bijlage 8 - Inspectierichtlijn lijkbezorging 1999
Tekst van het document
Inspectierichtlijn Lijkbezorging Handreiking voor inrichting, technisch beheer en onderhoud van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden
Distributienummer 15053/177
Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne Staatstoezicht op de Volksgezondheid Willem J. Tichelman Franklin Kater Publikatie 99-01 3e herziene druk
De VROM-publicaties zijn te bestellen bij Postbus 51, tel:,0800-8051 of te downloaden via www.vrom.nl
>
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 2/62
> Voorwoord
In het leven is niets zo zeker als de dood. Dat ook de dood milieuhygiënische aspecten kent is menigeen zich niet of nauwelijks bewust. Desondanks bereiken de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne regelmatig vragen uit de praktijk van de lijkbezorging over milieuproblemen. Sinds de tweede herziene druk van 1993 deden zich belangrijke ontwikkelingen in de lijkbezorging voor. Zo was een onderzoek aanleiding het Lijkomhulselbesluit aan te passen. Het werd mogelijk as van overledenen op een dierbaar plekje te verstrooien. Voor nieuwe crematoria kwam een bijzondere regeling in het kader van de Nederlandse emissie Richtlijnen. Veel discussie vond plaats ten aanzien van verdere professionalisering van het opgraven en herbegraven. Ook het begraven op eigen erf stond publiekelijk ter discussie. Nieuw was tenslotte het beschouwen van de mogelijkheden van tijdelijke conservering van de overledene. Deze ontwikkelingen en de wijziging van de Wet op de lijkbezorging, de uitvoeringsbesluiten en de daarin voor de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne neergelegde adviserende taken brachten haar ertoe haar visie op de milieuhygiënische problematiek rond de lijkbezorging bij te stellen en in deze richtlijn vast te leggen.
Men kan deze richtlijn dan ook mede zien als het advies van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne over de belangrijkste milieuhygiënische aspecten van de lijkbezorging, voor zover die voortvloeien uit haar taken op grond van de Wet op de lijkbezorging en enkele milieuwetten. De richtlijn geeft, op basis van bestaande kennis en praktijkervaring, informatie en adviezen over milieu en volksgezondheid in relatie tot de lijkbezorging. Zij beoogt hiermee een antwoord te geven op de meest gestelde vragen over de lijkbezorging en bij te dragen aan het voorkomen van milieuhygiënische problemen op die gebieden. De status van deze richtlijn is die van een openbare richtlijn van de hoofdinspecteur van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne aan de regionale inspecteurs over hoe zij op vragen over lijkbezorging dienen te adviseren. De Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne heeft nadrukkelijk gekozen voor een openbare richtlijn, die haar zeggingskracht vooral zal moeten ontlenen aan de praktische waarde van de inhoud. Deze publicatie richt zich primair tot de instanties die de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne volgens de Wet op de lijkbezorging dient te adviseren, namelijk gemeenten en provincies.
Maar de richtlijn is ook voor andere betrokkenen zoals eigenaren, beheerders en gebruikers van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden een nuttige informatiebron. De Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne heeft bij de lijkbezorging slechts een adviserende en geen toezichthoudende taak. Wanneer haar signalen bereiken van onzorgvuldig handelen, leidend tot milieu- of gezondheidsschade en dit onvoldoende wordt opgepakt, zal zij de verantwoordelijken hierop aanspreken.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 3/62
> Deze richtlijn is in eerste instantie bedoeld voor nieuwe situaties en wijzigingen van bestaande situaties. Voor bestaande situaties bepaalt het bevoegd gezag - en in sommige gevallen de eigenaren en beheerders - óf en in hoeverre initiatieven nodig zijn tot aanpassing van (vergunning)voorschriften. Problemen of klachten zullen daarbij een drijfveer zijn. De Wet op de Lijkbezorging kent een beperkt aantal strafbepalingen. In het algemeen is het ieders verantwoordelijkheid om mee te werken aan een zorgvuldige en respectvolle lijkbezorging. Wie de indruk heeft dat hieraan iets ontbreekt zou op de eerste plaats de beheerder van de begraafplaats, het crematorium of de opbaargelegenheid hierop moeten aanspreken. Vindt men onvoldoende gehoor, dan kan men zich wenden tot de gemeente of het bestuur van de inrichting. In geval van strafbare zaken kan men zich tot de Officier van Justitie wenden, of, wanneer men zich in zijn belangen geschaad acht, gebruik maken van privaatrecht. Het verheugt mij dat deze richtlijn tot stand kwam in overleg met een commissie van deskundige vertegenwoordigers van vele belangrijke betrokken instanties. Naast vertegenwoordigers van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne participeerden hierin de Inspectie voor de Gezondheidszorg, het Platform Uitvaartwezen en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Ook met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen is deze richtlijn tijdens dit overleg besproken. Voorts is advies gevraagd aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Ik heb er alle vertrouwen in dat deze richtlijn in de praktijk zijn waarde zal bewijzen.
De hoofdinspecteur van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne,
ir. P.J. Verkerk
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 4/62
> 1. 2 3 4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.4 4.5 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.4.1 7.4.2 7.4.3 8 9
inhoudsopgave Inleiding Schets van de Wet op de lijkbezorging, het Besluit op de lijkbezorging, het Lijkomhulselbesluit en andere relevante regelgeving Taken Staatstoezicht op de Volksgezondheid Knelpunten Inleiding Bodem- en grondwaterverontreiniging Begraafplaatsen Verstrooien van crematie-as Onvolledige lijkvertering na begraven Luchtverontreiniging door crematoria Hinderaspecten van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden Advisering Adviezen voor opbaargelegenheden Situering en zonering Inrichting Arbeidsomstandigheden en hygiëne Opbaring thuis Lijkvindingen Adviezen voor begraafplaatsen Situering en zonering Begraven in eigen grond Inrichting Beheer bestaande begraafplaatsen Begraven Opgraven en herbegraven Ruimen van graven Bewerking en bestemming van gesloten begraafplaatsen Adviezen voor crematoria Situering en zonering Inrichting van nieuwe crematoria Bestaande crematoria Asbestemmingen Bijzetten van asbussen Verstrooiing van crematie-as Asverstrooiing op een dierbare plaats (incidentele asverstrooiing) Nieuwe ontwikkelinge Referenties
Bijlagen: 1. Technische adviezen voor de inrichting van opbaargelegenheden 2. Technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven 3. Technische adviezen voor het opgraven en het ruimen van lijken 4. Modelvoorschriften voor crematoria in het kader van de Wet milieubeheer 5. Overzicht van informatie die van belang is bij beslissingen tot opgraving of ruiming van lijken, bij aanleg of uitbreiding van begraafplaatsen en bij (woning)bouw nabij begraafplaatsen
pagina 7
9 13 15 15 15 15 15 16 18 18 19 21 21 22 22 23 23 25 25 26 28 29 30 30 32 34 35 35 36 37 37 38 38 40 43 45
47 49 53 57 61
Pagina 5/62 Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
>
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 6/62
> 1 Inleiding
In Nederland bestaat nationale wetgeving op het gebied van de lijkbezorging sedert 1869. Sindsdien zijn kennis en inzicht in de lijkbezorging ingrijpend veranderd. De oude Begraafwet, sinds 1955 Wet op de lijkbezorging geheten, is enkele keren aangepast. Pas in 1971 kwam het tot een voorstel tot algehele herziening van de oude wet uit 1869; dit voorstel is in 1982 door de Tweede Kamer aangenomen. Mede in verband met het streven naar vermindering en vereenvoudiging van overheidsregelingen is het wetsvoorstel in de jaren '80 gewijzigd en vereenvoudigd en neergelegd in de Wet op de lijkbezorging (Wlb, Staatsblad 1991, 133). De laatste aanpassingen betreffen het Besluit op de lijkbezorging van december 1997 (Blb, Staatsblad 1997, 647). In maart 1998 werd de laatste herziening van de Wlb (Staatsblad 1998, 198) van kracht. De Wlb is geen milieuwet. Piëteit jegens de overledenen en hun familieleden, en het streven om het voor nabestaanden van de overleden persoon mogelijk te maken op eigen wijze afscheid van de overledene te nemen, staan in onze multiculturele Nederlandse samenleving voorop. Omdat het belang van de openbare orde en de volksgezondheid de essentie vormt, zijn (milieu)hygiënische aspecten van de lijkbezorging op de achtergrond gebleven. Zij worden, overigens vanuit een andere invalshoek, wel in andere wetten opgevangen.
Dat milieuaspecten wel degelijk tot problemen leiden blijkt uit de vragen die de Regionale Inspecties bereiken alsook uit de problemen waarop de Inspecties, soms toevallig, stuiten. De Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne (in het vervolg te noemen Inspectie Milieuhygiëne) maakt onderdeel uit van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Omdat zij is belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu wil zij met deze richtlijn haar visie op de (milieu)hygiënische aspecten van de lijkbezorging geven. Niet om de lijkbezorging moeilijker te maken, maar om, door het signaleren van aandachts- en knelpunten, de lijkbezorging zo goed mogelijk binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden uit te voeren met behoud van een goede zorg voor onze overledenen. Vanwege de verwevenheid van allerlei aspecten van de lijkbezorging is een strikte milieuhygiënische benadering niet altijd mogelijk. Het accent van deze richtlijn ligt echter wel steeds op de milieuhygiëne, waarbij zo veel mogelijk rekening is gehouden met ruimtelijke ordeningsaspecten, ethische normen en bestaande gevoelens van piëteit, kortom met de geestelijke volksgezondheid. In het navolgende zal eerst kort worden opgesomd wat de Wlb regelt. Vervolgens zullen de wettelijke taken van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid worden besproken.
Aangezien zowel de Geneeskundig Inspecteur voor de Volksgezondheid als die voor de Milieuhygiëne in bepaalde gevallen om advies moet worden gevraagd (in de praktijk wordt in de meeste gevallen de laatstgenoemde geraadpleegd) zal een afbakening plaatsvinden van beider taken. Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 7/62
> Tevens zal worden aangegeven hoe de Inspectie Milieuhygiëne inhoud geeft aan haar wettelijke taken. Vervolgens komen de belangrijkste (milieu)hygiënische aspecten aan de orde; dit zijn bodem- en grondwaterverontreiniging, onvolledige lijkvertering, luchtverontreiniging door crematoria en tenslotte hinderaspecten (door verkeerde locatiekeuze) van opbaargelegenheden, begraafplaatsen en crematoria. De uitkomsten van de bespreking van deze aspecten zijn verwerkt in de dan volgende behandeling van diverse onderdelen van de lijkbezorging, te weten opbaargelegenheden, begraafplaatsen en crematoria. Hier zullen de geschikte, respectievelijk gewenste, voorzieningen en voorschriften worden opgenomen. Deze zijn te beschouwen als het advies van de Inspectie Milieuhygiëne. Twee accenten zijn er waar te nemen. Ten eerste zal worden aangegeven hoe goede nieuwe situaties en voorzieningen kunnen worden gecreëerd en ten tweede zal worden besproken hoe men dient om te gaan met oude, niet optimale, situaties.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 8/62
> 2 Schets van de Wet op de lijkbezorging, het Besluit op de lijkbezorging, het Lijkomhulselbesluit en andere relevante regelgeving
De Wet op de lijkbezorging (Wlb) beoogt in de eerste plaats een formeel juridisch kader te zijn waarbinnen de lijkbezorging in ruime zin dient plaats te vinden. Dat justitiële aspecten, de volksgezondheid en het milieu hierbij tevens een essentiële rol spelen is evident, zodat deze wet primair onder de verantwoordelijkheid valt van de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De onderwerpen die in de Wlb worden geregeld kunnen globaal worden gerangschikt in 5 groepen: a In de hoofdstukken I en II zijn algemene bepalingen en voorschriften opgenomen: - De wijzen van lijkbezorging en definitiebepalingen; - Voorschriften t.a.v. lijkschouwing en identificatie; - Voorschriften t.a.v. verlof tot begraving of verbranding; - Voorschriften t.a.v. termijnen, wie voorziet in de lijkbezorging en overheidszorg. b. Het hoofdstuk Begraving (III) bevat: - Algemene bepalingen, zoals de plaatsen waar mag worden begraven, de rechten en plichten t.a.v. graven, het opgraven van lijken en de ruiming van graven; - Gemeentelijke en bijzondere begraafplaatsen; - Sluiting en opheffing van begraafplaatsen. c.
Het hoofdstuk Verbranding (IV) bevat: - Algemene bepalingen, zoals waar verbranding dient plaats te vinden; - Gemeentelijke en bijzondere crematoria; - Bestemming en bewaring van as. d. In de hoofdstukken V en VI worden enkele specifieke onderwerpen behandeld: - Ontleding ten behoeve van de wetenschap; - Balseming; - Sectie en transplantatie. e. Tenslotte zijn in de hoofdstukken VII en VIII straf-, overgangs- en slotbepalingen opgenomen. Deze geven mogelijkheden aan voor handhaving en bevatten een juridisch kader voor de bestaande voorzieningen. De Wlb biedt de mogelijkheid nadere regels te stellen ten aanzien van enkele specifieke onderwerpen. Hieraan is invulling gegeven in het "Besluit van 4 december 1997, houdende voorschriften ter uitvoering van de Wet op de lijkbezorging", getiteld Besluit op de lijkbezorging (Blb) (Staatsblad 1997, 647). Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 9/62
> Dit besluit is gekomen ter vervanging van het besluit van 3 mei 1991 (Staatsblad 1991, 252). Het Blb geeft nadere regels aan onderwerpen als: -
-
-
De verklaring van overlijden (op basis van Blb art. 2 zijn hiervoor modellen vastgelegd). De wijze van begraven (§ 3). Op art. 4 lid 2, onderdeel b, is de ministeriële regeling van 3 juli 1998 houdende aanwijzing van kunststoffen ten behoeve van de vervaardiging van lijkkisten en andere lijkomhulsels (Lijkomhulselbesluit 1998; Staatscourant 1998, 130) gebaseerd. Het Lijkomhulselbesluit 1998 bevat een opsomming van kunststoffen of toepassingen van kunststoffen die bij de vervaardiging van lijkkisten voor onderdelen of bewerkingen worden toegelaten. Tevens bevat het besluit eisen waaraan materiaal voor lijkhoezen en andere lijkomhulsels dient te voldoen. De inrichting van een graf en de afstand van de graven onderling (§ 4). De wijze van verbranden en de bestemming van de as (§ 5). Het internationale vervoer van lijken (§ 6 en 7). Handelingen bij overledenen aan boord van Nederlandse schepen en op installaties ter zee en handelingen bij overledenen van leden van de Nederlandse Krijgsmacht in het buitenland (§ 8 t/m 10). Straf- en slotbepalingen (§ 11).
Behalve deze nationale regelgeving zijn er nog twee internationale overeenkomsten betreffende het vervoer van lijken, namelijk de Overeenkomst van Straatsburg, (Traktatenblad 1975, no. 95) en de Overeenkomst van Berlijn(Staatsblad 1940, 23). Deze bevatten onder andere bepalingen waaraan lijkkisten moeten voldoen bij het internationale vervoer. Zowel de Wlb als het Blb regelen een aantal (milieu)hygiënische en milieutechnische aspecten. Op sommige van deze aspecten is ook de milieuwetgeving van toepassing. Zo zijn crematoria en in bepaalde gevallen ook opbaargelegenheden vergunningplichtige inrichtingen in het kader van de Wet milieubeheer. Voorts biedt de Wet milieubeheer de mogelijkheid om, via een provinciale verordening milieubeschermingsgebieden, te bepalen dat in deze beschermingsgebieden geen begraafplaatsen, crematoria of strooivelden mogen zijn gesitueerd. Tenslotte is voor bepaalde aspecten, zoals de situering van begraafplaatsen en crematoria, de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing. De genoemde wetten sluiten niet volledig op elkaar aan.
Wanneer er vragen of problemen overblijven die betrekking hebben op volksgezondheid of milieuhygiëne waarop geen van die wetten een antwoord biedt, kunnen de betrokken Inspecties van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid op grond van artikel 36 onderdeel a van de Gezondheidswet, gevraagd of ongevraagd, advies uitbrengen. Deze richtlijn is een advies en geeft een antwoord op de veel gestelde vragen. Voor een aantal onderwerpen is het Staatstoezicht op de Volksgezondheid in de Wlb expliciet genoemd als adviserende instantie. Bedoeld worden de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 10/62
> In het volgende hoofdstuk zal worden ingegaan op de taken van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en de taakverdeling tussen de beide genoemde Inspecties. De eisen zoals die op grond van de Wet milieubeheer gesteld kunnen worden, zijn samengevat in modelvoorschriften. Deze modelvoorschriften dienen voor opname in milieuvergunningen en zijn te vinden in het Handboek Milieuvergunningen, Hoofdstuk Crematoria. Bijlage 4 geeft een samenvattend overzicht van de relevante voorschriftenen kan in het algemeen worden gezien als het advies van de Inspectie Milieuhygiëne bij het verlenen van een milieuvergunning krachtens de Wet milieubeheer.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 11/62
>
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 12/62
> 3
Taken Staatstoezicht op de Volksgezondheid
In de Wlb en van het Blb wordt het Staatstoezicht op de Volksgezondheid (de betrokken regionale inspecteurs van de Volksgezondheid) bij name genoemd als verplichte adviseur (zie tabel 1). Sinds de wijziging van de Wlb van 1991 in werking is getreden, is gebleken dat enkele artikelen bijzondere aandacht verdienen, namelijk de Wlb art. 29, 34 en 40, op grond waarvan de inspecteur moet worden gehoord en Wlb art. 31, dat een melding aan de inspecteur voorschrijft. In de meeste gevallen zal het raadplegen van de richtlijn en het opvolgen daarvan voldoende zijn om formeel aan de eis van het horen van de inspecteur te voldoen. Wanneer de burgemeester het voornemen heeft van de richtlijn af te wijken, dient hij de Inspectie Milieuhygiëne te horen. In die gevallen zal de Inspectie Milieuhygiëne een specifiek advies uitbrengen. Melding op grond van Wlb art. 31 blijft wel nodig, maar in de meeste gevallen zal dit niet tot een advies van de inspecteur leiden; ook hier biedt de richtlijn voldoende duidelijkheid. Een nadere toelichting vindt u in de betreffende hoofdstukken. In bijlage 5 vindt u een overzicht van de door de Inspectie Milieuhygiëne gewenste informatie. Op twee gevallen na (Wlb art. 29, lid 1 en 31, lid 2) kan uit de context worden afgeleid welke van de regionale inspecteurs wordt bedoeld Het gaat hier om het opgraven van lijken en de ruiming van graven.
Zoals in hoofdstuk 6 zal worden uiteengezet, dient het opgraven van lijken tot het uiterste te worden beperkt indien nog geen volledige vertering heeft plaatsgevonden. In geval opgraving toch noodzakelijk of gewenst is, zal de nadruk liggen op arbeidshygiëne en op potentieel infectiegevaar. Hoewel de wetgever ervan uit gaat dat de Inspectie Milieuhygiëne hier de eerste aangewezen adviesinstantie is, ligt het meer in de rede om dit aan de Arbeidsinspectie over te laten. De Arbo-wet biedt hiervoor voldoende basis. Desgewenst kan de Arbeidsinspectie een advies inwinnen bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Anders is de situatie bij het ruimen van graven. Dit kan pas geschieden na het verstrijken van de wettelijke termijn van tien jaar. Omdat ernaar wordt gestreefd begraving op zodanige wijze te doen plaatsvinden dat er voor het ruimen volledige skelettering optreedt, ligt in dit geval een milieuhygiënische benadering wel voor de hand. De Inspectie Milieuhygiëne zal hier dus in eerste instantie als adviseur optreden. Bij deze taakverdeling kan ervan worden uitgegaan dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Milieuhygiëne in voorkomende gevallen onderling voor coördinatie zorgdragen. In het kader van de Wlb zijn de gemeenten primair verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid ten aanzien van de lijkbezorging en ook voor het toezicht daarop.
De Inspectie Milieuhygiëne geeft Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 13/62
> inhoud aan haar wettelijke taken door middel van een generiek advies zoals verwoord in deze richtlijn. Daarnaast geeft zij slechts in bijzondere omstandigheden en alleen aan gedeputeerde staten en gemeenten een specifiek schriftelijk advies. Deze richtlijn is primair bedoeld voor aspecten van de lijkbezorging die betrekking hebben op volksgezondheid en milieuhygiëne. In het volgende hoofdstuk zullen de aspecten, die de grootste problemen (kunnen) geven, worden behandeld. Dit zijn vooral bodem- en grondwaterverontreiniging, onvolledige lijkvertering, luchtverontreiniging door crematoria en tenslotte hinderaspecten, vooral door verkeerde locatiekeuze, van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden. Tabel 1:
Wlb
Blb
Samenvatting van de taken van het Staatstoezicht op grond van de Wet op de lijkbezorging Art. 29 Lid 1
Advisering aan burgemeester en wethouders over vergunningverlening opgraven lijk
Inspectie Milieuhygiëne
Art. 31 Lid 2
Melding van voorgenomen ruiming, eventueel onder geneeskundig toezicht
Inspectie Milieuhygiëne
Lid 4
Advisering aan gedeputeerde staten over besluit tot verlenging van de termijn van grafrust
Inspectie Milieuhygiëne
Art. 34
Advisering gemeente over aanleg of uitbreiding van een gemeentelijke begraafplaats
Inspectie Milieuhygiëne
Art. 40 Lid 3
Advisering gemeente over aanwijzing van grond en voorschriften voor het aanleggen of uitbreiden van een bijzondere begraafplaats
Inspectie Milieuhygiëne
Art. 46 Lid 3
Advisering gedeputeerde staten over vergunningInspectie verlening tot uitgraving op meer dan 0,5 meter diepte Milieuhygiëne op gesloten begraafplaats
Art. 74 Lid 1
Verlening toestemming tot sectie ingeval het belang van de volksgezondheid dit vereist
Art. 91
Gelasten tot vervoer van lijken van personen die aan Inspectie voor de bij AMvB (ex Wet bestrijding infectieziekten) bepaalde gezondheidszorg infectieziekten zijn overleden, naar een lijkenhuis of andere bewaarplaats
Art. 10 Lid 2
Advisering aan de gemeente over het aanwijzen van een terrein ten behoeve van het uitstrooien van as
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Inspectie voor de gezondheidszorg
Inspectie Milieuhygiëne
Pagina 14/62
> 4
Knelpunten
4.1
Inleiding
Dit hoofdstuk schetst de milieuhygiënische knelpunten bij begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden. Deze knelpunten kunnen voorkomen worden als aan de locatie en de inrichting van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden voldoende zorg wordt besteed.
4.2
Bodem- en grondwaterverontreiniging
4.2.1
Begraafplaatsen
Bij lijkverteringsprocessen kunnen giftige en niet-giftige (tussen)verbindingen alsmede infectieuze stoffen ontstaan. Hierbij valt ook te denken aan nieuwe infectieziekten zoals BSE veroorzaakt door prionen. Om een beter inzicht te krijgen in de factoren die van belang zijn voor de belasting van bodem- en grondwater bij begraafplaatsen is verder onderzoek nodig Bij volledige mineralisatie komen ook de meest elementaire verbindingen vrij, die bij een grote concentratie van de bron, hetgeen een begraafplaats nu eenmaal is, tot een aanzienlijke minerale belasting van bodem en grondwater kunnen leiden. Over de microbiologische aspecten van de lijkvertering is weinig bekend. Enige tijd na begraving zal er geen sprake meer zijn van eventuele ooit aanwezige en voor de overledene wellicht fatale micro-organismen. Wel aanwezige organismen betreffen de zogenaamde rottingsflora. Ook al zijn in ons land thans vrijwel alle woningen aangesloten op de openbare drinkwatervoorziening, toch kunnen de hier bedoelde verontreinigingen een te grote belasting van het milieu of de volksgezondheid betekenen. De afwatering van een begraafplaats moet milieuhygiënisch in ieder geval kritisch worden bezien, evenals de mogelijkheid maatregelen te nemen om te voorkomen dat dit water in het grond- of oppervlaktewater terechtkomt.
Situaties, zoals die zich bij een ramp voordoen waarbij in een korte tijd veel lijken op een beperkt oppervlak worden "begraven", worden hier buiten beschouwing gelaten 4.2.2
Verstrooien van crematie-as
Aangaande de asverstrooiing zijn de nodige wettelijke veranderingen opgetreden. Bij wet van 9 april 1998 is een wijziging van de Wlb (en ook op het Blb) met als onderwerp verruiming van de mogelijkheden van asbestemming in werking getreden.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 15/62
> Aan de as, die resteert na het crematieproces, kunnen diverse bestemmingen worden gegeven. In Nederland is verstrooiing de meest voorkomende vorm. Deze kan plaatsvinden op een strooiveld, boven open zee of op een voor de overledene of nabestaanden dierbare plaats. • strooivelden Het komt voor dat strooivelden relatief klein van omvang zijn, en er per tijdseenheid een grote belasting van de bodem met as en zware metalen plaatsvindt. Indien deze belasting met mineralen bezien wordt in het licht van kringloopprocessen, zal er soms sprake zijn van een locale overbelasting van mineralen in de bodem. • Asverstrooiing op een dierbare plaats (incidentele asverstrooiing) Vanwege de toenemende maatschappelijke behoefte aan asverstrooiing op een dierbare plaats is onderzoek verricht naar de milieu-effecten van deze vorm van asverstrooiing. Doel van het onderzoek was antwoord te geven op de vraag of er milieuhygiënische bezwaren bestaan tegen het verstrooien op dierbare plaatsen en op oppervlaktewateren anders dan op zee, en of er door het stellen van voorwaarden aan de mogelijke bezwaren tegemoet kan worden gekomen. Het onderzoek heeft geresulteerd in de eindrapportage "Milieu-aspecten bij incidenteel verstrooien van crematie-as "(zie § 7.4.3). Er blijken geen directe milieu-effecten te verwachten als gevolg van het individueel verstrooien van as.
Toch blijft te bezien in hoeverre een (individuele) plek niet bij herhaling hiervoor gebruikt gaat worden. Dit zou alsnog tot ongewenste milieubelasting kunnen leiden. 4.2.3
Onvolledige lijkvertering na begraven
Vele processen in de natuur maken deel uit van een of andere kringloop. Voor dode organismen betekent dit bijvoorbeeld dat, wanneer zij "aan de natuur worden prijsgegeven", afbraak of ontleding plaatsvindt tot stoffen die vervolgens weer als bouwstenen (kunnen) dienen voor nieuwe organismen. Bij het begraven van stoffelijke overschotten wordt beoogd een zo snel afbraak- of verteringsproces mogelijk te maken, dat binnen tien jaar volledige skelettering heeft plaatsgevonden: alleen de harde delen (beenderen) resteren dan nog. Krachtens de bij Wlb gestelde termijn van verplichte grafrust van 10 jaar wordt het mogelijk bepaalde grafvelden of graven te ruimen en de begraafplaats opnieuw te gebruiken. Het respecteren van specifieke wensen van de overledene of de nabestaanden of bijzondere gewoonten en gebruiken kunnen van invloed zijn op het lijkontbindingsproces, bijvoorbeeld kleding, waarover geen nadere regelgeving bestaat. Vertering van menselijk weefsel (lijkontbinding) is een gevolg van microbiologische omzettingsprocessen. Deze processen verlopen in een aëroob (zuurstofrijk) milieu relatief snel. In de praktijk is tijdens grafruimingen gebleken dat de lijkvertering regelmatig langzaam, slecht of soms zeer onvolledig plaatsvindt. Een veelvuldig voorkomend verschijnsel is de vorming van adipocire of lijkenvet.
Dit is een omzetting van de lichaamsvetten in een harde, witte en wasachtige substantie. Van vertering is dan nauwelijks sprake en er zijn voorbeelden van adipocire lijken van meer dan 100 jaar oud. Alhoewel het lichaam vaak is uitgezet, is de anatomische structuur goed herkenbaar bewaard gebleven. Een andere vorm van een niet-volledige lijkvertering is de mummificering; door een tekort aan vocht droogt het lijk uit. Omdat dit laatste in ons land slechts sporadisch voorkomt, wordt slechts ingegaan op de adipocirevorming. Oorzaak van adipocirevorming is in de regel dat er te weinig zuurstof in de directe omgeving van het lijk beschikbaar is, terwijl voldoende zuurstof voor aërobe kringloopprocessen juist onmisbaar is. Dit gebrek aan zuurstof kan verschillende oorzaken hebben. Na verbruik van de aanvankelijk rond het
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 16/62
> lijk aanwezige zuurstof, zal aanvoer vanuit de omgeving moeten plaatsvinden. Dit gebeurt door middel van gasdiffusie en afhankelijk van de weerstand in de bodem zal deze diffusie sneller of langzamer verlopen. Omdat grondwater nauwelijks of geen zuurstofmoleculen bevat en zuurstof in water langzamer diffundeert dan in lucht, zal een grondwaterstand die regelmatig of permanent hoger is dan de diepte waarop de lijken begraven zijn al gauw tot zuurstofgebrek leiden. Metalen binnenkisten en ook lijkwaden en doodskleding vervaardigd van bepaalde soorten kunststoffen blijken, vooral indien er geen of onvoldoende openingen in zijn aangebracht of als zij als een cocon om het lichaam sluiten, de gasdiffusie vrijwel tot stilstand te brengen. Zo kan ook het gebruik van panty- en nylonkousen adipocirevorming tot gevolg hebben. Tenslotte kan, ingeval er begraving van enkele lijken boven elkaar - en dan vooral kort na elkaar en te dicht op elkaar - plaatsvindt, een situatie ontstaan dat de vertering van de bovenste lijken zoveel van de beschikbare zuurstof vergt, dat daardoor voor het onderste niet meer voldoende beschikbaar is. Tussen de lijken moet dus zowel in horizontale als verticale zin voldoende ruimte aanwezig zijn. In de praktijk zullen er periodiek grote aantallen graven geruimd worden.
Het behoeft geen betoog dat aan het boven de aarde brengen van onverteerde lijken ernstige consequenties van ethische, hygiënische en economische aard verbonden zijn. De op Blb art. 4 gebaseerde ministeriële regeling van 3 juli 1998 houdende de aanwijzing van kunststoffen ten behoeve van de vervaardiging van lijkkisten en andere lijkomhulsels (Lijkomhulselbesluit), regelt het gebruik van materialen die de genoemde, gewenste, eigenschappen bezitten. Dit besluit is een actualisatie van het Lijkomhulselbesluit uit 1991. Deze actualisatie heeft plaatsgevonden aan de hand van resultaten van onderzoek naar ongestoorde lijkontbinding en naar aanleiding van specifiek onderzoek ten behoeve van het formuleren van criteria voor de biologische afbreekbaarheid van lijkhoezen. Een aparte vermelding verdienen de in dit besluit genoemde lijkhoezen. Enkele tientallen jaren geleden ontstond het gebruik van kunststof hoezen bij de lijkbezorging. Deze hoezen, die ondoorlatend waren voor zowel vloeibare waterige stoffen als voor (sterk ruikende) gassen, boden in bepaalde gevallen voordelen, vooral bij overlijdensgevallen gepaard gaande met ernstige verminkingen of tijdens perioden met zeer hoge temperaturen.
Ook werden zij toegepast bij lijkvindingen geruime tijd na overlijden of indien een lijk lang in het water had gelegen, dus in gevallen waarin het lijk in verregaande staat van ontbinding verkeerde. De nadelen van het gebruik kwamen later aan het licht, toen na het verstrijken van de termijn van wettelijke grafrust tijdens de ruiming van graven bleek dat in kunststof hoezen verpakte lijken niet geskeletteerd waren, en zelfs nauwelijks enige verandering hadden ondergaan. Proeven hebben daarna aangetoond dat het verteringsproces in dergelijke gevallen 200 à 300 jaar kan duren. Gelukkig is het gebruik van deze kunststof hoezen thans verboden, maar men komt deze bij ruimingen helaas nog veelvuldig tegen. In uitzonderlijke omstandigheden, zoals internationaal vervoer of in geval van een hoog infectierisico, kunnen omhulsels (kisten en lijkhoezen) gebruikt zijn waaraan specifieke eisen werden gesteld, zodat deze mogelijk niet voldoen aan de bepalingen van Blb art. 4 en het Lijkomhulselbesluit. In deze gevallen dienen maatregelen te worden getroffen om uiteindelijk de ongewenste eigenschappen van dergelijke omhulsels op te heffen of althans te verminderen. In de praktijk blijken in het verleden dikwijls niet de nodige maatregelen te zijn genomen.
Het in werking treden van de nieuwe Wlb, het Blb en het Lijkomhulselbesluit zal naar verwachting tot gevolg hebben dat de hier besproken problematiek in de toekomst sterk zal afnemen. Daarmee zijn echter nog niet alle slechte situaties uit het verleden opgelost.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 17/62
> 4.3
Luchtverontreiniging door crematoria
In beginsel is cremeren een hygiënische wijze van lijkbezorging, die het milieu niet zwaar hoeft te belasten. Het vergt relatief korte tijd (1 à 2 uur) om een lijk volledig te verbranden, maar er resteert een zekere hoeveelheid as. Cremeren vereist een optimale verbrandingstechniek, die overigens om ethische en esthetische redenen ook nodig is: het is immers gewenst om het verbrandingsproces zo te laten plaatsvinden dat dit zintuiglijk buiten de verbrandingsruimte niet waarneembaar is. Uit de schoorsteen mag derhalve geen zichtbare rook ontwijken en er mag zich geen geur verspreiden. In de praktijk blijken zich echter regelmatig problemen voor te doen, die óf het gevolg zijn van het meeverbranden van luchtverontreinigende stoffen (materiaal verwerkt in lijkkisten, bekleding daarvan en kleding, prothesen e.d. van de overledenen) óf van een niet optimaal verbrandingsproces (bijvoorbeeld door gebreken aan de oven of onjuiste bedrijfsvoering). Bepaalde soorten kunststoffen kunnen hiervan de oorzaak zijn en vooral kunststoffen met chloorverbindingen kunnen zeer hinderlijke effecten hebben, niet alleen voor de omgeving, maar ook wegens aantasting van de ovens of onderdelen ervan.
Uit proeven is gebleken dat het, mogelijk is, door het automatisch handhaven van optimale verbrandingscondities in zowel de oven als de naverbrandingseenheid het crematieproces nagenoeg reuk- en rookloos te laten verlopen. Bij metingen is echter gebleken dat tevens uitstoot plaatsvindt van kwik, dioxines en verzurende stoffen zoals stikstofoxiden. Deze uitstoot is van dien mate dat de technische installaties en de bedrijfsvoering aan bepaalde voorwaarden zullen moeten voldoen, evenals het in de oven in te voeren materiaal. In § 7.2 wordt hierop verder ingegaan.
4.4
Hinderaspecten van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden
• Begraafplaatsen Historisch waren begraafplaatsen in de regel rondom kerken gesitueerd. Gelet op de gebruikelijke plaats van kerken in het centrum van een woonkern ontstond er bij een toenemende bevolking behoefte aan nieuwe begraafplaatsen. Deze werden meestal buiten de bebouwde kom aangelegd, uiteraard mede om aan de in de oude Wlb gestelde eis van zonering te voldoen. Andere redenen waren echter het taboe rond de dood en de wens een zo groot mogelijke rust en privacy op begraafplaatsen te creëren. Door de voortschrijdende urbanisatie is de vroegere ruimtelijke afstand tussen bebouwing en begraafplaatsen veelal verdwenen. Dit heeft in sommige situaties geleid tot overlast voor de omwonenden onder meer door de toenemende verkeersaantrekkende werking. Daarnaast kunnen er ook uit ethisch, esthetisch en sociaal oogpunt enige bezwaren voor omwonenden bestaan. Enerzijds zou een zekere minimumafstand tussen bewoning en begraafplaats gewenst zijn, doch anderzijds moet een begraafplaats een normaal onderdeel van de maatschappij zijn. • Begraven in "eigen grond" Steeds vaker wordt, vanwege ideële dan wel financiële, maar in ieder geval persoonlijke redenen, het verzoek bij de gemeenteraad ingediend om (dierbare) overledenen te begraven in eigen grond. In een enkel geval gebeurt dit zelfs zonder dat de daartoe vereiste toestemming vooraf is verkregen.
Het probleem hierbij is dat op deze wijze een versnipperd beslag op de ruimte op en rond deze "bijzondere begraafplaatsen" wordt gelegd, zonder dat de verschillende belangen voor nabestaanden en maatschappij voldoende zijn afgewogen. Het creëren van een bijzondere begraafplaats is meestal
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 18/62
> niet in overeenstemming met het bestemmingsplan. Omdat de gemeente vaak geen specifiek beleid op dit punt ontwikkeld heeft, vindt zij het soms moeilijk een dergelijk verzoek af te wijzen, hetgeen op zijn beurt weer een precedentwerking heeft. • Crematoria De komst van een crematorium heeft evenals een begraafplaats een verkeersaantrekkende werking tot gevolg. In sommige gevallen kan dat hinderlijk zijn voor de omgeving. Daarnaast kunnen parkeerproblemen ontstaan, bijvoorbeeld bij zeer grote belangstelling voor een plechtigheid. Crematoria worden zoveel mogelijk buiten de bebouwde kom gebouwd. Echter door de steeds intensievere bebouwing in Nederland ondervinden enerzijds omwonenden in steeds grotere mate overlast van crematoria (o.a. verkeersoverlast), anderzijds ondervinden crematoria in steeds grotere mate overlast van de omgeving (o.a. geluidsoverlast). Nabestaanden en belangstellenden hechten veel waarde aan rust, discretie en privacy. Anderzijds willen omwonenden het crematorium zo min mogelijk zien. • Opbaargelegenheden Voorgaande aspecten gelden eveneens, doch in mindere mate, voor het gebruik van opbaargelegenheden. Was het in vroegere jaren gebruik om de doden thuis op te baren, later stuitte dit om diverse redenen op bezwaren, terwijl bovendien onze huizen daartoe vaak minder geschikt zijn. Thans is weer sprake van een toenemend aantal opbaringen thuis.
Opbaargelegenheden zijn onder meer uit oogpunt van bereikbaarheid soms minder geschikt. Zij vereisen op zich slechts weinig ruimte, maar kunnen echter wel problemen van verkeerstechnische aard veroorzaken.
4.5
Advisering
De bovengeschetste problemen en knelpunten kunnen worden voorkomen indien aan de locatie en aan de inrichting van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden voldoende zorg is besteed. Indien een inrichting vergunningplichtig is krachtens de Wet milieubeheer kunnen door middel van vergunningvoorschriften eisen worden gesteld ter voorkoming c.q. vermindering van overlast voor omwonenden. In de volgende hoofdstukken (5, 6 en 7) zijn adviezen opgesteld die oplossingen bieden aan deze knelpunten. Opzet daarbij is om deze voorzieningen in de samenleving te integreren onder behoud van voldoende rust en privacy en zonder onnodige hinder.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 19/62
>
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 20/62
> 5 Adviezen voor opbaargelegenheden
5.1
Situering en zonering
Nabestaanden worden dikwijls in de gelegenheid gesteld om afscheid te nemen van de opgebaarde overledene voordat de uitvaartplechtigheid plaats vindt. Dit kan geschieden in het woonhuis van de overledene, een thuisopbaring, maar meer gebruikelijk is om hiervoor van een professionele inrichting gebruik te maken. Opbaargelegenheden zijn als categorie inrichtingen niet aangewezen als vergunningplichtig krachtens de Wet milieubeheer. In de praktijk kunnen zij toch vergunningplichtig zijn, bijvoorbeeld vanwege het geïnstalleerde motorische vermogen of omdat zij deel uitmaken van een vergunningplichtige inrichting. Zoals in § 4.4 bleek kunnen zij aanleiding geven tot hinder voor de omgeving, vanwege een voortdurende confrontatie van omwonenden met aan- en afvoer van overledenen, rouwstoeten en bezoekers. Het is aan te beveleneen dergelijke locatie met zorg te kiezen. Voor de situering van opbaargelegenheden zijn de volgende aspecten van belang: 1. Een opbaargelegenheid is gevestigd in een gebouwd perceel, uitsluitend bestemd tot het opbaren en/of bewaren van overledenen, of in een perceel dat als zodanig mede voor haar bedrijfsvoering is ingericht en is gelegen op terreinen of belendingen van een begraafplaats, een crematorium of een zorgcentrum zoals een ziekenhuis of een bejaardenhuis. 2.
Een van de ingang voor bezoekers gescheiden ingang voor de aan- en afvoer van overledenen is zodanig gesitueerd dat deze handelingen zoveel mogelijk aan de waarneming van bezoekers en omwonenden worden onttrokken. 3. Voor het formeren en parkeren van de uitvaartstoet zijn adequate voorzieningen getroffen en tevens is voor bezoekers in voldoende parkeergelegenheid voorzien. 4. Opbaargelegenheden hebben een goede, verkeersveilige verbinding met de openbare weg en zijn bij voorkeur in de nabijheid van openbaar-vervoer-voorzieningen en doorgaande wegen gesitueerd. Hierbij kan worden opgemerkt dat voorwaarde 3 en in mindere mate ook voorwaarde 4 sterk afhankelijk zijn van de plaatselijke situatie. In grote en middelgrote steden zijn eerder problemen te verwachten dan in kleine steden en dorpen. Wanneer voldoende rekening wordt gehouden met de zo juist opgesomde uitgangspunten, bestaan er geen bezwaren tegen een door velen gewenste integratie van opbaargelegenheden in woonwijken.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 21/62
> 5.2
Inrichting
De toestand van de overledene kan vanwege daarin aanwezige ziektekiemen en verschijnselen van ontbinding, zoals vochtafscheiding en onaangename geuren, problemen van openbare en persoonlijke hygiëne veroorzaken bij de opbaring. Opbaargelegenheden zullen dus, behalve aan locatie-eisen, ook aan bepaalde inrichtingseisen dienen te voldoen, waarbij vooral wordt gedacht aan hygiënische, sanitaire en technische voorzieningen. Een overzicht van de technische- en inrichtingseisen waaraan opbaargelegenheden in het algemeen zouden moeten voldoen is, in de vorm van modelvoorschriften, opgenomen in bijlage 1. Bij de krachtens de Wet Milieubeheer vergunningplichtige opbaargelegenheden kunnen voorschriften gebaseerd op deze modelvoorschriften verbonden worden aan een te verlenen milieuvergunning. In overige gevallen zou overwogen kunnen worden om op grond van de gemeentelijke bouwverordening of een aparte gemeentelijke verordening voorzieningen als bedoeld in de modelvoorschriften te bevorderen.
5.3
Arbeidsomstandigheden en hygiëne
Het spreekt voor zich dat de personen die beroepsmatig bij de opbaring zijn betrokken ook zelf hygiënische voorzorgen dienen te nemen wanneer zij in contact komen met een stoffelijk overschot of uitscheidingsproducten. Dit geldt overigens ook voor degenen die zijn belast met het afleggen, het kisten en het vervoer van overledenen. Elke overledene moet besmet worden geacht tot het tegendeel is bewezen. In de praktijk blijken de volgende maatregelen meestal voldoende: Het direct lichamelijk contact met de overledene dient te worden vermeden. Voordat begonnen wordt met verzorgen moeten een schone schort benevens schone latex handschoenen worden aangetrokken. Het verzorgingsgedeelte mag niet worden verlaten met deze schort en handschoenen. In het verzorgingsgedeelte mag nooit worden gegeten of gedronken en ook de daar aanwezige kranen dienen niet te worden gebruikt voor drinkwater. Bij eventuele prik- of snij-accidenten wordt er sterk op aangedrongen de werkzaamheden te staken, de handschoenen uit te trekken en de wond te laten bloeden. Daarna de wond afdekken met een gaasje met jodium en laten behandelen op de afdelingen EHBO of spoedeisende hulpverlening van een ziekenhuis. Waszakken dienen regelmatig en vuilniszakken dienen dagelijks voor nieuwe te worden verwisseld.
Gebruikte materialen zoals scharen, pincetten, naalden en kammen moeten steeds goed worden schoongemaakt, worden gedesinfecteerd met alcohol 70 procent en mogen nooit buiten de verzorgingsruimte worden gebruikt. Met een allesreiniger kunnen de vloeren en het werkoppervlakte in het verzorgingsgedeelte na gebruik worden gereinigd. Indien nodig kunnen deze daarna worden ontsmet. Alle schoonmaakmaterialen moeten droog en schoon worden opgeborgen. Na afloop van de werkzaamheden dienen de handen te worden gewassen met een milde zeep (zeepdispencer) en te worden afgedroogd met een papieren handdoek. Degenen die een meer gedetailleerd inzicht willen verkrijgen in deze materie wordt aangeraden contact op te nemen met de Werkgroep Infectie Preventie te Leiden (zie literatuur overzicht). Deze werkgroep is een samenwerkingsverband van een aantal verenigingen op dit gebied en geeft onder meer richtlijnen uit betreffende infectiepreventie in de intramurale gezondheidszorg.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 22/62
> 5.4
Opbaring thuis
Tegen thuisopbaring bestaan in beginsel geen bezwaren. Hoewel het niet mogelijk is eisen te stellen, spelen hierbij wel enkele praktische factoren een rol. De toestand van de overledene moet zodanig zijn dat opbaren in de particuliere woning verantwoord is. Hierover kan advies worden gevraagd aan een arts of aan de uitvaartondernemer. In dit advies zouden tevens de volgende punten ten aanzien van de geschiktheid van de woning zoals kamertemperatuur en mogelijkheid tot koelen, ventilatie, verlichting, mogelijkheid tot schoonmaken en bereikbaarheid (zoals genoemd in bijlage 1), dienen te worden overwogen. Voor het koelen van de overledene bestaan eenvoudige kist-, deksel- en bedkoelingen die bij normale temperaturen uitstekend voldoen. Bij hogere temperaturen valt te overwegen om de overledene elders in een speciaal daartoe ingerichte ruimte te koelen alvorens thuis op te baren. De uitvaartondernemer kan hierover goed adviseren.
5.5
Lijkvindingen
Bij lijkvindingen komt het af en toe voor dat het om psychohygiënische redenen niet verantwoord is om de overledene zonder speciale voorzorgsmaatregelen in een gesloten ruimte, zoals een opbaargelegenheid, een aula of een kerk, te bewaren; zelfs niet indien de overledene zich in een of meerdere lijkhoezen en een gesloten kist bevindt. Dit kan tegenwoordig worden ondervangen door de overledene door middel van bevriezing in daartoe speciaal ontwikkelde vriescellen te conserveren.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 23/62
>
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 24/62
> 6
Adviezen voor begraafplaatsen
6.1
Situering en zonering
Het is gewenst dat begraafplaatsen in bestemmingsplannen van een dienovereenkomstige bestemming worden voorzien, opdat zij overeenkomstig de wensen van de nabestaanden generaties lang in stand gehouden kunnen worden. Diverse bestemmingen kunnen onderling op gespannen voet staan en het is een taak van de ruimtelijke ordening om ervoor zorg te dragen dat begraafplaatsen en naastgelegen bestemmingen elkaar zo weinig mogelijk nadelig beïnvloeden. Dit vergt een adequaat gemeentelijk planningsbeleid. De situering van begraafplaatsen nabij woningen blijkt vragen op te roepen. De in het Blb genoemde minimale afstand van één meter van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats houdt niet in dat op de grens van het perceel allerlei activiteiten kunnen plaatsvinden. Het is bijvoorbeeld ongewenst dat een begrafenis(toespraak) door geluidhinder wordt verstoord. Gestreefd zou moeten worden naar een geluidbelasting van niet meer dan 40 dB(A). In elk geval zou moeten worden voorkomen dat door een geluidbelasting groter dan 45 dB(A) de verstaanbaarheid wordt bemoeilijkt. . Ook dient er een mogelijkheid te zijn voor visuele afscheiding om de privacy op en buiten een begraafplaats te waarborgen. Deze is dikwijls niet in meters uit te drukken en hangt sterk af van de plaatselijke situatie.
Begraven is een normaal onderdeel van ons maatschappelijk leven en om deze reden hoeven begraafplaatsen dan ook niet weggedrukt te worden uit onze samenleving. Om andere redenen, zoals het voorkomen van vandalisme, kan dit zelfs ongewenst zijn. Overigens uit oogpunt van piëteit is ook niet ieder aanwezig "verloren" terreintje geschikt. Het is belangrijk om de begraafplaats goed in te bedden in de omgeving waarbij het karakter dient te zijn gewaarborgd. Een meer ruraal gebied kan vaak met meer ruimte en groen ingevuld worden een stedelijke omgeving.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 25/62
> De Inspectie Milieuhygiëne adviseert om de diverse bestemmingen zorgvuldig af te wegen en in een bestemmingsplan (Wet ruimtelijke ordening) vast te leggen. Ingeval van aanleg van nieuwe dan wel uitbreiding van bestaande begraafplaatsen is het gewenst, voordat tot een ruimtelijke reservering wordt besloten, onderzoek te doen om te bepalen of de gekozen locatie technisch geschikt (te maken) is voor het gestelde doel. De criteria hiervoor worden behandeld in § 6.3 en bijlage 2. Tevens adviseert de Inspectie Milieuhygiëne een geohydrologische scheiding aan te brengen dan wel de ruimte daarvoor te reserveren en voorzieningen te treffen die het zicht op de begraafplaatsen voorkomen. Op grond van deze criteria adviseert de Inspectie Milieuhygiëne dan ook om de afstand tussen woningen en begraafplaatsen in het algemeen bij nieuwe situaties ten minste 20 à 30 meter te laten zijn. Ook bij uitbreiden van bestaande begraafplaatsen is hiernaar te streven. Op grond van art. 1.2 Wm kunnen door provinciale staten in de Provinciale Milieuverordening nadere regels worden gesteld in het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden. Op grond van deze verordeningen is het verboden om in dergelijke gebieden "begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op te richten, te gebruiken of te hebben". Hieronder is ook uitbreiden begrepen.
De wenselijkheid van een scheiding van bestemmingen als bedoeld spreekt voor zich. Indien uit de toegezonden stukken blijkt dat met bovenstaande rekening wordt gehouden en dat tevens wordt voldaan aan het gestelde in bijlage 2 van de richtlijn, zal de inspecteur met betrekking tot Wlb art. 34 en art. 40, lid 3 geen afzonderlijk advies uitbrengen. Is binnen 14 dagen van de inspecteur geen reactie ontvangen dan mag dit worden beschouwd als een positief advies.
6.2
Begraven in eigen grond
Onder eigen grond wordt hier verstaan een particulier terrein waarvan het de bedoeling is dit te bestemmen voor het begraven van 1 of een zeer beperkt aantal overledenen. Bij wet is aan de gemeenten de verplichting opgelegd te zorgen voor adequate mogelijkheden om te begraven. In de praktijk is hier ook invulling aan gegeven, zodat de noodzaak voor begraven in eigen grond ontbreekt. Het verzoek tot begraven in eigen grond is in feite een aanvraag om een bijzondere begraafplaats aan te mogen te leggen. De Wet op de Lijkbezorging heeft in 1991 de voorheen bestaande mogelijkheid van het zogenoemde familiegraf op eigen grond afgeschaft. De reden die daartoe wordt aangedragen is dat nieuwe vestiging van zodanige rechten in de huidige omstandigheden niet gewenst lijkt (MvT 11256 nr. 3 p.10). Hier wordt gedoeld op de schaarse ruimte in ons land en de uit dergelijke vestiging voortvloeiende belemmeringen voor de planologische ontwikkelingen. Ook elders geeft de wetsgeschiedenis blijk van terughoudendheid.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 26/62
> Tijdens de behandeling van de Wet in de Tweede Kamer wordt, bij monde van Minister Rietkerk van Binnenlandse zaken, daar het volgende over opgemerkt: "Ik verwacht dat een gemeenteraad er niet spoedig toe zal overgaan een eigen terrein van een particulier als (bijzondere) begraafplaats aan te wijzen, omdat hij daar zijn familie wil begraven. Het zal bij omwonenden toch wel vaak op bezwaren stuiten dat iemand begravingen in zijn achtertuin verricht. Zelf acht ik het bepaald ongewenst dat ieder op zijn eigen terrein tot begraving zou kunnen overgaan (Minister Rietkerk van Binnenlandse Zaken, Hand. II, 1982-1983, p. 1038)." Wanneer er toch een trend gaat ontstaan waarbij er vaker dan incidenteel in eigen grond wordt begraven is er sprake van een ongeordend ruimtegebruik waarbij Nederland 'versnippert' door her en der 'langdurige gevoelige' bestemmingen toe te laten. Dit legt beperkingen op aan en rond de begraafplaats voor ten minste de duur van de grafrusttermijn, namelijk 10 jaar, maar ook daarna. Het zal duidelijk zijn dat de Inspectie Milieuhygiëne in dit opzicht wil waken voor precedentwerking. Naar haar mening moet er dan ook bij de aanvrager meer dan een simpel verlangen zijn om dit toe te staan. De gemeente behoudt, ook bij deze bijzondere begraafplaatsen, haar verantwoordelijkheid waar het gaat om toezicht op en handhaving van een ongestoorde grafrust.
In het algemeen zal de gemeente ook hier een afweging maken tussen de wens van de aanvrager en het maatschappelijk belang. De volgende overwegingen kunnen hierbij een rol spelen: de wens van de initiatiefnemer en de motivatie hierbij - de binding met de grond nu en in de toekomst - het aantal te begraven personen - het bewaken van een ongestoorde grafrust - de eventuele bezwaren van derden (ook psychosociale aspecten) - het ruimtebeslag op en rond de begraafplaats en de tijdsperiode daarvan - het voldoen aan algemene eisen voor begraafplaatsen - de inpassing in het ruimtelijke ordeningsbeleid (opnemen, aanpassen) - de precedentwerking van een dergelijk besluit - de eventuele kosten voor de gemeenschap (bijvoorbeeld aanpassen RO-plan) Op deze wijze kan de gemeente degenen die met een dergelijk verzoek komen, gemotiveerd antwoorden. Het is tenslotte de gemeenteraad die, alle meningen gehoord hebbend en nadat alle belangen zorgvuldig zijn afgewogen, beslist.
De Inspectie Milieuhygiëne acht het in eigen grond begraven van overledenen ongewenst. In situaties waarin onvoldoende historische binding met de grond aanwezig is en voor de toekomst gegarandeerd kan worden, adviseert de Inspectie Milieuhygiëne de gemeenteraad dan ook zeer terughoudend te zijn bij het verlenen van een vergunning voor het aanleggen van een bijzondere begraafplaats op eigen grond. In elke gemeente in Nederland is immers een voldoende gedifferentieerd aanbod aan begraafmogelijkheden. Het creëren van een bijzondere begraafplaats moet plaatsvinden in afweging van het algemeen belang en het belang van de initiatiefnemer. Het is hierbij wenselijk dat de gemeente ten aanzien hiervan gemeentelijk beleid ontwikkelt gebaseerd op de gebruikelijke eisen te stellen aan begraafplaatsen en een en ander tevens in te kaderen in haar ruimtelijke ordeningsbeleid.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 27/62
> 6.3
Inrichting
Het Blb bevat enkele artikelen die op de inrichting betrekking hebben (artikelen 5, 6 en 7). Mede omdat de praktijk heeft geleerd dat in het verleden als gevolg van een verkeerde inrichting zeer ongewenste situaties op begraafplaatsen zijn ontstaan (zie § 4.2), wordt dit thema in het navolgende uitgewerkt. De meeste van de bovengenoemde artikelen van het Blb hebben tot doel op de begraafplaatsen een zodanige situatie te creëren dat een goede, dus relatief snelle, lijkvertering wordt bevorderd. Het is gewenst om begravingen zo te doen plaatsvinden dat lijken binnen 10 jaar kunnen verteren en dat adipocire-vorming wordt voorkomen. Omdat, zoals ook uit proeven is gebleken, de gaswisseling (zuurstof) rond het lijk een cruciale rol speelt bij het verteringsproces, moet in feite worden gestreefd naar een zodanige begraaftechniek dat een optimale gaswisseling is gewaarborgd. Optimale gaswisseling is in de praktijk van twee essentiële factoren afhankelijk, namelijk de wijze waarop het lijk wordt begraven en de bodemgesteldheid in relatie tot de waterhuishouding van en op de begraafplaats. Wat betreft de wijze van begraven schrijft het Blb voor dat een lijk begraven dient te worden in een kist of een ander omhulsel. Lijkomhulsels worden gebruikt om begraven op een aanvaardbare en tevens hygiënische wijze mogelijk te maken.
De voor de hand liggende conclusie is dat een kist (met toebehoren) of een lijkhoes het verteringsproces niet in negatieve zin mag beïnvloeden. Een omhulsel dat geheel is vervaardigd uit vergankelijk materiaal en bovendien voldoende luchtdoorlatend is, voldoet dus het beste aan deze voorwaarden. De bodemgesteldheid in relatie tot de waterhuishouding van en op begraafplaatsen is in Nederland van nature vaak niet optimaal. De bodem moet namelijk bij voorkeur bestaan uit tamelijk grofzandig materiaal, omdat het poriënvolume daarvan in de regel voldoende is om de vereiste gaswisseling op peil te houden. In gebieden met een andere bodemsamenstelling zal men hiermee dus rekening dienen te houden. Bovendien is de grondwaterstand in grote delen van Nederland zo hoog, dat het onmogelijk is om zonder terreinophoging of kunstmatige peilverlaging boven het grondwaterpeil te begraven. Dit geldt zeker als er in meer dan één laag boven elkaar wordt begraven. Veel begraafplaatsen zijn omgeven door een ringsloot. Deze heeft niet alleen een afschermende functie, maar kan ook deel uitmaken van het waterafvoersysteem. Bovendien maakt een ringsloot het mogelijk het waterpeil te beheersen (meestal verlagen).
In vele gevallen (bij niet te hoge grondwaterstand) kan een ringsloot een middel zijn om de hydrologische isolatie van begraafplaatsen te bewerkstelligen, hetgeen ook door middel van drainage mogelijk is. Er bestaan in het algemeen geen bezwaren om het af te voeren water op (ander) oppervlaktewater te lozen of naar een waterzuiveringsinstallatie af te voeren. Wel is hierover nader overleg nodig met de desbetreffende waterkwaliteitsbeheerder. Eventuele maatregelen zullen mede afhangen van de minerale belasting van de bodem ter plaatse. Deze is direct gerelateerd aan de begraafdichtheid; dit is het aantal begravingen dat, gemiddeld over de totale gebruikstijd van de begraafplaats, per hectare per jaar plaats vindt. Volgens het Blb art. 5, leden 1 t/m 4 bedraagt de afstand tussen de graven onderling bedraagt tenminste dertig centimeter. Ten hoogste drie lijken mogen boven elkaar worden begraven, mits boven elke kist of elk ander omhulsel een laag grond van tenminste dertig centimeter dikte wordt aangebracht, die bij een volgende begraving niet mag worden geroerd.
Ministerie van VROM
Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk
Pagina 28/62
> Boven de (bovenste) kist of het (bovenste) omhulsel bevindt zich een laag grond van tenminste vijfenzestig centimeter. De graven bevinden zich tenminste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Zoals reeds in § 4.2 ter sprake kwam is het, zelfs onder overigens acceptabele condities, mogelijk dat bij begraving in meer lagen de onderste lijken slecht of niet verteren omdat de beschikbare zuurstof wordt verbruikt bij de vertering van de bovenste lijken. In de praktijk komt het namelijk voor dat bij ruiming van (delen van) een begraafplaats blijkt dat de bovenste lijken wel volledig zijn verteerd maar de onderste niet volledig of in het geheel niet. Hoewel een te hoge grondwaterstand hiervan vaak oorzaak is, kan dit verschijnsel ook veroorzaakt worden doordat men te dicht boven elkaar begraaft. Het is dus een eerste vereiste dat men zich in de toekomst strikt houdt aan de bepalingen van Blb art. 5. Daarenboven is het raadzaam om bomen en heesters rondom de graven aan te planten, waarmee een betere ontbinding als gevolg van zuurstof- en vochttoetreding kan worden bewerkstelligd. Ook begraving in grafkelders kan een groot aantal van de genoemde problemen voorkomen, zeker wanneer het grondwaterpeil de belangrijkste negatieve factor is. Om opdrijving te voorkomen is een afdoende verankering van deze kelders noodzakelijk.
Op voorwaarde dat deze kelders volledig waterdicht zijn en blijven zou men in dit geval zelfs onafhankelijk van het grondwaterpeil kunnen "begraven", hetgeen wettelijk (Blb art. 5, lid 6) ook mogelijk wordt gemaakt. Het spreekt voor zich dat adequate ventilatie ten behoeve van een goede zuurstofvoorziening daarbij niet kan worden gemist (Blb art. 7). Concluderend kan worden gesteld dat het onder Nederlandse omstandigheden niet altijd eenvoudig is om begraafplaatsen in te richten die aan de in het Blb geformuleerde eisen voldoen. Mede hierom zijn deze eisen nader uitgewerkt tot technische aanbevelingen (zie bijlage 2). Aan deze handelingen kunnen door middel van een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8, lid 1van de Wet bodembescherming regels worden gesteld.