a. Toelichting Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne (14-03-2022) vastgesteld
Tekst van het document
Landschapsontwikkelingsplan Zwolle-Zwartewaterland-Kampen
4.3.2.1 Algemeen Het ‘Landschapsontwikkelingsplan Zwolle-Zwartewaterland-Kampen’ is eind 2010/begin 2011 vastgesteld door de gemeenteraden van Zwolle, Zwartewaterland en Kampen. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is een belangrijke bouwsteen voor nieuwe bestemmingsplannen. Tevens is het een inspiratiebron en leidraad voor initiatiefnemers en gemeente bij het uitwerken en toetsen van plannen. Het doel van het LOP is de bijzondere landschappelijke kwaliteiten van onder ander Zwartewaterland verder te ontwikkelen. Het uitgangspunt in het LOP is dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn als die voldoende rekening houden met of bijdragen aan de bijzondere landschappelijke kwaliteiten en kenmerken. In het ‘Landschapsontwikkelingsplan Zwolle-Zwartewaterland-Kampen’ worden elf deelgebieden onderscheiden. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Stroomruggen en dijken’. 4.3.2.2 Deelgebied Stroomruggen en dijken Dit deelgebied ademt een rijke cultuurhistorie. Er is een concentratie van diverse cultuurhistorische elementen en functies aanwezig. Het multifunctionele karakter is eveneens van belang. Samen met de waterlopen (IJssel, Zwartewater en Vecht) vormen de ruggen en oeverwallen de ruggengraten van het gebied. De dijken verbinden prachtige historische kernen die allemaal op de één of andere wijze een relatie hebben met het water.
Aan weerszijden van de dijken liggen kolken, onregelmatige mozaïekvormige kavels en dijkwoningen. De visie richt zich op instandhouding en het toegankelijk maken en versterken van de cultuurhistorische identiteit van de oude kernen, rivierduinen, oeverwallen, stroomruggen, kronkelende dijken, kolken en verkavelingspatronen. Kenmerkende cultuurhistorischeen landschapselementen met gebiedskenmerkende soorten worden hersteld en versterkt. Als gevolg van het herstel van landschapselementen zoals meidoornhagen, knotwilgen, hakhout, hoogstamboomgaarden, takkenrillen, poelen, bloeiende en besdragende struiken en extensief en gericht beheer wordt de natuurrijkdom versterkt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld De dijken en kades worden geschikt gemaakt voor recreatief medegebruik. Het verblijfskarakter en recreatief gebruik worden versterkt en de functie voor doorgaand verkeer wordt getemperd. Al fietsend over de kronkelige dijken heeft men prachtige uitzichten over de rivieren. De historische kernen, zoals Grafhorst, IJsselmuiden, Wilsum, ’s Heerenbroek, Zalk en Kampen vormen pleisterplaatsen. Er liggen kansen om de relatie van de kernen met het water door nieuwe ontwikkelingen nieuw leven in te blazen (bijvoorbeeld horeca, opstapplekken voor watergebonden recreatie of zitgelegenheden). De huidige vorm van landbouw wordt voortgezet. Historische beeldbepalende gebouwen wordt een duurzame toekomst geboden door nieuwe functies te zoeken. Voor het vinden van een nieuwe invulling mag ruim worden gedacht, experimenteren is toegestaan! Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bewoning, bedrijvigheid, horeca of een maatschappelijke functie. Maat en schaal van de ontwikkeling moet echter passen bij de plek binnen het deelgebied. Kortom, in dit deelgebied wordt ingezet op het behoud en de versterking van de cultuurhistorische, natuurlijke landschappelijke kwaliteiten en het multifunctionele karakter. Warmte- en droogteminnende soorten komen voor op dijken, rivierduinen en oeverwallen.
