Bijlage 1 - Toelichting-BP Genemuiden, Binnenveld
Tekst van het document
Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.
4.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
4.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken. Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.
Afbeelding 4.1
4.2.4
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of – generieke beleidskeuzes' is geconstateerd dat de volgende artikelen van belang zijn; 2.1.2, 2.1.3, 2,1.5 en 2.2.2. Hierna worden de betreffende artikelen nader beschreven en getoetst. Artikel 2.1.2
Principe van concentratie
1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening Overijssel De uitbreidingswijk ‘Binnenveld’ wordt mogelijk gemaakt om te voorzien in de lokale vraag c.q. behoefte aan woningen. Daarbij wordt er ook uitvoering gegeven aan de concrete- en lokale behoefte aan zorgwoningen (het woon-zorginitiatief met 78 zorgwoningen). Het voornemen is dan ook in overeenstemming met het ‘Principe van concentratie’. Artikel 2.1.3
Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
1. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: a. dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; b. dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro; Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel Zoals beschreven in hoofdstuk 3 en paragraaf 4.1 zijn er in de gemeente Zwartewaterland geen geschikte alternatieve locaties beschikbaar om in de woningbehoefte te kunnen voorzien.
Geconcludeerd wordt dat de behoefte en dus ook het plan niet binnen het bestaand stedelijk gebied van Genemuiden in de gemeente Zwartewaterland gerealiseerd kan worden en dat het uitbreiden van de kern Genemuiden ter plaatse van het plangebied de enige logische en realistische mogelijkheid betreft. Het plangebied gaat daarnaast, gelet op ligging aansluitend aan de noordelijke woonwijken, feitelijk gezien in de toekomst onderdeel uit maken van de kern Genemuiden. In verband hiermee is het voorliggende bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 2.1.3 uit de Omgevingsverordening Overijssel. Met het plan wordt voldaan aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. 2. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. 4.
Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer: a. er sprake is sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen; en b. voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel Van belang bij het uitbreiden van de bebouwde kern van Genemuiden is dat de uitbreidingslocatie op een adequate wijze wordt ingepast. Hierbij wordt opgemerkt dat de oorspronkelijke kenmerken van het gebied ter plaatse van het plangebied nauwelijks nog waarneembaar zijn. Dit heeft met name te maken met het feit dat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw en teelt. Bij de hoofdopzet van het planvoornemen is aansluiting gezocht bij de daar voorkomende landschapsstructuren en de stedenbouwkundige opzet van Genemuiden, waarbij gekeken is naar een adequate inpassing van het plan in relatie tot de natuurlijke kenmerken en de geschiedenis van het gebied. Tot slot is hiervoor in hoofdstuk 3 reeds beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het bepaalde in artikel 2.1.5. Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen 1. Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. 2.
In bestemmingsplannen wordt in maximaal 80% van de behoefte aan nieuwe woningen zoals vastgesteld in het kader van actueel onderzoek woningbouw, voorzien. 3. In bestemmingsplannen van gemeenten waarvoor woonafspraken van toepassing zijn, mag - in afwijking van lid 2 - in een hoger percentage dan 80% worden voorzien, met een maximum van 100% van de behoefte zoals vastgesteld in het kader van de woonafspraken. 4. De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. 5. Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek woningbouw waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten. 6. In afwijking van het bepaalde in lid 5 geldt de eis dat gemeenten in de regio moeten hebben ingestemd niet voor buurgemeenten die gelegen zijn buiten de provincie Overijssel. In dat geval moet zijn aangetoond dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. De van belang zijnde begrippen in het kader van artikel 2.2.2 zijn hierna opgenomen: • •
•
•
•
Nieuwe woningen: te realiseren woningen, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven. Actueel onderzoek woningbouw: door de raad vastgesteld onderzoek waarin de behoefte van de gemeente aan nieuwe woningen is onderbouwd op basis van de regionale behoefte woningbouw, markten vastgoedanalyses en andere relevante gegevens. Regionale behoefte woningbouw: door Gedeputeerde Staten vastgestelde provinciale analyse waarin de regionale behoefte aan nog te realiseren woningen is onderbouwd op basis van provinciale behoefteprognoses. Woonafspraken: bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer doelgroepen, wonen en zorg, stedelijke vernieuwing, toekomstbestendigheid bestaande voorraad, programmeren en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt. Regio: de gemeenten die onderdeel uitmaken van de samenhangende woningmarkt die bediend wordt met de woningbouwmogelijkheden die een gemeente biedt.
In artikel 2.2.2 lid 1 van de Omgevingsverordening wordt onder actueel onderzoek woningbouw verstaan: onderzoek dat eens in de 2 jaar wordt geactualiseerd. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor maximaal 243 woningen bij recht nabij/aansluitend aan de kern Genemuiden. Het plan voldoet aan het gemeentelijk woonbeleid en de woonafspraken met de provincie Overijssel. Gelet op het vorenstaande wordt voldaan aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld Voor het overige zijn er in het kader van de “generieke beleidskeuzes” geen aspecten die nadere onderbouwing behoeven. 4.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Op basis van de kaarten behorend bij de Omgevingsvisie valt de uitbreidingslocatie ‘Binnenveld’ binnen het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’. Hierna is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen, het plangebied is aangegeven met de rode omlijning. Het plangebied is gelegen tegen de kern van Genemuiden, en ligt strak tegen het ontwikkelingsperspectief “Woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken”.
Afbeelding 4.2
Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Hierna is een omschrijving van het geldende perspectief ter plaatse opgenomen. “Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap” Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). Toetsing van het initiatief aan het “Ontwikkelingsperspectief” Ten aanzien van het realiseren van ‘Binnenveld’ wordt opgemerkt dat de ontwikkelingsperspectieven een hoofdkoers geven op provinciaal niveau. Dit vraagt maatwerk op lokaal niveau. De begrenzing van de gebieden moet worden gezien als signaleringsgrens. Bij doorvertaling naar gemeentelijk niveau betekent dit dat er nog variaties en detailleringen kunnen voorkomen. Gemeenteraden mogen daarom gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld • •
er sprake is van sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen, en; voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.
Zoals uit paragraaf 4.1.2 is gebleken, is er in redelijkheid geen ruimte beschikbaar voor deze ontwikkelingen. Een invulling van het plangebied als woongebied is dan ook vanuit ruimtelijk en functioneel oogpunt logisch en zelfs wenselijk. Daarbij maakt dat het karakter van het gebied rondom het plangebied met een menging van meerdere functies, waarbij de functie 'agrarisch' niet meer de hoofdfunctie is, dat een nuancering ter zake van de begrenzing van het ontwikkelingsperspectief noodzakelijk is. De ontwikkelingsperspectieven zijn dan ook niet normstellend maar richtinggevend. Afwijkingen van de ontwikkelingsperspectieven zijn daarom mogelijk, mits de ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken wordt versterkt en er voor de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r-plicht. In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die aansluit bij de ruimtelijk-functionele structuur van de omgeving in combinatie met een versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. In voorliggend geval is aangetoond dat de woningbehoefte niet kan worden opgevangen binnen de kern. Hierdoor is uitbreiding noodzakelijk. Het plangebied grenst aan bestaand stedelijk gebied en vormt hierdoor een geschikte uitbreidingslocatie. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor overige functies in de omgeving (zie ook hoofdstuk 5).
De nieuwe woningen passen zowel vanuit stedenbouwkundig als functioneel oogpunt goed in de omgeving en de woonbuurt wordt op een adequate wijze landschappelijk ingepast (hetgeen wordt geborgd middels o.a. de groenbestemming). 4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De “Stedelijke laag” wordt buiten beschouwing gelaten omdat er (nog) geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn. De “Natuurlijke laag“ Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Deze beeldbepalendheid kan ook in steden en dorpen bij voorbeeld nieuwe waterrijke woonmilieus en bij nieuwe natuur in stad en dorp worden gecreëerd. Het plangebied (rode omlijning) is op de gebiedskenmerkenkaart de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstype “Laagveengebieden (in cultuur gebracht)”.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld
Afbeelding 4.3
Uitsnede natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)
“Laagveengebieden” De laagveengebieden zijn grote gebieden, waar onder invloed van stagnerend water en grondwater uitgestrekte veenmoerassen zijn ontstaan. Het is een samengesteld landschap van rietland op een pakket veenlagen (kraggen) en vaarten, afgewisseld met bos. Het landschap is ontstaan door turfwinning, rietteelt en extensieve veehouderij. Als ontwikkelingen plaats vinden in de laagveenrestanten, dan dragen deze bij aan verhoging van het waterpeil om bodemdaling en verdwijnen van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend laagveen. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' De gronden in het plangebied zijn voornamelijk en daarmee grotendeels in cultuur gebracht ten behoeve van de landbouw. Het plangebied wordt op een landschappelijk verantwoorde wijze ingepast in het landschap en de omgeving, waarbij tevens wordt voorzien in de wateropgave. Met de beoogde inrichting is rekening gehouden met de kenmerken van het bestaande landschap. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de “Natuurlijke laag”. De ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld.
Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. De locatie (rode omlijning) is op de gebiedskenmerkenkaart de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met de gebiedstype “Laagveenontginningen”.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld
Afbeelding 4.4
Uitsnede laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)
“Laagveenontginningen” De laagveenontginningen is een open, laag en nat landschap, ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen. Deels door vervening, deels door alleen ontwatering. Kenmerkende zonering van intensief gebruik langs de bewoonde randen en extensief gebruik naar het achterland. Boerderijen zijn gesitueerd langs vaarten en wegen. De ambitie is de cultuurhistorische kwaliteiten van het laagveenlandschap zoveel als mogelijk in stand te houden en beleefbaar te maken. De grote open ruimtes, het patroon van sloten met beplantingen, de vochtige bloemrijke weides met weidevogels geven dit landschap grote belevingswaarde. De grondgebonden landbouw is de drager van deze kwaliteiten, echter een nieuw perspectief op een gebiedsgerichte bedrijfsvoering - eventueel in combinatie met andere functies - is voor de toekomst van deze gebieden zeer wenselijk. Het karakteristieke bebouwingspatroon (voorkant aan de openbare weg; achterkant aan het landschap) vormt vertrekpunt bij herstructurering, verdichting en uitbreiding van de agrarische bebouwing en de woon-/ werkmilieus. Als ontwikkelingen plaats vinden in de laagveenontginningen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van het lint als karakteristieke bebouwingsstructuur.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in woningbouw en er is geen sprake van (onevenredige) aantasting van de dragende structuren van het landschap. De ontwikkelingen die plaatsvinden dragen bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren van het landschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. In de verdere uitwerking zal de landschappelijke inpassing verder worden uitgewerkt. Het beeldkwaliteitplan en de inrichtingsplan openbare ruimte zullen hier verder vorm aan geven. In het plan is veel openbaar groen verwerkt, waardoor de overgang van de bebouwde kom van Genemuiden naar het plangebied verzacht wordt. De groene ader die door de wijk heen is verweven brengt het ‘groene’ gevoel tot diep in het plangebied. Dit is van belang om een toekomstbestendige woonwijk te realiseren. Het is immers toekomstbestendig om middels de aanleg van voldoende ‘groen’ en ‘water’ in te spelen op de veranderende klimatologische omstandigheden, om zo hittestress tegen te gaan of te worden verrast door de toename aan neerslag(overlast). Dit wordt bereikt door een stedenbouwkundige inrichting met veel groen. Hierbij is expliciet ook gekozen voor gestapelde bouw in het planvoornemen, zodat de verharding en bebouwing minder grondbeslag kent.
In het plangebied is 25.264 m² bedoeld voor groen (35%), 3.215 m² voor water (5%), 14.422 m² voor verharding en wegen (20%) en 28.176 m² voor uitgeefbare gronden ten behoeve van woningbouw/maatschappelijke woonzorg-initiatief). Geconcludeerd wordt dat de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld De ‘Laag van de beleving’ Met de natuurlijke laag, de laag van het agrarische cultuurlandschap en de stedelijke laag is het spectrum van de ruimtelijke kwaliteit nog niet compleet. De Laag van de beleving is het domein van de belevenis, de betekenis en identiteit. Het voegt kenmerken toe als landgoederen, recreatieparken, recreatieve routes maar benut ook vooral de kwaliteit van de andere drie lagen. Het maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Het belevenisaspect wordt een steeds belangrijker pijler onder het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De ambitie is gericht op sterke ruimtelijke identiteiten als motor voor gebiedsontwikkeling. Het gaat er om beleving, betekenis en kwaliteit van de omgeving te versterken en de beleefbaarheid en toegankelijkheid van het landschap te vergroten. Het plangebied (rode omlijning) heeft op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van de beleving’ de aanduiding ‘IJssellinie inundatieveld’.
Afbeelding 4.5
Uitsnede laag van de beleving (Bron: Provincie Overijssel)
“IJssellinie inundatieveld” Dit gebied is één van de bakens in de tijd en brengt een cultuurhistorische ambitie met zich mee. Zoals het creëren van verbindingen en verbanden tussen bestaande bakens, welke onderdeel van een groter geheel zijn maar nu verloren of geïsoleerd in het landschap liggen. Tevens kunnen bakens van deze tijd worden toegevoegd. Cultuurhistorische waarden dienen behouden te worden door ze bewust in te zetten in gebiedsopgaves. Toetsing van het initiatief aan de "Laag van de beleving” De functie van het gebied als inundatieveld is op deze locatie niet meer waarneembaar. Het plangebied heeft daarnaast geen cultuurhistorische waarde. Geconcludeerd wordt dat de ‘Laag van de beleving” zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie tevens woonvisie Zwartewaterland 2013
4.3.1.1 Algemeen De ‘Structuurvisie tevens woonvisie Zwartewaterland 2013’ is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 april 2012. De structuurvisie heeft geen directe bindende werking voor de burger, op basis van de structuurvisie worden nog geen ontwikkelingen daadwerkelijk mogelijk gemaakt. Wel biedt de structuurvisie het ruimtelijke kader voor de uitwerking van concrete plannen en projecten. De uitwerking van de structuurvisie vindt plaats door middel van het vaststellen van bestemmingsplannen voor de diverse ontwikkelingslocaties. Deze zijn wel rechtstreeks bindend voor de burger. 4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie tevens woonvisie Zwartewaterland 2013 De voorgenomen ontwikkeling zorgt er voor dat er binnen het plangebied woningen worden toegevoegd. Dit sluit aan op de behoefte aan woningen die er in Genemuiden is (zie ook paragraaf 4.1 en 4.2). Daarnaast betreft het ‘Binnenveld’ een centraal gelegen plek. Woningbouw is dus zeer wenselijk. Om ervoor te zorgen dat de kern Genemuiden qua woningbouw mogelijkheden niet ‘op slot’ gaat is het gewenst om uit te breiden met nieuwe woningbouwkavels. De beoogde woningen worden gasloos uitgevoerd, en zullen worden voorzien van een warmtepomp (of soortgelijk systeem) en/of zonnepanelen.
Daarnaast voorziet het plan in het toevoegen van verschillende woningtypen en biedt het eveneens mogelijkheden ten aanzien van levensloopbestendige woningen alsook zorg-wonen (woonzorg-initiatief). Het is hierbij van belang dat er een integraal ontwerp voor ‘Binnenveld’ ontstaat waarbij ruimtelijke kwaliteit centraal staat. Het planvoornemen zorgt voor een intensief en compact ruimtegebruik en voorziet zowel in de noodzakelijk woningen als een correcte belangenafweging voor de realisatie van woningen buiten (maar direct aansluitend) bestaand stedelijk gebied. De woningbouwopgave betreft een voornemen waarbij woonwijk en landschap (met kenmerkende landschapselementen) als het ware verweven worden. De integrale uitbreiding biedt kansen om de zuidrand van het dorp Genemuiden verder ‘af’ te maken. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de gemeentelijke structuurvisie. 4.3.2
Woonvisie Zwartewaterland
4.3.2.1 Algemeen In januari 2017 heeft de gemeente Zwartewaterland een nieuwe woonvisie opgesteld. Deze woonvisie geeft inzicht in de woonvraagstukken van Zwartewaterland. Het uitvoeringsprogramma laat zien waar de gemeente samen met haar partners heen wil. Deze actuele woonvisie dient ook als basis om te komen tot (prestatie)afspraken en is input voor de omgevingsvisie. De woonvisie is gebaseerd op een woningbehoefteonderzoek. De woonvisie is opgesteld voor de periode 2017-2025. De huishoudensgroei zet in de komende jaren nog stevig door in gemeente Zwartewaterland. In de periode 2015-2025 komen er zo’n 1.000 huishoudens bij. Vanaf 2025 wordt een afvlakking van de toename verwacht. In de gemeente Zwartewaterland is sprake van een kwantitatieve actuele behoefte aan woningen binnen een bandbreedte tussen 500 en 611 woningen voor de periode 2019 t/m 2028. In deze toelichting wordt het midden van de bandbreedte aangehouden, dat is 555 woningen. Volgens recentere cijfers in het kader van de ‘Bouwsteen Wonen’ (zie ook hierna in paragraaf 4.3.3) moet de gemeente tot 2030 750 woningen realiseren. Op dit moment is sprake van onderprogrammering.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld 4.3.2.2 Omgevingsvisie Zwartewaterland De Omgevingsvisie Zwartewaterland is samen met veel inwoners en organisaties uit de gemeente ontwikkeld. De verschillende bijdragen weerspiegelen het karakter van Zwartewaterland: een plattelandsgemeente, maar met een sterk industrieel karakter. Dat is ook de kracht van Zwartewaterland. Die verscheidenheid is prachtig maar kan, bij het nemen van grote beslissingen, wel tot tegengestelde belangen en opvattingen leiden. De omgevingsvisie is dan ook geen blauwdruk, maar maakt het mogelijk om een afweging te maken tussen de verschillende belangen. In de omgevingsvisie staat welke opgaven en ambities de gemeente heeft . De omgevingsvisie loopt vooruit op de Omgevingswet, die vanaf 2023 in werking treedt. Tot het moment dat de Omgevingswet van kracht is en daarmee het instrument omgevingsvisie wettelijk geborgd wordt, is de Omgevingsvisie Zwartewaterland tevens aangemerkt als structuurvisie conform de Wro. De omgevingsvisie heeft een thematische opbouw. Het meest relevant voor dit bestemmingsplan is het thema ‘Wonen’. Het beleid in de Omgevingsvisie ten aanzien van het wonen is afkomstig uit de Woonvisie Zwartewaterland 2017. Er wonen in verhouding veel gezinnen en maar weinig jonge eenpersoonshuishoudens. In Zwartewaterland staan veel koop-eengezinswoningen.
Er zijn weinig (sociale) huurwoningen en appartementen. Het hoge aantal gezinnen zorgt in de gemeente Zwartewaterland voor groei van het aantal jonge kinderen. Het geboorteoverschot (verschil tussen het aantal geboortes en het aantal sterfgevallen) ligt bijna vijf keer hoger dan het landelijk gemiddelde. Het toekomstbeeld voor de gemeente is een gemeente met unieke en vitale kernen. In de kernen is een goed woon- en leefklimaat. Dit toekomstbeeld wil de gemeente bereiken met de volgende zes pijlers: • • • • • •
sterke positionering in de regio; voldoende betaalbare huurwoningen beschikbaar; duurzame woningvoorraad en leefomgeving; wonen, services en zorg; bouwen voor vitale kernen; voldoende woningen voor jongeren en stimuleren eigen woningbezit starters.
De gemeente wil woningbouw zoveel mogelijk laten plaatsvinden binnen de bestaande bebouwde omgeving. Daarnaast is er door de toenemende vergrijzing aandacht nodig voor de bouw van levensloopbestendige woningen in nieuwbouwplannen. In de omgevingsvisie wordt ook aangegeven dat er een ‘bouwsteen wonen’ wordt opgesteld. Momenteel is de gemeente hiermee bezig. Hierin zijn de volgende pijlers van belang: • • • • • • • • • •
inbreiding gaat boven uitbreiding; woningbouwplannen moeten passen binnen de vastgestelde woonbehoefte; minimaal twee-derde van het woningbouwprogramma moet betaalbaar zijn; de woningtypen moeten aansluiten op de woonbehoefte per gebied en doelgroepen; focus op starters en senioren; ruimte bieden voor bijzondere woonvormen; toegankelijk bouwen; aardgasvrij maken van de bestaande woningvoorraad; toekomstgericht bouwen; wonen als vliegwiel voor andere gebiedsopgaven.
4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Zwartewaterland De realisatie van 243 woningen in een prettige woonomgeving met aantrekkelijke groenstructuren past binnen de speerpunten van de Woonvisie van de gemeente Zwartewaterland. Zo sluit het planvoornemen aan op de woonbehoefte zoals reeds eerder is aangetoond. Naast het aantal woningen is binnen de woonvisie met name aandacht voor het type woning. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een dorpswoonmilieu, zoals reeds in hoofdstuk 1,2 en 3 is toegelicht, en voorziet in verschillende woningtypen en sluit daarmee aan op alle doelgroepen. Daarmee ontstaat een gevarieerde woonwijk voor en met veel verschillende lagen van de samenleving. Daarbij sluit het planvoornemen ook goed aan op de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld beleidsontwikkeling, er is immers eveneens ruimte voor een bijzondere woonvorm, te weten de woonzorglocatie (voorzien van een maatschappelijke bestemming) betreffende appartementen voor bewoners met een zorgvraag/beperking. Tenslotte worden woningen worden conform de huidige wetgeving gasloos gebouwd en zijn hierdoor toekomstgericht, omdat deze voldoen aan de meest recente duurzaamheidseisen. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan past binnen de doelstelling van de gemeentelijke woonvisie. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten en ambities, zoals verwoord in de hiervoor genoemde beleidsdocumenten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van geluidsgevoelige objecten (woningen). Hierna wordt achtereenvolgend ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai niet van belang, aangezien het plangebied niet binnen de zone van een bestaande spoorlijn ligt. Daarnaast is het aspect ‘industrielawaai’ niet van belang aangezien het plangebied niet in de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein ligt. Het aspecten wegverkeerslawaai is in voorliggend geval wel van belang. Hierna wordt hier nader op ingegaan. Wegverkeerslawaai BJZ.nu heeft in voorliggend geval een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting. De geluidbelasting ten gevolge van de Krommesteeg bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 51 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de Randweg bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 56 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder en de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid van 48 dB.
De cumulatieve geluidbelasting bedraagt, exclusief reductie, hoogstens 59 dB. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van minstens 24 dB wordt het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Met het plaatsen van de buitenruimtes aan de geluidsluwe zijde en het aanleveren van een bouwakoestisch onderzoek ten tijde van de vergunningverlening wordt voldaan aan de gemeentelijke criteria. Er kan dan ook een hogere waarde van worden verleend voor de woningen. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen aangaande het aspect wegverkeerslawaai. Gelet op voorstaande is het mogelijk het plangebied in te richten voor woningbouw. Voor de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Een hogere waarde procedure zal separaat hiervoor worden doorlopen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt, met inachtneming van de uitkomsten van het akoestische onderzoek en het verlenen van een Hogere Waarde (zoals is opgenomen in bijlage 3) geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2
Situatie plangebied
Sigma Bouw en Milieu heeft ter plaatse van de uitbreidingslocatie ‘Binnenveld’ een verkennend bodem- en bodeminfiltratie-onderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Grond Bovengrond (0.0-0.5 m-mv) (excl. PFAS-stoffen) De bovengrondmengmonsters MM1, MM2, MM4 en MM5 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Bovengrondmonster MM2 bevat een verhoogd gehalte lood en nikkel (zware metalen) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Ondergrond (0.5-2.0 m-mv) De ondergrondmengmonsters MM6 t/m MM9 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Indicatief onderzoek PFAS-stoffen bovengrond (0.0-0.5 m-mv) De bovengrondmengmonsters MM1 t/m MM5 bevatten som PFOA en som PFOS verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens.
De gemeten gehalten in de bovengrondmengmonsters MM1 t/m MM5 overschrijden de geactualiseerde toepassingsnorm voor landbouw/natuur uit het tijdelijk handelingskader PFAS (13-12- 2021) (bij toepassing op landbodem, buiten een grondwaterbeschermingsgebied) niet. Grondwater Peilbuis 1 t/m 8 Het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 1 t/m 8 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Geohydrologisch onderzoek De diepere ondergrond is geschikt voor de aanleg van infiltratievoorzieningen. De bodemopbouw van de bovengrond en ondiepe ondergrond (veen met plaatselijk kleilagen) is zeer beperkt tot niet geschikt voor de aanleg van infiltratievoorzieningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld Toetsing en conclusie Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch onverdacht aangemerkt. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. De grond en het grondwater bevat plaatselijk verhoogde gehalten t.o.v. de achtergrondwaarde resp. de streefwaarde, het gemeten gehalten geven geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie geschikt is voor het beoogde gebruik en er geen milieu-hygiënische belemmeringen zijn. 5.2.3
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en (zeer) fijn stof (PM2,5 en PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM2,5 /PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld 5.3.2
Situatie plangebied
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met categorieën van gevallen, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Om het vorenstaande aan te tonen kan een NIBM-berekening worden uitgevoerd. Om deze uit te voeren dient de verkeersgeneratie van het voornemen inzichtelijk te worden gemaakt. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW, zoals opgenomen in paragraaf 3.3. De totale verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling komt op basis van deze berekeningen bij elkaar opgeteld op afgerond 1.813 verkeersbewegingen per weekdag. Hierbij dient opgemerkt te worden dat eveneens 578 verkeersbewegingen zijn gemodelleerd voor het woonzorg-initiatief. Hiermee is een uitermate worst-case scenario geschetst, immers beschikken deze bewoners veelal niet over een auto en zullen deze veelal middels taxi(busjes) gaan en komen bij de zorgwoningen.
Hierbij wordt eveneens gesteld dat de dagopvang hoofdzakelijk in de woon-zorgvoorziening plaatsvindt, en dat (indien sprake is van dagactiviteiten elders) er gereden zal worden met busjes voor 8 of 9 personen, om een zo efficiënt mogelijke wijze van vervoer te creëren. De verkeersbewegingen voor het woon-zorginitiatief zullen dan ook met name bestaan uit zorgverleners en of bezoekers, waarbij het niet aannemelijk is dat dit dagelijks 578 bewegingen zal betreffen. De praktijk zal eerder ongeveer de helft betreffen (gemiddeld 250 verkeersbewegingen, gebaseerd op gemeentelijke ervaringscijfers gebaseerd op ervaringen van woonzorgvoorzieningen in de gemeente Zwartewaterland). De verkeersgeneratie bij elkaar opgeteld komt in dat geval afgerond op (1.813-328) 1485 verkeersbewegingen per weekdag. Hierna volgt een uitsnede van de NIBM-tool, waarbij bovenstaande verkeersbewegingen zijn gemodelleerd in deze tool. Worst-case is het aandeel vrachtverkeer op 2% gezet, hiermee is onder andere rekening gehouden met het ophalen van de (huis)vuilcontainers, bestelbusjes voor (pakket)leveringen, en nood- en hulpdiensten.
In de tabel zijn de maximaal toegestane waardes opgenomen. Uit voorgaande ‘worst-case berekening’ blijkt dat in het plangebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijn stof (PM10 en PM2,5) ruim wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer en dat eveneens aan de advieswaarden van de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) wordt voldaan. Daarnaast wordt geconcludeerd dat het woonzorg-initiatief in de voorgenomen ontwikkeling wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Het plangebied ligt echter niet binnen de vastgestelde zones voor rijks- of provinciale wegen. Toetsing aan de grenswaarden die zijn genoemd in de Wet luchtkwaliteit is hiermee niet noodzakelijk. Voldoende duidelijk is dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Er zich geen hoogspanningsmasten in het plangebied bevinden.
Een (nader) onderzoek naar externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk. Advies Veiligheidsregio IJsselland In het kader van planvoornemen heeft de Veiligheidsregio IJsselland een advies uitgebracht. Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Uit de risicokaart Nederland blijkt echter dat in de nabijheid van het plangebied geen inrichtingen, wegen en/of spoorwegen gelegen zijn die een risico vormen voor de omgeving. Wel dient in verband met de aanwezigheid van het zwembad in de nabije omgeving (ten westen van het plangebied), rekening gehouden te worden met een eventuele chloorgaswolk bij een calamiteit. Bij de bouw van de woningen of het zorginitiatief wordt geadviseerd om een centraal afsluitbaar ventilatiesysteem aan te leggen, zodat voorkomen kan worden dan een eventuele chloorgaswolk de ventilatiekanalen kan binnendringen. Ook dient rekening gehouden te worden bij het ontwerp van de gebouwen met de aanwezige (bestaande) aardgasbuisleiding. De aardgasbuisleiding zelf valt niet onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen en er hoeft ook geen plaatsgebonden risicocontour en groepsrisico berekend te worden. Een dubbelbestemming voor de aardgasleiding is dan ook niet noodzakelijk. De stralingswarmte kan tot een afstand van 50 meter secundaire branden veroorzaken. Hiermee moet rekening gehouden worden in het ontwerp van de woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld Overstromingsrisico Op grond van de provinciale omgevingsvisie geldt voor buitendijks gebied en voor de dijkringen 10 (Mastenbroek) en 11 (IJsseldelta) de verplichting om een overstromingsrisicoparagraaf op te stellen. Het plangebied ligt (deels) binnen dijkring 10. Volgens de risicokaart Nederland kent het gebied een mogelijke overstromingsdiepte van 2 tot 5 m en een overstromingskans van 1/2000 jaar. De tijdsduur voordat het plangebied onder water staat na een dijkdoorbraak - het meest waarschijnlijke scenario – wordt geraamd op 6 tot 24 uur. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen dijkring 10 heeft de gemeente de taak om in te gaan op het zwaarwegend maatschappelijk belang van de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling ter onderbouwing van de gemaakte keuzes. De kans op een overstroming van de locatie als gevolg van een dijkdoorbraak is weliswaar gering maar de overstromingsdiepte is behoorlijk. Met de veiligheidsregio is afgesproken om bij de risicocommunicatie voor dit gebied de bewoners en burgers te informeren over wat te doen bij een mogelijke overstroming. Het gaat voornamelijk om bewustwording. Daarbij wordt ook onder overstroombaar gebied verstaan: gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan).
Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). Risico-inventarisatie Het dijkringtraject heeft een signaleringswaarde van 1:2.000. Volgens de risicokaart Nederland kent het gebied een mogelijke overstromingsdiepte van 2 tot 5 meter en een overstromingskans van 1/2000 jaar. De tijdsduur voordat het plangebied onder water staat na een dijkdoorbraak - het meest waarschijnlijke scenario – wordt geraamd op 6 tot 24 uur. Het overstromingswater zal doorgaans de weg van de minste weerstand volgen en daarom zullen eerst de laaggelegen gebieden onder water lopen. Afhankelijk van hoe snel het water kan worden afgevoerd, kan in het plangebied een overstroming plaatsvinden. De personendichtheid binnen het plangebied zal als gevolg van voorliggend planvoornemen toenemen als gevolg van de beoogde herontwikkeling Maatregelen In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling waarbij de personendichtheid binnen het plangebied toeneemt. Tevens is sprake van een maximale waterdiepte van 2 tot 5 meter, in geval van een overstroming. Daarom moet bij het bouwplan van de beoogde bebouwing worden onderzocht op welke manier de woningen waterveiliger kunnen worden gemaakt. Hierbij kan worden gedacht aan: • • • •
waterbestendig bouwen, verhoogde drempels; verhoogd bouwen zoals op terpen of palen of aanleg van een dijkring rond de locatie; aanleg van kwetsbare onderdelen (zoals stopcontacten, meterkasten en andere installaties) op hoogte; in de onbebouwde ruimte voldoende mogelijkheden voor adequate hemelwaterinfiltratie.
Naast de fysieke aanpassingen aan de beoogde bebouwing worden vanuit de provincie Overijssel tips gegeven om het plan middels een risico-inventarisatie waterveiliger te maken. Hierbij gaat het om bewustwording en vast na te denken over evacuatieroutes en zelfredzaamheid. Ten aanzien van de ontwikkelingslocatie wordt opgemerkt dat de toekomstige gebruikers binnen het plangebied over het algemeen goed zelfredzaam zijn. Ook minder zelfredzame personen (denk aan het woonzorg-initiatief of de seniorenappartementen) moeten het plangebied, in geval van een calamiteit, tijdig kunnen verlaten. In het kader hiervan wordt er bij de aanvraag voor een bouwvergunning hier een evacuatieplan voor opgesteld, met name voor de gestapelde- en zorgwoningen. Op deze manier is een ieder (in ieder geval de bewoners) zich bewust van wat er moet gebeuren wanneer er sprake is van een calamiteit. Daarnaast wordt met de veiligheidsregio afgesproken om bij de risicocommunicatie voor dit gebied burgers te informeren over wat te doen bij een mogelijke overstroming. Vooralsnog wordt voor dit gebied bij een dreigende overstroming ingezet op vroegtijdige evacuatie. Dit wordt bij de risicocommunicatie meegenomen en wordt meegenomen bij het regionaal coördinatieplan. In de toekomst wordt verkend in hoeverre en op
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld welke manier hoge gebouwen in het gebied schuilmogelijkheden kunnen bieden. Met inachtneming van het bovenstaande brengt de ligging van het plangebied in een overstromingsrisicogebied geen belemmeringen met zich mee. Conclusie In het kader van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de geplande ontwikkeling 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Genemuiden. In de omgeving van het plangebied komen woningen, ontsluitingswegen, infrastructuur en bedrijvigheid voor.
Daarom kan worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, echter in het kader van worst-case benadering wordt het planvoornemen getoetst aan het gebied zijnde ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
“Bestemmingsplan Genemuiden, Binnenveld” Status: Vastgesteld
5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Als gevolg van de realisatie van de woningen is er geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. De functie ‘woonzorginstelling’ (woonzorgappartementen voor zowel hulpbehoevende ouderen als de jongeren) is niet opgenomen in de basiszoneringslijst. Deze voorziening is in dit bestemmingsplan voorzien van een maatschappelijke bestemming, alleen deze woningen zijn daarbinnen mogelijk. Deze functie als deze is het meest vergelijkbaar met een ‘verpleeghuis’.
Gelet op de aard en omvang van het voornemen is de functie echter niet volledig te vergelijken met een ‘verpleeghuis’. Een verpleeghuis wordt namelijk aangemerkt als een milieucategorie 2 inrichting, waarvoor een richtafstand van 30 meter in een ‘rustige woonwijk’ wordt geadviseerd. De milieubelasting van voorliggend initiatief op de omgeving is, gelet op de aard en omvang, lager. Gesteld wordt echter dat de richtafstand tussen het bouwvlak van dit voornemen en de dichtstbijzijnde te bouwen woningen meer dan 30 meter zal bedragen. Voor de gemengde bestemming in het plangebied geldt dat hierbinnen ook zorgwoningen (op termijn) mogelijk zijn, deze kunnen goed in dit pand worden gerealiseerd, gebaseerd op mogelijke functiemengingen en bouwkundige afscheidingen inpandig. Voorstaande paragraaf geldt eveneens voor de kleinschalige/ondergeschikte dagopvang in de maatschappelijke bestemming, ondergeschikt aan de woonzorginstelling, waar voorgenoemde richtafstanden eveneens op van toepassing zijn. Gelet op deze onderlinge afstanden wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden van alle te realiseren functies en gesteld dat geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving.