CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 8 - Inspectierichtlijn lijkbezorging 1999

Informatiebijeenkomst 15 januari 2026, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Beeldvormende bespreking Raadsvoorstel Aanwijzing bijzondere begraafplaatsen eigen grond en raadsvoorstel Beleid begraafplaatsen op eigen grond21.226 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6.4

Beheer bestaande begraafplaatsen

Begraafplaatsen vervullen een onmisbare rol in onze samenleving. Zij vereisen voortdurende (gemeenschaps)zorg. Eenmaal aangelegd wordt er niet altijd voldoende zorg aan het onderhoud besteed. Uit een bezoek aan een aantal willekeurig gekozen begraafplaatsen blijkt dat het onderhoud lang niet altijd optimaal is en dat bepaalde graven zijn verwaarloosd. Hoewel dit laatste uiteraard ook de verantwoordelijkheid is van eigenaren en huurders van graven, zouden begraafplaatsbeheerders hier wel stimulerend kunnen optreden. Verder in dit hoofdstuk staat beschreven hoe men kan voorkomen dat met betrekking tot de bodemgesteldheid in relatie tot de waterhuishouding ongewenste situaties ontstaan. Ingeval die er al zijn, kunnen maatregelen worden getroffen als structuurverbetering (tussen de graven of rijen graven), verlaging van het waterpeil, al dan niet geforceerde afvoer van het water via een drainagesysteem (bemaling) en het aanbrengen van beplanting (zie ook bijlage 2). Een grondig onderzoek vooraf alsmede een goede planning zijn nodig. Vanwege de aanwezigheid van graven zal de technische uitvoering echter veel moeilijker zijn en zal veel met handkracht dienen te geschieden. Het verdient aanbeveling om in ieder geval een deskundige en gespecialiseerde instantie in te schakelen.

Verbetering op elk van de in bijlage 2 genoemde onderdelen draagt op zich bij tot een betere vertering, zonder dat in de regel een optimale situatie behoeft te ontstaan. Op de beheersaspecten van begraven, opgraven, herbegraven en ruimen wordt in de volgende paragrafen afzonderlijk ingegaan. Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 29/62

> 6.5

Begraven

De optimale lijkvertering bij begraving vindt plaats als op en om het lichaam zo min mogelijk materialen worden gebruikt. Alle aangebrachte materialen zorgen in zekere mate voor een vertraging of zelfs een tegengaan van de vertering. Daarnaast vormen de toegepaste materialen ook een milieubelasting voor de bodem. Aanbevolen wordt om zo min mogelijk materialen te gebruiken. Derhalve heeft de minister van Binnenlandse Zaken in het Lijkomhulselbesluit eisen gesteld aan het materiaal waarvan lijkhoezen kunnen zijn vervaardigd. Ook in dit geval zijn geen eisen aan de te gebruiken doodskleding gesteld, maar uit onafbreekbare en luchtafsluitende, kunststoffen vervaardigde kleding kan het in het Lijkomhulselbesluit beoogde doel (gedeeltelijk) teniet doen. Met name het gebruik van panty- en nylonkousen wordt sterk ontraden. Het is dus gewenst kleding vervaardigd van natuurlijke, afbreekbare vezels zoals katoen, linnen of wol te gebruiken. In uitzonderlijke omstandigheden, zoals internationaal vervoer of in geval van een hoog infectierisico, kunnen omhulsels (kisten en lijkhoezen) nodig zijn waaraan specifieke eisen worden gesteld, zodat deze mogelijk niet voldoen aan de bepalingen van Blb art. 4 en het Lijkomhulselbesluit. Het meest voorkomende bij deze situaties zijn kisten vervaardigd van zink of een houten kist voorzien van een zinken binnenkist.

In deze gevallen dienen maatregelen te worden getroffen om de ongewenste eigenschappen van dergelijke omhulsels op te heffen of althans te verminderen. Het Blb art. 16, lid 2 regelt dat van dergelijke omhulsels bij begraven de ondoordringbaarheid moet worden opgeheven. Geadviseerd wordt om bij het begraven zinken kisten te vervangen door een kist of ander lijkomhulsel dat voldoet aan het Lijkomhulselbesluit. Dit "omkisten" is nu reeds gebruikelijk bij cremeren.

6.6

Opgraven en herbegraven

Onder opgraven wordt verstaan het uit een graf halen van een stoffelijk overschot met de bedoeling dit te herbegraven of te cremeren. Onder herbegraven wordt verstaan het opnieuw begraven van stoffelijke resten in een lijkkist of ander lijkomhulsel. Opgraving van lijken is in de praktijk dikwijls een handeling die geschiedt binnen deze wettelijke termijn van grafrust. Het is dus mogelijk dat bij opgraving onvolledig of niet-verteerde lijken worden aangetroffen. In het algemeen is het daarom gewenst terughoudendheid te betrachten bij het honoreren van verzoeken om opgraving. Lijkvertering gaat immers gepaard met de vorming van, soms giftige, (tussen)verbindingen en bovendien met het ontstaan van de zogenaamde rottingsflora. Hoewel over de directe chemische, bacteriologische en toxicologische gevaren hiervan voor de gezondheid weinig bekend is, moeten deze, hoewel misschien gering, toch niet worden uitgesloten. Veel belangrijker is dat opgravingwerkzaamheden als zeer onaangenaam worden ervaren door de betrokken werknemers en psychisch belastend zijn. Bovendien verstoort het de grafrust. Eén van de redenen tot opgraving kan een justitiële zijn. De Wlb maakt op grond van artikel 30 opgraving in dergelijke gevallen mogelijk. Na opgraving dient altijd herbegraving of crematie van de stoffelijke resten plaats te vinden, waarbij opgemerkt dient te worden dat cremeren

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 30/62

> slechts sporadisch voorkomt. Crematie geschiedt conform Wlb art. 29 uitsluitend op verzoek van de in Wlb art. 18 bedoelde persoon, in het algemeen de opdrachtgever voor de begrafenis, met schriftelijk verlof van de Officier van Justitie van de plaats van opgraving. Voor wat dit laatste betreft, het noodzakelijke verlof van de Officier van Justitie, zelfs na het verstrijken van de grafrusttermijn, lijkt wetswijziging wenselijk. De verantwoordelijkheid voor opgravingen berust bij de burgemeester; deze bepaalt eveneens of toch een speciaal advies van de inspecteur wordt gevraagd. Naast de genoemde voorwaarden kunnen er nog andere, zwaarwegende, argumenten bestaan op grond waarvan de burgemeester een vergunning verstrekt tot opgraving.

Deze zijn dikwijls niet van milieuhygiënische aard en worden hier vermeld als tegemoetkoming aan wensen uit de praktijk: - Is er sprake van duidelijke (bijvoorbeeld psychosociale en/of religieuze) gronden voor opgraving? - Dient de opgraving een maatschappelijk belang? - Indien het een algemeen graf betreft met daarin meerdere begravingen, zijn de nabestaanden van de overige overledenen geïnformeerd? - Is de met de uitvoering belaste beheerder van de begraafplaats gehoord? Het is aan de burgemeester, om bij een eventueel besluit om toe te stemmen in een opgraving, een goede afweging te maken tussen de milieuhygiënische belangen en belangen van de verzoekers. Er zullen zelden milieuhygiënische argumenten zijn voor opgraven en herbegraven.

In de praktijk blijken opgravingen vaak plaats te vinden op verzoek van nabestaanden om uiteindelijk het lijk alsnog een andere bestemming te geven (een ander graf en/of een andere begraafplaats of crematie). Het lijkt een taak van de begraafplaatsbeheerders en de uitvaartondernemers om via goede voorlichting te trachten deze gevallen tot een minimum te beperken. De inspecteurs voor de milieuhygiëne zullen, tenzij volledige skelettering mag worden verwacht, dan ook in het algemeen niet positief adviseren. De Inspectie Milieuhygiëne stelt zich tevens op het standpunt dat graven uit het oogpunt van piëteit en arbeidsomstandigheden gedurende de minimaal voorgeschreven termijn van grafrust zoveel mogelijk ongeschonden dienen te blijven. Van dit standpunt wijkt de Inspectie Milieuhygiëne slechts af wanneer het verteringsproces nog niet of nauwelijks waarneembaar in gang is gezet en de kist nog intact is (tot ongeveer 2 maanden na begraving) of wanneer het proces geheel voltooid is (tijdsduur 10 jaar of langer; afhankelijk van de omstandigheden soms korter). In duidelijke gevallen is nadere advisering niet nodig en hoeft de inspecteur niet afzonderlijk te worden gehoord. Indien alle overwegingen leiden tot een positieve beschikking van de burgemeester tot opgraven, zullen voor en tijdens de feitelijke werkzaamheden bijzondere maatregelen nodig zijn.

Bijlage 3 is een leidraad voor deze maatregelen.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 31/62

> 6.7

Ruimen van graven

Onder ruimen wordt verstaan het leegmaken van een graf. Schudden is een vorm van ruimen waarbij in een graf de skeletdelen op de bodem van het graf worden geplaatst. Onder ter aardebestellen wordt verstaan het op piëteitvolle wijze opnieuw begraven van stoffelijke resten waarbij geen gebruik behoeft te worden gemaakt van een lijkkist of ander lijkomhulsel. Bij ruiming kunnen wij onderscheid maken tussen incidentele ruimingen en grootschalige ruimingen. Incidentele ruiming vindt meestal plaats bij graven waarop een uitsluitend recht is gevestigd. Oorzaak van ruiming van deze graven, die ook wel eigen graven, koopgraven of familiegraven worden genoemd is meestal dat de uitgiftetermijn is verstreken en de rechthebbenden geen prijs stellen op verlenging of dat er ruimte moet worden gemaakt in 'volle' graven. In de praktijk wordt deze ruimte dikwijls gemaakt door het 'schudden' van het graf. Dit betekent dat de skeletdelen op de bodem van het te graven graf komen te liggen. De Wet kent dit begrip niet en de Wlb art. 29 en 31 zijn in dit geval niet van toepassing. De inspecteur zal hierover dan ook in beginsel niet adviseren.

Het spreekt echter voor zich dat hij er vanuit gaat dat om milieuhygiënische redenen soortgelijke maatregelen worden getroffen als worden toegepast bij opgraving dan wel ruiming en dat het eventuele "schudden" van een graf eerst dient plaats te vinden nadat volledige skelettering heeft plaatsgevonden. Wanneer bij ruimen van een graf onverwacht een onvolledig geskeletteerd overschot wordt aangetroffen dient het stoffelijk overschot opnieuw ter aarde te worden besteld. Wanneer dit dieper in hetzelfde graf kan gebeuren is het probleem daarmee opgelost. Is dit niet het geval dan zal voor het nieuwe stoffelijk overschot een andere bestemming geregeld moeten worden. Wanneer het om een eigen graf gaat is het raadzaam dit vooraf met de nabestaanden te bespreken en hierover duidelijke afspraken te maken. Grootschalige ruiming, dikwijls per blok, vindt doorgaans plaats bij algemene graven, ook wel huurgraven genoemd, en wel wanneer ruimte voor nieuwe graven moet worden gemaakt of wanneer een begraafplaats in zijn geheel is gesloten en wordt geruimd. Bijkomend voordeel van een dergelijke ruiming is de mogelijkheid die ontstaat om ingrijpende cultuurtechnische maatregelen te nemen zoals vervanging van drainage of terreinophogingen. Het heersende of gerealiseerde grondwaterpeil kan voorts nopen tot een geringer aantal begravingen boven elkaar dan voorheen.

Aan deelsaneringen, zoals hier bedoeld, moet een totaalplan ten grondslag liggen. Ruiming van graven kan eerst plaatsvinden na het verstrijken van de wettelijk vastgestelde termijn van grafrust, zodat men ervan uit zou mogen gaan slechts volledig verteerde resten aan te treffen. Van het voornemen om graven te ruimen geeft de houder van de begraafplaats tenminste twee maanden tevoren kennis aan de regionale inspecteur (Wlb art. 31, lid 2). Bij onvoorziene individuele ruiming mag van deze termijn worden afgeweken. In al deze gevallen hoeft er geen bezwaar tegen ruiming te bestaan en zal de inspecteur, tenzij volledige skelettering niet mag worden verwacht, positief adviseren of geen bezwaar maken. Men dient echter altijd voorbereid te zijn op onverteerde resten en daarvoor een plan van aanpak gereed te hebben. Hoewel het principe hoe om te gaan met onverteerde resten in beide gevallen fundamenteel hetzelfde is, zal het duidelijk zijn dat bij grootschalige ruimingen de voorzieningen veel meer omvattend zullen zijn dan bij individuele het geval zal zijn.

Ministerie van VROM

Handleiding Frontoffice

Pagina 32/62

> Als gevolg van de wijze van begraven of door een niet-optimale bodemsituatie kan men behalve verteerde, ook gedeeltelijk verteerde of zelfs geheel onverteerde stoffelijke overschotten terug vinden. Voordat definitief besloten wordt tot ruiming zal onderzoek moeten plaatsvinden naar de (algemene) toestand van het betreffende gedeelte van de begraafplaats. Hierbij kan een register van de wijze van begraving, zoals bedoeld in bijlage 2 onder 6, van dienst zijn. Als onvolledig verteerde overschotten worden aangetroffen of de kans op aanwezigheid daarvan groot is, moet men ernstig overwegen voorlopig van ruiming af te zien. De inspecteur zal in dergelijke gevallen dan ook niet zonder meer positief adviseren, doch eventueel, op grond van Wlb art. 31, lid 4, bevorderen dat de grafrusttermijn wordt verlengd. Ingeval men vanwege zwaarwegende argumenten (zoals acuut ruimtegebrek) toch tot ruiming overgaat moeten soortgelijke maatregelen, maar dan op grote schaal, worden getroffen als die bij de opgraving van lijken (zie bijlage 3). Indien men voorlopig van ruiming afziet, moet de oorzaak van de slechte vertering worden vastgesteld, opdat alsnog maatregelen kunnen worden getroffen om het verteringsproces beter te laten verlopen. Uitstel van ruiming heeft anders meestal weinig zin. De te treffen maatregelen komen overeen met voorzieningen ter verbetering van bestaande begraafplaatsen.

Ook als de oorzaak niet in de bodemsituatie ligt, maar in de wijze van begraven (zoals in een lijkwade van kunststof of een luchtdichte kist), ontstaat een dilemma: enerzijds zou men van ruiming af moeten zien, maar anderzijds kan slechts ruiming (in dit geval is het beter van opgraving te spreken) ertoe leiden dat het verteringsproces weer op gang wordt gebracht. Hier prevaleren de voordelen van ruiming (opgraving), mits vervolgens herbegraving (of crematie conform de Wlb art. 29, lid 3) plaatsvindt. Bij herbegraving zal de omhulling die de zuurstoftoetreding belemmert, dienen te worden verwijderd, maar als dit niet mogelijk is in elk geval luchtdoorlatend moeten worden gemaakt en het verteringsproces wellicht ook anderszins weer op gang moeten worden gebracht. Arbo-technische begeleiding kan hierbij niet worden gemist. De hier besproken problematiek kan ernstige gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van voldoende vrije begraafruimte. De planning dient daarom voldoende in het beleid van de begraafplaats te zijn opgenomen, opdat tijdig alternatieven kunnen worden ontwikkeld om bij tegenvallende ruimingen niet in een dwangpositie te geraken.

