1.1. Motivering
Tekst van het document
De ambitie is verder de landschappelijke kwaliteiten voor weidevogels in stand te houden en te versterken, waaronder openheid en hoog waterpeil. Deze gebieden zouden nog aan kwaliteit kunnen winnen, als het ‘dynamische deltakarakter’ weer meer voelbaar wordt gemaakt, bijvoorbeeld door het krekenpatroon zichtbaarder en beleefbaarder te maken en het contrast tussen binnen en buitendijks gebied tevergroten.Kenmerkende cultuurhistorische gebouwen en bouwwerken behouden door ze aan te passen aan nieuwe functies. Eventuele nieuwe bebouwing realiseren op terpen of via andere innovatieve oplossingen anticiperen op hogere waterstanden van het IJsselmeer. Toetsing: Als ontwikkelingen plaats vinden in het zeekleilandschap, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van bestaande erven, lintdorpen en voormalige Zuiderzeestadjes. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw.
34
Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de kwaliteiten van natuur en landschap behouden en versterkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkeling van het erf. Voor het ruimtelijke kwaliteitsplan wordt verwezen naar paragraaf 1.2.4. De stedelijke laag: verspreide bebouwing De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infrastructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, maar daarbij wordt de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker. De ontstaansgeschiedenis is medebepalend voor de huidige identiteit en terug te vinden in de ruimtelijke opbouw van de kernen, maar ook in de economische en sociale dynamiek. Daarnaast hebben door de tijd heen veranderende ideeën over de ideale vormgeving van de stad invloed gehad op de ruimtelijke opbouw.
Cultuurhistorisch of architectonisch waardevolle gebouwen en structuren zijn hierbij vaak bepalend voor de stedelijke identiteit en de belevingswaarde voor bewoners en bezoekers. Zo is in Overijssel een rijk palet ontstaan aan onderscheidende steden en dorpen. Elk met een eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteit. Verspreide bebouwing De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broeken heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan.
Bij de transformatie van de erven vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. Daarbij heeft de oorspronkelijke ‘eenheid in handelen’,
35
waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaats gemaakt voor ‘diversiteit in handelen’: iedereen doet op zijn erf zijn eigen ‘ding’. De erven gaan daardoor binnen de landschappelijke eenheid steeds meer van elkaar verschillen. Nieuwe functies bepalen het aangezicht: of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding er omheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (kleine erf, dicht in de beplantingen en een paardenweide). Deze verschillen zijn zowel in het landschap - als op luchtfoto’s - heel goed te zien. De ambitie is Levende erven! Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen. Deze robuuste erfensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra (vervangende) bebouwing een alternatief bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale / regionale sociaal-economische ontwikkeling.
Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een kans om unieke, echt Overijsselse woon/werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken als identiteitsdrager van erftransformaties benut. Gebiedsgewijze aanpak van herstel erven en bebouwing volgens het ‘Streekeigen huis en erf’ concept. De ontwikkeling van nieuwe erven draagt bij aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd. Informele trage netwerk Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien. Van oudsher verbonden deze routes vaak de kernen met het ommeland en met elkaar.
Zo vormde het dorpsplein, de dorpsstaat, de weg naar buiten en uiteindelijk de zandpaden door de velden, een samenhangend netwerk. De maaswijdte van dit netwerk is sterk afhankelijk van het type landschap. Doordat bepaalde schakels in dit netwerk in de loop van de tijd zijn verdwenen (ruilverkaveling, opwaardering tot hoofdinfrastructuur en individuele ingrepen door particuliere grondeigenaren) is er sprake vandiscontinuïteit. Onderdelen van het langzame netwerk zijn opgenomen in de nationale en provinciale ruiter-, fiets, wandel- en vaarroutes.
36
Ambitie: Verschuiving in het verplaatsingsgedrag van auto naar fiets. Opheffen van de discontinuïteiten in het padennetwerk. Een schaalniveau hoger: het fiets- en wandelpaden netwerk wordt op niveau van de regio geïntegreerd tot een compleet systeem onder andere door de aanleg van fietssnelwegen. Toetsing: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw. Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de kwaliteiten van natuur en landschap behouden en versterkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijf. Met de voorgenomen ontwikkeling van het erf blijven de kenmerkende erfstructuur behouden, en blijft er duidelijk onderscheid tussen voor voorkant- achterkant van het erf. Bovendien vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Voor het ruimtelijke kwaliteitsplan wordt verwezen naar paragraaf 1.2.4. De laag van de beleving Donkerte De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. Denatuurcomplexen en de grote landbouwgebieden.
De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. ambitie Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Richting: In de donkere gebieden alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en ‘richten’ van kunstlicht. Toetsing In feite wordt er één extra woning toegevoegd en veel bestaande gebouwen gesloopt. Er kan zelfs sprake zijn van een verbetering door de donkerte doordat er minder verlichting op de nieuwe gebouwen terugkomt.
37
Overstromingsrisicogebieden (vrijwaringsgebieden in verband met het overstromingsrisico) zijn gebieden die niet beschermd worden door primaire keringen en daarmee wettelijk buitendijks liggen. Overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebied in verband met het overstromingsrisico) Strekking van het beleid: Overijssel kent één overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebied i.v.m. het overstromingsrisico): de Kampereilanden (gemeente Kampen en Zwartewaterland). Het belang van het water is hier kaderstellend. In het gebied mag worden gebouwd, maar geldt dat nieuwe kapitaalintensieve functies worden geweerd in verband met het overstromingsrisico. Toelichting (waarom?): De provincie heeft regionale keringen aangewezen die de Kampereilanden beschermen, maar aangezien het gebied niet beschermd wordt door een primaire kering kunnen in extreme situaties wateroverlast en overstromingen voorkomen. Uitvoering/instrumenten: Regels in de verordening artikel overstromingsrisicogebied (vrijwaringsgebieden in verband met overstromingsrisico) (Omgevingsverordening afdeling 4.8 (watergebiedsreserveringen) Toetsing: Er is geen sprake van een kapitaalintensieve functie. In paragraaf 2.4.2 wordt dit verder uitgewerkt en aangetoond dat hieraan voldaan wordt. Conclusie De ontwikkeling is in overeenstemming met het in de Geconsolideerde Omgevingsvisie Overijssel 2017 verwoorde provinciaal ruimtelijke beleid.
38
2.4.2 Omgevingsverordening Overijssel
Het gebied is gelegen binnen de Omgevingsverordening Overijssel. Voor het laatst gewijzigd op 01-11-2024. De locatie heeft de volgende gebiedsaanwijzingen:
Figuur 2.8 Uitsnede kaart omgevingsverordening
Relevante artikelen Afdeling 4.2 OVERIJSSELSE LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Artikel 4.3 – Oogmerk Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking Dit artikel beschrijft het doel van de afdeling: het stellen van aanvullende eisen op de landelijke ladder voor duurzame verstedelijking, in lijn met provinciale doelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit. De focus ligt op concentratie van stedelijke functies in bestaande kernen, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bevorderen van toekomstbestendige ontwikkelingen. Artikel 4.4 – Principe van concentratie Woningbouw, bedrijventerreinen en stedelijke voorzieningen mogen alleen worden ontwikkeld als er een aantoonbare lokale of doelgroepgerichte behoefte is. In stedelijke netwerken of streekcentra kan ook worden voldaan aan bovenregionale of regionale behoeften, mits dit past binnen de regionale programmering. Een gemeente kan ook voorzien in de behoefte van een buurgemeente, binnen diezelfde regionale afstemming. Artikel 4.5 – Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Nieuwe stedelijke ontwikkelingen in de Groene Omgeving zijn alleen toegestaan als er geen alternatief is binnen het bestaand bebouwd gebied, en als meervoudig ruimtegebruik daar volledig benut is. Bouwen in het buitengebied mag alleen als hergebruik van bestaande bebouwing of erven niet mogelijk is.
Een uitzondering geldt voor uitbreiding van dorpen en steden.
39
Artikel 4.6 – Toekomstbestendigheid Nieuwe ontwikkelingen moeten duurzaam en toekomstbestendig zijn. Ze mogen toekomstige generaties niet beperken, moeten bijdragen aan welzijn, economie en natuurlijk kapitaal, en op lange termijn waardevol zijn. Toetsing Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw. Er is daarom sprake van concentratie, bestaande ruimte wordt zorgvuldig gebruikt en de agrarische locatie wordt weer toekomstgericht gemaakt. Er vindt geen toename aan bebouwing plaatst en derhalve wordt per voldaan aan Afdeling 4.2 van de verordening. Afdeling 4.3 RUIMTELIJKE KWALITEIT Artikel 4.7 (oogmerk ruimtelijke kwaliteit) Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de omgevingsvisie Overijssel. Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) 1.
omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a) het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b) wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c) inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter
40
zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw. De ontwikkeling vindt plaats op het bestaande perceel. De ontwikkeling is in paragraaf 2.4.1 Omgevingsvisie Overijssel reeds getoetst aan het uitvoeringsmodel. Geconcludeerd kan worden dat reeds inzichtelijk is gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 4.11 – Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van functies in de Groene Omgeving zijn alleen toegestaan als er sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn, en het verlies aan natuur- of landschapswaarden wordt gecompenseerd door investeringen in ruimtelijke kwaliteit. In gebieden met het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water moet die compensatie specifiek gericht zijn op natuur, water en landschap. Deze eisen gelden onder andere voor nieuwe of uitgebreide recreatieve verblijven, woningbouw, en niet-agrarische bedrijvigheid. Uitzonderingen gelden bijvoorbeeld voor agrarische bedrijfsontwikkeling en zonnepanelen. Toetsing: Zoals in 2.3.2 KGO-beleid is toegelicht past de omgevingsplanwijziging binnen het KGObeleid. Daarmee voldoet de ontwikkeling ook aan de omgevingsverordening op dit punt. Artikel 4.54 (nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap IJsseldelta) 1.
Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap IJsseldelta als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. 2. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn: a) de grote mate van openheid, b) de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek, c) het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen, d) de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap. 3. Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta en met Bijlage VIII van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteitenNationaal Landschap IJsseldelta) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Toetsing
41
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw. De ontwikkeling vindt plaats op het bestaande perceel. De openheid van het landschap blijft bestaan net zoals de historische verkaveling. De ontwikkeling is in paragraaf 2.4.1 Omgevingsvisie Overijssel getoetst aan de kernkwaliteiten. Hiermee voldoet de ontwikkeling op dit punt. Artikel 4.88 (aanwijzing watergebiedsreserveringen) 4. Als overstroombaar gebied zijn gebieden aangewezen die normaal niet onder water staan, maar tijdelijk onder water kunnen komen te staan bij overstroming. Artikel 4.90 (instructieregels overstroombaar gebied) 1. Omgevingsplannen die betrekking hebben op gebieden die zijn aangewezen als Overstroombaar gebied voorzien alleen in stedelijke functies binnen dat gebied als
door het stellen van voorwaarden is verzekerd dat de veiligheid ook op lange termijn is geborgd. 2. Bij het stellen van voorwaarden bedoeld in het eerste lid is meerlaagse veiligheid het uitgangspunt. 3. De onderbouwing van een omgevingsplan bedoeld in het eerste lid bevat een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in: a) de risico's bij overstroming; en b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen of te beperken.
Toetsing Overstromingsrisicogebieden (vrijwaringsgebieden in verband met het overstromingsrisico) zijn gebieden die niet beschermd worden door primaire keringen en daarmee wettelijk buitendijks liggen. Het gaat om de Kampereilanden in gemeenten Kampen en Zwartewaterland. De provincie heeft regionale keringen aangewezen die de Kampereilanden beschermen, maar in extreme situaties kunnen wateroverlast en overstromingen voorkomen. Onder overstroombaar gebied verstaan we gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). In overstromingsrisicogebieden mag worden gebouwd, maar geldt dat nieuwe kapitaal-intensieve functies worden geweerd in verband met het overstromingsrisico.
42
Voor alle overstroombare gebieden is het gewenst dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe woonwijken, bedrijventerreinen en herstructurering) tijdig nadenken over voorzieningen die tijdens een dreigende overstroming getroffen kunnen en moeten worden om de bebouwing te beschermen tegen onderlopen, het gebied te kunnen evacueren of belangrijke functies veilig te stellen. Als er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om in deze laaggelegen gebieden nieuwe stedelijke functies toe te voegen, dient de waterveiligheid ook op langere termijn gegarandeerd te zijn, bijvoorbeeld door de technische inrichting van het gebied of de wijze van bouwen. Meerlaagsveiligheid is hierbij het uitgangspunt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld over vluchtlocaties, evacuatieroutes, ophoging van gebieden of wegen, aangepast bouwen, bescherming van vitale infrastructuur en kwetsbare objecten, bescherming van lokale dijken en kaden die de gevolgen van een overstroming kunnen beperken of geleiding van water naar gebieden waar het minder schade kan. De verordening schrijft voor dat voor overstroombaar gebied een overstromingsrisicoparagraaf wordt opgenomen in de toelichting bij omgevingsplannen, waarin aandacht wordt besteed aan deze aspecten. Er is geen sprake van kapitaalintensieve functies daarom zijn die regels niet van toepassing.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoning gesloopt. Tevens worden de aanwezige sleufsilo’s en mestsilo’s verwijderd. In plaats daarvan zullen twee nieuwe woningen worden gerealiseerd. Het bedrijfsgebouw dat zich linksachter op het perceel bevindt, blijft behouden en zal worden betrokken bij de woonfunctie als bijgebouw. Zoals op de bijbehorende situatietekening is weergegeven, hebben beide woningen een directe ontsluiting op de Topweg, wat in geval van een calamiteit een snelle evacuatie uit het gebied mogelijk maakt. Bij het ontwerp van de woningen zal rekening worden gehouden met het risico van overstromingen, overeenkomstig het principe van meerlaagsveiligheid. Hierbij wordt onder andere nagedacht aan het ophogen van het maaiveld rondom de woningen, het toepassen van waterbestendige materialen op de begane grond, het zoveel mogelijk situeren van technische installaties op verdiepingen. Deze maatregelen dragen bij aan het beperken van de gevolgen van een eventuele overstroming en het waarborgen van de veiligheid van de bewoners. Eindconclusie De ontwikkeling past in de omgevingsverordening.
43
3 Omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt de wijziging van het Omgevingsplan getoetst aan de Omgevingsvisie en eventuele programma’s en ander relevant beleid en regelgeving m.b.t. de fysieke leefomgeving. Er wordt enkel ingegaan op de omgevingsaspecten die relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling. Waarom willen we deze ontwikkeling op deze locatie en welke randvoorwaarden en eisen worden daarbij gesteld?
3.1.1 Welstand en beeldkwaliteit In de Welstandsnota 'Slimmer Bekeken' is aangegeven aan welke welstandseisen bouwplannen moeten worden getoetst. De locatie is gelegen in een gebied dat is aangeduid als het polderlandschap.
Figuur 3.1 uitsnede Welstandsnota
De welstandstoetsing wordt in twee stappen bepaald: Stap 1: het niveau van welstandstoetsing: hoe “streng” moet het welstandsbeleid toegepast worden. Stap 2: welke richting moet het beleid kennen.
44
Stap 1 De omschrijving van de deelgebieden is bepalend voor het niveau van welstandstoetsing. De planlocatie maakt onderdeel uit van deelgebied 'buitengebied overig'. Buitengebied overig Hier is gekozen voor niveau 2, een regulier welstandsniveau. Dit omdat er sprake is van een naar verhouding recente verkaveling met gangbare traditionele, hoofdzakelijk, agrarische bebouwing. De inhoudelijke richting van de welstandstoets zal zijn gericht op het respecteren en interpreteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Dit om het dynamische karakter van dit deelgebied (nog in bedrijf zijnde en vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen) niet te frustreren. Niveau 2: reguliere welstandstoetsing Onder dit niveau van welstandstoetsing vallen alle gebieden die om een normale enzorgvuldige beoordeling van de bouwkundige ingrepen vragen. De welstandsbeoordeling is hier met name gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van het betreffende gebied. Stap 2 Als het gewenste niveau van welstandstoetsing is bepaald, moet vervolgens de vraag worden beantwoordt welke inhoudelijke richting aan de welstandstoets wordt gegeven. Globaal kunnen hiervoor een aantal richtingen worden aangegeven, waarbij moet worden onderkend dat de uiteindelijke richting een samengestelde vorm kan kennen. Zoals aangegeven is niveau 2 van toepassing. Hiervoor geldt de richting respecteren.
respecteren: handhaven in de zin van respecteren interpreteren Hierbij ligt het accent nog steeds op datgene wat aanwezig is. Er wordt echter meer ruimte gegeven om binnen de gebiedskenmerken zoals deze in de omschrijving zijn geformuleerd naar ontwerpmogelijkheden te zoeken. Dit betekent niet dat nieuwbouw wordt uitgesloten. Wel moet worden getracht om, met inachtneming van het streekeigen karakter van de bebouwing in een gebied, te komen tot een zo goed mogelijke oplossing Conclusie De nieuwbouwwoningen zijn uitgevoerd in een passend design dat gebiedseigen is. De woningen worden uitgevoerd als schuurwoningen. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de ruimtelijke kwaliteit is niet in strijd met redelijke eisen van welstand.
45
3.1.2 Parkeren
De gemeente Zwartewaterland heeft het “Parkeerbeleidsplan 2023-2030” vastgesteld. Het parkeren zal uitsluitend op eigen terrein plaatsvinden. Hiermee zal er geen extra druk op de openbare ruimte ontstaan. In voorliggend geval bevindt het plangebied zich in een gebied aangewezen als ‘Buitengebied’. Daarnaast wordt uitgegaan van ‘Weinig stedelijk’ voor de gemeente Zwartewaterland (bron: CBS Statline). In een dergelijk gebied wordt voor vrijstaande woningen een parkeernorm van maximaal 2,4 parkeerplaatsen per woning aangehouden. Het erf is van ruim voldoende omvang om te kunnen voorzien in deze parkeerbehoefte van 4,8 parkeerplaatsen.
3.1.3 Verkeer Huidige verkeersbewegingen Bij melkveehouderijen tot 200 melkkoeien inclusief paarden behoren een aantal verkeersbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in vaste verkeersbewegingen per week en incidentele verkeersbewegingen (in bepaalde perioden). De onderverdeling is als volgt te maken: Vaste verkeersbewegingen: • Ophalen melk met tankwagen - 3x per week, resulteert in 6 verkeersbewegingen per week; • Bulkwagen met krachtvoer - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteert in 1 verkeersbeweging per week; • Ophalen kalveren - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; • Ophalen slachtvee - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteer in 1 verkeersbeweging per week; • Servicebus (onderhoud en techniek) - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; • Levering overige goederen (bestelbus) - 2x per week, resulteert in 4 verkeersbewegingen per week. Totaal: 16 verkeersbewegingen per week, waarvan 10 met vrachtverkeer. Daarnaast is sprake van een agrarische bedrijfswoning met verkeersbewegingen voor privédoeleinden. Incidentele verkeersbewegingen: Tijdens de werkzaamheden bij de maïsoogst en ruwvoeroogst wordt het ruwvoer ingekuild. Dit is een incidentele periode welke uitsluitend tijdens de oogst van het ruwvoer zal plaatsvinden.
De meeste verkeersbewegingen noodzakelijk voor het inkuilen van het ruwvoer zullen ook van achter de stal vandaan komen waar de gronden gelegen zijn waarop ruwvoer wordt geteeld en niet vanaf de openbare weg. Ook tijdens het uitrijden van de mest zullen incidenteel, tijdens de toegestane periode, meer verkeersbewegingen plaatsvinden. Ook deze verkeersbewegingen zullen
46
grotendeels op het land plaatsvinden en niet op de openbare weg. Nieuwe verkeersbeweging Het zware vrachtverkeer en de incidentele verkeersbewegingen zullen verdwijnen. De verkeersbewegingen van de de bestaande bedrijfswoningen zullen blijven bestaan in de vorm van één van de nieuwe woningen. Hierbij komen de verkeersbewegingen van de extra woning. Voor het berekenen van de effecten op de verkeersgeneratie wordt gebruikgemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (oktober 2018)’ van het CROW. Er komt 1 woning bij. De toename aan licht verkeer is 8,2. De gezamenlijke verkeersgeneratie van de twee woningen bedraagt 16,4. Er is sprake van een lichte toename aan licht verkeer, maar dat staat een afname van zwaar vrachtverkeer en incidentiele bewegingen tegenover.
3.1.4 Cultuurhistorische waarden
Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.
47
figuur 3.2 bron: Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Overijssel In het gebied van de onderhavige wijziging van het Omgevingsplan komen geen markante en bijzondere cultuurhistorisch waardevolle panden, elementen en structuren voor. Conclusie Cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de planwijziging.
3.1.5 Archeologische waarden
In de gemeente Zwartewaterland is een archeologisch verwachtingswaardekaart opgesteld. Het voornemen is getoetst aan de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Zwartewaterland. Hieruit volgt dat de beoogde locatie van de woning binnen een gebied met een archeologisch potentieel van 0% bevindt. Een 0% gebied is archeologisch leeg, geheel verstoord of reeds opgegraven. Archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
48
Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de archeologische waarde(n) geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgestelde wijziging van het Omgevingsplan. Daarmee wordt ook voldaan aan de instructieregels van het Rijk in artikel 5.130 (par 5.1.5.5) van het Bkl (behoud cultureel erfgoed).
3.1.6 Bodemkwaliteit
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO). Bij wijzigingen van activiteiten of de functie geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Toetsing De onderhavige wijziging van het Omgevingsplan beoogt het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie, waarbij na het gedeeltelijk slopen van de bestaande bedrijfsbebouwing twee nieuwe vrijstaande woningen worden teruggebouwd. In het kader van deze nieuwe ontwikkeling een bodemonderzoek uitgevoerd. Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zie Bijlage 4 Bodemonderzoek. Hieruit blijkt dat:
49
50
Conclusie bodemkwaliteit Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de wijziging van het Omgevingsplan.
3.1.7 Water
Water is een belangrijke drager van de ruimtelijke kwaliteit in de fysieke leefomgeving. Vanuit de omgevingswet dienen de overheden bij de beoordeling van de fysieke leefomgeving de ‘weging van het waterbelang’ mee te nemen. Voor het beoordelen van het waterbelang dient het bevoegd gezag afstemming te zoeken met het waterschap. Om hier invulling aan te kunnen geven vraagt het Waterschap Drents Overijsselse Delta bij aanvang van een initiatief voor een omgevingsplanactiviteit of een voorgenomen ontwerp (wijziging) van een omgevingsplan een wateradvies in te dienen, zodat de weging van het waterbelang in een vroeg stadium kan worden meegenomen en kan worden uitgewerkt. Het waterschap heeft een uitgangspuntennotitie aangeleverd die hieronder behandeld wordt. Watersysteem Het watersysteem is het samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. Het is van belang om de aan- en afvoer van voldoende water via het watersysteem te kunnen waarborgen. Daarnaast is het waarborgen van de kwaliteit en ruimte voor water van groot belang. Er vindt geen wijziging aan het watersysteem plaats door deze ontwikkeling. Overbelasting watersysteem Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag u hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt, afvoeren.
Dit mag echter niet leiden tot wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel wij als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Afname verharding en hemelwaterafvoer Het totale verharde oppervlak zal afnemen als gevolg van de ontwikkeling. In de huidige situatie is ongeveer 7500 m² verharding aanwezig. Dit wordt teruggebracht in de nieuwe situatie naar ongeveer 750 m² verharding. Dit betekent een verbetering van het watersysteem. Erfverharding wordt verwijderd, gebouwen gesloopt en
51
bouwwerken verwijderd. Deze afname is groter dan de geringe toename aan verhard oppervlak van de te bouwen woningen. Het treffen van compenserende maatregelen kan dan ook achterwege kan blijven. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de omliggende onbebouwde bodem. Gezien de grootte van het erf is hier ruim voldoende ruimte voor. Locatiekeuze gevoelige gebieden voor wateroverlast Beschermen en handhaven grond- en oppervlaktewatersysteem om nadelige gevolgen op de omgeving te voorkomen. Advies overstroombaar gebied In de overstromingsrisicoparagraaf moet worden aangegeven hoe rekening wordt gehouden met waterveiligheid en voorzieningen voor noodsituaties (vluchtlocaties, aangepast bouwen, evacuatieroutes, bescherming van vitale infrastructuur, geleiding van water naar gebieden waar het minder schade toebrengt). Als er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om in deze laaggelegen gebieden nieuwe stedelijke functies toe te voegen, dient de waterveiligheid ook op langere termijn gegarandeerd te zijn, bijvoorbeeld door de technische inrichting van het gebied en/of de wijze van bouwen. In voorliggend geval wordt er netto één woning toegevoegd. Dit betreft een kleinschalige ontwikkeling en een geringe toename in personendichtheid. Er vindt daarmee geen onevenredig grote toename van het groepsrisico plaats.
Daarnaast worden er geen functies gerealiseerd voor mensen die minder zelf redzaam zijn. De toekomstige bewoners zijn genoeg zelfredzaam zijn om het plangebied te kunnen ontvluchten. Het plangebied grenst daarnaast aan de openbare weg, waarbij er voldoende mogelijkheid is om het plangebied vlot te kunnen ontvluchten. Wat betreft de inpassing van het gebouw zelf kan gedacht worden aan de volgende maatregelen: • verhoogde drempels, • het ophogen van de grond waarop gebouwd gaat worden; • aanleg van kwetsbare onderdelen (zoals stopcontacten, meterkasten en andere installaties) op hoogte. Waterkwaliteit Het watersysteem en de waterketen wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid veroorzaakt en zorgt dat het voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Afvoer hemelwater
52
• Kwaliteit afvoer hemelwater:
Schoon hemelwater (dakoppervlakken) mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater binnen het plangebied.
Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater binnen het plangebied.
In alle situaties geldt een voorkeur voor bovengronds afvoeren (zichtbaar). Als dit niet kan is het noodzakelijke voorzieningen te treffen om eventuele foutieve ondergrondse aansluitingen te kunnen vaststellen. Hemelwater wordt vastgehouden alvorens het vertraagt wordt afgevoerd.
Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden in het ontwerp geen uitlogende (bouw)materialen gebruikt. Riolering Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk. Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich ontdoet) op oppervlaktewater vanuit een woning of een activiteit/inrichting gelden de diverse wetten, besluiten en regels waaronder:
Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater gelden lozingsvoorschriften in paragraaf 6.2.4 en 7.2.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast is afdeling 4.4 ‘Lozen van huishoudelijk afvalwater’ van de Waterschapsverordening van toepassing. Er kunnen ook aanvullende regels in het omgevingsplan van de gemeente staan. De voorkeursroute voor lozing is via het vuilwaterriool naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de Waterschapverordening zijn afstandsbepalingen opgenomen waarbij verplicht in het vuilwaterriool moet worden geloosd.
Uitgangspunt is dat u het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel loost. Indien dit niet mogelijk is, is het nodig om een zuiveringsvoorziening te treffen, die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt.
De regels voor het lozingen van (bedrijfs)afvalwater vindt u terug in de Waterschapsverordening en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Bij de ontwikkeling zal rekening worden met deze uitgangspunten. Conclusie: Hiermee kan gesteld worden dat voldaan wordt aan de wateraspecten die gelden vanuit het waterschap.
