1.b Ontwerp regionaal waterprogramma
Tekst van het document
Beekdalen kunnen te maken krijgen met hogere piekafvoeren in tijden van extreme of langdurige neerslag. Door klimaatverandering en de groei van inwoners en economie komt de zoetwatervoorziening verder onder druk te staan. Hierin is het belangrijk om goede ruimtelijke keuzes te maken. Daarom is het nodig om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Hiervoor werken we volgens een aantal principes, zoals opgenomen in de omgevingsvisie: • • • • • • •
Afwentelen voorkomen; Meer rekening houden met extremen; In samenhang omgaan met wateroverlast en droogte; Meerlaagsveiligheid; Minder afdekken, minder vergraven, minder verontreinigen; Integrale aanpak in de leefomgeving; Comply or explain: pas toe of leg uit.
Dit betekent dat de risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend zijn bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. Hiermee voorkomen we dat we nieuwbouw gaan realiseren op locaties waar we later spijt van gaan krijgen. Verder benutten wij locaties waar in de toekomst ruimte nodig is voor waterberging, rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet (meer) voor bebouwing. De provincie wil onze partners ondersteunen door hen te voorzien van procesmatige begeleiding en kennis om te komen tot een goede locatiekeuze voor woningbouw, bedrijventerreinen, vitale functies of andere ruimtelijke ontwikkelingen. Het vroegtijdig betrekken van de waterschappen in ruimtelijke ontwikkelingen is cruciaal. Ook ondersteunen wij gemeenten in het opstellen van omgevingsvisies en -plannen. Kortom, een aanpak via de Overijsselse voorkantsamenwerking1.
1 Gemeenten kennen de provinciale richtlijnen en kaders. Volgens afspraak is er in de voorbereidingsfase van een ruimtelijke ontwikkeling
overleg in het kader van de voorkantsamenwerking tussen de gemeente en de provincie over die onderdelen die van provinciaal belang zijn.
25
2.3.1.2 Stap 2 – locatie inrichting De locatiekeuze bepaalt mede welke maatregelen nodig zijn in een gebied om deze klimaatadaptief in te richten. Wij anticiperen op toekomstige klimaatverandering in nieuwbouwgebieden door toekomstbestendig naar de locatie inrichting te kijken. Ook willen we op de kwetsbare plekken bij grootschalige renovatie of herbouw van bestaande bebouwing en infrastructuur de locatie of het ontwerp heroverwegen wanneer de veiligheid en leefbaarheid hiervan in gevaar komt. Wij sturen in bestaand bebouwd gebied op vermindering van onnodige bodemafdekking. De verstedelijkte omgeving wordt beter leefbaar als er minder hittestress is of wateroverlast tijdens piekbuien. Dit bereiken we door de bodem te herstellen en in te zetten op stedelijk groen. Naast woningbouw is het ook zaak om onze vitale en kwetsbare functies op toekomstbestendige locaties te plaatsen of de locatie zodanig in te richten. Wij gaan gemeenten helpen om de landelijke Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving lokaal toe te passen en rekening houdend met de gebiedskenmerken. Dit doen wij door kennis te delen van onderzoeken, beleidsontwikkeling en voorbeelden vanuit binnen en buiten de provincie.
De maatlat is ontwikkeld door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Infrastructuur en Waterstaat, en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW). Het doel is om overheden, woningcorporaties en partijen uit de bouw te ondersteunen bij het creëren van een veilige, gezonde en groene leefomgeving die bestand is tegen klimaatverandering. Onze omgevingsvisie onderschrijft de toepassing van de maatlat. De maatlat beschrijft doelen en prestatie-eisen voor klimaatadaptief bouwen en inrichten op het gebied van wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking bij overstromingen. Hoewel de maatlat geen specifieke maatregelen voorschrijft, biedt het wel houvast voor maatwerk en stimuleert het innovatieve oplossingen. 2.3.1.3 Stap 3 – Bouwwijze Naast de locatiekeuze en een klimaatadaptieve gebiedsinrichting zetten wij ook in op toekomstbestendige gebouwen. Het Overijsselse actieprogramma Toekomstbestendig bouwen2 geeft richting aan de bouwwijze. Toekomstbestendig bouwen is klimaatneutraal bouwen en zodanig bouwen dat er herstel van biodiversiteit kan plaatsvinden.
Bouwen met het oog op de toekomst: woningen dragen bij aan een goede gezondheid en zijn bestand tegen te verwachten ontwikkelingen zoals hitte en schaarste van drinkwater en grondstoftekorten. Het Actieprogramma is opgebouwd uit de thema’s: circulair/biobased, energiebewust, collectief, natuurinclusief, klimaatadaptief en waterbewust. Via het actieprogramma en de afspraken die zijn gemaakt in de woondeals werken wij samen met onze partners aan het toekomst bestendig bouwen.
2.3.2 Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie We werken samen met gemeenten, waterschappen, en Vitens in de werkregio’s van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) (zie Figuur 7. DPRA werkregio’s in Overijssel) aan een klimaatrobuust watersysteem waar hitte, droogte en wateroverlast maximaal wordt opgevangen. De veiligheidsregio’s zijn een belangrijke partner voor de risicodialogen in de cyclus van DPRA. De provincie Overijssel maakt onderdeel uit van vier werkregio’s: Twents Waternet, Rivus, Fluvius en
2 In december 2022 zijn de woondeals Twente en West-Overijssel gesloten. In de woondeals is afgesproken een Actieprogramma
Toekomstbestendig Bouwen op te stellen.
26
Noordelijke Vechtstromen. We hebben zeven ambities, zoals geformuleerd in DPRA. (zie Figuur 8. Schema van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie.). Deze ambities zijn: • • • • • • •
Stimuleren en faciliteren, kennis ontwikkelen en delen Kwetsbaarheid in beeld brengen via klimaat stresstesten Risicodialogen voeren en strategie opstellen Uitvoeringsagenda’s opstellen Meekoppelkansen benutten Handelen bij calamiteiten Reguleren en borgen
In de periode 2024-2026 leggen we meer focus op de ambities ‘Reguleren en Borgen’, ‘Stimuleren en faciliteren, kennis ontwikkelen en delen’ en ‘Meekoppelkansen benutten’. Deze kansen liggen voor ons in de verbinding met andere opgaven en programma’s zoals het Programma Sponsstrategie binnen het NOVEX-gebied Regio Zwolle. Daarnaast voeren wij gesprekken met het Rijk over de nieuwe deltabeslissingen die in 2026 worden geformuleerd en passen wij onze provinciale omgevingsvisie en verordening aan naar de huidige maatstaven. Hierin nemen wij de KNMI klimaatscenario’s en principes binnen Water en Bodem Sturend mee.
27
Figuur 7. DPRA werkregio’s in Overijssel
28
Figuur 8. Schema van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie.
2.3.3 Zoetwatervoorziening Oost-Nederland Het programma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON) is een project van het Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO) Rijn-Oost. Binnen het ZON-programma nemen de deelnemende partijen maatregelen om minder last te hebben van de toenemende droogte, zonder de wateroverlast te laten toenemen. Het project levert ook de regionale inbreng voor de hoge zandgronden in OostNederland in het deelprogramma Zoetwater van het Deltaprogramma. In het programma Zoetwater Oost-Nederland leveren we kennis, advies en financiering zodat we de zoetwateropgaven voor de hoge zandgronden gezamenlijk oppakken. In het werkprogramma zijn de maatregelen opgenomen die we in de periode 2022-2027 samen met regionale partners uitvoeren. Een voorbeeld is het Overijsselse programma Haarvaten Op Peil. In dat programma voeren we in Overijssel maatregelen uit om water langer vast te houden in de haarvaten van het watersysteem op de hogere gronden, daar waar geen wateraanvoer mogelijk is. Tegelijkertijd werken we samen met onze regionale partners binnen ZON aan de voorbereiding van de derde fase van het programma ZON (2028-2033).
2.3.4 Deltaplan Agrarisch Waterbeheer Het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) is een initiatief van LTO Nederland en wordt uitgevoerd in samenwerking door de Unie van Waterschappen, ministeries van I&W en LNV en IPO namens de provincies. Daarbij krijgt het programma ondersteuning van de RVO en het Kadaster. Het DAW wordt gefinancierd door het ministerie van I&W en het ministerie van LNV. Bij regionale projecten en initiatieven is er vaak sprake van co-financiering door provincie of waterschap. In Overijssel is dat ook het geval. Ook in Overijssel werken we samen in het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer aan verbeteren van waterkwaliteit en waterkwantiteit in het agrarisch gebied. Hierbij leggen we ook de koppeling met droogtebestrijding via het programma ZON.
2.3.5 Verstedelijkingsstrategieën Overijssel staat voor grote uitdagingen op het gebied van verstedelijking, waarbij klimaatadaptatie een centrale rol speelt. In de provincie zijn drie belangrijke verstedelijkingsstrategieën te 29
onderscheiden: de Regio Zwolle, Twente en de Stedendriehoek. In Twente en de Stedendriehoek streven wij als provincie naar een klimaatadapatieve focus op de verstedelijking, zoals dit ook in de regio Zwolle een stevige plek heeft gekregen. Hierin zien wij, naast de gemeenten, ook voor het waterschap een duidelijke rol weggelegd. 2.3.5.1 Regio Zwolle Klimaatadaptatie speelt een centrale rol in de ontwikkelingsstrategie van de NOVEX-regio Zwolle. De regio streeft ernaar om klimaatbestendig te groeien, waarbij water en bodem leidend zijn in de ruimtelijke ordening. Dit is cruciaal gezien de ligging van Zwolle in de kwetsbare IJssel-Vecht delta. De verstedelijkingsstrategie "Warme Harten in een Klimaatadaptieve Delta" vormt de basis voor de klimaatadaptieve aanpak. Deze strategie is paradoxaal genoeg gericht op het bijbouwen in kwetsbare gebieden om zo investeringen in klimaatadaptiviteit mogelijk te maken. Hierbij wordt ingezet op natuurlijke oplossingen en systeemkeuzes die bijdragen aan een toekomstbestendig klimaat-, wateren bodemsysteem. De Regionale Sponsstrategie is een overkoepelend programma dat zich specifiek richt op waterbeheer en klimaatadaptatie. Dit programma heeft als doel: • • • •
Een gedeeld beeld ontwikkelen van korte en lange termijn wateropgaven Oplossingsrichtingen in kaart brengen voor klimaatadaptieve groei Een samenhangende regionale strategie ontwikkelen Uitgangspunten borgen in het instrumentarium van partners
Door deze integrale aanpak wil de Regio Zwolle een landelijk voorbeeld worden in klimaatadaptieve groei, waarbij de grenzen van maakbaarheid in het watersysteem worden erkend en afwenteling op toekomstige generaties wordt voorkomen. 2.3.5.2 Twente In de verstedelijkingsstrategie van Twente zal een integrale aanpak gehanteerd gaan worden waarin klimaatadaptatie een centrale rol speelt. Deze strategie gaat verder dan alleen woningbouw en zet in op een complete visie voor een aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving. Klimaatbestendigheid is hierin een kernpunt, naast thema's als mobiliteit, voorzieningen, bereikbaarheid, energie, en het behoud van natuur en recreatie. Tot 2050 is in Twente een groei van 69.000 woningen mogelijk, voornamelijk geconcentreerd in de steden Enschede, Hengelo en Almelo. Bij deze grootschalige ontwikkeling is klimaatadaptatie cruciaal om de toekomstige leefbaarheid en duurzaamheid van de regio te waarborgen. De regio, gekenmerkt door hoge zandgronden, staat voor specifieke uitdagingen op het gebied van beekdalen, waterbeschikbaarheid en -kwaliteit. Eén van de grootste opgaven voor Twente is de onder druk staande zoetwaterbeschikbaarheid (drink-, grond- en oppervlaktewater) als gevolg van droogte, maar ook economische- en inwonersgroei van de regio.
Het vergroten van de drinkwateraanvoercapaciteit en het verminderen van de watervraag vereisen regionale samenwerking. 2.3.5.3 Stedendriehoek De ontwikkeling van de verstedelijkingsstrategie van de stedendriehoek staat aan het begin. De verdere uitwerking rondom klimaatadaptatie gaat nog plaatsvinden.
30
2.3.6 Bodemdaling Ook als Overijssel hebben we te maken met de negatieve gevolgen van bodemdaling. Bodemdaling is een complex verschijnsel en kan op verschillende diepte in de ondergrond ontstaan en kent verschillende oorzaken: natuurlijke geologische processen, menselijke ingrepen (ontwatering, winning delfstoffen, toepassen ophoogmateriaal) of is het gevolg van toenemende droogte. Door bodemdaling daalt het maaiveld wat kan leiden tot schade en extra kosten voor het waterbeheer, voedselproductie en natuurbeheer. Ook kan het leiden tot schade en extra onderhoud aan bebouwing, infrastructuur en openbaar groen. Bodemdaling in veengebieden resulteert in verhoogde CO₂-uitstoot doordat het veen oxideert wanneer het grondwaterstand daalt Vanuit een onze regisserende en faciliterende rol brengen we als provincie handelingsperspectieven in bij gebiedsontwikkeling en planprocessen. Dit gaat om landelijk ontwikkelde bouwstenen en instrumentarium3 en regionale instrumenten. Voor Noordwest Overijssel zijn bouwstenen ontwikkeld hoe we in de toekomst beter kunnen omgaan met bodemdaling (adaptatie) maar ook hoe we de bodemdaling kunnen remmen (mitigatie). Dit is veelal een combinatie van ingrepen in het water en bodemsysteem, andere bouw- en aanlegwijze maar ook wijziging van het toekomstige landgebruik.
Door bouwstenen en instrumenten vroegtijdig toe te passen bij gebiedsprocessen en planprocessen krijgt adaptatie en mitigatie van bodemdaling een volwaardige plek. Als provincie versterken we ook onze kennisbasis. De nationale kennis die beschikbaar komt via het kenniscentrum Bodemdaling en Funderingen, landelijk onderzoekstrajecten en regionale onderzoeken worden verder ontsloten via Overijsselse netwerken, werkregio’s Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie of bodem en ondergrond netwerken. Als provincie voeren we ook zelf onderzoek uit om de bodemdalingsgevoelige gebieden te identificeren en beter inzicht krijgen in de oorzaken en gevolgen van bodemdaling. Tot slot werken we samen in IPO verband om bodemdaling en funderingproblematiek goed onder de aandacht te brengen bij de nationale aanpak funderingsschade en het programma ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’.
2.4 Wat verwachten wij van onze partners Wij verwachten van onze partners dat zij toekomstbestendige keuzes maken in ruimtelijke ontwikkelingen en hierover vroegtijdig in het proces met medeoverheden het gesprek aangaan. Ook verwachten wij dat zij met inzet en financiële middelen betrokken blijven in de samenwerkingsverbanden rondom klimaatadaptatie. Op deze wijze borgen bij de continuïteit van onder andere de werkregio’s en de verstedelijkingsstrategieën.
2.5 Raakvlakken met andere beleidsterreinen Binnen ruimtelijke adaptatie staat klimaatadaptatie centraal. Daar is dit hoofdstuk niet uniek in. Klimaatadaptatie is een rode draad door het gehele RWP. Zo wordt het weerbaar maken van ons drinkwatersysteem in hoofdstuk 3 uiteengezet. Waterkwantiteitsvraagstukken komen terug in hoofdstuk 4 en 6. In hoofdstuk 7 komt de ruimtelijke ordening ten aanzien van de bodem aan bod. Tot slot zijn in hoofdstuk 8 de onderwerpen waterveiligheid en wateroverlast te vinden. 3 ruimtelijke kader voor klimaatbestendig bouwen, maatlat voor een groene en klimaatbestendige omgeving en
wegen van waterbelang
31
32
3 Drinkwater Drinkwater is een eerste levensbehoefte en essentieel voor de gezondheid van mensen, omdat we het drinken en gebruiken voor de bereiding van voedsel. Het zoetwatersysteem, de bron van ons drinkwater, staat onder grote druk door klimaatverandering, bevolkingsgroei, economische groei, industrie, landbouw en toenemende verstedelijking. De vraag naar drinkwater is de afgelopen jaren sterker toegenomen dan verwacht, mede door bevolkingsgroei, de vraag vanuit de (levensmiddelen)industrie en een toename van droogte en warm weer door klimaatverandering. Naar verwachting zal de drinkwatervraag de komende decennia blijven stijgen (zie hiervoor bijlage IV: Regionaal Actieplan beschikbaarheid drinkwaterbronnen). Tegelijkertijd neemt de natuurlijke beschikbaarheid en de kwaliteit van drinkwaterbronnen af door langere perioden van droogte en verontreiniging door menselijk handelen. In Twente is de urgentie hoog om drinkwaterlevering veilig te stellen: Vitens kan bedrijven niet altijd meer voorzien van drinkwater. Richting huishoudens geldt er een leveringsplicht voor Vitens. Dit hoofdstuk beschrijft de doelen die wij onszelf stellen om zo de drinkwatervoorziening binnen provincie Overijssel te waarborgen. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de rolverdeling tussen verschillende overheden en partners, het beschermingsbeleid en de Adaptieve Strategie Drinkwater.
3.1 Doelen De Drinkwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water (KRW) zien samen met nationale wet- en regelgeving toe op het waarborgen van de drinkwatervoorziening. Het nationale drinkwaterbeleid is vastgelegd in de Beleidsnota Drinkwater 2021- 2026. Het richt zich op het behouden van de kwaliteit en kwantiteit van drinkwaterbronnen en anticipeert op de toekomstige vraag. Daarnaast stelt artikel 7 van de KRW dat de zuiveringsinspanning voor drinkwaterproductie niet verder mag toenemen en op termijn omlaag moet. Het provinciale beleid en doelen zijn opgesteld in overeenstemming met Europees en nationaal beleid en wetgeving. Om de uitdagingen aan te pakken, streeft de provincie Overijssel daarom de volgende doelen na: •
Beschermen en behouden van drinkwaterbronnen.
•
Beschikbaar stellen van aanvullende bronnen om de toekomstige vraag op te vangen.
•
Afvlakken van de toenemende drinkwatervraag door besparing.
3.2 Rolverdeling De duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening wordt beschouwd als een ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ (artikel 2 Drinkwaterwet). Dat betekent dat bij bestuurlijke afwegingen een groot belang moet worden toegekend aan de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening. De rollen en verantwoordelijkheden rondom drinkwaterzijn als volgt:
33
Rijk: • •
Stelt landelijke wet- en regelgeving en beleid op: zoals de Drinkwaterwet, de Omgevingswet en de Beleidsnota Drinkwater. Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet).
Provincie: • Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet). • Verantwoordelijk voor de beschikbaarheid en bescherming van drinkwaterbronnen. • Vergunningverlener voor grote industriële grondwateronttrekkingen (> 150.000 m3 / jaar) en voor alle grondwateronttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening. • Medeaandeelhouder van drinkwaterbedrijf Vitens en daarmee verantwoordelijk voor de uitvoering van de drinkwatervoorziening in hun distributiegebied. Gemeenten: • Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet). • Zorgplicht voor hemel- en grondwaterbeheer en inzameling stedelijk afvalwater. Waterschappen: • Beheren het regionale watersysteem en kleinere industriële grondwateronttrekkingen (<150.000 m3 / jaar). • Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet). Drinkwaterbedrijf (Vitens): • Verantwoordelijk voor de duurzame uitvoering van productie en levering van voldoende drinkwater. • Leveringsverplichting binnen hun distributiegebied (artikel 3 Drinkwaterwet). • Samen met de veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor de levering van nooddrinkwater in calamiteitensituaties. Veiligheidsregio’s: • Samen met het drinkwaterbedrijf verantwoordelijk voor de levering van nooddrinkwater in calamiteitensituaties.
3.3 Beschermingsbeleid drinkwaterwinningen Overijssel telt 23 waterwinlocaties (Figuur 9. Overzicht drinkwaterwinningen en beschermingszones in Overijssel) voor de productie van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het merendeel hiervan produceert drinkwater uit grondwater. Op de locaties Vechterweerd en het Engelse Werk wordt oevergrondwater gewonnen. Dit is oppervlaktewater dat eerst door een grondlichaam passeert, waardoor er voorafgaand aan de winning al een natuurlijke zuivering plaatsvindt. De provincie is verantwoordelijk voor de reservering van openbare drinkwaterbronnen en de bescherming ervan. Voor de bescherming van drinkwaterbronnen worden gebieden rondom een waterwinning aangewezen als waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, intrekgebied en/of boringsvrije zone (Figuur 10). Deze zones hebben verschillende beschermingsniveaus die worden bepaald door de tijd die het water er over doet om de winput te bereiken. De beschermingszones zijn vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. 34
1.
Waterwingebieden: Strikte bescherming, alleen activiteiten ten dienste van de drinkwatervoorziening zijn toegestaan.
2.
Grondwaterbeschermingszones: Preventie van risicovolle activiteiten, bevordering van harmoniërende functies.
3.
Intrekgebieden: Bescherming van het hele ‘aanvoergebied’ van een winning, bevordering van duurzame functieverweving en berging en infiltratie van hemelwater. Het beschermingsregime voor intrekgebieden wordt ook gebruikt voor grondwaterreserveringen.
4.
Boringsvrije zones: Verbod op schadelijke activiteiten voor behoud van beschermende bodemlagen. Boringsvrije zones worden aangewezen rondom diepe drinkwaterwinningen en gebruikt om aanvullende strategische grondwatervoorraden (ASV) aan te wijzen. Binnen Overijssel zijn er twee boringsvrije zones die dienen als grondwaterreservering: Salland Diep en Salland Diep Noord.
Figuur 9. Overzicht drinkwaterwinningen en beschermingszones in Overijssel
Aanvullende strategische grondwatervoorraden (ASV) zijn aangewezen om in de toekomstige drinkwaterbehoefte te voorzien. Dit gebeurt door gebieden rondom potentiële winlocaties aan te wijzen als intrekgebieden of boringsvrije zone. De huidige grondwaterreserveringen zijn boringsvrije 35
zones Salland Diep en Salland Diep Noord4 en intrekgebieden Koppelerwaard, Bruchterveld en Daarle-Vriezeveen. Meer reserveringen kunnen volgen als onderzoek drinkwaterpotentieel heeft aangetoond. Naast de openbare drinkwaterwinningen zijn er ook industriële of private winningen. Bescherming van grondwater voor industriële toepassingen, vooral voor menselijke consumptie, is belangrijk. Bedrijven zijn primair verantwoordelijk voor de bescherming van het door hen onttrokken grondwater. Grondwateronttrekkingen voor industrie of drinkwater van 150.000 m3/jaar of meer hebben een provinciale vergunning nodig. Voor laagwaardige industriële toepassingen wordt geen vergunning verleend, tenzij er geen alternatieven voor zijn of deze een nadeliger effect hebben. Het economische belang van de industrie wordt meegewogen. Meer details over het beschermingsbeleid en de toegestane activiteiten kunnen gevonden worden in bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid en bijlage VI Methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming. Voor niet-industriële private winningen is vooralsnog geen specifiek provinciaal beschermingsbeleid vastgesteld. Het wordt aangenomen dat deze winningen voldoende worden beschermd door het algemene landelijke beleid.
Figuur 10. Schematische weergave van de ligging van de beschermingszones intrekgebied, grondwaterbeschermingszone en waterwingebied
3.4 Uitwerking beleid De Provincie Overijssel, Vitens en de waterschappen Vechtstromen en Drents Overijsselse Delta hebben samen de Adaptieve Strategie Drinkwater Overijssel (ASD) opgesteld. Adaptief houdt in dat er wordt gehandeld vanuit een langetermijnstrategie en dat er op bewuste en transparante wijze wordt omgegaan met toekomstonzekerheden. Dit betekent dat er bijgestuurd kan worden en de strategie 4 Status per eind januari 2025 Salland Diep Noord: Dit is nog in afwachting van GS/PS besluit (actualisatie
omgevingsverordening)
36
wordt aangepast als ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Binnen de ASD wordt gewerkt aan drie doelen: (1) het creëren van extra wincapaciteit door voldoende reserveringsgebieden en drinkwaterbronnen aan te wijzen. (2) Ook wordt specifiek ingezet op (drink)waterbesparing. (3) Daarnaast wordt er gewerkt aan de bescherming van bestaande drinkwaterbronnen, onder andere via de gebiedsdossiers en het bijbehorend maatregelenprogramma.
3.4.1 Bescherming van huidige drinkwaterbronnen De bescherming van drinkwaterbronnen is cruciaal voor de toekomstige beschikbaarheid van schoon drinkwater. Daarom neemt de provincie een actieve rol om onze huidige winningen te behouden. In Overijssel wordt momenteel op 23 plaatsen grondwater aan de bodem onttrokken voor drinkwaterbereiding (Figuur 9). Er wordt momenteel gewerkt aan een evaluatie en strategie voor het behouden, beschermen en versterken van onze huidige drinkwaterbronnen. De provincie neemt daarnaast de volgende maatregelen om de risico’s te beheersen en de waterkwaliteit te beschermen en te verbeteren: •
Evaluatie van beschermingsbeleid: Bestaande beschermingsregels worden beoordeeld op hun effectiviteit door periodieke toetsing aan nieuwe ontwikkelingen, zoals klimaatverandering en vervuilende stoffen. Dit geldt voor de openbare drinkwatervoorziening, industriële winningen en private winningen. De provincie overlegt met gemeenten en waterschappen om noodzakelijke aanscherpingen in kaart te brengen en implementeert strengere voorschriften waar nodig. Mogelijk worden strengere maatregelen ingevoerd om vervuilende activiteiten die de (drink)waterkwaliteit bedreigen, aan te pakken. Dit kan onder andere betrekking hebben op de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), het gebruik van PFAS en bestrijdingsmiddelen, bodemenergiesystemen, en het infiltreren van verontreinigd oppervlaktewater. Ook willen we ons beleid t.a.v. IBA’s (installaties voor Individuele Behandeling van Afvalwater) controleren op actualiteit en volledigheid. Rondom gewasbeschermingsmiddelen wordt er al gewerkt aan een afwegingskader.
•
Gebiedsdossiers en aanvullende beheersmaatregelen: Voor elke waterwinning worden risico’s periodiek in kaart gebracht. De provincie werkt hiervoor nauw samen met gemeenten, waterschappen en Vitens om data te verzamelen en te analyseren. Deze informatie wordt gebruikt om elke 6 jaar de gebiedsdossiers te actualiseren en gerichte beheersmaatregelen te ontwikkelen. Daarnaast worden de risico’s gedeeld in werkoverleggen en vertaald naar concrete acties in het uitvoeringsprogramma Maatregelenprogramma Bescherming Drinkwaterbronnen. Beheersmaatregelen worden ontwikkeld en uitgevoerd in samenwerking met betrokken partijen zoals gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven. Dit kan van vrijwillig tot verplichtend in specifieke situaties.
•
Sturing op harmoniërende functies: Het belangrijk om drinkwaterwinningen duurzaam in te richten en in te passen in het landschap. Dit kan door drinkwaterwinningen te combineren met functies zoals (niet-verdrogingsgevoelige) natuur, extensieve recreatie, parken of extensieve en biologische landbouw. Hierdoor kunnen zowel de ruimtelijke kwaliteit en als de waterbescherming worden versterkt. De gebiedsdossiers kunnen hiervoor een basis bieden. Een goed uitgevoerde harmoniërende aanpak beperkt de inbreuk op het natuurlijke watersysteem en schade aan functies zoals landbouw en natuur. In de Natura2000beheerplannen wordt bepaald in welke mate winningen de instandhoudingsdoelen 37
beïnvloeden en welke passende mitigerende maatregelen eventueel nodig zijn. Het inspiratieboek ‘Win-win water: drinkwater voor nu en later!’ opgesteld door provincie Overijssel, presenteert een aantal Nederlandse praktijkvoorbeelden en pilot projecten, en do’s en don’t’s voor gebiedsprocessen. 5
3.4.2 Aanvullende bronnen en beschikbaarheid van extra productiecapaciteit Binnen de Adaptieve Strategie Drinkwater (ASD) zijn afspraken gemaakt over drinkwaterbesparing en hoe er meer win- en reservecapaciteit van drinkwater gerealiseerd kan worden. De basis hiervoor is de opdracht van het Rijk aan de regio’s om voldoende bronnen beschikbaar te hebben om de groeiende vraag tot 2040 op te vangen 6. Om de toenemende vraag naar drinkwater op te vangen, worden nieuwe bronnen en innovatieve technieken en hun juiste inpassing in het landschap onderzocht: •
Benutten van bestaande vergunningsruimte: Op dit moment wordt nog niet alle bestaande vergunningsruimte benut. Oorzaken hiervan zijn zowel technische beperkingen als mogelijke ongewenste effecten op de omgeving. We richten ons op de korte termijn op het onderzoeken en benutten van latente vergunningsruimte en eventuele bestaande onbenutte productieruimte bij bestaande winningen.
•
Verbeteren van de drinkwaterinfrastructuur: Naast de beschikbare drinkwatercapaciteit moet er voldoende capaciteit aanwezig zijn om het drinkwater te distribueren. Met de herijkte aanpak van 2023 is ingezet op het ontwikkelen van drinkwaterinfrastructuur om het transport naar met name Twente te versterken.
•
Inzet van strategische grondwatervoorraden: Gebieden zoals Salland Diep zijn aangewezen als Aanvullende Strategische Voorraad (ASV). Strenge regels beschermen deze bronnen tegen overexploitatie en verontreiniging.
•
Nieuwe winconcepten: Voorbeelden zijn circulaire winconcepten op de Sallandse Heuvelrug en grootschalig gebruik van oppervlaktewater uit de IJssel. De provincie ondersteunt deze initiatieven door onderzoek te financieren naar de haalbaarheid en milieueffecten, subsidies te verstrekken voor innovatieve projecten en duidelijke richtlijnen te ontwikkelen voor ruimtelijke inpassing en regelgeving. Deze initiatieven hebben een lange ontwikkeltijd en vragen innovatieve oplossingen. Vanwege de verschuiving naar oppervlaktewater als bron voor drinkwater zal er ook meer aandacht moeten zijn voor waterkwaliteit door bijvoorbeeld beschermingsbeleid of -zones voor oppervlakte water aan te wijzen.
•
Diversificatie: Naast grondwater als drinkwaterbron worden alternatieven zoals het benutten van de IJssel, Twentekanalen, polderwater, beekafvoeren en hergebruik van restwaterstromen verkend, mogelijk via pilotprojecten. Daar waar oppervlaktewater als drinkwaterbron wordt benut zullen naar verwachting extra inspanningen voor o.a. de waterkwaliteit gewenst zijn.
5 Provincie Overijssel: Inspiratieboek Win-win water: drinkwater voor nu en later! 6 Structuurvisie Ondergrond (STRONG), 2018
38
3.4.3 Drinkwaterbesparing Waterbesparing is essentieel om de drinkwatervraag af te vlakken en de druk op de drinkwaterwinningen te verlichten. Daarnaast helpt waterbesparing om op korte en middellange termijn te voorkomen dat nieuwe bedrijven en huizen niet kunnen worden aangesloten op het drinkwaternetwerk. Daarom werken we aan het Provinciaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. Dit richt zich op een reductie in 2035 van het huishoudelijk drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking naar 100 liter per dag en op een besparing van het drinkwatergebruik van 20% bij zakelijke gebruikers ten opzichte van de periode 2016-2019. Met dit plan onderschrijven wij de doelen uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. De provincie richt zich hierbij op drie sporen: •
•
•
Huishoudens: Vergroten van het bewustzijn rondom drinkwatergebruik door middel van communicatie en gedragsinterventies en het ontmoedigen van laagwaardig gebruik zoals tuinbesproeiing en zwembadjes. Zakelijke gebruikers: Inzet op besparing en hergebruik van water bij alle zakelijke gebruikers in zowel industrie, MKB als landbouw, waardoor laagwaardig gebruik van drinkwater wordt voorkomen. Ook moedigen we samenwerking aan tussen ondernemers op bedrijventerreinen. Verder werken wij samen met bedrijven binnen de Waterkoplopers Overijssel aan waterbesparing door het gebruik van water, voor bijvoorbeeld proceswater, vanuit andere bronnen. Waterbewust bouwen: Bij nieuwbouw en renovaties inzetten op technieken zoals regenwatergebruik voor toiletten. Dit doen we om waterbewust bouwen te stimuleren zodat het in de toekomst de nieuwe standaard wordt. Dit vergt op termijn ook aanpassing van landelijke regelgeving, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hiervoor voeren wij een lobby bij het Rijk.
3.5 Wat verwachten wij van onze partners Om de doelen van het Regionaal Waterprogramma te bereiken, is samenwerking met verschillende partners essentieel. Wij verwachten het volgende van onze partners: •
Rijk: Een actieve betrokkenheid als aanjager en facilitator van een landelijk dekkend drinkwaternetwerk. Hiertoe ook voldoende bronnen oppervlaktewater voor beschikbaar stellen, waarbij het Rijk bevoegd gezag is voor de rijkswateren. Aanpassingen van wetgeving en lokale partijen in staat stellen hun rol te pakken. Belang van drinkwater blijven agenderen ten opzichte van alle andere belangen.
•
Gemeenten: Actieve betrokkenheid bij het beheer van hemel- en grondwater, en participatie in gezamenlijke inzet op (drink)waterbesparende maatregelen bij woningbouw en -renovatie, integratie in van drinkwaterbescherming en besparing in ruimtelijke plannen. Verder een positieve grondhouding voor het realiseren van projecten ten dienste van de openbare drinkwatervoorziening, vanuit de zorgplicht.
•
Waterschappen: Samenwerking bij het beheer van het regionale watersysteem en de uitvoering van maatregelen ter bescherming van drinkwaterbronnen. En een positieve grondhouding voor het realiseren van projecten ten dienste van de openbare drinkwatervoorziening, vanuit de zorgplicht. Ook verwachten we dat waterschappen in de weging van het waterbelang aandacht vragen voor drinkwatervriendelijke en waterzuinige ontwikkelingen. 39
•
Drinkwaterbedrijf (Vitens): Continuïteit in de levering van schoon drinkwater, samenwerking bij het ontwikkelen van nieuwe bronnen en technieken, en deelname aan monitoring en rapportage.
•
Bedrijven en industrie: Voorkomen van onnodig laagwaardig gebruik van drinkwater. Verantwoordelijk gebruik van grondwater, naleving van vergunningen en beschermingsmaatregelen, en deelname aan initiatieven voor waterbesparing en hergebruik.
•
Inwoners: Bewustwording en participatie in waterbesparende maatregelen, en verantwoord gebruik van drinkwater.
3.6 Raakvlakken andere beleidsterreinen Schoon drinkwater is als eerste levensbehoefte essentieel voor een de volksgezondheid, één van de rode draden uit de omgevingsvisie. Dit vereist een robuust drinkwatersysteem, waarbij zowel waterkwaliteit als -kwantiteit van groot belang is. Daarnaast kan een goede ruimtelijke inpassing van drinkwaterwinningen bijdragen aan het behalen van natuurdoelen als bescherming van de winning. Zo kan drinkwaterwinningen bijdragen aan een goede ruimtelijke kwaliteit, één van de rode draden uit de omgevingsvisie. Drinkwater speelt ook een cruciale rol in het duurzaam wonen en werken in Overijssel. De levering van drinkwater is essentieel voor de woningbouwopgaven, om zo aan de leveringsplicht voor consumenten te kunnen voldoen. Als belangrijke grondstof voor industrie en landbouw, kan drinkwater en een goed drinkwatersysteem ook bijdragen aan het verbeteren van het vestigingsklimaat in Overijssel. Het integreren van deze raakvlakken tussen drinkwater en andere beleidsterreinen is dus van groot belang.
40
4 Oppervlaktewatersysteem Oppervlaktewateren leveren belangrijke diensten voor de samenleving, zoals zoetwatervoorziening (drinkwater, landbouw, natuur, industrie), transport (vaarwegen), waterzuivering, recreatie, verrijking en verkoeling van leefgebied en herbergen, in potentie, een hoge biodiversiteit. Om van deze diensten gebruik te kunnen maken, is zowel voldoende water als een goede waterkwaliteit essentieel. Toenemende druk op oppervlaktewateren door onder andere klimaatverandering, droogte, emissies en waterbehoefte, staat zowel voldoende als schoon water in de weg. Om zorg te dragen voor zowel voldoende als schoon water, zijn op Europees, nationaal en provinciaal niveau richtlijnen (onder andere de Kaderrichtlijn Water, Vogel- en Habitatrichtlijn, Zwemwaterrichtlijn), strategieën (zoals water en bodem sturend), programma’s (onder andere het Deltaprogramma en de daartoe behorende Deltaplannen) en de uitvoering ervan (zoals Zoetwatervoorziening Oost Nederland en Haarvaten Op Peil) uitgewerkt. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de provincie Overijssel deze richtlijnen uitwerkt om zo de kwantiteit en kwaliteit van het oppervlaktewater(systeem) te verbeteren.
4.1 Doelen • • •
• •
•
Er is voldoende, schoon oppervlaktewater, dat ten minste voldoet aan de chemische en ecologische doelen van de Kaderrichtlijn Water. De kwaliteit van de kleine wateren die geen KRW-waterlichaam zijn, wordt beschermd, en waar mogelijk, verbeterd. Waardevolle kleine wateren zijn van dermate goede kwaliteit dat a) deze ontbrekende schakel in het herstel van KRW-waterlichamen weer functioneert (bronnen en bovenlopen) en b) de bij deze wateren horende biodiversiteit weer robuust is (vennen). We beperken de gevolgen van overstroming (zie hoofdstuk 8) en perioden van droogte. Het watersysteem is klimaatadaptief ingericht zodat wateroverlast wordt voorkomen (opvangen piekafvoeren), natuur en biodiversiteit wordt ondersteund en grondwateraanvulling wordt bevorderd (tegengaan verdroging). Er zijn voldoende officiële (en daarmee veilige) zwemwaterlocaties beschikbaar waarbij vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd.
41
4.2 Rolverdeling De rollen en verantwoordelijkheden rondom oppervlaktewater zijn als volgt: Rijk: o
Wet- en regelgeving voor oppervlaktewater: de belangrijkste wet was de Waterwet. Deze is op 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. In het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) zijn de normen voor stoffen in oppervlaktewater vastgelegd. Provincie: o Vaststellen doelen en begrenzing van KRW-waterlichamen o Verantwoordelijk voor bepaalde KRW-maatregelen o Aanwijzen van officiële zwemwateren Waterschappen: o Zorgplicht voor de zuivering van stedelijk afvalwater o Verantwoordelijk voor het beheer van het regionale oppervlaktewatersysteem o Verantwoordelijk voor de KRW-monitoring o Verantwoordelijk voor de KRW-inrichtingsmaatregelen in het regionale watersysteem o Verantwoordelijk voor monitoring van zwemwaterlocaties Gemeenten: o Zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater, hemelwater, en grondwater. De uitwerking van deze zorgplicht staat in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Voor hemel- en grondwater kunnen ook regels gesteld worden in gemeentelijke verordeningen. Terreinbeherende organisaties: o Beheer van hun eigen terreinen o Zorgplicht voor een goede waterkwaliteit
4.3 Uitwerking beleid Voor een goed functionerend oppervlaktewatersysteem is zowel waterkwantiteit als waterkwaliteit van belang. In deze paragraaf wordt eerst kort aandacht besteed aan waterkwantiteit. Vervolgens wordt ingegaan op beleid rondom waterkwaliteit.
4.3.1 Waterkwantiteit Waterkwantiteit is op orde wanneer er niet te veel (overlast en overstromingen) en niet te weinig (droogte) oppervlaktewater is voor de functies die gebruik maken van oppervlaktewater. Deze benadering geldt enkel voor de functies die passend zijn bij de locatie volgens het principe ‘functie volgt peil’. In hoofdstuk 8 staat de uitwerking van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Droogte is een opkomend onderwerp en wordt in dit hoofdstuk alleen geadresseerd in termen van zoetwatervoorraad. Waterkwantiteit specifiek onder de KRW (hydromorfologie) is opgenomen in §4.3.3 (KRW-beleid oppervlaktewateren). Andere aspecten van droogte, zoals bodemdaling, uitdroging dijken, broeikasgasemmissies worden de komende tijd nog nader uitgewerkt. De uitdaging voor waterkwantiteit wordt onder andere veroorzaakt door een grilliger wordend klimaat: er treden langere perioden van droogte op en regenbuien worden intenser. Dit leidt tot veranderingen in neerslagpatronen en heeft daarmee effect op de waterkwantiteit in Overijssel. Dit is zeker het geval in perioden van droogte omdat de focus van waterbeheer lang gelegen heeft op snelle waterafvoer. Kanalen en sloten zorgen dat oppervlaktewater sneller wordt afgevoerd, maar zorgen ook dat grondwater wegstroomt doordat grondwaterlagen zijn doorsneden.
Het tekort aan water in het zomerhalfjaar is in veel delen in Overijssel evident (zie Figuur 11. LHM-resultaten: de ranking van de grondwaterstand in 2018 t.o.v. de afgelopen 31 jaar. Ranking 1 (rood) betekent de laagste grondwaterstand t.o.v. de afgelopen 30 jaar, ranking 31 (blauw) de natste. Overgenomen van (Van den 42
Eertwegh et al., 2019). LHM = het landelijk hydrologisch model.): beken vallen droog, natuur verdroogt en agrariërs hebben een verminderde oogstopbrengst.
Figuur 11. LHM-resultaten: de ranking van de grondwaterstand in 2018 t.o.v. de afgelopen 31 jaar. Ranking 1 (rood) betekent de laagste grondwaterstand t.o.v. de afgelopen 30 jaar, ranking 31 (blauw) de natste. Overgenomen van (Van den Eertwegh et al., 2019). LHM = het landelijk hydrologisch model.
Naast de toename in droogte, is er ook sprak van wateroverlast door hevige(re) regenval: straten lopen onder en agrarische percelen zijn niet bewerkbaar. De oorzaak is echter niet alleen de toename in neerslagintensiteit, maar het samenspel met waterafvoer en ondergrond: riolen zijn niet berekend op de omvang van neerslag. Agrarische percelen hebben ook te weinig infiltratie capaciteit (onder andere door verdichting en beperkte hoeveelheid van organisch materiaal). En bodems slaan dicht na een langere periode van droogte.
4.3.2 Waterkwantiteit: wat doen wij? Met klimaatverandering worden de perioden van droogte langer en vraagt een klimaatbestendig zoetwatersysteem sturing: het beter vasthouden en bergen van zoetwater zodat het beschikbaar is ten tijde van droogte. Een waterrobuust systeem vraagt om voldoende levering van zoetwater aan verschillende, maar niet per sé alle, functies. Ook wanneer door klimaatverandering tijdelijk minder oppervlaktewater beschikbaar is. De beleidsaanpak in Overijssel is daarmee als volgt: • • • • •
Vergroten van de waterbeschikbaarheid In de hogere delen meer water vasthouden door opvangen van piekbuien Vergroten van sponswerking Waterverdeling ten tijde van droogte Langere termijn ruimtelijke functie-indeling
Deze aanpak is in verschillende programma’s en projecten uitgewerkt. Zoetwatervoorziening Oost Nederland Concreet wordt aan een klimaatbestendig watersysteem gewerkt in het programma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON), een deelprogramma van het landelijke Deltaprogramma Zoetwater. ZON is een maatregelenprogramma dat zich richt op het vergroten van de waterbeschikbaarheid. In de eerste fase (2016 – 2021) is door maatregelen de wateraanvoer in droge perioden duidelijk verbeterd, met name door het beter vasthouden van water. De tweede fase (2022 – 2027) omvat maatregelen gericht op het aanvullen van grondwater, waterbesparing en vermindering van de watervraag, en ruimtelijke adaptatie. 43
Haarvaten Op Peil Specifiek voor de hogere delen in de provincie Overijssel waar geen wateraanvoer is, is het uitvoeringsprogramma Haarvaten Op Peil (HOP) in 2022 gestart. Provincie, waterschappen, Natuurmonumenten, Staasbosbeheer, Landschap Overijssel en het Overijssels Particulier Grondbezit werken samen aan een klimaatbestendig en waterrobuust systeem door in de grond meer water vast te houden en piekbuien op te vangen. In 2028 start fase drie, die vanaf 2023 in het Deltaprogramma Zoetwater (DPZ) wordt voorbereid. Met het schrijven van dit RWP moet voor de derde fase wordt nog een bestuursovereenkomst en werkprogramma opgesteld. Vergroting sponswerking Vanuit waterkwantiteit wordt niet sterk gestuurd op maatregelen voor benutting van sponswerking van het landschap, maar wordt aangehaakt bij ander beleid, zoals de aanleg van meer groen en het herstellen van veenweidegebieden. In 2025/2026 wordt gewerkt aan een veenweidestrategie, waarbij water en bodem leidend zijn voor de invulling van deze strategie. Voor vernatting van gebieden, een eis voor gezond veenweide, is toevoer van water vanuit het IJsselmeer voorzien. Of dat voldoende is de watervraag vanuit veenweide gebieden wordt nog uitgewerkt. De nog concreet te maken veenweidestrategie is primair gericht op het vastleggen van CO2 en het beperken van bodemdaling.
Veenweidegebieden dragen echter ook bij aan een klimaatbestendiger zoetwatervoorziening door de berging van water in het bovenste grondwater. Ook andere natuurtypen dan veenweide kunnen een bijdrage leveren aan het vergroten de sponwerking van het landschap. Afstemming tussen provinciaal natuur- en waterbeleid op dit precieze onderwerp moet nog geconcretiseerd worden, maar duidelijk is dat de strategie gebiedsgericht uitgewerkt wordt. Voor het creëren van meer groen wordt aangehaakt bij de zogenoemde groenblauwe dooradering. In het Aanvalsplan Landschap, onderdeel van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel, wordt gewerkt aan het vergroten van het aandeel van groenblauwe dooradering tot tenminste 10% van het landelijk gebied. Dit was 6% in 2022. Het areaal van de groenblauwe dooradering is aanvullend op het areaal van het NNN. Door de omvang van de dooradering kan dit beleid bijdragen aan een klimaatbestendigere zoetwatervoorziening in de provincie Overijssel doordat het de infiltratiecapaciteit en berging van water in het bovenste grondwater vergroot. Waterakkoorden en de verdringingsreeks Water is een belangrijke levensbehoefte. De provincie heeft daarom in waterakkoorden afspraken gemaakt met Rijkswaterstaat en de waterschappen over wateraanvoer en verdeling onder verschillende scenario’s voor waterbeschikbaarheid.
Tijdens droogte is het nu nog mogelijk om water aan te voeren naar gebieden zonder natuurlijke wateraanvoer, zoals de hoge zandgronden. In de toekomst wordt de wateraanvoer minder zeker en kan het zijn dat in een aantal gebieden in Overijssel geen wateraanvoer mogelijk is. Vanuit Water en Bodem Sturend passende scenario’s onderzocht in de ruimtelijke ordening, zodat droogte zo min mogelijk schade veroorzaakt aan verschillende functies (functie volgt peil). Om duidelijkheid te verschaffen over waterbeschikbaarheid voor verschillende functies ten tijde van droogte heeft Nederland een landelijke verdringingsreeks opgesteld. Deze reeks schetst de mate van 44
toegang
van
functies
tot
water
in
tijden
van
droogte
(
Figuur 12. De verdringingsreeks voor de oppervlaktewaterverdeling ten tijden van droogte.). Hoewel deze verdringingsreeks effectief niet bijdraagt aan een waterrobuust systeem, geeft het wel inzicht wat verschillende functies in de toekomst kunnen verwachten. Bij de verwachte toename van droogte kan de reeks een denkwijze van een meer klimaatbestendige en waterrobuuste ruimtelijke ordening stimuleren.
Figuur 12. De verdringingsreeks voor de oppervlaktewaterverdeling ten tijden van droogte.
Water en bodem sturend Het principe van Water en Bodem sturend is onontbeerlijk om te komen tot een klimaatbestendig en waterrobuuste opperwatersysteem in termen van waterkwanteit. Het principe is leidend om na te denken over welke functies waar passend zijn, zowel qua watervraag als qua wateroverlast. Een belangrijk uitgangspunt is hierbij dat niet alles overal kan en dat daarmee aanpassing van landgebruik nodig kan zijn om te komen tot een waterrobuust-systeem. Hierbij geldt nog steeds de verdringingsreeks: er kunnen situaties zijn waarbij niet alle functies kunnen worden voorzien van water, ondanks aanpassingen in landgebruik. In ZON worden al maatregelen genomen om de zoetwatervoorraad te verbeteren, maar een grotere ruimtelijke schaal is nodig om een provinciale aanpak van klimaatbestendige en water robuuste zoetwatervoorraden te realiseren. Een indeling op basis van verschillen in ondergrond heeft geleid tot 45
een ruimtelijke ordening van waar op welke manier omgegaan kan worden met het maximaal benutten van neerslag binnen aanvaardbare overlast en overstromingsrisico’s 7. Deze gebiedsdifferentiatie leidt tot: • • •
Het vergroten van de sponswerking en het laten infiltreren van water in de hoge zandgronden zonder wateraanvoer. Het opvangen van extremen in neerslag en het vasthouden van water in de zandgronden met wateraanvoer, en door de IJssel, Vecht en Delta. Geleidelijke vernatting in de veen(weide)gebieden.
4.3.3 Waterkwaliteit - KRW De Kaderrichtlijn Water (KRW) is sinds 22 december 2000 het leidend beleid voor oppervlaktewateren en grondwater van de Europese lidstaten. De uitvoering van de KRW vindt plaats via het RWP, omdat dit de plek is waar de maatregelen voor de uitvoering van de KRW en de omgevingswaarden worden vastgelegd. Een uitwerking van de KRW is ook de zogenoemde ‘beschermde gebieden’. In deze gebieden gelden aanvullende omgevingswaarden. Deze staan ook in dit RWP opgenomen. Voor oppervlaktewater in Overijssel betreft dit de volgende type beschermde gebieden: zwemwater, Natura2000 en NNN (Figuur 13. Onderverdeling van oppervlakte wateren in categorieën in navolging van de KRW in de Provincie Overijssel. Let op dat beschermde gebieden zowel in KRW-wateren voorkomen als in overige wateren.). Grondwater in relatie tot KRW wordt in hoofdstuk 5 behandeld.
Figuur 13. Onderverdeling van oppervlakte wateren in categorieën in navolging van de KRW in de Provincie Overijssel. Let op dat beschermde gebieden zowel in KRW-wateren voorkomen als in overige wateren.
De Kaderrichtlijn Water De KRW is van toepassing op alle oppervlaktewateren, maar alleen voor wateren vanaf een bepaalde omvang bestaat de verplichting om elke zes jaar aan Brussel te rapporteren over de staat van deze wateren. Deze wateren worden de KRW-waterlichamen genoemd en zijn op basis van kenmerken 7 [1] Sweco (2023): “Water en bodem sturend in de provincie Overijssel’, Sweco-rapport 51011587
46
onderverdeeld in enkele tientallen ‘watertypen’. De rapportage, oftewel de KRW-factsheets (zie bijlage VII), wordt uitgevoerd door de waterschappen. Het Informatiehuis Water – een samenwerkingsverband tussen het Rijk, de provincies en de waterschappen – beheert de verzamelde data en de factsheets. De onderverdeling in KRW-wateren en overige wateren op basis van omvang van een waterlichaam heeft de nadruk gelegd op het bereiken van een goede chemische en ecologische kwaliteit van de grotere (=KRW) wateren. De KRW gaat echter uit van een stroomgebiedsbenadering: dus inclusief de kleinere wateren. Voor de kleinere wateren (‘overige wateren’, Figuur 13. Onderverdeling van oppervlakte wateren in categorieën in navolging van de KRW in de Provincie Overijssel. Let op dat beschermde gebieden zowel in KRW-wateren voorkomen als in overige wateren.) gelden ook de volgende algemene KRW-doelstellingen: •
• • •
•
Het voor verdere achteruitgang behoeden, beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van oppervlaktewater. Het bevorderen van het duurzaam gebruik van water op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn. Het beschermen van het aquatische milieu door lozingen van verontreinigende stoffen stop te zetten of te verminderen. Het voorkomen van afwenteling van waterkwaliteitsproblemen van ingelaten water op ontvangend water uit onder andere de IJssel, het IJsselmeer en de Twentekanalen of vanuit kleine wateren naar KRW-waterlichamen. Het beperken van de gevolgen van overstroming en perioden van droogte.
De KRW-waterlichamen De toestand (=de beoordeling) van de KRW-waterlichamen is opgebouwd uit een aantal tussenbeoordelingen (Figuur 14): • • •
chemische stoffen, fysisch-chemische parameters soorten (flora en fauna).
De tussenbeoordelingen leiden tot twee uiteindelijke beoordelingen: -
de chemische toestand, gebaseerd is op 45 prioritaire stoffen of groepen van stoffen8 de ecologische toestand, opgebouwd uit de beoordeling van: o de ‘biologische kwaliteit’ (samenstelling van soorten van vier biologische groepen), o de ‘algemene fysisch-chemische kwaliteit’ (zeven parameters), o de kwaliteit van de ‘hydromorfologie’, o de kwaliteit van de ‘overig relevante verontreinigende stoffen’ (77 stoffen, vastgesteld per stroomgebied)
Alleen wanneer de ‘biologische kwaliteit’ als goed beoordeeld is, worden de beoordelingen van de ‘fysisch-chemische kwaliteit’, en de kwaliteit van de ‘hydromorfologie’ en ‘overig relevante 8 Dat waren er vanaf 2008 33, maar sinds 2013 45. De toegevoegde stoffen hebben een evenredig vertraagde
deadline om aan de normen te voldoen
47
verontreinigende stoffen’ beschouwd voor het onderscheid tussen een matige, goede en zeer goede ecologische kwaliteit. De mate van passende ‘hydromorfologie’ voor het watertype is alleen van belang voor het onderscheid tussen goede en zeer goede kwaliteit. Voor zowel de chemische als de ecologische beoordeling wordt het ‘one out, all out’ principe gehanteerd: als één stof of één biologische maatlat niet voldoet, dan voldoet het waterlichaam niet. Nutriënten zijn de uitzondering hierop. Daar geldt dat het beste toetsonderdeeel het toestandsoordeel voor dit kwaliteitselement bepaalt. De chemische beoordeling wordt getoetst aan doelen die voor ieder watertype hetzelfde zijn. De ecologische beoordelingen worden getoetst aan de doelen die specifiek per waterlichaam zijn opgesteld. Het ecologische doel voor natuurlijke wateren wordt vastgesteld ten opzichte van een natuurlijke referentie, de Goede Ecologische Toestand (GET). Deze is afhankelijk van het watertype. Voor sterk veranderde wateren is een natuurlijke referentie als doel niet realistisch. Voor deze wateren wordt een lager doel vastgesteld: het Goede Ecologische Potentieel (GEP). Ook voor kunstmatige wateren worden doelen aan het GEP getoetst. De deadline voor het halen van de gestelde doelen is 2027.
Echter, ook na 2027 blijft de verplichting bestaan om de ecologische toestand, als ook de chemische toestand, van oppervlakte wateren niet achteruit te laten gaan, deze te beschermen en, indien van toepassing, te verbeteren.
Figuur 14. Beoordeling oppervlaktewaterkwaliteit volgens Kaderrichtlijn Water (bron: www.clo.nl). Inmiddels is het aantal stoffen aangepast dat de chemische toestand bepaalt van 33 naar 42.
Verantwoordelijkheden Provincie De provincie is verantwoordelijk voor een aantal onderdelen in de KRW: 48
-
De geografische ligging van de KRW-wateren af te kaderen Per KRW-water een watertype toe te kennen Vaststellen of een KRW-water ‘natuurlijk’, ‘sterk veranderd’ of ‘kunstmatig’ is Het doel voor het KRW-water vaststellen Indien van toepassing, de fasering maatregelen te motiveren zodat voldaan wordt aan de gestelde omgevingswaarden. Het behalen van de gestelde doelen.
Bovenstaande provinciale verantwoordelijkheden gelden alleen voor de regionale KRW-waterlichamen die in beheer zijn bij de waterschappen. De provinciale taken voor Rijkswateren worden uitgevoerd door Rijkswaterstaat. Begrenzing en watertype van waterlichamen In de provincie Overijssel liggen 88 KRW-wateren verspreid over drie verschillende waterbeheergebieden (Drents Overijsselse Delta, Rijn en IJssel en Vechtstromen). Deze oppervlaktewateren zijn onderverdeeld in 12 watertypen (Tabel 3). 59 van deze wateren zijn aangemerkt als ‘sterk veranderd’ en 29 als ‘kunstmatig’. De KRW-waterlichamen die aangemerkt zijn als ‘sterk veranderd’, zijn door menselijke ingrepen in de hydromorfologie van het waterlichaam zodanig van karakter veranderd dat een goede ecologische toestand niet meer te realiseren is zonder significante schade aan gebruiksfuncties. Voor deze wateren is daarom per waterlichaam een passend GEP afgeleid. ‘kunstmatige’ wateren zijn ontstaan door vergraving. Ook voor dit type water is per waterlichaam een GEP afgeleid. De GEPs zijn terug te vinden in de factsheets. Tabel 3. Overzicht van het aantal KRW-wateren in provincie Overijssel, onderverdeeld naar watertype en waterbeheerder. WDOD: Waterschap Drents Overijsselse Delta, WRIJ = Waterschap Rijn en IJssel, WVS = Waterschap Vechtstromen. SV + Sterk veranderde wateren, KM = Kunstmatige wateren.
49
Vaststellen van doelen en normen De doelen van de Overijsselse waterlichamen worden vastgesteld door de provincie, in samenspraak met de waterbeheerders. De KRW-doelen (GCT, GET en GEP) zijn als omgevingswaarden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (art. 2.10 en 2.11 Bkl, 2024). De KRW kent de mogelijkheid om minder strenge omgevingswaarden (‘doelverlaging’) vast te stellen indien waterlichamen in een zodanige mate door menselijke activiteiten zijn aangetast dat het bereiken van die doelstellingen niet haalbaar of onevenredig kostbaar zou zijn (artikel 4 lid 5 onder e KRW). Daarnaast moeten de doelen in 2027 bereikt zijn. In de interpretatie van de Europese Commissie betekent dit dat de maatregelen, die nodig zijn om de doelen te bereiken, uiterlijk in 2027 moeten zijn uitgevoerd. Het daadwerkelijk bereiken van de goede toestand mag later gebeuren mits dat te wijten is aan natuurlijke omstandigheden, zoals de traagheid waarmee het watersysteem en de ecologie reageert op maatregelen. Voor de niet-ecologische vastgestelde doelen mag op grond van artikel 2.17 Besluit kwaliteit leefomgeving in het provinciaal waterprogramma worden besloten tot technische doelaanpassing. Dit is een verlaging van niet-ecologische doelen wanneer blijkt dat bepaalde parameters te streng zijn ingeschat voor het halen van de biologische doelen.
Voor Stroomgebiedsbeheerplan 3 (SGBP3) is voor een aantal waterlichamen technische doelaanpassing toegepast. Deze wijzigingen zijn terug te vinden in de SGBP achtergronddocumenten (bijlage IIX) van de waterschappen en zijn vastgesteld door de provincie. Voor prioritaire stoffen en groepen van stoffen zijn op Europees niveau normen vastgesteld en gelden voor elk Europees KRW-waterlichaam (art. 2.10 Bkl). De normen voor de ‘overige relevante stoffen’ zijn vastgesteld op stroomgebied niveau en opgenomen in het derde SGBP. Het document is onder andere te downloaden via de IPLO website. De normen voor fysisch-chemische stoffen (Tabel 4) zijn per watertype op Rijksniveau vastgesteld (art. 2.11 Bkl, 2024). Tabel 4. Normen voor de fysisch-chemische parameters per watertype voor de klasse ‘Goed’. Parameter
R5, R6
R7
R12
R20
M1a
M7b
M8
M20
M27
M7b
5.58.5
M3, M6a, M10 5.58.5
pH
5.58.5
6.08.5
4.56.5
N-totaal (mg N/l)
≤2,3
≤2,5
≤2,3
4.55.5 7.08.5* ≤2,3
5.58.5
5.58.0
6.58.5
5.57.5
5.5-8.5
≤2,4
≤2,8
≤3,8
≤2,4
≤0,9
≤1,3
≤3,8
Fosfaat (mg P/l)
≤0,11
≤0,14
≤0,11
≤0,11
≤0,22
≤0,15
≤0,25
≤0,22
≤0,03
≤0,09
≤0,25
Temperatuur (°C)
<25
<25
<23
≤25
≤25
≤25
≤25
≤25
≤25
≤25
≤25
Doorzicht (m)
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
≥0,65
≥0,65
n.v.t.
≥1,7
≥0,9
≥0,65
Zoutgehalte (mg Cl/l) Zuurstofverzadiging (%)
≤150
≤150
≤150
≤150
≤150
≤300
≤300
≤300
≤200
≤200
≤300
70120
70120
70120
90120
35120
40120
40120
35120
60120
60120
40-120
* is respectievelijk zuurder of basischer dan voor de klasse ‘Zeer goed’.
Overige wateren Waardevolle, kleine wateren (WKW). Dit zijn wateren met een hoge biodiversiteit en landschappelijke waarde en omvatten bronnen, bovenlopen en vennen. Afhankelijk van de mate van connectie met de grotere KRW-waterlichamen is 50
een goed ecologisch functioneren van WKW van belang voor het herstel van de KRW-waterlichamen. Daarnaast voegt het herstel en bescherming van WKW waarde toe voor verspreiding en migratie van flora en fauna (specifiek NNN), het landschap, ruimtelijke kwaliteit en recreatie. De provincie heeft de in 2009 vastgesteld. Voor de WKW worden alleen ecologische doelen nagestreefd (Bijlage IX factsheets Overijsselse waardevolle, kleine wateren). Voor alle WKW zijn de ecologische doelen gezet op de GET-waarde (Goede Ecologische Toestand: EKR-score van 0,6). Voor het behalen van de doelen zijn en worden samen met de waterschappen maatregelen gedefinieerd. Doorzetting van monitoring van de waterschappen is nodig voor het toetsen van de doelen. Voor de WKW gelden bij inwerkingtreding van dit RWP de volgende beleidsregels: -
-
De normen voor de prioritaire stoffen (bestrijdingsmiddelen, zware metalen en andere toxische stoffen) en de specifiek verontreinigende stoffen zoals vastgelegd in het Bkl (2024). De normen worden gehandhaafd via een systeem van lozingsvergunningen en de waterschapsverordening, waarvoor de waterschappen verantwoordelijk zijn. Zonder vergunning of ontheffing zijn lozingen op het oppervlaktewater of hydromorfologische ingrepen niet toegestaan. Alle waardevolle kleine wateren dienen beschermd te worden tegen achteruitgang van de (aquatisch) ecologische waarde. Waar nodig moeten maatregelen worden genomen om achteruitgang te voorkomen, tenzij een zwaarder wegend maatschappelijk belang hierdoor gehinderd wordt (zoals Europese verplichtingen en drinkwaterwinning).