De natuur is gericht op gradiëntrijkdom van kolken, dijken, oeverwallen, sloten en erfbeplantingen. 4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het ‘Landschapsontwikkelingsplan Zwolle-Zwartewaterland-Kampen’ Zoals in paragraaf 3.1 reeds is beschreven, is door Het Oversticht een advies uitgebracht omtrent de erfinrichting van het plangebied. Met het in acht nemen van het advies van Het Oversticht wordt voldaan aan het ‘Landschapsontwikkelingsplan Zwolle-Zwartewaterland-Kampen’. 4.3.3
Beleidsregel KGO Gemeente Zwartewaterland
4.3.3.1 Algemeen De beleidsregel is uitgewerkt in een rekenmodel waarbinnen eenduidige criteria zijn benoemd aan de hand waarvan de vereiste investering in kwaliteit kan worden bepaald. De methodiek is geïnspireerd op het werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie. Het kwaliteitsgericht denken, waarbij enkel de impact en schaal van de ontwikkeling bepalend is voor de hoogte van de ruimtelijke investering, is uitgewerkt naar een concreet toepasbaar rekenmodel. In de berekeningsmethodiek wordt een vergelijking gemaakt tussen de bestaande en de gewenste situatie. Aan de hand van een aantal parameters wordt bepaald wat de ruimtelijke impact van de ontwikkeling is. Hierbij is onderscheid gemaakt in wijzigingen in bebouwingsoppervlakte en wijzigingen in functie en grootte van het erf. De impact wordt uitgedrukt in een percentage, dat kan variëren van 0% tot 100%. Wanneer het percentage hoger is dan 20% is er sprake van een grootschalige ontwikkeling en moet er een aanvullende kwaliteitsprestatie geleverd worden. Voor dit bestemmingsplan is het rekenmodel voor beide erven Glinthuisweg 17 en 17a separaat ingevuld. Op die manier wordt de impact separaat per erf inzichtelijk en blijkt tegelijkertijd de samenhang tussen beide erven.
4.3.3.2 Situatie plangebied Glinthuisweg 17 Bij het invullen van het rekenmodel voor het erf Glinthuisweg 17 is de bestaande bedrijfsbebouwing als gebiedsvreemd beoordeeld. De reden hiervan is dat dit geen agrarische bedrijfsbebouwing is. De bestaande bedrijfswoning is gebiedpassend. De bestaande grootte van het erf komt overeen met het de oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘bedrijf’. De huidige functie is gebiedsvreemd met milieucategorie 3. In de plansituatie blijft de gebiedspassende bedrijfswoning staan. Daarbij worden twee nieuwe burgerwoningen toegevoegd. Omdat voor dit bestemmingplan geen specifiek beeldkwaliteitsplan geldt, zijn de nieuwe woningen als gebiedsneutraal beoordeeld. De oppervlakte van de drie nieuwe woonerven tezamen is
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld een fractie kleiner dan de huidige bedrijfsbestemming, omdat een klein deel van het erf de bestemming agrarisch onbebouwd gebied krijgt. De functie wonen is als gebiedsneutraal beoordeeld. De ontwikkeling heeft een kleine maatschappelijke meerwaarde, omdat een bedrijf met een relatief zware milieu-impact uit het buitengebied/ de buurtschap Genne verdwijnt. Het erf is niet beoordeeld als liggend op een gevoelige zichtlocatie. Glinthuisweg 17a Bij het invullen van het rekenmodel voor de voormalige agrarische locatie Glinthuisweg 17a is de bestaande bebouwing als gebiedsneutraal beoordeeld. De bestaande grootte van het erf komt overeen met het bestemde agrarische bouwvlak. De huidige agrarische functie is gebiedsgebonden, daarom wordt conform de beleidsregel een milieucategorie gehanteerd van nul. In de toekomstige situatie blijft de voormalige agrarische bedrijfswoning staan alsook één schuur met een oppervlakte van een kleine 400 m2. De woning is van het type bungalow, en is daarom als gebiedsneutraal beoordeeld. Samen met de gebiedsneutrale schuur ontstaat een woonerf waarin schuur en bungalow met elkaar in juiste proporties staan. Hierdoor ontstaat een passender erfensemble dan wanneer alleen de bungalow zou blijven staan.
Ook op dit erf zijn de nieuwe woningen als gebiedsneutraal beoordeeld, omdat het bestemmingsplan geen specifiek beeldkwaliteitsplan bevat. Omdat de functie van agrarisch wordt veranderd in wonen, wordt de nieuwe functie als gebiedsneutraal beoordeeld. De oppervlakte van de drie gezamenlijke woonerven is ongeveer 2.000 m 2 kleiner dan het huidige agrarische bouwvlak. Deze 2.000 m2 krijgt de gebiedspassende bestemming agrarisch onbebouwd gebied. De ontwikkeling op het erf Glinthuisweg 17a heeft een grote maatschappelijke meerwaarde. Enerzijds doordat met deze ontwikkeling een forse asbestsanering plaatsvindt. Anderzijds omdat op dit erf, meer dan op het erf Glinthuisweg 17, waardevolle zichtlijnen worden hersteld. Het erf is niet beoordeeld als liggend op een gevoelige zichtlocatie, maar het herstel van de waardevolle zichtlijnen door het creëren van openheid maakt wel dat de maatschappelijke meerwaarde doorslaat van klein naar groot. Bepaling van de ruimtelijke impact De ontwikkeling op het erf Glinthuisweg 17 heeft een impact van 11,98%. Dat betekent dat de ontwikkeling wel een ruimtelijke impact heeft, maar dat die impact beperkt is en met een KGO-basisinspanning ruimtelijk acceptabel gemaakt kan worden. De basisinspanning wil zeggen dat de kwalitatieve maatregelen beperkt mogen blijven tot het eigen erf.
Op die manier is sprake van een ontwikkeling die ruimtelijke kwaliteit toevoegt. De ontwikkeling op het erf Glinthuisweg 17a heeft een impact van 21,31%. De ruimtelijke impact op dit erf is dus wat forser. Toch is ook hier de basisinspanning voldoende. Dat de ruimtelijke impact forser is, wordt veroorzaakt doordat niet alle bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Eén schuur van 400 m 2 blijft staan. Vanuit ruimtelijke kwaliteit is dit echter wenselijk, omdat hierdoor een erfensemble ontstaat waarbij bungalow en schuur met elkaar in een passende verhouding staan. Wanneer beide erven samen worden bezien, is de ruimtelijke impact van de gehele ontwikkeling circa 16%. In samenhang met elkaar heeft de ontwikkeling een beperkte ruimtelijke impact. Beide erven in samenhang ontwikkelingen is daarnaast ook een vereiste. Glinthuisweg 17 kan niet tot woonerf worden getransformeerd zolang op nummer 17a nog een agrarisch bedrijf is bestemd. En Glinthuisweg 17a kan niet tot woonerf worden getransformeerd zolang op nummer 17 nog een (bouw)bedrijf is bestemd. Om winst in ruimtelijke kwaliteit te behalen moet de ontwikkeling van beide erven gezamenlijk plaatsvinden in één nieuw bestemmingsplan. Op die manier wordt er een toename van de ruimtelijke kwaliteit in het buurtschap Genne bereikt. Een weergave van de ingevulde rekenmodellen KGO zijn in afbeelding 4.6 en 4.7 weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld
Afbeelding 4.6
Ingevuld KGO-rekenmodel Glinthuisweg 17 (Bron: Gemeente Zwartewaterland)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld
Afbeelding 4.6
Ingevuld KGO-rekenmodel Glinthuisweg 17a (Bron: Gemeente Zwartewaterland)
4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Beleidsregel KGO Gemeente Zwartewaterland’ Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de ‘Beleidsregel KGO Gemeente Zwartewaterland'. Wanneer beide erven samen worden bezien, is er sprake van een beperkte ruimtelijke impact. Aanvullende kwaliteitsprestaties zijn daarom niet noodzakelijk. 4.3.4
Woonvisie Zwartewaterland
4.3.4.1 Algemeen In januari 2017 heeft de gemeente Zwartewaterland een nieuwe woonvisie opgesteld. Deze woonvisie geeft inzicht in de woonvraagstukken van Zwartewaterland. Het uitvoeringsprogramma laat zien waar de gemeente samen met haar partners heen wil. Deze actuele woonvisie dient ook als basis om te komen tot (prestatie)afspraken en is input voor de omgevingsvisie. De woonvisie is gebaseerd op een woningbehoefteonderzoek. De woonvisie is opgesteld voor de periode 2017-2025. 4.3.4.2 Programma De huishoudensgroei zet in de komende jaren nog stevig door in gemeente Zwartewaterland. In de periode 2015-2025 komen er zo’n 1.000 huishoudens bij. Vanaf 2025 wordt een afvlakking van de toename verwacht. In de trendvariant van Primos blijkt Hasselt het snelste te groeien in de periode 2015-2025. De verwachte BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld toename bedraagt 18%. In absolute termen neemt in Hasselt tot 2025 het aantal huishoudens toe met ruim 500. In de gemeente Zwartewaterland is sprake van een kwantitatieve actuele behoefte aan woningen binnen een bandbreedte tussen 500 en 611 woningen voor de periode 2019 t/m 2028. In deze toelichting wordt het midden van de bandbreedte aangehouden, dat is 555 woningen. Op dit moment is sprake van onderprogrammering. Hiertoe wordt gekomen door de vraag op basis van actuele huishoudensprognose af te zetten tegen de harde plancapaciteit. • • •
Woningvraag voor gemeente Zwartwaterland bedraagt 555 woningen. Harde plancapaciteit 211 woningen (datum 01-01-2020). De resterende actuele behoefte die hieruit volgt is 344 woningen.
Er is dus nog ruimte in de verhouding tussen de woningvraag en het planologisch aanbod van 344 woningen. De vier nieuwe woningen binnen het plangebied vullen een klein deel van deze ruimte. 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke woonvisie Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van vier nieuwe woningen in het buitengebied. Daarnaast worden twee bestaande bedrijfswoningen herbestemd tot reguliere woningen en daarmee bereikbaar voor een grotere doelgroep. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van de Beleidsregel KGO Gemeente Zwartewaterland. Zoals uit voorgaande subparagraaf blijkt dat er in de gemeente Zwartewaterland nog ruim voldoende behoefte is aan nieuwe woningen. Het plan is dan ook in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie. 4.3.5
Welstandsnota Gemeente Zwartewaterland
4.3.5.1 Algemeen Op 1 februari 2016 heeft de raad van de gemeente Zwartewaterland de ‘Welstandsnota Gemeente Zwartewaterland - “Slimmer bekeken” vastgesteld. In deze welstandsnota worden negen deelgebieden onderscheiden, waarvan de ruimtelijke kwaliteit in grote mate overeenkomt. Dit ruimtelijk kwaliteitsniveau vormt het uitgangspunt voor het welstandsbeleid. Het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied ‘Buurtschappen’, specifiek het buurtschap Genne. 4.3.5.2 Deelgebied ‘Buurtschappen’ Hier is gekozen voor niveau 1, een hoog welstandsniveau. Dit omdat er sprake is van een nog duidelijk herkenbare historische structuur en de buurtschappen al eeuwen bepalend zijn voor de kwaliteit van het landschap. De inhoudelijke richting van de welstandstoets zal zijn gericht op het respecteren en interpreteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Dit om het dynamische karakter van dit deelgebied (nog in bedrijf zijnde en vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen) niet te frustreren. Een uitzondering hierop is gemaakt bij de buurtschap Zwartewatersklooster. Deze uit de middeleeuwen stammende buurtschap met zijn historische bebouwing en structuur en het kerkhof – dat sinds de 13e eeuw zijn functie heeft behouden – rechtvaardigt een inhoudelijke toets die is gebaseerd op behouden en herstellen.
