TOELICHTING_Omgevingsplan Landelijk gebied Zutphen
Tekst van het document
5.13
Handhaving Een omgevingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar beleid in de fysieke leefomgeving vorm te geven. Door middel van een combinatie van het toewijzen van functies/ bestemmingen én het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het omgevingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden/ beschermen. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan te worden gehouden. En dit geldt ook andersom: bewoners en gebruikers mogen ook de gemeente aan het plan houden. In dit omgevingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo grootmogelijke eenduidigheid in planregels en in een
28
overzichtelijke vorm. Hoe groter de eenduidigheid (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Hoe minder knellend de regels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In voorliggend plan zijn op sommige locaties of bij sommige thema’s wel stringentere regels gesteld. Deze zijn nodig om maartwerk te kunnen leveren die passend zijn op de specifieke plek of bij het onderwerp. Ook dit leidt tot duidelijkheid in wat de mogelijkheden zijn en waar bescherming van kwaliteiten nodig is. Om in de toekomst adequaat handhavend te kunnen optreden zijn duidelijke regelingen voor duidelijke doelen noodzakelijk. De uitgangspunten van het plan moeten op een heldere en goed traceerbare wijze zijn vertaald in de juridische opzet van het plan. Van elk voorschrift moet het oorspronkelijke doel traceerbaar zijn. Door de in dit plan gemaakte keuze voor een systematische planopzet, kan op eenvoudige wijze de vertaling van toelichting naar ‘gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving’ en regels worden gevolgd. Het doel van de opgenomen regelingen is steeds duidelijk.
Handhaving binnen het kader van het omgevingsplan Na het van kracht worden van het plan moet toegezien worden op handhaving van de regels in het plan. Op grond van het huidige integrale handhavingsbeleid geldt dat in ieder geval onderstaande regelingen van belang zijn om op te handhaven. Dit heeft immers te maken met de kwaliteit van het gebied en de veiligheid en gezondheid van bewoners en/of gebruikers: gebruiksregels voor gronden en opstallen: opgetreden moet worden tegen strijdig gebruik van gronden en opstallen, zoals omschreven in de algemene en specifieke gebruiksvoorschriften voor gronden en opstallen; de bouwregels: opgetreden moet worden tegen illegale bouwwerken, dat wil zeggen bouwwerken die zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning worden gebouwd en afwijken van de bouwregels; omgevingsvergunningen: opgetreden moet worden tegen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, die omgevingsvergunningplichtig zijn maar zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd (zoals kappen van groen, roeren van gronden ten koste van archeologie en cultuurhistorie); naleven van kwaliteitsverplichtingen die bij omgevingsvergunningen worden voorgeschreven/ zijn overeengekomen (denk aan landschappelijke inpassen, uitvoeren van verplichtingen ten behoeve van flora en fauna en waterhuishouding); naleven van de regels aangaande monumenten en archeologie (erfgoed) om
de kwaliteiten in het gebied bovengronds en ondergronds te waarborgen; naleven van milieuregels om te voorkomen dat de veiligheid, leefbaarheid en gezondheid van een locatie, de bewoners en gebruikers verslechterd; naleven van de APV onderwerpen die toezien op de veiligheid van en in de openbare ruimte. De wijze waarop handhavend wordt opgetreden is vastgelegd in het handhavingsbeleid en/of de uitwerking daarvan van de gemeente Zutphen. Bij het nemen van handhavingsbesluiten wordt getoetst aan het beleid in het omgevingsplan evenals de uitgangspunten in het handhavingsbeleid.
29
Daarnaast is het van belang dat de regelingen uit het plan bekend zijn bij de bewoners en gebruikers van het landelijk gebied. Ruime publicitaire aandacht in het kader van het opstellen en vaststellen van beleid in het plan én een actieve opstelling bij vragen en opmerkingen van bewoners en gebruikers dragen daaraan bij. Actieve handhaving zorgt ervoor dat vanuit de huidige situatie (0-meting) de ontwikkelingen in het gebied goed kunnen worden gemonitord. Conform de huidige werkwijze wordt er jaarlijks gerapporteerd aan de gemeenteraad over de resultaten van uitgevoerde controles.
30
6 6.1
Juridische regeling Inleiding In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling besproken. We leggen uit hoe de regeling is opgebouwd en welke onderdelen nieuw zijn ten opzichte van de ‘oude’ bestemmingsplannen. Vervolgens maken we de regeling concreet aan de hand van een aantal voorbeeldpercelen. Ook gaan we in op de betekenis van dit plan voor de vragen die veel bij ons worden gesteld. We gaan in op de vraag of een agrariër zijn bedrijf mag uitbreiden, mag omschakelen en/of een neventak mag starten. We geven ook aan welke bouw- en gebruiksmogelijkheden u hebt bij een woning in het landelijk gebied en welke andere activiteiten u kunt starten. Daarnaast geven we een beeld van de mogelijkheden die er zijn binnen de Groene Ontwikkelingszone en welke mogelijkheden dit omgevingsplan biedt om energiemaatregelen te nemen bij uw woning of bedrijf. Wat is nieuw? De regeling van dit omgevingsplan lijkt op het eerste gezicht op de regelingen uit bestemmingsplannen die hiervoor werden opgesteld. Voor een deel is die gelijkenis er ook, immers: wat goed was, is gebleven. Toch zijn er verschillen.
Om zo flexibel mogelijk om te kunnen gaan met initiatieven van de gebruikers van het landelijk gebied zijn zo min mogelijk limitatieve opsommingen gegeven van de functies die zijn toegestaan en is vooral toegewerkt naar een regeling waarin wordt aangegeven binnen welke randvoorwaarden of in combinatie met welke aanvullende maatregelen initiatieven zijn toegestaan. Daarnaast bevat de regeling verschillende onderdelen die tot nu toe niet in een bestemmingsplan geregeld konden worden, zoals: experimenteerruimte voor private initiatieven die duurzaamheid bevorderen; doorwerking van het Gelders Plussenbeleid (ontwikkelruimte op basis van investeringen in milieu); Doorwerking van diverse gemeentelijke verordeningen; Het afwegen van aspecten die niet direct ruimtelijk relevant zijn, zoals duurzaamheid en volksgezondheid. Hoe werkt het plan? Dit omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De verbeelding en de regels zijn samen het juridisch bindende deel van het plan en kunnen niet los van elkaar worden gezien. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een functiebestemming gekregen die het bestaande gebruik weerspiegelt. Daarnaast zijn diverse gebiedsbestemmingen opgenomen die de waarden en kwaliteiten van het gebied weergeven en beschermen. Ook zijn er aanduidingen opgenomen.
Uit de regels blijkt welke betekenis die aanduidingen precies hebben. Voor de leesbaarheid van de verbeelding zijn ook diverse verklaringen opgenomen, zoals topografische gegevens en de gemeentegrens. Naast bestemmingen, aanduidingen en verklaringen komen op de verbeelding zogenaamde zones voor. Binnen deze gebiedsaanduidingen gelden aanvullende regels, bijvoorbeeld een zone ter bescherming van een molenbiotoop of ter bescherming van archeologische waarden.
31
De regels van het plan zijn ondergebracht in meerdere hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat inleidende regels met daarin de definities van begrippen die in het plan worden gebruikt, en een uitleg van hoe bepaalde maten worden gemeten. Hoofdstuk 2 t/m 8 bevat de regels in verband met de gebruiksfuncties die voorkomen in het landelijk gebied; bijvoorbeeld agrarisch, wonen, bedrijven, recreatie, etc. Per functiebestemming worden de inhoudelijke regels hier uitgeschreven. In de hoofdstukken 9 t/m 13 worden de regels weergegeven die gelden met betrekking tot de verschillende gebiedskwaliteiten (waarden) op het gebied van archeologie, cultuurhistorie, landschap, natuur en water. Hier wordt in feite aangegeven welke voorwaarden er gelden bij het toepassen van ontwikkelingsmogelijkheden uit de functiebestemmingen. Na deze hoofdstukken volgen overige regels ten aanzien van het uitvoeren van energiemaatregelen en ten aanzien van de bescherming van de diverse leidingen die zich onder het plangebied bevinden. In de hoofdstukken met algemene regels worden vervolgens algemene regels opgenomen die op alle gebruiksfuncties van toepassing zijn: bouwregels, flexibiliteitsregels, gebruiksregels en milieuregels. Ook de voorwaarden voor het krijgen van een vergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zijn hier opgenomen. Tot slot volgt het overgangsrecht dat van toepassing is.
Naast de regels in de artikelen gelden ook beleidsregels, zoals opgenomen in bijlage 2 van het omgevingsplan. Deze beleidsregels kunnen mettertijd ook veranderen. Het college van burgemeester en wethouders kunnen deze beleidsregels opstellen.
32
In het omgevingsplan worden open normen (vage regels) opgenomen, die vervolgens worden uitgelegd in een (wetsinterpreterende) beleidsregel. Functiebestemmingen Met de functiebestemmingen zijn alle gebruiksfuncties in het landelijk gebied vastgelegd, zoals de woningen, (agrarische) bedrijven, sportterreinen, recreatiegebieden etc. Elk artikel over functiebestemmingen is op dezelfde manier ingericht, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming voorkomen : 1. Bij recht – Gebruiken het gebruik dat voor deze bestemming is toegestaan; 2. Specifieke gebruiksregels gebruik dat nadrukkelijk niet, of alleen onder voorwaarden is toegestaan; 3. Bij recht – Bouwen bebouwing die voor deze bestemming mag worden opgericht; 4. Flexibiliteit – Melden bouw- of gebruiksmogelijkheden waarvoor een melding verplicht is; 5. Flexibiliteit – Afwijken bouw- of gebruiksmogelijkheden waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is; 6. Flexibiliteit – Wijzigen bouw- of gebruiksmogelijkheden waarvoor een wijziging van het omgevingsplan verplicht is. Naast de regels onder de artikelen zijn in bijlage 10, 20 en 22 beleidsregels opgenomen. Deze beleidsregels zijn ook van toepassing op sommige functiebestemmingen. Hiernaar wordt in de betreffende artikelen verwezen. Gebiedsbestemmingen De gebiedsbestemmingen vormen de ondergrond van dit plan.
Met deze bestemmingen beschermen wij de gebiedskwaliteiten van ons landelijk gebied, zoals de cultuurhistorie, archeologie, landschapskwaliteiten, natuurwaarden etc. De gebiedsbestemmingen bevatten voorwaarden voor de gebruiksmogelijkheden die in de functiebestemmingen worden geboden. Elk artikel over gebiedskwaliteiten is op dezelfde manier ingericht, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming voorkomen: 1. Bij recht - Gebruiken het medegebruik dat vanwege deze gebiedskwaliteit is toegestaan; 2. Bij recht - Bouwen bebouwing die ten behoeve van deze gebiedskwaliteit mag worden opgericht; 3. Voorwaarde bouwen conform onderliggende bestemmingen voorwaarden ter bescherming van de gebiedskwaliteit, waaraan moet worden voldaan om te mogen bouwen ten behoeve van de functiebestemming; 4. Voorwaarde flexibiliteit voorwaarden ter bescherming van de gebiedskwaliteit, waaraan moet worden voldaan om gebruik te mogen maken van de flexibiliteitsbepalingen ten behoeve van de functiebestemming;
33
5.
6.2
Overige bepalingen t.a.v. functiebestemmingen ter bescherming van de gebiedskwaliteiten kunnen allerlei voorwaarden worden opgelegd aan het gebruiken en bebouwen van de gronden ten gunste van de functiebestemmingen. Ter bescherming van de archeologische resten in de grond is bijvoorbeeld bepaald dat eerst archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd voordat u mag bouwen.
Eén perceel: één regel? We vinden het van groot belang om te vermelden dat één bestemming nooit afzonderlijk kan worden beschouwd. Als u wilt weten welke mogelijkheden u op uw perceel heeft, moet u alle bestemmingen en aanduidingen die op de verbeelding aan uw perceel zijn toegekend meenemen. U vindt deze informatie door op de verbeelding te klikken op uw eigen perceel. Hieronder ziet u twee voorbeelden: Functiebestemming: Agrarisch Functieaanduiding: Erf Gebiedsbestemmingen: Waarde – Archeologie middelhoge verwachtingswaarde Waarde – Gemeentelijk monument Waarde – Bos en landgoederen Waarde – Groene Ontwikkelingszone
Op dit perceel mag u een grondgebonden veehouderijbedrijf of een ander agrarisch bedrijf (geen bomenteelt of glastuinbouw) voeren, eventueel met een grondgebonden en/of niet-grondgebonden veehouderijtak erbij. Het gaan houden van geiten is overigens niet toegestaan. U mag ook kleine nevenactiviteiten starten binnen de aanwezige gebouwen; daarvoor dient u eerst een melding in en indien de nevenactiviteit meer ruimtebeslag vraagt dan 350 m² is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Wanneer u van functie wilt gaan veranderen houdt u rekening met milieuaspecten als geur en geluid en zorgt u ervoor dat uw ontwikkeling er niet toe leidt dat er meer stikstof neerdaalt op gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Voor dit bedrijf mag bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning aanwezig zijn. Inwoning in de bedrijfswoning is toegestaan en daarnaast kunt u in de bedrijfswoning bijvoorbeeld een beroep aan huis starten. Hiervoor geldt een maximale oppervlaktemaat van 50 m². De bestaande bebouwing staat binnen de aanduiding ‘erf’. Wanneer u wilt gaan bouwen, verbouwen, of uitbreiden, houdt u rekening met de regels die hiervoor op uw perceel gelden.
Vanuit de functiebestemming is bepaald dat gebouwen moeten voldoen aan maximale maten, zoals een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van 12 meter voor bedrijfsgebouwen en een goothoogte en bouwhoogte voor uw bedrijfswoning van maximaal 4,5 meter en 10 meter. De bebouwing voldoet aan de redelijke eisen van welstand en wordt, als die zichtbaar is vanaf de openbare weg, onderworpen aan een reguliere toetsing. Daarnaast zorgt u ervoor dat door het bouwen de watersituatie van uw perceel niet verslechtert (hydrologisch neutraal bouwen) en zorgt
34
u voor voldoende parkeerruimte. Mocht het nodig zijn dat u uw uitweg verandert, dan zorgt u ervoor dat de verkeerssituatie veilig blijft en dat het uiterlijk en de aanwezige groenvoorzieningen niet geschaad worden. Naast de functiebestemming gelden er meerdere gebiedsbestemmingen op uw perceel. U bevindt zich in het landschapstype 'Bos en landgoederen'. Wanneer u wilt gaan bouwen dient u bij ons een erfinrichtingsplan in, waaruit blijkt dat de bebouwing bijdraagt aan het gebiedsDNA (in dit geval: het erf inpassen in bos, boomsingels, houtwallen of bosstroken). Versterking van het landschap vragen wij als een omgevingsvergunning of wijzigingsplan nodig is. Vanwege de middelhoge archeologische verwachtingswaarde mag u bijvoorbeeld niet zomaar ingrepen in de bodem doen (bouwen, afgraven, etc.) met een oppervlakte van meer dan 500 m²: er moet eerst een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Op uw perceel bevindt zich een gemeentelijk monument. Dit monument mag u niet zomaar afbreken of ontsieren. Er is eerst een oordeel nodig van de Commissie ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie. Uw perceel ligt bovendien in de Groene Ontwikkelingszone. Wanneer u iets kleinschaligs wilt ontwikkelen op uw perceel (zoals een extra bijgebouw of een nevenactiviteit), zorgt u ervoor dat de kernkwaliteiten van het gebied rondom uw perceel worden versterkt.
Naast de functie- en gebiedsbestemmingen gelden er algemene regels. Er zijn bijvoorbeeld algemene regels om duurzaamheid te stimuleren; zonnepanelen mogen vergunningsvrij op het dak worden geplaatst en kleine windturbines op het dak zijn toegestaan. Ook zijn er algemene regels om de belangen en waardes in uw omgeving te beschermen: bij initiatieven waarvoor een afwijking van het omgevingsplan nodig is, wordt altijd een algemene belangenafweging gemaakt. U mag met zulke initiatieven geen onevenredige aantasting veroorzaken van de veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, van functies in de omgeving, of van de belangen van bewoners en gebruikers van omliggende gronden. Functiebestemming: Wonen Gebiedsbestemmingen: Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde Waarde – Broeklanden aanduiding: maximum bebouwingspercentage 50%
Op dit perceel mag u wonen in de aanwezige woning. Hierbij mag ook sprake zijn van inwoning. In totaal mag 50% van uw perceel bebouwd zijn. U mag binnen de bestaande bebouwing op een oppervlakte van 50 m² een bedrijf aan huis hebben, zolang dit valt onder de definities van een aan huis verbonden beroep dan wel een consumentverzorgende bedrijfsactiviteit. Vanwege de hoge archeologische verwachtingswaarde mag u niet zomaar ingrepen in de bodem doen (bouwen, afgraven, etc.) met een oppervlakte van meer dan 50 m²: er moet eerst een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Op uw perceel bevindt zich een waardevolle boom, die wij willen beschermen. Deze boom mag niet zonder vergunning geveld worden. Uw perceel be-
35
vindt zich in het landschapstype 'Broeklanden'. Voordat u gaat bouwen dient u bij ons een erfinrichtingsplan in, waaruit blijkt dat de bebouwing bijdraagt aan het gebiedsDNA (in dit geval: bebouwing parallel aan of loodrecht op de weg, voorgevel woning zichtbaar vanaf de weg, bomenrij langs erf als windscherm). Beschikt u over een elektrische auto? Dan mag u daarvoor een oplaadpaal plaatsen, ook aan de openbare weg. Dit laatste kunt u vinden in artikel 93 van de regels behorende bij voorliggend omgevingsplan. Wonen in het landelijk gebied betekent dat u uw omgeving deelt met agrariërs en enkele andere bedrijven. In het omgevingsplan hebben wij diverse milieuregels opgenomen, die er samen voor zorgen dat u zich in een zo gezond, veilig en prettig mogelijke leefomgeving bevindt. U bent bijvoorbeeld beschermd tegen een onevenredige overlast door lawaai, geur en stof vanaf deze bedrijven.
6.3
De regels in de praktijk In deze paragraaf maken we die werking van de regels nog eens extra duidelijk aan de hand van praktijkvoorbeelden. We behandelen de zes meest gestelde vragen voor ontwikkelingsmogelijkheden die bij ons binnenkomen. De antwoorden die hieronder worden gegeven zijn niet op een specifieke situatie van toepassing, ze moeten meer algemeen worden gezien. Per perceel verschillen immers de onderliggende gebiedsbestemmingen, die sterk medebepalend zijn voor de mogelijkheden die u heeft.
6.3.1
Mag ik mijn agrarisch bedrijf uitbreiden? Ja, dat mag. In delen van ons landelijk gebied zijn de agrarische bedrijven bepalend voor het landschap en de economische vitaliteit. Wij staan dan ook positief tegenover uitbreiding van agrarische bedrijven, mits deze uitbreiding voldoet aan enkele randvoorwaarden op het gebied van natuur en landschap. Het uitbreiden van bebouwing Wij willen agrarische ondernemingen niet op voorhand beperken in hun ontwikkelingsmogelijkheden en we gaan ervan uit dat de agrariër zelf het beste weet hoe hij of zij het erf zo functioneel en efficiënt mogelijk inricht. Daarom komen de bouwvlakken, waarbinnen voorheen alle bebouwing moest worden gebouwd, niet terug in dit omgevingsplan. In het omgevingsplan hebben we een aanduiding ‘erf’ opgenomen ter plaatse van de huidige bebouwing van agrarische bedrijven. Als binnen die aanduiding geen reële mogelijkheden meer bestaan voor nieuwe bebouwing, mogen de erfgrenzen worden overschreden. Zoals omschreven in onze visie willen wij dat in combinatie met elke ontwikkeling een verbetering (of op zijn minst behoud) plaatsvindt van de aanwezige waarden (bijvoorbeeld landschappelijke waarden, of natuurwaarden). Daarom zijn er voorwaarden gekoppeld aan het overschrijden van de erfgrenzen.
36
Deze voorwaarden verschillen per type agrarisch bedrijf en per locatie. 1. (melk)rundveehouderijen hebben een grondgebruiksplan nodig dat aantoont dat de uitbreiding van de bebouwing nodig is; 2. een niet-grondgebonden veehouderij of veehouderijtak met de aanduiding ‘plus2 senbeleid’ mag eens in de vijf jaar 500 m uitbreiden zonder extra maatregelen te nemen. Wordt er meer uitgebreid, dan moet ook worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Hiervoor hebben we de beleidsregel Plussenbeleid opgesteld. 3. een niet-grondgebonden veehouderij met de aanduiding ‘ammoniakbuffergebied’ mag met zijn uitbreiding geen toename van de emissie van ammoniak op die locatie veroorzaken. Het uitbreiden van het aantal dieren Het aantal dieren op een agrarisch bedrijf mag worden uitgebreid, maar alleen als dit niet in strijd is met de specifieke gebruiksregels over de stikstofdepositie. Deze regels hebben te maken met de natuurwaarden in het landelijk gebied en de omgeving. In Natura 2000-gebieden bevinden zich soorten en habitats (leefgebieden) die gevoelig zijn voor stikstof en die daartegen worden beschermd. Ontwikkelingen op agrarische bedrijven mogen daarom niet leiden tot het neerslaan van stikstof op deze soorten en habitats. Voor elk agrarisch bedrijf in het landelijk gebied is de bestaande stikstofuitstoot bepaald. Dit overzicht is hier terug te vinden. 6.3.2
Mag ik omschakelen van agrarisch bedrijf of een neventak starten? Ja, dat mag. Wij willen agrariërs zoveel mogelijk ruimte bieden om een gezond bedrijf te kunnen voeren, ook als dit betekent dat er helemaal of deels wordt omgeschakeld naar een andere agrarische bedrijfsvorm. Deze ruimte kunnen we bieden zolang het past bij ons streven om de waarden en kwaliteiten van het landelijk gebied te behouden en verbeteren. Aan het omschakelen naar een andere vorm van agrarisch bedrijf of het starten van een neventak zijn dus voorwaarden gekoppeld, gericht op de natuurwaarden en het landschap in het landelijk gebied: omschakelen naar een (ander) niet-grondgebonden veehouderijbedrijf mag alleen ter plaatse van een bestaande niet-grondgebonden veehouderij; een niet-grondgebonden veehouderijtak mag overal worden gestart. In het Ammoniakbuffergebied mag alleen de uitstoot van ammoniak niet toenemen. bomenteelt en imkerij zijn alleen op de bestaande plekken toegestaan; glastuinbouw en nieuwe geitenhouderij zijn niet toegestaan; omschakeling en het starten van een neventak is alleen mogelijk als de stikstofuitstoot op beschermde soorten en habitats gelijk blijft of kleiner wordt.
Een ontwikkeling die optimaal aansluit bij onze visie en bij dit plan is de omschakeling van 'normale' agrarische bedrijfsvoering naar biologische bedrijfsvoering, waarbij als nevenactiviteit voorlichting over biologische bedrijfsvoering aan bezoekers wordt gegeven en kleinschalig enkele biologische streekproducten worden verkocht.
37
6.3.3
Wat mag ik extra aan bebouwing realiseren bij mijn woning? We willen dat iedere bewoner van het landelijk gebied zoveel mogelijk woongenot er3 vaart. Daarom hebben we de inhoudsmaat van woningen vergroot naar 750 m bo2 vengronds en is per woning 150 m aan bijgebouwen toegestaan. Als er al meer dan 2 150 m aan bijgebouwen aanwezig is, mag dit ook weer worden herbouwd (tot een 2 maximum van 250 m ). We willen aan de ene kant zo flexibel mogelijk omgaan met wensen om de bebouwing bij een woning uit te breiden. Aan de andere kant streven we natuurlijk ook naar het verbeteren (en op zijn minst behouden) van de natuur- en landschapswaarden in het landelijk gebied. Een ontwikkeling die optimaal past binnen beide uitgangspunten is de sloop van oude, landschapsontsierende bedrijfsbebouwing in ruil voor de herbouw van bijgebouwen en overkappingen die wel binnen het landschap passen en waarbij in een passende erfinrichting wordt geïnvesteerd. Het landschap wint en de bewoner wint, want hij of zij 2 mag in zo’n situatie tot wel 375 m aan bijgebouwen en overkappingen realiseren. Aan het uitbreiden van de bebouwing bij woningen zijn dus voorwaarden gekoppeld, zodat de uitbreiding leidt tot een landschappelijke verbetering. In hoofdstuk 11 van de regels is per landschapstype bepaald wat de landschappelijke waarden zijn.
Wie zijn bebouwing wil uitbreiden moet aantonen dat die uitbreiding aansluit bij de landschappelijke waarden die op die locatie aanwezig zijn. Deze waarden zijn vastgelegd als ‘gebiedsDNA’ in de Visie Landelijk gebied Zutphen. Beekdal gebouwen gekoppeld aan weg (parallel/haaks) vierkante of rechthoekige vorm erf afstand tussen erven groene erven, besloten door windsingels, hakhoutbosjes, hagen siertuin aan voorzijde erf Bos en landgoederen kleine erven erven langs de bossen en in open plekken erven inpassen in bos boomsingels, houtwallen en bosstroken Broeklanden grote kavel met rechthoekige vorm erf bebouwing parallel aan of loodrecht op de weg voorgevel woning zichtbaar vanaf de weg hagen, siertuin en/of moestuin aan voorzijde erf geen omkadering, maar stroken beplanting langs of op het erf bomenrij langs erf als windscherm.
38
Kampen en essen onregelmatige vorm erf: afzonderlijke bouwmassa’s in een losse setting open inrichting achterzijde erf: relatie met achterliggende agrarische gronden achterzijde erf windsingels en hakhoutbosjes voorgevel zichtbaar vanaf de weg hagen, sier- en moestuin, boomgaard en/of solitaire bomen aan voorzijde erf Kronkelwaarden erf is regelmatig van vorm grootschalige bebouwing in strak stramien, in lengterichting harde grens tussen erf en landschap: hoge dichte beplanting zijkant erf voorgevel zichtbaar vanaf de weg, hagen aan voorzijde erf beplanting aan windzijde voor beschutting Oeverwal en rivierduin erf is onregelmatig van vorm: diversiteit in situering en bebouwingsrichting erf is besloten en omsloten, achterzijde en windzijde met hoge dichte beplanting grens tussen landschap en erf is diffuus voorgevel zichtbaar vanaf de weg, hagen aan voorzijde erf aanplant boomgaarden bij erf. Uiterwaarden Voor de woningen in de uiterwaarden geldt tevens de bestemming 'Waterstaat Waterstaatskundige functie'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het opvangen van hoog water. Daarom mag hier alleen de bestaande bebouwing aanwezig zijn. 6.3.4
Mag ik een bedrijfsactiviteit starten en wat mag ik daarvoor bouwen? Wij kunnen ons voorstellen dat bewoners van het landelijk gebied commerciële activiteiten willen ontplooien. Veel van deze activiteiten zijn kleinschalig en hebben geen impact op de omgeving. We hebben het dan over aan huis verbonden beroepen en consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten die als eenmanszaak worden uitgeoefend. Een precieze definitie van deze begrippen staat in de regels. Deze activiteiten zijn 2 zonder verdere voorwaarden toegestaan binnen maximaal 50 m van de bestaande gebouwen bij een woning of bedrijfswoning. Ook voor bedrijfsactiviteiten die groter zijn dan de aan huis verbonden beroepen bieden we mogelijkheden in dit omgevingsplan. Voor bedrijfsactiviteiten die niet meer ruimte nodig hebben dan 100 m² van de bestaande bebouwing bestaat de mogelijkheid een melding te doen. De melding kan worden gedaan bij het landelijk omgevingsloket. Bij deze melding geeft de initiatiefnemer aan wat de bedrijfsactiviteit precies inhoudt, op basis van vragen die vanuit het digitale loket worden gesteld. Hierbij moet de initiatiefnemer ook duidelijk maken dat zorgvuldig overleg is gevoerd met de omgeving. Binnen zes weken ontvangt u een bewijs van ontvangst van het College van burgemeester en wethouders. Deze procedure is uitgeschreven in bijlage 22 “beleidsregel procedure melding”.
Bij agrarische bedrijven kunnen ook nevenactiviteiten met een oppervlakte van meer dan 350 m² worden gerealiseerd. In dat geval kan niet worden volstaan met een mel-
39
ding, maar moet een vergunning worden aangevraagd. Wij beoordelen in het kader van deze vergunning onder andere of de bedrijfsactiviteit de omgeving niet te veel belast door bijvoorbeeld geur- of geluidsoverlast, verkeershinder, risico's in verband met gevaarlijke stoffen, etc. Hiervoor hebben we milieuregels vastgesteld. Als u een bedrijf(je) heeft in het landelijk gebied denkt u er wellicht ook over om op uw eigen perceel reclame-uitingen te plaatsen. Voorheen werd dit getoetst aan de Algemene Plaatselijke Verordening. In dit omgevingsplan zijn regels uit de APV overgenomen. 6.3.5
Mijn perceel ligt in de Groene Ontwikkelingszone, welke mogelijkheden heb ik dan? In de Groene Ontwikkelingszone bestaan veelal dezelfde bouw- en gebruiksmogelijkheden als erbuiten, maar is er speciaal aandacht voor de bescherming van natuurwaarden en voor de mogelijkheden om de aanwezige en potentiële natuurwaarden te versterken. Een van de doelen van ons omgevingsplan is immers het verdiepen en verbreden van de aanwezige natuurwaarden in het landelijk gebied. De provincie Gelderland heeft vastgelegd waar de bestaande natuur (het Gelders Natuurnetwerk) zich bevindt en waar verbindingszones (Groene Ontwikkelingszone) gewenst zijn. Bij kleinschalige ontwikkelingen (uitbreiding tot 30%) waarvoor een melding of vergunning, of zelfs een wijziging van het omgevingsplan nodig is, gelden altijd de volgende regels: de kernkwaliteiten die op de betreffende locatie gelden, moeten substantieel worden versterkt; deze versterking wordt planologisch geborgd. Grootschalige ontwikkelingen die een grotere bijdrage aan de economische situatie van het landelijk gebied leveren kunnen gewenst zijn. In de Groene Ontwikkelingszone speelt echter niet alleen het economisch belang, maar ook het belang van de aanwezige en potentiële natuurwaarden. Een ontwikkeling mag niet leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten van het gebied.
Als die aantasting niet te voorkomen is, moet er op andere manieren in de natuur worden geïnvesteerd: er moeten mitigerende maatregelen worden genomen om aantasting zoveel mogelijk te beperken en er moet een compensatieplan worden opgesteld. Compensatie voor aantasting wordt zo dicht mogelijk bij de ontwikkelingslocatie gerealiseerd, op gronden die nu nog geen natuurbestemming hebben en die in of naast de dubbelbestemming ‘Waarde – GO’ of ‘Waarde – GNN’ liggen. Hoe groot de compensatie moet zijn hangt af van de grootte van de aantasting en van de ontwikkeltijd van de natuur die als compensatie wordt gerealiseerd. Hoe langer het duurt voordat de natuur kan worden hersteld, des te omvangrijker zal de compensatie moeten zijn.
6.3.6
Welke energiemaatregelen kan ik toepassen: Wij willen met dit omgevingsplan mogelijkheden bieden aan de bewoners en bedrijven in het landelijk gebied om energiemaatregelen te nemen. Tegelijkertijd willen we voorkomen dat hierdoor het landschap onevenredig wordt aangetast.
40
Op daken van gebouwen mogen zonder vergunning zonnepanelen worden geplaatst. Een vergunning is noodzakelijk als een gebouw een monument is, of in een beschermd stads- of dorpsgezicht ligt.
Tiphoogte (200 m)
ashoogte
rotordiameter
Toegestane tiphoogte Zutphen (25 m)
6.4
Windturbines tot een tiphoogte van 25 meter zijn gangbaar als middel om te voldoen in de eigen energiebehoefte. In veel bestemmingen in het landelijk gebied zijn daarom windturbines toegestaan met een tiphoogte van maximaal 25 m. In het milieueffectrapport wordt onderzocht of het wenselijk is om zonnevelden (velden met zonnepanelen) toe te staan en welke andere energiemaatregelen passend kunnen zijn. Het omgevingsplan biedt naast windturbines ook de mogelijkheid voor een klein zonneveld tot maximaal 5 hectare. Voor het aanleggen van een zonneveld gelden voorwaarden, zoals bijvoorbeeld landschappelijke inpassing. Op gebouwen zijn onder voorwaarden windturbines toegestaan, tot maximaal 1 meter hoger dan de maximale bouwhoogte die ter plaatse geldt.
Hoe gaat het proces in het stadhuis? Op het moment dat er een verzoek komt voor een omgevingsvergunning wordt dit door het team van plantoetsers opgepakt. Zij toetsen het initiatief aan de integrale regels van het omgevingsplan. Als aan de voorwaarden wordt voldaan wordt de vergunning verleend. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt met de aanvrager overleg gevoerd om te kijken waar de strijdigheid zit en wat voor oplossing mogelijk is. Deze oplossing kan liggen in het iets aanpassen van de aanvraag/ het initiatief óf kijken waar de mogelijkheden binnen (afwijken van) de regels liggen. Belangrijkste is dat dit met de aanvrager samen wordt gedaan. Op het moment dat er een verzoek wordt ingediend om het plan te wijzigen (wijzigingsplan of herziening) wordt dit door het team RED opgepakt. Er is immers sprake van een beleidskeuze. Ook hier wordt gekeken naar de integrale regels van het omgevingsplan in combinatie met de Visie Landelijk gebied. Wat hierbij extra speelt is de algemene belangenafweging en de toetsing aan de milieuregels. Dit wordt met verschillende teams binnen het stadhuis samen besproken en beoordeeld. Het gaat immers om de goede ruimtelijke en economische ontwikkelingen in de context (gebiedswaarden) van het gebied. Over het algemeen kan gesteld worden dat de volgende disciplines nodig zijn voor het bespreken van een beleidsvraag in het lande-
41
lijk gebied: landschap en natuur, cultuurhistorie en archeologie, ruimte, economie, duurzaamheid (energieneutraliteit), water, verkeer, omgevingsdienst. Meestal komt uit een dergelijk overleg input voor het aanscherpen van de aanvraag. In overleg met de initiatiefnemer wordt dit besproken. Belangrijk is namelijk dat in samenspraak de goede dingen gebeuren: een initiatiefnemer wil een ontwikkeling én de gemeente wil een versterking van de gebiedskwaliteiten en wil beleidsdoelen realiseren waaraan ook particuliere initiatieven bijdragen (energieneutraliteit, natuur inclusief bouwen, hydrologisch neutraal bouwen, ruimtelijke kwaliteit). Als uiteindelijk het initiatief definitievere vormen heeft kan beoordeeld worden hoe het plan het beste met de omgeving gedeeld kan worden en hoe het uiteindelijk gerealiseerd kan worden. Een initiatief kan met een omgevingsvergunning worden gerealiseerd, of met een wijzigingsplan, of buiten het omgevingsplan om geregeld worden.
42
7
Nieuwe ontwikkelingen Tijdens het opstellen van het omgevingsplan zijn verschillende constateringen gedaan die gaan over het beleid. Veel beleid ligt er en past bij elkaar en werkt naast elkaar. Er zijn geen tegenstrijdigheden gevonden. Wat wel opvalt is dat veel beleid op hoofdlijnen is. Het is niet heel concreet en het is niet heel duidelijk hoe je dat in planregels kan vatten. Vaak is meer detailinformatie nodig om een goede afweging te maken en een planregel vorm te geven. Als deze details duidelijk zijn, kunnen ook regels gemakkelijker worden losgelaten. Hier ligt een duidelijke relatie met de wens om gebiedskwaliteiten minimaal te handhaven, mogelijk te versterken en liefst te verdiepen. Dit kan alleen als je heel goed weet in welk gebied welke kwaliteit een versterkingsslag of verdiepingsslag nodig heeft. En dus waar de kansen liggen. Dit speelt bij de volgende onderwerpen/ eigen themalagen in het omgevingsplan: Natuur: in de gebiedskwaliteit natuur wordt nu alleen GNN en GO (op grond van het provinciaal beleid) geregeld. Hierin ligt een opgave om per gebied de natuurkwaliteiten en -opgaven inzichtelijk te maken. Als deze kennis inzichtelijk is, is het makkelijker een verantwoorde planregel te maken.
Voor het onderwerp is nader onderzoek nodig om aan te kunnen geven in welke gebieden voor welke doelsoorten een inspanning nodig is die bij nieuwe ontwikkelingen een plek kan krijgen (natuur-inclusief bouwen). Bij dit onderwerp is de gemeente bezig met een plan voor biodiversiteit en een actualisatie van het bomenbeleid. Zodra dit voldoende is uitgewerkt naar planregels kan dit onderwerp worden geactualiseerd in voorliggend plan. Cultuurhistorie: Een gebiedskwaliteit die veel zegt over de ontstaansgeschiedenis van een gebied. Daar ligt direct een relatie met beleving van een gebied en de ruimtelijke kwaliteit. Vaak zijn het nog herkenbare structuren in het landschap, beplantingselementen, reliëf die iets zeggen over de ontstaansgeschiedenis en de waardering van een gebied. Door deze structuren inzichtelijk te maken is een beschermende regeling voor bijvoorbeeld landschapselementen ook beter te motiveren. Voor dit onderwerp is de cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Er moet nog een verdiepingsslag worden gemaakt om op die manier, de informatie met een beleidslijn te vertalen in het omgevingsplan. Water: voor water staat er de komende jaren ook een opgave te wachten. Denk aan klimaatadaptatie, waterveiligheid, droogte, natte voeten. Daarnaast wordt het verplicht om onder de Omgevingswet de legger van de Waterschappen op te nemen in omgevingsplannen.
Daar verschuift een bevoegdheid van het Waterschap naar de gemeente. Ook voor water geldt: hoe beter de details en kennis van de gebieden in beeld is, hoe makkelijker regels kunnen worden gespecificeerd naar gebieden. Details inzichtelijk maken betekent duidelijkheid geven over welke maatregelen/ activiteiten waar zonder vergunning kunnen. De Waterschappen denken ook na over de nu verplichte watertoets (conform Besluit ruimtelijke ordening) en hoe dat vorm kan krijgen onder de omgevingsplannen. Energietransitie: De RES (Regionale Energie Strategie) is een strategie waarin de regio aangeeft hoeveel (het bod) en hoe (strategie) duurzame opwek wordt vormgegeven met maatschappelijke betrokkenheid. Dit is een lopend proces. Het accent ligt in de RES op strategievorming en het aangaan van een inspanningsver-
43
plichting tussen de verschillende partijen. De RES gaat over de langere termijn. De RES is nadrukkelijk geen plan of uitwerking op projectniveau. De RES heeft geen juridische status en heeft geen externe rechtsgevolgen. Ook is de RES niet te kwalificeren als beleid (in de zin van de Algemene wet bestuursrecht). Er ligt straks wel een ontwikkelagenda en een ruimtelijke verkenning voor zon en wind die lokaal vastgesteld wordt. De RES is een inspanningsverplichting. Bij de inspanningsverplichting spannen gemeenten zich in om het beoogde resultaat te halen. Dat is niet vrijblijvend. Er ligt een verplichting tot een (uiterste) inspanning (Urgendauitspraak) de RES te realiseren via in het omgevingsbeleid. De RES is daar een belangrijke bouwsteen voor. Die bouwsteen wordt lokaal integraal meegenomen en afgewogen met andere ruimtelijke opgaven. De RES is daarmee een sectorale strategie. Het geeft inzicht in hoe we kijken naar duurzame opwek in de Cleantech Regio. Het is wel van belang te beseffen dat daarover een integrale afweging met andere opgaven moet worden gemaakt. Behalve de energietransitie, komen namelijk ook andere opgaven op gang. De RES gaat over een strategie om op grote schaal hernieuwbare energie (zon en wind) op te wekken. In de RES worden zoekgebieden aangewezen die op lokaal niveau een verdiepingsslag nodig hebben.
Zodra er duidelijkheid is over het lokale programma en de mogelijkheden kan dit met een eigenstandig (gebieds)proces vorm worden gegeven en op een later moment concreet worden geregeld via het instrumentarium van de Omgevingswet. Gasloos bouwen is recent verplicht geworden bij alle nieuwbouwplannen. Apv in relatie tot de fysieke leefomgeving en handhaving: onderwerpen die in de APV zijn opgenomen raken voor een groot deel de fysieke leefomgeving. Voor een heel aantal onderwerpen in de APV ligt de bevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouder. Dit zijn dan ook onderwerpen voor in het omgevingsplan. Het is zo dat een heel aantal van deze onderwerpen ook gedragsregels zijn waarop de bevoegdheid tot handhaven is belegd bij de toezichthouders van het team Veiligheid. Voordeel van deze constructie is dat zij op basis van een feitenboekje overtredingen van de APV kunnen beboeten. Op het moment dat deze regelingen worden opgenomen in het omgevingsplan geldt het bestuursrechtelijke spoor van de handhaving welke niet een snel optreden kent zoals nu geregeld. Een aantal onderwerpen uit de APV zijn als proeve nu opgenomen in het omgevingsplan. Een groot deel van de onderwerpen niet. Met de invoering van de Omgevingswet wordt bezien hoe deze onderwerpen (met een landelijke handreiking) een plek krijgen in de omgevingsplannen.
Om richting de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overzichtelijke set regels te hebben (en dus duidelijkheid), is de APV gesplitst naar een APV deel en een Verordening voor de fysieke leefomgeving. De regels in dit plan zijn hierop aangepast. Het is voor dit moment niet mogelijk om al deze bovenstaande onderwerpen uit te diepen en op orde te brengen binnen de tijdsplanning van het Omgevingsplan Landelijk Gebied. De onderwerpen zijn hier wel benoemd, en vragen nadere uitwerking. Op het moment dat ook deze onderwerpen onderzocht zijn, er beleid aan is gekoppeld en vertaald zijn naar planregels is het Omgevingsplan met alle themalagen gevuld.
44
8 8.1
Procedure Enquête Als eerste stap in het verzamelen van de informatie voor het omgevingsplan Landelijk Gebied is in november 2016 aan elk adres in het plangebied een enquête gezonden. Doel van de enquêtes was om inzicht te krijgen in de huidige situatie per adres, waardering van de woon- en werkomgeving en het ophalen van toekomstwensen. Er zijn ca 400 enquêtes uitgegaan en er zijn 148 ingevulde enquêteformulieren terug ontvangen. Deze input heeft veel inzicht gegeven in de werking van het gebied en de wensen voor de toekomst. Ook is duidelijk geworden hoe het gebied wordt gewaardeerd. Naar aanleiding van het toezenden van de enquêtes en het terugontvangen van de formulieren hebben ook diverse gesprekken in het gebied plaatsgevonden. Dit alles naar aanleiding van wensen, ideeën, vragen die spelen bij inwoners en ondernemers. Dit heeft geleid tot het goede gesprek in het gebied zelf en meer toegankelijkheid.
8.2
Milieueffectrapportage De commissie voor de MER is in het voortraject betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan. Aan de commissie is gevraagd om advies uit te brengen over de notitie reikwijdte en detailniveau. Het MER bij een omgevingsplan kan voorstellen doen voor kaders, waarbinnen ontwikkelingen mogelijk zijn die in principe op gespannen voet staan met de bescherming van milieu en leefomgeving. Het advies van de commissie richt zich voornamelijk op de onderzoeksmethodiek. De MER moet voor het omgevingsplan de volgende punten inzichtelijk maken: in hoeverre de doelen en ambities uit de Visie Landelijk Gebied Zutphen worden behaald; in hoeverre bestaande knelpunten in de omgevingskwaliteit worden opgelost; waar het omgevingsplan kan leiden tot knelpunten in de omgevingskwaliteit; op welke aspecten monitoring nodig is. Op 25 juli 2019 heeft de commissie voor de m.e.r. een toetsingsadvies uitgebracht over het opgestelde concept MER (milieueffectrapport) behorend bij het voorontwerp omgevingsplan Landelijk gebied. In het advies spreekt de commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER. Het advies heeft geleid tot het wijzigen van het MER. Het volledige advies is in de bijlage van het MER opgenomen. Inmiddels is de MER opgesteld en kunnen bovenstaande punten beantwoord worden.
De milieubeoordeling in de MER heeft laten zien dat een toekomstige ontwikkeling in de richting van geen van de vijf geschetste scenario’s wenselijk is. Al deze scenario’s (die natuurlijk een theoretisch karakter hebben) zouden leiden tot negatieve en onwenselijke milieueffecten op het landelijk gebied. Het MER is hiermee een belangrijke aanleiding om op zoek te gaan naar een goede mix van functies in het landelijk gebied. Dit is voor het goede functioneren van het landelijk gebied noodzakelijk. Er moet dus een evenwicht gevonden worden tussen het enerzijds ruimte bieden aan de ont-
45
wikkeling van functies en anderzijds het beschermen van de bestaande waarden (landschap, natuur, cultuurhistorie, etc.). In bepaalde gebieden moeten andere doelen prevaleren dan andere. Monitoren van de ontwikkelingen in het gebied is hierbij nodig.
8.3
Participatie Het opgestelde werkdocument (al het van toepassing zijnde beleid met daarbij de keuzes voor de planregels) is besproken met de (wettelijk verplichte) vooroverlegpartners/ samenwerkingspartners en met verschillende belangenbehartigers in het gebied. De gesprekken met de vooroverlegpartners is één op één gedaan in het najaar van 2017. In de gesprekken is de pilot uitgelegd en zijn de belangen doorgesproken. Niet alleen is gesproken over de inhoud, maar ook over de samenwerking die onder de Omgevingswet alleen maar meer wordt. En denkt iedere partij na over welke rol hij krijgt onder de Omgevingswet. De eerste proeve was een mooie aanzet om met elkaar het gesprek te voeren. In het gesprek met de provincie ging het met name om de onderwerpen: natuur, landschap, agrarische sector (plussenbeleid praktisch maken vanwege 4 bedrijven), gebiedsgerichte benadering en lokale keuzes kan haaks staan op regionale samenwerking. In het gesprek met de Waterschappen Rijn en IJssel en Vallei en Veluwe ging het vooral over de wateropgave, klimaatadaptatie en hoe in de toekomst de watertoets een plek krijgt (gebiedsgericht, maatwerk). In het gesprek met de GGD is geconstateerd dat gezondheid een rode draad is. Gezondheid zit niet alleen in milieuaspecten als geluid en lucht. Maar ook in bijvoorbeeld beleving, nabijheid van groen, natuur, mogelijkheid tot bewegen.
Wat nu lastig is, is dat er voor gezondheid veel wensen en ideeën zijn, maar dat deze nog niet dusdanig zijn verankerd dat het regels in een omgevingsplan kunnen worden. Daarom is het voor nu van belang de GGD wel in de visievorming mee te nemen in het stedelijk gebied. In het gesprek met Natuurmonumenten is met name gesproken over de gebiedskwaliteiten van natuur en landschap. Bij Natuurmonumenten, Gelders Landschap ligt veel lokale kennis. Per terrein is een beheersplan waarin de kwaliteit van het terrein is aangegeven. Als vraag is naar voren gekomen: kan de gemeente het omgevingsvergunningenstelsel voor het aanleggen en uitvoeren van werken loslaten in gebieden als daar beheersplannen onderliggen? Op die manier kunnen organisaties sneller werken. Als dit kan dan is regulier overleg wel noodzakelijk om met elkaar de vinger aan de pols te houden. Aan de belangenverenigingen hebben we op 30 november 2017 uitgelegd dat de Omgevingswet er aan komt en wat dit inhoudt. Daarbij is uitgelegd wat het omgevingsplan inhoudt en wat de stand van zaken is. Ook is in die bijeenkomst gesproken over de wijze van betrekken van de belangenverenigingen en de interactie in het proces. Daarbij is uitgelegd dat onder de nieuwe Omgevingswet ieders rol anders wordt en we elkaar veel meer nodig hebben ten aanzien van ieders kennis en kunde.
Bij de bijeenkomst waren: Vogelwerkgroep, Dorpsraad Warnsveld, Gelders Particulier Grondbezit, Wijkteam Noordveen, LTO, GGD, Bomenstichting, STUIT Belangenbe-
46
hartiging. Ook waren uitgenodigd: Stichting Achterhoek Toerisme, RECRON en Staatsbosbeheer. Met de gemeenteraad is op 9 oktober 2017 gesproken over de rol van de gemeenteraad en het college (en de ambtelijke organisatie). “Loslaten in vertrouwen” is een term die bij de Omgevingswet hoort. De raad moet dan ook keuzes maken. Waar wil de raad zeggenschap over hebben en houden en wat wordt overgedragen/ losgelaten aan college en samenleving? Waar zit dan de ruimte en wat beschermen we? Aan de hand van stellingen is hierover van gedachten gewisseld. Ook is gesproken over de houding van de gemeenteraad, het college en de ambtelijke organisatie: van Weren naar Stimuleren van Vinken naar Vonken van Sturen naar Dienen van Zorgen voor naar Zorgen dat Om dit voor elkaar te krijgen is vroegtijdig overleg noodzakelijk. Alle kennis en kunde komt vroeg op tafel wat de kwaliteit vergroot van de besluitvorming en het proces. Op 11 juni 2019 is een inloopmoment georganiseerd. Alle adressen in het plangebied hebben huis-aan-huis bericht ontvangen. Andere belangstellenden zijn via digitale kanalen en het huis-aan-huisblad op de hoogte gesteld van dit moment. Op de middag en avond zijn in totaal 110 bezoekers geweest. Deze bezoekers hebben informatie opgehaald en gebracht.
8.4
Voorontwerp Het college van burgemeester en wethouders heeft in zijn vergadering van 28 mei 2019 besloten om het omgevingsplan van 6 juni 2019 tot en met 17 juli 2019 ter inzage te leggen voor belangstellenden. Tijdens de termijn van terinzagelegging kon iedereen een reactie geven op het omgevingsplan. Na afloop van de termijn van terinzagelegging zijn de reacties bekeken en beoordeeld, die binnen de termijn zijn binnengekomen. Er zijn 8 vooroverlegreacties ontvangen van de vooroverlegpartners en 45 inspraakreacties ontvangen. Ook de commissie voor de m.e.r. heeft een advies gegeven op het concept planMER. Alle vooroverlegreacties en inspraakreacties zijn in een separate nota samengevat en beantwoord. Op het advies van de commissie voor de m.e.r. is een aparte notitie geschreven. Op een aantal onderdelen hebben de reacties geleid tot het aanpassen van de plantoelichting, de planregels, de verbeelding en het planMER. Ook zijn op basis van vele gesprekken en het toepassen van het voorontwerp omgevingsplan op concrete situaties ambtshalve wijzigingen in het plan doorgevoerd, Deze staan vermeld in de separate nota van ambtshalve wijzigingen.
47
8.5
Ontwerp Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten om het omgevingsplan van 23 september 2021 tot en met 3 november 2021 ter inzage te leggen voor iedereen. Tijdens de termijn van terinzagelegging kon iedereen een zienswijze kenbaar maken op het omgevingsplan. Na afloop van de termijn van terinzagelegging zijn de reacties bekeken en beoordeeld, die binnen de termijn zijn binnengekomen. Er zijn 23 zienwijzen. Alle zienswijzen zijn in een separate nota samengevat en beantwoord. Op een aantal onderdelen hebben de reacties geleid tot het aanpassen van de planregels en de verbeelding. Ook zijn op basis van het toepassen van het ontwerp omgevingsplan op concrete situaties ambtshalve wijzigingen in het plan doorgevoerd, Deze staan vermeld in de separate nota van ambtshalve wijzigingen. Het gewijzigde ontwerp omgevingsplan kan aan de gemeenteraad worden aangeboden ter vaststelling.
48
Bijlage 1. Overzicht geldende bestemmingsplannen en verordeningen
Overzicht geldende bestemmingsplannen en verordeningen GELDENDE BESTEMMINGSPLANNEN
Het op te stellen omgevingsplan moet (een deel van) de navolgende vigerende bestemmingsplannen vervangen, inclusief alle daarop volgende wijzigingen, verleende vergunningen, etc.. Bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007 , met de volgende partiele herzieningen: Bestemmingsplan Landgoed ’t Poppink 2009 Bestemmingsplan 48 inch aardgastransportleiding Bestemmingsplan Manege Rouwbroekweg 2 Bestemmingsplan 48 inch aardgastransportleiding, eerste herziening Bestemmingsplan Lage Lochemseweg 33 Warnsveld Bestemmingsplan Landgoed Hoekendaal – Vordenseweg 36 Bestemmingsplan Dennendijk 7 te Zutphen (Warnsveld) Bestemmingsplan Lage Lochemseweg 10 Bestemmingsplan Lage Lochemseweg naast 27 Bestemmingsplan Buitengebied Oost, Geesinkweg 3 – Geesinkweg 6 – Vordenseweg 17 Bestemmingsplan Lochemseweg 21 en 22a Bestemmingsplan Buitengebied Oost, Oude Borculoseweg 18 Bestemmingsplan Geesinkweg 2 Bestemmingsplan Lochemseweg 22 Buitengebied Oost 2007 - Wijzigingsplan Oude Borculoseweg 3 Bestemmingsplan Vordenseweg 21-23 Bestemmingsplan Hoekendaal, Vordenseweg 36, Warnsveld Bestemmingsplan Almenseweg 2 Wijzigingsplan Lage Lochemseweg naast 27 Delen van het bestemmingsplan Deventerweg - Voorsteralleekwartier , met deel van de volgende partiële herziening: Oosterbegraafplaats Delen van het bestemmingsplan Warnsveld Kom Noord 2008 Bestemmingsplan
Buitengebied Zuid en West , met de volgende partiële herzieningen: Bestemmingsplan Aanleg fietspad N314 Baak-Zutphen Bestemmingsplan De Eenhoorn, Bronsbergen Bestemmingsplan Buitengebied Zuid & West, Lansinkweg 3 Bestemmingsplan Hoveniersweg 10 Bestemmingsplan Dennendijk 2a Bestemmingsplan Hoveniersweg naast 12a Bestemmingsplan Lansinkweg 2 Bestemmingsplan Hoveniersweg 5 Bestemmingsplan Hoveniersweg naast 7 en 12a Bestemmingsplan Hoveniersweg 16
pagina 1 van 3
GELDENDE VERORDENINGEN
Het omgevingsplan vervangt vervolgens (een deel van) de navolgende geldende verordeningen binnen de gemeente, voor zover deze betrekking hebbenop het landelijk gebied. Deze verordeningen blijven dus nog van kracht op de gronden gelegen buiten het plangebied van dit omgevingsplan. En alleen die delen van de verordeningen die ook in dit omgevingsplan geregeld zijn, worden vervangen. Erfgoedverordening Bomenverordening APV, voor zover het betreft: Bruikbaarheid ten aanzien van de weg: Plaatsen voorwerpen op een openbare plaats in strijd met publieke functie Omgevingsvergunning voor aanleggen, beschadigen, veranderen weg Omgevingsvergunning voor maken veranderen uitweg Veiligheid op de weg: Voorzieningen voor verkeer en verlichting Vuurwerk: Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen Geluidhinder en verlichting: Aanwijzing collectieve festiviteiten Kennisgeving incidentele festiviteiten Verboden incidentele festiviteiten Onversterkte muziek Overige geluidhinder Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast: Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Kamperen buiten kampeerterreinen: Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Aanwijzing kampeerplaatsen Parkeerexcessen: Begripsbepalingen Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
Te koop aanbieden voertuigen Defecte voertuigen Voertuigwrakken Kampeermiddelen Parkeren reclamevoertuigen Parkeren van grote voertuigen Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Standplaatsen: Begripsbepaling Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Afbakeningsbepalingen
pagina 2 van 3
Openbaar water: Voorwerpen in op of boven openbaar water Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden: Beperking verkeer in natuurgebieden Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen
pagina 3 van 3
Bijlage 2. Beleidskader
Beleidskader Omgevingsplan
Landelijk gebied
Gemeente Zutphen
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Leeswijzer
3 3
2
Gebiedskwaliteiten
5
2.1 2.2 2.3 2.4
Landschap en cultuurhistorie Archeologie Natuur en Bos Water
5 20 22 28
3
Functionele kwaliteiten
35
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
Agrarische bedrijven Niet-agrarische bedrijven Wonen Landgoederen Verkeer Recreatie, toerisme en sport Functieverandering Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten en nevenactiviteiten 3.9 Inwoning en mantelzorg 3.10 Duurzame energie 3.11 Kabels en leidingen 3.12 Parkeren
35 38 40 41 42 42 43
4
Milieukwaliteiten
54
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Bodem Geluid Geur Lucht Externe veiligheid Gezondheid
54 54 55 56 56 59
5
Overige onderwerpen
61
5.1
APV en andere verordening
61
46 48 48 52 52
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied is momenteel verouderd. Als basis voor het de nieuwe planvorming is op 30 november 2015 de Visie Landelijk gebied vastgesteld. Naast een vertaling van het ambitieniveau uit de visie in het bestemmingsplan, heeft de gemeente de wens om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet meer onderwerpen in het bestemmingsplan te regelen, dan alleen de ruimtelijk gerelateerde onderwerpen. Het is de bedoeling dat alle onderwerpen die de fysieke leefomgeving raken, worden neergelegd in het nieuwe bestemmingsplan. Dus krijgen onder meer ook de Bomenverordening, APV en de Erfgoedverordening een plek in het nieuwe bestemmingsplan. Omdat het niet mogelijk is een dergelijk bestemmingsplan vast te stellen onder de Wet ruimtelijke ordening heeft de gemeente gekozen voor een ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’ als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, hierna omgevingsplan genoemd. Daartoe heeft de gemeente het project aangemeld bij het ministerie. Het project is opgenomen de in de 14 tranche. Het nieuwe omgevingsplan implementeert niet alleen de visie maar alle wet- en regelgeving dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving en dan zowel wet- en regelgeving op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.
In dit document, dat als bijlage bij het omgevingsplan wordt gevoegd, is al dat beleid geïnventariseerd en samengevat. Het vormt dus een achtergronddocument dat inzicht geeft in waar bepaalde regels vandaan komen.
1.2
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in de volgende hoofdstukken ingegaan op de inhoudelijke uitgangspunten van het op te stellen omgevingsplan. In alle hoofdstukken is sprake van een vergelijkbare opbouw. Eerst wordt ingegaan op het bestaande wettelijke kader. Hierna wordt in de paragraaf ‘Regeling in dit omgevingsplan’ ingegaan op welke wijze dit bestaande kader zal worden verwerkt in het omgevingsplan. De hoofdstukindeling is als volgt: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de gebiedskwaliteiten in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de functionele kwaliteiten die in het landelijke gebied aanwezig zijn en in het omgevingsplan dienen te worden geregeld. Per functie wordt de geldende wet- en regelgeving (rijk, provincie en gemeente) besproken. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieukwaliteiten die in het plangebied aanwezig zijn.
3
In hoofdstuk 5 wordt ten slotte nader ingegaan op de overige onderwerpen, zoals kabels en leidingen alsmede onderwerpen die voortkomen uit de –in het omgevingsplan op te nemen– verordeningen, zoals de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
4
2 2.1
Gebiedskwaliteiten Landschap en cultuurhistorie Rijksbeleid Landschap In de Nota Ruimte van 2005 heeft de Nederlandse overheid twintig Nationale Landschappen aangewezen. Het plangebied valt deels binnen het Nationaal Landschap De Graafschap. Het plangebied grenst verder aan Nationaal Landschap De Veluwe, maar omdat het hier niet binnen gelegen is, is dit niet van invloed op de regeling in het omgevingsplan. Nationaal Landschap De Graafschap Bepalend voor het landschap is de kleinschaligheid. Naast essen en weilanden vinden we er buitenplaatsen, landgoederen, riviertjes, beken, onverharde wegen, gehuchten en dorpen. Het gebied heeft een sterk agrarisch karakter. Het streven is dat een deel van de grondgebonden landbouwbedrijven de bedrijfsvoering verbreedt met natuur- en landschapsbeheer en recreatieactiviteiten of innoveert met bijvoorbeeld fokkerij of verwerking tot streekproducten. Er is een toeristisch-recreatieve infrastructuur die men verder wil ontwikkelen, mede met bijzondere initiatieven.
Afbeelding Nationaal Landschap Graafschap
(Bron: Nota Ruimte)
Sinds 2012 is het rijksbeleid voor Nationale Landschappen beëindigd. De provincies hebben het beleid voor de Nationale Landschappen overgenomen. Verderop in deze paragraaf wordt bij ‘Provinciaal beleid’ daarom nader ingegaan op dit onderwerp. Cultuurhistorie NOVI en Barro De Nationale omgevingsvisie (NOVI)) bepaalt welke uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om kaders te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische hoofdstructuur en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.
5
Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Eén van de nationale belangen is ‘Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd’. Wat betreft cultuurhistorie geldt dat uitsluitend erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn beschermd. Binnen het plangebied is geen dergelijk erfgoed gelegen. Modernisering van de monumentenzorg Sinds 2009 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) van kracht. MoMo streeft naar meer aandacht voor cultuurhistorie bij behoud, ontwikkeling en versterking van landschap, dorp en stad. De hoofdpunten van MoMo zijn: het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening; het streven naar krachtiger en eenvoudiger regels; het herbestemmen van monumenten die hun functie verliezen. Het besluit van 17 juni 2011 heeft op dit punt in het Besluit ruimtelijke ordening, het Besluit omgevingsrecht en het Besluit archeologische monumentenzorg aanpassingen gebracht. Dit besluit vertaalt in juridische termen de verankering van cultuurhistorische waarden in een juridisch plan, bijvoorbeeld bestemmingsplannen.