TOELICHTING_Omgevingsplan Landelijk gebied Zutphen
Tekst van het document
Cultureel erfgoed moet op het hele gemeentelijk grondgebied meegewogen worden, en niet alleen in beschermde dorps- en stadsgezichten. Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder meer de aanwijzing van Rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet. In het plangebied bevinden zich enkele rijksmonumenten. Dit blijkt uit de navolgende overzichtskaart.
Overzichtskaart Rijksmonumenten (bron: http://rijksmonumenten.nl/plaatsen/)
6
Provinciaal beleid Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.
De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Raadpleging van de digitale Omgevingsverordening toont dat er specifieke provinciale belangen spelen die van toepassing zijn op onderhavig plangebied.
Hieronder worden de specifieke belangen uit de verschillende themakaarten behandeld.
7
Themakaart landschap Het beleid inzake de nationale landschappen is overgenomen in het provinciale beleid en opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland . Op navolgende kaart is het gebied aangeduid.
Kaartbeeld themakaart landschap (bron ruimtelijke plannen/) Artikel 2.56 (ontwikkeling in Nationaal landschap)
Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten.
In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als: o
er geen reële alternatieven zijn;
o
er sprake is van redenen van groot openbaar belang;
o
compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen
Uit: Omgevingsverordening Gelderland
Themakaart landbouw Het beleid inzake de landbouw is overgenomen in het provinciale beleid en opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland . Op navolgende kaart is het gebied aangeduid.
8
Kaartbeeld themakaart landbouw (bron ruimtelijke plannen) Artikel 1.1 (aanwijzing gebieden) Ammoniakbuffergebied
gebied in een zone van 250 meter rondom zeer gevoelige natuur in het Gelders natuurnetwerk waar de emissie van ammoniak niet mag toenemen bij uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderij; Uit: Omgevingsverordening Gelderland
Themakaart glastuinbouw Het beleid inzake glastuinbouw is overgenomen in het provinciale beleid en opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland . Op navolgende kaart is het gebied aangeduid.
9
Kaartbeeld themakaart glastuinbouw (bron ruimtelijke plannen) 2.3.5 Tijdelijke verboden nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw Artikel 2.25 (tijdelijk verbod nieuwvestiging glastuinbouw) Zolang geen bestemmingsplan ter uitvoering van artikel 8.1 is opgesteld en in werking is getreden, is nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden verboden. Artikel 2.26 (tijdelijk verbod uitbreiding bestaande glastuinbouw)
Zolang geen bestemmingsplan ter uitvoering van artikel 8.1 is opgesteld en in werking is getreden, is uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven gelegen in Overig gebied glastuinbouw met meer dan 20% verboden, tenzij deze uitbreidingsmogelijkheid is opgenomen in een op 3 november 2009 vigerend bestemmingsplan dat door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd na 29 juni 2005.
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het eerste lid als wordt aangetoond dat: o
de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het be-
o
verplaatsing naar een Glastuinbouwontwikkelingsgebied of een Regionaal
o
deze uitbreiding zich verdraagt met ter plaatse van belang zijnde gebieds-
drijf; cluster glastuinbouw bedrijfseconomisch niet mogelijk is; kwaliteiten van natuur, landschap en water. Artikel 2.27 (tijdelijk verbod hervestiging glastuinbouw) Zolang geen bestemmingsplan ter uitvoering van artikel 8.1 is opgesteld en in werking is getreden, is hervestiging van glastuinbouwbedrijven in Overig gebied glastuinbouw verboden. Uit: Omgevingsverordening Gelderland
10
Themakaart natuur Het beleid inzake natuur is overgenomen in het provinciale beleid en opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland. Op navolgende kaart is het gebied aangeduid.
Kaartbeeld themakaart natuur (bron ruimtelijke plannen) Gelders natuurnetwerk gebied met een samenhangend netwerk van binnen de provincie Gelderland bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; Groene ontwikkelingszone gebied met een andere bestemming dan natuur dat ruimtelijk is vervlochten met het Gelders natuurnetwerk; Uit: Omgevingsverordening Gelderland
Themakaart water Het beleid inzake water is overgenomen in het provinciale beleid en opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland. Op navolgende kaart is het gebied aangeduid.
11
Kaartbeeld themakaart water (bron ruimtelijke plannen) Artikel 4.9 (realisatie van waterfuncties) Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek afwijkingen toestaan van de waterfuncties Beschermingszone natte landnatuur, Natte landnatuur, Water als verbinder, Hoogst ecologisch niveau wateren en Specifiek ecologische doelstelling wateren, zoals is aangegeven op de themakaart waterbeleid bij de omgevingsvisie Gaaf Gelderland, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de afwijking is noodzakelijk voor het uitvoeren van een project gericht op het realiseren van waterfuncties en wordt uitgevoerd door de uitvoeringspartners in het landelijk gebied, op basis van een ondertekende overeenkomst met de provincie Gelderland;
de afwijking is van ondergeschikt belang in verhouding tot de omvang van functies
de afwijking heeft voldoende draagvlak zoals blijkt uit overleg met betrokken partijen;
de haalbaarheid van de voorgeschreven functie is in het geding.
die in het project worden gerealiseerd;
Artikel 2.38 (instructieregel bestemmingsplan Intrekgebied) Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Intrekgebied maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Artikel 3.33 (verbod op winning fossiele energie in Intrekgebieden) Het is verboden in een Intrekgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele energie. Uit: Omgevingsverordening Gelderland
12
Themakaart erfgoed Het beleid inzake erfgoed is overgenomen in het provinciale beleid en opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland . Op navolgende kaart is het gebied aangeduid.
Kaartbeeld themakaart erfgoed (bron ruimtelijke plannen) Artikel 2.64 (bescherming windvang molen)
Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt.
Het eerste lid is niet van toepassing op de molens in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem. Uit: Omgevingsverordening Gelderland
Themakaart veilige leefomgeving Het beleid inzake veilige leefomgeving is overgenomen in het provinciale beleid en opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Gelderland. Op navolgende kaart is het gebied aangeduid.
13
Kaartbeeld themakaart veilige leefomgeving (bron ruimtelijke plannen) Artikel 3.96 (voorafgaande belading) Het verbod in artikel 3.94, eerste lid, is niet van toepassing als de vervoerder of schipper aantoont dat:
de drie voorafgaande ladingen in te ontgassen ladingtank niet bestonden uit de stoffen, genoemd in artikel 3.94, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel;
de te ontgassen ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 3.94, eerste lid, of dan aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel.
Artikel 3.97 (veiligheidsredenen) Het verbod in artikel 3.94, eerste lid, is niet van toepassing, als het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is vanwege drukverevening of tijdens of na een calamiteit met het binnenschip. Artikel 3.95 (minimumconcentratie restladingdamp) Van een restladingdamp als bedoeld in artikel 3.94, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens. Gedeputeerde Staten kunnen een lager percentage vaststellen. Artikel 3.94 (verbod ontgassen)
Het is de vervoerder en de schipper verboden vanaf een binnenschip op een vaarweg gelegen binnen het Verbodsgebied varend ontgassen een ladingtank te ontgassen met restladingdamp van: o
benzeen (UN 1114);
o
ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267);
o
aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten
14
N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); o
brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863);
o
brandbare vloeistoffen N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993);
o
koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).
Gedeputeerde Staten kunnen andere stoffen aanwijzen waarop het verbod in eerste
Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod in het eerste lid,
Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
lid van toepassing is. voor daarbij aan te geven categorieën van gevallen. lid. Uit: Omgevingsverordening Gelderland
Regionaal beleid Regionale Structuurvisie de Voorlanden Stedendriehoek 2030- Visie op het nietbundelingsgebied De gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Voorst en Zutphen hebben aan een regionale visie samengewerkt. Deze visie werd door de gemeenteraad van Zutphen op 11 februari 2009 vastgesteld. Deze Visie heeft vijf doeleinden: 1. versterken groene kwaliteit: veerkrachtig watersysteem in een robuust landschap 2.versterken rode kwaliteit: een netwerk van vitale kernen 3. Versterken kernkwaliteiten van het platteland: landbouw als core business 4. Versterken kernkwaliteiten van het platteland: toerisme en recreatie als troefkaart 5. Versterken kernkwaliteiten van het platteland: vitaliteit door variatie Het Zutphense buitengebied is betrokken bij alle vijf onderdelen
15
Gemeentelijk beleid Landschapontwikkelingsplan (LOP) Het landschapsontwikkelingsplan is opgesteld voor en door de gemeenten Zutphen, Lochem en Bronckhorst. Op grond van het LOP zijn binnen het plangebied drie verschillende landschappelijke deelgebieden van toepassing. De directe omgeving ten noorden en zuiden van Zutphen is aangemerkt als De Hof van Zutphen, het gebied langs de IJssel als de IJsselwaarden en het oostelijke gedeelte van het buitengebied als Het Groote Veld.
Overzichtskaart met gebieden binnen de gemeente Zutphen
De Hof van Zutphen Het buitengebied van Zutphen vormt een aantrekkelijk uitloopgebied voor de inwoners van de stad Zutphen en is daarom goed toegankelijk voor de ommetjesmaker, lange afstandloper en fietser. De essentie van de landschapsontwikkelingsvisie voor dit deelgebied bestaat uit: versterking cultuurhistorische onderlegger met landschappelijke ingrepen; accentuering van de grens tussen het rivier- en dekzandlandschap met op de overgang het Leestense Broek; versterking van randen van kampen, essen, enken, rivierduintjes en beek- en rivierplateaus; versterking van de relatie tussen Zutphen en het buitengebied, mede door gebruikmaking van de Berkel die een natuurlijke fysieke verbinding vormt; inpassing van de stedelijke ontwikkeling in het landschap.
16
IJsselwaarden Aan de langgerekte, westelijke zijde van het plangebied heeft de eeuwenlange invloed van de IJssel voor een aantrekkelijk open gebied gezorgd. Kleine kleigaten, ontginningspatronen, oude kreken en relicten van de militaire geschiedenis verwijzen naar het verleden. De openheid met markante herkenningspunten op grote afstand zoals het stedelijk silhouet van Zutphen zijn belangrijke kwaliteiten van het gebied, die dienen te worden behouden. De essentie van de landschapsontwikkelingsvisie voor de IJsselwaarden bestaat uit: handhaven openheid komgronden en natte veldontginningen; handhaven en versterken contrast rivierkleigebied en dekzandgebied; behoud relatie oude stad en buitengebied; natte landschaps- en natuurontwikkeling in de uiterwaarden, rekening houdend met de veehouderij. Het Groote Veld Het Groote veld, een aantrekkelijk, toegankelijk en afwisselend natuurgebied tussen de kernen Zutphen, Lochem en Vorden kent een landschappelijk grote structuurrijkdom. Boscomplexen, open heidevelden, landbouwgronden en open beekdalen wisselen elkaar op een spannende manier af. De landschappelijke kracht van Het Groote veld uit zich in een groot aaneengesloten natuurgebied waar rust en stilte nog heersen.
Essentie van de landschapsontwikkelingsvisie voor dit deelgebied: behoud van de grote landschappelijke structuurrijkdom; vergroting biodiversiteit en doorbreken monocultuur; versterking en vergroting van de aaneengesloten natuurlijke eenheid die Het Groote Veld vormt; omvorming oude heidebossen tot meer natuurlijk bos en vergroting areaal open heidevelden; natuur- en landschapsontwikkeling langs beken; zonering van functies. Streekplan Gelderland 2005 In het streekplan Gelderland 2005 is het gebied ten zuiden van Zutphen aangewezen als zogenaamd STUIT-gebied. STUIT staat voor Stedelijk uitloopgebied. Een dergelijk gebied werd in het vorige streekplan (in 1996) door de provincie omschreven als: “Een gebied nabij de grotere bevolkingsconcentraties bedoeld voor openluchtrecreatie, dat voornamelijk bestaat uit bos en water. De bereikbaarheid is goed, zo mogelijk ook met het openbaar vervoer. Het gebied is goed toegankelijk voor wandelaars en fietsers. De uitloopgebieden hebben een bovenlokale functie. Bij aanleg wordt voornamelijk landbouwgrond ingericht voor de nieuwe functie waarbij bestaande bossen en andere landschappelijke elementen worden ingepast.” Het accent ligt voor dit STUIT-gebied niet op de aanleg van bossen en water en de herinrichting van landbouwgronden voor recreatie.
Voor dit specifieke STUIT-gebied wordt gestreefd naar een evenwicht tussen natuur, recreatie en landbouw. Ook ligt de keuze voor een groot bosgebied niet voor de hand. Gezien de kwaliteit van het huidige landschap zal de ontwikkeling van het STUIT-gebied voornamelijk vorm krijgen door het handhaven, versterken en verder ontwikkelen van bestaande waarden.
17
Het primaire doel van het STUIT-gebied Zutphen-Warnsveld was het creëren van een recreatief uitloopgebied voor de bewoners van Zutphen en Warnsveld. Naarmate de wijk Leesten Oost zich ontwikkelt, zal het STUIT-gebied een groter bezoekersaantal krijgen. De toenemende recreatieve druk vraagt om een aanpassing van de inrichting van het gebied. Een inrichting die inspeelt op de wensen van de stedeling, in goede harmonie met de bewoners van het buitengebied. Ook dient het STUIT-plan een antwoord te geven op de “verrommeling” van het landschap door diverse stadsrand-activiteiten en aan te geven hoe deze ontwikkelingen omgebogen kunnen worden in een kwaliteitsimpuls voor het gebied. Daarnaast moet het STUIT-gebied als buffer voor de verstedelijking van Zutphen en Warnsveld dienen. Het STUIT-gebied vangt de recreatiedruk op en ontlast daarmee de druk op kwetsbare gebieden in de omgeving, zoals landgoed Hackfort. Het doel van deze inrichtingsvisie is het in beeld brengen van de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied tot stedelijk uitloopgebied. Het resultaat is dus een hoofdlijnenplan, dat uitgewerkt zal worden in een uitvoeringsprogramma. De inrichtingsvisie voor het STUIT-gebied bestaat uit een landschappelijk raamwerk, recreatieroutes, intensieve recreatiezones en het versterken van de deelgebieden. Het raamwerk vormt de basis van het plan.
In het Meerjaren Uitvoeringsprogramma zal prioriteit gegeven worden aan het realiseren van het landschappelijk raamwerk. Binnen het raamwerk zit de nodige flexibiliteit voor de ontwikkeling van verschillende functies in het landelijk gebied. Het landschappelijk raamwerk en delen van de intensieve recreatiezones kunnen ontwikkeld worden door landschapsbouw. De flexibele ontwikkelingen kunnen gestuurd worden door spelregels voor beeldkwaliteit en randvoorwaarden voor functies. De versterking van de deelgebieden kan samen met de streek ontwikkeld worden. De uitgangspunten die gelden voor de onderdelen van het landschap in het plangebied luiden als volgt: uiterwaarden In de uiterwaarden geldt het behoud en de bescherming van de grootschalige openheid. Waar ze nog aanwezig zijn geldt het behoud en de bescherming van het patroon van parallel aan elkaar liggende ruggen en geulen (de kronkelwaarden). In de uiterwaarden kunnen landbouw en (natte) natuur gecombineerd worden, waarbij (natte) natuur verder ontwikkeld wordt en extensief recreatief medegebruik wordt toegestaan. oeverwallen Op de oeverwallen, in de zuidelijke punt van het plangebied, geldt het versterken van de kleinschaligheid door behoud, herstel en ontwikkeling van landschapselementen.
broekontginningen In het Leestense Broek geldt het behoud en de versterking van de laanbeplanting langs wegen, de afwisseling tussen open gebieden en besloten bospercelen en de oude eenmansessen.
18
kampen In het kampenlandschap geldt het versterken van de kleinschaligheid door behoud, herstel en ontwikkeling van landschapselementen zoals wegbeplantingen, kavelgrens-beplantingen, bosjes en erfbeplantingen.
Erfgoedverordening De gemeente heeft een Erfgoedverordening vastgesteld. De Erfgoedverordening bundelt de regelingen voor monumentenzorg, archeologie en ruimtelijk cultuurhistorische erfgoed. Onder meer het volgende is geregeld in de erfgoedverordening: de aanwijzing van een zaak of terrein tot gemeentelijk monument; het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke en beschermde monumenten (rijksmonumenten) uitgezonderd archeologische rijksmonumenten; de inschakeling van de commissies die als adviesorgaan fungeren; de aanwijzing van gebieden tot gemeentelijke beschermd stads- en dorpsgezichten; de regeling van bovengrondse cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen; eisen aan (cultuurhistorisch) onderzoek. Ook vormt de bescherming van archeologische waarden onderdeel van de erfgoedverordening. Welstandsnota De gemeente heeft een Welstandsnota in werking. Deze gaat uit van de volgende uitgangspunten: per criteria: ten eerste bestaan algemene weldstandcriteria. Dat kan bijvoorbeeld zijn de schaal of maatverhoudingen. Ten tweede komt de standaard sneltoetscriteria. Deze criteria hebben betrekking tot een bepaald bouwwerk. Dat kan dakkapellen zijn of erfafscheidingen. Ten derde komt objeccriteria. Het gaat hier om bepaalde objecten in de ruimte zoals terrrassen of reclameuiting per thema’s: de thema’s kunnen gezien als (woon-)milieu.
Zo bestaan er specifieke criteria voor tuinwijken, woonerven of bedrijventerrreinen. Het buitengebied is het laatste thema n°16. Het buitengebied krijgt allereerst twee beleidsuitgangspunten: het versterken van de bestaande waarden en de ontwikkeling van de stad in samenhang met het omringende landschap. Vervolgens is de bestaande situatie omschreven. Voorts wordt er een uitleg gegeven over de manier waarop projecten worden getoetst. Het is belangrijk te melden dat er 3 niveaus van toetsing komen. Het eerste niveau wordt voor projecten gebruikt waarbij cruciale gebieden mogelijk aangetast zullen worden. Het tweede niveau wordt op gebieden toegepast waar het noodzakelijk is om alert te blijven. Het derde niveau is een soepele toetsing voor gebieden die niet zoveel aandacht vragen als de twee eerste niveaus. Het buitengebied is vooral als niveau 2 gerangschikt. Daarna geeft de welstandnota aan wat de eisen en de verwachtingen per functie zijn. Het is bijvoorbeeld het geval voor boerderijen of een recreatiegebied. Ten slotte legt de welstandnota voor het buitengebied uit welke criteria van toepassing zijn voor een kleinschalige ontwikkeling zoals aanbouw.
19
Toekomstvisie Zutphen 2025 Deze visie presenteert Zutphen als ‘woongemeente’ aan de hand van vijf kenmerken. Eén van de vijf onderscheidende kenmerken is Duurzaam DNA: Een andere eigenschap betreft ‘Zelfbewust Zutphen’. In dit kader wordt onder meer gesteld dat Zutphen veel cultuurhistorische kwaliteit heeft. Als één van de oudste Nederlandse steden zit Zutphen vol verhalen. Iedereen heeft hier zijn eigen verhaal en zijn eigen kwaliteit. Jezelf en je ‘afkomst’ kennen, zorgt voor zelfbewustzijn en eigen kracht. Het is voor Zutphen een uitdaging om zich bewust te zijn van haar (cultuur)historische kwaliteiten en haar kwaliteiten als woongemeente. En om die kwaliteiten neer te zetten en te laten zien.
2.2
Archeologie Rijksbeleid In 1992 is op Malta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlands parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van waardevolle zaken. In het kader van de bescherming van de fysieke leefomgeving in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn, zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Provinciaal beleid Op provinciaal niveau geldt geen specifiek beleid inzake het aspect archeologie. Gemeentelijk beleid De gemeente Zutphen heeft eigen archeologiebeleid vastgesteld. In de Erfgoedverordening is de bescherming van archeologische waarden geregeld. Ook is in het kader van de bescherming van archeologische waarden vanaf 2006 een Archeologische Waardenkaart gemaakt.. Alle locaties waarvan vastgesteld is dat er (mogelijk) waardevolle archeologische resten aanwezig zijn (of in potentie in de bodem bewaard zijn gebleven), zijn opgenomen op deze archeologische beleidskaart.
Op deze kaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen beleidsmatig vertaald zodat ze onder andere als basis kunnen dienen bij de (actualisatie van de) bestemmingsplannen. Op basis van de uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart heeft het plangebied meerdere archeologische verwachtingswaarden.
20
Uitsnede uit archeologische waardenkaart Zutphen met aanduiding plangebied in rood
De archeologische beleidsadvieskaart geeft inzicht in de bekende en te verwachten archeologische waarden binnen de gemeente. Aan deze waarden is een advies gekoppeld voor het te voeren beleid, welk beleid ook al verwerkt is in de bestemmingsplannen die sedert 2012 zijn vastgesteld. Bekende waarden: zeer hoge bekende waarde: alle bodemingrepen groter dan 5 m² en dieper dan 0,3 meter vanaf het maaiveld dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch onderzoek; hoge bekende waarde: alle bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 0,5 meter vanaf het maaiveld dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch onderzoek; middelhoge bekende waarde: alle bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 meter vanaf het maaiveld dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch onderzoek; lage bekende waarde: alle bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,5 meter vanaf het maaiveld dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch onderzoek; verstoord: geen onderzoek nodig. Verwachtingswaarden: hoge verwachtingswaarde: alle bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 0,5 meter vanaf het maaiveld dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch vooronderzoek;
21
middelhoge verwachtingswaarde: alle bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 meter vanaf het maaiveld dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch vooronderzoek; lage verwachtingswaarde: alle bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,5 meter vanaf het maaiveld dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch vooronderzoek; IJsselbedding: bijzondere archeologische verwachtingswaarde: alle bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 5,50+ NAP dienen vooraf gegaan te worden door archeologisch vooronderzoek.
2.3
Natuur en Bos Rijksbeleid Nationaal Natuurnetwerk (NNN) Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Barro vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er verder een algemeen beschermingsregime voor NNN-gebieden. Ten slotte moeten in de provinciale verordening regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden worden vastgelegd. De begrenzing van de NNN-gebieden mag worden gewijzigd bij provinciale verordening. Hierna wordt bij het provinciaal beleid nader ingegaan op de NNN. Natuurgebieden Op rijksniveau zijn natuurgebieden beschermd middels de op 1 januari 2017 in werking getreden Wet natuurbescherming (Wnb). In en in de nabijheid van het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen.
22
Kaartbeeld beschermde natuurgebieden met aanduiding plangebied met rode contour (bron: Aerius Calculator)
Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermend soorten en/of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 Wnb is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan uitsluitend mag worden vastgesteld indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wnb). Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld of kan voor het project door Gedeputeeerde Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogenaamde ADC-criteria.
De ADC criteria houden in: 1 dat er geen alternatieve oplossingen zijn; 2 dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en 3 dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. In de Wet natuurbescherming is ook de soortenbescherming geregeld. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artt. 3.1 tot en met 3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artt. 3.5 tot en met 3.9) en voor andere soorten (artt. 3.10 en 3.11).
23
Vogelrichtlijnsoorten Het is op grond van de Wnb verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd, dus ook als ze niet als broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet in staat zijn om een eigen nest te bouwen. Habitatrichtlijnsoorten Het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen Bonn en Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
Andere soorten Naast de vogelrichtlijnsoorten en de habitatrichtlijnsoorten worden in de wet nog een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Het is verboden deze soorten opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om de plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Bos In Nederland wordt bos beschermd door de Wnb. Daarin staat dat mensen die bos willen kappen, dit moeten melden bij de provincie. Die kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er ook nieuwe bomen worden aangeplant. Provinciaal beleid Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone In de omgevingsvisie en omgevingsverordening van de provincie Gelderland zijn bepalingen opgenomen inzake de bescherming van de natuur. In het provinciale beleid wordt natuur beschermd middels de aanduidingen Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO). De wettelijke basis hiervoor is gelegen in het Barro, zoals hiervoor beschreven. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang.
Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS (NNN) en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit
24
nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. Binnen de ontwerp-actualisatie van de omgevingsverordening wordt overigens meer ruimte geboden voor recreatie en wordt kleinschalige recreatie onder voorwaarden mogelijk. Groene ontwikkelingszone (GO) De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. De Ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. De provincie nodigt de Gelderse samenleving uit om in de Groene Ontwikkelingszone (GO) initiatieven te ontwikkelen die bijdragen aan de realisatie van deze dubbele doelstelling. Vanwege de dubbele doelstelling is er in de GO ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en uitbreiding van bestaande functies. Uit: Omgevingsvisie Gelderland
Kaartbeeld ligging GNN en GO ter plaatse van het plangebied met plangebied aangeduid met rode contour (Bron: Planoview Gelderland)
Op diverse plaatsen is er sprake van dat het plangebied zowel is opgenomen binnen het Nationaal Landschap (zie paragraaf 2.2) als binnen de GNN. In dit geval gaat de GNN-regeling voor de bepalingen over het Nationaal Landschap.
25
Gemeentelijk beleid Bomenverordening en bomenbeleid De gemeente heeft een Bomenverordening en bomenbeleidsplan. Doelstelling van het beleidsplan uit 2014 is: het behouden en zo mogelijk uitbreiden van bestaande boom- en groenstructuren en beschermwaardige bomen buiten de structuren; een veilig, ecologisch waardevol en vitaal gemeentelijk bomenbestand; deregulering. Op een groene kaart zijn boomstructuren, aandachtsgebieden, de bomenlijst en priva2 te percelen groter dan 2.500 m aangegeven. Groenatlas Verder heeft de gemeente in 2012 de Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’ vastgesteld. Hierin is de visie verwoord op de groenstructuur vanuit natuur, milieu en ruimte met daarin een heldere beschrijving van eindbeelden, beheerkaders en ontwikkelingsstrategieën. De groenatlas omvat een uitwerking voor het groen langs randen en de overgangszone van de kernen naar het landelijk gebied en de belangrijkste hoofdstructuren van wegen-, water- en landschapsstructuren in het landelijk gebied. Het doel van de Groenatlas is onder meer het opstellen van een samenhangende groenstructuur en het ontwikkelen van een visie op de groenstructuren en het vastleggen van de groene ambitie. Verder biedt het een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. In de Groenatlas is de bestaande groenstructuur (2010) neergelegd, alsmede het eindbeeld opgenomen en beschreven.
Beiden zijn op onderstaande afbeeldingen weergegeven.
26
Huidige groenstructuur (2010 met plangebied. Bron: Groenatlas
Gewenst eindbeeld uit de Groenatlas met daarin het plangebied aangeduid
27
2.4
Water Rijksbeleid Barro In het Barro is de bescherming van de rijksvaarwegen (titel 2.1) en primaire waterkeringen (buiten het kusfundament, titel 2.11) opgenomen. In het kader van de rijksvaarwegen zijn vrijwaringszones aangegeven. Vastgelegd is dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van een Rijksvaarweg of op een vrijwaringszone en dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van deze titel geldende bestemmingsplan, rekening gehouden wordt met het voorkomen van belemmeringen voor de doorvaart, de zichtlijnen, etc. Wat betreft primaire waterkeringen geldt dat de gemeente ervoor dient te zorgen dat gronden waarop een primaire waterkering is gelegen of die de functie van primaire waterkering hebben, als zodanig in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Dit betekent dat deze gronden als hoofdbestemming Waterkering moeten krijgen. Van belang is dat dit aansluit op de keur en leggers van de waterschappen: hierin is immers door de waterschappen de exacte ligging en begrenzing van de waterkeringen aangegeven. Waterwet De Waterwet geldt als de belangrijkste wetgeving op nationaal gebied op het gebied van het water. De Waterwet stelt de watersysteembenadering centraal en integreert acht bestaande wetten voor waterbeheer.
De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en regelt de juridische implementatie van Europese richtlijnen (o.a. Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico's). De Waterwet kent één watervergunning. Met het wegvallen van vergunningen treedt een belangrijke wijziging op in de samenwerkingsrelatie tussen de gemeente en de waterbeheerder (Rijkswaterstaat of waterschap). Diverse activiteiten zoals bouwen en gebruik van de gronden zijn in, op grond van het waterbeleid, beschermde gebieden aan een watervergunning gebonden. In de Watertoets van bestemmingsplannen (vooroverleg artikel 3.1.1 Bro) wordt bezien of de voorgenomen ingrepen in het watersysteem (juridisch) gefaciliteerd kunnen worden. Dat wil dus zeggen: of aannemelijk is dat vergunningen kunnen worden verleend, dat de noodzakelijke peilbesluiten (of peilvergunningen) genomen zullen worden en dat nieuwe waterstaatswerken in de legger kunnen worden opgenomen. Indien hierover iets gezegd kan worden, zal daaraan in het wateradvies aandacht worden besteed. Formeel gezien staan vergunningen en andere besluiten volledig los van de watertoets. Het kan voorkomen dat regels uit het bestemmingsplan, zoals gebruiksregels, aanlegregels of bebouwingsregels, hetzelfde luiden en dezelfde belangen beschermen als watervergunningsregels op grond van de keur. Deze samenloop van regelge-
28
ving is in beginsel alleen toelaatbaar als de bestemmingsplanregels een ruimer belang dienen dan alleen het waterstaatkundig belang. Nationaalwaterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan is in december 2015 in werking getreden . Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Beleidslijn grote rivieren / Barro De Beleidslijn grote rivieren waarvan de handreiking in juli 2019 geactualiseerd werd, is in het Barro uitgewerkt. Doel van de beleidslijn is om door het treffen van maatregelen meer ruimte te creëren voor de rivier, de duurzame bescherming van mens en dier tegen overstroming bij hoogwater en het beperken van materiële schade. De beleidslijn bevat een kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid – vanuit rivierkundig én ruimtelijk oogpunt – van nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren. De beleidslijn is van toepassing op de IJssel en zijn uiterwaarden. De Beleidslijn grote rivieren bestaat uit vier delen, een beleidsbrief, beleidsregels, een handreiking en een set kaarten.
Met de Beleidslijn wordt ernaar gestreefd de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden en ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken.
Kaartbeeld beleidslijn ligging ‘stroomvoerend regime’ met aanduiding plangebied (rode contour) (Bron: Beleidslijn grote rivieren)
Er wordt onderscheid gemaakt tussen een ‘bergend’ regime en een ‘stroomvoerend’ regime. Voor de uiterwaarden in het plangebied geldt het ‘stroomvoerend’ regime. Dit houdt in dat er stringente beperkingen gelden voor de uitbreiding van bestaande nietriviergebonden activiteiten. Er geldt onder andere dat toename van de oppervlakte van bebouwing slechts onder voorwaarden is toegestaan en niet meer dan 10% mag bedragen.
29
Nieuwe niet-riviergebonden activiteiten zijn binnen dit regime alleen mogelijk als er sprake is van het hergebruiken van bestaande gebouwen of als er met rivierverruimingsmaatregelen per saldo meer ruimte voor de rivier wordt geboden. Hierbij is sprake van grote, ingrijpende ontwikkelingen, die in dit omgevingsplan niet mogelijk worden gemaakt. De nadere uitwerking van de Beleidslijn grote rivieren vindt plaats langs twee lijnen: de concrete regulering van afzonderlijke activiteiten via de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving en de ruimtelijke doorwerking van het beleid via de Wro. Het Waterbesluit geeft in artikel 6.12 eerste lid als hoofdregel dat voor activiteiten in het rivierbed een waterwetvergunning is vereist. Daar waar voor activiteiten in het rivierbed een watervergunning vereist is gelden ook de in de Beleidslijn grote rivieren opgenomen Beleidsregels grote rivieren als afwegingskader voor de vergunningverlening. Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Hierin is de ruimtelijke doorwerking van het beleid opgenomen. Er worden algemene eisen gesteld aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen in het rivierbed.
Deze strekken ertoe te voorkomen dat omgevingsvergunningen worden verleend voor afwijking van een bestemmingsplan ten behoeve van werkzaamheden die in het kader van het Waterbesluit niet of slechts onder bepaalde voorwaarden zijn toegestaan. In de Nota van toelichting bij het Barro staat aangegeven dat een goede inhoudelijke en procedurele afstemming tussen de rivierbeheerder en de betrokken gemeente gewenst is. Om die reden is in de bestemmingsregels van de bestemmingen gelegen in de uiterwaarden een specifieke gebruiksregel opgenomen dat voor zover voor uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een vergunning krachtens de Waterwet is vereist, het uitvoeren hiervan uitsluitend toegestaan na inwerkingtreding van die vergunning. Kaderrichtlijnwateren De opgave voor de Europese Kaderrichtlijnwateren (KRW) is het nemen van alle mogelijke, haalbare maatregelen om de ecologische en fysisch-chemische waterkwaliteit te verbeteren. In het onderstaande zijn de afwegingen opgenomen die op basis van de gehanteerde methode zijn gemaakt. De KRW schrijft voor, dat in 2015 de 'goede chemische toestand' in alle wateren moet zijn bereikt (met mogelijkheid tot uitstel tot 2021 of 2027). Watertoets Om te garanderen dat water voldoende aandacht krijgt bij het opstellen van ruimtelijke plannen is de zogenaamde ‘watertoets’ in het leven geroepen.
Deze toets heeft een grondslag in het Besluit ruimtelijke ordening vanwege de daarin opgenomen verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen een beschrijving toe te voegen waarin is beschreven op welke wijze rekening zal worden gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding (artikel 3.1.1 lid 1) en de verplichting om de waterbeheerder te betrekken bij de vaststelling van bestemmingsplannen en projectbesluiten (artikel 3.1.6. lid 1 sub b).
30
Provinciaal beleid Omgevingsvisie Gelderland In de Omgevingsvisie wordt de ambitie en de rol van de provincie voor het aspect water aangegeven. De provincie stuurt op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater. Een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem helpt mee aan een optimale en duurzame driedimensionale inrichting van Gelderland. De provincie streeft naar een duurzaam gebruik van de ondergrond. Zij zoekt naar een balans tussen het benutten van de kansen die de ondergrond biedt en het behouden van de waarde van de ondergrond voor toekomstige generaties. Doel is te komen tot een integrale, efficiënte en duurzame benutting zonder onomkeerbare gevolgen voor de ondergrond. Dit betekent dat de provincie moet afwegen wat op een bepaalde plek in de ondergrond of bovengronds wel of niet mag. Ecologische HEN en SED wateren Een aantal wateren in Gelderland heeft een zeer hoge ecologische waarde. Het provinciale beleid is gericht op bescherming van deze wateren. In het beleid worden twee typen ecologisch belangrijk water onderscheiden: HEN-water en SED-water. Dit bestand is uit de volgende kaartlagen samengesteld : 1. HEN-water : water van het hoogst ecologische niveau. Het benadert de meest natuurlijke situatie.
De provincie wil die ecologische waarde beschermen en eventuele negatieve beïnvloeding terugdringen. 2. SED-water : water met een specifiek ecologische doelstelling. Deze kennen enige menselijke beïnvloeding, maar hebben een ecologische waarde of kunnen die door een relatief geringe inspanning krijgen. De meest natuurlijke situatie ligt voor deze wateren echter niet in het verschiet.
Kaart water en natuur omgevingsvisie Gelderland met aanduiding SED-wateren binnen de gemeente Zutphen
31
Waterschap Inleiding Het plangebied is gelegen in het werkingsgebied van twee waterschappen; waterschap Rijn en IJssel en waterschap Vallei en Veluwe. Hierna is een afbeelding opgenomen van de ligging van de waterschappen. Het beleid van beide waterschappen wordt kort besproken.
Indeling waterschappen met plangebied rode contour Bron: provincie Gelderland
Waterschap Rijn en IJssel Het Waterbeheerplan 2016-2021 is vastgesteld in november 2015 en beschrijft op welke wijze de volgende zaken in de periode 2016-2021 gedaan worden: het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en het zorgen voor het zuiveren van afvalwater. De Watervisie 2030 geeft aan hoe het waterschap aankijkt tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het beheersgebied, om de wateropgaven waarvoor ze staan duurzaam op te lossen. Er moet daartoe een betere afstemming worden gevonden tussen de waterwensen van de verschillende grondgebruiksvormen en het watersysteem zelf. Omdat ruimtelijke oplossingen op langere termijn duurzamer zijn, krijgen deze de voorkeur boven technische oplossingen. Bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen geldt het natuurlijk watersysteem als ideaalbeeld. Water moet richtinggevend zijn bij toekomstige stedelijke uitbreiding. Bij overschot wordt regenwater in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater geleid. Het waterschap streeft ernaar regenwater niet meer via de riolering af te voeren. Het rioleringsstelsel wordt aldus minder zwaar belast, waardoor de kans op overstorten van rioolwater op oppervlaktewater kleiner wordt.
32
Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2013 is het Waterschap Vallei en Eem gefuseerd met het Waterschap Vallei en Veluwe. Het algemeen bestuur van de gefuseerde Waterschappen heeft op 20 september 2016 het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Het waterschap heeft een aantal doelen gesteld voor de korte termijn (2021), gebaseerd op ambities. De doelen omvatten de kerntaken en de nieuwe ontwikkelingen. In onderstaande tabel is per programma (waterveiligheid, watersysteem en waterketen) weergegeven welke ambities zijn vertaald in doelen en maatregelen.
Ambities uit het Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Eem/Veluwe 2016-2021
Keur De watergangen vallen onder het beheer van beide waterschappen. In de keuren van deze waterschappen zijn reeds vele regels over de omgang met water en waterlopen opgenomen. De keuren blijven onverkort van kracht naast hetgeen in het op te stellen omgevingsplan met betrekking tot water wordt vermeld. De regels van de keur hoeven niet te worden overgenomen in het omgevingsplan. Zo wordt een dubbeling van regels voorkomen. Gemeentelijk beleid Waterplan Zutphen Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt altijd een watertoets-procedure gevolgd. Nieuwe gebieden worden in principe afgekoppeld (niet aangekoppeld) en in de inrichting moet voldoende ruimte zijn gereserveerd voor waterberging, bij voorkeur in combinatie met groen. Ook moet worden getoetst of de capaciteit van het bestaande rioleringssysteem voldoende is om nieuwe uitbreidingen op het bestaande systeem aan te sluiten. Ook de afvoerstructuur voor het geïnfiltreerde water dient voldoende aandacht te krijgen.
33
Het watertakenplan 2021-2025 Het watertakenplan is op 10 november 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Elke gemeente in Nederland heeft drie watertaken: de afvalwaterzorgplicht, de hemelwaterzorgplicht en de grondwaterzorgplicht. Dit document werkt een strategie uit die in beleid vertaald moet worden. De ambitie is om een aantrekkelijk, gezond en klimaatbestendig vestigings- en verblijfsklimaat te krijgen voor bedrijven, bewoners en bezoekers. 2 belangrijke thema’s zijn van belang: gezondheid en klimaatbestendig. Er zijn talrijke doelstellingen waaronder een steeds betere afwatering en waterberging, het voorkomen van wateroverlast, een betere inachtneming van het milieucomponent en het zorgen voor een goede kwaliteit van het grondwater. Er nieuwe reeks aan investering wordt ook voorgesteld waardoor het systeem nieuwe materialen krijgt, zodat het waterbeheer steeds meer klimaatbestendig en efficiënt zal werken.
34
3 3.1
Functionele kwaliteiten Agrarische bedrijven Rijksbeleid Sectorale wetgeving Er zijn diverse landelijke wetten en regels van belang voor agrarische bedrijven. Dit is met name sectorale wetgeving, zoals op het gebied van geur. Op deze sectorale wetgeving wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan. Ammoniak Verder is ook de natuurwetgeving van belang voor de agrarische bedrijven, zoals de Wet natuurbescherming. Het belangrijkste aspect hieruit is de zogenaamde stikstofproblematiek. Stikstof dat in de vorm van ammoniak vrijkomt en neerslaat op zogenaamde voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden en waar de kritische depositiewaarde al is overschreden. Daarmee wordt de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitats en leefgebieden aangetast. Om te kunnen bepalen wat de effecten zijn en of het noodzakelijk is een regeling op te nemen in het omgevingsplan om een verdere toename van de stikstofdepositie te beperken dan wel te voorkomen zijn berekeningen uitgevoerd. Deze berekeningen zagen op het opvullen van de bestaande omgevingsvergunningen en meldingen ten opzichte van de huidige feitelijke en planologisch legale situatie (gebaseerd op CBS-cijfers (meitellingen) 2014), zijnde de referentiesituatie zoals die uit de jurisprudentie volgt.
Het opvullen van deze ruimte leidt al tot een toename van de stikstofdepositie en daarmee tot significante effecten, waardoor het vaststellen van het omgevingsplan onder druk komt te staan. Om die reden is er voor gekozen een regel op te nemen, waarin de huidige feitelijke en planologisch legale situatie wordt verankerd, dan wel de verleende natuurvergunning Met deze laatste regeling kan de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State namelijk ook instemmen, wanneer de natuurvergunning één op één wordt vertaald in de regels van een bestemmingsplan. Dat voor het buitengebied een omgevingsplan wordt vastgesteld, doet aan de inhoud van deze uitspraken niet af. Per 1 juli 2021 is de Stikstofwet in werking getreden. De basis voor deze wet is de structurele aanpak stikstof. In de wet is vastgelegd dat de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zo ver moet worden gereduceerd dat de stikstofdepositie:
in 2025 in ten minste 40% van “het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden” (stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden) de kritische depositiewaarde (KDW) niet overschrijdt; in 2030 in ten minste 50% van het areaal van stikstofgevoelige Natura 2000gebieden de KDW niet overschrijdt; in 2035 in ten minste 74% van het areaal van stikstofgevoelige Natura 2000gebieden de KDW niet overschrijdt.
Dat betekent dat de stikstofdepositie de komende jaren vergaand moet worden gereduceerd. Daarvoor zullen bronmaatregelen worden genomen. Die zullen worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering.
35
Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. Voor een aantal gebieden geldt op grond van deze wet extra beleid met als doel de ammoniakdepositie op die gebieden - de zeer kwetsbare gebieden- te verminderen. Het gaat om gebieden die gevoelig zijn voor verzuring en/of vermesting die deel uitmaken van het Gelders Natuur Netwerk. In een zone van 250 meter rondom de zeer kwetsbare gebieden gelden beperkingen voor de (intensieve) veehouderijen. Grondgebondenheid In 2015 trad de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en in 2016 de AMvB grondgebonden groei in werking (AMvB grondgebondenheid). De Wet verantwoorde groei melkveehouderij behelst een wijziging van de Meststoffenwet. De Wet verantwoorde groei melkveehouderij bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) beperkingen moeten worden gesteld aan de mogelijkheid om grondloos te groeien. Dat moet gebeuren door het inperken van de mogelijkheid die de wet biedt aan melkveehouders om de uitbreiding van de fosfaatproductie in zijn geheel te verwerken. Bedrijven met melkvee mogen dus alleen groeien als er voldoende grond bij het bedrijf in gebruik is om de extra mest aan te wenden. In de AMvB grondgebondenheid wordt een grens gesteld aan de omvang van het melkveefosfaatoverschot dat maximaal verwerkt mag worden.
De AMvB heeft tot doel te borgen dat uitbreiding in de melkveehouderij tenminste gedeeltelijk grondgebonden plaatsvindt. Melkveebedrijven die door uitbreiding extra fosfaat produceren, moeten jaarlijks aantonen dat zij over voldoende grond beschikken om ten minste een deel van de extra fosfaat binnen het bedrijf te kunnen gebruiken. Het is de bedoeling dat de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij wordt omgezet in een formele wet. De Tweede Kamer heeft op 1 december 2016 het voorstel van deze Wet grondgebonden groei melkveehouderij besproken. Net als de AMvB is het wetsvoorstel gericht op het voorkomen van grondloze groei door melkveebedrijven. Provinciaal beleid De provincie Gelderland actualiseert twee keer per jaar de omgevingsvisie en omgevingsverordening. Het Plussenbeleid en de ammoniakbuffergebieden evenals de grondgebondenheid blijven belangrijke aandachtspunten. Plussenbeleid De huidige Omgevingsvisie en -verordening voor de intensieve veehouderij is gericht op de omvang van individuele bedrijven, waarbij nieuwvestiging van nietgrondgebonden veehouderij niet is toegestaan. Uitbreiding in verwevingsgebieden kan alleen voor ten hoogste één hectare. Uitbreiding in landbouwontwikkelingsgebieden is tot ten hoogste 1,5 ha toegestaan. Het Plussenbeleid wijzigt dit beleid dat is gericht op de sturing op bouwblokmaten.
Er is een aanpak ontworpen gericht op duurzame groei van niet-grondgebonden veehouderij. Met het nieuwe beleid vervalt de sturing op bouwblokmaten. In plaats van kwantitatieve (vaste) bouwblokmaten, zijn in het voorgestelde beleid extra maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op het terrein van landschappelijke inpassing, milieu- en dierenwelzijn bepalend. Wanneer geplust wordt op dierenwelzijn, heeft dit
36
vaak uitbreiding van de ruimte per dier als gevolg dus grotere stallen. Veelal zal de grens dan van 1,5 ha dan ook worden overschreden. Bij uitbreidingen gelden extra eisen gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Deze aanpak vraagt een samenwerking tussen ondernemer, omgeving en gemeente, waarin een goede dialoog centraal staat en ruimte is voor lokaal maatwerk gericht op lokale of regionale aandachtsgebieden. De gemeenten dienen het plussenbeleid te verwerken in hun ruimtelijk beleid. Bestaande uitbreidingsmogelijkheden blijven bestaan totdat een bestemmingsplan geactualiseerd wordt in een gemeente. Ammoniakbuffergebied Eveneens is in de Omgevingsverordening het begrip ‘ammoniakbuffergebied’ geïntroduceerd. Dit is een gebied waarbinnen geen nieuw- en hervestiging van intensieve veehouderijen mogelijk is. Uitbreiding van de niet-grondgebonden veehouderijtak is uitsluitend toegestaan indien de ondernemer aantoont dat de emissie van ammoniak en stikstof op de locatie niet toeneemt. De ligging van deze ammoniakbuffergebieden komt overeen met de extensiveringsgebieden die destijds vanuit de reconstructie zijn aangewezen. Deze extensiveringsgebieden liggen om kwetsbare natuur die door de provincie, met inachtneming van de Wet ammoniak en veehouderij, destijds als zeer gevoelig voor verzuring is bestempeld.
Grondgebondenheid In de verordening is qua definitie van grondgebondenheid voor specifiek de melkveehouderij aan gesloten bij de rijksdefinitie. Gemeenten wordt gevraagd het begrip grondgebonden rundveehouderij in bestemmingsplannen vast te leggen. Een bedrijf dient bij een verzoek tot uitbreiding aan te geven dat zij over voldoende grond beschikt -conform de voorwaarden die het Rijk voorschrijft in de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en in de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij - om de dieren grotendeels te kunnen voeren met de opbrengst afkomstig van de grond die tot het bedrijf behoort. De grond is in eigendom of in pacht bij het bedrijf en ligt in de omgeving van de bedrijfsgebouwen. Deze informatie dient de ondernemer verplicht bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voegen. Een dergelijke grondgebondenheidstoets is een momentopname. Dat wil zeggen dat de grond in latere jaren kan verminderen door verkoop of beëindiging van pacht, en dat daardoor het melkveebedrijf alsnog overgaat naar een niet- grondgebonden productie. Dit is niet te voorkomen. Verdere bedrijfsontwikkeling van de desbetreffende melkveehouderij is dan slechts mogelijk indien opnieuw aan de eis van grondgebondenheid wordt voldaan.
Het hanteren van de eis van de grondgebondenheid op het moment dat een melkveebedrijf uitbreidt, biedt wel de mogelijkheid om grootschalige, niet-grondgebonden ontwikkelingen te kunnen weren. Gemeentelijk beleid Algemeen agrarisch beleid Het gemeentelijke beleid inzake agrarische bedrijven is omschreven in de Visie Landelijk gebied.
37
Visie op agrarische bedrijvigheid Agrarische bedrijvigheid is een belangrijke economische functie die vanouds sterk bepalend is voor het karakter van het landelijk gebied. Het bewerken van het land in de verschillende seizoenen en de zichtbare aanwezigheid van koeien brengen een bedrijvigheid met zich mee die toont dat er sprake is van een levend landschap. Ook het onderhoud van landschapselementen zoals houtsingels, hagen en dergelijke vindt vaak plaats door agrariërs. De sector is daardoor niet alleen economisch van belang, maar draagt ook bij aan de landschappelijke en recreatieve kwaliteit van het gebied. De ontwikkeling van de agrarische sector krijgt de ruimte, waarbij het accent ligt op grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Het overgrote deel van de bedrijven is grondgebonden en vooral bij dit type bedrijven is nog groei te verwachten. Hergebruik van eventuele vrijkomende erven wordt gestimuleerd om leegstand te voorkomen en vrijkomende milieuruimte te benutten voor toekomstbedrijven.
Uit voorgaande volgen de volgende doelstellingen. 1 Agrarische bedrijvigheid koesteren vanuit economisch, landschappelijk en recreatief belang. 2 De ontwikkeling van agrarische bedrijven faciliteren om te kunnen blijven concurreren op de wereldmarkt. 3 Ruimte bieden aan schaalvergroting en verbreding van agrarische bedrijven met recreatieve of andere bedrijvigheid. 4 Intensieve veehouderij kan op de bestaande locaties groeien, mits de ruimtelijke kwaliteit, het dierenwelzijn of de volksgezondheid verbetert of minimaal gelijk blijft. 5 Kansen benutten voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven in vrijgekomen agrarische bebouwing. 6 Kansen voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. 7 Kansen voor nieuwe functies op vrijgekomen agrarische erven. 8 Milieuruimte benutten voor de groei van toekomstbedrijven, onbenutte reservering van milieuruimte bij hobbybedrijven voorkomen. 9 Kansen voor nieuwe agrarische bedrijfstypen. 10 Nieuwe uitstraling van agrarische bedrijven uitwerken in welstand.