4.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Welstandsnota Gemeente Zwartewaterland’ Te zijner tijd zal het definitieve bouwplan getoetst worden aan de welstandscriteria zoals opgenomen in de ‘Welstandsnota Gemeente Zwartewaterland’. 4.3.6
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het hiervoor behandelde gemeentelijke beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, duurzaamheden en Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Een woning wordt op basis van de Wet geluidhinder aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
In de omgeving van het plangebied zijn uitsluitend verkeersluwe wegen aanwezig die hoofdzakelijk worden gebruik door bestemmingsverkeer van de aangelegen erven. Gesteld wordt dat er sprake is van een lage verkeersintensiteit. In de omgeving is de Verkavelingsweg de weg met de hoogste verkeersintensiteit. Dit betreft echter ook een weg die in hoofdzaak wordt gebruik door bestemmingsverkeer en waar sprake is van een matige verkeersintensiteit. Tevens bedraagt de afstand van het plangebied tot aan de betreffende weg circa 390 meter. Gelet op het vorenstaande zal de geluidbelasting als gevolg van de Verkavelingsweg en de overige wegen de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschrijden en vormt het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Spoorrails zijn gelegen op ruime afstand van het plangebied. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de wettelijke geluidszone van de spoorwegen. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. 5.1.2.3 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op milieuhinder (o.a. geluid) als gevolg van individuele bedrijven. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt. 5.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijn NEN 5740. In voorliggend geval is er een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. In de volgende subparagraaf wordt nader op de resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. 5.2.2
Situatie plangebied
Algemeen Het verkennend bodemonderzoek is verricht op de volgende terreindelen: • • • • • • • • • •
Deellocatie A: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); Deellocatie B: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2); Deellocatie C: voormalige olieopslag (5 m2); Deellocatie D: druppelzone (45 m2, 45 meter x 1 meter); Deellocatie E: druppelzone (16 m2, 16 meter x 1 meter); Deellocatie F: druppelzone (16 m2, 16 meter x 1 meter); Deellocatie G: druppelzone (18 m2, 18 meter x 1 meter); Deellocatie H: druppelzone (29 m2, 29 meter x 1 meter); Deellocatie I: druppelzone (5 m2, 5 meter x 1 meter); Overig terreindeel (circa 9800 m2).
Resultaten veldwerk In totaal zijn handmatig 39 inspectiegaten gegraven, waarvan 18 ter plekke van de druppelzones en zijn 10 grondboringen verricht. Negen monsterpunten zijn doorgeboord tot inde ongeroerde ondergrond. Er zijn 4 diepe boringen afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig fijn tot matig grof zand. Zintuiglijk zijn plaatselijk bodemvreemde materiaal waargenomen. Visueel zijn asbestverdachte materialen waargenomen in inspectiegaten 1, 15 en 17. Ter plekke van deellocaties A, B en C zijn geen waarnemingen gedaan, die duiden op een verontreiniging met minerale olie. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld 1,40 meter min maaiveld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld Analyseresultaten Op basis van de analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Deellocaties A, B en C Ter plaatse van deellocatie A, B en C zijn in de boven- en ondergrond geen verontreinigingen aangetroffen waarbij sprake is aantoonbare negatieve invloed op de bodemkwaliteit. Deellocaties D t/m I De druppelzone ter plaatse van deellocatie D is asbesthoudend; het gewogen asbest gehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de overige druppelzones is geen asbest aangetoond. Overig terreindeel In het overige terreindeel is plaatselijk asbesthoudend materiaal aangetroffen. De gewogen asbestgehalten overschrijden de interventiewaarde en/of de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Om de omvang van de asbestverontreinigingen ik kaart te brengen is een nader asbestonderzoek uitgevoerd ter plekke van inspectiegaten 1, 15 en 17 (zie bijlage 2). •
Inspectiegat 1: De horizontale en verticale afperking van de asbestverontreiniging ter plekke van inspectiegat 1 heeft in voldoende mate plaatsgevonden; er is geen asbest aangetoond in de monsters ten behoeve van de verticale en horizontale afperking. De omvang van de asbestverontreinigingen in een gehalte hoger dan de interventiewaarde wordt geschat op circa 25 m2 (5.0 meter x 5.0 meter) x 0.3 = 8 m3 (afgerond).
•
Inspectiegat 15: De horizontale en verticale afperking van de asbestverontreiniging ter plekke van inspectiegat 15 heeft in voldoende mate plaatsgevonden; er is geen asbest aangetoond of het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de interventiewaarde. Aangezien het gewogen asbestgehalte in de asbesthoudende laag van inspectiegat 15 lager is dan de interventiewaarde is sanering niet noodzakelijk. Geadviseerd wordt om de grond nabij inspectiegat 15 te zeven over 20 mm om van de asbesthoudende grove fractie te ontdoen. De omvang van de asbesthoudende grond in een gehalte tussen de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek en de interventiewaarde wordt geschat op circa 25 m2 (5.0 meter x 5.0 meter) x 0.5 = 12.5 m3.
•
Inspectiegat 17: De verticale afperking van de asbestverontreiniging ter plekke van inspectiegat 17 heeft in voldoende mate plaatsgevonden; er is geen asbest aangetoond in de bodemlaag onder de sterk verontreinigde bodemlaag van inspectiegat 301. De horizontale afperking ten westen, noorden en ten oosten van inspectiegat 17 heeft eveneens in voldoende mate plaatsgevonden; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de interventiewaarde. Inspectiegat 304 (ten zuiden van inspectiegat 17/301) is visueel sterk asbesthoudend. Aangenomen wordt dat het gewogen asbestgehalte in ruime mate de interventiewaardeoverschrijdt. Verdere horizontale afperking in zuidelijke richting is noodzakelijk om de omvang van de asbestverontreiniging beter in kaart te brengen. Op basis van deze gegevens lijkt de asbestverontreiniging zich te beperken tot de bodemlaag onder de betonverharding van de kapschuur. Niet vast staat dat de gehele laag onder de betonvloer asbesthoudend is. De omvang van de asbestverontreinigingen in een gehalte hoger dan de interventiewaarde wordt geschat op circa 120 m2 (19 meter x 6.5 meter) x 0.5 = 60 m3.
Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (voor asbestverontreiniging geldt geen omvangscriterium) ter plekke van inspectiegaten 1 en 17. Sanering is noodzakelijk om het terrein geschikt te maken voor toekomstig gebruik (wonen met tuin).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld 5.2.3
Conclusie
Na sanering van de asbestverontreinigingen zijn er geen milieutechnische bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in vergelijking met de categorieën van gevallen als genoemd in 5.3.1.1 is de toevoeging van vier woning aan te merken als een project welke ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Tot slot wordt opgemerkt dat woningen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld 5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgesteld in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
5.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief aangegeven met de rode contour.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Conclusie
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een ‘gemengd gebied’. Dit vanwege het feit dat er een diversiteit aan functies aanwezig is (wonen, bedrijvigheid, agrarische bedrijvigheid, maatschappelijk). Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ wordt niet gezien als een milieubelastende functie. Van enige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geen sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van het realiseren van vier nieuwe woningen. Dit bestemmingsplan maakt daarmee een nieuwe milieugevoelige functies mogelijk. Ten aanzien van de twee aanwezige bedrijfswoningen wordt opgemerkt dat deze uitsluitend worden herbestemd naar een woonbestemming. De betreffende woningen worden niet verplaatst. Aangezien deze (bedrijfs)woningen reeds zijn toegestaan, worden deze in de toetsing buiten beschouwing gelaten. In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies voor, waaronder veehouderijen. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Hier wordt ten aanzien van de veehouderijen uitsluitend getoetst aan de aspecten stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied.
Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de milieugevoelige objecten en het bestemmingsvlak/bouwvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Adres
Functie
Categorie
Richtafstand gemengd gebied (m)
Glinthuisweg 19 Glinthuisweg 14a
Maatschappelijk Grondgebonden veehouderij Intensieve veehouderij Grondgebonden veehouderij Grondgebonden veehouderij Mechanisatie- en Constructiebedrijf G. Zielman Grondgebonden veehouderij
max. 2 3.2
10 10 (stof/geluid)
Afstand tot nieuwe milieugevoelige objecten (m) 25 60
4.1 3.2
30 (stof/geluid) 10 (stof/geluid)
180 180
3.2
10 (stof/geluid)
100
3.1
30
40
3.2
10 (stof/geluid)
220
Glinthuisweg 31 Glinthuisweg 18 Glinthuisweg 11 Klinkerweg 1
Klinkerweg 2
In voorliggend geval kan aan alle richtafstanden (geur buiten beschouwing latend) worden voldaan. Gezien de afstand van de nieuwe woningen tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De in de omgeving voorkomende (agrarische) bedrijven worden niet belemmerd door de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik. 5.6.2
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf betreft de grondgebonden veehouderij aan de Glinthuisweg 14a. Bij grondgebonden veehouderijen dienen de vaste afstanden te worden gehanteerd. In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling buiten de bebouwde kom, waardoor een geurgevoelig object zich op ten minste 50 meter van een veehouderij dient te bevinden. Uitsluitend ten aanzien van de bestaande woning aan de Glinthuisweg 17a wordt de afstand van 50 meter niet gehaald. Voor alle overige woningen binnen het plangebied bedraagt de afstand ten minste 60 meter tot het dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsperceel. Ten aanzien van de Glinthuisweg 17a wordt opgemerkt dat het gaat om een bestaande woning. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de herbestemming van een agrarische bestemming naar een woonbestemming teneinde de woning te kunnen gebruiken als reguliere woning. De functie wonen wijzigt hiermee niet. Aangezien het hier gaat om een bestaande woning, mag er van worden uitgegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat de omliggende agrarische bedrijven geen belemmering vormen ten aanzien van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat.
Andersom worden agrarische bedrijven niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 200 meter van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv.
geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het (NNN) is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Ten aanzien van het NNN wordt opgemerkt dat het plangebied niet in het NNN is gelegen.
Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 180 meter van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is er een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld 5.7.3.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemeneen weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. 5.7.4
Conclusie
De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader soort- of gebiedsbescherming. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht zoals vermeld in Art. 1.11 van de Wnb. Er is geen nader onderzoek nodig en er hoeft geen vergunning of ontheffing aangevraagd te worden.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Laagland Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. Deze sporen kunnen worden aangetroffen in de top van het rivierduin, onder een opgebracht pakket van circa 90 cm dik.
Indien de geplande bodemverstorende werkzaamheden in het zuidelijke plangebied (nummer 17) dieper reiken dan circa 70 cm beneden maaiveld wordt geadviseerd archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Daarbij is rekening gehouden met een bufferlaag van 20 cm. Indien de bodemverstorende werkzaamheden in het zuidelijke deel niet dieper reiken dan 70 cm beneden maaiveld, en/of indien er alleen heipalen geslagen of geboord worden (al dan niet dieper dan 70 cm) wordt geadviseerd geen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld vervolgonderzoek uit te voeren. Het aanbrengen van heipalen gaat bijna altijd gepaard met een beperkte bodemverstoring en leidt slechts in geringe mate tot aantasting van een eventuele vindplaats. In het noordelijke plangebied (17a) is sprake van een opgebracht pakket dat in dikte varieert van circa 60 tot 130 cm of meer. De nieuwe woningen worden geheel of gedeeltelijk gebouwd op een stal met mestkelders tot een diepte van tenminste 70 cm. De kelders in de stal daarnaast reiken tot tenminste 115 cm beneden maaiveld. Waarschijnlijk is de bodem daaronder nog tot een diepte van circa 10-20 cm verstoord tijdens de aanleg van de funderingen en de kelders. Geadviseerd wordt om hier archeologisch onderzoek uit te voeren indien bodemverstorende werkzaamheden dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel blijkt dat er in of nabij het plangebied geen cultuurhistorische waarden, waaronder monumenten, aanwezig zijn. 5.8.3
Conclusie
Ten tijde van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de beoogde woningen zal bepaald worden of er al dan niet vervolg archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ter bescherming van eventuele aanwezige archeologische waarden is in het voorliggende bestemmingplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ overgenomen van het “Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland”. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
5.9
Duurzaamheid
5.9.1
Algemeen
'Duurzaamheid' is net als 'ruimtelijke kwaliteit' een containerbegrip dat van belang is voor alle sectorale ontwikkelingen. Beide begrippen hebben betrekking op de toekomst, waarin zorgvuldig wordt omgesprongen met de kernkwaliteiten van het plangebied en waarin ook in de toekomst een vitaal gebied blijft bestaan. Het begrip 'duurzaamheid' krijgt meer inhoud als het gekoppeld wordt aan concrete ontwikkelingen en aan concreet beleid. Het is een belangrijk thema voor de drie gemeenten. Daar waar 'ruimtelijke kwaliteit' de uitkomst is van een zorgvuldige ruimtelijke ontwikkeling, geeft duurzaamheid een ambitie vanuit het heden weer, een startpunt om op de lange termijn zorgvuldig om te gaan met de kernkwaliteiten. Milieuaspecten vormen heel concreet de randvoorwaarden voor duurzame ontwikkelingen. Ze vormen een toets op de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt voor de periode van de volgende 10 jaar. Verder zijn er voor bestemmingsplannen momenteel steeds meer nieuwe richtlijnen en wetgeving op het gebied van milieu van kracht, zoals bijvoorbeeld voor fysieke veiligheid, geluid en luchtkwaliteit. Voor het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld bestemmingsplan betekent dit vaak een verplichting om bepaalde onderzoeken uit te voeren. Deze onderzoeken dienen afgerond te zijn voordat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. 5.9.2
Duurzame energie
Energie en energiegebruik is –noodgedwongen- volop in beweging. Beperking van het energiegebruik, zuiniger omspringen met fossiele brandstoffen en het zoeken naar alternatieve, duurzame energiebronnen lopen daarbij parallel. Voorbeelden zijn plaatsen van zonnepanelen op dakvlakken en koude warmte opslag. 5.9.3
Conclusie
In de nadere planuitwerking in de uitvoeringsfase wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan duurzaamheid. Bij de uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de gemeentelijke beleidsambities op het gebied van duurzaamheid. Uit voorliggende plantoelichting blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan alle milieuaspecten, waarbij voldaan wordt aan de onderzoeksplicht die van toepassing is voor relevante milieuaspecten. De toe te voegen woningen zullen, conform landelijke wetgeving, gasloos worden uitgevoerd. Tot slot wordt getracht zo duurzaam mogelijk om te gaan met water. Verwezen wordt naar het volgende hoofdstuk.
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan Glinthuisweg 17 en 17a Genne Vastgesteld 5.10.2 Beoordeling 5.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op circa 200 meter van het plangebied gelegen. Zoals in paragraaf 5.7.2.1 en bijlage 4 (stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig.
Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (onderdeel D 11.2 besluit m.e.r.). De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het herbestemmen van een bedrijfsperceel en een agrarisch bedrijfsperceel naar wonen waarbij de bestaande bedrijfswoningen wordt herbestemd tot wonen en binnen het plangebied vier woningen worden toegevoegd. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt.