op meer vasthouden van water, in welke vorm dan ook . We doen dat nu ook al, bijvoorbeeld via het programma ‘Haarvaten op Peil’ en projecten in het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer DAW (zie 2.3.4). In droge zomers zakken de grondwaterstanden nu echter te ver uit. Daarom moeten we hier meer op inzetten. Dat extra vasthouden kan door beken meer te laten meanderen, maar ook door ingrepen als meer stuwen of hogere standen van bestaande stuwen, hydrologische buffers, etc. Op die manier neemt de grondwatervoorraad toe. Natuurlijke oplossingen hebben de voorkeur. Ook actieve infiltratie is een methode om de grondwatervoorraad aan te vullen. We willen dat faciliteren en bevorderen. Een aandachtspunt bij actieve infiltratie is wel dat als het te infiltreren water verontreinigd is, het grondwater ook verontreinigd kan raken. Oppervlaktewater is daarom niet in alle gevallen geschikt voor actieve infiltratie. Afstromend hemelwater kan in aanraking zijn geweest met allerlei verontreinigingen (olie, metalen, bandenslijpsel) en is dus ook niet in alle gevallen geschikt. Daarom willen we actieve infiltratie alleen toestaan als de kwaliteit van het infiltratiewater niet zorgt voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit. De ‘sponswerking’ van de bodem kan o.a.
worden vergroot door het laten toenemen van de voorraad organische stof in de bodem en, meer in het algemeen, door het toewerken naar een vitale bodem (zie volgende hoofdstuk).
6.3.2 Beter zicht op onttrekkingen De KRW-eis dat de gemiddelde jaarlijkse onttrekking de beschikbare grondwatervoorraad niet overschrijdt, is nog niet zo gemakkelijk te toetsen als het op het eerste gezicht lijkt. Voor Overijssel als geheel is een waterbalans opgesteld (het geheel van de aanvoer- en afvoerposten van water) maar om gericht beleid te kunnen voeren is het nodig in te zoomen op kleinere gebieden. Daar gaan we aan werken. Een waterbalans kent altijd onzekerheden. Eén van de redenen is dat de hoeveelheid water die toegevoegd wordt aan het grondwater niet valt te meten. Dat moet dus berekend worden, en zo’n berekening kent onzekerheden. Een andere belangrijke onzekerheid wordt veroorzaakt doordat lang niet alle onttrekkingen worden geregistreerd. De provincie is zelf bevoegd gezag voor winningen voor de openbare drinkwatervoorziening en industriële toepassingen boven de 150.000 m 3 per jaar en daarom zijn die bij ons goed in beeld. Voor de overige winningen zijn de waterschappen bevoegd gezag. Daar hebben wij momenteel minder goed zicht op, maar ook de waterschappen hebben niet alle onttrekkingen goed in beeld. Die kleinere onttrekkingen zijn talrijker dan de grote, en de totale 74