53
3.1.8 Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Het gebied van de onderhavige wijziging van het Omgevingsplan is niet gelegen binnen de grenzen dan wel in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000 gebied of bijzonder nationaal natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ligt op respectievelijk ca. 800 meter gelegen vanaf de locatie Topweg 1 8281 PR te Genemuiden.
Figuur 3.3 1.3 km afstand tot Natura 2000 gebied Zwarte Meer vanaf Topweg 1 8281 PR te GenemuidenBron: https://www.atlasleefomgeving.nl/
54
De wijziging van het Omgevingsplan maakt het mogelijk om in de nabijheid van het Natura 2000 gebied Zwarte Meer het plan te realiseren. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling(en) in relatie tot de afstand van de ontwikkelingslocatie(s) tot het Natura 2000 gebieden kunnen significant negatieve gevolgen voor de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden op voorhand met worden uitgesloten voor zover het gaat om andere mogelijke verstoringsfactoren dan stikstofdepositie. Verstoringsfactoren als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten kunnen alleen aan de orde zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied. Daar is hier geen sprake van.
Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is voor de aanleg- en de gebruiksfase een Aeriusberekening uitgevoerd. Voor de invoergegevens en de resultaten wordt verwezen naar Bijlage 6 Aerius-berekening voor de gebruiks- en aanlegfase. Uit de Aerius-berekening blijkt dat er met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat het wijzigingsbesluit geen significant negatieve effecten op het realiseren van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebieden zal hebben. Hieruit blijkt dat tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet hoger zal zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.
3.1.9 Beschermde planten- en diersoorten
Om te bepalen of de realisatie van deze ontwikkeling(en) mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de functionele leefomgeving en/of de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is door Laneco een verkennend ecologisch onderzoek (quidkscan) uitgevoerd. Uit de onderzoeksrapportage de uitgevoerde flora en fauna quickscan (zie Bijlage 5 Flora en Fauna quickscan) blijkt dat negatieve gevolgen op voorhand niet met voldoende zekerheid kunnen worden uitgesloten. Uit het onderzoek blijkt:
55
Uit de quickscan blijkt dat vervolgonderzoek noodzakelijk is. Het vervolgonderzoek is uitgevoerd hieruit blijkt dat:
56
57
Zie voor het volledige onderzoek Bijlage 7 Nader ecologisch onderzoek. De vergunning is inmiddels verleend op 05-12-2025. Hiermee staat het onderdeel flora en fauna niet aan dit plan in de weg.
3.1.10 Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met veel natuurwaarden. Het NNN heeft als doel het behouden, beschermen en versterken van de rijkdom aan plant- en diersoorten (biodiversiteit) en beoogt een bijdrage te leveren aan het realiseren en in stand houden van een (inter-)nationaal vitaal stelsel van natuurgebieden. De aanwijzing van gebieden als onderdeel van het NNN vindt plaats bij provinciale verordening en dient te worden vertaald in gemeentelijke ruimtelijke plannen zoals de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. De regels met betrekking tot het NNN uit de provinciale verordening voor zover gelegen in het buitengebied zijn vertaald naar de Gids Buitenkans 2022. De Gids Buitenkans 2022 is van toepassing als toetsingskader als het gaat om het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het NNN en de onderhavige wijziging van het Omgevingsplan Het gebied van de wijziging van het Omgevingsplan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat onderdeel uitmaakt van het NNN. De afstand van het plangebied tot nabijgelegen NNN-gebieden bedraagt circa 1000 meter (Atlas Leefomgeving, 2023). Een verdere toetsing aan het NNN kan daarom achterwege blijven.
58
Figuur 3.4 bron: Bijlage 5 Flora en Fauna quickscan Conclusie NNN Op grond van het voorgaande kan met aan voldoende zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat het NNN geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan.
3.1.11 Luchtkwaliteit Luchtkwaliteit en de onderhavige wijziging van het Omgevingsplan Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Het plan heeft betrekking op 2 woningen, waardoor op grond van artikel 5.54 Bkl er sprake is van NIBM. Daarnaast verdwijnt een veehouderij. Externe werking Het plan draagt niet in betekende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De planwijziging voldoet aan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van dit plan. Interne werking Van belang is ook te beoordelen of het woon- en leefklimaat geschikt is voor de nieuwe woonfunctie op deze locatie. Dat is hierna in dit advies aangevuld:
59
Er zijn geen industriële emissiebronnen in de omgeving van het plan. Wel ligt het plan op korte afstand van een veehouderij op het adres Topweg 2a. De 392 vleeskalveren en 268 vrouwelijk jongvee van dit bedrijf hebben totaal een fijnstofemissie (PM10) van 23.120 gram/jaar. De stallen van dit bedrijf bevinden zich op 110 en 130 meter van de dichtstbij geprojecteerde woning. Met een toets aan de vuistregel van de handreiking veehouderij en fijnstof is te zien dat de concentratiebijdrage fijnste van het bedrijf op deze afstand nog ruim onder de drempelwaarde NIBM ( < 3 % grenswaarde BKL). Zie afbeelding:
Figuur 3.5
Uitgaande van “worst case” 20 voertuigbewegingen van dit bedrijf per etmaal, waarvan helft zware voertuigen, is met de NIBM-rekentool te berekenen dat de bijdrage van dit bedrijf aan concentratie fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NOx) eveneens als niet in betekenende mate is te beschouwen:
Figuur 3.6
Op de grootschalige Concentratie en depositiekaart Nederland (GCN) is te zien dat in het km2-vak van de planlocatie de achtergrondwaarden voor fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ruim voldoen aan de concentratiegrenswaarden van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL art. 2.4 en 2.5). Ook aan de lagere (niet-wettelijke) advieswaarden van de WHO wordt voldaan, uitgezonderd een beperkte overschrijding van de WHO-advieswaarde voor fijnstoffractie PM2,5.
60
NO2 PM10 PM2,5
Achtergrondwaard e GCN µg/m3 jaar 2030 7,03 11,74 5,745
Grenswaarde BKL µg/m3 40 40 25
WHO Advieswaarde µg/m3 10 15 5
Zie afbeeldingen kaarten GCN:
Figuur 3.7 Van pluimveebedrijven is bekend dat zij grote hoeveelheden fijnstof emitteren. In de directe omgeving (binnen 500 m) van de ontwikkellocatie zijn geen pluimveebedrijven gelegen. Verder zijn in de zone van 2 km geen pluimveebedrijven gelegen, maar enkel veehouderijen met rundvee, schapen en/of paarden. Deze bedrijven hebben maar een zeer beperkte invloed op de luchtkwaliteit op de ontwikkellocatie. Dus er kan geconcludeerd worden dat de bedrijven geen tot zeerweinig invloed hebben op de luchtkwaliteit. Conclusie luchtkwaliteit - De emissie bijdrage fijnstof en stikstofdioxide van het plan is NIBM; De luchtkwaliteit op planlocatie is geschikt voor de nieuwe woonfunctie.
3.1.12 Activiteiten en milieuzonering De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van het slopen van 1 bedrijfswoning en het daarna terugbouwen van 2 woningen, waardoor er per saldo 1 woning wordt toegevoegd. De beoogde woningen betreffen gevoelige functies in het kader van activiteiten en milieuzonering. Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijven en inrichtingen in de omgeving. Met de beoogde toevoeging van woningen binnen het plangebied aan de Topweg worden gevoelige objecten toegevoegd aan de omgeving. Daarom moet in de omgeving worden nagegaan of er mogelijk bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn die invloed hebben op de ontwikkelingen. Onderstaande tabel geeft de bedrijven in de omgeving weer, inclusief richtafstanden voor de verschillende relevante milieuaspecten.
61
Voordat bepaald kan worden of de beoogde woningen binnen de richtafstanden van bedrijven of inrichtingen in de omgeving zijn gelegen, dient bepaald te worden tot welk gebiedstype het plangebied behoort. In de VNG-publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’ zijn nog twee omgevingstyperingen opgenomen voor de omgevingskwaliteit: ‘Rustige woonwijk en rustig buitengebied’: ‘Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.’ ‘Gemengd gebied’: ‘Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.’ De omgeving van het plangebied kan, gezien de aanwezigheid van overwegend activiteiten gerelateerd aan wonen, gekarakteriseerd worden als ‘rustig buitengebied’. Hiertoe zijn de in de VNG-publicatie genoemde richtafstanden van toepassing.
Aan de Topweg 2a bevindt zich een veehouderijbedrijf. De VNG handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' heeft geen betrekking op geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf als bedoeld in paragraaf 5.1.4.6.3 van het Bkl. Hiervoor zijn de regels van Omgevingsplan van toepassing, op dit moment hoofdstuk 22, de 'Bruidsschat'. Buiten de bebouwde kom (buiten de bebouwingscontour agrarisch geur) geldt de afstand van 50 meter. Beide woningen vallen buiten de zone: Zie voor een verdere uitwerking de paragraaf 3.1.15 Geurhinder. Het aspect Geurhinder is onderbouwd en is sprake van een aanvaardbare geurhinder op de locatie. Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘Activiteiten en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.1.13 Geluidhinder
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen:
62
houd rekening met geluid; voorziet in aanvaardbaar geluid.
Toetsing wegverkeerslawaai Met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling worden er geluidsgevoelige gebouwen aan de omgeving toegevoegd. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De standaardwaarde voor geluidsgevoelige gebouwen staat in artikel 5.78t Bkl:
De Topweg is een gemeenteweg. Hiervoor geldt een maximum van 53 Lden. Volgens Atlas Leefomgeving is er sprake van een ongeveer 38 Lden. Hiermee wordt ruimschoots aan de maximale norm voldaan.
Figuur 3.10
63
Conclusie wegverkeerslawaai Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Toetsing railverkeerslawaai Er is geen spoorweg in de directe omgeving. Toetsing industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of inrichtingen gesitueerd die mogelijk voor geluidhinder ter plekke van de beoogde woningen kunnen zorgen. Derhalve is onderzoek naar effect van industrielawaai op de beoogde woningen niet noodzakelijk. Omgekeerd hebben de beoogde woningen geen effect op omliggende gevoelige functies. Conclusie industrielawaai Het aspect ‘industrielawaai’ vormt geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De planwijziging voldoet aan de instructieregels in de paragrafen 5.1.4.2 en 5.1.4.2a van het Bkl.
3.1.14 Trillinghinder
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. Trillinghinder en de onderhavige wijziging van het Omgevingsplan Er zijn in de omgeving van de planlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De planwijziging voldoet aan de instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl.
3.1.15 Geurhinder
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 Bkl.
64
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Op grond van artikel 5.106 Bkl is sprake van aanvaardbare geurhinder als voldaan wordt aan artikelen 5.110 en/of 5.111 Bkl. Op grond van artikel 5.110 Bkl en 5.111 Bkl gelden voor de bestaande woning en nieuw te bouwen ruimte-voor-ruimte woning de afstanden bedoelt in Tabel 5.110 en Tabel 5.111.
