CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

600423 - Bijlage 2 - zienswijzen geanonimiseerd

Raadsvergadering 13 november 2023, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Fort de Pol, gemeente Zutphen34.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

van het bijzondere geluid van windturbines inclusief laagfrequent geluid gemeten buiten en binnen de woning. Met de extra hinderlijkheid van het ritmische windturbinegeluid (amplitudemodulatie) is geen rekening gehouden. Er is nieuw onderzoek naar

slaapverstoring nodig. Vgl. STAB Delfzijl, p. 3-6. b)

Wat betreft externe veiligheid ligt, in lijn met de benadering in het buitenland, een effectbenadering in plaats van een risicobenadering voor de hand. Faalfrequenties zijn van voor 2012 en zijn mogelijk niet meer representatief. Vgl. STAB Delfzijl, p. 6-7.

c)

De wetenschappelijke basis voor de normering van slagschaduw is smal. Hier wordt de eventuele schaduw van turbines op een grotere afstand dan 20% afscherming van de zon verwaarloosbaar geacht, terwijl daarvoor volgens STAB Delfzijl p. 8, geen wetenschappelijke basis bestaat. En ook hier wordt schaduw bij een zonnestand lager dan vijf graden als niet-hinderlijk beoordeeld, terwijl, zoals STAB Delfzijl, p. 8, opmerkt, ook daarvoor geen wetenschappelijke basis bestaat.

39.

Hierna zal dat voor de verschillende hinderpunten op punten nader worden uitgewerkt, maar zelfs als dat niet gebeurt, gelden bovenstaande argumenten als zelfstandige door uw Afdeling te beoordelen argumenten.

pagina 18/69

ieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

40.

ordening

Juist vanwege de strenge motiveringseis die voor lokale normen geldt en het feit dat de provincie niet de kennis of mankracht heeft voor uitgebreid en wetenschappelijk verantwoord onderzoek

(en daarvoor aan de door haar ingeschakelde ingenieursbureaus niet de benodigde budgetten ter beschikking stelt, gesteld dat die bureaus zulk wetenschappelijk onderzoek wel zouden kunnen verrichten), had het voor de hand gelegen dat het provinciebestuur de onderzoeken die nu op

landelijk niveau in verband met de niet meer toepasbare Windturbinepalingen worden verricht, zou hebben afgewacht. Zie ook STAB Delfzijl, p. 62, waar een voorkeur voor onderzoek op landelijke schaal wordt uitgesproken. Het provinciebestuur heeft nu in wezen niet meer gedaan

dan dat het het eerdere gemeentelijke plan als provinciaal inpassingsplan in procedure heeft gebracht en met een te magere onderbouwing heeft toegeredeneerd naar de eerdere configuratie van het windpark. Het provinciebestuur heeft met een te magere onderbouwing niet meer gedaan dan de oude Windturbinebepalingen toepassen.

7.2 Helpdeskl(geanonimiseerd) ! op !an! 1.

In hun Zienswijze, p. 10, randnummer 22 e.v., hebben cliënten gesteld dat de Helpdesk Wind op Land als een soort beleidskader fungeert, lijkt op de Vlaamse omzendbrief uit HvJ EU Windturbines Aalter en Nevele en daarom op grond van artikel 3 SMB-richtlijn aan een voorafgaande milieubeoordeling onderworpen moeten worden, omdat hij in wezen een plan of programma vormt dat het kader vormt voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij de MER-richtlijn. In de Zienswijzennota, $ 2.1.3, stelt het provinciebestuur dat het geen gebruik heeft gemaakt van de informatie van de Helpdesk Wind op Land voor het vaststellen van projectspecifieke normen. Echter, het provinciestuur gaat niet gedetailleerd in op de grote gelijkenis van de tekstvoorbeelden van de Helpdesk (ontleend aan Bestemmingsplan Windpark Beuningen) en de (ook nu weer gebruikte) formuleringen van de plantoelichting: Bestemmingsplan Windpark Beuningen,

PIP, toelichting, $ 5.1.3 (tekst is niet gewijzigd

toelichting, $ 4.4.1.5

to.v. ontwerptoelichting)

“Het aantal ernstig gehinderden is in absolute zin

“het aantal emstig gehinderden door windpark

beperkt.

IJsselwind is in absolute zin beperkt. De

De milieuwinst van een strengere norm

(in de vorm van een kleiner aantal ernstig

milieuwinst van een strengere norm (in de vorm

gehinderden) is dermate gering dat deze niet

van een kleiner aantal ernstig gehinderden) is

opweegt tegen het nadeel van een beperking van

dermate gering dat deze niet opweegt tegen het

de energieproductie en daarmee een lagere

nadeel van een beperking van de

bijdrage aan het maatschappelijke doel van

energieproductie en daarmee gepaard gaande

vermindering van CO2-uitstoot door middel van

lagere bijdrage aan het maatschappelijke doel

duurzame energie. Indien bijvoorbeeld een

van vermindering van CO2-uitstoot door middel

geluidsnorm van 45 dB Lden zou worden

van duurzame energie. Indien een algehele

gehanteerd, leidt dat tot 3-5 minder emstig

geluidsnorm van 45 dB Lden zou worden

gehinderde omwonenden terwijl dit zou

gehanteerd, leidt dat tot circa 8 minder ernstig

betekenen dat er jaarlijks ca. 5.000 MWh

minder

elektriciteit wordt geproduceerd, evenveel als het

gehinderde omwonenden, terwijl dit zou betekenen dat er jaarlijks circa 2.200 MWh

pagina 19/69

ieu

Wertheim am

advocatuur

-*X4A N- ][-AAA

h-

ruimtelijke

ordening

verbruik van 1.800 huishoudens. Een strengere

minder elektriciteit wordt geproduceerd, evenveel

norm zorgt tevens voor een magerder business

als het verbruik van circa 809

huishoudens.”

case, wat enerzijds betekent dat er minder baten zijn voor de omgeving, maar anderzijds ook de

realisatie van het windpark als geheel in gevaar brengt.”

42.

“Het hinderpercentage bij die norm is

“het aantal gehinderden bij die norm is

vergelijkbaar met het hinderpercentage bij weg-

vergelijkbaar met de hinder als gevolg van weg-

en

en raïlverkeer:”

railverkeer.”

Cliënten handhaven dus onverkort hun stelling dat (de tekst van) de Helpdesk aan een voorafgaande milieubeoordeling had moeten worden onderworpen. Nu dat niet is gebeurd, kon het provinciebest|

(geanonimiseerd) ter onderbouwing van de gehanteerde normen.

Nu dergelijke standaardredeneringen zijn

gebruikt, is er bovendien geen sprake van een “actuele,

deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden” motivering in de zin van ABRS Delfzij. 8 43.

Lokale

democratie

Het provinciebestuur mag formeel wellicht bevoegd zijn de bestreden besluiten te nemen. Het

gemeentebestuur van Zutphen heeft echter uitdrukkelijk besloten Windpark IJsselwind de uitspraak van uw Afdeling van 12 mei 2021 niet opnieuw in procedure te brengen. Het provinciebestuur maakt misbruik van zijn bevoegdheid door nu een vrijwel identiek plan opnieuw

in procedure te brengen. Cliënten worden op hoge kosten gejaagd en hebben het gevoel dat de lokale, gemeentelijke democratie overruled wordt door het provinciebestuur. Het negeren van de gemeentelijke democratie is slecht voor het draagvlak van de energietransitie. 44.

Uit de bestreden omgevingsvergunningen blijkt niet dat GS (de colleges van) burgemeester en wethouders (van Lochem en Zutphen) op de voet van artikel 6.1 Bor om advies hebben

gevraagd. 9 45.

_ Verdrag van Aarhus; alternatievenonderzoek

Volgens het Verdrag van Aarhus moet er inspraak worden geboden op het moment dat alle opties nog open zijn. Het provinciebestuur heeft een ontwerp-PIP en ontwerpvergunningen ter inzage (en vervolgens vastgesteld) die vrijwel overeenkomen met het vernietigde

bestemmingsplan en de vernietigde omgevingsvergunningen van het gemeentebestuur van Zutphen. Alternatieven zijn destijds weliswaar door het gemeentebestuur van Zutphen nog wel genoemd (wat in uw plantoelichting, $ 4.1, vermeld wordt), maar naar alternatieven wordt nu

verder geen onderzoek meer gedaan. Dat zou juist gelet op de denkbare ontwikkelingen met betrekking tot de landelijke windturbinebepalingen wel moeten gebeuren. Van een open proces is nu geen sprake en de mogelijkheden om alternatieven aan te dragen lijken nihil. Volgens de

Zienswijzennota, $ 2.1.7, is er geen sprake van strijd met het Verdrag van Aarhus, omdat de pagina 20/69

bv.

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

zienswijzenprocedure is gevolgd. Echter, ten tijde van de zienswijzenprocedures stonden niet alle opties meer open. Er werd een kant-en-klaar plan gepresenteerd, dat vrijwel volledig

overeenkwam met het eerdere gemeentelijke plan. 46.

Alternatieven met minder bezwaren zijn niet of niet voldoende onderzocht. De grondposities van Wts Rijn en IJssel en IJsselwind B.V. zijn allesbepalend geweest. 10

47.

Provinciaal inpassingsplan

Ten overvloede merken cliënten op dat de grieven uit de voorgaande paragrafen ook gelden als grieven tegen het PIP en, waar toepasselijk, als grieven tegen de beide bestreden

omgevingsvergunningen.

48.

Elders in dit beros

(geanonimiseerd) ,

‚

Wordt betoogd dat naar verschillende

hinderaspecten onvoldoende onderzoek is gedaan. Die hinderaspecten kunnen ook tot gezondheidsschade leiden. Voor de gezondheidsaspecten verwijzen cliënten naar wat elders in

dit beroepschrift is gesteld en ook naar de stukken van Meester, Bijl, Alteveer en Suichies (genoemde producties 11 tot en met 14). Het provinciebestuur dient, ook gelet op wat in $ 7.1 hierboven is aangevoerd over de onderbouwing van lokale normen, de mogelijke

gezondheidseffecten van de windturbines deugdelijk in kaart te brengen. Immers, pas als dat gebeurt, kan het provinciebestuur een evenwichtige belangenafweging maken die voldoet aan artikel 3:4, lid 2, Awb. 49.

Hier lichten cliënten nog enkele gezondheidsaspecten uit.

50.

Om te beginnen heeft het provinciebestuur ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de erosie van (de coatings op) de wieken. Het provinciebestuur stelt in de Zienswijzennota, $ 2.3.3, p. 34, zonder enige verwijzing naar wetenschappelijke literatuur dat de windturbines geen

verslechtering in de luchtkwaliteit veroorzaken, ook niet als gevolg van afbladderende microplastics door erosie van windturbinebladen. Wiekerosie is echter vanwege loskomende deeltjes plastic en chemicaliën wel degelijk een probleem, dat bovendien in de literatuur erkend

en onderzocht wordt. Zie bijvoorbeeld de genoemde artikelen van Mishnaevsky en Keegan e.a. (genoemde producties 15 en 16). Ook het uitlogen (en naar beneden stromen/druppelen) van chemicaliën (de windturbines staan vlak bij de gronden van Lubberding c.s.) dient nader te worden

51.

onderzocht.

Wellicht is slijtage met de juiste coatings e.d. te beperken, maar het is nu nog niet bekend welke windturbines concreet zullen worden geplaatst en bovendien zijn er nu geen (plan-, maatwerk- of

vergunning)voorschriften met betrekking tot het voorkomen van slijtage (bijvoorbeeld het voorschrijven van bepaalde coatings) of met betrekking tot het gebruik van rotorbladmaterialen gesteld.

pagina 21 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

52.

ordening

De windturbines zullen bovendien tot luchtwervelingen (vortex) leiden die ervoor zorgen dat vervuilde lucht uit de schoorsteenpijpen op het (reeds bestaande) industrieterrein zullen

neerslaan op de landbouwgronden en de huiskavels van cliënten. Door de heersende zuid/zuidwestelijke windrichting worden cliënten zwaar getroffen door zowel geluidhinder, geurhinder en (ultra)fijnstof (0.a. nanodeeltjes, PB(A), bio-aerosolen). Op bedrijventerrein De Mars ten zuiden van het Twentekanaal komt allerlei bedrijvigheid met schadellijke uitstoot voor. Die uitstoot wordt mogelijk door de windturbines naar beneden gedrukt, richting de weilanden en woonkavels

53.

van cliënten.

Cliënten verzoeken uw Afdeling de notitie A.M. Schakel, Effect windturbines op luchtkwaliteit Project Verspreidingsberekeningen van de emissies van GMB Zutphen, Deventer: Witteveen +

Bos 8 juli 2019,22 te laten beoordelen. Cliënten wijzen in dit verband opnieuw op $ 5.1 hierboven. Op voorhand vall a)

Alleen de

(geanonimiseerd)

n is beschouwd. Mogelijk is de verspreiding

van andere (lichtere of zwaardere) moleculen en samengestelde deeltjes anders. Fijn stof wordt bijvoorbeeld ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

b)

Volgens de notitie, p. 4, nemen de (benzeen)concentraties alleen op zeer korte afstand achter de windturbines toe. Als dat klopt, is dat in ieder geval relevant voor de weilanden van Lubberding c.s. die tot vlak onder de windturbines reiken, en het daar grazende vee.

c)

Eris met de oude configuratie (oude afmetingen, maar ook de oude locatie van windturbine 1) gerekend; zie de bijlage bij de notitie, het Rapport Erbrink Stack Consult, $ 1, Uitgangspunten (p. 4). Een grotere rotordiameter op een lagere ashoogte, zoals nu

mogelijk gemaakt, kan tot andere verspreidingen leiden. d)

Het door Erbrink gebruikte verspreidingsmodel is niet gevalideerd voor dit type onderzoek.

e)

Erbrink heeft ten onrechte niet onderzocht welke stoffen daadwerkelijk uit de schoorsteen van

f)

GMB

komen.

Het model van Erbrink gaat uit van statische lucht dus vergeet dus de dynamiek van het mixen van lucht, moleculen en reacties tussen de moleculen in de lucht. Door het

mengen/de turbulentie kunnen chemische reacties optreden. Bovendien kunnen stofdelen samenklonteren en neerslaan bij cliënten. Ook zit in het model niet de reactie tussen biogene deeltjes (pollen, virussen, bacteriën) en chemicaliën in de lucht. 9)

Evenmin zitten in het model: erosie en slijtage van de rotorbladen, het neerslaan giftige nanodeeltjes en welke gevolgen dat kan hebben.

h)

Door een afname van de windsnelheid als gevolg van de windturbines zullen de milieustoffen in de lucht van industrieterrein, turbines en van andere bronnen

(bijvoorbeeld de weg N348) nu eerder en extra neerslaan op lokale omgeving. Een en ander had beter beoordeeld moeten worden; meten is weten.

)

Een MER is een uitstekend middel om dit nader te onderzoeken.

22 Te vinden op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL..IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.JsselwindZutphen-VST1_tb23.pdt.

pagina 22/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

)

ordening

De leefomgeving is hier al zwaar belast. Er komt in Eefde meer dan gemiddeld kanker voor. Zie ook Suichies (genoemde productie 14).

k)

Verder toont zijn model aan dat meer en gevaarlijker stoffen nu op de grond gaan komen, op plekken waar eerder niets neerkwam en gelet op de voorgaande punten sneller zullen neerdalen op Eefde.

)

Erkomt dus meer stof naar beneden per vierkante meter en er zal een toename optreden in concentraties van in potentie type gevaarlijke stoffen, die Erbrink in haar model allemaal

m)

niet meeneemt.

Het is dus een zeer onvolledig en onzorgvuldig onderzoek, dat op zich overigens al laat zien dat het risico voor veel omwonenden stijgt, want het gaat bij gif om stapeling. Wat geschiedt in 25 jaar?

n)

Cliënten zijn vooralsnog genoodzaakt ook de juistheid van de verdere uitgangspunten en

(geanonimiseerd) 54.

Cliënten zijn behalve voor gezondheidsschade bevreesd voor een toename van de geurhinder. De windturbines hebben ook op de verspreiding van geur invloed. Ook dit zal door STAB nader onderzocht

55.

moeten

worden.

Het provinciebestuur zal ook de nachtrustverstoring (wetenschappelijk) moeten laten onderzoeken en moeten motiveren waarom een bepaald aantal nachten zonder dat cliënten nachtrust hebben, aanvaardbaar zou zijn. 's Nachts is er vijf keer zoveel hinder van windturbinelawaai als overdag. 10.2

56.

Externe veiligheid

Cliënten zijn bevreesd voor ongelukken als gevolg van het in werking zijn van de windturbines. Cliënten menen dat de risico’s onevenredig groot zijn, althans onvoldoende onderzocht zijn. Ter staving van deze beroepsgronden voeren cliënten nader de volgende argumenten aan.

57.

Op en nabij Fort de Pol en bedrijventerrein De Mars zijn gevaarlijke industrie en installaties, (gas)buisleidingen, waterkeringen en een hoogspanningsleiding van TenneT aanwezig.

Calamiteiten op Fort de Pol en De Mars als gevolg van afbrekende wieken kunnen ook gevolgen hebben die reiken tot aan de gronden en woningen van cliënten. 58.

Defecten aan de windturbines kunnen ook rechtstreeks, dus los van de domino-effecten (de omweg van ongevallen die op Fort de Pol en De Mars bij falende windturbines ontstaan), tot ongevallen op de gronden cliënten leiden: binnen de afstanden waarbinnen onderdelen van

windturbines, zoals wieken, bij defecten terecht kunnen komen, liggen de gronden van cliënten. Dat betreft gronden waar cliënten, met name maar niet alleen Lubberding c.s., vaak aanwezig zijn; bij Lubberding c.s. omdat zij agrariër zijn en vaak op de betreffende gronden aan het werk

zijn.

pagina 23/69

ieu

59.

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

A

_ A

J[-AAA

overheid

+.

lijke

ordening

ruim

De waterkeringen nabij de gronden van cliënten kunnen als gevolg van ongevallen met de windturbines beschadigd raken en leiden tot waterschade en ongevallen. Ook deze risico's zijn onevenredig groot, althans onvoldoende onderzocht. Zie in dit verband ook hieronder $ 10.9.1 Watervergunningen.

60.

Van belang zijn om te beginnen de volgende constateringen.

61.

In Pondera Externe Veiligheid, p. 2, tabel 1.3, worden de volgende effectafstanden voor

veiligheid gepresenteerd: Tabel 1.3 Maximale effectafstanden voor veiligheid

62.

Parameter

WTGs Zutphen

Maximale valafstand bij gondelfalen

69m

Maxima! (geanonimiseerd) Maximal j L toerental

1875m 169 m

Maximale ligging PR10-05 contour

67m

Maximale ligging PR10-06 contour

169 m

Maximale bladworpafstand bij overtoeren

449m

Cliënten betwisten om te beginnen de juistheid van de berekening van die afstand. Zie ook de opmerkingen in $ 5.1 hierboven.

63.

Windturbine 3 heeft de bestemming Bedrijf — Windturbinepark (planvoorschrift 3).23 Daaromheen zit onder andere een schil met de gebiedsaanduidingen Milieuzone — voormalige stortplaats en Veiligheidszone — windturbine. -

De gebiedsaanduiding Veiligheidszone — windturbine is rond en heeft een straal van circa

190 m. De gebiedsaanduiding Milieuzone — voormalige stortplaats beslaat een deel van die cirkel en reikt ook niet verder dan

circa

190 m van het hart van de windturbine.

- _ De afstand van 190 m komt aardig overeen met de als maximale valafstand

gepresenteerde afstand bij mastfalen van 187,5 m in de geciteerde tabel 1.3 (Pondera Externe Veiligheid, p. 2). -

Gelet op de gebiedsaanduiding Veiligheidszone — windturbine (planvoorschrift 15.3.1) zijn hier in principe geen beperkt kwetsbare objecten maar wel kwetsbare objecten toegestaan.

- _ Vanwege de onderliggende bestemming Bedrijventerrein — voormalige stortplaats

(planvoorschrift 4) is verzekerd dat zich binnen een deel van de cirkel van de “veiligheidszone — windturbine” geen bedrijven vestigen die het risico op ongevallen als gevolg van defecten aan de windturbines vergroten.

23 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/?x=210374&y=464162&planidn=NL. IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1.

pagina 24 /69

: - milieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

84.

_ A ordening

Echter, elders op de voormalige stortplaats Fort de Pol gold ten tijde van de vaststelling van het bestreden PIP geen enkel bestemmingsplan. Een eerder voorbereidingsbesluit van de

gemeenteraad van Zutphen van 20 september 2021 gold tot en met 13 oktober 2022,2 terwijl het bestreden PIP op 17 november 2022 is vastgesteld. Ten tijde van het bestreden PIP konden zich dus zonder enige beperking “gevaarlijke” bedrijven (met mogelijke gevolgen voor de externe

veiligheid in relatie tot de nieuwe windturbines) vestigen. PS hebben dat in hun beoordelingen niet meegenomen. Dit feit wordt bijvoorbeeld niet genoemd in Pondera Externe Veiligheid, $ 3.2 (p. 8 e.v‚) en in het PIP, toelichting, $ 1.3, kopje “Voorbereidingsbesluit Fort de Pol”, wordt niet

vermeld dat de werkingsduur van voorbereidingsbesluit van 20 september 2021 inmiddels is verstreken. Het PIP is dus niet met de ingevolge artikel 3:2 Awb vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

65.

Er is inmiddels e

(geanonimiseerd) jenomen, maar dat dateert van na het PIP. In de

te verrichten toetsing

“ex tunc”

(naar

het moment dus waarop het PIP werd vastgesteld) kan dat

besluit geen rol spelen. 66.

Het nieuwe voorbereidingsbesluit geeft bovendien geen garantie dat de gemeenteraad van Zutphen op Fort de Pol niet toch bestemmingen vaststelt voor bedrijven die de effecten van defecten aan de windturbines kunnen vergroten. Immers, de windturbines zijn zelf geen

kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, zodat het Bevi (de artikelen 4 e.v.) geen belemmeringen voor zulke bestemmingen opwerpt. 67.

PS lijken tussen de regels door te beseffen dat hier een probleem zit. Zie het PIP, $ 5.4.2, kopje “Toekomstige risicovolle installaties op bedrijventerrein”, waar in een niet helemaal goed lopende volzin wordt gesteld: “Ook indien op het standpunt wordt gesteld dat risicovolle inrichtingen ter plaatse bij recht wél zijn toegestaan …. De daar genoemde oplossing van een QRA die de risico’s in beeld brengt, geeft gelet op de systematiek van het Bevi echter geen harde garanties dat zich hier in de toekomst geen risicovolle bedrijven, die effecten van het falen van windturbines versterken, zullen vestigen.

68.

PS hadden ervoor kunnen kiezen de begrenzing van het PIP te laten samenvallen met de gehele witte vlek van Fort de Pol en een deugdelijke planologische regeling voor de gehele voormalige stortplaats Fort de Pol kunnen geven. Bij het bepalen van de begrenzing van een PIP hebben PS weliswaar beleidsruimte, maar de huidige begrenzing getuigt niet van een goede ruimtelijke

ordening. 69.

Als gezegd is vanwege de onderliggende bestemming Bedrijventerrein — voormalige stortplaats (planvoorschrift 4) verzekerd dat zich binnen een deel van de cirkel van de “veiligheidszone —

windturbine” rondom windturbine 3 geen bedrijven vestigen die het risico op ongevallen als

2 Zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-350918.html.

pagina 25 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

verheid

A +

_ A

ruimtelijke

ordening

gevolg van defecten aan de windturbines vergroten. Echter, ook verder binnen die cirkel had dat geregeld moeten worden. 70.

Bovendien is de maximale valafstand bij mastfalen van 187,5 m blijkens de genoemde tabel 1.3

niet de enige relevante afstand. De maximale bladworpafstand bij overtoeren is zelfs 449 m. Voor windturbine 3 hadden PS dus ook in een cirkel met een straal van 449 m in een planologische regeling beperkingen dienen te stellen aan de vestiging van nieuwe risicobedrijven die de

effecten van windturbinefalen kunnen vergroten. 71.

Al deze argumenten gelden ook voor de windturbines t en 2. Rondom deze windturbines regelt

het PIP weliswaar gebiedsaanduidingen “veiligheidszone — windturbine”,25 maar, anders dan deels het geval is bij windturbine 3, geen onderliggende basisbestemming. Hier is dus ook op

(geanonimiseerd) geen enkele man_omst gemaakt. 72.

geen risicovolle bedrijven mogelijk worden

En ten onrechte is ook bij de windturbines 1 en 2 niets geregeld in verband met de maximale

bladworpafstand van 449 m bij overtoeren. 73.

Los van dit alles constateren cliënten dat Pondera Externe Veiligheid p. 8, voetnoot 8, een bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2016" noemen dat nergens is te vinden. De

inventarisatie van de bestemmingsplanmogelijkheden in Pondera Externe Veiligheid, $ 3.2, p. 8 e.v., is dus ook gelet hierop in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb. 74.

Ten onrechte wordt in Pondera Externe Veiligheid bovendien bestemmingsplan De Mars midden en noord (veegplan), NL.IMRO.0301.bp0212MMNveegplan-vs01, niet expliciet benoemd. Bedrijventerrein De Mars wordt in Pondera Externe Veiligheid wel in algemene zin besproken, te weten op p. 8 en 24. Daar wordt echter alleen ingegaan op de vraag of de bedrijven op De Mars zelf (beperkt) kwetsbare objecten zijn, maar niet op de vraag of die bedrijven in combinatie met de windturbines tot een domino-effect kunnen leiden. Dat laatste aspect wordt weliswaar besproken in Pondera Externe Veiligheid, $ 5, maar in $ 5.6 (p. 17) wordt niet ingegaan op de vraag welke mogelijkheden bestemmingsplan De Mars midden en noord (veegplan) nu al geeft voor de vestiging of uitbreiding van bedrijvigheid die in combinatie met de windturbines tot een domino-effect kunnen leiden. Als zich nu een nieuw bedrijf vestigt of een bestaand bedrijf uitbreidt op basis van de huidige mogelijkheden van bestemmingsplan De Mars midden en noord (veegplan), is dat planologisch niet tegen te houden en ook in het milieuspoor of via het Bevi valt zo’n uitbreiding hoogstwaarschijnlijk niet tegen te houden; in Pondera Externe Veiligheid, $ 5.6 wordt niet duidelijk gemaakt hoe de daar genoemde QRA in alle gevallen afgedwongen kan

25 Zie voor turbine WTO1 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/?x=210791&y=464371 &planidn=NL..IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1

en voor turbine WTO2

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/?x=211012&y=4640578&planidn=NL. VST1.

pagina 26/69

IMRO.9925.IJsselwindZutphen-

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

worden en hoe die tot het tegenhouden van nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijven kan leiden. Voor windturbine 2 wordt zelfs toegegeven dat er “geen sprake” is “van een harde

belemmering” van het toevoegen van risico's. PS hadden dit alles met een andere begrenzing van het PIP en het opnemen van passende bestemmingen of gebiedsaanduidingen kunnen en moeten

75.

voorkomen.

Voor de noordelijke bestaande windturbine, in de stukken ook wel aangeduid als WT4 of WTO4,

die staat op de voormalige stort Fort de Pol, gold ten tijde van de vaststelling van het PIP geen

enkele planologische regeling.2 In de (cumulatieve) beoordeling van de externe veiligheid is dus niet meegenomen dat deze turbine zou kunnen worden vervangen door een groter exemplaar.

Dit had als gezegd kunnen worden voorkomen door de begrenzing van het PIP te verruimen tot de gehele voormalige stortplaats. De huidige begrenzing van het PIP getuigt niet van een goede

(geanonimiseerd) 76.

Cliënten betwisten dat bij het LPG Tankstation, de Waterstoftanks van Arubis, de toekomstige installatie van de waterstoffabriek, de (overige) installaties van GMB, de buisleidingen en de waterkeringen (Pondera Externe Veiligheid, $ 5.1 tot en met 5.5, $ 6 en $ 8, alsmede B. Vogelaar, Notitie mogelijke effecten windpark op terrein/installaties van GMB, 718110, Arnhem:

Pondera 16 juli 2019?7) sprake zal zijn van een aanvaardbaar extern-veiligheidsrisico. Cliënten hebben in $ 5.1 hierboven al gevraagd om inschakeling van STAB. Zij verzoeken specifiek om STAB om ook het aspect externe veiligheid te laten beoordelen. Gelet op de nabijheid van cliënten tot die installaties en leidingen zijn risico’s voor hen niet uit te sluiten. 77.

Hetzelfde verzoek doen cliënten met betrekking tot het aspect externe veiligheid in relatie tot de hoogspanningsinfrastructuur van TenneT, zoals besproken in Pondera Externe Veiligheid, $ 7.

78.

Cliënten merken op voorhand op dat hier niet wordt voldaan aan de richtafstanden van TenneT en dat uit het “akkoord” dat TenneT per mail zou hebben gegeven (welke mail bij de stukken

zit2£), niet blijkt wat precies aan TenneT is voorgelegd. TenneT maakt immers het voorbehoud dat de turbines moeten voldoen aan de gegevens die aan haar zijn verstrekt. Welke stukken dat zijn geweest, blijkt echter niet uit de stukken. Bovendien behoudt TenneT zich aan het slot van haar mail nog het verlangen van toestemming voor. Ook op dit punt is dus niet zeker dat aan de eisen voldaan zal kunnen worden.

79.

Wat betreft Pondera Externe Veiligheid, $ 8, merken cliënten op voorhand op dat er nog nieuwe watervergunningen nodig zijn. Volgens Pondera Externe Veiligheid, $ 8, p. 23, zou het verschil in rotorworpafstand enerzijds zorgen voor een verlaging van de raakkans omdat er een minder

2 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/?x=210084.47&y=464346.6.

77 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1

tb6.pdf.

28 Zie https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925. IJsselwindZutphenVST1/b

NL.IMRO.9925.IJsselwindZutphen-VST1

tb5.pdf.

pagina 27/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

groot deel van de waterkering getroffen kan worden, maar anderzijds voor een vergroting van de raakkans om dat de trefkans per vierkante meter licht toeneemt door de kleinere werpafstand. Dit

wordt echter door Pondera niet verder berekend en de verwijzing naar de rapportage van RHDHV is een verwijzing naar een rapport van RHDHV van 22 november 2018, dat nog gebaseerd is op de oude dimensionering van de windturbines van Windpark IJsselwind. GS Gelderland geven nu zelf toe dat de gewijzigde positie, afmetingen, gewichten en zonering kunnen leiden tot een verhoogd negatief effect van de windturbines op de waterveiligheid en een grotere afname van het bergingsvolume:; zie bij randnummer 198 hieronder. 80.

Wat betreft de kans op ijsworp, volstaat Pondera Externe Veiligheid, $ 9, met een kwalitatieve

analyse; een (kwantitatieve) berekening had ook gemaakt moeten worden. Bovendien besteedt Pondera ten onrechte geen aandacht aan het feit dat met name Lubberding c.s. gronden direct

Externe Ve\lighe…et werken op het land getroffen zouden kunnen

bij de windturbin

(geanonimiseerd) van een tiphoogteafstand”; vgl. Pondera

worden. IJs kan trouwens afgeworpen worden buiten de “zone van een tiphoogteafstand”. 81.

Bij dit alles merken cliënten nog het volgende op.

82.

In de stukken baseert het provinciebestuur zich op de tot voor kort gebruikelijke normering voor

externe veiligheid en de tot voor kort gebruikelijke methodieken voor de beoordeling daarvan. Het gaat om normen en methodieken die ook gebruikt worden in de casus waar STAB Delfzijl over gaat. In STAB Delfzijl plaatst STAB belangrijke kanttekeningen bij die normen en methodieken. 83.

Zo merkt STAB op dat de keuze voor een risicobenadering (in plaats van een effectbenadering) een beleidsmatige/politieke keuze is (STAB Delfzijl, p. 66 e.v., p. 75, onderaan, p. 76, bovenaan). De Nederlandse risicobenadering vindt in het buitenland weinig navolging (p. 72) en is niet

vanzelfsprekend, maar eerder uitzonderlijk (p. 76). In het kader van een wetenschappelijke onderbouwing ligt het voor de hand alternatieve te benoemen (p. 76). Het rekenvoorschrift voor de berekening van het risico van windturbines is sinds 2014 niet meer gewijzigd en het is de

vraag of dat nog voldoet, ook gelet op de toename van het vermogen en de toegenomen afmetingen van windturbines (p. 79). Cliënten verwijzen voor de details verder graag uitdrukkelijk naar STAB Delfzijl. 84.

De lacunes die STAB in de Delfzijlster stukken en onderzoeken ziet, zijn er ook in de onderhavige zaak. In de Motivering lokale normen, $ 4, p. 19-20, worden alternatieven voor de risicobenadering en alternatieve normen en rekenmethoden in het geheel niet besproken. Ook voor Pondera Externe Veiligheid, $ 2, p. 2-6, en de beschouwingen in het PIP, plantoelichting,

$ 5.4 Veiligheid, geldt dat. 85.

Blijkens de plantoelichting, figuur 5.4, liggen het LPG-tankstation, de waterstoftanks van Arubis, de toekomstige installatie waterstoffabriek en verschillende installaties van GMB binnen de contouren van 10-5 respectievelijk 10-6, respectievelijk de contouren van de maximale pagina 28 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

n

A

erheid

A -…

_ A J[-AAA

ruimtelijke

ordening

werpafstanden (van wieken) bij overtoeren. Als de waterstoffabriek geraakt wordt is de kans ook groot dat de hoogspanningsleiding geraakt wordt. Reeds omdat van een risicobenadering is

uitgegaan zijn de gevolgen voor de omgeving (bij domino-effecten) niet goed onderzocht.

86.

10.3

Geluidhinder

10.3.1

Algemeen

Windpark IJsselwind zal voor cliënten leiden tot onaanvaardbare geluidhinder en daarmee ook

voor aantasting van hun gezondheid. Voor deze beroepsgrond voeren cliënten, in aanvulling op $ 7 hierboven, de volgende argumenten aan. 87.

De als “Iokaal” gepresenteerde normen van 47 Láen en 41 Lnign: komen heel “toevalllig”, net als de in STAB Delzijl gekritiseerde normen in bestemmingsplan Wijziging Windpark Delfzijl Zuid

Uitbreiding 2020,2 overeen met de normen uit de oude Windturbinebepalingen. Die “lokale” normen bieden cliënten volstrekt onvoldoende bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder en gezondheidsschade. 88.

Cliënten wijzen om te beginnen op de genoemde producties 11 tot en met 14.

89.

Cliënten wijzen voorts uitdrukkelijk op DGMR Geluid. De inhoud daarvan dient hier als integraal herhaald en ingelast te worden beschouwd.

90.

Cliënten merken daarbij nog op het volgende op. DGMR beschikte ten tijde van haar second opinion niet over het digitale geluidsmodel (DGMR Geluid, p 1). Ook merkt DGMR op (p. 2) dat een datasheet met akoestische gegevens van het gekozen type turbine ontbreekt in de

rapportage. Cliënten zijn reeds daarom maar ook gelet op de binnen de beroepstermijn beschikbare tijd om gegevens op te vragen en te laten beoordelen en doorrekenen genoodzaakt te betwisten dat in Pondera Akoestisch en Slagschaduw de juiste invoergegevens zijn gehanteerd, dus ook voor zover DGMR daarover in haar second opinion geen opmerkingen maakt. Dat betreft in ieder geval a/le invoergegevens in de $ 2.2 tot en met 2.4. Bij wijze van voorbeeld noemen cliënten nader de gegevens die Pondera zonder specificatie of verwijzing

aanduidt als “kaartmateriaal”, “luchtfoto's, aangeleverde documentatie en telefonisch verkregen informatie” ($ 2.2). 91.

DGMR verwijst in haar second opinion naar STAB Delfzij. Als gezegd is STAB Delfzil als productie 4 bij dit beroepschrift gevoegd.

92.

In aanvulling op de second opinion van DGMR wijzen cliënten nog op het volgende. In de Motivering lokale normen, hoofdstuk 2, en in het PIP, toelichting, $ 5.1.3 Motivering van de normstelling voor windpark IJsselwind, wordt beschreven hoe het provinciebestuur tot zijn lokale

® Zie STAB Delfzil, p. 15. pagina 29/69

b.v.

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

geluidnormen is gekomen. De redeneringen komen neer het volgende; cliënten beginnen met de conclusies in Motivering lokale normen, p. 14-15, en bespreken daarna nog enkele andere punten.

Motivering lokale normen, p. 14; PIP, toelichting $ 5.1.3: het aantal gehinderden bij 47 Lden is vergelijkbaar met hinder als gevolg van weg- en railverkeer. 83.

Voor deze stelling geeft het provinciebestuur geen enkele onderbouwing. STAB Delfzijl, $ 2.4.2, p. 27-28, logenstraft de stelling. Cliënten verwijzen uitdrukkelijk naar die paragraaf. Zie ook de stukken van Alteveer (genoemde productie 13) en Meester (genoemde productie 11).

94.

De geluidsignatuur van windturbines, die dag en nacht draaien, is anders dan van verkeer, dat andere geluidpatronen vertoont en bovendien niet 24/7 doorgaat.

95.

98.

(geanonimiseerd) Verkeerslawaai w een jaargemiddelde dosisnorm. Voor het beoordelen van de cumulatie van de verschillende relevante geluidbronnen in de omgeving moet dus ook eerst een vertaalslag van de jaargemiddelde dosisnormen die nu voor de windturbines worden voorgesteld, worden gemaakt om een goede vergelijking met de equivalente geluidniveaus van andere bronnen zoals verkeer en industrie te kunnen maken. Zie ook Alteveer (genoemde productie 13), waarin diverse andere normen worden besproken.

97.

Ten onrechte worden bovendien in het bestreden PIP en de bestreden omgevingsvergunningen

geen geluidnormen in cumulatie met andere geluidbronnen dan de nieuwe en bestaande windturbines gesteld. Motivering lokale normen, p. 14; PIP, toelichting $ 5.1.3: het aantal ernstig gehinderden is in absolute zin beperkt. Een strengere norm weegt niet op tegen het nadeel van een beperking van de energieproductie. 98.

Dat het aantal ernstig gehinderden in absolute zin beperkt is laat onverlet dat ook bij een beperkt aantal ernstig gehinderden het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, lid 2, Awb geschonden kan worden. De woningen van cliënten behoren tot het “beperkte” aantal gehinderden en voor

hun hinderbeleving en gezondheidsschade maakt het niet uit dat zij tot een beperkt aantal getroffenen behoren. Bovendien worden de begrippen gehinderde en ernstig gehinderde door het provinciebestuur verder niet gedefinieerd. Zie onder andere Meester (genoemde productie 11, p.

4). 99.

Uit STAB Delfzijl, $ 2.1, p. 14 blijkt bovendien dat het aantal ernstig gehinderden bij een norm van 47 Lden buitenshuis nog veel hoger ligt. Dat is voor cliënten van belang, omdat hun kavels in de invloedssfeer van de windturbines liggen. Lubberding c.s. werken als agrariërs een groot deel van de dag buiten en in de open stallen van hun vee, de gasten van Bron c.s. bezoeken de bed-

and-breakfast voor de rust van de omgeving, Bron c.s. zijn ook veelvuldig in hun tuin, net als Ter pagina 30/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

Avest, die vaak in zijn tuin en op zijn land te vinden is. Ook buitenshuis zal er onevenredige geluidhinder optreden en mogelijk ook gezondheidsschade bij langdurig (wegens het agrarische

werk noodzakelijke) werk buitenshuis. Die geluidhinder is buitenshuis mogelijk hoger dan 47 Léen, omdat kavels van cliënten voor een deel dichter bij de windturbines liggen dan de beoordelingspunten uit artikel 2 van de Maatwerkvoorschriften Geluid uit de beide bestreden omgevingsvergunningen. STAB Delfzij, p. 5, vermeldt dat volgens de WHO nader onderzoek nodig is naar het effect bij de blootstelling van het bijzondere geluid van windturbines inclusief laagfrequent geluid, gemeten buiten en binnen de woning. 100.

Er is bovendien maar één strengere norm bekeken, te weten 45 Lden. Dat is te weinig voor een toets aan het evenredigheidsbeginsel. Gelet op ABRS Harderwijk moet immers ook worden beoordeeld of de door het provinciebestuur nagestreefde doelen (van vermindering van de CO2-

(geanonimiseerd) uitstoot met duur_ergaande maatregel kunnen worden bereikt en of de bestreden besluiten in 101.

het concrete geval

evenwichtig zijn.

Een minder vergaande maatregel die hetzelfde doel van duurzame energieopwekking bereikt, is bijvoorbeeld het voorschrijven van een stillere windturbine. Zoals ook uit de second opinion van

DGMR blijkt, zijn die er. Ook kan gekozen worden voor een ander soort geluidsnormen, die beter beschermen tegen optredende pieken van overlast dan de (vrijwel) niet handhaafbare

jaargemiddelde dosisnorm Laen. Zie in aanvulling op DGMR Geluid de opmerkingen in STAB Delfzijl, $ 2.4.3, over de gebreken van normen, uitgedrukt in Laen en Lrigft. 102.

De VROM-inspectie concludeerde nota bene in 2009 reeds als volgt: “Uit de HUF-beoordeling blijkt dat er knelpunten zijn ten aanzien van de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze regeling. Belangrijk knelpunt is dat bij

de gekozen normstelling toezicht op de naleving van de norm en handhaving bij niet goed mogelijk is. De regeling draagt daarnaast onvoldoende bij aan het beoogde doel, namelijk het beschermen van omwonenden tegen geluidsoverlast. De regeling biedt geen generiek

beschermingsniveau tegen slaapverstoring door piekbelasting en tegen cumulatie van geluid. Juist deze aspecten dragen bij aan de hinderbeleving door omwonenden.

Een

regeling die voorziet in een goed beschermingsniveau kan bijdragen aan het draagvlak

voor nieuwe windturbines en daarmee aan de taakstelling van het kabinet ten aanzien van duurzame energievoorziening. Belangrijkste oorzaak voor de knelpunten ligt in de keuze voor een Lden

normstelling waarbij uit wordt gegaan van een jaargemiddelde. Deze systematiek wijkt af van de systematiek voor inrichtingen in de Wet milieubeheer. Met de introductie van de Lden norm voor winturbines naast de systematiek in de Wet milieubeheer ontstaat er een

hybride situatie die tot onduidelijkheid en uitvoeringsproblemen kan leiden. De VI adviseert om de regeling niet in de huidige vorm in procedure te brengen. Mocht de

pagina 31 /69

ieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

A

_ A

J[-AAA

overheid

+.

lijke

ordening -

ruim

evenwel wel voor de Lden regeling worden gekozen dan is het van belang dat de regeling

voorziet in bevoegdheden voor gemeenten in verband met het toezicht op de naleving.”3? 103.

Vooral op kortere afstand tot (hoge) windturbines (als de onderhavige) is tot slot niet alleen de

naaf van de windturbine een relevante geluidbron, maar ook het uiteinde van de wieken. De wieken maken daar veel geluid en die uiteinden zitten dichter bij cliënten dan de naven en gondels. Ten onrechte is dat hier niet onderzocht. Vooral maar mogelijk niet alleen voor

M. 104.

ie het dichtst bij de turbines wonen, is dat relevant.

In de OmgevingsAdviesRaad Windpark IJsselwind is op 8 oktober 2019 bovendien toegezegd

dat 42 dB de maximale piekbelasting bij .

op de gevel zou zijn. Zie de genoemde

productie 17. Cliënten doen hier dus ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. Een jaargemiddelde

provinciebestuur

(geanonimiseerd) piekbelastingen en in zoverre is het ien.

Motivering lokale normen, p. 14: het verschil in cumulatieve geluidsniveaus tussen een scenario met 47 Lden en een scenario met 45 Laen is gering en concentreert zich op de meest nabijgelegen

woningen. 105.

Die nabijgelegen woningen zijn uitgerekend de woningen van cliënten. Voor hen is de milieuwinst van een norm van 45 Láen ten opzichte van een norm van 47 Laen bijvoorbeeld al 2 dB. Zie

Pondera Akoestiek en Slagschaduw, $ 2.8.1, p. 12-13, tabel 2.6 en 27, toetspunt 5 (=Valkeweg 1,

de woning van _

Dit staat dan nog los van het feit dat cliënten een Lden-norm

ongeschikt achten en dat ook een norm van 45 Lden voor hen tot onevenredige geluidhinder en

mogelijk gezondheidsschade leidt. 106.

De cumulatie van geluid is bovendien niet goed berekend omdat bestaande windturbine WT4 ten

tijde van vaststelling van het PIP niet door enig bestemmingsplan geregeld werd en dus vervangen kon worden door een groter en luidruchtiger exemplaar. Vg. bij randnummer 75 hierboven. Voor de twee andere bestaande turbines geeft het daar geldende bestemmingsplan

bovendien geen geluidnormen. 107.

In Pondera Akoestiek en Slagschaduw is bovendien niet meegenomen dat de drie windturbines op verschillende hoogte staan. Zie

- hnos://ahn.arco»sonhne.nl/ahnviewer/?malker=_ 28992 , &markertemplate= Y 7b%22title7,22:10275,%22x%22:210773.3505832512,%22y%22:464385.3794823877, 2 22wkid%22:28992,%22islncludeShareUrl%22:true%7d&level=13

voor windturbine

9 Zie https://www-rijksoverheid.nl/documenten/woo-besluiten/2022/09/15/woo-besluit-over-hufbeoordeling-windturbines-2009 en eerder ook: https://www-rijksoverheid.nl/documenten/wobverzoeken/2022/02/07/besluit-op-wob-verzoek-over-geluidsnorm-voor-windturbines.

pagina 32/69

1

+ milieu

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

- _ https//ahn.arogisonline. nl/ahnviewer/?marker-211012.464057 28992 &markerlemplate= Ye7b%22iitle722:10275,%22x%22:210773.3505832512,%22y%22:464385 %22wkid%22:28992,%22islncludeShareUrl%22:true%7d&level=13

3794623877 ,

voor windturbine 2

- _ https//ahn.arcgisonline. nl/ahnviewer/?marker-210374.464162 28992 &markerlemplate= Ye7b%22iitle722:10275,%22x%22:210773.3505832512,%22y%22:464385 %22wkid%22:28992

108.

%22islncludeShareUrl%22:true%7d&level=13

3794623877 ,

voor windturbine 3.

Vooral windturbine 3, die op de voormalige stortplaats staat, is dus aanmerkelijk hoger en levert

dus mogelijk tot op grotere afstand geluidhinder op. Bovendien liggen de woonkavels van cliënten ook weer hoger in het landschap. Een en ander is door het provinciebestuur in de onderzoeken niet meegenomen.

De voorgeschreven maximale tiphoogte zegt niet alles, omdat

die gelet op planvoorschrift 2.5 wordt gemeten van het “peil” (in de zin van planvoorschrift 1.41).

(geanonimiseerd) Motivering lokale…luidniveau (Laea) is niet geschikt als norm. 109.

Deze nauwelijks onderbouwde stelling wordt gelogenstraft door de bevindingen in STAB Delfzijl, $ 2.4.3, waarin wordt ingegaan op de nadelen van een norm in Lden en Lnight, ook in vergelijking met een Laeg-norm. Nederland is een van de weinige landen die gekozen hebben voor een

beoordeling op basis van Laeg; alleen Noorwegen heeft ook die keus gemaakt. Uit de bevindingen van STAB Delfzijl dat ook voor een norm op basis van Laeg had kunnen worden gekozen. Een Lden/Lnignt-norm middelt de hinder die omwonenden ondervinden uit, er s geen relatie met de op

enig moment door omwonenden ondervonden hinder en bovendien biedt het Reken- en meetvoorschrift windturbines geen methode voor het doen van geluidmetingen bij woningen. Handhaving op basis van geluidmetingen is praktisch gezien onmogelijk, omdat dit zou vereisen

dat een jaar lang gemeten moet worden. Cliënten verwijzen verder naar de bevindingen van STAB in STAB Delfzijl. Voor wat betreft de handhaafbaarheid van jaargemiddelde dosisnormen dient uw Afdeling dus overigens gelet op STAB Delfzijl terug te komen van haar eerdere

rechtspraak op dit punt.® Motivering lokale normen, p. 21, Bijlage A, Bibliografie. 110.

Cliënten constateren dat hier veel minder en minder recente bronnen worden genoemd dan in STAB Delfzijl, p. 19. Cliënten stellen zich op het standpunt dat het provinciebestuur reeds om deze reden de “Iokale” normen in dit geval niet deugdelijk en niet wetenschappelijk heeft onderbouwd.

111.

De wel genoemde bronnen worden in STAB Delfzijl deels als verouderd bestempeld. Cliënten wijzen nader op het volgende.

* Bijv. ABRS 21 februari 2018, https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2018:816 (Windpark Drentse Monden en Oostermoer) en ABRS 29 mei 2019, https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:1781

pagina 33 /69

(Windpark N33).

ieu

Wertheim

advocatuur

n

A

erheid

A -…

ruimtelijke

_ A J[-AAA ordening

Motivering lokale normen, p. 7: de gebruikte dosis-effectrelatie uit TNO 2008 is nog steeds geldig. WHO 2018 bevestigt dat. 112.

In STAB Delfzijl, $ 2.4.1 en $ 2.4.3, wordt ingegaan op de dosis-effectrelatie die in TNO 200832 en wordt gewezen op de gebreken van dat rapport. Anders dan de Motivering lokale normen stelt, heeft WHO 2018 niet bevestigd dat de door TNO 2008 genoemde dosis-effectrelatie nog steeds geldig zou zijn. Integendeel, STAB Delfzijl, p. 21 en 33, wijst er juist op dat de

onzekerheid die TNO 2008 introduceert, juist is benoemd door WHO 2018.3 TNO 2008 is al met al gebaseerd op relatief oude onderzoeken; zie STAB Delfzij!, p. 25. Blijkens STAB Delfzijl, p. 26, zal er nog nieuw onderzoek gedaan worden naar de dosis-effectrelatie voor de Nederlandse situatie, met name in de context van de steeds hoger wordende windturbines. 113.

Vanwege de onzekerheden die TNO 2008 kenmerken, komt aan de berekening van het aantal

(geanonimiseerd) ernstig gehmder… p. 8-9, ook geen enkele betekenis toe. Zie ook het rapport van

Meester (genoemde

productie

11). Cliënten betwisten de juistheid van die

berekeningen. Bovendien wordt niet inzichtelijk gemaakt hoeveel ernstig gehinderden het resultaat zullen zijn van niet alleen Windpark IJsselwind, maar ook van de overige geluidbronnen in de omgeving. Daarbij zal dan ook een vertaalslag gemaakt moeten worden van de equivalente geluidsniveaus die voor die overige geluidbronnen worden gebruikt, en de jaargemiddelde dosisnormen die nu voor de nieuwe windturbines worden voorgesteld. 10.3.2 114.

Amplitudemodulatie/ritmisch karakter windturbinegeluid

Ten onrechte wordt in de Motivering lokale normen en in Pondera Akoestiek en Slagschaduw (noch elders in de stukken) ingegaan op de extra (en onaanvaardbare) hinder die cliënten zullen ervaren als gevolg van het ritmische karakter van windturbinegeluid. Net als in Delfzijl is met die extra hinder hier ten onrechte geen rekening gehouden. Zie uitdrukkelijk STAB Delfzijl, p. 4-6, 25, 29, 34, 35, 44 en meer in het bijzonder $ 2.4.6 (p. 47 e.v.). 10.3.3

Laagfrequent/infrasoon geluidtrillingen

Motivering lokale normen, p. 7-8: Volgens Van Kamp & Van den Berg 2018° is er geen bewijs voor een specifiek effect van de laagfrequente component noch van infrageluid. Volgens Van

Kamp & Van den Berg 2020° blijkt uit de beschikbare literatuur niet dat laagfrequent geluid van windturbines zorgt voor extra hinder. Er is geen onderzoek waarin de kwantitatieve relatie tussen

22 Blijkens STAB Delfzijl, p. 19, en Motivering lokale normen, p. 21, gaat het om S. Janssen, H. Vos, A. Eisses, Hinder door geluid van windturbines, Dosis-effectrelaties op basis van Nederlandse en Zweedse gegevens, Delft: TNO Bouw en Ondergrond 2008.

3 Met WHO 2018 wordt gedoeld op WHO Regional Office for Europe, Environmental Noise Guidelines for the European Region, Kopenhagen: WHO

3

2018 (ISBN 978 92 890 5356 3).

van Kamp, F. van den Berg, Health Effects Related to Wind Turbine Sound, Including Low-

Frequency Sound and Infrasound, Acoustics Australia 2018, vol. 46, afl. 1, p. 31-57, https:/dx.doi.org/10.1007/840857-017-0115-6.

® |, van Kamp, F. van den Berg, Health Effects Related to Wind Turbine Sound: an Update, Bilthoven: RIVM

2020.

pagina 34 /69

b.v.

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

de hoeveelheid geluid en de hoeveelheid hinder uit het oorspronkelijke onderzoek van TNO 2008 wordt betwist.

115.

Als gezegd is TNO 2008 om te beginnen verouderd.

116.

STAB Delfzijl Zuid, p. 19, noemt Van Kamp & Van den Berg 2018 (die werken bij het RIVM en GGD Amsterdam) niet,

maar wel het rapport I. van Kamp, G.P. van den Berg,

Gezondheidseffecten van windturbinegeluid, Bilthoven: RIVM 2021 (http://dx.doi.org/10.21945/RIVM-2020-0214), dat ook door hen beiden is geschreven. Zij

concluderen in $ 4.2, p. 53, onder meer: “Recente studies bevestigen de resultaten van onze eerdere review grotendeels: de perceptie van infrageluid en laagfrequent geluid komt over het algemeen overeen met wat

we al weten uit de literatuur en er bestaat geen enkele aanwijzing voor het feit dat

(geanonimiseerd) de gehoordrempel enig effect kan hebben op inhagelui_r de mens. Op één studie na tonen de studies die sinds 2017 zijn gepubliceerd aan dat infrageluid en laagfrequent geluid, net als normaal geluid, in de auditieve cortex worden verwerkt.

(

Dit brengt ons tot de conclusie dat laagfrequent geluid deel uitmaakt van het totale geluid van windturbines en dezelfde effecten als audiogeluid heeft: het kan storend zijn en

kan effecten hebben op het inslapen en de slaap zelf. Als het chronisch te horen is, kan het leiden tot verdere gezondheidseffecten. Dit geldt ook voor andere geluidbronnen, zoals weg-, spoorweg- of luchtverkeer. Omdat laagfrequent geluid slechts in beperkte mate verzwakt, wordt dit op grotere afstand en in woningen relatief dominanter. Infrageluid verzwakt zelfs nog minder, maar infrageluid dat afkomstig is van windturbines en wordt geproduceerd op de gebruikelijke afstand van woningen is te zwak om door de mens

117.

te kunnen worden

ervaren.”

STAB Delfzijl, p. 46-47, concludeert: “Laagfrequent geluid maakt deel uit van het totale geluid van windturbines. Hoewel windturbines in de loop van de tijd steeds groter/hoger zijn geworden, is de verwachte toename in laagfrequent geluid echter gering.

Bij blootstelling aan windturbinegeluid, is niet het laagfrequent geluid of infrageluid de voornaamste oorzaak van meer hinder, maar de sterkte van het windturbinegeluid tezamen met het bijzondere karakter van het windturbinegeluid (de zogenaamde

amplitudemodulatie, omschreven als het zwiepende, zoevende of het stampende geluid). Infrageluid met een geluidniveau ver onder de gehoordrempel heeft geen effect op de mens. Wel is het zo dat laagfrequent geluid en infrageluid minder verzwakken in vergelijking met geluid met hogere frequenties naarmate de afstand groter wordt. Deze geluiden worden ook minder gedempt door gevels van gebouwen. Hierdoor wordt laagfrequent geluid op grotere afstand en in gebouwen (woningen) dominanter. De WHO pagina 35/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

stelt daarom dat nader onderzoek nodig is naar het effect bij de blootstelling van het bijzondere geluid van windturbines inclusief laagfrequent geluid, gemeten buiten en

binnen in de woning.” 118.

Gelet op de aanbeveling van de WHO menen cliënten dat er eerst onderzoek naar laagfrequent/infrasoon geluid verricht had moeten worden voordat het provinciebestuur de

“Iokale” normen in het onderhavige had moeten vaststellen.3® 119.

Daarvoor is te meer aanleiding nu uit wetenschappelijk blijkt dat er wel degelijk negatieve gezondheidseffecten van laagfrequent/infrasoon denkbaar zijn. Cliënten wijzen bijvoorbeeld op Ascone, L. et al. (2021) “A Longitudinal, Randomized Experimental Pilot Study to Investigate the Effects of Airborne Ultrasound on Human Mental Health, Scientific reports

Cognition, and Brain Structure,”

(geanonimiseerd)

https://www.nature.com/articles/s:

03-6. In het kopje Conclusion wordt over

infrasoon geluid (IS) (geluid onder de menselijke gehoordrempel van ongeveer 20 Hz) geconcludeerd: “Our study broadly suggests that inaudible (6 Hz) IS does not affect human behavior per se, including a range of health-related and psychological variables (i.e., self-reports of sound sensitivity, sleep, psychiatric symptoms, or stress) and cognitive functions (i.e., alertness, sustained attention, cognitive flexibility, divided attention, shift of attention, inhibition). Based

‚on our brain structural analyses, it seems that IS exposure relates to grey matter decline in brain areas that are associated with somatomotor- and cognitive functions such as working memory (bilateral cerebellum VIlla) and higher auditory processing (angular gyrus, BA39),

comprising functions such as speech intelligibility/production or semantic/Iexical processing and reading. The overall pattern of results, including exploratory findings of changed body perception (increased perceived weakness), makes a plausible case for assessing bodily sensations at a level of greater detail, adding physiological assessments such as electromyography, and to focus on tasks related to language processing and complex (verbal) working memory in future trials.” En in de vertaling van deepl.com: “Onze studie suggereert in grote lijnen dat onhoorbare (6 Hz) IS geen invloed heeft op het menselijk gedrag op zich, inclusief een reeks gezondheidsgerelateerde en psychologische variabelen (i.e., zelfrapportages van geluidsgevoeligheid, slaap, psychiatrische symptomen, of stress) en cognitieve functies (i.e., alertheid, volgehouden aandacht, cognitieve flexibiliteit, verdeelde aandacht, verschuiving van aandacht, inhibitie). Op basis van onze hersenstructuuranalyses lijkt het erop dat blootstelling aan IS verband houdt met afname van de grijze stof in hersengebieden die geassocieerd zijn met somatomotorische en cognitieve functies zoals het werkgeheugen (bilateraal cerebellum VlIla) en de hogere auditieve verwerking (angulaire gyrus, BA39), die functies omvatten zoals

% Ook volgens de rechtspraak moet laagfrequent geluid onderzocht worden. Zie bijv. ABRS 13 februari 2019, https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2019:295. r.0. 40.1.

pagina 36/69

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

ruimtelijke

_ A ordening

spraakverstaanbaarheid/productie of semantische/lexicale verwerking en lezen. Het algemene patroon van de resultaten, met inbegrip van verkennende bevindingen van

veranderde lichaamsperceptie (toegenomen waargenomen zwakte), pleit ervoor de lichamelijke gewaarwordingen op een gedetailleerder niveau te beoordelen, fysiologische beoordelingen zoals elektromyografie toe te voegen, en zich in toekomstige proeven te

concentreren op taken in verband met taalverwerking en complex (verbaal) werkgeheugen.” 120.

In wezen wordt hier voor infrasoon geluid dus ook nader onderzoek aanbevolen.

121.

In de Zienswijzennota, $ 2.4.4, p. 40-41, wordt naar een relatief oud onderzoek van LPB Sight van 2013 verwezen en niet naar de onderzoeken die STAB Delfzijl noemt. Het Advies

expertgroep gezondheidseffecten Windturbines d.d. 4 april 2022,°7 wordt, nog afgezien van de

(geanonimiseerd) verdere welensc>_fl isbestek geschreven advies, bovendien wel heel erg selectief

— en n wezen misleiden«

jeciteerd. In dat advies valt juist te lezen:

“Hinderlijke karakteristieken van windturbinegeluid In het licht van het ALARA-beginsel adviseert de expertgroep om bij nieuwe windturbines meer aandacht te hebben voor het reduceren of voorkomen van de hinderlijke

eigenschappen van het windturbinegeluid. Het betreft drie eigenschappen: 1. tonaal geluid; 2. het laagfrequente deel van het geluid; 3. het ritmische karakter van geluid.” (p. 24) en

“Nabij een windturbine is het hogerfrequente deel (ca. 250-2500 Hz) voor het gehoor dominant, maar op grotere afstand en als het een woning binnendringt verschuift dat naar lagere frequenties doordat onderweg de lage frequenties relatief minder gedempt worden. In een woning is daardoor geluid bij lagere frequenties van belang. Het is daarom aan te bevelen dat het aandeel lage frequenties zoveel mogelijk beperkt blijft. De expertgroep adviseert het laagfrequente geluidniveau te reguleren aan de hand van de norm voor laagfrequent geluid van windturbines die in Denemarken wordt gehanteerd [32]. Een bekende karakteristiek van windturbinegeluid is het ritmische karakter waardoor het geluid meer de aandacht trekt dan een constant geluid. De regelmatige variatie in het geluidniveau wordt ook wel amplitudemodulatie genoemd: het hangt samen met het toerental en kan variëren van een altijd aanwezig zoevend geluid dicht bij een windturbine tot een minder vaak voorkomend stampend geluid op grotere afstand. Dat laatste treedt vooral op als de zon laag staat of onder is en een tenminste enigszins heldere hemel. Uit onderzoek blijkt dat overmatige amplitudemodulatie overeenkomt met de hinder van een

enkele decibellen hoger geluidniveau. Net als voor tonaal geluid kan een straffactor overwogen worden. Maar internationaal bestaat nog geen consensus hoe overmatige 9 Te vinden op https://assets amsterdam.nl/publish/pages/976728/definitieve

en_windturbines.pdf.

pagina 37/69

advies

expertgroep

gezondheidseffect

ieu

Wertheim

advocatuur

b.v.

n

A

J[-AAA

A

_ A

ruimtelijke

ordening

amplitudemodulatie het beste kan worden vastgesteld. De expertgroep beveelt daarom aan om

meer

aandacht te besteden

aan

het verminderen

van dit ritmische

karakter.

De

reductie

zou een reden kunnen zijn om een geluidniveau boven de standaardwaarde toe te staan. Om hinderlijke karakteristieken van geluidsproductie door windturbines tegen te gaan beveelt de expertgroep aan:

1. Een straffactor toe te passen op windturbines die tonaal geluid veroorzaken; 2. Voor laagfrequent geluid een aparte norm te hanteren vergelijkbaar met die in Denemarken;

3. Zoveel mogelijk na te streven om het ritmisch geluidskarakter te verminderen.” (p. 24-25) 122.

Voor laagfrequent geluid wordt dus een aparte norm aanbevolen. Zie voor laagfrequent geluid ook de rapporten van Bijl, Alteveer en Suichies (genoemde producties 12, 13 en 14).

123.

(geanonimiseerd) Ten onrechte onl!ree!t een norm voor aag'requenl. voor infrasoon geluid, voor trillingen en voor amplitudemodulatie n de bestreden besluiten.

124.

Infrasoon kan tot gezondheidsschade leiden. Ook niet hoorbaar geluid kan invloed hebben. Het kan daarbij ook gaan om trillingen en drukgolven. Zie ook de rapporten van Bijl, Alteveer en Suichies (genoemde producties 12, 13 en 14).

125.

De grotere rotorbladen van de huidige windturbines veroorzaken meer en ander laagfrequent en infrasoon geluid dan bij kleinere windturbines. Hier zal nader onderzoek naar moeten worden verricht, ook naar de invloed van laagfrequent en infrasoon geluid op slaapverstoring.

126.

Zie nader $ 10.8.2 hieronder.

10.4 127.

Slagschaduwhinder

Windpark IJsselwind zal voor cliënten leiden tot onaanvaardbare slagschaduwhinder en daarmee

ook voor aantasting van hun gezondheid. Voor deze beroepsgrond voeren cliënten, in aanvulling op $ 7 hierboven, de volgende argumenten aan. 128.

In de Motivering lokale normen, hoofdstuk 3, en in het PIP, toelichting, $ 5.1.3 Motivering van de normstelling voor windpark IJsselwind, wordt beschreven hoe het provinciebestuur tot zijn lokale slagschaduwnorm is gekomen.

De redeneringen komen neer het volgende.

Motivering lokale normen, p. 16: de Duitse onderzoeken Pohl 1999 en Pohl 2000 zijn nog steeds relevant voor de beoordeling van slagschaduweffecten. 129.

Uit de Motivering lokale normen, Bijlage A, Bibliografie, blijkt niet om welke onderzoeken het precies gaat. Pondera Akoestiek en Slagschaduw, p. 36, voetnoot 14 noemt Pohl, J, Faul, F, & Mausfeld, R, Belästigung durch periodischen Schattenwurf von Windenergieanlagen, 1999.

pagina 38/69

Wertheim

advocatuur

bv.

n

A

A

_ A

J[-AAA

overheid

+.

lijke

ordening -

ruim

STAB Delfzijl, p. 87, noemt ditzelfde onderzoek, alsmede Pohl, J, Faul, F, & Mausfeld, R, “Belästigung durch periodischen Schattenwurf von Windenergieanlagen, Laborpilotstudie”, 2000. 130.

In STAB Delfzijl, p. 88, stelt STAB vast dat deze onderzoeken meer dan 20 jaar oud zijn, en schrijft zij dat de hinderbeleving van slagschaduwwerking wellicht sindsdien van steeds grotere

windturbines gewijzigd is. Voorts schrijft STAB dat er geen recenter onderzoek verricht is. Dat laatste wordt ook erkend in Motivering lokale normen, p. 16, voorlaatste al. 131.

Er dient dus nader onderzoek verricht te worden, ook naar flikkerfrequenties onder 2,5 Hz. Motivering lokale normen, p. 16: er kan worden aangesloten bij geluidgevoelige objecten omdat het gaat om objecten waar langdurige aanwezigheid van personen aan de orde is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=33c963d5-51cc-4b0e-be12-fb964e41a6ed