De Inspectie Milieuhygiëne adviseert om vóór het ruimen een inschatting te maken van de te verwachten mate van vertering van de stoffelijke overschotten. Met onverteerde resten dient steeds met grote zorgvuldigheid te worden omgegaan (zie bijlage 3). Het ruimen en ter aarde bestellen van adipocire lijken heeft de voorkeur boven het laten liggen. Hierbij wordt aanbevolen te streven naar optimale condities om het verteringsproces alsnog op gang te brengen dan wel te verbeteren. Wanneer de waterhuishouding oorzaak is van de adipocirevorming is het van belang om afdoende cultuurtechnische maatregelen te treffen teneinde herhaling bij hergebruik te voorkomen. Indien lijkomhulsels de oorzaak zijn van slechte vertering dienen deze, voor zover mogelijk, te worden verwijderd. Afhankelijk van de ruimtelijke situatie kan teraardebestelling, met inachtneming van Blb art. 5, zo dicht mogelijk onder het maaiveld plaats vinden in een afzonderlijk gelegen goed doorlatende strook grond. Het verdient aanbeveling daarbij tevens een beluchtingsdrain aan te brengen. In plaats van herbegraving kan worden besloten tot het bergen in grafkelders onder toepassing van geforceerde ventilatie.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 33/62

> 6.8

Bewerking en bestemming van gesloten begraafplaatsen

Behoudens na ruiming van alle graven, gevolgd door wijziging van het gebruik van het terrein, zal een begraafplaats, ook na sluiting, begraafplaats blijven. Hoewel het afgelopen decennium een aantal begraafplaatsen en graftekens onder de bescherming van de Monumentenwet is geplaatst, is er in ons land nauwelijks een traditie (oude) begraafplaatsen om cultuurhistorische redenen in stand te houden en te onderhouden. Oude begraafplaatsen zijn echter behalve cultuurhistorisch, ook floristisch vaak interessant en kunnen, vooral in steden, uitstekend dienst doen als groenelement. Dit pleit er voor om ook na sluiting een bijzondere bestemming voor begraafplaatsen te handhaven en hen tot objecten van bijvoorbeeld stedelijk groen te maken. Vanzelfsprekend zijn gemeenten vrij hierin hun eigen beleid te voeren. Vanwege de kans op aanwezigheid van stoffelijke resten moet dieper graven dan 50 cm vanaf maaiveld in alle gevallen worden ontraden ter plaatse van (vroegere) graven (Wlb art. 46, lid 3). Wil men, bijvoorbeeld vanwege de eisen die bepaalde planten aan de bodem stellen, toch dieper graven, dan stuit dit niet op bezwaren zolang men dit doet tussen de graven en op enige afstand daarvan. Het verdient aanbeveling om in dit soort gevallen tevoren een totaal beplantings-, inrichtings- en beheersplan op te stellen.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 34/62

> 7 Adviezen voor crematoria

7.1

Situering en zonering

In § 4.4 zijn de knelpunten genoemd bij de locatiekeuze van crematoria. Ter voorkoming van deze knelpunten dient rekening te worden gehouden met de onderstaande zaken ten aanzien van de situering van de inrichting. Vanwege de toenemende bebouwing in Nederland is steeds minder ruimte beschikbaar. Het is daarom zaak crematoria zo te projecteren dat het karakter van het crematorium wordt gewaarborgd, zonder de omgeving nodeloos ermee te confronteren. In situaties waarbij omwonenden zich gehinderd voelen, is het aan te bevelen de inrichting te omgeven met groenblijvende beplanting, opdat omwonenden zo min mogelijk zicht hebben op het crematorium. Dit bevordert tevens de discretie en privacy van de nabestaanden en belangstellenden. Door de beplanting (gedeeltelijk) reeds voor de bouw aan te brengen, is bij het in gebruik nemen van de inrichting reeds enige vorm van begroeiing aanwezig. De ligging van de inrichting dient zodanig te zijn dat het bestemmingsverkeer daarvan geen hinder ondervindt. De inrichting moet goed bereikbaar zijn voor rouwstoet; omwonenden dienen daar zo min mogelijk overlast van te ondervinden. In ons land ligt het gemiddelde aantal bezoekers per crematie op 60, verdeeld over ongeveer 40 auto's.

Crematoria dienen over voldoende parkeercapaciteit te beschikken, rekening houdend met de mogelijkheid dat bij meerdere drukbezochte crematies per dag overlapping van bezoekers kan ontstaan. De inrichting dient van voldoende omvang te zijn zodat de uitvaartstoeten voldoende manoeuvreermogelijkheid hebben op de inrichting. Het aantal verkeersbewegingen op de toegangswegen zal toenemen. De snelheden van de uitvaartstoeten zijn echter relatief laag. Bij een normaal bereden weg kan dus worden verwacht dat de uitvaartstoeten geen significante bijdrage leveren aan het verkeerslawaai. Crematie-ovens die voldoen aan de stand der techniek veroorzaken voor omwonenden geen geluidoverlast ten gevolge van de crematieprocessen. Onder normale omstandigheden levert een crematorium dan ook geen significante bijdrage aan het referentieniveau van industrielawaai. Het is een gemeentelijke taak om de locatie van een crematorium zorgvuldig af te wegen en de bestemming in een bestemmingsplan vast te leggen.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 35/62

> 7.2

Inrichting van nieuwe crematoria

Het spreekt voor zich dat de inrichting van crematoria optimaal tegemoet komt aan de eisen die in het belang van de dodenbezorging worden gesteld. Daarnaast moet worden voldaan aan eisen op het gebied van hygiëne, veiligheid en het milieu. Omwonenden mogen geen rook- en geuroverlast ondervinden van de crematieprocessen. Daarom dienen aan de wijze van verbranden, de samenstelling en afvoer van de rookgassen en de te gebruiken installaties regels te worden gesteld (door middel van de milieuvergunning krachtens de Wet milieubeheer) Per 1 juli 1998 is een Bijzondere Regeling Crematoria opgenomen in de Nederlandse Emissie Richtlijnen (NeR) 3.5/93.1). Deze bijzondere regeling bevat normen voor de geëmitteerde rookgassen en eisen voor de te gebruiken installaties. Deze regeling geldt voor alle nieuw te plaatsen typen gasgestookte crematie-ovens. Het is de bedoeling deze NeR-regeling op te nemen in de vergunningvoorschriften. Voor alle stoffen (met uitzondering van kwik) geldt dat bij een goed functionerende oven de emissies onder normale omstandigheden onder de grenswaarden van de algemene emissie-eisen van de NeR 3.5/93.1 blijven. Voor kwik legt de NeR een nageschakelde techniek op. De wetgever voorziet in het voorkomen van geur- en rookoverlast door in het Blb art.

4 te bepalen dat een kist geen kunststoffen mag bevatten die hiertoe door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangewezen (lid 2, onderdeel b). Deze aanwijzing is geconcretiseerd in het in § 4.2.3 besproken Lijkomhulselbesluit. Daarnaast stelt ook de NeR 3.5/93.1 eisen aan de in te voeren materialen. Als de kisten inclusief bekleding en lijkhoezen aan de in het Blb en de NeR gestelde eisen voldoen, zal hiervan geen onnodig nadelige invloed meer op het crematieproces worden verwacht. Ondanks dat conform Blb art. 16 het cremeren van een overledene in een zinken en/of loden kist afkomstig uit het buitenland niet is verboden, wordt zeer dringend geadviseerd zulke kisten te weigeren. Veelal zal dit via de milieuvergunning reeds zijn geregeld/verboden. De doodskleding kan, zij het in mindere mate, nog wel een nadelige invloed hebben; hoewel dit om ethische redenen niet dwingend kan worden voorgeschreven, is kleding, vervaardigd van natuurlijke, afbreekbare vezels (zoals katoen, linnen of wol) aan te bevelen. Radioactieve besmetting van overledenen is vrijwel altijd het gevolg van nucleaire rampen en/of incidenten. In het kader van kernongevallenbestrijding wordt aan deze problematiek aandacht besteed. Radioactieve pacemakers komen vrijwel niet meer voor.

Overledenen met een hoge dosis radioactieve geneesmiddelen in hun lichaam vallen binnen het regime van de Kernenergiewet; een potentieel gevaarlijke dosis wordt immers altijd in een ziekenhuis toegediend, de patiënt wordt aldaar verpleegd en dit ziekenhuis dient er op grond van de verleende vergunning voor zorg te dragen dat radioactieve stoffen niet ongecontroleerd de daartoe aangewezen ruimten verlaten. Dit geldt ook voor gevallen waarin de patiënt zich buiten het ziekenhuis mag begeven. Bij overlijden van met radioactief materiaal behandelde personen dienen steeds de aanwijzingen van het ziekenhuis te worden opgevolgd.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 36/62

> De veiligheid van het personeel dient te worden gewaarborgd. De directie van het crematorium heeft hier een primaire verantwoordelijkheid, waarbij de Arbeidsinspectie met het toezicht daarop is belast. Op grond hiervan zal ook in ieder crematorium een instructie voor de werknemers aanwezig (moeten) zijn. Ook wat de hygiëne betreft lijkt dit vanzelfsprekend. Daarenboven zullen sommige voorschriften die gesteld zijn op grond van de Arbo-wet en de Wet milieubeheer tevens de hygiëne bevorderen. Alle ruimten waar het stoffelijk overschot zich kan bevinden zullen goed reinigbaar moeten zijn. Men mag ervan uitgaan dat overkisten van uit het buitenland afkomstige lijken in een opbaargelegenheid worden uitgevoerd; wil men dit in een crematorium doen, dan is hiertoe een aparte ruimte met adequate voorzieningen vereist. Crematoria die over een opbaargelegenheid beschikken, zullen vanzelfsprekend moeten voldoen aan modelvoorschriften voor opbaargelegenheden (zie bijlage 1). De eisen die op grond van de Wet milieubeheer gesteld kunnen worden, zijn weergegeven in modelvoorschriften voor crematoria in het Handboek Milieuvergunningen. Bijlage 4 geeft een samenvattend overzicht van de relevante voorschriften en kan worden gezien als een advies bij het verlenen van een milieuvergunning.

Omdat het gebruikelijk is dat alle aangeboden stoffelijke overschotten dezelfde dag worden gecremeerd, is doorgaans geen koelruimte vereist. Bij toepassing van een nageschakelde techniek ter reiniging van de rookgassen moeten de afgevangen vaste deeltjes als crematie-as behandeld worden. Gebruikte filters zijn gevaarlijk afval volgens het BAGA (Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen) en dienen te worden afgegeven aan een vergunninghouder.

7.3

Bestaande crematoria

Het aantal crematoria is de laatste vijftig jaar sterk toegenomen. De oudste zijn toe aan vernieuwing, andere voldoen mogelijk niet volledig aan de modelvoorschriften, genoemd in het hoofdstuk Crematoria in het Handboek Milieuvergunningen. Door toetsing van bestaande crematoria aan de modelvoorschriften en door middel van de mogelijkheden en procedures die de Wet milieubeheer biedt kan een betere situatie worden bereikt

7.4

Asbestemmingen

Er zijn diverse bestemmingsmogelijkheden voor as (Wlb art. 59 en 60 en Blb art. 10). Na de crematie wordt de as geborgen in een asbus (Wlb art. 58, lid 2). Eventueel kan een gedeelte van de as worden bewaard in een ander afgesloten voorwerp dan een urn, zoals een medaillon (Wlb art. 58, lid 3). Asbussen kunnen worden bijgezet in een columbarium, een urnenveld, in of op een graf of buiten een crematorium gelegen bewaarplaats (Wlb art. 59, lid 2 en art. 62). De in de asbus geborgen as kan ook worden verstrooid door de crematoriumhouder. De as kan worden verstrooid op een daartoe bestemd strooiveld of boven open zee (Wlb art. 59, lid 2, art. 66a en art. 66b). Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 37/62

> Voorts kan de asbus na een maand ter beschikking worden gesteld aan een nabestaande die de zorg van de asbus op zich neemt (Wlb art. 59, lid 2 en art. 66a). Deze nabestaande kan ervoor kiezen de as bij te zetten of te verstrooien op een voor de overledene of nabestaanden dierbaar plekje, de zogenoemde incidentele asverstrooiing. Tenslotte kan de asbus naar het buitenland verzonden worden (Wlb art. 59, lid 2). In de volgende sub-paragrafen worden de verschillende bestemmingen van as besproken. Het bijzetten van asbussen wordt in § 7.4.1 behandeld, verstrooiing van as wordt in § 7.4.2 behandeld. Incidentele asverstrooiing wordt in § 7.4.3 beschreven. Naast de eerder genoemde mogelijkheden, zullen alternatieve mogelijkheden in aanvullende bewaarplaatsen moeten worden gezocht, al dan niet op de crematoriumterreinen. De Wlb (art. 59, lid 1 (annex Blb art. 10) en art. 60, lid 1) biedt daartoe mogelijkheden. In een "strooiveld" kan as hydrologisch geïsoleerd worden geborgen. Zo’n aan te leggen veld moet van een adequaat drainagesysteem worden voorzien dat kan worden aangesloten op de riolering; de belasting is daarmee te controleren en men kan zo voorkomen dat de verontreiniging zich naar de omgeving verspreidt. Deze opzet is vergelijkbaar met die voor begraafplaatsen. De benodigde oppervlakte van een strooiveld is klein.

Ruiming kan zover naar de toekomst kan worden verschoven, dat emotionele problemen dan verwaarloosbaar zijn. 7.4.1

Bijzetten van asbussen

Bijzetting van asbussen gebeurt in Nederland meestal in een urnengraf of columbarium (Wlb art. 62, lid 1). Of bijzetting van asbussen nu in een columbarium, een urnenveld, een graf of elders plaatsvindt, in de regel zal de as uiteindelijk toch in het milieu terechtkomen. Een voorkeur voor bijzetting dan wel voor de plaats van bijzetting bestaat uit milieuhygiënisch oogpunt niet. Het spreekt echter voor zich dat na eventuele ruiming het liefst voor de minst belastende eindbestemming wordt gekozen. Indien de as alsnog wordt uitgestrooid, dient aan de voorwaarden van § 7.4.2 (verstrooien) en § 7.4.3 (incidenteel verstrooien) te worden voldaan. 7.4.2

Verstrooiing van crematie-as

Verstrooien van as kan op diverse plaatsen; de meest gangbare zijn het verstrooien op een daartoe bestemd terrein en boven zee. Het verstrooien van de as op een dierbaar plekje is eveneens toegestaan. •

Verstrooien op een strooiveld

In as zijn de meeste elementen van het periodieke stelsel aanwezig. Bij een hoge intensiteit van verstrooiing is het dus denkbaar dat de bodem ontoelaatbaar verontreinigd kan worden. Verstrooien van as op een daartoe bestemd terrein (Blb art. 10) wordt daarom als een potentieel bodemverontreinigende activiteit gezien die kan worden onderworpen aan de Algemene maatregelen van Bestuur op grond van artikel 6, lid 2, sub d van de Wet Bodembescherming. Strooivelden moeten niet in grondwaterbeschermingsgebieden moeten worden aangelegd (tenzij bodem- en grondwaterbeschermende maatregelen worden getroffen. De provinciale milieuverordening regelt dit. Voor het verstrooien van crematie-as kan dezelfde benadering worden gevolgd als een bouwstof volgens artikel 1, onderdeel b van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Toepassing van de regels uit het Bouwstoffenbesluit op het verstrooien van crematie-as leidt tot marginale bodemverontreiniging. Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 38/62

> Strooivelden die onderdeel zijn van een crematoriumcomplex vallen onder het regime van de Wet milieubeheer. Andere, niet Wet milieubeheer vergunningplichtige strooivelden zouden aan soortgelijke eisen moeten voldoen. Uitgangspunt is dat zij, evenals begraafplaatsen, geen verspreiding van verontreiniging naar de omgeving veroorzaken en milieuhygiënisch beheersbaar zijn. De meest eenvoudige wijze van beheer is ervoor zorg te dragen dat de belasting van de bodem in evenwicht is met de opname door en de afvoer via de aanwezige begroeiing. Bodemonderzoeken hebben uitgewezen dat verstrooien van crematie-as met een hoge intensiteit inderdaad een bepaalde mate van bodemverontreiniging veroorzaken. Deze verontreiniging treedt nagenoeg uitsluitend op in de bovenste centimeters van het bodemprofiel. Uit deze onderzoeken blijkt dat de verontreinigingen hoofdzakelijk bestaan uit zware metalen en fosfaat. Vervolgens zijn inventarisaties gemaakt van onderzoeksgegevens en zijn immissieberekeningen van uitlogende componenten volgens het Bouwstoffenbesluit uitgevoerd. Hieruit blijkt dat fosfaat de maatgevende factor is. Op grond van onderzoek van het RIVM naar alle uitgevoerde onderzoeken en inventarisaties adviseert de Inspectie Milieuhygiëne het volgende: Toegestaan is één van de volgende vier mogelijkheden (zie ook bijlage 4): 1.

Maximaal 90 verstrooiingen per hectare per jaar, zonder dat aanvullende maatregelen nodig zijn. Hierbij wordt uitgegaan van de eenvoudige beheerswijze dat de belasting van de bodem niet groter is dan de opname door en de afvoer via de aanwezige begroeiing. 2. Maximaal 370 verstrooiingen per hectare per jaar. Hierbij worden één keer per 25 jaar controlemetingen geëist ter bepaling van de verspreiding van verontreinigende stoffen naar het milieu; 3. Maximaal 3200 verstrooiingen per hectare per jaar. Hierbij dient de as weer verwijderd te kunnen worden van de bodem. Tevens worden eens per 5 jaar controlemetingen ter bepaling van de verspreiding van verontreinigende stoffen naar het milieu. 4. Boven de 3200 verstrooiingen per hectare per jaar dienen er zodanige isolerende maatregelen te worden getroffen dat op geen enkele wijze as in de bodem kan geraken. Om het aantal verstrooiingen tussen 370 en 3200 per crematorium te verruimen adviseert de Inspectie Milieuhygiëne gebruik te maken van zogenoemde 'wisselvelden'. Dit houdt in dat een crematorium minstens twee strooivelden van voldoende omvang beheert waarvan telkens één strooiveld gedurende een periode van tenminste 10 jaar in gebruik is. Terwijl het ene strooiveld in gebruik is, kan op het andere strooiveld een rustperiode van 10 jaar in acht worden genomen, vergelijkbaar met de wettelijke periode van grafrust.

Na deze rustperiode kan worden bemonsterd en indien noodzakelijk kan de verontreinigde grond worden afgegraven en afgevoerd. De minimale oppervlakte van de strooivelden kan eenvoudig worden berekend (zie bijlage 4, asverstrooiing).

Naast het beheersen/voorkomen van bodemvervuiling door het treffen van beheersmaatregelen kan ook het gehalte aan mineralen in de as, niet afkomstig van het stoffelijk overschot, in verdere verruiming van de capaciteit van strooivelden resulteren.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 39/62

> Vermindering van het gehalte aan zware metalen kan worden bereikt door onder meer: - Alleen kisten met houten handvatten te gebruiken; - Vóór de vermaling van de as reeds zoveel mogelijk metalen daaruit te verwijderen met gespecialiseerde apparatuur (zowel voor ferro als non-ferro metalen). •

Verstrooiing in open zee

Vanwege de nagenoeg uitsluitend minerale samenstelling van as, het mineralenbestand van zeewater en de optredende grote verdunning wordt de as opgenomen in een grote kringloop, waardoor overbelasting niet verwacht hoeft te worden. Verstrooiing op zee is dus de minst belastende wijze van asbestemming voor het milieu. 7.4.3

Asverstrooiing op een dierbare plaats (incidentele asverstrooiing)

Wijziging van de Wet op de lijkbezorging in 1998 heeft ertoe geleid dat nabestaanden de mogelijkheid krijgen om de as van overledenen op een zelf gekozen plek te verstrooien (Wlb art. 59, lid 2 en art. 66a, lid 2). Op deze wijze is tegemoetgekomen aan een maatschappelijke wens om te verstrooien buiten een permanent daartoe bestemd terrein zoals het strooiveld bij crematoria en begraafplaatsen. Incidentele verstrooiing door de nabestaanden op een voor de overledene dierbare plek mag in beginsel overal, tenzij anders geregeld. De Wet op de lijkbezorging stelt geen nadere regels omtrent deze incidentele asverstrooiing. Vanuit milieu-optiek levert een eenmalige asverstrooiing geen bezwaar op. Overheden kunnen met behulp van het bestaande instrumentarium regelend optreden. Dit mag niet betekenen dat incidenteel verstrooien praktisch gezien onmogelijk wordt. Ook mag de mogelijkheid om incidenteel te verstrooien in principe niet worden gebonden aan een vergunningvereiste. Zo kunnen gemeenten in een verordening regels opnemen betreffende de incidentele asverstrooiing. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft hiertoe een circulaire met twee modelbepalingen APV opgesteld. De ene variant staat verstrooiing overal toe, met uitzondering van enkele plaatsen, zoals openbare wegen, stoepen, pleinen en dergelijke.

De andere variant verbiedt verstrooiing met uitzondering van met name genoemde locaties. In de praktijk blijkt dat deze laatste variant niet of nauwelijks wordt toegepast. De overheid heeft de volgende instrumenten om daarin regelend op te treden: - Door middel van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kunnen gemeenten nadere regels stellen om incidentele asverstrooiing te reguleren. Zo kunnen regels worden gesteld aan het verstrooien op openbare plaatsen en het verstrooien op bepaalde tijdstippen). - Artikel 6 van de Wet Bodembescherming geeft de mogelijkheid een AMvB vast te stellen met betrekking tot asverstrooiing op bodem. Het Ministerie van VROM heeft echter aangegeven dat zij dit niet overweegt vanwege het geringe bodembeschermingsbelang. Naast de bovenstaande instrumenten kunnen de provinciale staten op grond van art. 1.2 van de Wet milieubeheer een provinciale milieuverordening vaststellen waarin regels kunnen worden opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater in waterwingebieden. Voordat as op een dierbaar plekje kan worden verstrooid, dient te worden nagegaan of de plek daarvoor geschikt is. De crematoria wordt geadviseerd daartoe de wet- en regelgeving te raadplegen en de nabestaanden hierover voor te lichten.

Voor de nabestaande moet duidelijk worden dat aan de plek (en de eigenaar daarvan) geen eisen kunnen worden opgelegd ten aanzien van de (on)toegankelijkheid van de plek na verstrooiing (en het toekomstige gebruik ervan).

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 40/62

> •

Verstrooien op binnenwateren

Het verstrooien van crematie-as boven oppervlaktewateren valt formeel onder de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Normaliter is dan een Wvo-vergunning nodig of er is in algemene regels aangegeven waar asverstrooiing mag plaatsvinden. De verantwoordelijkheid voor de waterkwaliteit van de Nederlandse binnenwateren ligt bij Rijkswaterstaat, de provincie of de waterschappen. In principe vallen alle grotere bevaarbare waterwegen onder de verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat. Alle wateren die niet onder Rijkswaterstaat vallen, vallen onder de verantwoordelijkheid van de provincie, die het beheer in de meeste gevallen uitbesteedt aan waterschappen en/of zuiveringsschappen. Via de gemeente kan nagevraagd worden tot wiens verantwoordelijkheid het water behoort waarop de nabestaande wil verstrooien. Vanwege het feit dat het hier gaat om een lozing van zeer beperkte omvang en er daarom geen meetbare nadelige beïnvloeding van het ontvangende oppervlaktewater te verwachten is, wordt afgezien van vergunningprocedures. Wel is in alle gevallen een melding vereist. Dit is een voorlopig standpunt. Bij waterschappen is het ingewikkelder om toestemming te krijgen, omdat elk waterschap zelf zijn regels bepaalt of beleid vaststelt ten aanzien van asverstrooiing op haar wateren. In het algemeen zullen de waterkwaliteitsbeheerders geen bezwaar hebben.

Voor het verstrooien op zee binnen de territoriale zone gelden de regels van de Wet verontreiniging zeewater (Wvz). Art. 3 stelt weliswaar dat geen afvalstoffen mogen worden geloosd op het zeewater, maar dit verbod is niet toegespitst op het verbieden van verstrooien van crematieas op zee. Ontheffing kan worden verleend door de Ministers van V&W en VROM (art. 4) of het kan bij AMvB worden toegestaan (art. 3).

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 41/62

>

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 42/62

> 8

•

•

•

Nieuwe ontwikkelingen

Per 1 juli 1998 is een Nederlandse Emissie Richtlijn in werking getreden waarin eisen zijn opgenomen aangaande nieuwe verbrandingsinstallaties in crematoria (NeR 3.5/93.1). Daarin wordt onder meer voorgeschreven dat de uitworp van kwik niet meer mag bedragen dan 0,2 mg/ m3. Met de huidige beproefde techniek betekent dit per crematie een kostenverhoging tussen circa tweehonderd en vijfhonderd gulden; een en ander afhankelijk van het type crematie-oven en het aantal crematies per jaar. Voor bestaande crematoria is deze regeling niet van toepassing maar het ligt in de lijn der verwachting dat voor deze crematoria eveneens een Bijzondere regeling in de NeR zal worden opgenomen. Deze bijzondere regeling zal naar verwachting eerst eind 2000 worden uitgebracht. Teneinde de hiervoor vermelde kwikreductie te bereiken vinden thans praktijkproeven plaats met een relatief goedkope nageschakelde techniek. Deze maakt gebruik van de eigenschap dat kwik amalgameert als het in contact komt met metaal. Dioxinen worden met deze techniek niet afgevangen, maar daarvoor kan tevens een actief koolfilter worden nageschakeld. Daarmee wordt dan tevens voldaan aan de in de NeR opgelegde inspanningsverplichting om de dioxine-uitstoot zoveel als mogelijk te reduceren. In de omringende Europese landen, zoals Duitsland en België zijn al concrete normen gesteld ten aanzien van de dioxine-uitstoot.

Wellicht dat op middellange termijn ook in Nederland aan deze dioxine-norm moet worden voldaan. Thans verbiedt de Wlb art. 71 balseming van of enige andere conserverende bewerking aan een overledene. Op dit moment gaan er stemmen op ter versoepeling van deze wetgeving en wordt onderzocht of thanatopraxie op grond van medische, juridische en ethische aspecten kan worden toegestaan. Onder thanatopraxie wordt verstaan het tijdelijk conserveren van een stoffelijk overschot met het oogmerk gedurende de periode van opbaring de lijkontbinding te remmen, de hygiëne te bevorderen en de overledene een natuurlijker aanzicht te geven. Het is niet de bedoeling dat de lijkvertering door toepassing van thanatopraxie op termijn wordt geremd. Door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt op dit moment de Wet op lijkbezorging geëvalueerd met het oogmerk om eventuele knelpunten op te sporen. Hierbij valt onder meer te denken aan de ruimingtermijn voor asbussen die thans op twintig jaar is gesteld. Bij de evaluatie van de Wet komt tevens de wens aan de orde om het gebruik van lijkkisten bekleed met of van zink en/of lood, afkomstig uit het buitenland, voor het begraven en cremeren in Nederland te verbieden. Dit betekent dan dat de overledene dient te worden overgekist. Het mortuarium op Schiphol biedt deze faciliteit reeds voor overledenen die aldaar ons land binnenkomen.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 43/62

> •

Er is momenteel onderzoek gaande naar de mogelijkheid om lijkkisten te vervaardigen van polymeren op basis van zetmeel ter vervanging van hout of spaanplaat. Deze biopolymeren zijn volledig afbreekbaar en door middel van toevoegingen kunnen eigenschappen zoals treksterkte, rek en afbreekbaarheid worden gevarieerd. Het materiaal dat qua uiterlijk niet afwijkt van de nu gebruikelijke kisten heeft als bijkomende voordelen een gewichtsreductie van circa 50%, het ontbreken van metalen delen zoals schroeven en krammen en een reductie van de as bij crematie tot minder dan 1 gram per kist.

•

In § 5.5 werd reeds melding gemaakt van de mogelijkheid om overledenen in speciaal daarvoor bestemde vriescellen te bewaren. De wens daartoe doet zich onder meer voor bij lijkvindingen waarbij het om psychohygiënische redenen niet verantwoord is om de overledene op de gebruikelijke wijze in een koeling te bewaren.

•

Sinds de Wlb art. 58, lid 2 toestaat dat de asbus in meerdere bussen mag worden geborgen en dat een (klein) deel van de as op andere wijze mag worden geborgen, is er een ontwikkeling in gang gezet waarbij crematie-as op velerlei wijzen wordt bewaard. Er zijn tegenwoordig niet alleen asmedaillons, maar ook mini-urnen met as en siervoorwerpen waar een deel van de as in is verwerkt.

•

De hoofdinspectie Rijkswaterstaat heeft een enquête verstuurd naar alle waterkwaliteitsbeheerders met de vraag naar hun standpunt tegenover het verstrooien van as op het water. Aan de hand van de uitslag zal worden bekeken in hoeverre er algemene regels kunnen komen met betrekking tot het verstrooien van as op water.

•

Er worden thans initiatieven ontwikkeld om te komen tot professionalisering ten aanzien van het opgraven, herbegraven en ruimen. Gedacht wordt aan certificering van deze werkzaamheden.

•

Het wordt wenselijk geacht naar verteringsprocessen en de effecten daarvan op het milieu verder onderzoek te doen teneinde goed gefundeerd te kunnen adviseren. De Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen heeft aan een dergelijk onderzoek medewerking toegezegd.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 44/62

> 9 Referenties

• • •

•

• •

•

• • • • • • • • •

Wet op de lijkbezorging (Wlb) van 26 maart 1998, Stb. 1998, 198. Besluit op de lijkbezorging (Blb) van 4 dec. 1997, Stb. 1997, 647. Regeling van 3 juli 1998 betreffende de aanwijzing van kunststoffen ten behoeve van de vervaardiging van lijkkisten en andere lijkomhulsels (Lijkomhulselbesluit) Staatscourant 1998, 130. Vereenvoudigd rapport betreffende onvolledige vertering van begraven lijken, in het bijzonder betreffende adipocirevorming, Gezondheidsraad; Verslagen en Mededelingen betreffende de Volksgezondheid nr. 1, januari 1963, Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Technische normstelling begraafplaatsen, N.V. Heidemaatschappij beheer; december 1972. Interim-advies inzake inrichting en ligging van opbaargelegenheden, Gezondheidsraad; Verslagen en rapporten, 6 maart 1973, nr. 9, Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Advies inzake "Het gebruik van plastic bij het begraven van lijken", Gezondheidsraad; 23 juli 1976; Verslagen, Adviezen, Rapporten, nr. 19, 1977, Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Aspecten van het gedrag van crematie-as op strooiweiden, ir. J.A. Somers; IMG-TNO Delft, december 1976. Aspecten van lijkbezorging, ir. J.A. Somers; IMG-TNO Delft, rapport A87, oktober 1977. Het gebruik van Aqualloy-polymeren als materiaal voor lijkwaden, een feasibility study (deel 1), TNO rapport nr. 356/1982, 14 oktober 1982.

Semi-praktijkproef met van aqualloy-polymeer vervaardigde lijkwaden. Een feasibility study (deel 2), TNO rapport R 83/49, 29 maart 1983. Ontwikkelingen met betrekking tot het gebruik van lijkhoezen; Het Uitvaartwezen, november/december 1984. Stichting Voorlichtingscentrum Crematoriumbouw, Achtergronden/Conclusies/Aanbevelingen Spreiding Crematoria 1988-1993, najaar 1985. VNG-circulaire van 24 februari 1987; Uitvoering Wet op de lijkbezorging. De bepaling van putrescine en cadaverine in drainwater van begraafplaatsen, H.J.G.M. Derks en A.K. Hagen-Fast; RIVM, rapport nr. 328700 001, april 1987. De bezorging van onze doden, studie conferentie VHB en CVN van 24 oktober 1986; verslag juli 1987, e.d., Secretariaat VHB.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 45/62

> •

•

• •

• • • • •

•

•

• • • • • • • • • • • • • • • •

Notitie over accumulatie en afvoer van zware metalen en voedingselementen op strooivelden, P.C. Meeuwissen; Consulentschap voor Bodem-, Water- en Bemestingszaken in de Akker- en Tuinbouw, Wageningen, december 1988. Richtlijnen van de Werkgroep Infectie Preventie: WIP 1 - Persoonlijke hygiëne medewerk(st)ers. WIP 2 - Handenreiniging en -desinfectie, huiddesinfectie. WIP 3 - Desinfectie en sterilisatie, begrippen en toepassingen. WIP 6 - Reiniging, desinfectie vloeren, meubilair en voorwerpen in diverse vertrekken in een ziekenhuis. Secretariaat Lab. Med. Microbiologie, Acad. Ziekenhuis Leiden. Wet op de lijkbezorging, bewerkt en toegelicht door mr. W.G.H.M. van der Putten, uitg. Kon. Vermande B.V., Lelystad, 1991. Handelingen van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal m.b.t. wetsvoorstellen 11256 en 19448 (o.a. zitting 1982-1983 Tweede Kamer, blz. 993-1013 en 1033-1064, 1408, 1524 en 1525). "Groen", themanummer over begraafplaatsen en crematoria; februari 1988. Veiligheid in Plantsoenen, uitgave van de VHB en het CSG; 1982. Vormgeving Crematoria, uitgave van de CVN; januari 1986. De Terebinth; jrg. 2, nr. 1, april 1988 en jrg. 3, nr. 1, febr. 1989. Wet op de lijkbezorging (tekst R.M.W.A. van Vroonhoven en J. van der Woude); Publ. van Directie Bestuurlijke en Financiële Organisatie, Directoraat-generaal Openbaar Bestuur, Min.

van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Ver. van Ned. Gemeenten; VNGUitgeverij, ''s-Gravenhage, 1991. GHI bulletin - informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de Lijkbezorging; Geneeskundige Hoofdinspectie van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid; Centrale Directie Voorlichting van WVC, mei 1991. Verkennend onderzoek naar het effect van het verstrooien van crematie-as op de bodemkwaliteit van strooivelden; Haskoning i.o.v. CVN Crematoria Nederland B.V.; april 1991. Maatregelen beleid Crematie-as, Haskoning i.o.v. CNV Crematoria Nederland B.V.; april 1991. Algemene Hygiënische maatregelen bij het werken in verontreinigde omgeving, dr. L.M. Dalderup, Arbeidsinspectie Amsterdam; 28 augustus 1989. De nieuwe Wet op de lijkbezorging in kort bestek, J. van der Woude; uitgave van Stichting Vakexamens Uitvaartbezorging, 's-Gravenhage; 1991. Syllabi Stichting Vakexamens Uitvaartverzorging, Postbus 85906, 2508 CP 's-Gravenhage. Milieuaspecten bij het incidenteel verstrooien van crematie-as; DHV Milieu & Infrastructuur; mei 1993; Ongestoorde lijkontbinding; DHV Bouw B.V.; mei 1993; Strooiveldenproblematiek crematie-as; Tebodin B.V.; 21 augustus 1996; Lijkzakken; T.N.O.; 17 december 1996. Briefrapport inzake asverstrooiing; RIVM/812/98 IEM mm/cp, M. Mennen; 24 november 1998. Nederlandse Emissie Richtlijnen - Lucht; Stafbureau NeR; Bilthoven.

Bouwstoffenbesluit Overeenkomst van Straatsburg; traktatenblad 1975 no. 95. Overeenkomst van Berlijn; Staatsblad 1940, 23. Handboek Milieuvergunningen; hoofdstuk Crematoria; Samson Documentaire Uitgaven. Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen (BAGA) van 8 december 1997; Stb 1997, 663. Onderzoek naar kwikemissies van crematoria en beschikbare rookgasreinigingstechnieken; Tauw Milieu Rapportnummer R3517616.W02/BWH d.d. 30-5-1997

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 46/62

>

Bijlage 1

Technische adviezen voor de inrichting van opbaargelegenheden met betrekking tot milieu-aspecten

1. 2.

De overledene wordt alleen bewaard of opgebaard in daartoe speciaal bestemde en ingerichte ruimten van adequate omvang. Een opbaargelegenheid dient tenminste de volgende ruimten te bevatten: 2.1. Een of meer ruimten waar de overledenen worden binnengebracht en verzorgd; 2.2. Een of meer ruimten waar de overledenen worden bewaard; 2.3. Een of meer ruimten waar de overledenen kunnen worden opgebaard tijdens rouwbezoek; 2.4. Een of meer ruimten van waaruit de overledenen kunnen worden uitgedragen voor begrafenis of crematie; 2.5. Voor het ontvangen van bezoekers een of meer ruimten, die desgewenst als garderobe dienst kunnen doen. Daarbij tevens een of meer toiletten voor hen; 2.6. Een of meer verblijfsruimten en een of meer toiletten voor het personeel; 2.7. Een of meer ruimten bestemd tot het bewaren van zaken noodzakelijk bij een goede bedrijfsvoering (zoals enkele lijkkisten); 2.8. Overige voor de bedrijfsvoering noodzakelijke ruimten.

Indien de situering dit toelaat, kunnen de hiervoor genoemde ruimten worden gecombineerd. 3.

In de onder 2.1genoemde ruimten dienen een of meer handwasgelegenheden aanwezig te zijn. 4. De ruimten moeten van adequate verlichting zijn voorzien. 5. Alle ruimten moeten goed kunnen worden geventileerd. De ventilatielucht dient zo te worden afgevoerd dat geen hinder voor de omgeving kan ontstaan. 6. De vloeren, wanden en plafonds, en, indien aanwezig, vloerbedekking en/of stoffering van de genoemde ruimten, dienen te zijn van zodanig materiaal en op zodanige wijze vervaardigd en afgewerkt, dat zij gemakkelijk en doeltreffend kunnen worden gereinigd. 7. In de opbaargelegenheid dienen maatregelen te zijn genomen waardoor het afvloeien van afscheidingsstoffen van de overledene uitsluitend op het riool plaats vindt. 8. In de opbaargelegenheid dienen zodanige maatregelen te worden genomen, dat alle afval zonder gevaar, schade of hinder aan en/of voor het personeel en de omgeving kan worden afgevoerd en verwerkt. Dit geldt in het bijzonder voor infectieus materiaal. 9. In de ruimte waarin de overledene wordt bewaard dient een installatie aanwezig te zijn waarmede de temperatuur van de overledene op circa 4C kan worden gehouden. In de opbaarruimte zelf dient de temperatuur niet hoger te zijn dan 20C. 10. Alle ruimten dienen steeds in een goede staat van onderhoud te verkeren en vrij van ongedierte te zijn. 11.

Ter voorkoming, beperking en bestrijding van brand en het beperken van brandgevaar dienen voldoende maatregelen te worden getroffen in overeenstemming met alle verstrekte vergunningen en regelgeving. Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 47/62

>

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 48/62

>

Bijlage 2

Technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven

1. Het bodemmateriaal van een begraafplaats bevat een zo groot luchthoudend poriënvolume, dat een voldoende mate van gasdiffusie in de bodem is gewaarborgd. Een ongestoord bodemprofiel van zand- of zavelgrond is het meest geschikt. Het bodemmateriaal mag voorts het proces van de lijkvertering niet in ongunstige zin beïnvloeden. Gronden, bestaande uit klei of leem, zijn vanwege de geringe mate van doorlatendheid voor vloeistoffen niet geschikt. Zeezand (met een hoog chloridengehalte) kan bezwaarlijk zijn vanwege de conserverende werking van hoge zoutconcentraties. (Zand)opspuitingen zijn eveneens minder geschikt, vanwege het geringe poriënvolume van het daarin veelal aanwezige slib. 2. Het terrein van een toekomstige begraafplaats en dat van een uitbreiding alsmede het gedeelte van een bestaande begraafplaats na ruiming wordt, vooraf en in zijn geheel, opgehoogd met materiaal dat aan het gestelde sub 1 voldoet in geval de gemiddeld hoogste grondwaterstand zo hoog is dat de graven zich niet tenminste dertig centimeter boven dit niveau zullen bevinden, tenzij dit door verlaging van de grondwaterstand kan worden bereikt. Deze situatie kan zich in Nederland op veel plaatsen voordoen. Ophoging en aanleg dienen zo plaats te vinden dat ook na eventuele inklinking aan Blb art. 5 zal worden voldaan. Een alternatief is de aanleg van keldergraven (zie ook onder 9). 3.

Onder en rond een begraafplaats dient, afhankelijk van de geohydrologische situatie ter plaatse, in de regel een ontwaterings- en afwateringssysteem aanwezig te zijn dat een tweeledig doel dient te vervullen: 1. Het draagt zorg voor de vereiste (grond)waterpeilbeheersing; 2. Het waarborgt dat eventuele verontreiniging zich niet (ongecontroleerd) naar de omgeving kan verspreiden via het oppervlaktewater of het grondwater, inclusief de diepere, onderliggende bodemlagen. Voor een goede vertering is een zuurstofrijke en tamelijk (lucht)vochtige omgeving nodig. Omdat de luchtvochtigheid in Nederland meestal voldoende hoog is, dient (overtollige) neerslag dus snel afgevoerd te kunnen worden. Hiertoe zal veelal drainage van de begraafplaats noodzakelijk zijn.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 49/62

> De geohydrologische situatie ter plaatse bepaalt het ontwaterings- en afwateringssysteem. In het algemeen zal dit in gebieden met een betrekkelijk hoge grondwaterstand (minder dan 31/2 meter minus maaiveld) een horizontaal drainagesysteem onder het terrein, met een ringsloot of ringleiding rondom het terrein omvatten. In gebieden met een lagere grondwaterstand (meer dan 31/2 meter minus maaiveld) is een horizontaal drainagesysteem en/of een ringsloot niet noodzakelijk en bovendien niet mogelijk (drains in een onverzadigde zone en boven het grondwater werken niet). Drainwater van begraafplaatsen kan ongewenste stoffen bevatten. In die situatie kan het niet zonder meer overal worden geloosd. Het dient dan te worden verzameld en vervolgens bij voorkeur op de riolering te worden geloosd. Dit kan in gerioleerde of redelijkerwijze te rioleren gebieden plaatsvinden via de genoemde ringleiding. In ongerioleerde gebieden kan een ringsloot voor buffering zorgen. In alle gevallen zal de lozing tenminste overleg met en meestal vergunning van de waterkwaliteitsbeheerder behoeven. In de praktijk blijkt het voor te komen dat begraafplaatsen geohydrologisch te "goed" zijn geïsoleerd: taluds zijn na ophoging soms van een kleilaag voorzien ten behoeve van de plantengroei.

In dergelijke gevallen kan mogelijk het grondwater onder de begraafplaats op een hoger peil komen dan in de omgeving en wordt het effect van de ophoging (ten dele) tenietgedaan. In dit geval zal een ringleiding binnen dit talud met een afvoer naar riolering of ringsloot een mogelijke oplossing kunnen bieden. 4. Bij voorkeur worden op een begraafplaats geen ondergrondse werken als leidingen en kabels aangelegd, met uitzondering van werken ten behoeve van op de begraafplaats aanwezige voorzieningen. Uitgangspunt hierbij is dat de grafrust op generlei wijze kan worden verstoord door storingen, onderhoudswerkzaamheden e.d. Omgekeerd moeten dergelijke werken ook niet beïnvloed kunnen worden door (de gevolgen van) het begraven. 5. De afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats bedraagt tenminste één meter (Blb art. 6). Het kan zinvol zijn rondom een begraafplaats een afscheiding aan te brengen met het oog op mogelijk vandalisme. Een begraafplaats is een plek waar de privacy van de nabestaanden moet zijn gewaarborgd. Daarnaast zullen omwonenden en passanten niet moeten worden gehinderd door handelingen en dergelijke die op de begraafplaats vinden. 6. Een lijk wordt begraven in een kist of een ander omhulsel vervaardigt van vergankelijk materiaal (Blb art. 3, art. 4 en Lijkomhulselbesluit 1998).

Een omhulsel is in deze betekenis een technisch hulpmiddel om begraven op een aanvaardbare en tevens hygiënische wijze mogelijk te maken. Het omhulsel mag de lijkvertering niet in ongunstige zin beïnvloeden. Voorkomen moet ook worden dat aan de inhoud van de kist of de lijkhoes oneigenlijke stoffen worden toegevoegd, dit om onvolledige lijkvertering alsmede (extra) bodem- en grondwaterbelasting tegen te gaan. Bij begraven met gebruikmaking van een ander omhulsel, zoals een metalen kist, verdient het

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 50/62

> met het oog op toekomstige opgravingen en ruimingen aanbeveling om aantekening te maken van de wijze van begraving, waarbij aansluiting kan worden gezocht op het krachtens Wlb art. 27 verplichte register. Hoewel formeel het gebruik van een kist bekleed met of van zink en/of lood, uit het buitenland aangevoerd, is toegestaan, mits de ondoordringbaarheid is opgeheven, wordt dringend geadviseerd dit soort kisten te weigeren. Dit betekent dat de overledene in voorkomende gevallen dient te worden overgekist. 7. Begraving van lijken die conserverende behandelingen hebben ondergaan, wordt zo veel mogelijk voorkomen. Het gaat hierbij om twee categorieën behandelingen: 1. Balseming; dit komt sporadisch voor. Het uitgangspunt ervan (conservering voor lange tijd) is in strijd met de uitgangspunten die bij begraving worden gehanteerd. Indien begraving onvermijdelijk is, zal deze plaats moeten vinden op een speciale locatie en vergezeld moeten gaan van een sluitende registratie met het oog op eventuele toekomstige ruiming. 2. Formalinebehandeling; deze vindt veelal plaats ten behoeve van de wetenschap. In dergelijke gevallen dient latere begraving te worden vermeden en dient te worden gekozen voor verbranding. Indien de conserverende behandelingen zijn bedoeld ten behoeve van vervoer naar het buitenland, geldt deze beperking niet. 8.

De afstand tussen de graven onderling bedraagt tenminste dertig centimeter. Ten hoogste drie lijken mogen boven elkaar worden begraven, mits boven elke kist of elk ander omhulsel een laag grond van tenminste dertig centimeter dikte wordt aangebracht, die bij een volgende begraving niet mag worden geroerd. Boven de (bovenste) kist of het (bovenste) omhulsel bevindt zich een laag grond van tenminste vijfenzestig centimeter. De graven bevinden zich tenminste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (Blb art. 5, leden 1 t/m 4). Deze voorschriften zijn bedoeld om voldoende luchtcirculatie mogelijk te maken en dus om een goede vertering te bevorderen. Het is dan ook zaak zich hieraan stipt te houden. Het is de bedoeling dat de bovenste laag grond tenminste vijfenzestig centimeter dikte behoudt. Aan een graf, een kist of aan een lijkhoes mogen geen oneigenlijke stoffen worden toegevoegd. Op bestaande begraafplaatsen zal in het verleden niet altijd aan al deze voorschriften zijn voldaan; het Blb art. 5, lid 5 erkent dit. In dergelijke gevallen is het uiteraard wel gewenst andere maatregelen te treffen ter bevordering van een betere vertering. Na een eventuele ruiming zal bovendien wel aan deze voorschriften moeten worden voldaan. Deze voorschriften gelden niet voor grafkelders (Blb art. 5, lid 6). 9.

De constructie van grafkelders is zodanig dat lucht tot de grafruimte kan toetreden en hieruit ook afgevoerd kan worden. De afvoer van lucht uit de grafruimte geschiedt zo dat daarvan geen hinder kan worden ondervonden. Indien nodig zal deze lucht via een doelmatig ontgeuringsfilter (b.v. koolfilter) naar de buitenlucht worden afgevoerd (Blb art. 7).

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 51/62

> Voor een goed verlopend lijkverteringsproces is in een keldergraf een doorluchting van het graf essentieel. Vooral als er sprake is van meerdere etages in grote kelders, kunnen in de praktijk grote verschillen optreden in beluchting tussen de onderste en de bovenste lagen. Hieraan zal aandacht moeten worden besteed, zonodig met gebruikmaking van een geforceerd ventilatiesysteem. De ventilatieopeningen worden met zorg gesitueerd; ook is het van belang te voorkomen dat vocht ingezogen of ingelaten wordt. Omdat grafkelders kunnen worden aangelegd in situaties met een hoge grondwaterstand (Blb art. 5, lid 6), moeten deze, indien de bodem zich beneden de gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt, vloeistofdicht worden uitgevoerd en bij voorkeur met de mogelijkheid om eventueel binnengedrongen vocht, op de riolering te kunnen lozen. 10. Op een begraafplaats dient ruimte te zijn gereserveerd voor het bewaren van overblijfselen uit geruimde graven. Hierin mogen slechts volledig geskeletteerde resten worden geborgen. Uit hygiënische en psychohygiënische overwegingen dienen menselijke resten uit een graf op de begraafplaats ter aarde te worden besteld. Overige resten zoals die van de kleding of van de kist kunnen op zorgvuldige wijze worden aangeboden aan een erkende vuilverbrandingsinstallatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16455308/2