De geurafstanden voor ruimte-voor-ruimte woningen zijn vastgelegd in het Omgevingsplan gemeente Zwartewaterland. In artikel 22.100 Omgevingsplan is bepaald dat een afstand van 50 meter moet worden aangehouden voor locaties buiten de bebouwde kom. De woningen zijn op een afstand van meer dan 50 meter gelegen vanaf het gebouw waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactoren zijn gestald. Hiermee is er sprake van een aanvaardbare geurhinder. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze door Topweg 2a zijn de woningen verder naar achteren geplaatst, waardoor er ook sprake is van meer dan 50 meter afstand tot de rand van het bouwvlak. De planwijziging voldoet de instructieregels in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl Daarbij is een extra geuronderzoek uitgevoerd naar de voorgrond- en achtergrondbelasting. Voor de voorgrondbelasting is dit vrijwillig en overbodig omdat de vaste afstanden leidend zijn en geen ouE/m3. Hieruit blijkt dat er sprake is van aanvaardbare geurhinder en daarmee is er sprake van een goed woon- en leefklimaat op de locatie. Voorgrondbelasting: De berekening is uitgevoerd met het programma V-stacks vergunningen. In de directe nabijheid van de op te richten woningen liggen veehouderijen met geuremissie, Topweg 2a en Topweg 2-4. Voor beide locaties is een voorgrond geurberekening toegevoegd.
De geurbelasting op het meest dichtbijgelegen hoekpunt is maximaal 5,4 OU/e op voorgrond geur (belasting van Topweg 2a). Het grondgebied van de gemeente Zwartewaterland is niet gelegen in een concentratiegebied dat is aangewezen op basis van de Meststoffenwet. Voor geurgevoelige objecten in buitengebied in een niet-
65
concentratiegebied geldt voor de voorgrondbelasting een norm van 8,0 ouE/m3. Hiermee voldoet het plan op het gebied van voorgrond geur. In het buitengebied is meer hinder van geur aanvaardbaar dan binnen de bebouwde kom. De linkerwoning wordt op grotere afstand van Topweg 2a gebouwd dan de bestaande bedrijfswoning. De situatie zal hierdoor verbeteren omdat er in de nieuwe woning betere isolatie en ventilatie kan worden aangebracht. Hierdoor zal er een verbetering van de bestaande situatie optreden. Daarbij is de locatie van de woningen gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij. Hiervoor staat in artikel 22.98 Omgevingsplan een geurnorm voor van maximaal 8,0 ouE/m3. Ook hier wordt aan voldaan. Achtergrondbelasting: De berekening is uitgevoerd met het programma V-stacks gebied. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door voorgenoemde bedrijven inclusief alle omliggende veehouderijen in een straal van 2 kilometer. Er is een contour om de stallen getekend en daaromheen weer een bufferzone van 2 km. De bronnen binnen dit gebied zijn geselecteerd. In het bestand zijn de bedrijfsspecifieke parameters emissiepunt-hoogte (EP-hoogte), gemiddelde gebouwhoogte (gem. geb. hoogte), diameter (EP diam.), uittredesnelheid (EP. Uittr.snelh.) en de aangevraagde geuremissie (E-aanvraag) opgenomen voor locaties waar deze bekend waren.
Daar waar niet bekend, zijn standaardwaarden aangehouden Zie voor de volledige berekening: Bijlage 3 Geurberekening. Hiermee wordt voldaan aan Artikel 5.92 Bkl. Op de locatie is sprake is van aanvaardbare geurhinder en daarmee is er ten aanzien van geur sprake van een goed woon- en leefklimaat op de locatie.
3.1.16 Omgevingsveiligheid
Onder omgevingsveiligheid verstaan we in deze paragraaf fysieke veiligheid, sociale veiligheid en gezondheid. De komst van de Omgevingswet biedt een kans om in de fysieke leefomgeving de verbinding te maken tussen deze thema’s. De inrichting van de fysieke leefomgeving heeft daar veel invloed op. Om deze drie thema’s enigszins af te bakenen en te verduidelijken wat waarbinnen valt zijn hieronder een aantal voorbeelden opgenomen welke mogelijk relevant kunnen zijn in relatie tot het omgevingsplan van gemeente Zwartewaterland. FYSIEKE VEILIGHEID Externe
SOCIALE VEILIGHEID
GEZONDHEID
Criminaliteit
Geluid
66
veiligheid Brandveiligheid Natuurbranden Verkeersongevall en
Ondermijning Overlast Terrorisme/ radicalisering
Luchtkwaliteit Geur Hittestress Groene leefomgeving Schoon drinkwater Dierziekten
Voor zover relevant komen bovenstaande onderwerpen in deze paragraaf aan bod. Op een aantal onderdelen is er ook een grote overlap met andere omgevingsaspecten en verwijzen wij naar de specifieke paragrafen over die aspecten, zoals verkeersveiligheid, klimaat (hittestress), geluid, luchtkwaliteit en geur.
In navolgende wordt ook (impliciet) getoetst aan de instructieregels van het Rijk uit paragraaf 5.1.2 van het Bkl (Waarborgen van de veiligheid) en instructieregels van de provincie (PM). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Be-sluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Externe Veiligheid Externe Veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.
67
Nabij het plangebied worden geen activiteiten ontplooid die van invloed kunnen zijn op externe veiligheid. Een nadere toetsing kan derhalve achterwege blijven.
Figuur 3.11 bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten
68
3.1.17 M.e.r- beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan. Toetsing Bij de realisatie van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals de realisatie van woningbouw, kan een m.e.r. nodig zijn. Een m.e.r. is nodig indien er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject die betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1). In dit geval gaat het om het realiseren één extra woonhuis met daarbij omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Bovendien is, voor zover relevant in dit kader, sprake van een functie die geen aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van omliggende woningen. Op basis van het voorgaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk milieu- en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve