CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

600423 - Bijlage 2 - zienswijzen geanonimiseerd

Raadsvergadering 13 november 2023, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Fort de Pol, gemeente Zutphen34.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

132.

(geanonimiseerd) zichzelf staande …tíe Zoals hierboven

u

ë

toegesneden motivering. In het geval van

iorm voorzien zijn actuele, deugdelijke, op

cliënten is ook bescherming tegen slagschaduwhinder buitenshuis van belang, juist vanwege de

hier aan de orde zijnde swluatie:_ zijn agrariërs, die veel vaker dan de gemiddelde Nederland buiten op hun weilanden en hun erf en in hun stallen en werkruimten (met voor slagschaduw relevante ramen en openingen) aan het werk zijn, vaak dichter bij de windturbines

dan de gevel van hun woning Weeft

'andoouwgronden en woont, net a!sN

c.s., in zeer open gebied met uitzicht, straks helaas ook op de windturbines, en heeft nu al veel

slagschaduwhinder en last van zijn gezondheid; en W.. zijn afhankelijk van toeristen die voor de rust en ruimte en het ongestoorde genot daarvan afhankelijk zijn. In een “op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering” had dat alles meegewogen moeten worden. In de Motivering lokale normen is daaraan ten onrechte geen enkele zinsnede gewijd. 133.

Het provinciebestuur had dus ook bescherming tegen slagschaduwhinder buiten moeten beoordelen. Als bijvoorbeeld ook de erven van cliënten beschermd worden, levert dat misschien nauwelijks productieverlies voor de exploitanten van de windturbines op.

134.

Zeker_die

boer zijn, kunnen buiten of in hun bedrijfsgebouwen de slagschaduw

niet ontlopen; zij moeten daar immers werken. Op elk moment dat een dier zorg vraagt dient die zorg geleverd te worden; bijvoorbeeld bij een bevalling. Lubberding c.s. kunnen niet wachten tot de slagschaduwhinder voorbij is. Slagschaduw zou in een zonnig jaar als 2022 bij Lubberding c.s. 50 uur kunnen belopen. In 2022 heeft de zon ruim 30% meer geschenen dan gemiddeld;

133% van 36 uur is 48 uur. Dat maakt het extra belangrijk dat ook voor de werkplekken van Lubberding c.s. een stilstandvoorziening geldt.

135 N

wenst ook slagschaduwhinder voor haar vee te voorkomen. Het provinciebestuur

heeft naar de schade van slagschaduwhinder voor vee geen onderzoek gedaan.

pagina 39/69

+ milieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

Motivering lokale normen, p. 17, 1° a

_ A ordening

de rechtspraak werd een grenswaarde van 5 uur en 40

minuten als interpretatie van de wettelijke norm uit de Arm aanvaard, maar omdat deze norm niet

meer geldt, moet opnieuw worden gemotiveerd welke schaduwduur aanvaardbaar is. 136.

Het is goed te beseffen dat de wettelijke norm uit de Arm (en de interpretatie daarvan in de praktijk) volgens STAB, p. 86, 1° al., niet was gebaseerd op een wetenschappelijk onderzoek maar op (casuïstische) jurisprudentie.

137.

Cliënten zijn het eens dat opnieuw moet worden gemotiveerd welke schaduwduur aanvaardbaar is. Een deugdelijke motivering is in de stukken echter niet te vinden. Na de volzin “Maar omdat deze norm niet meer geldt, moet opnieuw worden gemotiveerd welke schaduwduur aanvaardbaar is” volgt in de Motivering lokale normen geen enkele motivering meer. De enige

motivering valt daarvóór op p. 16 te lezen, maar die komt neer op een verwijzing naar de oude

(geanonimiseerd) onderzoeken Po…t PIP, toelichting, $ 5.1.3, is verder geen andere motivering te vinden

dan

dat

de praktijknorm voorheen in de rechtspraak is aanvaard. Daarmee

heeft het provinciebestuur echter nog geen deugdelijke, wetenschappelijk verantwoorde onderbouwing als bedoeld in $ 7.1 hierboven gegeven. Voor zover de stelling is dat het ontstaan van hinder “geheel” wordt voorkomen (Motivering lokale normen, p. 17, onderaan), wordt gewezen op het volgende. Motivering lokale normen, p. 17-18: de normgrens voor woningen wordt op maximaal 1 uur per jaar gesteld. Voor Valkeweg 5 en Wellenbergweg 2 is er geen aanleiding voor een nadere cumulatieve normering. 138.

Cliënten zijn het er op zich mee eens als een strengere norm dan 5 uur en 40 minuten zou worden gesteld.

139.

Cliënten merken echter om te beginnen op dat een norm van 1 uur per jaar niet precies hetzelfde is als het “geheel” voorkómen van hinder. Blijkens de Zienswijzennota, p. 88, punt 11, onder b, is het technisch gezien niet mogelijk een windturbine direct stil te zetten. Cliënten menen dat met sensoren voor zonlicht en draaistand van de gondel van de turbine zeer wel van tevoren bepaald kan worden of slagschaduwhinder aanstaande is; een turbine kan dus wel degelijk tijdig worden stilgezet. Dit moet in de planregels worden geregeld (en niet alleen in de

omgevingsvergunningen, omdat de planregels zich immers voor herhaalde toepassing lenen en voor nieuwe omgevingsvergunningen gebruikt kunnen worden). 140.

Belangrijker nog is dat voor die norm onjuiste uitgangspunten worden gehanteerd; in wezen wordt dus waarschijnlijk (veel) meer slagschaduw dan 1 uur per jaar mogelijk gemaakt.

141.

Zoals blijkt uit Pondera Akoestiek en Slagschaduw, $ 3.1.1, p. 23 en m.n. 24 bovenaan, wordt namelijk van de volgende uitgangspunten uitgegaan; verder ingesprongen geven cliënten telkens hun

commentaar:

pagina 40/69

ieu

a.

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

A

_ A

J[-AAA

overheid

+.

lijke

ordening -

ruim

Bij een afdekking (van de zon door een wiek) van minder 20% is er van een effectieve schaduw geen sprake.

i

Volgens STAB Delízijl, p. 89-90 en 93, ontbreekt in het Delfzijlster geval een wetenschappelijke onderbouwing voor de reden om uit te gaan van een minimale zonafdekking van 20%. Die onderbouwing ontbreekt ook hier.

ï.

Het niet meenemen van minder dan 20% afdekking leidt tot twee keer aftrek, één keer als de wiek voor de zon draait, en één keer als de wiek weer wegdraait van voor de zon. In wezen is er dus maar 60% bescherming; ten onrechte dus.

b.

Schaduw bij een zonnestand lager dan 5 graden wordt als niet-hinderlijk beoordeeld. i

Volgens STAB Delfzijl, p. 91-92 en 94, ontbreekt in het geval van Delfzijl een wetenschappelijke argumentatie waarom is uitgegaan van een zonshoogte van minimaal 5 graden en niet van 3 graden. Die argumentatie ontbreekt ook in het

c.

(geanonimiseerd) °ndem

Bij een windpark

worden de schaduwduren en de schaduwdagen van afzonderlijke

turbines opgeteld voor zover de schaduwen elkaar niet overlappen. i

Het is cliënten niet duidelijk wat hiermee bedoeld wordt en of dit voor hen nadelig is. Vooralsnog zijn zij genoodzaakt te stellen dat dat nadelig is, maar zij zien in het eventuele verweerschrift van het provinciebestuur graag een uitleg.

142.

Cliënten wijzen verder op het volgende.

143.

Volgens Pondera Akoestiek en Slagschaduw, p. 26-27, valt zonder mitigatie voor (de gevel van)

Valkeweg 1 (de woning van_)

bijvoorbeeld 30:23 uur slagschaduwhinder te

verwachten (windturbines 1 en 2) (tabel 3.1), respectievelijk 36:28 uur (windturbines 1, 2 en 3).

Zonder mitigatie kan de slagschaduw op één dag, te weten in de periode 8 tot en met 14 november, maar liefst 123 minuten duren; zie Pondera Akoestiek en Slagschaduw, p. 107. Binnen 490 m van de windturbine kan de zon volledig bedekt worden door een rotorblad. De

woning van B

nun erf, hun bedrijfsgebouwen en een deel van hun land vallen

(deels zeer ruim) binnen die afstand. Volgens de tabellen 3.5 en 3.6 ondervinden verschillende

woningen, waaronder die van _

geen slagschaduwhinder in de referentiesituatie,

dat wil zeggen de huidige situatie op basis van het bestaande windpark op Fort de Pol. Om te

beginnen betwisten cliënten dat: bij -reedl op de gevel van zijn woning (en in het vertrek waar hij zich meestal bevindt) nu al hinderlijke slagschaduw als gevolg van de bestaande

windturbines op, met name in de wintermaanden; bij .

weliswaar niet op de gevel

van de woning maar wel elders op hun kavels. Er wordt hier ten onrechte ook geen rekening gehouden met slagschaduwhinder als gevolg van het bestaande windpark op Fort de Pol elders

op de kavels van cliënten (en de bedrijfsgebouwen daar). Terzijde: de berekeningen-zonder-mitigatie in Pondera Akoestiek en Slagschaduw zijn gebaseerd op de bekende zesuurssystematiek. B. Vogelaar van Pondera heeft zelf ooit al

eens uiteengezet dat er veel nauwkeuriger methoden zijn, zoals een “historische pagina 41 /69

+ milieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

methode”, waarmee de slagschaduwhinder uitgebreider in kaart kan worden gebracht. Zie B. Vogelaar, Notitie slagschaduw berekenmethoden, Pondera 22 augustus 2014 (concept

2).9 In het kader van het ontwikkelen van lokale normen en de motiveringseisen die daaraan worden gesteld, had het provinciebestuur dergelijke andere onderzoeksmethoden hier in kaart moeten brengen. 144.

Overigens betwisten cliënten de juistheid van de berekeningen van de slagschaduwhinder in Pondera Akoestiek en Slagschaduw. Binnen de beroepstermijn hebben zij dit niet kunnen laten narekenen.

145.

In Pondera Akoestiek en Slagschaduw, p. 88, wordt voor de bestaande windturbines bovendien gerekend met windturbines met een naafhoogte van 85 m en een rotordiameter van 71 m

Planvoorschrift I…Ian

(oftewel een wiel

(geanonimiseerd)

De Mars midden en noord (veegplan) staat

wde tiphoogte is dus 85 + 35,5 m = 120,5 m.

echter een tiphoogte van 125 m toe.°9 Er is dus niet gerekend met de maximale planmogelijkheden. 146.

Voor de woningen Valkeweg 5 en Wellenbergweg 2 treedt in de referentiesituatie al meer dan 5 uur en 40 minuten slagschaduwhinder op. Zie de tabellen 3.5 en 3.6. In die zin is het

onbegrijpelijk dat niet wordt voorzien in een nadere cumulatieve normering. Het gevolg is dat het extra uur (of meer, gelet op de besproken verkeerde uitgangspunten van Pondera Akoestiek en Slagschaduw) als gevolg van Windpark IJsselwind leidt tot een nog verdere overschrijding van de 5 uur en 40 minuten slagschaduwhinder. Hier zal dus onevenredige slagschaduwhinder ontstaan, in strijd met het uitgangspunt van maximaal 5 uur en 40 minuten slagschaduwhinder dat het provinciebestuur stelt te hanteren. 147.

Cliënten betwisten bovendien dat de sensoren die nodig zijn voor een automatische stilstandregeling gevoelig genoeg zijn om een maximum van 1 uur slagschaduwhinder per jaar voor de verdere woningen te garanderen c.q. dat een voldoende gevoelige automatische

stilstandvoorziening bestaat. Ten onrechte zijn de eisen waaraan een automatische stilstandvoorziening moet voldoen, niet voorgeschreven. Is een computermodel met input van een weersverwachting en zonnestanden voldoende, of moeten er sensoren aanwezig zijn die de

feitelijke situatie ter plaatse meten, enz. enz.? Dit is allemaal niet geregeld. 148.

Ook hier is niet meegenomen dat de windturbines op verschillende hoogten staan; dat kan ook op de slagschaduwhinder invloed hebben. Zie hierboven bij randnummer 107 e.v.

* Zoals gevonden op https://ponderaconsult.com/wp-content/uploads/2015/08/Notitie-Slagschaduwberekenmethoden.pdf. 39 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0301.bp0212MMNveegplan-

vs01/

NL.IMRO.0301.bp0212MMNveegplan-vs01.html#

pagina 42 /69

5 Bedrijventerrein.

ieu

Wertheim

advocatuur

n

A

erheid

10.5 149.

A -…

ruimtelijke

_ A J[-AAA ordening

Lichtschittering

Windpark IJsselwind zal voor cliënten leiden tot onaanvaardbare lichtschittering en daarmee ook

voor aantasting van hun gezondheid. Voor deze beroepsgrond verwijzen cliënten ook naar $ 7 hierboven en $ 10.8.3 hieronder. 10.6 150.

Uitvoerbaarheid

Zoals elders in dit beroepschrift is opgemerkt, zijn de verleende watervergunningen, de natuurvergunning en de natuurontheffing niet afdoende voor Windpark IJsselwind zoals het PIP

een de omgevingsvergunningen dat nu mogelijk maken. Reeds om die reden moet het PIP niet uitvoerbaar worden geoordeeld. 10.7 151.

Eerdere natuurcompensatie voor aanleg N348

(geanonimiseerd) Volgens de Zien…and met de aanleg van de rondweg N348 compensatie plaatsgevonden voor

de

das en

de steenuil. De natuurcompensatie zou niet worden

aangetast. Dat is in ieder geval voor de das niet juist; zie uitdrukkelijk $ 10.9.3 hieronder, met name

152.

vanaf randnummer

208 hieronder.

De compensatie diende echter niet enkel de steenuil en de das, zij was ook bedoeld als compensatie voor de waterberging. Windturbine 1 is namelijk omgeven door een waterberging en ligt op een plek die zelf onder de tot nog toe geldende planologische regeling de aanduidingen “waterberging” en “specifieke vorm van agrarisch met waarden — compensatie waterberging” kent. Zie het Inpassingsplan Rondweg N348 Zutphen-Eefde (NL.IMRO.9925.IPN348Zutphenvst1). Blijkens planvoorschrift 4.1, onder d, van dat inpassingplan is de plek van en rond

windturbine 1 bedoeld voor het realiseren van een waterberging.* Die waterberging werd ten tijde van vaststelling van het inpassingsplan nodig geacht ter compensatie van het verloren gaan van waterbergende capaciteit als gevolg van de aanleg van de Rondweg

N348 Zutphen-Eefde.

Zie ook $ 3.5 van de toelichting op dat plan: “Het tracé loopt dwars door een gebied dat in het streekplan is aangewezen als waterbergingsgebied. Door de aanleg van de weg gaat ca. 16.000 m3

waterbergingsgebied verloren. Dit wordt gecompenseerd in een gebied langs de Eefsche beek. Door het verlagen van het maaiveld wordt ruim 16.000 m3 aan bergingscapaciteit teruggewonnen. In het terrein worden vervolgens natuurcompenserende maatregelen uitgevoerd voor de das en de steenuil (zie paragraaf 3.4), in combinatie met een extensief

agrarisch gebruik.”*! 153.

Volgens het PIP, toelichting, $ 5.8.2, kopje Waterbergingsgebied zou windturbine 1 geen significant effect op de werking en het bergend vermogen van dit gebied hebben. Gelet op de

* Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.IPN348Zutphenvsti/

NL.IMRO.9925.IPN348Zutphen-vsti_2.4.html.

*1 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.IPN348Zutphenvst1/t

NL.IMRO.9925.IPN348Zutphen-vst1_3.5.html.

pagina 43/69

b.v.

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

omvang van de fundering en de voorzieningen die verder bij windturbine 1 horen (0.a. een opstelplaats en een semiverharde weg), kan dat niet staande worden gehouden. Volgens de

Zienswijzennota, $ 2.7.3, wordt, indien het noodzakelijk blijkt om de weg en de opstelplaats verhoogd aan te leggen, de afname van het bergingsvolume gecompenseerd door bijvoorbeeld zakgreppels te graven langs de verharding. Semi-verhard in planvoorschrift 3.1, onder b, is niet echter gedefinieerd en de aanleg van zakgreppels is niet voorgeschreven. 10.8 154.

Afzonderlijke voorschriften en aanduidingen

Cliënten verzetten zich tegen alle bestemmingsvlakken van het PIP en alle planregels (planvoorschriften) en alle aanduidingen op de plankaart die de windturbines en de daarbij behorende voorzieningen mogelijk maken, en tevens (maar dus niet alleen) tegen de hierna expliciet besproken onderdelen van het PIP.

10.8.1 Artikel 3!!(geanonimiseerd) IJm!lu!mepa! 155.

Cliënten verzetten zich tegen de komst van windturbines als zodanig, maar vinden de turbines die planvoorschrift 3.2.1 mogelijk maakt ook veel te groot. De wijzigingen ten opzichte van het eerdere gemeentelijke plan (rotordiameter e.d.) zijn bovendien niet goed onderzocht en niet goed in de verschillende benodigde ontheffingen en vergunningen doorgevoerd; zie elders in dit beroepschrift. 10.8.2

156.

Artikel 3.3.1 Geluid

De gekozen geluidnormering biedt cliënten onvoldoende bescherming, zoals elders in dit beroepschrift al is aangetoond. De argumenten met betrekking tot geluid elders in dit beroepschrift gelden ook als te zijn gericht tegen planvoorschrift 3.3.1, dus ook waar cliënten dat

hier niet expliciet herhalen. Deels is een herhaling hier onvermijdelijk. Cliënten wijzen op het volgende. 157.

Een normering in Lden en Lnigt biedt onvoldoende bescherming en ontbeert een deugdelijke wetenschappelijke onderbouwing: zie ook de rapporten van DGMR Geluid, Meester en Alteveer (genoemde producties 5, 11 en 13). De waarden 47 dB Lden en 41 dB Lign zijn bovendien te hoog. Er zal voor cliënten in verhouding tot het doel van duurzame energieopwekking dat het provinciebestuur zegt na te streven, onevenredige geluidhinder ontstaan.

158.

Ten onrechte beperkt planvoorschrift 3.3.1, onder a, de bescherming tot geluidgevoelige objecten, zoals gedefinieerd in planvoorschrift 1.21. Cliënten moeten ook buitenshuis, vanwege

de aard van de omgeving, de aard van hun werk (m.n. B en de afhankelijkheid van toerisme (m.n. N beschermd worden tegen onevenredige geluidhinder. . zijn vaak op het land aan het werk en in hun (deels) open stallen (die nóg dichter bij de turbines liggen dan de woning). Zie ook $ 10.3.1, m.n. randnummer 99 hierboven.

pagina 44 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

159.

ordening

Ten onrechte ontbreekt een norm voor laagfrequent en voor infrasoon geluid, alsmede voor trillingen, amplitudemodulatie en tonaal geluid (zoals bromtonen).

160.

De gekozen geluidnormering biedt voorts onvoldoende bescherming tegen gezondheidsschade.

181.

Ook in DGMR

Geluid worden enkele concrete opmerkingen over planvoorschrift 3.3.1 gemaakt;

die moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. 162.

163.

Verder wijzen cliënten op het volgende. De geluidnormering geldt voor a)

de drie windturbines van het bestreden PIP tezamen, maar ook

b)

“cumulatief met bestaande windturbines”.

Wat onderdeel a)}

twee expluilante…

ingsprobleem. De drie windturbines worden door

(geanonimiseerd)

en Waterschap Rijn en IJssel, en vormen

twee inrichtingen. Zie in diezelfde zin ABRS 12 mei 2021, 201908401/1/R1, r.0. 6.1. Onduidelijk is wie van beide partijen bij overschrijding van de norm van planvoorschrift 3.3.1, onder a, kan

worden aangesproken. Waterschap Rijn en IJssel kan bij overschrijding van de norm tegen IJsselwind B.V. zeggen: “Ik ben het probleem niet. Zet gij uw windturbine(s) maar stil.” En andersom zou IJsselwind B.V. dat tegen Waterschap Rijn en IJssel kunnen zeggen.

Planvoorschrift 3.3.1, onder a, lijkt in dit opzicht erg op wat mr. Barnhoorn in haar schriftelijke reactie van 1 mei 2020 namens de gemeenteraad van Zutphen in de zaak 201908401/1/R1 voorstelde, te weten een nieuw planvoorschrift 4.3.3, onder a:

“het in gebruik nemen en houden van een windturbine is slechts toegestaan als deze windturbine gecumuleerd met de andere twee windturbines op de voor ‘BedrijfWindturbine’ aangewezen gronden ter plaatse van een gevoelig object de norm uit artikel

3.12 lid 1 Activiteitenregeling naleeft.” 164.

In de genoemde uitspraak van 12 mei 2021, r.o. 6.2.1, overwoog uw Afdeling in dit verband als

volgt: “De raad heeft de Afdeling voorgesteld om zonodig zelf in de zaak te voorzien door de planregels op dit punt aan te vullen met cumulatieve normen voor geluid en slagschaduw.

B

en anderen kunnen met dit voorste! niet instemmen en betogen naar

aanleiding van dit voorstel dat cumulatieve normen voor meerdere inrichtingen kunnen leiden tot complicaties bij de handhaving. Zij vrezen dat als geen duidelijke normen per

inrichting gelden, een exploitant bij overtreding van deze gezamenlijke norm naar de andere exploitant zal wijzen als veroorzaker van de overtreding. Het college heeft op de zitting aangegeven dat de naleefbaarheid en de handhaafbaarheid van de alsnog

voorgestelde cumulatieve voorschriften kan worden bevorderd door het maken van afspraken tussen de inrichtinghouders en dat in de controleerbaarheid daarvan kan worden voorzien door het bijnouden van logboeken. Desgevraagd kon het college ter

zitting daarvan nog geen nadere uitwerking of concretisering geven. De Afdeling stelt vast pagina 45/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

dat wat er ook zij van dergelijke afspraken, daarmee een effectieve publiekrechtelijke handhaving van die afspraken nog niet is verzekerd.” 165.

Deze bezwaren gelden ook voor het thans bestreden planvoorschrift 3.3.1, onder a.

166.

Hierna zal ook worden ingegaan op de bestreden omgevingsvergunningen. Zelfs als uw Afdeling mocht oordelen dat de daarin opgenomen maatwerkvoorschriften voor geluid de handhaafbaarheid wel garanderen, moet worden geconstateerd dat planvoorschrift 3.3.1, onder

a, ook los moet worden beoordeeld, omdat dat zich immers voor herhaalde toepassing leent en ook kan worden gebruikt voor nieuwe omgevingsvergunningen. In het PIP, plantoelichting, $6.2.2, kopje Handhavings- en rekenmethodiek wordt gesteld: “De windturbines in windpark IJsselwind gezamenlijk mogen de gestelde norm in de

(geanonimiseerd) planregel…ien. In de omgevingsvergunning wordt een

immissiebudget voor iedere afzonderlijke windturbine in windpark IJsselwind opgenomen waaraan getoetst dient te worden. De basis voor handhavend optreden is het vastgestelde immissiebudget per windturbine, plus de cumulatieve norm in de planregels van dit inpassingsplan.” Planvoorschrift 3.3.1, onder a, moet dus echter als gezegd ook los van het in de omgevingsvergunningen vastgestelde immissiebudget handhaafbaar zijn. In de omgevingsvergunningen zijn bovendien voor windturbines 1 en 2 andere geluidmaatwerkvoorschriften opgenomen dan voor windturbine 3, blijkbaar om in totaliteit een bepaalde geluidbelasting te garanderen. PS hadden dus ook in de planvoorschriften voor de verschillende turbines verschillende normen in planvoorschrift 3.3.1 kunnen en moeten opnemen. Volgens de Zienswijzennota, nr. 7.25, punt 11, onder b (p. 86), wordt de geluidruimte verdeeld

(over de beide inrichtingen die tezamen Windpark IJsselwind vormen). Dat blijkt ook uit (de considerans van) de beide omgevingsvergunningen. Die verdeling, gesteld dat zij op zich al onevenredige geluidhinder zou voorkomen, had ook in de planvoorschriften geregeld moeten worden.

167.

Wat betreft het genoemde onderdeel b) “cumulatief met bestaande windturbines” merken cliënten

het volgende op. Hiervoor gelden dezelfde bezwaren, zelfs in versterkte mate, omdat die “bestaande windturbines” (in de zin van planvoorschrift 1.11) door nóg weer een andere partij worden geëxploiteerd. 168.

De “bestaande windturbines” mogen bovendien meer geluid produceren dan waarmee Pondera Akoestiek en Slagschaduw, $ 2.7, p. 11 e.v., heeft gerekend. De middelste en de zuidelijke bestaande windturbines van type Enercon E-70 kunnen op grond van het daar geldende bestemmingsplan De Mars midden en noord (veegplan), NL.IMRO.0301.bp0212MMNveegplanvs01, worden vervangen door andere turbines. Er geldt voor de twee zuidelijke windturbines een

bestemming Bedrijventerrein (planvoorschrift 5), maar dat bestemmingsplan geeft, anders dan

pagina 46 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

het hier bestreden planvoorschrift 3.3.1, geen geluidnormering.*2 De noordelijke bestaande windturbine valt zelfs in een gebied waarvoor ten tijde van de vaststelling van het PIP in het

geheel geen bestemmingsplan gold (en nog steeds niet geldt). Zie de schermafdruk van ruimtelijkeplannen.nl die hierboven als productie 9 is bijgevoegd. 169.

Voor de bestaande windturbines zouden momenteel wellicht de normen van de Tijdelijke overbruggingsregelingen windturbineparken relevant kunnen zijn. De (Europeesrechtelijke)

houdbaarheid van die regelingen wordt echter door cliënten betwist, omdat die regelingen in strijd met de SMB-richtlijn niet aan een voorafgaande milieubeoordeling zijn onderworpen. Ook de exploitant van de bestaande windturbines zou kunnen zeggen dat hij zich niet aan enige norm

gebonden acht. Kortom, het is niet duidelijk of de cumulatie met de bestaande windturbines goed (op basis van de redelijkerwijs maximaal te verwachten geluidproductie van die turbines) is

(geanonimiseerd) 10.8.2.1 170.

Handhavings- en rekenmethodiek

Over onderdeel d en de als bijlage 1 bij de regels opgenomen Handhavings- en

rekenmethodiek“3 merken cliënten — in aanvulling op wat DGMR Geluid daarover reeds heeft opgemerkt — het volgende op. 171.

In artikel 1 wordt gesproken van een rapport dat bedoeld is om te onderbouwen dat wordt voldaan aan de immissienormen. Ten onrechte is niet geregeld wanneer zo’n rapport moet

worden aangeleverd en wie bevoegd zou zijn zo’n rapport te verlangen, gesteld dat zoiets al geregeld kan worden in een inpassingsplan. Ook is niet geregeld dat aan de opdracht tot het maken van zo'n rapport gehoor moet worden gegeven (en evenmin door wie daaraan gehoor

moet worden gegeven). 172.

In verschillende artikelen wordt verwezen

naar het Reken- en meetvoorschrift windturbines

(bijlage 4 bij de Arm), in de versie zoals deze gold op 29 juni 2021. Ten onrechte wordt niet gemotiveerd waarom voor deze datum is gekozen. 173.

Het Reken- en meetvoorschrift windturbines maakt integraal onderdeel uit van de oude Windturbinepalingen, die gewraakt zijn in ABRS Delfzijl. Ten onrechte heeft het provinciebestuur niet de in ABRS Delfzijl verlangde “actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering” voor het voorschrijven van het Reken- en meetvoorschrift windturbines gegeven.

42 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL..IMRO.0301.b90212MMNveegplanvs01/ NL.IMRO.0301.bp0212MMNveegplan-vs01.html# 5 Bedrijventerrein.

*3 Te vinden op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL .IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1

rb1.pdf .

pagina 47 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

174.

ordening

Dat klemt te meer nu STAB Delfzijl op Reken- en meetvoorschrift windturbines kritiek heeft geuit, welke kritiek als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. STAB Delfzijl, p. 34-35, schrijft bijvoorbeeld: “Een ander aspect van het werken met jaargemiddelde normen is dat ook de hinder die omwonenden op enig moment ervaren, wordt 'uitgemiddeld’ over het jaar. Daardoor is er

eigenlijk geen relatie meer met de op enig moment door omwonenden ondervonden hinder. Handhaving van jaargemiddelde normen op basis van geluidmetingen is overigens praktisch gezien onmogelijk, omdat dit zou vereisen dat een jaar lang gemeten

moet worden. Los daarvan biedt het Reken- en meetvoorschrift windturbines geen methode voor het doen van geluidmetingen bij woningen. Handhaving van Lden en/of Lright geschiedt op basis van een steekproefsgewijze controle van het bronvermogen, zo staat

in de toelichting bij het reken- en meetvoorschrift. Daartoe is in het reken- en

(geanonimiseerd) meetvour…en. Als uit de steekproef blijkt dat een of meerdere windturbines een

hoger

bronvermogen hebben dan waarvan bij de

vergunningverlening is uitgegaan, kan de jaargemiddelde geluidbelasting bij een woning worden berekend op basis van een overdrachtsberekening, uitgaande van het (gemeten) jaargemiddelde bronvermogen. Door de keuze voor een jaargemiddelde norm is er

eigenlijk geen relatie meer met de op enig moment door omwonenden ondervonden hinder. Ik onderschrijf in zoverre de kritiek van appellanten op een jaargemiddelde norm.” 175.

De mogelijkheden in artikel 3 van de bij het PIP behorende Handhavings- en rekenmethodiek om af te wijken van Reken- en meetvoorschrift windturbines zijn bovendien onvoldoende rechtszeker

en zijn enkel geschreven in het belang van de drijvers van de inrichting. Volgens onderdeel a staan tijd- en kostenbesparing voor de drijvers voorop en “nagenoeg even nauwkeurig” laat te veel ruimte voor interpretatie. In onderdeel c wordt gesproken van een niet voldoende

representatieve geluidsbelasting als het Reken- en meetvoorschrift wordt toegepast, maar het is volstrekt onduidelijk wanneer daarvan sprake is en wie mag bepalen dat daarvan sprake is. 176.

Het Reken- en meetvoorschrift geeft dus als gezegd geen methode voor het doen van geluidmetingen bij woningen, maar bovendien zijn de daarin opgenomen formules afgeleid van die voor verkeerslawaai. Verkeerslawaai is niet vergelijkbaar met windturbinelawaai. Zie

bijvoorbeeld G.P. van den Berg (2005). The beat is getting stronger: The effect of atmospheric stability on low frequency modulated sound of wind turbines. Journal of low frequency noise vibration and active control, 24(1), 1-23. https://doi.org/10.1260/0263092054037702: “In a review

of literature on wind turbine sound

Pedersen

concluded that wind

turbine

noise was not studied in sufficient detail to be able to draw general conclusions, but that the available studies indicated that at relatively low levels wind turbine sound was more

annoying than other sources of community noïse such as traffic.” en in de vertaling van deepl.com: “In een overzicht van de literatuur over windturbinegeluid concludeerde Pedersen dat het

geluid van windturbines niet gedetailleerd genoeg is bestudeerd om algemene conclusies pagina 48 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

te kunnen trekken, maar dat de beschikbare studies erop wijzen dat het geluid van windturbines bij relatief lage niveaus hinderlijker is dan dat van andere bronnen van

gemeenschapslawaai, zoals verkeer.” 177.

Over het bepalen van het bronvermogen (artikel 4) heeft DGMR Geluid, p. 11, opmerkingen gemaakt. Blijkens artikel 4 is het mogelijk te volstaan met “beschikbare” gegevens over de bronvermogens, lees: de gegevens die de fabrikant aanlevert. Er

zijn in de praktijk veel

afwijkingen. DGMR Geluid stelt terecht dat het bronvermogen altijd gemeten zal moeten worden. Die metingen zullen bovendien wetenschappelijk verantwoord moeten zijn. 178.

De handhaving is, zoals onder meer blijkt uit artikel 5 en uit het toepassen van een jaargemiddelde dosisnorm, bovendien veel te afhankelijk van de gegevens die de drijvers zelf

(geanonimiseerd) bijhouden. Dat b_ving 10.8.3 179.

en kan bovendien aanzetten tot fraude.

Artikel 3.3.2 Slagschaduw en lichtschittering

De gekozen normering voor slagschaduw en lichtschittering biedt cliënten onvoldoende

bescherming, zoals elders in dit beroepschrift al is aangetoond. De argumenten met betrekking tot slagschaduw en lichtschittering elders in dit beroepschrift (zie met name $ 10.4 hierboven) gelden ook als te zijn gericht tegen planvoorschrift 3.3.2, dus ook waar cliënten dat hier niet

expliciet herhalen. Deels is een herhaling hier onvermijdelijk. 180.

Over planvoorschrift 3.3.2 merken cliënten aanvullend nog het volgende op.

181.

Cliënten willen zekerheid dat de windturbines worden voorzien van een deugdelijke automatische stilstandvoorziening. Planvoorschrift 3.3.2, onder a, bevat echter een rechtstreeks gebod een windturbine te voorzien van een automatische stilstandvoorziening. Gelet op het beginsel van “toelatingsplanologie” is dat niet toegestaan. Er had wel een voorwaardelijke verplichting kunnen worden opgenomen. Die ontbreekt ten onrechte. Nu is in planvoorschrift 3.3.2, onder , ook niet duidelijk tot wie het gebod zich richt: de leverancier van de windturbine, de drijver van de inrichting, of nog iemand anders? Met een voorwaardelijke verplichting kan veel duidelijker worden aangesloten bij het overtrederbegrip zoals dat voor artikel 2.3, onder b, jo. Artikel 2.1, lid 1, onder c‚ Wabo wordt gehanteerd.

182.

In planvoorschrift 3.3.2, onder a, zit bovendien de suggestie dat alleen slagschaduw als gevolg

van alle windturbines tezamen relevant is. Er moet duidelijker geregeld worden dat er op de relevante punten niet meer dan x uur slagschaduw per jaar mag optreden als gevolg van het in werking zijn van een of meer van de windturbines die het PIP nu mogelijk maakt. Oftewel, ook als een of twee turbines een tijd stil staan (vanwege defecten, reparaties e.d.) mag één enkele windturbine ook niet meer dan x uur slagschaduw per jaar veroorzaken.

pagina 49/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

183.

ordening

De bescherming beperkt zich in planvoorschrift 3.3.2 ten onrechte tot “slagschaduw gevoelige objecten”. Zie elders in dit beroepschrift. Bovendien wordt het begrip “slagschaduwgebied”

gebruikt. In de definitie van planvoorschrift 1.46 zit de afdekking van minimaal 20% die volgens STAB Delfzijl niet wetenschappelijk onderbouwd is. 184.

Ook planvoorschrift 3.3.2, onder b, dat de lichtschittering betreft, had enkel als voorwaardelijke verplichting geformuleerd kunnen worden. Bovendien moet het niet-reflecterende materieel of de

coating enkel aangebracht te worden “alvorens een windturbine voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden”. Taalkundig klinkt “alvorens in gebruik genomen en gehouden mag worden” vreemd; “voordat een windturbine in gebruik genomen wordt en zolang

een windturbine in gebruik is” zou al beter klinken. Er dient veel duidelijker (en in een voorwaardelijke verplichting die voldoet aan de regelen der kunst) geregeld te worden dat er gedurende de he!

10.8.4 185.

(geanonimiseerd) jes deugdelijke coating aangebracht moet zijn.

Artikel 3.3.3 Veiligheid

Planvoorschrift 3.3.3, onderdelen a en b, lijkt als rechtstreeks gebod geformuleerd, niettegenstaande het gebruik van de woorden “voorwaardelijke verplichtingen” in onderdeel a. In het licht van het beginsel van toelichtingsplanologie is dat niet toegestaan. Er had duidelijker een

verbod in de planvoorschriften moeten worden opgenomen, bijvoorbeeld in de trant dat het verboden gronden conform de bestemming te gebruiken als niet wordt voldaan aan veiligheidseis xof y, enz. Ook de verplichting eenmaal per kalenderjaar beoordelingen te laten verrichten en onderhoud te laten plegen, kan niet via een planvoorschrift worden opgelegd. Hoogstens kan dat eventueel met een maatwerkvoorschrift; zie bij randnummer 278 hieronder. 186.

NEN-EN-IEC 61400-1 komt overigens uit artikel 3.14 Arm, dat behoort tot de oude Windturbinebepalingen. Het provinciebestuur heeft niet conform ABRS Delfzijl gemotiveerd waarom deze norm nu lokaal kan worden toegepast.

10.8.5 187.

Artikel 3.3.4 Landschappelijke versterking

Planvoorschrift 3.3.4, onder a, dat de landschappelijke versterking betreft, had enkel als

voorwaardeijke verplichting geformuleerd kunnen worden. De maatregelen moeten nu worden gerealiseerd “alvorens een windturbine voor energieproductie in gebruik genomen en gehouden mag worden”. Daarna moeten zij echter ook in stand blijven. Onderdeel b beoogt dat te regelen, maar dat is in strijd met het beginsel van toelatingsplanologie als rechtstreeks gebod geformuleerd. Vg. voor de wijze van formuleren ook bij randnummer 185 hierboven. 188.

Onduidelijk is wat Bijlage 2 bij planvoorschrift 3.3.4 is. Een “inrichtingsplan” bij de planregels wordt betiteld als “Bijlage 1 Inrichtingsplan”. Als dat het bedoelde plan is, valt op te merken dat het veel te vaag is. In “Bijlage 1 Inrichtingsplan” worden de hoogte en aard van de beplanting in

het midden gelaten. Die bijlage vermeldt nota bene zelf het volgende: pagina 50/69

ieu

Wertheim

advocatuur

n

A

erheid

A -

ruimtelijke

_ A J[-AAA ordening

“Genoemde beplantingen in de legenda zijn slechts ter indicatie en dienen in een inrichtingsplan uitgewerkt te worden” 189.

Zo'n inrichtingsplan ontbreekt.

190.

De (gemankeerde) “voorwaardelijke” verplichting geldt bovendien enkel voor gronden met de bestemming Bedrijf-Windturbinepark (artikel 3), terwijl de beoogde beplanting juist (grotendeels) buiten die gronden gerealiseerd moet worden, als men ‘Bijlage 1 Inrichtingsplan” mag geloven.

Te denken valt aan gronden met de bestemming Groen-Landschappelijke versterking (artikel 6), maar daar is geen voorwaardelijke verplichting geregeld. 10.8.6 191.

Artikel 6 Groen - Landschappelijke versterking

(geanonimiseerd) Deze hestemmm…et landschappelijke inpassing van de

windturbines. Echter, zoals

bij randnummer

ierboven al bleek, is in planvoorschrift geen

voorwaardelijke verplichting opgenomen en wordt daarin geen inrichtingsplan genoemd. 10.8.7 Artikel 15.1 Overige zone — parkinfrastructuur (ontwerpartikel 14.1) 192.

Zoals in de Zienswijzennota, $ 2.8.1, wordt toegegeven, is gekozen voor vrij ruime aanduidingen. Cliënten menen dat de “overige zone-parkinfrastructuur” veel preciezer moeten en kunnen worden begrensd op concrete locaties (en niet enkel in maximale oppervlakten). Vooral bij windturbine 1 wordt met de ruime gebiedsaanduiding “overige zone-parkinfrastructuur” niet uitgesloten dat er dassen en bevers worden verstoord. 10.8.8

183.

Artikel 15.3.1 Veiligheidszone — windturbine (ontwerpartikel 14.3.1)

Deze gebiedsaanduidingen komen tot over de gronden van cliënten (met name Lubberding c.s.). Volgens de Zienswijzennota, $ 2.8.4, zou er geen sprake zijn van een beperking van de bestaande gebruiksmogelijkheden “omdat” de bepaling de bepaling een duidelijke doelstelling

heeft: het waarborgen van de veiligheid in de nabijheid van de windturbines. Dat dat het doel is, laat echter onverlet dat hier niet langer kwetsbare objecten zijn toegestaan. Dat is niet goed afgewogen, omdat het provinciebestuur er dus ten onrechte van uitgaat dat de aanduiding geen

beperkingen oplevert. 10.8.9 194.

Artikel 16 Overige regels (ontwerpartikel 15)

Binnen de begrenzing van het PIP hebben niet alle gronden een bestemming gekregen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de windturbines 1 en 2 onder de Gebiedsaanduidingen veiligheidszonewindturbine, resp. vrijwaringszone — windturbine. Die aanduidingen vallen deels over gronden die

bij cliënten in gebruik zijn. In planvoorschrift 16.2 wordt de gemeenteraad beperkt in zijn mogelijkheden hier een bestemmingsplan vast te stellen. Daarmee worden ten onrechte indirect ook de gebruiksmogelijkheden van de gronden van cliënten, met name Lubberding c.s., beperkt.

pagina 51 /69

b.v.

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

erheid

195.

A -…

ruimtelijke

_ A ordening

Ook bij de Gebiedsaanduiding overige zone — parkinfrastructuur regelt het PIP geen bestemming. Wat met deze aanduiding mogelijk wordt gemaakt, lijkt op een bestemming. Volgens de

Zienswijzennota, $ 2.8.1, zou het hier gaan om een tijdelijke voorziening en zou gezien de tijdelijke aard een hoofdbestemming niet wenselijk

zijn. Naar het oordeel van cliënten laat dat

onverlet dat een gewone bestemming veel meer duidelijkheid biedt.

10.9 196.

Cliënten wijzen verder nog op het volgende. 10.9.1

197.

Overige onderwerpen (nieuwe paragraaf t.0.v. Zienswijze)

Watervergunningen

De waterkeringen nabij de gronden van cliënten kunnen als gevolg van ongevallen met de windturbines beschadigd raken en leiden tot waterschade en ongevallen. Ook deze risico's zijn

(geanonimiseerd) 198.

PS Overijssel hebben het PIP vastgesteld op het moment dat er nog geen toereikende watervergunningen waren. Zoals in $ 4.1 hierboven al is opgemerkt, worden thans immers wijzigingen van de twee watervergunningen van 10 oktober 2019 voorbereid; tot op heden is het gebleven bij ontwerpwijzigingen. In de twee desbetreffende ontwerpbesluiten wordt overwogen

dat de gewijzigde positie, afmetingen, gewichten en zonering** kunnen leiden tot een verhoogd negatief effect van de windturbines op de waterveiligheid en (in de ontwerpvergunning voor de

windturbines 1 en 2) een grotere afname van het bergingsvolume. 199.

Een inpassingsplan dient te getuigen van een goede ruimtelijke ordening. Daar hoort inzicht in de

waterveiligheid en de gevolgen voor waterberging bij. 200.

Nu PS Gelderland het plan zonder dat inzicht hebben vastgesteld, is het vaststellingsbesluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb. Weliswaar zit bij het PIP thans een “Notitie/memo Royal HaskoningDHV, windpark IJsselwind — effecten gewijzigde afmetingen en

locatie op waterkering, kenmerk BI5627-RHD-AM-NT-GT-0001, datum 22-3-2022".4 In hun zienswijze van 21 september 2022 (genoemde productie 6), $ 2.3, hebben cliënten over de ontwerpvergunningen en over die notitie opmerkingen gemaakt. Die opmerkingen dienen hier als integraal herhaald en ingelast te worden beschouwd. PS Gelderland hadden de wijzigingen van de watervergunningen moeten afwachten alvorens het PIP vast te stellen. Cliënten vragen ook over die opmerkingen dus het uitdrukkelijke oordeel van uw Afdeling.

* Dus: gewijzigd ten opzichte van het (vernietigde) plan dat het gemeentebestuur van Zutphen in procedure bracht; vgI. hierboven bij randnr. 12 * Zie htips://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL. IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1

tb17.pdf.

pagina 52/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

10.9.2 201.

ordening

Natuurvergunning

Zoals in $ 6 hierboven is opgemerkt, is de eerder afgegeven natuurvergunning niet één-op-één in het PIP ingepast. Het PIP is vastgesteld in strijd met artikel 2.7, lid 1, Wb

en de uitzondering van

artikel 2.8, lid 2, Wnb is niet van toepassing.* De eerder afgegeven natuurvergunning zal bovendien nog moeten worden aangepast; zie $ 11.3 hieronder. 202.

Cliënten merken hier ook nog het volgende op. Volgens het PIP, plantoelichting, $ 5.6.2.1 Gebiedsbescherming, zouden de aangewezen habitatrichtlijnsoorten (vissen, kamsalamander, bever, meervleermuis) zijn niet gevoelig voor verstoring als gevolg van windturbines. Op de bever wordt ook ingegaan in de Zienswijzennota, $ 2.5.4. Hiervoor geldt hetzelfde als voor de inventarisatie met betrekking tot de das: de aanlegfase, waarin naar alle waarschijnlijkheid

geheid zal worden, is ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling van Silvavir (PIP,

(geanonimiseerd) toelichting, bijlag…gemaakt (bijvoorbeeld met relevante literatuurverwijzingen)

dat

de trillingen

die windturbines in de grond brengen, de bever niet zullen

verstoren. Hier zou het voorzorgsprincipe moeten worden gevolgd. Het nu verrichte onderzoek is ondeugdelijk, althans onvolledig. 203.

Ook de verleende natuurontheffing is dus mogelijk onvolledig en op voorhand hadden PS niet op voorhand mogen aannemen dat de soortenbescherming niet aan de uitvoerbaarheid van het PIP

in de weg staat. Cliënten behandelen de bever nu onder het onderhavige kopje natuurvergunning, omdat PS de bever immers zelf in de plantoelichting onder het kopje Gebiedsbescherming behandelen. 10.9.3 204.

Natuurontheffing

Op de soortenbescherming wordt in het PIP, toelichting, $ 5.6.2.2 en $ 5.6.3, ingegaan. Daar wordt verwezen naar een onherroepelijke Wnb-ontheffing met betrekking tot vleermuizen en vogels. In $ 5.6.3 wordt toegegeven dat een wijziging van de ontheffing nodig is voor vergroting met de windturbines met 2,5 m en verplaatsing van windturbine 1 met 23 m, welke wijziging op

24 mei 2022 is aangevraagd. Gedoeld wordt op de ontheffing van 7 oktober 2019, die in $ 4.3 hierboven is genoemd. Zoals daar al is opgemerkt, hebben cliënten een zienswijze over het ontwerp van de wijziging van de ontheffing gegeven en is daarop tot op heden niet beslist. Gelet op de zienswijze zal de ontheffing ook niet conform het ontwerp afgegeven kunnen worden. 205.

De ontheffing van 7 oktober 2019 is blijkens de considerans, p. 2, afgegeven: “In verband met de voorgenomen bouw en exploitatie van Windpark IJsselwind bestaande uit drie windturbines in de gemeente Zutphen De geplande windturbines krijgen een tiphoogte van 185 m. De rotordiameter bedraagt 120 m en de ashoogte 125 meter.”

8 VgI. ABRS 28 december 2022, https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:3990,

r.0. 4.

*7 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL..IMRO.9925. IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1

tb14.pdf

pagina 53/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

206.

ordening

Het PIP, planvoorschrift 3.2.1, maakt thans echter windturbines met de volgende specificaties mogelijk:

) b. de minimale ashoogte van een windturbine bedraagt 95 meter; c. de maximale ashoogte van een windturbine bedraagt 120 meter;

d. de minimale rotordiameter van een windturbine bedraagt 120 meter; e. de maximale rotordiameter van een windturbine bedraagt 138,25 meter; f. de tiphoogte van de windturbine mag niet meer bedragen dan 187,5 meter;

h. de bouwhoogte van de fundering van een windturbine bedraagt ten hoogste 3,5 meter.” 207.

Anders dan in de toelichting van het PIP wordt gesteld, is dus niet enkel wijziging van de

(geanonimiseerd) ontheffing voor “…et 2,5" (lees: voor windturbines met een

tiphoogte van 187,5

m In plaats van

m) nodig. Ook de rotordiameter neemt toe van 120 m

naar 138,25 m. Het draaioppervlak van de wieken neemt met meer dan 309% toe. Doordat de ashoogte is verlaagd, kan bovendien het uiteinde van een wiek in de laagste positie dichter bij de grond komen dan eerder, namelijk nu ca. 28,9 boven de grond, tegenover eerder 65 m boven de grond. Zie voor de berekeningen de genoemde zienswijze (genoemde productie 6), p. 7, randnummer

208.

16.

Zie voor de argumenten tegen de voorgenomen wijziging van die ontheffing dezelfde zienswijze, die als gezegd als integraal herhaald en in het onderhavige beroepschrift ingelast moet worden beschouwd. Die argumenten betreffen onder meer ook de das (meles meles). P.M. De notitie P. van Bree, Concretiseren voorwaarden das — project IJsselwind, Zutphen: Bureau Waardenburg,

12 augustus 2022,% i onvoldoende. Deze notitie gaat niet in op wat in de genoemde zienswijze is opgemerkt, namelijk dat er nieuwe burchten zijn bijgekomen (ook binnen 20 m van windturbine

1) en dat er burchten ongeveer op de grens van 20 m afstand tot de windturbines liggen en er dus geen enkele speling is. Reeds om die reden wordt niet voldaan aan het kennisdocument das, dat ook door Bureau Waardenburg genoemd wordt. Ten onrechte acht Bureau Waardenburg

bovendien geen compensatie van leefgebied nodig. Cliënten zijn primair van mening dat het hier om essentieel fourageergebied gaat. Bovendien is de analyse van Bureau Waardenburg, p. 6, voorlaatste alinea (“Als gevolg van de aanleg … als gevolg van verlies van foerageergebied van

de das") enkel gebaseerd op algemene literatuur en algemene uitgangspunten en niet op een gedegen analyse van de situatie ter plaatse. 209.

Over de notitie van Bureau Waardenburg maken cliënten ook nog de volgende opmerkingen: a.

Volgens de Zienswijzennota, $ 2.5.6, zou de beperkte verkleining van het foerageergebied voor de das door initiatiefnemers ruimschoots gecompenseerd zijn. Die

‘beperkte verkleining’ is ongeveer 2500 m2 , wat op het totale foerageergebied van de * Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925. IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1

tb26.pdf.

pagina 54 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

das bezien misschien niet veel is, maar het betreft wel het beste en het dichtst bij de burchten gelegen foerageergebied.

b.

Opmerkelijk is ook de stelling in de Zienswijzennota, $ 2.5.3, dat wordt gesteld dat er geen essentieel foerageergebied verloren gaat. Het Overdrachtsvereistendocument (van Adviesbureau Mertens) (waarop ook in de Zienswijzennota, $ 2.5.6, met de

woorden “strenge overdrachtseisen” gedoeld lijkt te worden) stelt in hoofdstuk 3 echter dat “de compensatielocatie te classificeren (is) als essentieel foerageergebied met vaste rust- en verblijfplaatsen van de das.” Dat laatste is ook logisch, het ligt immers bij/naast de burchten.

c.

Het Overdrachtsvereisten-document is namens Provincie Gelderland opgesteld door Adviesbureau Mertens. Op basis van de classificatie uit het Overdrachtsvereistendocument is ieder verlies aan grond verlies van essentieel

(geanonimiseerd) dan wel dient daarvoor gecompenseerd te foerage_jk worden. d.

Ook niet duidelijk is wat er dan precies “ruimschoots gecompenseerd” is (Zienswijzennota, $ 2.5.6). Er zijn geen aanvullende gronden aangewezen, er worden geen maatregelen (bijvoorbeeld kunstburcht) genomen, er is niet meer of ander foerageergebied voor de das beschikbaar gekomen.

Cliënten zien in dit gebied

helemaal niets van een “ruimschootse compensati e.

Volgens het Kennisdocument Das van BIJ12 en de rapportage van Silvavir (PIP,

Toelichting, bijlage 15, Dassenonderzoek)‘° dient 120% van het oppervlak dat voor de das verloren gaat aan foerageergebied gecompenseerd te worden, maar hier is niets voor geregeld of gebied voor aangewezen. De omliggende landerijen zijn reeds in

gebruik door de das dus het zal niet meevallen om een maatregel te realiseren waar de das ook echt baat bij heeft; daardoor verslechtert per saldo de leefomgeving voor de das.

f.

Het aanleggen van de fundering, waarbij zeer waarschijnlijk geheid gaat worden, is in de rapportage van Silvavir niet meegenomen in de beoordeling of er verstoring plaats kan vinden. Wanneer er geheid gaat worden gaat dat zeker verstoring geven, Kennisdocument Das geeft daarom aan: ‘Werkzaamheden die in de directe omgeving van de burcht plaatsvinden, zo kort mogelijk te laten duren en uitvoeren met zo min mogelijk licht, geluid en trillingen.”

g.

Silvavir noemt in het genoemde rapport, $ 4.1, een afstand van 30 m tussen toegangsweg en hoofdburcht. Dat is veel minder dan de afstand van 50 m die Kennisdocument Das in paragraaf 3.2 aangeeft (“Activiteiten die binnen 50 meter van de meest nabijgelegen toegang tot de dassenburcht tussen zonsopgang en zonsondergang (of later dan 19.00 uur als de zon later onder gaat) plaatsvinden kunnen effect hebben op de functionaliteit van de burcht.”) en dus is 30 m onvoldoende.

*9 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL..IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.JsselwindZutphen-VST1_tb15.pdt.

pagina 55 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

Silvavir schrijft ook: “Het aantal aangetroffen bijburchten in deze inventarisatie is hoger ten opzichte van eerdere onderzoeken in 2019.” Wat betreft de turbinefundering en

aanwezige burchten / kunstburcht is het wel heel erg passen en meten om die fundering er op deze manier in te krijgen. Blijkbaar hebben de werklieden die dit zullen moeten uitvoeren, geen werkruimte rondom de fundering nodig, want als dat wel het geval is zal

de cirkel van 20 meter rondom de dichtstbijzijnde burcht overschreden worden. Verder in zuidoostelijke richting verplaatsen kan niet omdat de kunstburcht daar ligt. In Silvavir, $ 2.3, staat het volgende: “Met beschadiging wordt niet alleen fysieke aantasting bedoeld. De functionaliteit van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen moeten tijdens en na uitvoer van de activiteiten gegarandeerd worden. De functionele leefomgeving van een voortplantingsplaats en rustplaats van een das bestaat in ieder geval uit de

(geanonimiseerd) v… *

Aanwezigheid

van voldoende kwalitatief foerageergebied om jongen

groot te brengen * Foerageergebied moet goed en ongestoord bereikbaar zijn vanuit de burcht

* Aanwezigheid van voldoende rust, zowel rond de burcht als rond foerageergebieden” Tijdens de aanlegfase wordt voor een periode van 8 tot 10 maanden de toegangsweg intensief gebruikt. In het PIP, toelichting, $ 5.6.2.2, valt te lezen: “In aanvulling kunnen er maatregelen (onder andere werken buiten kwetsbare periodes) worden getroffen om verlies van essentiële functies van het leefgebied

van de das in het plangebied te voorkomen.” Dit is een onrealistische voorstelling van zaken: bij een aanlegfase die 8 tot 10 maanden duurt kan men nu al beredeneren dat er overlap zal zijn met de kwetsbare periode, die 7

maanden duurt (van december tot en met juni). Er wordt dus bewust voor gekozen om een

beschermde

diersoort te verstoren.

In de Zienswijzennota, $ 2.5.6, is te lezen:

“Verder is de route van de toegangsweg daarbij zodanig gekozen dat voldoende afstand gehouden wordt tot de dassenburchten en er toch een logische aansluiting op de provinciale weg ontstaat. Ten slotte is rekening gehouden met

de hier aanwezige kunstburcht: concreet door het intact laten van het talud en de afstandsmaatregel (20 meter) die gehanteerd is.” Er wordt dus gesproken over “voldoende afstand houden”, maar in de rapportage van

Silvavir is een inventarisatie gemaakt van de verblijfplaatsen van de das in het gebied en naast de hoofdburcht en een kunstburcht zijn er maar liefst negen bijburchten geregistreerd (zie Silvavir, $ 4.1). Inmiddels is het aantal burchten nog verder toegenomen. Sinds april 2022 is er een burcht te zien aan de zuidoostkant van de steilrand; zie de zienswijze van cliënten van pagina 56 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

21 september 2022 (genoemde productie 6), p. 3, figuur 1. Deze is te zien vanaf het fietspad langs de N348 en ligt tegen het geplande vlak voor de windturbine. De dassen

zitten niet stil en zullen zeker wanneer

de familie verder groeit nog meer ruimte nodig

hebben. De afstandsmaatregel die het provinciebestuur zegt aan te houden, noopt er dus toe het bouwvlak (wederom) te verplaatsen. 210.

Zie ook de verdere argumenten die cliënten in hun zienswijze van 21 september 2022 (genoemde productie 6) hebben aangevoerd: die zienswijze dient, als gezegd, hier als herhaald

en ingelast te worden beschouwd. Cliënten hebben in die zienswijze opmerkingen gemaakt over niet onderzochte soorten die wel in het gebied voorkomen, zoals de wespendief. De wespendief

is op de Veluwe al een belemmering voor de oprichting van nieuwe windturbineparken*° en mogelijk dus ook hier. 211.

Zie ook hierboven (geanonimiseerd) !lj ran!nurnrner !!! en !!! voor de bever.

212.

Op voorhand is dus niet duidelijk of de soortenbescherming niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het PIP. PS Gelderland hadden het PIP niet mogen vaststellen zonder duidelijkheid te verkrijgen over die uitvoerbaarheid. Tekenend is dat tot op heden geen reactie op de genoemde zienswijze is ontvangen. De zaak ligt niet zo eenvoudig als PS Gelderland bij het vaststellen van het PIP blijkbaar hebben aangenomen. 10.9.4

213.

Moties in statenvergadering

In de statenvergadering van 16 november 2022 zijn verschillende moties en een amendement met betrekking tot Windpark IJsselwind aangenomen.

214.

Een aangenomen motie van de VVD e.a. (genoemde productie 18) verzoekt GS: “bij indieners van Windpark IJsselwind sterk aan te dringen op het gebruik van geluidsarme windturbines zodat kan worden aangesloten bij een maximale geluidsbelasting van 45 dB Lden en 39 dB Lnight en te bepalen hoe hier toezicht op zal worden gehouden; bij indieners aan te dringen op concrete acties om het draagvlak bij omwonenden voor het Windpark duurzaam te verbeteren.”

215.

Blijkbaar wensen PS een normering van 45 dB Laen en 39 dB Lnig. Door toch een andersluidend PIP vast te stellen hebben PS niet met de van hen te verlangen zorgvuldigheid gehandeld, in strijd dus met artikel 3:2 Awb.

216.

Een aangenomen motie van PvdA e.a. (genoemde productie 19) roept GS op: ‘twee jaar na ingebruikname van de windmolens een evaluatie onder omwonenden te houden over de totale geluidsbeleving.

© Zie https://www.qld.nl/nieuws/7824856/wespendief-dwarsboomt-nieuwe-windmolens-rond-veluwe.

pagina 57/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

erheid

A -…

ruimtelijke

_ A ordening

Na deze evaluatie een gesprek met initiatiefnemers en gemeenten te faciliteren waarin kan worden verkend of er aanpassingen in het projectgebied nodig en mogelijk zijn.” 217.

Blijkbaar zien PS nu toch bezwaren bij de gekozen geluidnormering, althans willen ze na twee jaar een evaluatie. Door dat niet in het PIP op te nemen, althans een andersluidend PIP vast te

stellen hebben PS niet met de van hen te verlangen zorgvuldigheid gehandeld, in strijd dus met artikel 3:2 Awb.

10.9.5 218.

Afbraak windturbines en fundering

In de MER-beoordelingsnotitie, p. 9 en 17, stelt het provinciebestuur dat de windturbines aan het eind van hun levensduur zullen worden afgebroken. Dat is echter ten onrechte noch in het PIP, noch in de beide bestreden omgevingsvergunningen expliciet geregeld. Zie ook $ 11.7 hieronder.

(geanonimiseerd) 10.9.6 219.

Bodemverontreiniging

Cliënten zijn bevreesd voor bodemverontreiniging als gevolg van de bouw van de windturbines, met name van windturbine 3 op Fort de Pol. De op Fort de Pol aanwezige bodemverontreiniging kan zich verspreiden, ook richting de (landbouw)gronden van cliënten.

220.

De windturbine van Wts Rijn en IJssel (windturbine 3) wordt gesitueerd bovenop een oude vuilstort waar nog altijd zware verontreiniging in de bodem aanwezig is. Met een Hydrologisch onderzoek (PIP, Toelichting, Bijlage 18, L.G. Dijkhuis, Hydrologisch onderzoek voormalige

stortplaats “Fort de Pol”, Nijmegen: Royal HaskoningDHV 22 maart 2022)5' meent het provinciebestuur de bezwaren die hier liggen weg te kunnen nemen, maar niets is minder waar. 221.

Zie paragraaf 4.6 van het Hydrologische onderzoek, $ 4.6, p. 14-15: “Met het aanbrengen van funderingspalen kan de structurele integriteit van de scheidende

lagen worden aangetast met een verlaging van de hydraulische weerstand en dus een toename van de verticale grondwaterstromingssnelheid en verspreiding van verontreinigingen tot gevolg. (.…) De paalfundering wordt aangebracht tot in het tweede

watervoerende pakket en tijdens de realisatie worden dus de scheidende lagen rond NAP +0 meter en het Laagpakket van Zutphen doorboord.” 222.

Volgens het rapport, $ 5, p. 18, zou het verontreinigde grondwater het Twentekanaal niet kunnen passeren en daarmee ook niet de bestaande belangen ten noorden van het Twentekanaal kunnen schaden. Cliënten betwisten dat er geen relevante verontreiniging het Twentekanaal zou kunnen oversteken. Dat wordt in het rapport niet uitgelegd. Royal HaskoningDHV lijkt slechts é&n scenario te hebben beoordeeld: een lage waterstand van de IJssel, waarbij het grondwater naar de IJssel stroomt. Bij een hoge waterstand kan er echter ook (grond)water naar de gronden van cliënten (m.n. Lubberding c.s.) worden gestuwd. 51 Te vinden op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL .IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1

tb18.pdf.

pagina 58 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

223.

_ A ordening

Bovendien worden in de vergunningen geen voorschriften voorgeschreven of voorzieningen

opgenomen om verdere verontreiniging ten zuiden van het Twentekanaal te voorkomen. Volgens de Zienswijzennota, $ 2.3.7, wordt bij het aanbrengen van de fundering een uitvoeringsmethode toegepast waarbij verspreiding van verontreiniging naar grotere wordt uitgesloten. Dit is echter

nergens in de bestreden besluiten geregeld. 224.

Bijlage 5 bij de Omgevingsvergunning Wts laat bijvoorbeeld een principedetail van de fundering van windturbine 3 zien, maar enkel van het deel boven het maaiveld. Hoe de fundering er ondergronds uitziet, wordt niet duidelijk. Er staat op de tekening zelfs: “Mogelijk wordt het

fundament ingegraven, nader te bepalen in detail ontwerp” en “Aantal en diepte heipalen nog te bepalen in detail ontwerp”. Een en ander had niet in het midden gelaten mogen worden.

(geanonimiseerd)

225.

dat het aantal scheidende lagen en de dikte en de diepte van de scheidende lagen sterk varieert.” Zonder aanvullende metingen en sonderingen kan echter een gedetailleerde kaart van

bodemopbouw en bijpassende grondwaterstroming, zoals geschetst in de afbeeldingen 13 en 14 van het Hydrologische onderzoek, niet worden gemaakt. De gebruikte peilbuizen liggen immers op een onderlinge afstand van 1500 m of meer (zie Hydrologische onderzoek, p. 9, figuur 10). 226.

De zwaaikom die het Twentekanaal verbindt met de IJssel, zal dichtslipben door sediment dat

neerslaat. Dat zal invloed hebben op grondwaterstroming en de kwel van grondwater in IJssel en Twentekanaal. Dit effect wordt niet besproken in het Hydrologische onderzoek. Evenmin is in kaart gebracht wat het effect is van de nu voorkomende beregening ten noorden van het Twentekanaal.

227.

In Hydrologische onderzoek, $ 4.1, p. 10, leest men: “Het grondwatermodel i gekalibreerd zodat het model geschikt is om studies op regionale schaal uit te kunnen voeren, zowel stationair als niet-stationair.” Het model kan echter geen basis vormen voor een /okaal grondwaterstromingsbeeld over korte afstanden.

228.

In het Hydrologisch onderzoek worden conclusies getrokken aan de hand van sonderingsdata, die gepresenteerd worden in bijlage 2 van het onderzoek. Daar staan grafieken in, maar op geen enkele manier is te bepalen waar deze grafieken vandaan komen. Er staan alleen initialen en een

datum op, verder geen data waardoor de grafiek te herleiden is tot een locatie; een koppeling met afbeelding 5 op p. 9 en daarop vermeldde sonderingsnummer ligt voor de hand, maar is niet gelegd. Men kan dus niet bepalen welke grafiek bij welke locatie hoort en of de conclusies juist zijn.

pagina 59/69

ieu

Wertheim

advocatuur

n

A

erheid

11 229.

A -…

_ A J[-AAA

ruimtelijke

ordening

Omgevingsvergunningen Voor zover hierboven beroepsgronden en argumenten zijn aangevoerd tegen toegepaste normen

voor de verschillende hinderaspecten van windturbines gelden zij uiteraard ook als te zijn aangevoerd tegen de bestreden omgevingsvergunningen. 230.

Ten onrechte krijgt Wis Rijn en IJssel een omgevingsvergunning. Een waterschap is niet op aarde om elektriciteit te produceren. Tussen de bestuurders van de provincie en het waterschap zit bovendien een te grote verwevenheid: vooralsnog stellen cliënten zich op het standpunt dat de

bestreden besluiten (ook het PIP dus) zijn genomen in strijd met het verbod van vooringenomenheid van artikel 2:4 Awb. 11.1

MER/OBM

(geanonimiseerd)

231.

11.2 232.

Flora-en-fauna-acti

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=33c963d5-51cc-4b0e-be12-fb964e41a6ed