1.1. Motivering
Tekst van het document
TAM-IMRO Omgevingsplan NL.IMRO.1896.BP0094-OW01
Topweg 1, 8281 PR Genemuiden Datum: 27-03-2026 Versie: Definitief
1
Motivering wijziging Omgevingsplan 1
Inleiding en planbeschrijving.............................................................................................................4 1.1
Aanleiding en locatie wijziging Omgevingsplan........................................................................4
1.2
Planbeschrijving........................................................................................................................5
1.2.1
locatie................................................................................................................................5
1.2.2
huidige situatie:.................................................................................................................5
1.2.3
toekomstige situatie:.........................................................................................................7
1.2.4
Landschappelijke inpassing..............................................................................................8
1.3
2
Geldende juridische regelingen en het wijzigen van het Omgevingsplan................................9
1.3.1
Omgevingsplan.................................................................................................................9
1.3.2
Wijziging op het omgevingsplan.......................................................................................9
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties...........................................................................10 2.1
Toetsing aan Rijksbeleid.........................................................................................................10
2.2
Ladder voor duurzame verstedelijking....................................................................................12
2.3
Toetsing aan gemeentelijk beleid............................................................................................14
2.3.1
Omgevingsvisie Zwartewaterland...................................................................................14
2.3.2
KGO-beleid.....................................................................................................................17
2.3.3 Beleidslijn voor het afwijken van de inhoudsmaat van een woning in het buitengebied van Zwartewaterland.......................................................................................................................20 2.4
3
Toetsing aan de instructieregels van de provincie Overijssel.................................................22
2.4.1
Omgevingsvisie Overijssel..............................................................................................22
2.4.2
Omgevingsverordening Overijssel..................................................................................39
Omgevingsaspecten........................................................................................................................44 3.1.1
Welstand en beeldkwaliteit.............................................................................................44
3.1.2
Parkeren..........................................................................................................................46
3.1.3
Verkeer............................................................................................................................46
3.1.4
Cultuurhistorische waarden............................................................................................47
3.1.5
Archeologische waarden.................................................................................................48
3.1.6
Bodemkwaliteit................................................................................................................49
3.1.7
Water...............................................................................................................................51
3.1.8
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000)..................................................................54
3.1.9
Beschermde planten- en diersoorten..............................................................................55
3.1.10
Natuurnetwerk Nederland (NNN)....................................................................................58
3.1.11
Luchtkwaliteit...................................................................................................................59
2
3.1.12
Activiteiten en milieuzonering.........................................................................................61
3.1.13
Geluidhinder....................................................................................................................62
3.1.14
Trillinghinder....................................................................................................................64
3.1.15
Geurhinder......................................................................................................................64
3.1.16
Omgevingsveiligheid.......................................................................................................66
3.1.17
M.e.r- beoordeling...........................................................................................................69
3.1.18
Spuitzones......................................................................................................................70
3.2 4
Conclusie................................................................................................................................71
Participatie, procedure en kostenverhaal........................................................................................72 4.1
Participatie..............................................................................................................................72
4.2
Procedure................................................................................................................................72
4.3
Kostenverhaal.........................................................................................................................73
Bijlage 1 Bestaande situatie............................................................................................................75 Bijlage 2 Landschappelijke inpassing.............................................................................................76 Bijlage 3 Geurberekening................................................................................................................77 Bijlage 4 Bodemonderzoek.............................................................................................................78 Bijlage 5 Flora en Fauna quickscan................................................................................................79 Bijlage 6 Aerius-berekening............................................................................................................80 Bijlage 7 Nader ecologisch onderzoek............................................................................................81 Bijlage 8 Participatieverslag............................................................................................................82
3
1 Inleiding en planbeschrijving 1.1 Aanleiding en locatie wijziging Omgevingsplan Voorliggend plan betreft een wijziging van het Omgevingsplan voor het realiseren van het ruimte-voor-ruimte traject op de locatie Topweg 1, 8281 PR te Genemuiden. Een deel van de bestaande opstallen wordt gesloopt en in plaats daarvan worden 2 vrijstaande woningen teruggebouwd. De paardenbak wordt verplaatst naar de achterzijde van het terrein. De locatie Topweg 1, 8281 PR te Genemuiden ligt in het buitengebied van de gemeente Zwartewaterland.
Figuur 1.1 Satellietfoto Topweg 1, 8281 PR Genemuiden
4
1.2 Planbeschrijving 1.2.1 locatie
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van twee vrijstaande woningen op het perceel aan de Topweg 1, 8281 PR te Genemuiden. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Genemuiden, sectie L, nummers 97, 99 en 238.
Figuur 1.2 bron: www.kadastralekaart.com
1.2.2 huidige situatie:
De eigenaar van het perceel heeft een agrarisch bedrijf. Op de locatie hebben altijd melkkoeien en paarden gestaan. Er zijn geen opvolgers voor het agrarisch bedrijf en de eigenaar gaat binnenkort met pensioen. De bedrijfsvoering ter plaatse zal op korte termijn worden beëindigd. De locatie heeft nu een agrarische functie. Op de locatie is nu een bedrijfswoning, met verschillende bedrijfsgebouwen aanwezig voor het houden van vee en paarden.
5
Figuur 1.3 Bestaande situatie Topweg 1, 8281 PR Genemuiden De gezamelijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, inclusief de bedrijfswoning, bedraagt: Totaal: 876 m² + 461 m²+ 424 m²+ 71 m² = 1.832 m². Oppervlakte erf (oppervlakte bouwvlak): 10.800 m². Daarbij staan er nog sleufsilo’s, mestsilo’s en andere agrarische bouwwerken op de locatie. De oppervlaktes zijn opgenomen in figuur 1.4
Figuur 1.4 bestaande situatie oppervlakte gebouwen ingetekend
6
1.2.3 toekomstige situatie:
De initiatiefnemer is voornemens om een groot deel van de bedrijfsgebouwen te slopen, de bestaande bedrijfswoning te slopen, sleufsilo’s en mestsilo’s te verwijderen en in plaats daarvoor 2 nieuwe woningen terug te bouwen. Het bedrijfsgebouw (400 m²) linksachter zal blijven bestaan en bij de linker woning worden betrokken als bijgebouw. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het ruimte-voor-ruimte beleid in overeenstemming met het KGO-beleid. De paardenbak zal worden verplaatst naar de achterzijde van het terrein. Onderhavige wijziging van het Omgevingsplan betreft de realisatie van twee vrijstaande, streekeigen woningen in overeenstemming met het KGO-beleid. Hiervoor is het noodzakelijk dat de functie “Wonen” wordt vastgelegd in het Omgevingsplan met de daarbij behorende activiteiten voor het gebruik, het bouwen, het aanleggen en het slopen. Van een deel van het bouwvlak zal de agrarische functie worden verwijderd en omgezet worden naar wonen. Op de locatie komen twee woonhuizen terug van in totaal 900 m³ per stuk. Het bedrijfsgebouw op het meest noordelijke deel van het terrein van 400 m² blijft behouden en wordt als bijgebouw ingezet bij de woonfunctie bij de linkerwoning. De bestaande paardenbak zal worden verplaatst naar de achterzijde op het terrein.
Figuur 1.5 Schets nieuwe situatie Topweg 1, 8281 PR Genemuiden
7
Vanwege de spuitzones van agrarische gronden moeten de woningen op 50-meter afstand worden geplaatst. Hier is rekening mee gehouden in het ontwerp. Een afstand van 50-meter wordt gehaald. Dit betekent echter ook dat de voorzijde van de woningen (vanaf de topweg tot gevel woning) als agrarische grond bestemd blijf. Dit mag geen verblijfsgebied worden. Op het agrarische deel wordt planologisch alleen het agrarische bouwvlak verwijderd.
1.2.4 Landschappelijke inpassing Het is belangrijk dat de locatie landschappelijk goed wordt ingepast (zie figuur 1.6). Reuvers Buro voor Groene Ruimtes heeft hier voor een landschappelijke inpassing gemaakt waarin rekening is gehouden met de provinciale en gemeentelijke kaders. Zie Bijlage 2 Landschappelijke inpassing voor de volledige landschappelijke inpassing.
Figuur 1.6 Schets landschappelijke inpassing Topweg 1, 8281 PR Genemuiden
8
1.3 Geldende juridische regelingen en het wijzigen van het Omgevingsplan 1.3.1 Omgevingsplan De locatie Topweg 1, 8281 PR te Genemuiden valt onder “Omgevingsplan gemeente Zwartewaterland”. De regels voor de locatie worden gesteld in het tijdelijk deel van het omgevingsplan “Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland” en “Paraplubestemmingsplan Wonen”. Tevens geldt ter plaatse nog het “Voorbereidingsbesluit Zonneparken”. De volgende functies gelden op de locatie:
Figuur 1.7 Uitsnede “Bestemmingsplan buitengebied Zwartewaterland”
1.3.2 Wijziging op het omgevingsplan
De gronden aan de Topweg 1 8281 PR te Genemuiden hebben in omgevingsplan de functie “Agrarisch met waarden - Landschap” met bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden. Binnen deze functie is het niet mogelijk om reguliere woningen te realiseren. Om dit mogelijk te maken dient het Omgevingsplan gewijzigd te worden waarbij de functie “Wonen” met de daarbij behorende activiteiten voor het gebruik en het bouwen wordt vastgelegd. Daarnaast wordt ook de functie “Waterstaat – Waterbergingsgebied” opgenomen. De wijziging bestaat uit het verwijderen van het bestaande bouwvlak. Daarbij wordt een deel van de functie “Agrarisch met waarden - Landschap” omgezet naar de functie ‘Wonen’ zodat er twee vrijstaande woningen kunnen worden gebouwd.
9
2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties 2.1
Toetsing aan Rijksbeleid De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Instructieregels Rijk (AMvB's) De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):
het Omgevingsbesluit (Ob); het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
10
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl); Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl); Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl); Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Ten aanzien van dit project gelden rijksinstructieregels met betrekking tot het beschermen van gezondheid en milieu. De uitgevoerde onderzoeken en onderbouwingen ten aanzien van de in § 5.1.4 Bkl relevante aspecten, zoals de kwaliteit van de buitenlucht, geluid, geur en bodemkwaliteit worden in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing toegelicht. Van de rijksinstructieregels met betrekking tot het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, zoals bedoeld in § 5.1.5 Bkl behoeft alleen de ladder voor duurzame verstedelijking een specifieke toelichting, welke in paragraaf 2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking wordt gegeven. Nationale woon- en bouwagenda Nederland heeft behoefte aan een toegankelijk, betaalbaar woonlandschap van goede kwaliteit. De opgave is complex: ze vraagt om een gerichte inspanning van alle betrokkenen.
Samen met belangrijke partners in het woonveld, zoals medeoverheden, woningcorporaties en marktpartijen, bundelt het Rijk de krachten om de geconstateerde problemen en oorzaken aan te pakken en de doelstellingen van de Nationale Woon- en Bouwagenda te realiseren. Meer dan voorheen neemt het Rijk hierbij de rol op zich van normsteller en bewaker van nationale doelen die gerealiseerd moeten worden. De Nationale Woon- en Bouwagenda stelt het Rijk in staat om de diverse bouw- en woonopgaven samen en in samenhang met andere belangen aan te pakken, te financieren en te monitoren. Zo wordt gebouwd aan een samenleving waarin het rechtvaardig en prettig wonen is.
11
De agenda kent drie kerndoelen: Beschikbaarheid: voldoende woningen voor iedereen. De bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven twee derde betaalbaar. Betaalbaarheid: woonlasten sluiten beter aan bij het inkomen. Het aantal huishoudens dat te hoge woonlasten draagt ten opzichte van het inkomen neemt af. Kwaliteit: voldoende woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, perspectief voor kwetsbare wijken en duurzame huisvesting bereikbaar voor iedereen.
Dit initiatief is niet in strijd met de Nationale woon- en bouwagenda omdat het nieuwe woningen toevoegt in de bestaande voorraad. Toetsing rijksbeleid In het ontwerp wijziging omgevingsplan was het plangebied over een gebied geplaatst dat is aangeduid als “Grote rivieren bergend deel rivierbed RG” in het Bkl en “Beperkingengebieden oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk; niet zijnde kanalen” in het Bal.
Dit betekent dat in dit gebied de paardenbak niet aangelegd kan worden zonder extra vergunning van Rijkswaterstaat. Daarom is gekozen om het plangebied aan te passen zodat buiten de met blauw aangeduide zone wordt gebleven. Hierdoor zijn er geen nationale belangen meer in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat.
2.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het (woningbouw)plan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.
12
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Daarnaast is de Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking (afdeling 4.2 provinciale Omgevingsverordening) van toepassing. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. ‘Stedelijke ontwikkeling' en de onderhavige wijziging van het Omgevingsplan Onder 'stedelijke ontwikkeling' wordt in het Bkl (Artikel 5.129g) verstaan: een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, van kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. De Raad van State heeft in ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 geoordeeld dat het bouwen van minder dan 12 woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Het per saldo realiseren van 1 extra woning wordt derhalve niet als stedelijke ontwikkeling aangemerkt.
13
2.3 Toetsing aan gemeentelijk beleid 2.3.1 Omgevingsvisie Zwartewaterland
De Omgevingsvisie Zwartewaterland is samen met veel inwoners en organisaties uit de gemeente ontwikkeld. De verschillende bijdragen weerspiegelen het karakter van Zwartewaterland: een plattelandsgemeente, maar met een sterk industrieel karakter. Dat is ook de kracht van Zwartewaterland. Die verscheidenheid is prachtig maar kan, bij het nemen van grote beslissingen, wel tot tegengestelde belangen en opvattingen leiden. De omgevingsvisie is dan ook geen blauwdruk, maar maakt het mogelijk om een afweging te maken tussen de verschillende belangen. In de omgevingsvisie staat welke opgaven en ambities de gemeente heeft. Voor de projectlocatie gelegen in het buitengebied zijn de volgende waarden en ambities van toepassing. Samenwerkend Zwartewaterland bereikt meer De gemeente is samen met inwoners en organisaties op zoek gegaan naar de hoofdopgaven voor Zwartewaterland. De hoofdopgaven zijn daarna uitgewerkt per deelgebied en vertaald naar zes ambities voor de gemeente. Op deze pagina leest u over de ambitie 'Samenwerkend Zwartewaterland bereikt meer'. Ruimte voor inwonersinitiatieven De samenleving verandert. Er ontstaan steeds meer maatschappelijke initiatieven. Als gemeente geven we ruimte aan inwoners om zelf initiatief te nemen. We zijn een betrouwbare samenwerkingspartner. We hebben een duurzame relatie met alle betrokkenen.
We zoeken in onze nieuwe rol naar een goede balans tussen loslaten, vertrouwen en samenwerken. Ons buitengebied is klaar voor de toekomst Zwartewaterland kenmerkt zich als een vitale plattelandsgemeente met een rijke geschiedenis. Deze geschiedenis is zichtbaar in het landschap en in de verschillende kernen. De gemeente ligt strategisch in en tussen bijzondere gebieden. Denk aan het Nationaal Landschap IJsseldelta, de Natura 2000 gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Weerribben-Wieden, Olde Maten & Veerslootslanden en het Zwarte Meer. Bodem, landschap, natuur en agrarisch grondgebruik vormen al eeuwenlang een onlosmakelijk geheel. De Omgevingsvisie Zwartewaterland is samen met veel inwoners en organisaties uit de gemeente ontwikkeld. De verschillende bijdragen weerspiegelen het karakter van Zwartewaterland: een plattelandsgemeente, maar met een sterk industrieel karakter. Dat is ook de kracht van Zwartewaterland. Die verscheidenheid is prachtig maar kan, bij het nemen van grote beslissingen, wel tot tegengestelde belangen en opvattingen leiden. De omgevingsvisie is dan ook geen blauwdruk, maar maakt het mogelijk om
14
een afweging te maken tussen de verschillende belangen. In de omgevingsvisie staat welke opgaven en ambities de gemeente heeft. Wonen Het toekomstbeeld voor de gemeente is een gemeente met unieke en vitale kernen. In de kernen is een goed woon- en leefklimaat. Iedereen met ‘roots’ in onze gemeente kan (blijven) wonen als dat de woonwens is. Dit toekomstbeeld wil de gemeente bereiken met de volgende zes pijlers: Pijler 1: Sterke positionering in de regio Pijler 2: Voldoende betaalbare huurwoningen beschikbaar Pijler 3: Duurzame woningvoorraad en leefomgeving Pijler 4: Wonen, services en zorg Pijler 5: Bouwen voor vitale kernen Pijler 6: Voldoende woningen voor jongeren en stimuleren eigen woningbezit
starters
Thema’s voor het buitengebied. De opgaven binnen de gemeente zijn per thema uitgewerkt. Voor het project gelegen in het buitengebied van Zwartewaterland zijn de volgende thema's van belang: Landschap en natuur, wonen. Landschap en natuur Het uitgangspunt is om zorgvuldig met de waardevolle landschapskwaliteiten om te gaan en deze te behouden en verder te ontwikkelen. Vanuit dit uitgangspunt is er ruimte voor nieuwe ontwikkelingen om invulling te geven aan de ruimtebehoefte van inwoners en ondernemers. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied wordt zorgvuldig afgewogen of deze voldoende rekening houden met en bijdragen aan de bijzondere landschappelijke kwaliteiten en kenmerken. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel 2018 en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Ook wordt het Landschapsontwikkelingsplan hiervoor gehanteerd, dat eerder samen met de gemeenten Zwolle en Kampen is ontwikkeld. Dit plan bevat een compleet overzicht van de karakteristieken van elk landschapstype, inclusief concrete aanbevelingen van welke ontwikkelingen en maatregelen hier wel bij passen en welke niet. Er wordt gestuurd op verbetering van de landelijke en recreatieve uitstraling van de gemeente.
15
Wonen in het buitengebied Met het oog op de toekomst, de verwachte afname van het aantal agrarische bedrijven doet zich de vraag voor waar en hoe willen wij woningbouw in het buitengebied realiseren. Daarbij kan gedacht worden aan herontwikkeling van bestaande locaties (VAB) of de ontwikkeling van een nieuwe locatie. Woningbouw vindt zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwde omgeving plaats. Dit gaat vóór uitbreiding van het bebouwd gebied. Echter, bouwen buiten bestaand bebouwd gebied zal niet altijd te voorkomen zijn. In die gevallen zorgen we voor een zorgvuldige inpassing in groen en landschap volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en het Groenbeleidsplan. Nieuwe woonkavels in kernen en op bestaande erven behoren tot de mogelijkheden. Gebiedsbeschrijving voor het buitengebied. Zwartewaterland kenmerkt zich als een vitale plattelandsgemeente met een rijke geschiedenis. Deze geschiedenis is zichtbaar in het landschap en in de verschillende kernen. Bodem, landschap, natuur en agrarisch grondgebruik vormen al eeuwenlang een onlosmakelijk geheel. Het buitengebied heeft daardoor landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische kwaliteiten. Kenmerkend zijn de grote open ruimten, het regelmatige patroon van wegen en weteringen en boerderijen op huisterpen.
Waarden en Ambities voor het Buitengebied Voor de projectlocatie gelegen in het buitengebied zijn de volgende waarden en ambities van toepassing. Samenwerkend Zwartewaterland bereikt meer De gemeente is samen met inwoners en organisaties op zoek gegaan naar de hoofdopgaven voor Zwartewaterland. De hoofdopgaven zijn daarna uitgewerkt per deelgebied en vertaald naar zes ambities voor de gemeente. Ruimte voor inwonersinitiatieven De samenleving verandert. Er ontstaan steeds meer maatschappelijke initiatieven. Als gemeente geven we ruimte aan inwoners om zelf initiatief te nemen. We zijn een betrouwbare samenwerkingspartner. We hebben een duurzame relatie met alle betrokkenen. We zoeken in onze nieuwe rol naar een goede balans tussen loslaten, vertrouwen en samenwerken. Ons buitengebied is klaar voor de toekomst
16
Zwartewaterland kenmerkt zich als een vitale plattelandsgemeente met een rijke geschiedenis. Deze geschiedenis is zichtbaar in het landschap en in de verschillende kernen. De gemeente ligt strategisch in en tussen bijzondere gebieden. Denk aan het Nationaal Landschap IJsseldelta, de Natura 2000 gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Weerribben-Wieden, Olde Maten & Veerslootslanden en het Zwarte Meer. Bodem, landschap, natuur en agrarisch grondgebruik vormen al eeuwenlang een onlosmakelijk geheel. Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Zwartewaterland’ Voorliggend plan maakt twee woningen op een bestaand erf mogelijk. De woningen worden vormgegeven als schuurwoning en zullen passen bij de natuurlijke en landschappelijke kenmerken van de omgeving gerealiseerd worden. Door middel van landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de kernkwaliteiten van de omgeving. De ontwikkeling past daarbij in het VAB-beleid van de herontwikkeling van bestaande locaties. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de ‘Omgevingsvisie Zwartwaterland’.
2.3.2 KGO-beleid Binnen de gemeente Zwartewaterland is de beleidsregel Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) vastgesteld. Deze gemeentelijke beleidsregel Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt duidelijkheid over de manier waarop in Zwartewaterland de KGO zal worden toegepast. In de eerste plaats door in een rekenmodel eenduidige criteria te benoemen aan de hand waarvan de vereiste investering in kwaliteit kan worden bepaald. In de tweede plaats door in de toelichting de gedachte achter het rekenmodel te verantwoorden. Op het terrein staan meerdere gebouwen ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Deze gebouwen zijn gebiedsneutraal. Deze hebben geen positieve en geen negatieve invloed volgens het KGO-beleid. De grondgebonden agrarische functie is een gebiedsgebonden functie. Agrarische bedrijven zijn in beginsel gebonden aan het buitengebied. Een grondgebonden agrarisch bedrijf welke in de buitengebieden thuishoren worden volgens het beleid bepaald op milieucategorie 0. Oppervlakte aan gebouwen: Totaal: 876 + 461 + 424 + 71 = 1.832 m². Oppervlakte erf (oppervlakte bouwvlak): 10.800 m². De berekening is gemaakt op basis van het KGO-beleid. De volledige berekening inclusief uitgangspunten is bijgevoegd in de bijlage. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een impact op de omgeving van 2,35%.
Dit is ruimschoots onder de 20% waarbij een aanvullende kwaliteitsprestatie moet worden gedaan. Volstaan kan worden met een normale landschappelijke inpassing. De landschappelijke aanpassing zal in het vervolgtraject worden gemaakt. In de nieuwe situatie zullen in totaal vier schuren worden gesloopt van in totaal 1214 m2.
17
De mestsilo’s zijn niet bij deze oppervlakte gerekend. De twee nieuwe woningen hebben beiden een inhoud van 900 m³. Dit is teruggerekend naar 175 m³ per woning (gebiedspassend). Daarbij is de bestaande schuur van 400 m² (linkerwoning) en de mogelijkheid voor het bouwen van bijgebouwen voor de rechterwoning (150 m²) ingevuld. Dat is in totaal 550 m² gebiedsneutraal.
Figuur 2.1 Satellietfoto Topweg 1, 8281 PR Genemuiden. Bron: https://app.pdok.nl De gemeente Zwartewaterland heeft invulling gegeven aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Deze invulling heeft resulteert in de beleidsregel KGO uit 2015. Het beleid "ruimte-voor-ruimte" in de gemeente Zwartewaterland is een onderdeel van het bredere Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) beleid. Het richt zich op ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied die niet binnen het omgevingsplan passen. Hier zijn de kernpunten: 1. Toepassing en doel:
Het beleid geldt voor ontwikkelingen waarbij bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of projectafwijkingsbesluiten nodig zijn. Het doel is het leveren van een ruimtelijke kwaliteitsimpuls, waarbij de impact van ontwikkelingen wordt gecompenseerd door investeringen in de omgeving. 2. Verdeling inspanningen:
Basisinspanning: Voor kleinschalige projecten volstaat een goede ruimtelijke inpassing op het erf zelf. Aanvullende kwaliteitsprestatie: Voor grootschalige projecten moet er een extra investering in de omgeving worden gedaan, afgestemd op de schaal en impact van de ontwikkeling. 3. Rekenmodel:
De gemeente gebruikt een transparant rekenmodel om de benodigde kwaliteitsprestaties te berekenen.
18
Parameters zoals bebouwingsoppervlakte, erfomvang, zichtlocaties, en functiewijzigingen worden meegenomen. 4. Gebieden en functies:
Gebouwen en functies worden ingedeeld in "gebiedspassend", "gebiedsneutraal" en "gebiedsvreemd", wat bepaalt hoeveel compensatie nodig is. Gevoelige zichtlocaties en waardevolle landschappen vereisen hogere bijdragen. 5. Voorbeelden:
Bij sloop van verouderde agrarische bebouwing en nieuwbouw (roodvoor-rood) kan soms volstaan worden met een basisinspanning. Uitbreiding van een bedrijf kan aanvullende investeringen vereisen, afhankelijk van de impact op het landschap.
Kortom, het ruimte-voor-ruimte beleid biedt flexibiliteit en maatwerk, maar met duidelijke richtlijnen om landschappelijke kwaliteit te waarborgen. Het KGO-beleid is ingevuld en heeft resulteert in de volgende berekening:
Figuur 2.2 KGO-berekening
19
Uit de berekening blijkt dat er een impact op de omgeving is van 2,35%. Dit betekent dat er geen aanvullende kwaliteitsprestatie van toepassing is. Hiermee wordt voldaan aan dit beleid.
2.3.3 Beleidslijn voor het afwijken van de inhoudsmaat van een woning in het buitengebied van Zwartewaterland Het beleid beschrijft hoe de gemeente omgaat met verzoeken om af te wijken van de maximale inhoudsmaat van een woning in het buitengebied. Volgens het geldende omgevingsplan geldt als hoofdregel een maximale inhoud van 600 m3 per woning. Via een bestaande afwijkingsmogelijkheid kan dit worden vergroot tot 750 m3. Voor reguliere bedrijfswoningen geldt in beginsel alleen een algemene afwijkingsmogelijkheid van 10 procent. De gemeente heeft aanvullend beleid vastgesteld om onder voorwaarden grotere woningen mogelijk te maken. Nieuwe uitgangspunten van het beleid: 1. Basisuitgangspunt Een woning mag een maximale inhoud hebben van 750 m3. Voor bijgebouwen geldt een maximum van 150 m2. Landschappelijke inpassing is hierbij vereist. 2. Afwijkingsmogelijkheid tot 900 m3 Het college kan medewerking verlenen aan een woning tot maximaal 900 m3. Voorwaarde is dat aantoonbaar wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit. Hiervoor moet een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd en moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd. 3. Groter dan 900 m3 Voor woningen groter dan 900 m3 geldt een terughoudende benadering (nee, tenzij).
Voor elke kubieke meter boven 900 m3 moet aanvullende compensatie plaatsvinden, bijvoorbeeld door sloop van ontsierende bebouwing of een financiële bijdrage aan het landschapsfonds. Compensatie kan bestaan uit: Sloop van ontsierende bebouwing. Financiële bijdrage aan het landschapsfonds als onvoldoende sloopmeters beschikbaar zijn. Toetsing aan beleid Er wordt gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid tot 900 m³. Dit betekent dat er sprake dient te zijn van een investering in de landschappelijke kwaliteit. Het plan maakt de sloop van agrarische gebouwen mogelijk en zorgt ervoor dat het erf weer een netjes geheel wordt. Uit de KGO-berekening (zie paragraaf 2.3.2 KGO-beleid) blijkt
20
dat er een milieucategorie 0 bedrijf verdwijnt en een impact op de omgeving heeft van 2,35%. Daarbij is een landschappelijke inpassing gemaakt voor de locatie. Hierdoor kan er gebruik worden gemaakt naar de verruiming tot 900 m³ per woning.
21
2.4 Toetsing aan de instructieregels van de provincie Overijssel 2.4.1 Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel is het provinciaal beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De provincie schrijft in haar visie dat er ruimte is voor initiatieven. Zij wil dat bewoners meer invloed hebben op de eigen leefomgeving. Er wordt daarom niet precies voorgeschreven wat er moet gebeuren, maar er wordt juist speelruimte gecreëerd waarbinnen lokale initiatieven tot bloei kunnen komen. Daarbij maakt samenwerking ontwikkelingen mogelijk. De provincie maakt graag ruimte aan initiatieven die bijdragen aan het realiseren van de kwaliteits- en beleidsambities. Leidende thema's zijn: duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:
Generieke beleidskeuzes (behoefte); Ontwikkelingsperspectieven (ontwikkelingsvisie); Gebiedskenmerken (hoe uit te voeren).
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In onderstaande figuur is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
22
Figuur 2.3 of, waar, hoe
Toetsing initiatief aan uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Generieke beleidskeuzes voor heel Overijssel: Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn:
integraliteit
toekomstbestendigheid
concentratiebeleid
(boven)regionale afstemming
zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) moeten doorlopen. Deze Ladder voor duurzame verstedelijking stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de
23
stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit De eis van integraliteit houdt in dat alle belangen die bij een ontwikkeling betrokken zijn, zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen. Met deze wettelijke eis uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt verzekerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een transparante en evenwichtige afweging tussen alle relevante ecologische, economische en sociaal-culturele belangen draagt bij aan een duurzame ontwikkeling. Een integrale benadering is voorwaarde om complexe maatschappelijke opgaven het hoofd te bieden. In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in de wijze waarop alle relevante belangen en beleidsambities zijn afgewogen. Toekomstbestendigheid De eis dat gekozen oplossingen voor maatschappelijke opgaven toekomstbestendig moeten zijn, houdt in dat een initiatief de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te kunnen voorzien niet in gevaar mag brengen. Initiatieven moeten bijdragen aan een duurzame benadering van ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, maar die opties openhoudt om ook te voorzien in behoeften van toekomstige generaties. Het gaat dan om een evenwichtige benadering van het welzijn van mensen, economische welvaart en van het beheer van natuurlijke voorraden.
Bij toekomstbestendigheid gaat het ook om de effecten van ingrepen op verschillende schaalniveaus (van directe buren tot ver over de grens) en over de vraag of het project over 20 of 30 jaar nog steeds toegevoegde waarde heeft. In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in de wijze waarop invulling is gegeven aan de eis van toekomstbestendigheid. Concentratiebeleid Het concentratiebeleid van de provincie Overijssel houdt in dat stedelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) zoveel mogelijk geconcentreerd worden in de stedelijke netwerken Twente (Enschede, Hengelo, Almelo, Oldenzaal en Borne), Zwolle-Kampen en Cleantech regio (Deventer). Daar mag gebouwd worden voor de (boven)regionale behoefte. De kernen Hardenberg en Steenwijk kunnen bouwen voor de regionale behoefte mits dit past binnen de regionale programmering. Voor de overige kernen geldt dat er voor lokale behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Deze kernen mogen ruimte bieden aan lokaal gewortelde bedrijvigheid. Onder lokaal gewortelde bedrijvigheid wordt verstaan: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze
24
gevestigd zijn of zich vestigen en waar ze toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur en het voorzieningenniveau. Voor de stedelijke netwerken geldt de eis van lokaal geworteld zijn niet. Er is nog een uitzondering op het principe dat alleen voor de lokale behoefte gebouwd mag worden. Wij bieden de mogelijkheid aan samenwerkende gemeenten om afspraken te maken waarbij een gemeente in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente voorziet. Deze afspraken moeten passen binnen de regionale programmering die op de gemeenten van toepassing is. In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in de wijze waarop daarmee wordt voorzien in de behoefte van deze gemeente. (Boven)regionale afstemming De verplichting tot (boven)regionale afstemming is erop gericht om gemeenten gezamenlijk verantwoordelijkheid te laten nemen voor de regionale programmering van woningbouw, werklocaties en stedelijke voorzieningen. Ook wanneer een gemeente alleen voorziet in haar eigen (lokale) behoefte is onderlinge afstemming gewenst, omdat het aanbod in een gemeente aan woningen, werklocaties en voorzieningen onderdeel uitmaakt van een regionale markt. De provincie ziet het als onze taak om ervoor te zorgen dat het proces van regionale afstemming zodanig vorm krijgt dat daardoor vraag en aanbod per regio in balans is of wordt gebracht.
In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in de wijze waarop invulling is gegeven aan de (boven)regionale afstemming. 7.1.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is erop gericht om onnodig nieuw ruimtebeslag – zowel ondergronds als bovengronds – te voorkomen. De provincie wil het onderscheid tussen het bestaande bebouwde gebied en de onbebouwde groene omgeving scherp houden. Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag begint bij de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Voor de beantwoording van de vraag naar nut en noodzaak, gelden voor sommige functies op grond van het provinciale beleid specifieke motiveringseisen. Dit geldt in ieder geval voor wonen, de ontwikkeling van bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. Vanuit het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ moeten bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling eerst waar mogelijk locaties benut worden binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Het bestaand bebouwd gebied wordt gedefinieerd als
25
de gronden die op basis van geldende omgevingsplannen benut kunnen worden voor stedelijke functies. Het benutten van mogelijkheden binnen bestaand bebouwd gebied betekent dat niet alleen gekeken moet worden naar onbebouwde terreinen die zich lenen voor bebouwing. Er kan ook ruimte gemaakt worden door sloop, herbestemming en transformatie van de fysieke leefomgeving. Het is overigens niet de bedoeling om door toepassing van het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik alle open ruimten en het bestaand stedelijk groen op te vullen. De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik moet zo gelezen worden dat pas een uitleglocatie benut mag worden als het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de opgave een locatie te vinden binnen bestaand bebouwd gebied. Ook voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving gelden de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Bij nieuwvestigingen en uitbreidingswensen waarvoor binnen het bestaand bebouwde gebied in redelijkheid geen ruimte te vinden is, moet zoveel mogelijk eerst de ruimte benut worden binnen bestaande erven, voordat beslag mag worden gelegd op de onbebouwde Groene Omgeving. Dit geldt niet alleen voor agrarische bedrijven, maar voor alle functies in de Groene Omgeving. Ook bij/voor hergebruik en transformatie geldt dat zij moet bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.
Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik kan betekenen dat bij een nieuwvestiging of uitbreiding de eis gesteld wordt dat elders in de Groene Omgeving opstallen gesloopt worden en verharding wordt verwijderd. Dit zorgt ervoor dat het buitengebied niet verder versteent. In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in hoe invulling is gegeven aan de eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Dit geldt uiteraard ook voor ondergronds ruimtegebruik. Toetsing: Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de kwaliteiten van natuur en landschap behouden en versterkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijf. Daarmee past de ontwikkeling goed in de Groene Omgeving en sluit deze eveneens goed aan op de generieke beleidskeuzes. Voor het ruimtelijke kwaliteitsplan wordt verwezen naar paragraaf 1.2.4. Verder toetsing vindt plaats in paragraaf 2.4.2.
26
Gebiedsspecifieke beleidskeuze De locatie is gelegen binnen het Nationaal landschap IJsseldelta.
Figuur 2.4 Kaart Gebiedsspecifieke beleidskeuzes (bron: https://overijssel.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9923Omgevingsvisie2017-GV10). De Nationale Landschappen IJsseldelta en Noordoost-Twente zijn gebieden met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. De provincie wil (onderdelen van) het voormalig rijksbeleid voortzetten omdat de Nationale Landschappen dé parels zijn van het Overijsselse landschap. Het ruimtelijke beleid is gericht op het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Voor grootschalige initiatieven die in strijd zijn met de doelstellingen van de Nationale Landschappen is geen plek. Binnen de Nationale Landschappen is er ook geen ruimte voor nieuwe windturbines. Ambitie: Behouden en versterken van de leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied Overijssel kent een rijke diversiteit aan landschappen die niet alleen behouden, maar ook versterkt moet worden door elk project en elk initiatief, groot of klein,te laten bijdragen aan de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit.
Het landelijk gebied biedt ruimte voor ontwikkelingen die gericht zijn op de productie van voedsel en energie, maar biedt ook gelegenheid voor ontspanning om te genieten van schoon water, mooie landschappen en schone lucht. De provincie is er van overtuigd dat we de bijzondere kwaliteit van ons landschap alleen kunnen behouden als mensen zich weer verbonden voelen met hun omgeving en het landschap en er - op korte en lange termijn - aandacht aan schenken en ervoor zorgen. De provincie wil die verbinding herstellen én stimuleren dat mensen het landschap weer meer beleven, benutten en beschermen. Van daar uit ontstaat er meer eigenaarschap voor het duurzaam beheren van het landschap.
27
Als eerste stap stimuleren we dat inwoners samen met deskundigen in beeld brengen welke elementen in het landschap om beheer vragen. Daarbij wegen ze verschillende aspecten mee, zoals beleving, historie, maar ook de grote veranderingen die plaatsvinden (denk bijvoorbeeld aan de energietransitie en de transitie naar een duurzame landbouw) en de gebiedskenmerken. Voor dit laatste vormt de Catalogus Gebiedskenmerken de basis. Hierin beschrijven we voor alle gebiedstypen in Overijssel welke kwaliteiten en kenmerken behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden. Op basis van deze eerste stap maken we met collectieven van bewoners en/of agrariërs op gebiedsniveau langjarige afspraken over het beheer, de aanleg en het herstel van landschapselementen. Via monitoring bewaakte de provincie of de ambitie wordt gerealiseerd: eens per vijf jaar brengt de provincie in beeld hoe het gaat met kenmerkende elementen in verschillende agrarische cultuurlandschappen. Voor de leefbaarheid van het landelijk gebied is het van belang dat voorzieningen in steden en dorpen goed bereikbaar zijn. Het landelijk gebied blijft verder leefbaar dankzij de typisch Overijsselse kracht van ‘noaberschap’. Ook in het landelijke gebied moet gezond, veilig en schoon gewoond, gewerkt, gerecreëerd en gereisd kunnen worden.
Overijssel heeft twee Nationale Landschappen binnen zijn grenzen met bijzondere landschapskwaliteiten. Bijzondere landschapskwaliteiten komen ook bij elkaar in de vele landgoederen die in de provincie te vinden zijn. Strekking van het beleid: In de Nationale Landschappen gaat het om het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Ook willen we de recreatieve toegankelijkheid vergroten. Voor grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met de doelstellingen van de Nationale Landschappen is geen plek. Binnen de Nationale Landschappen is er geen ruimte voor nieuwe windturbines, met uitzondering van de zoekgebieden windenergie Noordoost-Twente waar onder voorwaarden ruimte geboden kan worden aan wind. Toetsing: Er is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en de bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de ontwikkelingsperspectieven van het agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap. Bestaande agrarische bedrijven worden niet beperkt.
Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de kwaliteiten van natuur en landschap behouden en versterkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkeling van het erf. De ontwikkeling past dan ook goed in
28
agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap. Voor het ruimtelijke kwaliteitsplan wordt verwezen naar paragraaf 2.2.4. Ontwikkelingsperspectieven Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaan we hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken. Het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Wat betreft windenergie liggen vanuit de optiek van rendement de beste (wind)kansen in het noorden en noordwesten van de provincie: daar waait het het hardst.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de ontwikkelingsperspectieven.
29
Figuur 2.5 Kaart ontwikkelingsperspectieven (bron: https://overijssel.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx? id=NLIMRO9923Omgevingsvisie2017-GV10). Toetsing: Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de ontwikkelingsperspectieven van het agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap. Bestaande agrarische bedrijven worden niet beperkt. Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de kwaliteiten van natuur en landschap behouden en versterkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkeling van het erf. De ontwikkeling past dan ook goed in agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap. Voor het ruimtelijke kwaliteitsplan wordt verwezen naar paragraaf 1.2.4. Gebiedskenmerken
30
Op basis van de gebiedskenmerken in vier lagen gelden per laag specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er is sprake van de volgende vierlagen:
De natuurlijke laag; De laag van het agrarisch cultuurlandschap; De stedelijke laag; De laag van de beleving (deze laag is niet van toepassing bij voorliggend initiatief).
De natuurlijke laag: Zeekleigebied en randmeren De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon. In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de natuurlijke laag.
Figuur 2.6 Kaart natuurlijke laag (bron: https://overijssel.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx? id=NLIMRO9923Omgevingsvisie2017-GV10).
31
De planlocatie is in de natuurlijke laag gelegen in een gebied dat is aangemerkt als Zeekleigebied en randmeren. Het overgangsgebied van de zoetwater delta van de rivieren en de Zuiderzeekust. Patroon van waaiers van rivierafzettingen en geulen met veenvorming er tussen. Door invloed van de voormalige Zuiderzee verdere opslibbing in de vorm van kleiafzettingen. Vóór de bedijking: dynamisch open gebied met een stevige kleiondergrond. Onder invloed van zee, wind en erosie ontstond hier een patroon van geulen wallen en platen. Langs de randen: voormalige Zuiderzee nu zoete Randmeren en NoordoostPolder. Landschapsbeeld: geulen, hogere oevers en overstromingsvlaktes. In gebieden, waar de omstandigheden minder dynamisch waren, ontwikkelde zich kleimoeras met diverse verlandingsstadia. Voormalige Zuiderzeerand: nu grote zoetwaterpartijen als restant van het voormalige open water (open water, rietlanden, oevervegetatie) of overgang naar het ‘nieuwe land’. Vaak: hoge rand van afgezet, opgestoven zand. Ambitie De ambitie is de stoerheid en het open karakter van deze landschappen te bewaren en versterken. Langs de waterrijke randen, wielen en kwelplekkenzijn kansen voor natuurontwikkeling, als herinnering aan de herkomst van dit landschapstype benutten.
Toetsing: Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van geulen en kreken, hogere oevers en kreekruggen en (voormalige) overstromingsvlaktes, dan dragen deze bij aan accentuering van het patroon en de hoogteverschillen en de beleefbaarheid daarvan. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bedrijfsgebouwen gesloopt en bestaande bedrijfswoning gesloopt. De sleufsilo’s en mestsilo’s worden verwijderd en in plaats daarvoor worden 2 nieuwe woningen teruggebouwd. Het bedrijfsgebouw linksachter zal blijven bestaan en bij de woonfunctie worden betrokken als bijgebouw. Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de kwaliteiten van natuur en landschap behouden en versterkt worden in samenhang met de voorgenomen ontwikkeling van het erf. Voor het ruimtelijke kwaliteitsplan wordt verwezen naar paragraaf 1.2.4. De laag van het agrarisch cultuurlandschap: Zeekleilandschap
32
De tweede laag beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop van de tijd gaan waarderen. Het heeft als ‘consumptielandschap’ voor bewoners, recreanten en toeristen nieuwe betekenis gekregen. Veel mensen hechten aan de rust, de ruimte, de mogelijkheden om te fietsen, wandelen, etcetera. En aan de kwaliteit: vooral de herkenbaarheid, de contrasten en de afwisseling van verschillende landschapstypen worden gewaardeerd. De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit en beleving van het landschap. De kwaliteit van het agrarisch cultuurlandschap wordt in Overijssel bepaald door de variatie op twee schaalniveaus: provinciaal en regionaal.
Op schaal van de provincie door de manier waarop het ‘open’ landschappelijk patroon van de laagveengebieden en kleicomplexen van Noordwest-Overijssel, de lange lijnen in het Sallandse occupatiepatroon, de intimiteit van het Twentse boerenland en de stoere maat van de grote ontginningen van Noordoost-Overijssel van elkaar verschillen. Binnen de regionale landschappen is er vaak op korte afstand sprake van verschillen. In onderstaande figuur is een kaartuitsnede weergeven van de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
33
Figuur 2.7 Kaart laag van het agrarisch cultuurlandschap (bron: https://overijssel.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx? id=NLIMRO9923Omgevingsvisie2017-GV10). De planlocatie is in de laag van het agrarisch cultuurlandschap gelegen in een gebied dat is aangemerkt als het Zeekleilandschap. Open landschap langs de voormalige Zuiderzeekust met verspreide terp erven (Kampereiland) en boerderijen op natuur lijke hoogtes. Het terpenlandschapbeslaat hier een relatief klein gebied, maar maakt deel uit van een serie van terpenlandschappen rond de voormaligeZuiderzee: Marken, polder Arkenheem, Schokland en Kampereiland. Kampereiland is al eeuwenlang in cultuur. Het stond bekend om de productie van superhooi, dat met scheeps ladingen vol richting Amsterdam en andere Hollandse steden voor de stadspaarden ging; retour kwam de straatmest. Nu nog steeds is de polder hoofdzakelijk als grasland in gebruik. Dijken en wielen reflecteren het verleden en begrenzen de ruimte. Erven liggen als eilanden in een open zee van ruimte. Ook de strook tussen de Weerribben en de voormalige zeedijk bij Kuinre hoort tot het zee kleilandschap. De ambitie is hier de kwaliteit van de grote open ruimtes met de verspreide erven en het subtiele reliëf in stand te houden. Dit betekent aandacht voor de ruimtes zelf, maar ook voor de kwaliteit van de horizon, omdat het vergezicht hier beeldbepalend is.