CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1.b Ontwerp regionaal waterprogramma

Raad Besluitvormingsronde 15 september 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Concept provinciale omgevingsvisie32.017 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

hoeveelheid onttrokken water uit die kleinere winningen kan groot zijn. Het is nog onbekend of deze kleine onttrekkingen substantieel bijdragen aan grondwaterkwantiteitsproblemen. Om dat beter in beeld te krijgen werken we samen met de waterschappen aan een manier om ook de onttrokken hoeveelheden van kleinere winningen beter te kunnen registreren en monitoren. Over enkele jaren kunnen we dan de onzekerheden in de waterbalans verkleinen. Daarmee krijgen we ook meer inzicht in de vraag of het nodig is een onttrekkingsplafond in te stellen, of het nodig is een grondwater-equivalent van de verdringingsreeks te ontwikkelen, en of het nodig is alle onttrekkingen te registreren. Dat laatste doen we nu bewust nog niet, omdat dat tot een enorme administratieve last kan leiden. Met de inzichten die we de komende jaren gaan opdoen, kunnen we dat standpunt tegen die tijd zo nodig heroverwegen.

6.3.3 Afwegingskader De beschikbaarheid van grondwater is van groot belang, voor allerlei functies. Gelukkig komt er via de neerslag steeds opnieuw water bij, maar niet altijd op de plek waar het nodig is en het moment waarop het nodig is. Meerdere actoren hebben belang bij voldoende grondwater: Vitens, industrie, landbouw en natuur. Om de juiste balans te vinden in de uiteenlopende belangen, is een afwegingskader nodig. Dat ontbreekt momenteel en daarom gaan we dat ontwikkelen. Daarmee willen we ook duidelijkheid geven aan water-intensieve bedrijven over de gebieden waar wel en waar niet voldoende water beschikbaar is. Zo kunnen we knelpunten voorkómen. Ook kunnen we met dat afwegingskader sturen welke bron wordt gebruikt (oppervlaktewater, grondwater, drinkwater).

6.3.4 Vergunningen Momenteel worden onttrekkingsvergunningen vaak voor onbepaalde tijd afgegeven. We willen kijken wat er mogelijk is om vergunningen periodiek te gaan evalueren en zonodig aanpassen, als veranderde omstandigheden (inclusief klimaatverandering) of inzichten daartoe aanleiding geven. Het gaat hierbij om zowel onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening als voor andere doeleinden. Daarbij willen we uiteraard rekening houden met de bedrijfsvoering van de vergunninghouders, en dat betekent dat we realistische termijnen zullen hanteren en de administratieve last tot een minimum zullen beperken. Dit is in lijn met artikel 11 lid 5 KRW.

6.4 Wat verwachten wij van onze partners We verwachten dat de waterschappen, gemeenten, de landbouw en TBO’s nauw met ons samenwerken om water beter vast te houden, om zo de grondwatervoorraad te vergroten. Ook zullen we met de waterschappen naar de registratie van onttrekkingen kijken, om een beter beeld van de waterbalans te krijgen. Met drinkwaterbedrijven willen we in deze cruciale periode samen optrekken om te garanderen dat er voldoende grondstof is waarmee drinkwaterbedrijven gemakkelijk goed drinkwater kunnen maken.

6.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen Ook in hoofdstuk 3 is aandacht voor grondwaterkwantiteit. In hoofdstuk 2 over ruimtelijke adaptatie en hoofdstuk 4 over het oppervlaktewatersysteem is ook aandacht voor droogte. Daarnaast heeft

75

grondwaterkwantiteit raakvlakken met natuur, landbouw, drinkwatervoorziening maar potentieel ook met schade aan gebouwen.

76

7 Duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond De ruimte in Nederland is schaars, dit geldt ook steeds meer voor onze ruimte onder maaiveld. Als gevolg van onze maatschappelijke opgave maken we intensiever gebruik van de natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de aanwezige voorraden. Denk hierbij aan het bouwen op een goed te funderen bodem, het winnen van grondwater voor onze drinkwatervoorziening en de seizoensopslag van warmte voor duurzame verwarming. Wel zijn we afhankelijk van de eigenschappen van deze bodem en ondergrond. Niet alle functies kunnen overal gerealiseerd worden in de ondergrond. Ook stelt de bodemeigenschappen randvoorwaarden aan het gebruik op maaiveld. Als provincie streven we naar goede geordende ondergrond waar voldoende ruimte is voor toekomstige opgave en waarbij het gebruik duurzaam en efficiënt plaatsvindt. De kern van ons beleid is dat we voor de driedimensionale laag grondwater de ondergrond steeds meer functies toekennen.

7.1 Doelen We streven naar een bodem in topconditie door bodem en ondergrond duurzaam en efficiënt te benutten en te beschermen. Er is een goede balans tussen benutten en beschermen van de bodem en ondergrond. Hierbij kan soms actief herstel op sommige locaties nodig zijn. Onze inzet is om de volgende trends om te buigen: •

•

•

Van degraderende bodems naar het vergroten van de bodemdiensten en -functies. Dit betekent de achteruitgang en verslechtering van onze bodems stoppen. En onze bodem, als onderdeel van het natuurlijk systeem, beter inzetten om onze opgave te realiseren. Van enkelvoudig naar meervoudig ruimtegebruik, waar het kan. In de ondergrond is het gebruikelijk om verschillend gebruik te scheiden. De inzet vanuit de Omgevingswet en Nota Ruimte is om de ruimte, ook ondergronds, optimaal en meervoudig te benutten. Waar het kan, zoeken we in de ondergrond naar het samengaan van functies die elkaar versterken of niet significant negatief beïnvloeden. Van bodem als grote onbekende naar inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen en duurzaam gebruik. Vanuit een idee van maakbaarheid verstoren we, veelal onbewust, verschillende bodemvormende lagen die nodig zijn voor een gezonde en vitale bodem. Ook hebben bodemvormende processen gezorgd voor een uniek landschap wat bijdraagt aan de identiteit van een gebied.

7.2 Rolverdeling In het schema op de volgende pagina worden de rollen en taken rond bodem en ondergrond kort omschreven.

77

Rijk • • •

Kaderstellend en regievoerend voor de ordening van de ondergrond. Dit via Structuurvisie Ondergrond (STRONG) en Nota nationale omgevingsvisie (NOVI)/Nota Ruimte Verantwoordelijk voor de vergunningverlening op basis van de Mijnbouwwet - ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) Verantwoordelijk voor de kennisontwikkeling en -deling over duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond

Provincie • • •

Goede ruimtelijke ordening ook voor de ondergrond en in het bijzonder voor de grondwaterlaag Verantwoordelijk voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving van open bodemenergiesystemen en deel van de ontgrondingen Adviesrecht voor mijnbouw activiteiten

Waterschappen •

Grondwaterbeheertaken kwaliteit en kwantiteit (weging van het waterbelang)

Gemeenten • • • •

Duurzame en efficiënte inrichting van de leefomgeving Het evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook onder maaiveld Ordening van de ondergrond en in het bijzonder de eerste meters Verantwoordelijk voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving Milieu Belastende Activiteiten waaronder gesloten bodemenergiesystemen

7.3 Uitwerking beleid Naast de wettelijke taken en verantwoordelijkheden verschuift de rol van de provincie meer naar een verbindende, initiërende en organiserende rol. Daarmee vormen we een schakel tussen enerzijds het landelijke en anderzijds het regionale en bovenlokale niveau. •

•

•

•

We implementeren landelijke beleidskaders en programma’s. Hierbij gaat het om de Omgevingswet, het nationaal programma bodem, ondergrond en grondwater en de beleidsbrief ‘Water en Bodem Sturend’; We zetten in op kennisontwikkeling en -deling. Dit is onderdeel van het nieuw te ontwikkelen landelijke kennis- en samenwerkingsnetwerk. Deze netwerken zijn gericht op kennisdeling, het vergroten van bewustwording en ze bieden deelnemers inspiratie; We versterken de beleidskaders voor de 3D/4D ordening van de ondergrond. We vergroten de bewustwording over 3D/4D denken en doen in de ruimtelijke ontwikkeling. Vanuit de lagenbenadering wordt ondergrond (3D) volwaardig meegenomen en afgewogen bij initiatieven en ontwikkelingen. Voor het bodem- en watersysteem is ook het tijdsaspect (4D) een belangrijke onderscheidende component; We stimuleren en reguleren de bijdrage van de bodem en ondergrond aan de energietransitie. We stimuleren het optimaal en veilig benutten van bodemenergiesystemen en geothermie en verkennen de mogelijkheden voor duurzame warmte en energieopslag in de ondergrond. Vanuit onze rol als bevoegd gezag voor open bodemenergiesystemen en onze verantwoordelijkheid voor drinkwater reguleren we de toepassing energiesystemen in de ondergrond. 78

•

•

We reguleren ontgrondingen in Overijssel. De winning van primaire bouwstoffen (zand, klei en grind) blijft nodig. Nationaal streven we naar een circulaire economie en daarmee de stimulering van hergebruik. Als bevoegd gezag voor een deel van de ontgrondingen zijn we een schakel in deze keten. Wij adviseren het ministerie Klimaat en Groene Groei bij mijnbouwactiviteiten. Dit doen we om de kwaliteit van de Overijsselse leefomgeving te borgen.

Onze inzet als provincie maken we concreet in een periodieke uitvoeringsagenda bodem en ondergrond.

7.3.1 We implementeren landelijke beleidskader en programma’s Het Rijk neemt een grotere regierol als het gaat om de ruimtelijke inrichting van Nederland en werkt dit voor bodem en ondergrond uit in de nationale programma’s ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’ en ‘Duurzaam Gebruik van de Diepe Ondergrond’. Aanvullend wordt de EUbodemmonitoringsrichtlijn in 2025 vastgesteld die nationaal geïmplementeerd moet worden. In samenwerking met andere provincies zorgen we voor een goede doorvertaling en uitvoering van de landelijke beleidskader. Hierbij maken we waar nodig gezamenlijk afspraken over deze implementatie en de benodigde middelen vanuit het Rijk.

7.3.2 We zetten in op kennisontwikkeling en -deling Niet alle structurerende keuzes uit de beleidsbrief ‘Water en Bodem Sturend’ zijn even praktisch toepasbaar. Ook is niet altijd helder hoe de kwaliteiten van de bodem zo optimaal mogelijk kunnen worden benut of beschermd. Daarom werken we samen met andere overheden aan kennisontwikkeling en -deling. We blijven de regionale kennisnetwerken Onder Twente en IJsselland Doorgrond versterken. Ook ontwikkelen we praktische handvatten voor gemeenten en omgevingsdiensten als het gaat om bodem en ondergrond in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Landelijk blijven we actief in nationale kennisnetwerken (zoals het platform bodemenergie) om nieuwe (wetenschappelijke) inzichten naar Overijssel te halen. Tot slot maken we kennisdeling mogelijk via de netwerken, faciliteren we cursussen voor medeoverheden en dragen we bij aan online leermogelijkheden via bijvoorbeeld de Bodembreedacademie.

7.3.3 We versterken de beleidskaders voor 3D/4D ordening van de ondergrond Daar waar nodig schrijven of schrappen we regels in onze omgevingsverordening om duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond te waarborgen. We stellen beleidsregels op voor onze taken als bevoegd gezag als dit bijdraagt aan de helderheid van onze uitvoering. En we versterken de bewustwording van 3D/4D denken en doen in de ruimtelijke ontwikkeling. Dit doen we onder andere in dit RWP en de activiteiten die hieruit voort vloeien, en via andere provinciale programma’s en ontwikkelingen. In onze omgevingsvisie is door Provinciale Staten de ladder van de ondergrond vastgelegd. De ladder geeft aan welke functie voorrang krijgt bij ruimtelijke ontwikkelen en het gebruik. De ladder betreft: 1. Drinkwater, 2. Energietransitie, 3. Tijdelijk gebruik, 4. Permanent gebruik, 5 Verboden activiteiten (o.a. schaliegas en opslag kernafval). In bijlage XV is een nadere toelichting gegeven op deze ladder en de 3D/4D ordening van de ondergrond. De komende jaren zetten we in op het ontwikkelen en verankeren van de beleidskaders voor het duurzaam en efficiënt gebruik van de ondergrond. De komende jaren betreft de inzet: • 3D begrenzen van beschermingszones (o.a. grondwaterbeschermingszones). 79

• • •

Uitwerking van provinciale beoordelingskaders voor midden- en hoge temperatuur opslag De samenloop tussen bescherming en winning van drinkwater en die van geothermie en indien nodig bodemenergiesystemen. Betere 3D registratie van milieubelastende activiteiten waarvoor de provincie bevoegd gezag is.

7.3.4 We stimuleren en reguleren de bijdrage van de bodem en ondergrond aan de energietransitie Om onze doelstellingen op het gebied van energietransitie te realiseren, stimuleert de provincie de inzet van warmtetechnieken die gebruik maken van de ondergrond. Voor technieken zoals bodemenergiesystemen, geothermie, warmteopslag en energiegassen kijkt de provincie naar manieren waarop de bodem en ondergrond veilig en verantwoord kunnen worden benut en beschermd. Dit betekent dat de provincie Overijssel kijkt naar de mogelijkheden en randvoorwaarden die voortkomen uit de eigenschappen van de ondergrond en het gebruik op het maaiveld. Naast de geschiktheid van de ondergrond houden we rekening met andere gebruiksfuncties in de ondergrond. Denk hierbij aan het niet doorboren van bepaalde lagen ter bescherming van de grondwaterkwaliteit en drinkwaterbronnen. Ook is het belangrijk om een afweging te maken tussen meerdere beschikbare technieken. In deze afweging spelen onder andere efficiëntie, impact op de ruimtelijke ordening zowel boven- als ondergronds, organisatorische complexiteit, eisen aan bebouwing, elektriciteitsgebruik, randvoorwaarden van de locatie, koeling, temperatuurregime en de duur van mogelijke ondergrondse opslag een belangrijke rol. Opslag van warmte en koude kan, mits juist gedimensioneerd, langdurig worden ingezet bij het verwarmen en koelen van gebouwen.

Bij geothermie wordt warmte op diepte gewonnen, waarbij de opbrengst op termijn kan afnemen. Het ontwerp voor geothermie houdt rekening met een minimale levensduur van 30 jaar. Vanuit duurzaam gebruik en zuinig omgaan met ruimtegebruik geven we de voorkeur aan collectieve systemen boven individuele (warmte)systemen. Daarom stimuleren we vooral de ontwikkeling van geothermie en open bodemenergiesystemen. Als provincie faciliteren we gemeenten bij het opstellen van deze bodemenergieplannen. Bij onze vergunningverlening voor open bodemenergiesystemen toetsen we aan het bodemenergieplan van de gemeente. Dit is via een beleidsregel voor open bodemenergiesystemen onder bodemenergieplannen verankerd.

7.3.5 We reguleren ontgrondingen in Overijssel Met dit RWP actualiseert de provincie Overijssel het ontgrondingenbeleid van 2005. Deze actualisatie houdt rekening met de noodzaak van de winning van delfstoffen, maar ook met de vitaliteit van het natuurlijke systeem en de landschappelijke kwaliteit. Het beleid bouwt voort op de wijzigingen in het wettelijke kader als gevolg van de Omgevingswet. Het fundament voor een adequaat ontgrondingenbeleid voor Overijssel bestaat uit vier pijlers: - Pijler 1 - Balans tussen benutten en beschermen - Pijler 2 - Waardecreatie bij ruimtelijke ingrepen - Pijler 3 - Integratie van ontgrondingenbeleid binnen het bredere kader van ruimtelijke ontwikkeling 80

-

Pijler 4 - Duurzaamheid en circulariteit

In bijlage XVI is het beleidskader met de vier pijlers nader uitgewerkt. Als provincie zijn we bevoegd gezag voor een deel van de ontgrondingen. Daarnaast is met de Omgevingswet voor sommige situaties de gemeente het bevoegd gezag. Onze toetsingskaders leggen we vast via de instrumenten van de Omgevingswet. Ook ondersteunen we als provincie de gemeenten bij deze nieuwe taak.

7.3.6 Wij adviseren het ministerie Klimaat en Groene Groei bij mijnbouwactiviteiten Bij mijnbouwvergunningen adviseren wij het ministerie van Klimaat en Groene Groei. Mijnbouwactiviteiten kunnen plaatsvinden mits de risico’s aanvaardbaar en beheersbaar blijven. Het gaat hierbij om risico’s in de breedste zin van het woord. Waar wij bevoegd gezag zijn, zoals bij natuurbescherming, grondwaterbescherming en gebiedsgerichte coördinatie, voeren wij zelf een interne toetsing uit. De uitkomsten hiervan nemen wij op in onze adviezen aan het ministerie. Waar het gaat om risico’s waarvoor wij geen bevoegd gezag zijn, beoordelen wij de adviezen van SodM en TNO aan KGG. Voorbeelden hiervan zijn risico’s op bodemtrilling, bodemdaling en bodemverontreiniging. Als er bij ons toch sprake is van enige twijfel over de risicobeoordelingen, nemen wij contact op met de betreffende instanties. Als na dit contact nog steeds twijfel bestaat, nemen wij deze op in onze adviezen aan het ministerie. Mijnbouwactiviteiten liggen vaak gevoelig bij omwonenden. Om misvattingen te voorkomen is open communicatie over de mijnbouwactiviteit van groot belang. Wij zetten in onze adviezen altijd in op open communicatie en transparantie over de mijnbouwactiviteit met als doel het welzijn van de omgeving te beschermen.

7.4 Wat verwachten wij van onze partners •

•

Om de maatschappelijke opgaven van onze tijd aan te pakken, waaronder het duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, is het noodzakelijk om de schotten tussen sectorale dossiers te laten vallen. Hierbij zijn samenwerking tussen medeoverheden en investeringen vanuit alle overheden essentieel. Dit elke partner vanuit de eigen ambities, opgaven en verantwoordelijkheden. De omgevingsvisie, -verordening en -plan worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd waardoor een afgewogen en samenhangend beleidskader ontstaat voor inwoners en initiatiefnemers. Dit is een continu proces waarbij we streven naar optimalisatie; Gezamenlijke kennisontwikkeling en -doorwerking en -overdracht. Vanuit een goede regionale/lokale vraagarticulatie worden kennisvragen landelijk uitgezet of kennisproject uitgevoerd. Ook wordt de regionale kennis versterkt met kennis die elders in Nederland al beschikbaar is.

7.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen Dit onderwerp heeft raakvlakken met drinkwater, bodemkwaliteit, grondwaterkwantiteit en -kwaliteit en met klimaatadaptatie. Buiten de reikwijdte van het RWP heeft dit onderwerp sterke raakvlakken met de volgende opgaven en werkvelden: landbouw (vitale landbouwbodem, verdichting), ruimtelijke ordening (water en bodem sturend, landschap), woningbouw (water en bodem sturend, vitale 81

stadsbodem, afdekking van bodem, verduurzaming woningen), natuur (gezonde en vitale bodem en bodemecologie), energietransitie (bodemenergiesystemen/geothermie en kabels en leidingen), delfstofwinning (zout en gas), cultuurhistorie (archeologie en aardkundige waarden).

82

8 Waterveiligheid en wateroverlast Overijssel bestaat voor een groot deel uit laaggelegen gebieden die kunnen overstromen vanuit het landelijke en regionale oppervlaktewater. De KNMI Klimaatscenario's 2023 geven aan dat toenemende extremen te verwachten zijn die impact hebben op zowel het hoofd- als regionale watersysteem. Klimaatverandering zorgt voor extremere rivierafvoeren (zowel hoog- als laagwater) en een stijgende zeespiegel die doorwerkt in het IJsselmeer. Daarnaast krijgen we te maken met zowel langdurigere natte als droge perioden, in combinatie met kortdurende piekbuien. Dit laatste manifesteerde zich in de zomer 2024 in Twente, waar wijken in Enschede onder water liepen en de A1 bij De Lutte overstroomde. We zetten via meerlaagsveiligheid in op de bescherming van Overijssel tegen overstroming en extreme wateroverlast. Daarvoor werken we samen met Rijkswaterstaat en waterschappen als water(kering)beheerders, de gemeenten en de veiligheidsregio’s. De provincie wil via het omgevingsbeleid voldoende ruimte vrijhouden om de extremen in het watersysteem op te vangen en de gevolgen hiervan te beperken.

8.1 Doelen Hoofddoel is het beschermen van Overijssel tegen overstromingen en wateroverlast door het creëren van ruimte voor een robuust watersysteem inclusief waterkeringen. De Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR) is eind 2007 in werking getreden en in 2009 opgenomen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Het belangrijkste doel is de beperking van de gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van mensen, het milieu en cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid. Het Deltaprogramma streeft voor 2050 naar een waterrobuust Nederland, waarbij optimale waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid als doel centraal staan en klimaatadaptatie als middel wordt ingezet om gevolgen van extreem weer beheersbaar te houden. Als doel voor waterveiligheid geldt dat er voor iedereen achter de dijken een maximale kans van 10^6 is om te overlijden door een overstroming. In ons provinciale omgevingsbeleid houden we rekening met risico's vanuit waterveiligheid en wateroverlast door kaderstellende normering, ruimte te bieden voor waterafvoer en -berging, en het nastreven van een klimaatrobuuste locatiekeuze, gebiedsinrichting en bouwwijze. Vanuit onze wettelijke taken, zetten we in op de volgende doelen: •

•

Het (achterliggend) gebied beschermen tegen onaanvaardbare maatschappelijke schade door overstromingen vanuit het hoofd- en regionale watersysteem. Dat betekent: o Primaire waterkeringen voldoen uiterlijk in 2050 aan de landelijk bepaalde normen vanuit de Omgevingswet. De provincie is coördinerend bevoegd gezag voor goedkeuring van dijkversterkingsplannen. o Regionale keringen voldoen uiterlijk in 2050 aan de in de omgevingsverordening vastgelegde norm. Het voorkomen of beperken van ontoelaatbare wateroverlast door overstroming vanuit oppervlaktewater door langdurige neerslag. Het bergend vermogen van het oppervlaktewatersysteem is nu en in de toekomst voldoende als maatregel tegen verdroging en tegelijkertijd om piekafvoeren te kunnen opvangen. Dit bereiken we door in onze omgevingsverordening omgevingswaarden op te nemen voor het voorkomen of beperken 83

•

van wateroverlast, en tevens te onderzoeken hoe we de normering op termijn meer klimaatadaptief kunnen maken. Ontwikkelingen beter laten aansluiten bij de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Kwetsbare plekken zoals beekdalen, zones rond waterkeringen en laaggelegen gebieden worden zoveel mogelijk vermeden. Nieuwe ontwikkelingen vragen op dergelijke locaties een zwaardere inspanning om klimaatadaptief te zijn; we willen de waterschappen dan ook vroegtijdig bij de planvorming betrekken.

8.2 Rolverdeling In Nederland zijn de wettelijke taken voor waterbeheer verdeeld over verschillende partijen. In onderstaande afbeelding worden de wettelijke rollen en taken rond waterveiligheid en wateroverlast kort omschreven.

Figuur 19. Waterbeheertaken

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Wateroverlast van gebieden door intense neerslag (huis/landeigenaar) Hoge grondwaterstanden – waterschap, gemeente, provincie Overbelasting van het riool door hemelwater – gemeente Overstroming vanuit regionaal oppervlaktewater – waterschap en provincie Overstromen/bezwijken regionale waterkering – waterschap en provincie Overstromen/ bezwijken primaire waterkering – rijk, waterschap en provincie Overstromen buitendijks gebied – rijk, waterschap en gemeenten

84

Provincie • Stelt overstromingsgevaar en –risicokaarten vast ten behoeve van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR). • Keurt HWBP-projectplannen voor primaire keringen goed en coördineert de vergunningverlening van bijvoorbeeld Wet Natuurbeheer. • Wijst regionale waterkeringen aan en bepaalt hiervoor de waterveiligheidsnormen. • Bepaalt de normering voor regionale wateroverlast als basis voor zorgplicht waterschappen. • Is op provinciaal niveau verantwoordelijk voor Omgevingsbeleid / 2e laag Meerlaagsveiligheid (‘Water en Bodem Sturend’). • De Commissaris van de Koning is bevoegd gezag bij zeer omvangrijke calamiteiten. Rijk • Bepaalt normen voor de sterkte van primaire en niet-primaire (regionale keringen) in beheer van Rijkswaterstaat. • Is verantwoordelijk voor beheer, onderhoud, toetsing en versterking van de door hen beheerde (niet-)primaire waterkeringen en kunstwerken zoals langs de Twentekanalen en de Ramspolkering. • Is verantwoordelijk voor regelgeving in buitendijkse gebieden langs hoofdwatersysteem. Waterschap • Toetst de waterkeringen aan de door rijk en provincie bepaalde normen. • Is verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud en versterking van primaire en regionale waterkeringen, uitgezonderd de door het rijk beheerde primaire keringen.

• Hebben een zorgplicht en inspanningsverplichting op het vlak van het voorkomen van wateroverlast: o Toetsen elke 12 jaar de omgevingswaarde wateroverlast van de leggerwaterlopen (instructieregel in de provinciale omgevingsverordening). o Actualiseren elke zes jaar de kaart Normering Regionale Wateroverlast en rapporteren hierover aan de provincie. • Zorgt voor inrichting en beheer van het regionale watersysteem waaronder waterbergingsgebieden Gemeente • Is op gemeentelijk niveau verantwoordelijk voor Omgevingsbeleid / 2e laag Meerlaagsveiligheid (‘Water en Bodem Sturend’) Veiligheidsregio’s •

Zijn conform Wet Veiligheidsregio (artikel 10) verantwoordelijk voor rampenbestrijding en crisisbeheersing, zoals hulpverlening bij overstromingen en extreme wateroverlast.

8.3 Uitwerking beleid 8.3.1 Meerlaagsveiligheid Ons (hoofd)watersysteem is tegenwoordig vooral ingericht op het zo snel mogelijk afvoeren van water, bijvoorbeeld door het rechttrekken van rivieren en beken, die van nature juist meanderen, of het op grote schaal ontwateren van gronden. Om overstromingen en de gevolgen daarvan te beperken wordt door verschillende overheden samengewerkt bij het voorkomen van overstromingen (preventie), het realiseren van een waterrobuuste locatiekeuze en ruimtelijke inrichting (gevolgbeperking) en de optimalisatie van de crisisbeheersing inclusief nazorg en herstel. Deze lagen vormen samen de basis van meerlaagsveiligheid.

85

Figuur 20. Meerlaagsveiligheid

Het eindadvies van de Beleidstafel Hoogwater & Wateroverlast (2022) (opgesteld naar aanleiding van de extreme neerslageffecten in Zuid-Limburg) heeft het conceptuele model van meerlaagsveiligheid (bestaande uit laag 1 t/m 3) met twee lagen uitgebreid. Meerlaagsveiligheid bestaat nu uit de volgende lagen: Waterbewustzijn (laag 0)

Hierbij begint al het handelen van burgers, bedrijven en overheden, voorafgaand en tijdens het optreden van klimaatextremen. Door vergroot waterbewustzijn is de maatschappij beter voorbereid op klimaatextremen. Preventie (laag 1) Het beperken van de kans op overstromingen en wateroverlast. Deze laag wordt gevormd door het creëren van voldoende ruimte voor het oppervlaktewatersysteem en robuuste waterkeringen die het achterland beschermen tegen overstromingen. Rijkswaterstaat en waterschappen hebben hier als water(kering)beheerders de belangrijkste rol.

Gevolgbeperking (laag 2) Het beperken van schade en het zoveel mogelijk voorkomen van maatschappelijke ontwrichting in de voorbereidende ‘koude fase’ van crisisbeheersing en rampenbestrijding, door middel van een klimaatrobuuste locatiekeuze en inrichting van de leefomgeving. Op dit vlak vervullen provincies en gemeenten de grootste rol.

Crisisbeheersing (laag 3) Het zoveel mogelijk voorkomen van maatschappelijke ontwrichting tijdens een crisis ('warme fase'). De veiligheidsregio’s en de door hen opgestelde calamiteitsplannen staan centraal in deze laag van meerlaagsveiligheid.

Klimaatrobuust herstel (laag 4) Het herstellen van de leefomgeving nadat een crisis is opgetreden, op zo'n manier dat wordt bijgedragen aan het matigen van negatieve klimaateffecten. Bij vergelijkbare volgende gebeurtenissen ontstaat hierdoor minder schade en minder maatschappelijke ontwrichting. 86

Ontwikkelen waterbewustzijn (laag 0) Ondersteund door de een vanuit het ministerie van I&W gestuurde landelijke aanpak (Ons Water) kunnen gemeenten en waterschappen en de onderwijssector specifiek en per doelgroep bewustzijn creëren, handelingsperspectief bieden en gedragsverandering realiseren. Belangrijkste actiehouders zijn waterschappen, (rivier)gemeenten en achterliggende koepels UvW en VNG in samenwerking met de veiligheidsregio’s. Preventie via waterkeringen en ruimte voor het watersysteem (laag 1) Het IJsselmeer en de daarin uitmondende IJssel, Zwarte Water en Vecht vallen onder het door Rijkswaterstaat beheerde landelijke hoofdwatersysteem. In Overijssel ligt langs het landelijke hoofdwatersysteem ongeveer 250 kilometer aan primaire waterkeringen, die het Rijk in 2017 (opnieuw) heeft aangewezen en genormeerd. Vrijwel alle primaire waterkeringen liggen in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta. In het beheergebied van de waterschappen Rijn & IJssel en Vallei & Veluwe gaat het om enkele kilometers primaire keringen. Waterschappen toetsen de keringen, zorgen voor beheer en onderhoud en regelen versterking via het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De provincie keurt de door de waterschappen voorbereide projectbesluiten van HWBP-trajecten goed, en is daarbij verantwoordelijk voor coördinatie van vergunningverlening.

De provincie kijkt onder meer naar ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie en natuur. Uit de eerste landelijke beoordelingsronde van primaire keringen (2017-2022) blijkt dat vrijwel nergens in Nederland wordt voldaan aan de normen. Ook in Overijssel is sprake van een grote versterkingsopgave; slechts een kwart voldoet aan de norm die in 2050 gehaald moet worden. De komende decennia worden ook hier veel nieuwe HWBP-projecten voor dijkversterking opgestart. Behalve dijkversterking kan meer ruimte voor het watersysteem bijdragen aan waterveiligheid. Na de extreme hoogwaters van 1993 en 1995 is het programma Ruimte voor de Rivier gestart. Onder meer bij Veessen-Wapenveld en het Reevediep is ruimte voor de IJssel gecreëerd. Bij Deventer is een ruimtelijke reservering vastgelegd, maar nog niet ingevuld. Het nieuwe programma Ruimte voor de Rivier 2.0. onderzoekt hoe lage en hoge rivierafvoeren het beste via de verschillende Rijntakken afgewikkeld kunnen worden. De hieruit voortkomende inzichten worden verwerkt in de te herijken voorkeursstrategie van het Deltaprogramma Rijn (najaar 2026). Op meer regionale schaal zijn de waterschappen en aanliggende gemeenten betrokken bij het programma Ruimte voor de Vecht.

Ongeveer 110 kilometer aan regionale waterkeringen bieden bescherming tegen overstromingen vanuit het regionale watersysteem van Meppelerdiep, Sallandse Weteringen en wateren rondom de Kampereilanden. Tussen 2018 en 2023 hebben Provinciale Staten de regionale keringen (opnieuw) aangewezen, genormeerd en voorzien van maatgevende waterstanden ten behoeve van de toetsing, die in 2027 moet zijn afgerond. Uiterlijk 2050 moeten de keringen aan de norm voldoen. Alleen waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) heeft Overijsselse regionale keringen in beheer. WDOD is verantwoordelijk voor toetsing, beheer, onderhoud en eventuele versterking. In Figuur 21 staan de primaire en regionale waterkeringen weergegeven.

87

Figuur 21. Primaire en regionale waterkeringen.

Gevolgbeperking via ruimtelijk beleid (laag 2) Waterkeringen kunnen falen en overstromingen veroorzaken waarbij de waterveiligheid in het geding is. Ook kan bij langdurige neerslag aanzienlijke wateroverlast optreden in gebieden langs het oppervlaktewatersysteem die niet door dijken beschermd zijn. De Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR) verplicht lidstaten om gebieden met een ‘potentieel significant overstromingsrisico’ te benoemen. De provincie heeft als taak om elke zes jaar overstromingsgevaar en –risicokaarten van deze gebieden te maken, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar verschillende kansklasses, variërend van 1/10 jaar (grote kans) tot 1/10000 (extreem kleine kans). Risico’s op overstroming zijn in te zien op de Atlas voor de Leefomgeving en www.risicokaart.nl.

88

De Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR) is in 2009 opgenomen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Het belangrijkste doel is het beperken van de gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van mensen, het milieu en cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid. Concreet verplicht de ROR de lidstaten tot het maken van vier producten: ▪ ▪ ▪ ▪

Voorlopige risicobeoordeling (VORB) Overstromingsgevaarkaarten Overstromingsrisicokaarten Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP)

In de VORB worden gebieden met een potentieel significant overstromingsrisico vastgesteld. In de aankomende ROR-cyclus worden ook alle gebieden langs onbedijkte regionale wateren beschouwd. Deze aanscherping komt rechtstreeks voort uit de aanbevelingen van de Landelijke Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater, die naar aanleiding van de zeer extreme regionale wateroverlast in 2021 Zuid-Limburg is ingesteld. De overstromingsgevaar- en risicokaarten vormen de basis voor het vaststellen van doelen en maatregelen in de overstromingsrisicobeheerplannen. In een overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijven de Europese lidstaten de doelstellingen en de daaraan gekoppelde maatregelen voor het beheer van overstromingsrisico's in de stroomgebieden. De risicobeheerplannen zijn in 2022 in werking getreden en worden in 2028 opnieuw vastgesteld. We streven naar zoveel mogelijk synergie tussen de Richtlijn Overstromingsrisico's en Kaderrichtlijn Water. Beide richtlijnen maken onderdeel uit van het Nationale Waterprogramma. In het Waterbesluit en de Wet veiligheidsregio's is vastgelegd dat Gedeputeerde Staten zorgdragen voor de productie, actualisatie en elektronische publicatie van overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten. De kaarten worden ten minste eenmaal in de zes jaar herzien. De kaarten voor heel Nederland staan op www.risicokaart.nl.

Voor meer informatie over de ROR zie de website van IPLO.

Het oppervlaktewatersysteem in Overijssel is niet overal ingericht op het vasthouden of bergen van water, maar juist op snelle afvoer. Extreme en langdurige neerslag kan snel leiden tot wateroverlast, zowel in bebouwde gebieden, natuurgebieden als in agrarisch landschap. Een recent voorbeeld is de extreme regionale wateroverlast in Zuid-Limburg in 2021. Deze gebeurtenis is aanleiding geweest om het uitvoeren van bovenregionale stresstesten wateroverlast (zie paragraaf 8.3.3.) landelijk op de agenda te zetten en de coördinatie hiervan bij de provincies te beleggen. In de omgevingsverordening zijn normen bepaald voor gebieden waarbij de maximaal toelaatbare kans op wateroverlast door extreme neerslag is gerelateerd aan de economische waarde van het landgebruik en de te verwachten schade. Vormen van landgebruik die worden onderscheiden zijn: grasland, akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd gebied. De overlastnormen variëren van 1/10 jaar voor grasland tot 1/100 voor bebouwd gebied. Voor bepaalde gebieden gelden uitzonderingen. Normvrije gebieden zijn over het algemeen heel laag of hoog gelegen (natuur)gebieden waar wateroverlast geen probleem is, of niet aan de orde is. De waterschappen zijn als onderdeel van hun zorg- en inspanningsplicht aan zet om ervoor te zorgen dat deze normen gehaald worden.

De omgevingsverordening biedt mogelijkheden om af te wijken van normen, bijvoorbeeld via een ander maaiveldcriterium.

89

Figuur 22. Watergebiedsreserveringen volgens onze vigerende omgevingsverordening.

In de omgevingsverordening zijn watergebiedsreserveringen gedaan voor vijf gebiedstypen waar zich overstromingen en wateroverlast kunnen voordoen (zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Hier w orden via het ruimtelijk spoor voorwaarden gesteld om de schade zoveel mogelijk te beperken. Primaire watergebieden en waterbergingsgebieden zijn gebieden waarin water in extreme situaties kan worden vastgehouden om te voorkomen dat waterafvoersystemen overbelast raken, en wateroverlast optreedt op plekken waar dit meer schade toebrengt. Primaire watergebieden lopen bij hevige neerslag, soms ook in combinatie met zeer hoge IJsselstanden zoals oostelijk van Deventer, relatief gemakkelijk onder water door hun lage ligging. Waterbergingsgebieden zijn door waterhuishoudkundige kunstwerken geschikt gemaakt zijn voor wateropvang. Omgevingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen (en de vrijwaringszones) in het oppervlaktewatersysteem mogen alleen nieuwe ontwikkelingen toestaan wanneer de waterafvoer niet wordt beperkt en de toekomstige verruiming voor afvoer en berging van water mogelijk blijft. Overstromingsrisicogebieden zijn niet beschermd door primaire keringen en liggen daarmee wettelijk buitendijks. In Overijssel gaat het om de Kampereilanden in gemeenten Kampen en Zwartewaterland. De Kampereilanden worden beschermd door regionale waterkeringen. Buitendijkse 90

gebieden langs de grote rivieren en IJsselmeer zijn in onze omgevingsverordening niet als overstromingsrisicogebied bestempeld; voor dit beperkingengebied gelden rijksregels die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn opgenomen. Voor buitendijkse ontwikkelingen moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat. Dit geldt ook voor de Kampereilanden, waar nog nadere afstemming loopt tussen het Rijk, provincie, waterschap en gemeenten over de recente actualisatieslag van de Beleidslijn Grote Rivieren. Voor de buitendijkse delen van het Zwarte Water, de Vecht en de Schipbeek gelden daarnaast beperkingen vanuit de beherende waterschappen. In primaire watergebieden en waterbergingsgebieden mag worden gebouwd mits hierdoor het waterbergend vermogen niet wordt aangetast. Daarbij geldt wel dat nieuwe kapitaalintensieve functies zoals woonwijken, bedrijventerreinen en glastuinbouwlocaties zoveel mogelijk worden geweerd in verband met schadekosten. In overstromingsrisicogebieden geldt dat nieuwe kapitaalintensieve functies worden geweerd in verband met het overstromingsrisico. Samengevat houden wij via onze omgevingsverordening rekening met waterveiligheid en wateroverlast door het aanwijzen en actueel houden van genoemde watergebiedsreserveringen.

Aan ontwikkelingen in deze gebieden worden voorwaarden gekoppeld; zowel de gebieden als de instructieregels worden de komende jaren in afstemming met de meerlaagsveiligheidspartners geëvalueerd en mogelijk geactualiseerd. Crisisbeheersing (laag 3) Het overstroombaar gebied omvat grofweg de westelijke helft van Overijssel. Hieronder vallen zowel uiterwaarden, onbedijkte gebieden langs het oppervlaktewatersysteem, als ook door dijken beschermde gebieden. Deze zone kan – afhankelijk van de specifieke locatie – regelmatig of juist alleen in zeer extreme situaties getroffen worden door overstroming, waarbij de overstromingsdiepte sterk varieert. Het is gewenst dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied nadenken over maatregelen die getroffen kunnen worden om bebouwing te beschermen tegen onderlopen, inwoners te kunnen evacueren of belangrijke functies veilig te stellen. Als er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om nieuwe stedelijke functies toe te voegen, dient meerlaagsveiligheid ook op langere termijn gegarandeerd te zijn. Dit kan door de gebiedsinrichting of bouwwijze hierop aan te passen.

Het gaat bijvoorbeeld over vluchtlocaties, evacuatieroutes, ophoging van gebieden of wegen, bescherming van vitale infrastructuur en kwetsbare objecten, bescherming van lokale dijken en kades die de gevolgen van een overstroming kunnen beperken of geleiding van water naar gebieden waar het minder schade veroorzaakt. Onze omgevingsverordening schrijft voor dat een overstromingsrisicoparagraaf wordt opgenomen in de toelichting bij omgevingsplannen die nieuwe ontwikkelingen in overstroombaar gebied mogelijk maken. De Veiligheidsregio's IJsselland en Twente zijn verantwoordelijk voor rampenbestrijding en de crisisbeheersing, en daarmee ook voor de hulpverlening in geval van overstromingen en extreme wateroverlast. Daarvoor zijn draaiboeken voorhanden, en wordt samengewerkt met gemeenten, Rijkswaterstaat, waterschappen en de provincie. In en rond het overstromingsrisicogebied de Kampereilanden en de IJsselkeringen in Kampen wordt hier jaarlijks mee geoefend. De Commissaris van de Koning is bevoegd gezag bij zeer omvangrijke calamiteiten. Veiligheidsregio’s worden als belangrijkste actiehouder voor crisisbeheersing betrokken bij zowel de regionale klimaatstresstesten van DPRA regio’s als de bovenregionale stresstest wateroverlast in het 91

stroomgebied van de Vecht. Daarin is er de nodige aandacht voor blijven functioneren van vitale en kwetsbare functies, waaronder hulpverleningsassets als ambulance- en brandweerposten en ziekenhuizen. Aanvullend wil Veiligheidsregio IJsselland - mogelijk samen met DPRA regio RIVUS - een realistische evacuatiestrategie opstellen, waarin zowel grootschalige evacuatie als bereikbaarheid van shelters worden meegenomen. Het is van groot belang dat alle lagen van meerlaagsveiligheid worden meegenomen. Overijssel pakt hierin haar rol als (mede)vertegenwoordiger van de 2e laag. Klimaatrobuust herstel (laag 4) Schade door overstroming van niet-primaire waterkeringen en regenval wordt bij steeds meer verzekeraars gedekt, in tegenstelling tot schade na falen van een primaire waterkering. In het geval van een ramp met veel schade kan beroep worden gedaan op de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Het ministerie van IenW is in gesprek met Rijkswaterstaat om de bij hen in beheer zijnde assets bij herstel klimaatrobuust terug te bouwen. Deze aanpak kan op termijn verbreed worden naar overige infrabeheerders zoals gemeenten en provincies.

8.3.2 Ruimtelijk afwegingskader en structurerende keuzes De locatiekeuze van ontwikkelingen is belangrijk om in de toekomst wateroverlast te voorkomen. Het Rijk heeft daarom een Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld, waaruit opgemaakt kan worden waar vanuit klimaatoogpunt beter wel of niet (danwel hoe) te bouwen. Dit kaartbeeld is nadrukkelijk ter verdere uitwerking aan de regio. In deze kaart is onder meer aandacht voor beekdalen, buitendijkse gebieden, zones langs waterkeringen, laagste gebieden in polders, veenweidegebieden, moerige gronden of inklinkende kleigronden. Water en bodem sturend is een van de leidende principes in de omgevingsvisie. Wij willen in ons omgevingsbeleid bij zowel locatiekeuze, gebiedsinrichting als bouwwijze beter rekening houden met waterveiligheid en regionale wateroverlast. De hoofdlijnen hiervan zijn als volgt samen te vatten: • • • • • •

We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer; In uiterwaarden willen we - in lijn met de Beleidslijn Grote Rivieren - geen nieuwe bebouwing meer toestaan; We houden rekening met toekomstige ruimtevraag voor dijkversterking van zowel primaire als regionale waterkeringen; We reserveren 5-10% van de diep(st)e polders voor waterberging; hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan tenzij het waterbergend vermogen niet wordt aangepast; We maken risico’s van overstroming en wateroverlast medesturend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw; We zetten in op grootschalig herstel van beekdalen, met als doelen het verbeteren van waterkwaliteit, natuur, grondwaterstand, groenblauwe dooradering en waterberging

8.3.3 Bovenregionale stresstest wateroverlast In de zomer van 2021 werd Limburg zwaar getroffen door wateroverlast. Naar aanleiding hiervan is de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater ingesteld. In het eindadvies werd ingegaan op de noodzaak om in heel Nederland bovenregionale stresstesten uit te voeren en daarin vooral ook aandacht te besteden aan het voorkomen van uitval van vitale en kwetsbare functies.

92

De bovenregionale stresstesten zijn verbonden met lokale en regionale stresstesten in DPRA-verband en andere trajecten zoals het hoofdwatersysteem en het programma Vitaal. Ze zijn gebaseerd op een extreme neerslaggebeurtenis, zoals die van juli 2021 in Limburg, België en Duitsland. Regio's kunnen deze aanvullen met gebiedsrelevante gebeurtenissen voor een gedetailleerder beeld. Aan provincies is gevraagd de coördinatie op zicht te nemen; in het stroomgebied van de Vecht is de handschoen opgepakt door Overijssel en Drenthe. Doel is om beter voorbereid te zijn op extreme wateroverlast en om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Waterschappen zijn via modellering leidend in het opstellen van de waterbeelden als eerste fase van de bovenregionale stresstest. Waterbeelden zijn de input voor de twee fase (gevolganalyse) waarin een beeld ontstaat van de economische schade, aantal getroffen mensen en mogelijk uitval van vitale objecten.

8.3.4 Vitale en kwetsbare functies Vitale en kwetsbare functies zoals elektra, gezondheidszorg en drinkwater zijn van groot maatschappelijk belang; doorfunctioneren ten tijde van overstroming en wateroverlast is van groot belang om ontwrichting te voorkomen. Nieuwe vitale assets met een belangrijke functie binnen hiërarchische netwerken (zoals elektra en telecom) willen we niet toestaan in gebieden met substantieel risico op overstroming of wateroverlast. Groot onderhoud en uitbreiding van bestaande assets zou moeten worden aangegrepen om locaties en objecten via gebiedsinrichting en aanpassing van bouwwijze waterrobuuster te maken. Het middel om tot dit doel te komen is in eerste instantie het opstarten van regionale gesprekken met het bevoegd gezag (veelal ministeries) en de beheerders van deze functies. Dit willen we agenderen in de nieuwe zesjarige cyclus (2025-2030) van regionale klimaatstresstesten en risicodialogen in de vier DPRA-werkregio's in Overijssel, en in de hiervoor beschreven bovenregionale stresstesten wateroverlast.

8.3.5 Inzet in landelijke (delta)programma’s Vanuit het Nationale Deltaprogramma zijn in 2015 verschillende regionale voorkeursstrategieën en deltabeslissingen opgesteld, die zes-jaarlijks worden herijkt. De eerstvolgende herijking vindt plaats in het Deltaprogramma 2027. Wij werken als regionale stakeholder mee aan actualisatie van voorkeursstrategieën van de Deltaprogramma's Rivieren en IJsselmeergebied en participeren in de aanpak van Ruimte Voor de Rivier 2.0. Daarbij kijken we verder dan het jaar 2050 en ruimer dan alleen naar waterveiligheid; ook interactie met natuur, bevaarbaarheid, economie en ruimte wordt meegenomen. Daarnaast is zoetwaterbeschikbaarheid een belangrijk doel; er is een sterke relatie met de herijking van de voorkeursstrategie Deltaprogramma Zoetwater vanwege aanvoer naar het IJsselmeer en de zoetwatervoorziening van hoger Oost-Nederland via Twentekanaal. De belangrijkste Overijsselse items vanuit het Deltaprogramma zijn hoe in de toekomst de afvoerverdeling over de verschillende Rijntakken bij zowel laag- als hoogwater gaat plaatsvinden, en hoe het IJsselmeer gaat meebewegen met de zeespiegelstijging. Naar verwachting zal de IJssel een grotere rol krijgen in het verwerken van extreem hoogwater en is een (beperkte) stijging van het IJsselmeerpeil onontkoombaar.

De waterveiligheidsopgave in de IJsselvechtdelta als overgangsgebied tussen IJsselmeer en de grote rivieren neemt duidelijk toe, mogelijk kan dit leiden tot ruimtelijke claims op binnendijkse gebieden. Op bovenregionale schaal en deels ook internationale schaal willen wij in het deelstroomgebied RijnOost en bij onze Duitse (regionale) partners het belang van een robuust en veilig watersysteem agenderen met daarbij een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten. 93

8.3.6 Normering waterveiligheid Het Rijk heeft in 2017 nieuwe normen voor primaire waterkeringen vastgesteld. Uit de eerste landelijke beoordelingsronde bleek dat in het grootste deel van Nederland niet voldaan wordt aan de normen. Met het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) wordt toegewerkt naar de gewenste situatie in 2050. De provincie (GS) is bevoegd gezag om de door de waterschappen vastgestelde projectbesluiten voor versterking van primaire keringen goed te keuren. Daarbij kijken we vooral naar onze kerntaken als ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie, natuur en mobiliteit. De provincie heeft via de omgevingsverordening regionale keringen aangewezen en genormeerd langs het Meppelerdiep en de Sallandse Weteringen. Aanvullend zijn ter bescherming van de buitendijks gelegen Kampereilanden de omliggende regionale keringen aangewezen en genormeerd. Evenals bij de primaire keringen is 2050 hier het richtjaar. In 2023 zijn de bijbehorende maatgevende waterstanden voor toetsing vastgesteld. De toetsing hiervan vindt uiterlijk in 2027 plaats.

8.3.7 Normering wateroverlast Wij hebben in de omgevingsverordening een kaart met omgevingswaarden voor regionale wateroverlast opgenomen. Deze kaart is bepalend voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht. De omgevingswaarde bepaalt hiermee de zorgplicht en inspanningsverplichting voor waterschappen. Waterschappen toetsen via watersysteemanalyses of voldaan wordt aan de normering. De voortgang wordt meegenomen in de jaarlijkse bestuursrapportages van de waterschappen. Gestreefd wordt om in het jaar 2027 overal aan de norm te voldoen. Als normen stelselmatig niet gehaald worden, ligt het voor de hand om een gebiedsproces op gang te krijgen en met stakeholders een voorkeursstrategie uit te werken. Daarbij varieert het spectrum van oplossingen tussen technische maatregelen en acceptatie van wateroverlast. De provincie zet in op intensievere betrokkenheid bij de resterende aandachtspunten, omdat dit onder meer de sponsstrategie en veenweidestrategie raakt. We willen voorkomen dat maatregelen te ver doorschieten en op andere momenten ongewenste verdroging veroorzaken. Samen met de waterschappen gaan we onderzoeken hoe we de bestaande normeringssystematiek meer klimaatadaptief kunnen maken (zie ook paragraaf 8.4.).

In Overijssel is de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s van toepassing op alle gebieden langs het landelijke hoofd- en regionale watersysteem, waar overstromingen kunnen optreden als gevolg van dijkdoorbraken. In de voorbereiding van de volgende 3e ROR periode (2028-2033) is er voor het eerst ook aandacht voor wateroverlast vanuit het onbedijkte regionale en lokale oppervlaktewatersysteem. Dit betreft gebieden die door de waterschappen getoetst zijn aan de in de omgevingsverordening vastgelegde normen voor regionale wateroverlast. De provincie stemt met waterschappen en Rijkswaterstaat Oost-Nederland af over aanlevering van overstromingsberekeningen en de toetsresultaten wateroverlast. De provincie is verantwoordelijk voor het vaststellen en vrijgeven van overstromingsgevaar- en risicokaarten (eind 2025); alle regionale gegevens worden uiteindelijk gebundeld in het nieuwe landelijke Overstromingsrisicobeheerplan 2028-2033.

8.4 Wat verwachten wij van onze partners We werken samen met waterschappen en gemeenten om waterveiligheidsmaatregelen te implementeren en de impact van wateroverlast te beperken. 94

Waterschappen staan aan de lat om via het HWBP de primaire waterkeringen te verbeteren. Er ligt vooral een versterkingsopgave in de IJsselvechtdelta. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag om het projectbesluit goed te keuren, waarbij de provincie expliciet kijkt naar natuur, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. De komende periode willen wij met de waterschappen afspraken maken over hoe de landelijke actualisatie van de reserveringszones voor primaire waterkeringen doorvertaald kan worden in het omgevingsbeleid. De regionale keringen zullen uiterlijk in 2027 door het waterschap worden getoetst, en zullen in 2050 aan de norm moeten voldoen. De provincie en WDOD stemmen regelmatig af over de tussenresultaten van de toetsing van de keringen langs de Sallandse Weteringen, het Meppelerdiep en de Kampereilanden. Samen met waterschappen, gemeenten en veiligheidsregio’s wordt onderzocht of onze watergebiedsreserveringen in de omgevingsverordening nog actueel zijn. Mogelijk zijn er door klimaatverandering aanvullende reserveringen nodig of kunnen deze vervallen. Met betrokken partijen gaan we onderzoeken of er aanleiding is om de bijbehorende instructieregels aan te passen.

Aan de orde komt hoe onze instructieregels rondom de overstromingsrisicoparagraaf zich verhouden tot de weging van het waterbelang en hoe we advisering vanuit het water- en ruimtedomein op elkaar kunnen afstemmen. Onze inzet is om met alle betrokken overheidslagen beter te borgen dat de lagen van meerlaagsveiligheid een echte wisselwerking hebben. Daarmee geven we invulling aan de aanbevelingen van de Rekenkamer uit het rapport Voorbij de Dijk (2023). De normering wateroverlast verschaft duidelijkheid over de zorgplicht van waterschappen en heeft geleid tot inzichten en investeringen in het watersysteem. De relatie met klimaatadaptatie is echter een knelpunt. De herijking van de normering vereist een nieuw stelsel met een basisbeschermingsniveau, ruimte voor risicodialogen en aandacht voor calamiteitenzorg. Gevisualiseerd in Figuur 23. Normering wateroverlast. Een nieuwe normering zou niet meer (volledig) afhankelijk moeten zijn van de maaiveldfunctie, maar (meer) gekoppeld moeten worden aan de gebiedsspecifieke kenmerken van het water- en bodemsysteem.

Figuur 23. Normering wateroverlast

Samen met waterschappen en gemeenten zal – gevoed vanuit de landelijke CoP over dit thema worden verkend in hoeverre een meer gebiedsgerichte en risicogestuurde normering wateroverlast wenselijk of mogelijk is.

95

8.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen In de ruimtelijke ordening meer rekening houden met waterveiligheid en wateroverlast betekent dat er zowel bij locatiekeuze, gebiedsinrichting als bouwwijze ingespeeld moet worden op de mogelijke gevolgen van klimaatverandering voor wat betreft extreem natte situaties. Hoofdstuk 2 (Ruimtelijke Adaptatie) gaat specifiek in op ons provinciale beleid voor deze drie stappen. In hoofdstuk 4 van dit RWP komt het oppervlaktewatersysteem aan de orde. Daar gaat het zowel over waterkwaliteit als waterkwantiteit; bij dit laatste is ook aandacht voor een teveel aan water, en dus ook wateroverlast. In hoofdstuk 2 is via de regionale stresstesten in de DPRA regio’s ook aandacht voor de gevolgen van het veranderende klimaat voor waterveiligheid en wateroverlast. Het IJsselmeer is van groot belang voor de zoetwatervoorziening van grote delen van Nederland. De IJssel en de Vecht zijn de belangrijkste toeleveranciers, maar Overijssel is zelf ook afnemer van zoetwater uit het IJsselmeer ten behoeve van onder meer de veenweidegebieden. Een mogelijke stijging van het IJsselmeerpeil ter vergroting van de zoetwaterbuffer of om mee te groeien met de zeespiegelstijging vergroot echter de waterveiligheidsopgave in de IJsselvechtdelta.

96

9 Definitielijst • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

ASV: Aanvullende Strategische Voorraad Bal: Besluit activiteiten leefomgeving Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving DPRA: Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie GBDA: Groen-Blauwe DoorAdering GEP: Goede Ecologische Potentieel GS: Gedeputeerde Staten HOP: Haarvaten Op Peil HWBP: Hoogwaterbeschermingsprogramma IPO: Interprovinciaal Overleg KRW: Kaderrichtlijn Water NBW: Nationaal Bestuursakkoord Water NNN: NatuurNetwerk Nederland ORBP: Overstromingsrisicobeheerplan PS: Provinciale Staten ROR: Richtlijn Overstromingsrisico's RWP: Regionaal Waterprogramma SGBP: Stroomgebiedsbeheerplan SNL: Subsidiestelsel Natuur en Landschap UvW: Unie van Waterschappen Vitens: Drinkwaterbedrijf in Nederland VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten VTH: Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ZON: Zoetwatervoorziening Oost-Nederland

97

10 Bijlagen

98

Bijlage III – Inspiratiebladen Water en Bodem Sturend

99

Bijlage IV – Regionaal Actieplan beschikbaarheid drinkwaterbronnen

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=ed8f285c-28d2-462d-a419-d87386d32312