Bijlage 1 - Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B vastgesteld Toelichting
Tekst van het document
Het nader onderzoek voor de boerderijlocatie wordt in een latere fase uitgevoerd. Om mogelijke archeologische resten te beschermen, is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Bij verstoringen in de bodem met een grotere diepte dan 0,5 meter en een grotere oppervlakte dan 100 m² zijn specifieke bouwregels en een omgevingsgunningenstelsel van toepassing. Bouwwerken ten behoeve van andere bestemmingen, welke met deze dubbelbestemming samenvallen, mogen uitsluitend worden gebouwd met toepassing van een afwijking, 4.2.3 Conclusie Ter bescherming van mogelijke archeologische waarden is voor het gebied waar nader archeologisch onderzoek nodig is een dubbelbestemming Waarde – Archeologie opgenomen. Met de dubbelbestemming is geborgd dat verstorende ingrepen in de bodem pas plaats kunnen vinden wanneer middels archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen behoudenswaardige archeologische resten verloren gaan.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
27/54
Omgevingsaspecten
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1 Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Onder cultuurhistorische waarden worden verstaan alle structuren, elementen en gebieden die inzicht geven over de ontstaansgeschiedenis. 4.3.2 Conclusie In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig of cultuurhistorische waarden. Vanuit het aspect cultuurhistorie is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.4
Bodemkwaliteit
4.4.1 Algemeen In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de haalbaarheid van het plan. 4.4.2 Bodemonderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De resultaten zijn beschreven in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 inclusief asbest NEN 5707 Om de Weede fase 1B te Hasselt’ (Mateboer, 20 april 2021). Het rapport is als bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. Hieronder is de conclusie beschreven. De kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie Om de Weede fase IB te Hasselt is met behulp van het verkennend bodemonderzoek voldoende vastgesteld. In de bovenen ondergrond zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarde met PAK en minerale olie aangetoond. Op het noordelijk deel van de onderzoekslocatie is ter hoogte van de boerderij op het maaiveld asbesthoudend materiaal waargenomen. Dit materiaal is ter analyse verwijderd. In de grond is geen asbest aangetoond. Er wordt aanbevolen om bedacht te zijn op de aanwezigheid van meer asbestverdacht materiaal. In het grondwater zijn verhoogde concentraties met barium, koper, nikkel en zink aangetoond. De herkomst van de verhoogde concentraties met zware metalen zijn onbekend. Het betreffen vermoedelijk van nature verhoogde achtergrondwaarden.
Voor wat betreft de overschrijdingen van de achtergrondwaarde/streefwaarde in de grond en het grondwater zijn er, ten aanzien van de kwaliteit van de bodem, op basis van de Wet Bodembescherming geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. 4.4.3 Betekenis voor het project Uit het onderzoek blijkt dat er geen nader bodemonderzoek nodig is om te komen tot woningbouw in het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan. Wel dient in het kader van de realisatie en vergunningverlening aandacht te zijn voor mogelijke aanwezigheid van asbestverdacht materiaal ter hoogte van de boerderij.
4.5
Water
4.5.1 Beleid en regelgeving Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Ka-
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
28/54
Omgevingsaspecten
derrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is voor dit planvoornemen met name het beleid van het Waterschap Zuiderzeeland relevant. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van de provincie en het waterschap. 4.5.2 Situatie plangebied Er is een Waterhuishoudkundig plan opgesteld voor het plangebied, zie rapport ‘Waterhuishouding Hasselt Om de Weede 1B, Waterhuishoudingsplan op hoofdlijnen’ (Witteveen+Bos, 18 december 2020). Het rapport is opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting. Voor het opstellen van de waterparagraaf in het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van dit rapport. Het plangebied ligt aan de watergang De Weede en ligt in het peilvak met een maximum peil van NAP -1,0 m en een minimum peil van NAP -1,2 m. De gemiddelde maaiveldhoogte is ongeveer NAP 0 m en varieert tussen de NAP -0,6 m (ter hoogte van de stadsweide) en + 1,5 m (bij de boerderij). In het lager gelegen gebied langs De Weede bestaat de bodem vooral uit veen met erop een ondoorlatende kleilaag. In het noordoostelijk gebied bestaat de bodem vooral uit zand. De maximale grondwaterstand ligt op 25 cm onder het maaiveld.
Er kunnen, door de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen. 4.5.2.1 Uitgangspunten voor de ontwikkeling Voor de ontwikkeling zijn uitgangspunten geformuleerd in het waterhuishoudingsplan, gebaseerd op de actuele uitgangspunten van het waterschap ten aanzien van stedelijk waterbeheer. Concreet betekent dit: • Ontwerpopgave: er dient capaciteit te zijn voor 80 mm berging bij een T100 bui + 10% • Aandacht voor beperkte infiltratiecapaciteit • Oppervlakkige hemelwaterafvoer, waarbij 100-150 m de maximale afstand is. • Het doortrekken en verbinden van De Weede naar het noorden. • De grondwaterstand wordt niet verlaagd. • De wegen worden minimaal 0,7 m boven hoogste grondwaterstand aangelegd. • Het vloerpeil van de nieuwe woningen komt minimaal 0,2m boven de wegen en er komen geen kruipruimtes. • Het peil van het groen in de wijk op minimaal 0,5m boven hoogste grondwaterstand en de wadibodem gelijk aan het niveau van de hoogste grondwaterstand. 4.5.2.2 Hemelwaterafvoer In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met oppervlakte afstroming van hemelwater naar wadi’s danwel naar direct aangrenzend oppervlaktewater. Ook zijn er overloopgebieden opgenomen in het plan om water op te vangen en vertraagd af te voeren bij extreme neerslag (>T10 bui).
4.5.2.3 Oppervlaktewater De wens vanuit het waterschap is om water zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, om afwenteling op het aangrenzend watersysteem te voorkomen. Een debietbegrenzer zou hiervoor een oplossing kunnen bieden om het water te scheiden, in combinatie met een waterscheiding bovenstrooms (oostzijde). In het waterhuishoudkundig plan zijn twee locaties voor een debietbegrenzer aangegeven en een locatie voor de waterscheiding. Met het waterschap is dit besproken. Het waterschap staat positief tegenover beide locaties, mits rekening wordt gehouden met de aandachtspunten: • consequenties omgeving: er dient rekening gehouden te worden met wat de consequenties zijn van de waterscheiding en debietbegrenzer op het achterliggende gebied, ten aanzien van terugstroming, hoger peil. Er dient nader te worden onderzocht of dit conflicteert met bestaande/geplande functies, en/of er aanvullende voorzieningen nodig zijn;
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
29/54
Omgevingsaspecten
• •
bestaande manieren van onderhoud: er dient rekening te worden gehouden met bestaande manieren van onderhoud en de toegankelijkheid daarvan bij plaatsing van nieuwe debietbegrenzer; overstorten: bestaande overstorten dienen ook in kader van nieuwe peilstijgingen (bij zowel debietbegrenzer op locatie 1 als locatie 2) te worden geanalyseerd. Bij locatie 1 is er geen conflict met bestaande drempelhoogtes van de overstorten bij een peilstijging in De Weede van 0,1 tot 0,3 m.
In het kader van de verdere planuitwerking wordt rekening gehouden met de aandachtspunten die het waterschap aangeeft. Voor het bestemmingsplan is het voldoende in beeld gebracht. 4.5.2.4 Waterberging In het plangebied mag geen waterschade optreden bij een T100 bui + 10 %. Dit komt neer op een bui van 111 mm in 48 uur. Deze eis is vertaald in een bergingsopgave van 80 mm. De totale bergingsopgave is geschat op 4.641 m3. De totale bergingsopgave is berekend op basis van een indicatieve inschatting van de afvoerende oppervlaktes en de waterbergingseis van 80 mm. De afvoerende oppervlaktes bestaan uit de verharde weg, fietspaden/voetpaden, en 60% van de oppervlakte van de kavels. Zie ook de oppervlaktes in Tabel 4. De totale waterberging die kan worden gerealiseerd in het plangebied is tussen de 5.425 en 8.625 m3, bij een toelaatbare peilstijging van respectievelijk 0,15 en 0,30 m. In Tabel 5 is de bergingscapaciteit per waterbergingstype toegelicht. Dit betekent dat er voldoende waterberging gerealiseerd kan worden om aan de bergingsopgave te voldoen bij een toelaatbare peilstijging van respectievelijk 0,15-0,30 m.
Tabel 4: toekomstig grondgebruik in het plangebied (indicatief) (bron: Waterhuishoudingsplan)
Tabel 5: Berekende waterberging in het plan (bron: Waterhuishoudingsplan)
4.5.2.5 Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. De capaciteit van het huidige rioolstelsel vormt een aandachtspunt. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de berekening in het waterhuishoudingsplan is uitgegaan van circa 225 wooneenheden. Voor de afvalwaterproductie wordt uitgegaan van gemiddeld 2,5 bewoners en een productie van
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
30/54
Omgevingsaspecten
12 l/persoon/uur. De afvalwaterproductie wordt daarmee geschat op circa 6,75 m3/uur. Bij een lager aantal woningen, zal dit iets lager liggen. De afvoer van overtollig hemelwater wordt, overeenkomstig het landelijk beleid, afgekoppeld van het vuilwaterriool en ter plaatse in het milieu teruggebracht (zie paragraaf 4.5.2.2). 4.5.2.6 Klimaatadaptatie en duurzaamheid Een klimaatbestendige inrichting kan worden gerealiseerd met een passende waterhuishouding. De uitbreiding Om de Weede fase 1B biedt veel kansen om een klimaatadaptieve inrichting te realiseren. Er zijn verschillende klimaatadaptieve maatregelen in het stedenbouwkundig plan opgenomen. Het gaat om maatregelen die water vasthouden en de negatieve effecten als gevolg van droogte en extreme neerslag tegen gaan en biodiversiteit versterken in het gebied. Om het klimaatadaptatie aspect te benadrukken, is er hieronder kort op ingegaan. Wateroverlast In het plan komt de waterberging nadrukkelijk naar voren. Door de combinatie van zowel wadi’s als overloopgebieden, is rekening gehouden met verschillende belasting niveaus van hemelwaterafvoer. Er is niet alleen ontworpen op de dagelijkse norm, de ‘normale buien’, maar er is ook voldoende ruimte gecreëerd voor opslag door de overloopgebieden, als de dagelijkse neerslagsituaties overschreden wordt en de belasting op het watersysteem (wadi’s) te groot wordt.
Dit maakt het ontwerp niet alleen robuust maar ook veerkrachtig. Droogte Er wordt in het plan zoveel mogelijk water vastgehouden en vertraagd afgevoerd, door de aanwezige wadi’s, overloopgebieden en debietbegrenzer. Hierdoor wordt er ruimte gecreëerd om de beperkte berging capaciteit in de bodem wel zoveel mogelijk te benutten, zodat wordt geanticipeerd op mogelijke langdurige droogte. Droogte kan leiden tot een beperkte waterafvoer, en verlaging van het waterpeil, met stilstaand water als gevolg in afgesloten watergangen. De watergangen in het plangebied, zijn niet geïsoleerd en dit aspect wordt dus zoveel mogelijk voorkomen. Hittestress De uitbreiding, is een overgangsgebied van het stedelijk gebied naar het landelijk gebied. Het plan bevat veel groene elementen, en hiermee wordt het plan voor een groot deel voorzien van verkoelende oppervlaktetypes. Desalniettemin, wordt er op de noord-zuid georiënteerde lanen op het heetst van de dag minder schaduw verwacht. Om genoeg schaduw te creëren en meer water vast te houden is het advies om voldoende bomen te plaatsen. Dit geldt voor de wadi-corridor, en de laan ten westen van de wadi-corridor. Ter plaatse van verhard oppervlak wordt geadviseerd om materialen te gebruiken met een hoger albedo.
Biodiversiteit De groene infrastructuren en de natuurvriendelijke oevers lenen zich goed om het zodanig in te richten om reductie van de biodiversiteit in het gebied tegen te gaan, en zelfs te versterken. Door beheer en onderhoud (maaien) af te stemmen op bloeiperiodes, kan de natuur een extra handje worden geholpen. 4.5.2.7 Overstromingsrisicoparagraaf Het plan ligt in gebied met een kans op overstroming. In dit kader verplicht de provincie Overijssel in het bestemmingsplan een overstromingsrisicoparagraaf op te nemen. Deze paragraaf heeft aandacht voor voorzieningen die zorgen dat er bij een overstroming minder slachtoffers vallen en dat de schade beperkt blijft. De risicokaart is geraadpleegd. In het plangebied vinden geen overstromingen plaats met een grote kans, wel met een middelgrote en een kleine kans. Voor een overstroming met een middelgrote kans is sprake van een maximale waterdiepte tussen de 0,5 – 1 m en aan de noordwestzijde minder dan 0,5m (zie afbeelding 16).
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
31/54
Omgevingsaspecten
Zoals in het waterhuishoudkundig plan is toegelicht, wordt met de hoogte van de wegen en de peilen van de woningen rekening gehouden met voldoende drooglegging bij een eventuele overstroming. De toekomstige bewoners zijn voor het grote deel zelfredzaam (geen hulpbehoevenden). Er komen geen nutsvoorzieningen van grote infrastructurele waarde, zoals een transformatorstation. In het kader van het vooroverleg wordt met het waterschap verder afgestemd over de kansen en effecten van een eventuele overstroming. Ook wordt met de veiligheidsregio afgestemd over zelfredzaamheid en hulpverlening bij een overstroming.
afbeelding 16: maximale waterdiepte bij overstroming van middelgrote kans (bron: risicokaart.nl)
4.5.3 Resultaat Watertoets De Digitale Watertoets is op 21 juni 2021 doorlopen. Het resultaat is opgenomen in een rapportage, welke als bijlage 4 bij de toelichting is opgenomen. Op basis van de uitgevoerde watertoets volgt het plan de normale procedure. Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie opgesteld, welke in het bestemmingsplan is verwerkt. Hierover heeft tevens afstemming plaatsgevonden met het waterschap. 4.5.4 Conclusie Er is een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor het plangebied waarin de huidige situatie en de toekomstige situatie is beschreven. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de randvoorwaarden vanuit het watersysteem. In het plan zijn verschillende elementen opgenomen gericht op klimaatadaptatie en duurzaamheid. De digitale watertoets is doorlopen. Op basis hiervan is de normale procedure van toepassing. Het plan leidt tot een toename van verhard oppervlak en er wordt compensatie gerealiseerd in
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
32/54
Omgevingsaspecten
de vorm van nieuw water, de aanleg van wadi’s en overloopgebieden. Er kan voldoende waterberging worden gerealiseerd om aan de bergingsopgave te voldoen. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg is het bestemmingsplan voorgelegd aan het waterschap. Er is rekening gehouden met de opgestelde uitgangspuntennotitie van het waterschap.
4.6
Natuur
4.6.1 Wettelijk kader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Dit betekent, dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet- en regelgeving de uitvoering van de ontwikkeling al dan niet in de weg staat. De gebiedsbescherming en de soortenbescherming zijn per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. 4.6.1.1 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied zoals Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natura-2000. Er is geen sprake van directe negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Natura-2000 Omdat het plangebied niet in of nabij een Natura 2000-gebied ligt, zijn directe effecten als gevolg van aantasting van habitattypen of leefgebieden niet aan de orde. Wel kan sprake zijn van indirecte effecten als gevolg van externe werking. Hier is sprake van indien de gevolgen van een activiteit buiten een Natura 2000-gebied wel merkbaar zijn in een Natura 2000-gebied. Voorbeelden hiervan zijn geluidverstoring of verstoring door licht, maar ook de gevolgen van stikstofemissies. Voor de meeste effecten geldt dat door de afstanden tot aan de Natura 2000gebeiden ook de externe werking op voorhand uitgesloten kan worden, licht- en geluidbelasting reikt niet dusdanig ver.
Enige effect dat niet op voorhand uitgesloten kan worden, zijn effecten van stikstofdepositie. Stikstofemissie kan Natura 2000-gebieden op grotere afstand beïnvloeden. Het plangebied ligt op circa 950 meter afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied “Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht” en circa 1,3 kilometer van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied “Olde Maten & Veenslootslanden”. In afbeelding 17 zijn het plangebied en de Natura 2000-gebieden zwart omlijnd weergegeven. De stikstofgevoelige habitats en leefgebieden zijn roze gekleurd. De overige delen van het Natura 2000-gebied zijn geel-groen gekleurd.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
33/54
Omgevingsaspecten
afbeelding 17: ligging plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden
Uitkomst stikstofonderzoek Om de stikstofdepositie te bepalen is een Aeriusberekening uitgevoerd. De resultaten van de berekening zijn beschreven in de ‘Memo onderzoek stikstofdepositie Hasselt Om de Weede fase 1b‘ (Langelaar milieuadvies, 4 maart 2022). Dit rapport is opgenomen als bijlage 5 bij de toelichting. Hieronder is de conclusie beschreven. Vanwege de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector op grond van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is de aanlegfase buiten het onderzoek gelaten. De gebruiksfase leidt tot verkeer van en naar de woningen. Daarentegen verdwijnen er emissies door bemesting van de agrarische percelen in het plangebied. Deze feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan mag als referentiesituatie gehanteerd moet worden. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat per saldo de de NOx depositie in de gebruiksfase van het plan op geen enkele hexagoon met kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden hoger is dan het geval is in de referentiesituatie (bemesting van agrarische gronden). Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
34/54
Omgevingsaspecten
4.6.1.2 Soortenbescherming Om te beoordelen of de planontwikkeling effecten kan hebben op beschermde soorten flora en fauna, is een natuurtoets uitgevoerd. De resultaten van de berekening zijn beschreven in de ‘Natuurtoets Hasselt Om de Weede fase 1b‘ (Ecogroen, 21 februari 2022). Dit rapport is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting. Hieronder zijn de bevindingen opgesomd: • In de bebouwing in het plangebied zijn twee paarverblijfplaatsen en één kraamkolonie van circa tien exemplaren van gewone dwergvleermuis aanwezig. Van onmisbare foerageergebieden en/ of essentiële vliegroutes is geen sprake. • In de bebouwing in het plangebied zijn acht nestplaatsen van huismus en achttien nestplaatsen van boerenzwaluw aangetroffen. Daarnaast is het agrarische erf essentieel leefgebied van huismus. • Verder zijn gedurende de broedtijd diverse algemene vogels broedend te verwachten in en in de directe omgeving van het plangebied. • In het plangebied zijn verblijfplaatsen en leefgebied van bunzing, egel en grote modderkruiper aanwezig. • In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of onmisbaar leefgebied van overige zoogdieren, overige vissen, amfibieën, reptielen, ongewervelden en groeiplaatsen van beschermde flora aangetroffen of te verwachten, met uitzondering van beschermde soorten waarvoor een vrijstelling van ontheffingsplicht geldt in de provincie Overijssel.
Huismussen, boerenzwaluwen en vleermuizen in bestaande bebouwing Voor de aangetroffen soorten in de bebouwing in het plangebied, geldt dat wanneer wijzigingen aan de bebouwing plaatsvinden zoals slopen of verbouwen, dit kan leiden tot vernietiging van nest- en verblijfplaatsen. Hiervoor is een ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming. Er is uitzicht op ontheffing als voldaan is aan elk van de volgende drie voorwaarden: • geen andere bevredigende oplossing; • sprake van een in de wet genoemd belang; • geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Woningbouw vertegenwoordigt het benodigde wettelijke belang (mede ook wegens het belang voor de volksgezondheid2). Verslechtering/ afbreuk aan de staat van instandhouding kan worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen. Zo kunnen er tijdig in de nabijheid alternatieve verblijfplaatsen worden gecreëerd om het aanbod aan verblijfplaatsen te garanderen. Broedende vogels Ten aanzien van de algemene vogels die in het plangebied kunnen broeden, geldt de zorgplicht. De uitvoering van de werkzaamheden dient zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden en het is raadzaam vooraf een broedvogelcontrole uit te voeren. Grote modderkruiper Bij uitvoering van de plannen (dempen van watergangen) gaat voortplantings- en overwinteringsgebied van grote modderkruiper verloren.
Dit betreft totaal circa 750 meter aan watergangen die centraal in het plangebied liggen. Voor het wegnemen van leefgebied is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er is uitzicht op ontheffing als voldaan is aan elk van de volgende drie voorwaarden: • geen andere bevredigende oplossing; • sprake van een in de wet genoemd belang; • geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Woningbouw vertegenwoordigt het benodigde wettelijke belang. Verslechtering/ afbreuk aan de staat van instandhouding kan worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen.
Voor vogels geldt ‘volksgezondheid of de openbare veiligheid’ als veelgebruikt wettelijk belang bij ontheffingsaanvragen. Voor overige soorten, zoals vleermuizen, worden ook andere dwingende redenen van groot openbaar als wettelijk belang geaccepteerd, zoals ruimtelijke ontwikkeling. 2
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
35/54
Omgevingsaspecten
Zo kan er tijdig alternatief leefgebied worden gecreëerd om het aanbod aan leefgebied te garanderen. Voor de verblijfplaatsen en leefgebied van de grote modderkruiper die door de ontwikkeling verloren gaan, zal nieuw leefgebied gecreëerd worden. Dit wordt in het plangebied of elders nabij het plangebied op gemeentegrond gerealiseerd. Uitvoering hiervan is geborgd via de ontheffing van de Wet natuurbescherming die voor het dempen van de watergangen nodig is.
afbeelding 18: verspreidingsgebied grote modderkruiper (bron: Ecogroen, febr. 2022)
4.6.2 Conclusie De planontwikkeling heeft geen directe of indirecte negatieve effecten op beschermde gebieden. Uit het soortenonderzoek blijkt dat het plan op de meeste beschermde flora en fauna geen negatieve effecten heeft. Bij werkzaamheden aan de bestaande bebouwing kunnen verblijfplaatsen verloren gaan van huismus, boerenzwaluw en meerder soorten vleermuizen. Hiervoor is ontheffing nodig. Ook gaat er leefgebied van de grote modderkruiper verloren vanwege het aanpassen en dempen van bestaande watergangen. Voor deze werkzaamheden is ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming. In het kader van de ontheffing(en) zullen tijdig maatregelen worden getroffen, zoals alternatieve verblijfplaatsen voor de vogels en vleermuizen en nieuw leefgebied voor de grote modderkruiper.
4.7
Verkeer en parkeren
De realisatie van de nieuwe woningen hebben mogelijk gevolgen voor de verkeerssituatie. Er is in het kader van het stedenbouwkundig plan aandacht besteed aan de parkeeropgave en de toekomstige wegen- en padenstructuur voor autoverkeer en langzaamverkeer is uitgewerkt. In deze paragraaf is eerst ingegaan op de verkeerskundige opzet van het plan, daarna op de parkeerbalans en daarna op de verkeersafwikkeling.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
36/54
Omgevingsaspecten
4.7.1 Ruimtelijk concept verkeersstructuur Het principe van de planopzet is een onderverdeling in hoofdontsluiting en verblijfsgebied. In afbeelding 19 is dit getoond. De hoofdroute wordt gevormd door de oranje route in deze afbeelding. Hier takken de andere straten en erven op aan. De wegenstructuur verdeelt de verkeersdruk gelijkmatig zodat de doorgaande route onderdeel wordt van het verblijfsgebied. Deze structuur is flexibel zodat eventuele toekomstige ontwikkelingen er eenvoudig op kunnen aansluiten. De hoofdontsluiting is via de Grote Weede, die via een drietaks-rotonde aansluit op de Vaartweg (de N377). In de wijk is vervolgens een fijnmazig netwerk voor langzaamverkeer ontworpen (zie afbeelding 20). De fiets- en voetpaden bieden aantrekkelijke ontsluitings- en recreatiemogelijkheden. Op meerdere plekken wordt aangesloten op het omliggende landschap en aangrenzende buurten.
afbeelding 19: auto ontsluiting (bron: Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Over de Weede)
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
37/54
Omgevingsaspecten
afbeelding 20: fijnmazig netwerk voor langzaam verkeer (bron: Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Over de Weede)
4.7.2 Parkeren Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW). Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de parkeerbehoefte en de verkeergeneratie. Iedere functie heeft in de CROW-pubIicatie een maximum en minimum kencijfer. Dit is de bandbreedte. De ligging van de normen binnen die bandbreedte wordt bepaald door de volgende kernmerken: • het plangebied heeft een ligging in de rest van de bebouwde kom; • de gemeente heeft op basis van de adressendichtheid een weinig stedelijk karakter. Voor het plan is een parkeerbalans gemaakt op basis van het stedenbouwkundig plan om te beoordelen hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn. De gemeente Zwartewaterland hanteert als parkeernorm 2 parkeerplaatsen per woning (ongeacht het woningtype). Voor levensloopbestendige woningen kan eventueel gemotiveerd afgeweken worden tot een parkeernorm van 1,5. Met 193 woningen komt dit neer op 386 parkeerplaatsen die nodig zijn.
Voor de boerderijlocatie geldt de verplichting dat het parkeren op het eigen terrein dient te worden opgevangen. Er dient hiervoor voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. Voor woningen geldt de parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Voor niet-woonfuncties dient de parkeernorm te worden bepaald op basis van de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (of de op dat moment meest recente CROW publicatie). Dit wordt getoetst bij de omgevingsvergunning voor bouwen. Uitgangspunt voor parkeren in de fase 1B – Over de Weede is dat zoveel mogelijk wordt geparkeerd op eigen terrein. In afbeelding 21 is weergegeven hoe dit in het stedenbouwkundig plan is uitgewerkt. In de verkoopovereenkomst van particuliere kavels (vrijstaand en twee-onder-eenkap) wordt geregeld dat er twee parkeerplaatsen naast elkaar moeten worden gerealiseerd op
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
38/54
Omgevingsaspecten
eigen kavel (oranje). Voor projectmatig te ontwikkelen woningen worden, op basis van het stedenbouwkundig plan, de parkeerplaatsen waar mogelijk op eigen terrein gerealiseerd (1 parkeerplaats, geel), mandelig op een gezamenlijk parkeerterrein binnen het woonveld (paars) of in de openbare ruimte (grijs) gerealiseerd. Wanneer de verkavelingsopzet binnen een woonveld wordt gewijzigd, geldt eveneens bovenstaand uitgangspunt, waarbij er in principe geen extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd. In het stedenbouwkundig plan zijn de volgende aantallen parkeerplaatsen ingetekend: • Mandelig: 88 • Openbare ruimte: 71 • Op eigen terrein: 235 • Totaal: 394 Dit betekent dat er in de planvorming wordt voldaan aan de parkeernormering voor wat betreft de woningen. Voor de Boerderijlocatie is in de regels verplicht gesteld dat moet worden voldaan aan de parkeernormen. Op het terrein is in principe voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.
afbeelding 21: overzicht parkeerplaatsen (bron: Stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan Over de Weede)
4.7.3 Verkeersafwikkeling De woningen in het gebied worden ontsloten door een nieuw aan te leggen ontsluitingsstructuur, zoals beschreven in paragraaf 4.7.1. De hoofdontsluiting van de nieuwe woonwijk is via de Grote Weede, die via een drietaks-rotonde aansluit op de Vaartweg (de N377) in het zuiden. Qua verkeersgeneratie betekent dit per woning (afhankelijk van het woningtype) 7,4 tot 8,2 vervoersbewegingen per etmaal (mvt/etmaal), zie tabel hierna.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
39/54
Omgevingsaspecten
Woningtypen Vrijstaand 2-onder1 kap Rijwoningen Levensloopbestendig Appartementen Totaal
Aantal 61 34 51 27 20
Verkeersgeneratie per aantal 8,2 7,8 7,4 7,4 7,4
Totaal mvt/etmaal 500,2 265,2 377,4 199,8 148,0 1.490,6
Uit voorgaande tabel blijkt dat er 1.491 voertuigbewegingen per etmaal zijn te verwachten door de ontwikkeling van fase 1b (exclusief fase 1b Zuid). Bij de verkeersgeneratie wordt ook rekening gehouden met recente ontwikkelingen binnen Hasselt Om de Weede Verkeersgeneratie inclusief recente ontwikkelingen Hasselt om de Weede Ontwikkeling
Mvt/etmaal
Dedemsvaartlocatie
90
Fase 1b zuid
475
Fase 1b exclusief fase 1b zuid
1.491
Totaal
2.056
Uit cijfers van de provincie Overijssel zien we de volgende gemiddelde etmaalintensiteiten op werkdagen op de Vaartweg tussen de A28 en Ter Wee Actuele (2020) intensiteiten provincie Vaartweg N377 tussen A28 en Ter Wee Maandag Dinsdag Woensdag Donderdag Totaal werkdag 6.674 6.782 6.866 6.955 Waarvan vracht 1.117 1.144 1.222 1.212
Vrijdag 6.437 1.210
Op basis hiervan houden we een huidige etmaalintensiteit van 7.000 mvt/etmaal aan. Op het westelijker gelegen deel van de Vaartweg binnen de bebouwde kom, liggen de intensiteiten, op basis van gemeentelijke tellingen, wat hoger: 7800 mvt/etmaal De verkeersgeneratie uit Hasselt Om de Weede zal zich op de rotonde Vaartweg verdelen naar richting Hasselt-centrum en richting Zwolle. Dat betekent dat de toekomstige intensiteiten op beide wegvakken niet boven de 10.000 per etmaal zullen uitkomen. Per saldo zal sprake zijn van een toekomstige verkeersintensiteit van ca. 10.000 mvt/etmaal, inclusief de verkeersgeneratie van Hasselt om de Weede. Deze aantallen geven geen aanleiding tot zorgen over de verkeersafwikkeling op de wegvakken zelf, gezien de capaciteit van de Vaartweg. Het kritieke punt voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is de rotonde Vaartweg/Grote Weede. Aangezien het een drietaks-rotonde betreft, zijn ook hier geen problemen voor de verkeersafwikkeling te verwachten. De capaciteit van een dergelijke rotonde ligt ruim boven de 10.000 mvt/etmaal. Gunstig voor de verkeersafwikkeling bij slechts 3 takken op de rotonde is dat er dan veel minder conflicterende verkeersbewegingen zijn dan bij rotondes met meer aantakkingen. Dit verhoogt de reële capaciteit van deze rotonde substantieel.
Er is wel een aandachtspunt: bij een rotonde is er geen sturing op de afwikkeling en langzaam verkeer heeft voorrang gezien de ligging binnen de bebouwde kom. Dit kan mogelijk in de spitsen tot iets langere wachtrijen leiden op een bepaalde oriëntatie. Mochten op termijn, als de in-
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
40/54
Omgevingsaspecten
tensiteiten verder groeien, er onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersafwikkeling of verkeersveiligheid ontstaan, dan kan altijd nog gekeken op welke wijze meer ruimte en/of sturing aan de verkeersafwikkeling is te geven. De bovenstaande berekening van de verkeersintensiteiten is nog exclusief het programma dat op de boerderijlocatie zal worden ontwikkeld. Het programma is nog niet concreet genoeg voor een berekening, maar zal extra verkeer met zich mee brengen. Hoeveel precies is niet bekend, maar gelet op bovenstaande intensiteiten en conclusies, is aangenomen dat er voldoende marge is voor iets meer verkeer vanwege het programma op de Boerderijlocatie en dat het verkeer zich dan nog steeds goed zal kunnen afwikkelen op het wegennet. Door monitoring van de verkeerssituatie kan de gemeente in de gaten houden of er in de toekomst wellicht optimalisaties nodig zijn. 4.7.4 Conclusie Vastgesteld wordt dat wordt voldaan aan de parkeernormen in het stedenbouwkundig plan. Ook levert de verkeersafwikkeling geen knelpunten op. Vanuit mobiliteit is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.8
Bedrijven en Milieuzonering
4.8.1 Inleiding De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van de leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Noordoostpolder de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Milieucategorie 1 2
Richtafstand (rustige woonwijk) 10 m 30 m
3.1 3.2
50 m 100 m
4.1 4.2
200 m 300 m
5.1 5.2
500 m 700 m
5.3 1.000 m 6 1.500 m Tabel 6: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
4.8.2 Betekenis voor het plan Het plangebied wordt ontwikkeld als woongebied en kan zodoende worden gekwalificeerd als het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie zijn de agrarisch bedrijven ten oosten van het plangebied (Ter Wee 3 en Ter Wee 7). Dit zijn veehouderijen. Het bedrijf Ter Wee 3 is gelegen op ruim 200 m en het bedrijf Ter Wee 7 op ruim 250 m van de bouwvlakken van de nieuwe woningen.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
41/54
Omgevingsaspecten
Voor grondgebonden agrarische bedrijven (in dit geval ‘fokken en houden van rundvee’) geldt op basis van de VNG-publicatie meestal een grootste richtafstand voor het aspect geur. Wat betreft het aspect 'geur' is de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Dit is beschreven en beoordeeld in paragraaf 4.10. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor geurhinder. Behalve het aspect geur, bezitten de aspecten stof en geluid ook een richtafstand. Deze is 30 m. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Omgekeerd worden de agrarische bedrijven niet verder beperkt in de bedrijfsvoering, aangezien de afstand wordt gehaald én er reeds woningen op een kortere afstand gelegen zijn en hiermee maatgevend zijn voor een eventuele uitbreiding. 4.8.3 Conclusie Vastgesteld wordt dat wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Vanuit milieuzonering is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.9
Geluid
4.9.1 Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid en bevat een stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De nieuwe woningen zijn geluidgevoelige functies. Het plangebied ligt echter niet binnen een onderzoekszone van een weg, spoorweg of industrieterrein. Er is zodoende geen onderzoek naar geluidhinder nodig voor het bestemmingsplan. Tevens is vanuit goede ruimtelijke ordening beoordeeld of er sprake is van hoge geluidbelastingen van omliggende wegen, wat mogelijk kan leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat, ook wanneer de woningen zijn gelegen buiten de wettelijke geluidzone. Deze beoordeling is gedaan voor de volgende wegen: de N377, de Holtrustweg en de toekomstige ontsluitingsweg. N377 Op de Atlas van Overijssel zijn de geluidcontouren van de provinciale wege weergegeven. Te zien is dat het woonplan nog ruim buiten de Lden 45 dB contour van de N377. Waarmee voor deze weg geen geluidbelasting boven voorkeursgrenswaarde
afbeelding 22: geluidbelasting N377 (bron: Atlas van Overijssel)
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
42/54
Omgevingsaspecten
De Holtrustweg Gezien afstand en de functie van deze weg als ontsluitingsweg buitengebied met lage verkeersintensiteit is geluidbelasting van deze weg ruim onder voorkeursgrenswaarde en g evenmin bepalend. Ontsluitingsweg. Het woonplan heeft een centrale ontsluitingsweg die aan de zuidzijde is aangesloten op de Grote Weede. Van belang is te beoordelen of geluid van wegverkeer van de ontsluitingsweg nog bepalend is voor het plan en de omgeving. De ontsluitingsweg splitst na binnenkomst in de wijk bij een T-splitsing in een westelijke richting naar de plandelen Stadsweide en Buurterven en in een oostelijke richting naar het plandeel De Weederanden. Met name bij de T-splitsing, waar woningen in plandeel Buurterven op korte afstand van deze weg staan kan geluid bepalend zijn. Zodoende is een geluidberekening uitgevoerd door de Omgevingsdienst met behulp van SRM -1. Bij de woningen bij de T-splitsing (uitgaande van referentiewegdek DAB) kan een geluidbelasting optreden van circa 52 dB Lden (zonder aftrek Wgh art 110g). Bij deze geluidbelastingen kan net aan het binnenniveau Bouwbesluit worden voldaan (33 dB). Bij elementenverharding in keperverband is de geluidbelasting 2 dB hoger. Met een standaard gevelwering bij nieuwbouw van 21 dB wordt net voldaan aan het binnenniveau van 33 dB. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen dient dit te worden getoetst.
4.9.2 Conclusie De nieuwe woningen liggen niet in een onderzoekszone en er is geen geluidonderzoek nodig. Ook volgt uit de beoordeling van de geluidbelasting van omliggende wegen dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect geluidhinder is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.10
Geurhinder
4.10.1 Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) regelt het toetsingskader voor de beoordeling van geur vanuit dierenverblijven bij vergunningverlening van veehouderijen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. Dit is grotendeels hetzelfde als in de Wgv. De Wgv geeft een beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 4.10.2 Situatie plangebied Het plangebied is in de toekomst gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor bij grondgebonden veehouderijen een vaste afstand van 100 meter moet worden aangehouden.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
43/54
Omgevingsaspecten
Er zijn ten oosten van het plangebied enkele agrarische bedrijven (melkveehouderijen) gelegen. De afstand van de nieuwe woningen tot deze bedrijven bedraagt minstens 200 m. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand. Omgekeerd levert de woningbouwontwikkeling geen beperking van de bedrijfsvoering op, omdat woningen van derden op kortere afstand zijn gelegen en hiermee maatgevend zijn bij een eventuele uitbreiding van het agrarisch bedrijf. In het plangebied is ook een agrarisch bedrijf gelegen. Deze boerderij stopt met de melkveeactiviteiten en hier wordt ruimte gegeven aan een herontwikkeling met wonen en maatschappelijke functies. Zodoende zal hier geen belemmering van uit gaan. Dit betekent dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied en omliggende bedrijven worden niet onevenredig in hun belangen geschaad. 4.10.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Zo zijn bijvoorbeeld woningbouwlocaties met 1.500 woningen en één ontsluitingsweg ofwel niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 4.11.2 Conclusie voor het plan Het bestemmingsplan maakt 205 nieuwe woningen mogelijk. Dit is ruim minder dan een aantal van 1.500 bij één ontsluitingsweg. Het project draagt zodoende niet-in-betekenende-mate bij en er is geen luchtkwaliteitonderzoek nodig.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.12
Externe veiligheid
4.12.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
44/54
Omgevingsaspecten
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.12.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is de risicokaart geraadpleegd (www.risicokaart.nl). Er zijn geen risicobronnen in het plangebied of in de directe omgeving 4.12.3 Conclusie Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk binnen een risicocontour of invloedsgebied.
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
4.13
Besluit milieueffectrapportage
Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Het bestemmingsplan maakt het realiseren van woningen mogelijk en valt daarmee onder categorie D11.2: ‘de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject’. Het aantal van 17 woningen blijft ruim onder de getalsmatige drempelwaarde van 2.000 of meer. Hiermee is voor dit bestemmingsplan een vormvrij m.e.r. nodig. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). In dit kader is een aanmeldnotitie opgesteld (zie rapport Aveco de Bondt, maart 2022). Deze notitie is opgenomen in bijlage 7 van de toelichting.
Conclusie van de aanmeldnotitie Het voornemen om een nieuwe woonwijk, Om de Weede fase 1B midden en noord, te realiseren leidt niet tot belangrijke negatieve effecten op het milieu en de omgeving. Wanneer er geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
45/54
Toelichting op de regels
5
Toelichting op de regels
5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.2
Nadere toelichting op de regels
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
46/54
Toelichting op de regels
Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Agrarisch met waarden - Landschap (artikel 3) De gronden aan de noordrand van het plangebied buiten de Boerderijlocatie hebben een agrarische bestemming gekregen. Deze gebieden zijn extensiever in het gebruik dan de gebieden met een groenbestemming. Het gaat gras- en akkerlanden die kunnen worden geëxtensiveerd naar kruiden- en faunarijk grasland, vochtig grasland voor weidevogels, vochtig hooiland en nat schraalland. Binnen dit extensieve landschap is ruimte voor struinpaden, fietsroutes, buurttuinen en, afhankelijk van verdere ontwikkeling van de boerderijlocatie, bijvoorbeeld een dierenweide, boomgaard en/of een pluktuin. Gemengd (artikel 4) Voor de Boerderij – locatie is een gemengd programma mogelijk gemaakt, bestaande uit wonen, al dan niet zorggerelateerd, en maatschappelijke voorzieningen. Ook een kleinschalige aan de hoofdfunctie ondergeschikte commerciële voorziening, zoals een boerderijwinkel en kleinschalige horeca is mogelijk . De bouwmogelijkheden zijn flexibel gehouden. Er is een ruim bouwvlak opgenomen, dat voor maximaal 30% mag worden bebouwd. Hiermee kan zowel de bestaande bebouwing blijven bestaan of kan nieuwbouw worden gerealiseerd.
De maximale goothoogte bedraagt 11 m en de maximale bouwhoogte bedraagt 14 m (danwel de bestaande hoogtes). Groen (artikel 5) Voor de grotere groenstroken en groengebieden, zoals de Stadsweide en het Groen Casco is de bestemming Groen opgenomen. Hier komt ruimte voor de aanleg van wadi’s en overloopgebieden, die zo belangrijk zijn voor de waterhuishouding. Ook de speelvoorzieningen en voetpaden liggen in de groenbestemming. ging). Daarnaast zijn onder meer fietspaden en ontsluitingen van aangrenzende bestemmingen (in- en uitritten) toegestaan. Ook het mogelijk in de bestemming om een dierenweide, boomgaard en/of een pluktuin te realiseren. Gebouwen zijn toegestaan tot een oppervlakte van 15 m2 en met een bouwhoogte van 3 meter. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten. Verkeer - Verblijf (artikel 6) De bestemming Verkeer – Verblijf is opgenomen voor de wegen in het plangebied. De bestemming is bestemd voor onder andere wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie. Ook de zelfstandige parkeervoorzieningen zijn in de bestemming Verkeer gelegd. Vanwege de flexibiliteit is in de bestemming tevens ruimte voor speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen en water. Aangezien nutsvoorzieningen vergunningsvrij zijn, zijn hiervoor geen aanvullende bouwregels opgenomen.
Er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een maximum hoogte van 5m. Water (artikel 7) De bestemming Water is opgenomen voor de Weede en het nieuwe water dat door de Statige Weide loopt. Deze gronden zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bruggen en duikers zijn toegestaan. Gebouwen zijn niet toegestaan. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 m. Wonen (artikel 8) De bestemming Wonen staat woningen toe in de vorm van vrijstaande woningen, twee-aaneen, rijwoningen en op één plek gestapelde woningen. Op basis van het stedenbouwkundige plan is aangeduid waar volgens welke typologie dient te worden gebouwd.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
47/54
Toelichting op de regels
De bouwregels maken onderscheid in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd. Per bouwvlak is op de verbeelding aangegeven wat de maximale goot- en bouwhoogte mag zijn. Ook is in enkele gevallen aangegeven wat de minimale goot- of bouwhoogte dient te zijn, wanneer dit in het stedenbouwkundig plan is aangegeven. Voor de woningen waar de nokrichting in het stedenbouwkundig plan verplicht is gesteld, is een aanduiding ‘nokrichting’ opgenomen gekoppeld aan de kaart uit het stedenbouwkundige plan die als bijlage bij de regels is opgenomen. Het maximum aantal woningen is per bouwvlak aangeduid. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor vier bouwvlakken, aangeduid met de gebiedsaanduiding ‘wetgevingzone – afwijkingsgebied’. Voor deze vier bouwvlakken is het mogelijk om af te wijken van het maximum aantal woningen met als doel om hier extra sociale huurwoningen te realiseren. De afwijking is mogelijk onder de voorwaarden dat er in totaal niet meer dan 24 sociale huurwoningen komen, het gaat om gestapelde woningen en dat het maximum aantal woningen per bouwvlak zich mag verdubbelen ten opzichte van wat is aangegeven op de verbeelding.
Ook dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, wat dient te worden bepaald aan de hand van CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (of de op dat moment meest recente CROW publicatie). Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat deze op minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd. Ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens moet minstens 1 meter afstand worden aangehouden ofwel het bouwwerk moet op de perceelgrens worden gebouwd. Er is een maximum oppervlakte toegestaan aan bijbehorende bouwwerken van 20 m2, danwel 60 m2, wanneer niet meer dan 50% van het zij- en achtererf is bebouwd. Voor (half)vrijstaande of twee-onder-één-kap woningen mag de oppervlakte 70 m2 bedragen, mits niet meer dan 50% van het zij- en achtererf is bebouwd. Voor vrijstaande bijgebouwen bij vrijstaande woningen geldt dat de bouwhoogte gelijk mag zijn aan die van het hoofdgebouw, met een maximum hoogte van 6,5 meter. Voor vrijstaande bijgebouwen bij overige woningen geldt een maximum goothoogte van 3 m en een maximum bouwhoogte van 5 meter. Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overkappingen maximaal 3 meter. Bij de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn regels opgenomen voor de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen en voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde.
Erfafscheidingen voor de voorgevel mogen maximaal 1 meter hoog zijn en achter de voorgevel bedraagt dit 2 meter. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen 3 meter worden. Afwijkingen Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten worden afgeweken. Deze afwijkingen geven mogelijkheid tot het bouwen van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen voor de voorgevel van het hoofdgebouw en tot het vergroten van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een beroep aan huis. Specifieke gebruiksregels en afwijkingen De specifieke gebruiksregels geven specifieke regels ten aanzien van beroepen aan huis. In de afwijkingen van de gebruiksregels worden mogelijkheden geboden om een bedrijf aan huis onder voorwaarden toe te staan. Woongebied (artikel 9) Voor een deel van de nieuwe woonwijk is de bestemming Woongebied opgenomen. Deze bestemming komt grotendeels overeen met de bestemming Wonen, op een belangrijk verschil na. De verschillende woningtypologieën zijn hier niet op de verbeelding aangeduid, maar zijn uitwisselbaar binnen het bouwvlak toegestaan. Er zijn in de regels grenzen gesteld aan de maximale maatvoering per woningtype (voorgevelbreedte en horizontale diepte) en er is geregeld dat er minimaal 3m afstand moet worden aangehouden van de ‘niet aaneengebouwde’ zijgevel tot de zijdelingse perceelsgrens.
Bestemmingsplan Hasselt om de Weede 1B, Vastgesteld
48/54
Toelichting op de regels
Verder zijn de bouw- en gebruiksregels overeenkomstig de bestemming Wonen. Leiding – Hoogspanning (artikel 10) De bestaande hoogspanningsverbinding kruist aan de oostzijde een deel van het plangebied. Met de dubbelbestemming is geregeld dat hier geen nieuwe bouwwerken kunnen komen. Van dit verbod kan worden afgeweken onder de voorwaarde dat een nieuw bouwwerk niet leidt tot aantasting van het functioneren van de bovengrondse hoogspanningsleiding en de veiligheid van mens, dier en goederen niet in gevaar wordt gebracht. Ook dient advies ingewonnen te worden van de leidingbeheerder. Waarde – Archeologie (artikel 11) Voor het gebied ongeveer ter hoogte van de huidige boerderij is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. De begrenzing van de dubbelbestemming is gebaseerd op de dubbelbestemming uit het voorheen geldende bestemmingsplan en het eerder uitgevoerde archeologisch onderzoek (zie paragraaf 4.2.2). Bij verstoringen in de bodem met een grotere diepte dan 0,5 meter en een grotere oppervlakte dan 100 m² zijn specifieke bouwregels en een omgevingsgunningenstelsel van toepassing. Bouwwerken ten behoeve van andere bestemmingen, welke met deze dubbelbestemming samenvallen, mogen uitsluitend worden gebouwd met toepassing van een afwijking, 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen de algemene bepalingen aan de orde.
Het gaat om: Anti-dubbeltelregel (artikel 12) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene bouwregels (artikel 13) In dit artikel zijn algemene bouwregels opgenomen die voor het hele plangebied gelden, zoals regels voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels (artikel 14) In dit artikel is bepaald welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn. Ook is de verplichting opgenomen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid in het plangebied. Algemene afwijkingsregels (artikel 15) De algemene afwijkingsregels zijn hierin opgenomen. Het gaat om minimale afwijkingen van maatvoering, bouwvlakken, e.d. wanneer dit in de uitvoering nodig blijkt vanwege bijvoorbeeld een meetverschil. Overige regels (artikel 16) In dit artikel zijn regels opgenomen die om te voorkomen dat een woning gebruikt wordt en omgebouwd wordt voor bewoning door meer dan één huishouding. De regeling is afgestemd op het Paraplubestemmingsplan Wonen. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 17) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht.