CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE BP Lunette Eiland, eerste herziening vaststelling (02-03-2022)

Raadsvergadering 25 april 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Lunette Eiland, eerste herziening21.140 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Binnen het bestaand bebouwd gebied zijn stedelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouwprojecten, goed mogelijk. Het project zorgt ervoor dat de locatie een passende invulling krijgt en bijgedragen wordt aan het realiseren van voldoende woningen in de stad Zutphen. De bestaande kwaliteiten van het gebied, waaronder de directeurs- en dienstwoningen, de groenstructuur en de grachten, blijven bovendien behouden. Hiermee sluit het plan aan op de ambities genoemd in de Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020. 4.4.2

Woonvisie gemeente Zutphen 2019-2024; Zutphen, daar wil ik wonen

4.4.2.1 Inleiding De woonvisie ‘Zutphen: daar wil ik wonen’ gemeente Zutphen 2019-2024 is op 8 juli 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van Zutphen. Het betreft een actualisatie van de vorige woonvisie 'Ik woon in Zutphen' gemeente Zutphen 2013-2017. Er is bewust gekozen voor actualiseren in plaats van een geheel nieuwe woonvisie op te stellen. De woonthema’s uit de vorige woonvisie zijn nog steeds actueel maar zijn verscherpt en nader uitgewerkt. In de geactualiseerde woonvisie identificeren zijn een aantal opgaven geformuleerd waar, als het om het wonen in onze gemeente gaat, echt mee aan de slag moet worden gegaan. Op basis daarvan zijn woonambities en strategische acties beschreven om deze ambities te kunnen realiseren. De woonambities zijn: • • •

Ambitie 1 Sterke positie als centrumgemeente Ambitie 2 Ambitieus in energietransitie en verlaging van woonlasten Ambitie 3 Sociaal economisch evenwicht in woonwijken

In voorliggend geval is met name ambitie 3 relevant. 4.4.2.2 Ambitie 3: Sociaaleconomisch evenwicht in woonwijken De gemeente streeft naar gebalanceerde wijken met een mix van inkomensgroepen en leefstijlen. Het evenwicht tussen de primaire doelgroep en de kernvoorraad wordt verbeterd. Segregatie is ongewenst en daarom dient in het bijzonder in het Waterkwartier het sociaaleconomisch evenwicht terug worden gebracht. Met de partners dient de slaagkans voor jongeren te worden vergroot en aandacht worden besteed aan huisvesting voor senioren. Daarnaast wordt er een plan van aanpak voor huisvesting van zorgdoelgroepen gemaakt. Dit wordt gedaan om te bekrachtigen dat de gemeente terughoudend is met het ruimte bieden voor nieuwe initiatieven voor zorgdoelgroepen, waarvoor in de gemeente al voldoende aanbod is of dat alleen ter BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld afronding van het aanbod nog wordt toegevoegd. De gemeente blijft met woningcorporaties afstemmen over de huisvesting van vergunninghouders. Tot slot worden er eisen gesteld aan gezonde en groene woonwijken. 4.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Zutphen 2019-2024; Zutphen, daar wil ik wonen In de woonvisie wordt wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte verwezen naar de regionale Woonagenda. Kortheidshalve wordt voor de toetsing aan het betreffende document verwezen naar paragraaf 4.1.3.2. Het plan levert een belangrijke bijdrage aan het terugbrengen van het sociaaleconomisch evenwicht in de wijk Waterkwartier. Het plan voorziet namelijk in woningen voor met name starters, midden- en hoge inkomens en senioren. Hiermee wordt gezorgd voor een betere mix qua inkomstengroepen en leefstijlen in de wijk. Tot slot wordt opgemerkt dat het plan tevens bijdraagt aan de energietransitie. De woningen worden immers gasloos gebouwd en zullen qua duurzaamheidseisen aan de laatste wet- en regelgeving moeten voldoen. Geconcludeerd wordt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 4.4.3

Welstandsnota en Beeldkwaliteitsplan

4.4.3.1 Inleiding In het verlengde van het bestemmingsplan ligt het welstandstoezicht. Bouwplannen kunnen pas uitgevoerd worden als daarover een positief welstandsadvies is gegeven. Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. Het aanzicht van gebouwen en andere bouwwerken vormt de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Zutphen. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving draagt bij aan de belevingswaarde. Bovendien heeft dit een gunstige invloed op de waarde van het onroerend goed en het vestigingsklimaat. Voor het plangebied geldt themagebied ‘Bijzondere bebouwingscomplexen’ waarvoor welstandsniveau 2 geldt. 4.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota en Beeldkwaliteitsplan De door de raad vastgestelde Welstandsnota voorziet niet in kaders voor een herontwikkeling zoals binnen het plangebied is beoogd. Daarom is in deze situatie een beeldkwaliteitsplan het instrument om bij nieuwe ontwikkeling de kwaliteit van de leefomgeving te bewaken.

In het beeldkwaliteitsplan, opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting, zijn bindende randvoorwaarden opgenomen voor de inrichting van het openbaar gebied, maar óók voor de stedenbouwkundige inrichting en architectonische vormgeving voor zowel de bestaande als nieuwe woningen. Het beeldkwaliteitsplan vormt het toetsingskader bij het beoordelen van nader uitgewerkte inrichtingsplannen en de toetsing van de individuele aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen. Na het vaststellen van het beeldkwaliteitsplan (gelijktijdig met het bestemmingsplan) maakt het onderdeel uit van de gemeentelijke Welstandsnota. Hiermee wordt de beoogde kwaliteit voor het gebied verzekerd. 4.4.4

Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’

4.4.4.1 Algemeen De gemeente Zutphen heeft in 2012 de Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’ vastgesteld. Hierin is de visie verwoord op de groenstructuur vanuit natuur, milieu en ruimte met daarin een heldere beschrijving van eindbeelden, beheerkaders en ontwikkelingsstrategieën. De groenatlas omvat een uitwerking voor het groen langs randen en de overgangszone van de kernen naar het landelijk gebied en de belangrijkste hoofdstructuren van wegen-, water- en landschapsstructuren in het landelijk gebied. Het doel

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld van de Groenatlas is onder meer het opstellen van een samenhangende groenstructuur en het ontwikkelen van een visie op de groenstructuren en het vastleggen van de groene ambitie. Verder biedt het een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. 4.4.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Groenatlas ‘Samenwerken aan een duurzame groenstructuur’ De gracht en het oostelijk gelegen Lunettepark maken onderdeel uit van de groenblauwe structuur. Voor het overige zijn er binnen het plangebied geen essentiële groenelementen aanwezig. Ten gevolge van het voornemen wordt de groenblauwe structuur niet aangetast, maar juist versterkt (o.a. doorgraven van de gracht). Voorliggend bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de Groenatlas. 4.4.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen en andere omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, conventionele explosieven, verkeer en parkeren en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De gemeente Zutphen heeft op lokaal niveau eigen geluidbeleid opgesteld. Dit beleid is vervat in het ‘Geluidsplan Zutphen 2015-2025’ en de nota’s ‘Hogere waarden geluid, Bouw-/slooplawaai en Trillingen’ en ‘Bedrijven en Geluid’. 5.1.2

Situatie plangebied

De geplande woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als een geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

De geplande woningen liggen in ‘stedelijk gebied’. Op basis van jurisprudentie is echter akoestisch onderzoek verplicht indien verwacht wordt dat de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden zal worden. Voor wat betreft voorliggend plan zijn de Vijfmorgenstraat, Tak van Poortvlierstraat, Spittaalderkamp, Buitensingel en Lunettestraat van belang. Betreffende wegen zijn woonstraten met een 30 km/uur regime en worden hoofdzakelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteiten op deze wegen zijn dan ook relatief laag. Daarnaast zal de afstand tussen de nieuwe woningen en de as van de betreffende wegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld meer dan 35 meter bedragen en is er in sommige gevallen sprake van afscherming door bestaande bebouwing (o.a. in geval van de Spittaalderkamp). Gelet op het vorenstaande is het derhalve te verwachten dat de geluidsbelasting van omliggende wegen op de woningen in het plangebied de voorkeurswaarde van 48 dB niet zal overschrijden. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht. Vanuit het plangebied geldt dat verkeer enkel bestemmingsverkeer is. Door de woningen rondom wordt geluid tegengehouden en slaat niet neer op de omgeving. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai In artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is aangegeven dat een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. In onderstaande tabel staan de zones in meters aangegeven die horen bij het betreffende geluidproductieplafond (Gpp). Hoogte geluidproductieplafond Kleiner dan 56 dB Gelijk aan of groter dan 56 dB en kleiner dan 61 dB Gelijk aan of groter dan 61 dB en kleiner dan 66 dB Gelijk aan of groter dan 66 dB en kleiner dan 71 dB Gelijk aan of groter dan 71 dB en kleiner dan 74 dB Gelijk aan of groter dan 74 dB

Breedte zone (in meters) 100 m 200 m 300 m 600 m 900 m 1200 m

Aan de hand van het Geluidregisterspoor is een inventarisatie gedaan naar de Gpp ter plaatse van het spoor. Hierbij is gekeken naar de punten in de nabijheid van de beoogde woningen. Uit de inventarisatie blijkt dat het Gpp ter plaatse kleiner is dan 66 dB, waardoor een wettelijke geluidzone van 300 meter geldt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 1,2 kilometer, waardoor nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voor de beoogde woningen ten aanzien van het aspect railverkeerlawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.3 Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Derhalve is het aspect industrielawaai buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is in dit geval door Kruse Milieu uit Geesteren een verkennend bodem- en asbestbodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740 en NEN 5707. De conclusies voortkomend uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld 5.2.2

Situatie plangebied

Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: • • • • • • • •

de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met kwik, lood en PAK; de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd kwik, lood en zink; de bovengrond (BG III) is zeer licht verontreinigd kwik en lood; de ondergrond (OG I) is zeer licht verontreinigd met zink; de ondergrond (OG II) is zeer licht verontreinigd met koper, kwik en lood; het grondwater (PB 1 is zeer licht verontreinigd met barium; het grondwater (PB 2) is licht verontreinigd met barium; de bovengrond (BG - MM1) is niet verontreinigd met PFAS.

De resultaten van de asbestanalyses zijn als volgt: • • • • •

MM FF - A bevat geen asbest; MM FF - B bevat asbest, maar is het gehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; MM FF - C bevat geen asbest; MM FF - D bevat geen asbest; MM FF - E bevat geen asbest.

In de boven-, ondergrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaring wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het rapport. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Opgemerkt wordt dat in het verleden een tank is gesaneerd evenals de bodem. Er is geen restverontreiniging achtergebleven. 5.2.3

Conclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een herontwikkeling van het plangebied waarbij 29 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Tot slot wordt geconcludeerd dat de nieuwe woningen niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • de Regeling basisnet; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld • •

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Regelgeving ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Zutphen Met de Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Zutphen. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. De visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Zutphen aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. 5.4.2

Situatie in het plangebied

5.4.2.1 Algemeen Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is hierbij weergegeven met de rode omlijning.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld Het plangebied is gelegen in overwegend woongebied. Dit betekent dat uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustig woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies.

In de directe omgeving bevinden zich uitsluitend maatschappelijke voorzieningen en functies behorend bij een wijkcentrum (detailhandel, horeca en dienstverlenende bedrijven). Dergelijke voorzieningen en bedrijven worden op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangemerkt als zijnde maximaal milieucategorie 2 inrichtingen. Voor functies in milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van milieugevoelige functies. De afstand tussen de nieuwe woningen en de milieubelastende functies bedraagt meer dan 30 meter waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Ter plaatse van de woningen is in het kader van milieuzonering sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende functies ten gevolge van het plan niet belemmerd. 5.5.4

Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1

Gebiedsbescherming

5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen ten zuiden van het plangebied op circa 850 meter afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Rijntakken”. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 weergegeven.

Afbeelding 5.2

Ligging plangebied ten opzichte van N2000 (Bron: Synbiosys Alterra)

Ondanks de ruime onderlinge afstand is sprake van een ontwikkeling waarbij gedurende de gebruiks- en aanlegfase stikstof wordt uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Veel Natura 2000-gebieden zijn kwetsbaar voor stikstofdepositie; stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Ten behoeve van het voornemen is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee sprake van een stikstofdepositie met mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Gelders Netwerk Nederland Het Gelders Netwerk Nederland (GNN) is de kern van het Gelderse natuurbeleid. De GNN is in de provinciale omgevingsvisie en verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de GNN geldt het 'nee, tenzij' principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde GNN. Het dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het NNN is gelegen op circa 285 meter van het plangebied. De ligging ten opzichte van het NNN wordt hierna weergegeven.

Afbeelding 5.3

Ligging van het plangebied t.o.v. GNN (Bron: Provincie Gelderland)

Gezien de onderlinge afstand, aard en omvang van de ontwikkeling evenals de invulling van het tussengelegen gebied (bebouwd gebied) wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden op het GNN als gevolg van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.6.2.2 Situatie plangebied Quickscan natuurwaarden Natuurbank Overijssel heeft in voorliggend geval een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten vleermuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieën er een vaste rustplaats en nestelen er vogels. Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen mogelijk ook vogels waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Om vast te kunnen stellen of er vogels in het plangebied nestelen waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, dient aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw, huismus en vleermuizen uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde dieren niet aangetast.

Nader ecologisch onderzoek Natuurbank Overijssel heeft in voorliggend geval het nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. In de periode april -september 2021 is bebouwing op het adres Lunettestraat 3 te Zutphen onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen. De onderzoeken zijn uitgevoerd volgens de daarvoor geldende protocollen en zijn volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat vleermuizen geen verblijfplaats bezetten in het onderzoekgebied en dat huismussen en gierzwaluwen er geen nestplaats bezetten. Als gevolg van het slopen van de bebouwing, wordt geen verblijfplaats van een vleermuis en geen nestplaats van huismussen of gierzwaluwen negatief beïnvloed. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld 5.6.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Bureau- en inventariserend veldonderzoek en een karterend booronderzoek Er heeft een bureauonderzoek, een inventariserend veldonderzoek en een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Op basis van de resultaten van het booronderzoek zijn mogelijk archeologische vindplaatsen in het plangebied aanwezig. Het betreft een vindplaats uit de prehistorie en een vindplaats uit de nieuwe tijd.

Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 175 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten in de vorm van prehistorische sporen worden geraakt. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 125 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten in de vorm van ophoging / opvullingpakketten uit de nieuwe tijd geraakt worden. Als de geplande verstoringen dieper reiken dan 125 cm beneden maaiveld wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek geadviseerd om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten uit met name de nieuwe tijd aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Dit proefsleuvenonderzoek dient te bestaan uit het plaatsen van sleuven, haaks op de verwachte ligging van de vestingwal. De vestingwal wordt verwacht aan de zuid- en oostzijde van het plangebied. Als de geplande verstoringen dieper reiken dan 175 cm beneden maaiveld wordt geadviseerd een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn uit met name de prehistorie en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Archeologische sporen uit de prehistorie worden in het hele plangebied verwacht.

Voor een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Proefsleuvenonderzoek Er is ter plaatse van het plangebied een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd plaatsgevonden. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. Op basis van het proefsleuvenonderzoek kan een selectieadvies worden opgesteld. Het archeologische niveau ligt diep en is door de aanwezige akkerlaag en het ophogingspakket eeuwenlange beschermd geweest tegen menselijke invloeden. Hierdoor is het archeologische niveau alleen aangetast op plekken waar zeer diepe funderingen van de jeugdgevangenis in de grond zijn gegaan en aan de rand van het plangebied waar de gracht rondom de lunet is gegraven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld In het archeologische niveau is een reeks aan sporen gevonden met daarbij een relatief grote hoeveelheid aardewerk dat geclusterd lijkt rond de sporenclusters. De belevingswaarde van de vindplaats is laag. De sporen liggen diep en hebben geen relatie met de huidige landinrichting. De schoonheid en herinneringswaarde scoren dan ook laag. De fysieke waarde daarentegen is hoog. De sporen zijn minimaal verstoord door bioturbatie maar verder zijn ze bijzonder gaaf behouden in de bodem. Qua vondstmateriaal is de conservering goed voor aardewerk en natuursteen, er is geen organisch materiaal (behalve houtskool) aangetroffen. De inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats is zeer hoog. De zeldzaamheid van de neolithische pijlpunt is bijzonder hoog. Indien het spoor zou leiden tot een intacte neolithische vindplaats dan is dat een unicum in Zutphen en de regio. Tegelijkertijd zijn de ensemblewaarde en de representativiteit van de brons- of ijzertijdvindplaats hoog door de relatie met de vindplaats op het naastgelegen voormalige sportveld en de andere vindplaatsen in de Zutphen. De vindplaats scoort met 19 van de 24 punten erg hoog en is daarmee behoudenswaardig. Binnen het plangebied kunnen drie zones worden aangegeven met drie verschillende archeologische waarden (zie bijlage 3 van het rapport).

De eerste zone betreft het gebied rondom het hoofdgebouw van de gevangenis. Deze zone is totaal verstoord door de bouw en sloop van de gevangenis en kan dus worden vrijgegeven. Binnen het overgebleven gebied kan onderscheid worden gemaakt tussen een gebied met een hoge archeologische waarde en een gebied met een lage archeologische waarde. Deze waarden zijn gekoppeld aan de aangetroffen spoor- en vondstdichtheid. Het advies is om de zone met een hoge archeologische waarde, op basis van de behoudenswaardige waardering van de vindplaats, te behouden in situ, dus in de bodem en de archeologische dubbelbestemming te handhaven. Het terrein met de lage archeologische waarde kan worden vrijgegeven voor de geplande ingrepen. Binnen het terrein met de hoge archeologische waarde kan op basis van de dikke ophogingslagen en de relatief diepe ligging van de archeologische lagen de bodem vanaf het maaiveld (circa 8.70 m +NAP) tot 7,70 m +NAP worden vrijgegeven. Boven 7,70 m +NAP worden geen archeologische resten verwacht. Onder de 7,70 m +NAP liggen de archeologisch behoudenswaardige lagen en sporen. Indien behoud in situ niet mogelijk is omwille van de geplande ingrepen dan wordt geadviseerd om de delen van het terrein met een hoge archeologische waarde te onderzoeken door middel van een opgraving.

De noodzaak voor het behoud van het gedeelte van het terrein met een hoge bekende waarde zijn in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Het complex is gelegen op een deel van een oude verdedigingslinie, de Lunet van Wambuis G, ten zuidoosten van de historische binnenstad. Oorspronkelijk, in de jaren 1883-1886, gebouwd in een verder open land, is de inrichting in de 20e eeuw omsloten geraakt door met name woonbebouwing. Het oudste deel van de penitentiaire inrichting wordt nog gedeeltelijk omsloten door een gracht; het oostelijke gedeelte daarvan was een deel van de oude defensiewerken (evenals het in de jaren 1970 gedempte oostelijk deel [dat enkele jaren geleden weer is open gegraven]). De andere twee grachtdelen (jaren 1880) verwijzen indirect naar de lunetvorm.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld Opzet De eigenlijke penitentiaire inrichting bestond op haar hoogtepunt uit een voorgebouw (hoofdgebouw), een achterliggende cellenvleugel – beide in oorsprong uit 1883-1886 (architect J.F. Metzelaar), een haaks hierop staande cellenvleugel uit 1903 (W.C. Metzelaar, inmiddels gesloopt) en een aansluitende reeks werkzalen uit 1930-1937 (J.G. Robbers, inmiddels gesloopt). Hierachter is in 1978 een multifunctioneel centrum gebouwd (architect onbekend, inmiddels gesloopt). Ten zuiden van het hoofdgebouw (voorgebouw) bevindt zich een vijftal dienstwoningen en - daarachter - een uitbreiding van het penitentiaire deel (alles uit 1903, W.C. Metzelaar); ten noorden van het voorgebouw staat de directiewoning, (J.G. Robbers, periode 1930-1937).1

Afbeelding 5.4

Hoofdgebouw (Bron: Gemeente Zutphen)

Aanpassingen De nog bestaande gebouwen op het terrein hebben gedurende het gebruik de nodige aanpassingen ondergaan. Het hoofdgebouw (voorgebouw) is in oorsprong een ontwerp van J.F. Metzelaar en tussen 1883-’86 tot stand gekomen. Het is in de jaren 1930 gemoderniseerd door architect Robbers, die de vensters liet vervangen en een grofkorrelige “Terra Nova” bepleistering aanbracht. Hiermee werden ook de gevels van de dienstwoningen uit 1903 gemoderniseerd. In 1979 is de entree vernieuwd, alsmede de twee flankerende vensters. De directeursvilla is na de bouw niet of nauwelijks gewijzigd. Zowel de gevel indeling en –afwerking als de interieurindeling en –afwerking is vrijwel gaaf bewaard gebleven. Het cellenblok achter de voorbouw is in 1903 aangepast en in de jaren 1930 nogmaals, waarbij de celramen zijn vergroot en een nieuwe raaminvulling kregen. Ingrijpend was het verhogen van het gebouw in 1964 met een sportzaal onder een plat dak.

Cultuurhistorie i.r.t. voorgenomen herontwikkeling Om het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden van de locatie veilig te stellen is in 2013 een beeldkwaliteitsplan opgesteld dat in het bestemmingsplan uit hetzelfde jaar een plek kreeg om de cultuurhistorische waarden te kunnen borgen. De ontwerpvisie die vervolgens is opgesteld steunt voor een belangrijk deel op de contour en het grachtenplan van de locatie alsmede de incorporatie van het hoofdgebouw van de gevangenis met het aansluitende oudste cellenblok dat net als een naastgelegen rij dienstwoningen in de verbeelding de bestemming specifieke vorm van waarde heeft gekregen. Het cellenblok destijds de bestemming gemengde doeleinden gekregen. Met deze bestemmingen is het behoud van de beeldkwaliteit van het voorplein en van de daar deel van uitmakende bebouwing goed geregeld en zijn

1 Beide paragrafen zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen uit het verzoek door het Cuypersgenootschap tot aanwijzing van het complex als

rijksmonument uit 2002.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld belangrijke cultuurhistorische waarden veiliggesteld en is voor wat betreft een eventuele herbestemming van het oudste cellenblok enige armslag gecreëerd. Het terrein is verworven door initiatiefnemer die voor alle nog bestaande gebouwen een goed passende functie ziet. De bestaande personeelswoningen blijven in gebruik als woning en ook de voormalige directeursvilla wordt na renovatie weer als woning in gebruik genomen. Een uitzondering hierop vormt het hoofdgebouw en het cellenblok achter het hoofdgebouw. Uit bouwkundig onderzoek is gebleken dat het verbouwen en renoveren van het hoofdgebouw tot appartementengebouw geen reële optie betreft. De voor- en zijgevels blijven behouden en worden hersteld. Hiermee wordt het uiterlijk en de geschiedenis van de plek in tact gehouden. De achtergevel zal gesloopt worden, waarbij de mogelijkheid zal bestaan om buitenruimten te realiseren. Het bestaande dak wordt vervangen en opgehoogd ten behoeve van een woonlaag. Ten aanzien van het cellengebouw is gebleken dat het vinden van een nieuwe bestemming voor dit gebouw zeer lastig is.

Factoren die hierin meespelen zijn het formaat van het gebouw de technische staat als gevolg van achterstallig onderhoud en niet in de laatste plaats het feit dat het gebouw door de opbouw in 1964 van de sportzaal en andere wijzigingen sterk aan cultuurhistorische waarde heeft ingeboet. Er wordt daarom toch ingezet op sloop van het cellenblok, waarbij de locatie en schaal van het gebouw als inspiratiebron in de vorm en indeling van het stratenplan, de verkaveling en de inrichting van de openbare ruimte als uitgangspunt heeft gediend. Het nieuwe appartementengebouw zal door de uitstraling en de positie in het stratenpatroon van Lunetteeiland zeer vormend zijn voor het stratenplan van de nieuwe ontwikkeling op het eiland en een zeer belangrijke bijdrage blijven leveren aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Het nieuwe gebouw zal de afsluiting vormen van de zichtas vanaf de Wambuisstraat. Het voorgenomen plan houdt dan ook voldoende mate rekening met het aspect cultuurhistorie. 5.7.3

Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.8

Conventionele explosieven

5.8.1

Inleiding

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is onderzoek verricht naar Conventionele Explosieven (CE). Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8 bij deze toelichting. 5.8.2

Onderzoek

Het gebied is realtime gedetecteerd met een metaal(mijn)detector en gecontroleerd laagsgewijs ontgraven in lagen van maximaal 30 centimeter met behulp van een beveiligde (rups)graafmachine. Zo kon optimaal gedetecteerd worden in zowel verstoorde als niet verstoorde gebieden. Voor de positiebepaling is gebruik gemaakt van een GPS-systeem met een maximale horizontale afwijking < 10 cm. Het opsporingsgebied is waar mogelijk gecontroleerd laagsgewijs ontgraven en vrijgegeven tot 2,0 m -mv, ofwel geheel vrijgegeven van geschutmunitie. Voor de obstakels tijdens de opsporingswerkzaamheden zie ‘Bijlage 1 Vrijgavetekening’ van het rapport. Tijdens de detectiewerkzaamheden zijn meerdere significante objecten gemeten. De gemeten significante objecten zijn gelijktijdig benaderd, vrij gelegd en geïdentificeerd. Er zijn hierbij in totaal 4 CE objecten aangetroffen (zie ook Bijlage 2 Munitieoverdracht formulier van het rapport). Een deel van het opsporingsgebied is verdacht op het voorkomen van het CE hoofdsoort afwerpmunitie. Voor dit gebied zijn in combinatie met Geosonda geotechnische sonderingen uitgevoerd om zo de maximale indringingsdiepte van afwerpmunitie te bepalen binnen het opsporingsgebied. Sondering 5 is hierbij binnen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld het op afwerpmunitie verdachte gebied geplaatst. De maximale indringingsdiepte van afwerpmunitie bij sondering 5 is vastgesteld op 10,8 m -mv ofwel 1,96 m -NAP. De onderzochte opsporingsgebieden zijn vrijgegeven van CE tot variërende einddieptes. Op basis van het uitgevoerde historisch onderzoek (PVA 160360) blijkt dat de bebouwing op locatie vooroorlogs is aangelegd. Voor de locaties onder de bebouwing geldt dat deze ‘niet langer verdacht’ zijn op het voorkomen van CE. Aan de hand van de uitkomsten uit het historisch onderzoek konden de te slopen delen van de bebouwing dan ook regulier worden gesloopt, inclusief fundatie. De genoemde bebouwing is weergeven in ‘Bijlage 1 Vrijgavetekening’ van het rapport. De aangetroffen 4 CE-objecten zijn na afronding van de werkzaamheden overgedragen aan de EOD. 5.8.3

Conclusie

Het aspect conventionele explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.9

Verkeer en parkeren

5.9.1

Parkeren

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw bedoeld voor wonen of een ander soort verblijf van mensen wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat ten minste wordt of zal worden voldaan aan de minimum parkeernormen, zoals opgenomen in Publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ van de CROW, met dien verstande dat het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal. Voor de beoogde woningen binnen het plangebied betekent dit een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. In geval van de vrijstaande woningen geldt dat op elke woonkavel zal worden voorzien in twee parkeerplaatsen (zie afb. 3.1). Bij de voormalige directeurswoning zijn in de huidige situatie tevens 2 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig en bij de bestaande hoekwoningen 1 parkeerplaats op eigen terrein per woning. Voor de overige woningen en bezoek zijn parkeerplaatsen in de openbare ruimte voorzien. Na uitvoering van het plan zijn er binnen het plangebied 35 woningen aanwezig. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte uiteengezet: Type woning

Aantal

Norm

Benodigd

Vrijstaande woningen

12

2,1

25,2

Rijwoningen

8

1,8

14,4

Appartementen

9

1,7

15,3

Bestaande vrijstaande woning

1

2,1

2,1

Bestaande hoekwoningen

2

2

4

Bestaande rijwoningen

3

1,8

5,4

Totaal

35

66,4

Het vorenstaande houdt in dat de parkeerbehoefte 66,4 parkeerplaatsen bedraagt. Binnen het plangebied wordt voorzien in 70 parkeerplaatsen, 28 op eigen terrein en 42 in openbaar gebied, waarmee in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld In de regels van dit bestemmingsplan is een parkeerregeling opgenomen. Hiermee is verzekerd dat er binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd en in stand blijven. 5.9.2

Verkeer

5.9.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de extra verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW kan de verkeersgeneratie van de ontwikkeling berekend worden. De kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. 5.9.2.2 Verkeersgeneratie Bij het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • •

Verstedelijkingsgraad: Sterk stedelijk (bron: CBS Statline) Stedelijke zone: Rest bebouwde kom

In onderstaand tabel zijn de kencijfers en het verwachte aantal verkeersbewegingen opgenomen. Hierbij wordt opgemerkt dat hierin zowel de bestaande als nieuwe woningen zijn meegenomen. Voor de appartementen is hierbij uitgegaan van woningen in het hoge segment (worst-case). Woningtype Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tussen/hoek Koop, appartement, hoog Huur, huis, vrije sector Totaal

Aantal 13 8

Kencijfer 8,2 7,1

Totaal 106,6 56,8

9

7,1

63,9

5

7,1

35,5 262,8

In de toekomstige situatie is sprake van 262,8 (afgerond 263) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De ontsluiting van het terrein en de woningen vindt plaats via de Lunettestraat ten behoeve van een veilige verkeerssituatie. De capaciteit van de in- en uitrit (twee richtingen) en de Lunettestraat is van voldoende omvang om het verwachte aantal verkeersbewegingen veilig en eenvoudig te kunnen afwikkelen. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmeringen oplevert als gevolg van voorliggend voornemen.

5.10

Besluit milieueffectrapportage

5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1.

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Lunette Eiland, eerste herziening” Vastgesteld 2.

3.

Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER.

In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. Daarnaast voldoet het plan aan de definitie van een besluit (kolom 3). De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: • • •

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.10.2 Situatie plangebied In voorliggend geval wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden en is geen sprake van een ontwikkeling van en aaneengesloten gebied dat 2000 of meer woningen omvat. Van een directe m.e.r.-plicht is dan ook geen sprake. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. In bijlage 9 bij deze toelichting is de bij dit plan behorende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgenomen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt. 5.10.3 Conclusie De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten ten gevolge van het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=02af8b98-3d97-4cb9-a678-4432f612ca38