CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 8 - Inspectierichtlijn lijkbezorging 1999

Informatiebijeenkomst 15 januari 2026, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Beeldvormende bespreking Raadsvoorstel Aanwijzing bijzondere begraafplaatsen eigen grond en raadsvoorstel Beleid begraafplaatsen op eigen grond21.226 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Wanneer tijdens een ruiming blijkt dat één of enkele stoffelijke overschotten niet volledig zijn geskeletteerd (b.v. door adipocire-vorming), is het noodzakelijk de oorzaak hiervan (b.v. een lijkhoes) weg te nemen en het lijkverteringsproces onder betere omstandigheden te laten vervolgen. Teraardebestelling dient in een goed doorluchte bodem (bovenste graflaag) plaats te vinden, terwijl de grond ter plaatse bij voorkeur beplant moet worden. Indien bij van een voorgenomen ruiming blijkt dat de lijkvertering op grote schaal onvolledig heeft plaatsgevonden, dient gehandeld te worden zoals is besproken in hoofdstuk 6. Het is gewenst bij de planning van de benodigde begraafruimte (ook in een verdere toekomst) rekening te houden met dergelijke fenomenen.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 52/62

>

bijlage 3

Handleiding voor het opgraven van lijken en het ruimen van graven

Opgraven van lijken is op grond van Wlb art. 29 gehouden aan goedkeuring van de burgemeester en toestemming van de rechthebbende van het graf. Na verloop van de wettelijke termijn van grafrust van 10 jaar en het verlopen van de grafrechten mag een graf worden geruimd; een ruiming behoeft dan geen goedkeuring van de burgemeester (Wlb art. 31). Een opgegraven lijk dient altijd herbegraven of gecremeerd te worden. Bij ruiming is dit niet het geval maar dient wel voldaan te worden aan Wlb art. 31, lid 3; teraardebestelling van skeletdelen vindt dan veelal plaats in een zogenaamde knekelput. Cremeren na ruiming vindt slechts sporadisch plaats, omdat dit uitsluitend is toegelaten op verzoek van de in Wlb art. 18 bedoelde persoon. Bovendien dient de officier van justitie van de plaats van ruiming hiervoor schriftelijk toestemming te verlenen. In de praktijk is bij opgravingen binnen 10 jaar na begraven de kans op het aantreffen van (gedeeltelijk) onverteerde lijken groot. Deze kunnen overigens ook bij ruiming na 10 jaar worden aangetroffen, zodat deze handleiding in dergelijke gevallen eveneens van toepassing is. Tijdens het verteringsproces ontstaan allerlei, al dan niet giftige, (tussen)verbindingen. Ook kan een verterend lijk als voedingsbodem dienen voor allerlei, soms pathogene of infectieuze, micro-organismen.

Om die reden is het noodzakelijk bij opgravingen zowel het betrokken personeel als de omgeving hiertegen te beschermen. Bovendien dient men omwille van de piëteit regels en voorschriften in acht te nemen. Het volgende is daarom bij opgravingen van belang: 1. Opgraving van één of meer lijken kan eerst plaatsvinden nadat de bestemming ervan is vastgesteld en na goedkeuring door de burgemeester en de rechthebbende van het graf. Ook dient de betrokken inspecteur tijdig in kennis te zijn gesteld. 2. Voordat met de werkzaamheden mag worden aangevangen, dient een plan van aanpak te worden gemaakt. Hierin wordt vastgelegd, hoe opgetreden wordt bij het aantreffen van onvolledig verteerde resten en wat de herbestemming is. Behalve de technische uitvoering dienen tevens richtlijnen te worden vermeld met betrekking tot aan te treffen al dan niet waardevolle voorwerpen. Speciale aandacht dient te worden geschonken aan de mogelijke aanwezigheid van asbest dekplaten welke in het verleden veelvuldig werden aangebracht onder grafmonumenten.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 53/62

> 3. Rond de plaats van opgraving (of rond het betreffende deel van de begraafplaats) dient vóór de aanvang van de werkzaamheden een scherm te worden geplaatst dat het zicht op de werkzaamheden ontneemt. Indien sprake is van slechts een enkele opgraving kan de plaatsing van een apart scherm achterwege blijven, indien men er zeker van is dat niemand van de werkzaamheden hinder zal ondervinden. 4. De werkzaamheden moeten zoveel als mogelijk zonder onderbreking worden voortgezet; indien de werkzaamheden niet binnen één dag kunnen worden voltooid, dienen openingen in het onder 3 bedoelde scherm dagelijks na beëindiging van de werkzaamheden te worden afgesloten. 5. De met de opgravingwerkzaamheden belaste personen dienen te beschikken over voldoende deskundigheid en dienen beschermende veiligheidskleding te dragen. Deze dient mede afgestemd te zijn op de te verwachten mate van vertering van de stoffelijke overschotten. Speciale aandacht dient hierbij te worden geschonken aan eventueel besmettingsgevaar en bescherming van de luchtwegen. Bij opgravingen in de rij dienen de naastgelegen monumenten zonodig te worden gestut teneinde omvallen of afschuiven in de richting van de opgraving te voorkomen. Werkzaamheden dienen conform de bepalingen in de Arbo-wet te worden uitgevoerd. Een Arbo-dienst kan desgewenst adviseren. 6.

Na opgraving wordt ieder stoffelijk overschot afzonderlijk opnieuw geborgen in een kist of een ander lijkomhulsel, waarbij wordt zorggedragen voor een blijvende mogelijkheid tot identificatie. 7. Overblijfselen van opgegraven kisten, kistbekleding en kleding worden eveneens in de nieuwe kist gebracht of op zorgvuldige wijze aangeboden aan een erkende vuilverbrandingsinstallatie alwaar zo spoedig mogelijk met de verbranding wordt aangevangen.

8. Indien kledingstukken of andere omhulsels worden aangetroffen die het verteringsproces ernstig vertragen, wordt de ondoordringbaarheid voor lucht van deze omhulsels bij de herkisting afdoende opgeheven. Indien mogelijk wordt het omhulsel verwijderd. 9. Herbegraving of crematie van de stoffelijke overschotten vindt plaats in een kist of ander lijkomhulsel. Tijdens eventueel transport van stoffelijke resten wordt, indien er sprake is van onverteerde resten, gebruik gemaakt van een lucht- en vloeistofdichte kist. Uitsluitend ten behoeve van het transport mag deze kist van niet-afbreekbaar materiaal zijn vervaardigd. Als gebruik wordt gemaakt van een transportvoertuig, moet deze voor dit doel geëigend zijn; de cabine dient op deugdelijke wijze van de laadruimte te zijn gescheiden en de laadruimte dient goed reinigbaar te zijn. 10. Indien op medische gronden of volgens internationale bepalingen (grensoverschrijdend lijkenvervoer) een zinken binnenkist is vereist, moeten hierin tevoren ontluchtingsopeningen worden aangebracht, die tijdens het eventuele transport moeten zijn dichtgeplakt; dergelijke openingen dienen zich in de zijwanden te bevinden, vlak onder het deksel, en in de bodem om te voorkomen dat intredend vocht in de kist blijft staan.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 54/62

> 11. Ongeacht of de bestemming van het lijk binnen of buiten de begraafplaats van opgraving is gelegen, dient het lijk op de dag van opgraving te worden vervoerd en herbegraven of gecremeerd. Bij ruimingen is het volgende van belang: 12. Ruimingen kunnen eerst plaatsvinden nadat de termijn van grafrust is verstreken. Ruim van tevoren dienen de nabestaanden te worden geïnformeerd, teneinde de gelegenheid te geven tot opgraven en herbestemming. Bij graven waarop een uitsluitend recht berust, moet toestemming van de rechthebbende zijn verkregen. Ook dient de betrokken inspecteur tijdig in kennis te zijn gesteld. 13. Voordat met de werkzaamheden mag worden aangevangen, dient een plan van aanpak te worden gemaakt. Hierin wordt vastgelegd, hoe de bestemming van de volledig geskeletteerde delen is geregeld, hoe opgetreden wordt bij het aantreffen van onvolledig verteerde resten en wat daarvan de herbestemming is. Behalve de technische uitvoering dienen tevens richtlijnen te worden vermeld met betrekking tot aan te treffen al dan niet waardevolle voorwerpen, hierbij valt ook te denken aan grafstenen e.d.. 14. de plaats van ruiming (of rond het betreffende deel van de begraafplaats) dient vóór de aanvang van de werkzaamheden een scherm te worden geplaatst dat het zicht op de werkzaamheden ontneemt. 15.

De met de ruimingwerkzaamheden belaste personen dienen te beschikken over voldoende deskundigheid en dienen beschermende veiligheidskleding te dragen. Deze dient mede afgestemd te zijn op de te verwachten mate van vertering van de stoffelijke overschotten. Speciale aandacht dient hierbij te worden geschonken aan eventueel besmettingsgevaar en bescherming van de luchtwegen. Werkzaamheden dienen conform de bepalingen in de Arbo-wet te worden uitgevoerd. Een Arbo-dienst kan desgewenst adviseren. 16. Overblijfselen van opgegraven kisten, kistbekleding en kleding worden op zorgvuldige wijze aangeboden aan een erkende vuilverbrandingsinstallatie alwaar zo spoedig mogelijk met de verbranding wordt aangevangen.

17. Kledingstukken of andere omhulsels, die hebben geleid tot onvolledige skelettering, worden indien mogelijk verwijderd, of tenminste wordt daarvan de ondoordringbaarheid voor lucht opgeheven. 18. De onvolledige geskeletteerde resten worden op zorgvuldige wijze teraarde besteld. Tijdens eventueel transport van deze onverteerde resten, wordt gebruik gemaakt van een lucht- en vloeistofdichte kist. Uitsluitend ten behoeve van het transport mag deze kist van niet-afbreekbaar materiaal zijn vervaardigd. Als gebruik wordt gemaakt van een transportvoertuig, moet deze voor dit doel geëigend zijn; de cabine dient op deugdelijke wijze van de laadruimte te zijn gescheiden en de laadruimte dient goed reinigbaar te zijn.

Voor meer gedetailleerde informatie of adviezen kan de Arbeidsinspectie worden geraadpleegd (zie referentielijst). Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 55/62

>

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 56/62

>

bijlage 4

Modelvoorschriften voor crematoria in het kader van de Wet milieubeheer

In deze bijlage zijn alleen de specifieke voorschriften voor de milieucompartimenten lucht, bodem en geluid opgenomen. De overige modelvoorschriften zijn te vinden in het Handboek Milieuvergunningen.

1.

Bodem

Voor het verstrooien van crematie-as kan dezelfde benadering worden gevolgd als voor een bouwstof volgens artikel 1, onderdeel b van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. Toepassing van de regels uit het Bouwstoffenbesluit op het verstrooien van crematie-as leidt tot marginale bodemverontreiniging. Voor de regels omtrent het verstrooien van as wordt verwezen naar punt 3 in deze bijlage. Strooivelden mogen niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd, tenzij bodem- en grondwaterbeschermende maatregelen worden getroffen. De provinciale milieuverordening kan hiervoor regels bevatten.

2.

Geluid 2.1. Het equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden, mag gemeten op 5 m hoogte op enig punt op de terreingrens niet meer bedragen dan: 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur; 45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur; 40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. 2.2. Op zondagen en algemeen erkende feestdagen gelden tussen 07.00 en 19.00 uur de niveaus van de periode tussen 19.00 en 23.00 uur. 2.3. Piekwaarden die een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten mogen ter plaatse van woningen van derden en/of andere geluidgevoelige bestemmingen gemeten als Lmax in de meterstand "fast" niet meer bedragen dan:

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 57/62

>

2.4.

2.5.

60 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur; 55 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur; 50 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. Het voorschrift 2.3 is niet van toepassing op het laden en lossen ten behoeve van de inrichting voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur. Het voorschrift 2.3 is eveneens niet van toepassing op het in en uit de inrichting rijden van motorvoertuigen, voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur. Controle of berekening van de in de geluidvoorschriften vastgelegde geluidniveaus, moet geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai, IL-HR-13-01", van maart 1981, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Toelichting: Indien het geluid afkomstig is van een muziekapparaat wordt op de gemeten of de berekende equivalente geluidniveaus LAeq een toeslag van +10 dB(A) gegeven. Als het geluid alleen een tonaal en/of impulsachtig karakter bezit, wordt een toeslag van +5 dB(A) gegeven.

2.6. 2.7.

3.

Het gebruik van radio's, akoestische signalering en omroepinstallaties is slechts toegestaan indien deze geluidbronnen buiten de inrichting niet hoorbaar zijn. Omroep- of muziekinstallaties moeten zodanig zijn afgesteld dat deze buiten de inrichting niet hoorbaar zijn.

Asverstrooiing 3.1.

Verstrooiing van as moet gelijkmatig geschieden en zodanig dat de as niet door verwaaiing buiten het terrein van de inrichting of het strooiveld terechtkomt of kan komen. 3.2. Een onderzoek van het RIVM naar alle uitgevoerde onderzoeken en inventarisaties leidt tot de volgende conclusie omtrent de hoeveelheden as die verstrooid mag worden: 3.2.1. Maximaal 90 verstrooiingen per hectare per jaar, zonder dat aanvullende maatregelen nodig zijn; 3.2.2. Maximaal 370 verstrooiingen per hectare per jaar, met de volgende aanvullende maatregelen: • Bepaling van de concentraties zware metalen in de toplaag van het strooiveld en het afstromend grondwater conform NVN-5470 en de in deze voornorm vermelde NEN-normen voor monsterneming, conservering, menging en analyse. Deze bepaling dient eens per 25 jaar te worden verricht. De concentraties zware metalen mogen niet hoger zijn dan de interventiewaarden. • Bepaling van de immissie van zware metalen naar de aangrenzende bodem of het oppervlaktewater op basis van de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven, en de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Deze bepaling dient eens per 25 jaar moeten worden verricht. De immissies mogen de in het Bouwstoffenbesluit gestelde grenswaarden niet overschrijden;

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 58/62

> • Bepaling van de concentratie en de immissie van fosfaat op basis van de in het

Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN-normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven en de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Hierbij dienen de uitloogproeven te worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het strooiveld. Deze bepaling dient eens per 25 jaar te worden verricht. De immissie mag niet hoger zijn dan 1.000 mg /m2per jaar; • Bij geconstateerde overschrijdingen van de voorgeschreven normen dienen maatregelen genomen te worden ter voorkoming van verspreiding van de verontreiniging naar het omringende milieu. Hierbij zijn de regels van de Wbb van toepassing 3.2.3. Maximaal 3200 verstrooiingen per hectare per jaar, met de volgende aanvullende maatregelen: • Bepaling van de concentraties zware metalen in de toplaag van het strooiveld en het afstromend grondwater conform NVN-5470 en de in deze voornorm vermelde NEN-normen voor monsterneming, conservering, menging en analyse. Deze bepaling dient eens per 5 jaar te worden verricht. De concentraties zware metalen mogen niet hoger zijn dan de interventiewaarden.

• Bepaling van de immissie van zware metalen naar de aangrenzende bodem of het oppervlaktewater op basis van de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven, en de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Deze bepaling dient eens per 5 jaar te worden verricht. De immissies mogen de in het Bouwstoffenbesluit gestelde grenswaarden niet overschrijden; • Bepaling van de concentratie en de immissie van fosfaat op basis van de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven NEN-normen voor monsternemingen, monstervoorbereidingen, analyses en uitloogproeven en de in het Bouwstoffenbesluit voorgeschreven berekening van de immissie. Hierbij dienen de uitloogproeven te worden uitgevoerd op een representatief bodemmonster van het strooiveld. Deze bepaling dient eens per 5 jaar te worden verricht. De immissie mag niet hoger zijn dan 1.000 mg /m2 per jaar; • Bij geconstateerde overschrijdingen van de voorgeschreven normen dienen maatregelen genomen te worden ter voorkoming van verspreiding van de verontreiniging naar het omringende milieu. Hierbij zijn de regels van de Wbb van toepassing • Tevens dient volgens de regels van het Bouwstoffenbesluit de as van het strooiveld te worden verwijderd.

3.2.4 Boven 3200 verstrooiingen per hectare per jaar dienen er zodanige maatregelen te worden getroffen dat op geen enkele wijze as in de bodem kan geraken. Onderafdichting van het strooiveld en controle op het percolatiewater geldt als isolatiemiddel in de zin van het Bouwstoffenbesluit. 3.3.

Tevens adviseert de Inspectie Milieuhygiëne het gebruik van wisselvelden. De minimale oppervlakte van de twee wisselstrooivelden kan eenvoudig berekend worden.

3.4.

Bij het gebruik van wisselvelden gelden de bovengenoemde regels voor controlemetingen ter bepaling van de verspreiding van verontreinigende stoffen naar het omliggende milieu. Bij een maximaal aantal verstrooiingen van 370 per hectare per jaar kunnen de concentratiebepalingen van zware metalen in de bovenlaag echter achterwege worden gelaten. Dit geldt niet voor de immissiebepalingen.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 59/62

> 4.

Lucht 4.1. 4.2.

Er is een NeR-regeling voor crematoria, deze is van toepassing op nieuwe installaties. De berekening van de emissieconcentraties moet worden betrokken op een zuurstofgehalte van 11% onder normale condities van een rookgas.

Elke installatie moet zodanig worden bediend en zijn afgesteld dat: 4.2.1. De concentratie koolmonoxide bij de uitmonding van de schoorsteen de waarde van 50 ppm niet overschrijdt; 4.2.2. Voor nieuwe installaties geldt voorts nog dat: • De uitworp van kwik en kwikverbindingen in de buitenlucht niet meer bedraagt dan 0,20 mg/m3, berekend als Hg; • De vorming van NOx wordt beperkt door het toepassen van low-NOx-branders in de oven en in de naverbrander. 4.3. Binnen zes maanden na het van kracht worden van de vergunning dient een emissierapport aan het bevoegd gezag te worden opgestuurd. Indien reeds een emissierapport met soortgelijke emissie-omstandigheden bestaat (crematorium elders), kan worden volstaan met het opsturen van het reeds bestaande rapport. 4.4. In elk rookkanaal van een crematie-oven moeten monsterpunten aanwezig zijn, waardoor op eenvoudige wijze monsters van de rookgassen kunnen worden genomen. 4.5. De uit de crematie-ovens ontwijkende gassen en dampen moeten alvorens te worden uitgeworpen in een aardgasgestookte naverbrandingseenheid worden gereinigd. 4.6. De besturing van de installatie moet zodanig zijn ingesteld dat de naverbrandingsinstallatie op maximale capaciteit is ingeschakeld voordat een voorziene piekbelasting kan optreden. De temperatuur in de naverbrandingseenheid moet tijdens het proces ten minste 800°C bedragen.

Het zuurstofgehalte van deze gassen moet gedurende de gehele crematietijd tenminste 6% bedragen. Het is echter toegestaan dat gedurende maximaal één minuut per crematietijd dit percentage tot niet minder dan 3% daalt. 4.7. De verblijftijd van de rookgassen in de naverbrandingseenheid moet tenminste 1,5 seconde bedragen. 4.8. De regeling waarmee de ovenverbrander(s) en de branders van de naverbrandingsinstallatie worden gestuurd moet automatisch werken en zodanig functioneren dat pyrolyse in de oven wordt voorkomen. De verbrandingsprocessen dienen op basis van zuurstofgehalte en temperatuur te worden aangestuurd. 4.9. Het temperatuurverloop en het O2-gehalte in de naverbrandingsinstallatie moeten worden geregistreerd. 4.10. De meetgegevens van de in voorschrift 4.9 genoemde meetapparatuur dienen tenminste 1 jaar te worden bewaard en moeten desgevraagd aan de controlerende ambtenaar kunnen worden overgelegd. Deze gegevens moeten zijn voorzien van tijd en datum.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 60/62

>

bijlage 5

Overzicht van informatie die van belang is bij beslissingen tot opgraven van lijken of het ruimen van graven, bij aanleg of uitbreiding van begraafplaatsen en bij (woning)bouw nabij begraafplaatsen.

Bij de volgende informatie dient steeds rekening gehouden te worden met onverwachte situaties. Het is daarom van belang bij alle scenario's over een calamiteitenplan te beschikken. Milieuhygiënisch relevante informatie betreffende: A

A.

Opgravingen (Wlb art. 29)

1. Datum begraving 2. Verwachte staat van de kist 3. Eventueel gebruik van lijkhoezen 4. Verwachte stadium van skelettering (aan de hand van de bodemgesteldheid van en de waterhuishouding op en rond de begraafplaats) 5. Aantal begravingen en plaats in het graf 6. Naam van dienst of firma die de opgraving zal verrichten Overige: 7. Reden voor de gewenste vergunning 8. Ingeval van meerdere begravingen, toestemming overige rechthebbenden 9. Oordeel van de met de uitvoering belaste beheerder van de begraafplaats 10. Bestemming op te graven stoffelijk overschot. B.

Ruimingen (Wlb art. 31)

1. Datum waarop (de laatste) begravingen plaats vonden 2. Aantal te ruimen graven (bij grotere aantallen een ruimingsplan) 3. Eventueel gebruik van lijkhoezen. 4. Bodemgesteldheid van en waterhuishouding op en rond de begraafplaats (ingeval van problemen, inclusief een verbeteringsplan) 5. Plan van aanpak hoe om te gaan met onvolledig verteerde resten en herbestemming daarvan 6. Bestemming resten 7. Naam van dienst of firma die de ruiming zal uitvoeren.

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 61/62

> C.

Aanleg of uitbreiding van begraafplaatsen (Wlb art. 34 of 40) en (woning)bouw in de nabijheid van bestaande begraafplaatsen

1. Situering van de (aan te leggen of uit te breiden) begraafplaats in de omgeving duidelijke plattegrond met bestemmingen van percelen en panden - afstanden 2. Situering van (toekomstige) woningen ten opzichte van (toekomstige) begraafplaats 3. Getroffen of te treffen maatregelen in verband met de privacy: in de visuele sfeer (b.v. groengordel) en ter voorkoming van geluidsoverlast 4. Is er een Bestemmingsplan van kracht of in voorbereiding? 5. Begraafcapaciteit; hieronder wordt verstaan het maximale (verwachte) aantal begravingen per hectare per jaar, gemiddeld over de totale gebruikstijd 6. Is er of komt er drainage op de begraafplaats en zo ja, op welke wijze wordt deze aangesloten? 7. Hoe wordt de geohydrologische afscheiding gewaarborgd tussen de begraafplaats en aangrenzende percelen (b.v. sloot of ringdrain)?

Ministerie van VROM

Inspectierichtlijn Lijkbezorging, 3e herziene druk

Pagina 62/62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16455308/2