564694 - Bijlage 14 - T en R bestemmingsplan Breegraven 101-115
Tekst van het document
2022-2027 verder ingevuld. De ambities uit de watervisie willen zij samen met hun partners verder
vormgeven. Het waterbeheerplan biedt hiervoor concrete aanknopingspunten. Waterbeheerplan 2022-2027
Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerplan 2022-2027 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak het waterschap deze doelen wil bereiken.
Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element! draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving.
De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt
structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te
Breegraven 101-115
27
beheren, rioolwaterte zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans
van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's. Klimaatrobuust gebied: het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd
inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar extreem
zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van
weer.
Veilig gebied: het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar kan worden ingespeeld op ontwikkelingen, het beheer op een duurzame wijze wordt uitgevoerd en wordt gewerkt aan
behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie:
het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel
mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin onze taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.
Gezonde leefomgeving: het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Doel s een
oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden
daarbinnen
en -buiten
bevordert.
Het waterschap heeft de "Handreiking Waterparagraaf voor bestemmingsplannen" (versie januari 2012) ontworpen waarmee kan worden bepaald voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf.
Bij plannen met een verhard oppervlak kleiner dan 500 m? n de nieuwe situatie hoeft geen berging gerealiseerd te worden. Bij plannen met een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m? dient rekening gehouden te worden met een maatgevende bui van 80 mm per uur (in stedelijk gebied). Hiervoor kan de volgende berekening worden gehanteerd, waarin de factor 0,08 m een maatgevende bui van 80 mm
per uur
vertegenwoordigt: Benodigde compensatie (in m?) = Toename verhard oppervlak (in m?) * 0,08. Watertakenplan Zutphen 2021-2025 Gemeente Zutphen heeft de ambitie om een groene, gezonde woon- en leefomgeving voor haar inwoners te
zijn en zet duurzaamheid hoog op de agenda. Vanuit de gemeentelijke watertaken kunnen we een grote bijdrage leveren aan de ambities van Zutphen. Het Watertakenplan beschrijft daarom hoe zij de aankomende jaren (2021-2025) invulling zullen geven aan hun watertaken en hoe dit bijdraagt aan de ambities een groene,
gezonde én klimaatbestendige gemeente te zijn. De onderstaande tabel toont de bergingseis in verschillende situaties:
28
Breegraven 101-115
tuatie
[gerging per
[perceer 2253
Meerdere woningen
Te ontwikkelen gebied berging per 100 m2 perceelopperviak
2,25 m3 berging per 100 m2 perceeloppervak *= Porceel s eon kavel/
__ 1,50 m3 berging per 100 m2 perceeloppervlak 40 mm (contrale) waterberging + 1,0 M3 berging per 100 m2 perceeloppervlak
stuk grond van dezelde eigenaar met één woning incdusief tuin
Planspecifiek (watertoets) De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen
bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een
proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Ten behoeve van de watertoets is onderhavig plan getoetst aan een efftal thema's die het Waterschap Rijn en IJssel van belang acht ten behoeve van het waarborgen van een gunstige waterhuishoudkundige situatie nu en in de toekomst. Het resultaat van deze toets volgt hieronder.
[Thema \Veiligheid
[Toelichting Relevant 1. Ligt in of nabij het plangebied primaire of secundaire _ |Nee \waterkeringen?
Riolering en Afvalwaterketen
|2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
Nee
|1. Is er toename van het afvalwater ( DWA)?
a
|2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
Nee
3.Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van WRIJ? Nee
\Wateroverlast
1. Is er sprake van toename van verhard oppervlak?
Nee
|2. Is er sprake van afkoppelen van verhard oppervlak? |3. In of nabij het plangebeid bevinden zich natteenlaag
_ |Ja
\gelegen gebieden? Nee
\Grondwateroverlast
1. Inhetplangebiedissprakevan slecht doorlatende _ [Nee agen in de ondergrond.
Nee
|2. Het plangebied bevindt zich in de invloedzone van en IJssel.
Nee
|3. Is in het plangebied sprake van kwel.?
Nee
|4. Beoogt het plan het dempen van slootjes of andere \wateren.?
\Watervoorziening
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van
Nee
drinkwateronttrekking?
\Volksgezondheid
|1. Bevinden zich overstorten van het rioolstelsel in of nabij [Nee het plangebied?
|2. Nieuwe functies die miliehygiënische of
Nee
\verdrinkingsrisico's hebben?
[Oppervlaktewaterkwaliteit
_
|1. Wordt vanuit het plangebied waterop
Nee
oppervlaktewater geloosd? |2. Ligt het plangebied nabij een Hen of Sed water of
Nee
|Strategisch actiegebied
Breegraven 101-115
29
\Verdroging
|1. Het plangebied bevindt zich in een hydrologisch gebied [Nee [voor
Natte natuur
natte
natuur.
1.In of nabij het plangebied bevindt zich de EHS.
Nee
|2 Bevindt het plangebied zich in of nabij
Nee
lbeschermingszones voor natte natuur? Inrichting en beheer
1. In of nabij het plangebied bevinden zich wateren diein
|Nee
lbeheer zijn bij het waterschap.
[Cultuurhistorie
|2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
|Nee
|1. E zijn cultuurhistorische waterobjecten in het
Nee
plangebied aanwezig.
Uitde tabel blijkt dat twee thema's van belang zijn, namelijk de aspecten riolering/afvalwater en wateroverlast (toename van verhard oppervlak). In de bestaande situatie vindt de afvoer van afvalwater plaats via het gemengd rioolstelsel. De toename van het afvalwater is niet zodanig dat het bestaande stelsel opnieuw moet worden gedimensioneerd. Het
bestaande riool biedt voldoende capaciteit. Om wateroverlast nu en in de toekomst te voorkomen, wordt het regenwater niet meer afgevoerd naar het
rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden-bergen-afvoeren behandeld. In het plan worden daartoe infiltratievoorzieningen opgenomen die er voor zullen zorgen dat het regenwater kan worden opgevangen in de bodem op het perceel.
De totale verharding in het plangebied bedraagt ca. 2.218 m? (2525 m? minus 307 m? groen). Conform het beleid van het waterschap moet per m? 80 mm geborgen kunnen worden. Hiermee is er ca. 177 m? berging nodig. Om in deze hoeveelheid waterberging te kunnen voorzien worden infiltratiekratten aangelegd op het
achterliggende parkeerterrein. Op het parkeerterrein is voldoende ruimte om deze infiltratiekratten aan te leggen. In de vergunningfase zal dit verder exact worden uitgewerkt.
Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het verhard oppervlak toe met 530 m?, waarvan 338 m? (het parkeerterrein) wordt uitgevoerd in halfopen bestrating.
Deze oplossing zorgt ervoor dat de waterafvoer bij
piekmomenten geleidelijker wordt afgevoerd. In het plangebied is geen sprake van grondwateroverlast en kwel. Het grondwater bevindt zich gemiddeld op een diepte van 2 meter onder het maaiveld. In het plangebied is geen sprake van slecht doorlatende lagen.
Verder zullen eisen gesteld worden aan duurzaam materiaalgebruik. Gezien de hiervoor beschreven aspecten is dit bestemmingplan uitvoerbaar op het gebied van water. 43
_
Verkeer
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. In onderhavig plan neemt ten opzichte van de bestaande situatie het aantal woningen toe. Er worden 24
appartementen gerealiseerd terwijl er in de oude situatie 8 twee-onder-één-kapwoningen aanwezig waren. Om in de parkeerbehoeftete voorzien, wordt er achter op het terrein een parkeerhof gerealiseerd. In dit parkeerhof zijn, naast bergingen, 31 parkeerplaatsen gesitueerd (incl. 1 mindervalidenparkeerplaats). Elke
woning heeft daar een parkeerplaats. De overige parkeerplaatsen zijn voor bezoekers. Voor de appartementen kan worden uitgegaan van een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per woning (waarvan 0,3 parkeerplaats voor bezoekersparkeren). Voor 24 appartementen komt de totale parkeerbehoefte daarmee op 31
parkeerplaatsen. Met de realisatie van 31 parkeerplaatsen wordt er aan de parkeernorm voldaan.
30
Breegraven 101-115
Het parkeerhof wordt ontsloten aan de zuidoostzijde.
Op deze wijze wordt het Dahliapad niet belast met extra
autoverkeer. De Breegraven zelf biedt voldoende capaciteit om de toegenomen hoeveelheid
verkeersbewegingen op te vangen Gezien de hiervoor beschreven aspecten is dit bestemmingsplan uitvoerbaar op het gebied van verkeer.
44
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet
natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuitde Vogel- en Habitatrichtlijn.
Volgens deze
Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking’.
Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn,
ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse
planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden n hoeverre ruimtelijke plannen negatieve
gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald
aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, du ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Om te onderzoeken of er natuurwaarden of beschermde soorten n het geding komen, zijn er een voortoets
stikstofdepositie (bijlage 12), een quickscan flora en fauna (bijlage 10) en een vervolgonderzoek/projectplan (bijlage 11) uitgevoerd. Gebiedsbescherming Aangezien de onderzoekslocatie niet is gelegen in of in de nabijheid van een onderdeel dat behoort tot de EHS of Gelders Natuurnetwerk, is aantasting niet aan de orde. De onderzoekslocatie ligt circa 2,5 km van het
dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied. Uit de voortoets stikstofdepositie blijkt dat het toekomstig gebruik van de appartementen geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j. gebieden.
veroorzaakt op de Natura 2000-
Ook de sloop van de woningen, aanleg van de appartementen en openbare ruimte veroorzaken op
Natura 2000-gebieden op basis van de inschatting van de werkzaamheden geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoorde berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de
aanlegfase niet toe. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000 gebieden.
Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. Externe werking op
overige beschermde natuurgebieden is gelet op afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van de ingreep niet aan de orde.
Breegraven 101-115
31
In bijgevoegde afbeelding is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de EHS/ GNN en het Natura 2000 gebied de Uiterwaarden van de IJssel weergegeven.
Ligging onderzoekslocatie (pijl) ten opzichte van de EHS (groen) / Natura 2000 (gearceerd). Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt ten aanzien van algemene broedvogels overtredingen kunnen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Een overtreding ten aanzien van steenmarteris eveneens te
voorkomen door zorgvuldig handelen en rekeningte houden met de gevoelige periode van de soort. Om te onderzoeken of er sprake is van verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van de huismus, gierzwaluw of vleermuizen, is een vervolgonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat er een
ontheffing nodig is. Deze ontheffing is verleend door het bevoegd gezag. Inmiddels is in het plangebied gestart met de sloop. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Flora-
en faunawet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Conclusie
Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling kan gesteld
worden dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op het gebied van ecologie. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming n acht te worden genomen, hetgeen volgens de onderzoeken goed mogelijk is.
45
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische
gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
32
Breegraven 101-115
Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor
een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland
op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige ofte
verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten
archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden
en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd, Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Een groot deel van de bebouwde kom van Warnsveld is cultuurhistorisch van belang. Dat geldt in mindere mate voor de buurt waarin het voorliggend plan zich bevindt. Deze is van recentere datum (jaren '50 en '60) maar heeft toch zijn eigen karakteristiek. Van belang zijn vooral het heldere stratenpatroon, het vele groen en
de rustige sfeer. Als zodanig sluit de wijk goed aan bij de historische kom van het dorp. Minder interessant is de kwaliteit en architectuur van de bebouwing. Deze is matig en onopvallend op een enkele uitzondering na. Eris geen sprake van monumenten
in de buurt of in de directe omgeving. Wel zijn er enkele nieuwe
complexen in de wijk die zorgen voor een kwaliteitsverhoging door hun goede eigentijdse architectuur. De nieuwbouw sluit aan bij de cultuurhistorie van de wijk doordat de schaal en structuur aansluiten bij de bestaande bebouwing. Het bestaande stratenpatroon wordt niet gewijzigd. Er worden hiermee geen
cultuurhistorische waarden aangetast. Volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachtingswaarde.
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Warnsveldse Enk met prehistorische en
vroegmiddeleeuwse bewoning. Al eerder werden vondsten in de omgeving van het plangebied gedaan. Een vooronderzoek is nodig waarbij uitgegaan kan worden van proefsleuven in plaats van boringen. Omdat de laatste woningen pas recent zijn gesloopt, toen het bestemmingsplan al verder in procedure was, kon dit nog
niet plaatsvinden. In overleg met de gemeentelijk archeoloog is daarom besloten dat de resultaten van het vooronderzoek en de consequenties daarvan mee zullen worden genomen in het bouwproces (bij aanleg van fundering). Normaal dienen de resultaten van het vooronderzoek in het bestemmingsplan te worden
meegenomen. De verwachting is echter, dat dit de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in gevaar brengt (zie archeologisch Programma van Eisen in bijlage 13).
Gezien de hiervoor beschreven aspecten s het bestemmingsplan uitvoerbaar op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.
Breegraven 101-115
33
4.6
_ Economische
uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van
plankosten zekerte stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie’, artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen
indien:
* _ het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; * _ het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk
5° niet noodzakelijk is; * _ het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek In voorliggend plan wordt het kostenverhaal vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen
gemeente en initiatiefnemer, zodat een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De kosten voor omzetting naar woningen komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer.
De afhandeling van eventuele planschade
wordt hierin ook betrokken. Gezien de betrokkenheid van beide partijen bij dit project en de
eigendomssituatie, hoeft voor de haalbaarheid van dit project niet te worden gevreesd. Het bestemmingsplan is hiermee economisch
34
uitvoerbaar.
Breegraven 101-115
Hoofdstuk 5 51
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen
aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan.
De
toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en
de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een
juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Tot slot maakt een
eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2
_ Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als
gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3
Planregels
De planregels zijn onderverdeeld
in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele
plangebied. Hoofdstuk I! geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk II geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het
bepaalde in hoofdstuk II Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen
2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels’.
In het tweede hoofdstuk, de
Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: e _ Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); * _ Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); e _ Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); « _ Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); * _ Speuifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); * _ Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); * _ Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
(bestemmingsplanafhankelijk).
Breegraven 101-115
35
54
Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Tuin, die de functie van tuin in combinatie met de woonfunctie mogelijk maakt.
In de tuin zijn uitsluitend
gebouwen toegestaan in de vorm van erkers en andere bouwwerken zoals schuttingen, speeltoestellen en
tuinmeubilair. Er is verharding toegestaan ten behoeve van parkeerplaatsen, opritten en toegangspaden. Wonen, waarin de woonbebouwing is opgenomen. Op de verbeelding is binnen deze bestemming een bouwvlak aangegeven, waarbinnen de hoofdgebouwen moeten worden gesitueerd. Daarbijis de
maximale bouwhoogte aangegeven. Tevens zijn regels bepaald voor bijbehorende bouwwerken. Een parkeervoorziening is toegestaan op het maaiveld Waarde — Hoog Verwachte Archeologische Waarde (dubbelbestemming) waarin het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem is opgenomen. Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk
36
is voldaan
aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Breegraven 101-115
Hoofdstuk 6
61
Procedure
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voorJontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste
lid
van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met
die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Voor wat kleinere plannen kan, n overleg,
afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter
inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het
bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt
afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
Conform artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de
rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties en heeft overleg plaatsgevonden.
6.3
Zienswijzen
In 2015 was het toenmalige
Woningbedrijf Warnsveld voornemens op de locatie Breegraven 101-115te
Warnsveld 22 appartementen te realiseren. Hiervoor heeft vanaf 24 september 2015 een ontwerpbestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegen. Door verschillende omstandigheden heeft het plan stilgelegen. In 2019 heeft de woningstichting Ons Huis het plan aangepast.
Het aantal appartementen is
gewijzigd naar 24 en het ontwerp is gewijzigd. Het ontwerpbestemmingsplan is hierop aangepast en geactualiseerd.
Dit plan is opnieuw als ontwerp ter inzage gelegd met de mogelijkheid om zienswijzen naar
voren te brengen. Dit ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 22 september 2022 voor een ieder gedurende zes
weken ter inzage gelegen. De zienswijzen die tijdens deze termijn zijn ingediend zijn samengevat en van een reactie voorzien in de zienswijzennota bij het vaststellingsbesluit 6.4
Procesn.
zienswijzen
Na een forumvergadering van de gemeenteraad waarin de omwonenden van de locatie gesteund werden in hun bezwaren door de commissieleden van de raad is aan woningstichting Ons Huis gevraagd om omwonenden
meer te betrekken in de planvorming. Op 6 september 2023 heeft daarom een eerste
inloopbijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst is het schetsontwerp van het plan gepresenteerd (zie paragraaf 2.2) en konden omwonenden en belanghebbenden hun opmerkingen geven op het plan. Naar aanleiding van de opmerkingen en verbeterpunten die werden gemaakt door omwonenden
tijdens de inloopbijeenkomst op 6 september 2023 heeft Ons Huis een nieuwe inloopbijeenkomst georganiseerd op 30 november 2023. Op deze avond is hetzelfde schetsontwerp gepresenteerd met als aanvulling een aantal varianten. Hieronder wordt nader ingegaan op de aangedragen wensen vanuit de omgeving.
Breegraven 101-115
37
Gevel straatzijde Voor de gevel van het complex (aan de straatzijde) is een aantal alternatieven uitgewerkt. Hierbij draait het
vooral om het uiterlijk en de verschijningsvorm van de derde woonlaag. In de klankbordgroep wordt de uiteindelijke keuze gemaakt voor een variant en zal de definitieve gevelverbeelding worden uitgewerkt. De gevel heeft in het originele ontwerp balkons buiten de gevellijn liggen. Naar aanl
ding van de opmerl
van omwonenden zijn de balkons nu binnen de gevellijn ingetekend. De balkons zijn hierdoor loggia's geworden.
Hierdoor zijn de plattegronden van de appartementen compacter geworden.
Daktype Eén van de vragen van omwonenden
had betrekking op de dakvorm.
kan er niet gekozen worden voor een puntdak. Wanneer
Waarom
is gekozen voor een plat dak en
wordt gekozen voor aan puntdak kunnen er niet
voldoende appartementen op de verdieping worden gerealiseerd en komt de nok van het gebouw ook een stuk hoger te liggen. Dit wordt door omwonenden ook niet gewenst. De eerder benoemde gevelvarianten (zie afbeeldingen in paragraaf 2.2) voorzien in de suggestie dat er iets met een schuin dak gedaan kan worden,
zonder dat er daadwerkelijk een nok hoeft te worden gemaakt. Ontsluiting
Eerder was het plan om aan de oostzijde van het gebouw een ontsluiting te realiseren om zo bij de parkeervoorzieningen bestemd voor de appartementen te komen. Via het Dahliapad zou het verkeer de locati
weer moeten verlaten. Er werden door omwonenden veel vragen gesteld over de veiligheid van
langzaam verkeer dat gebruik maakt van het Dahliapad. Ook konden volgens de omwonenden autolichten zorgen voor hinder.
Dit heeft ertoe geleid dat de ontsluiting via het Dahliapad is komen te vervallen en dat de
in- en uitrit aan de oostzijde van het complex gepositioneerd wordt en er één ontsluiting op de Breegraven is. Positie van het gebouw op de kavel Het gebouw bestaat uit drie gebouwdelen A (west), B (midden) en C (oost). Door verschillende omwonenden
is
opgemerkt dat zij zich zorgen maken over de inkijken het complex zover mogelijk bij de eigen woning vandaan willen positioneren. Alles afwegende is er daarom voor gekozen om gebouw deel A iets verder naar achteren op het kavel te plaatsen ten opzichte van deel B en C. Voor deze planaanpassing hoeft het bouwvlak in de het
bestemmingsplan niet te worden aangepast.
Het bouwvlak is daar voldoende groot voor.
Dorps karakter
Er is veelvuldig de wens geuit voor een meer "dorps karakter" van de bebouwing in verband met de ligging in de oude kern.
De straat Breegraven ligt in een jaren 50 en 60 wijk en nieuwe ontwikkelingen moeten ingepast
worden in de bestaande structuur. Dit kan bijvoorbeeld worden gedaan met de keuze in de kleuren van
metselwerk, kleuren van schilderwerk, kleuren van daken en of materiaalkeuzes.
De uitgewerkte varianten zijn
nu nog op schetsniveau. Er is nog voldoende ruimte om in het ontwerp de aansluiting te vinden bij de bestaande bouw. Volgens
omwonenden
zouden schuine daken passender zijn bij het dorpse karakter. Zoals
beschreven onder de opmerkingen m.b.t. het daktype kan hierbij deels worden aangesloten bij de wensen van de omwonenden.
Maaiveld van de kavel verlagen
Een ander punt dat naar voren kwam had betrekking op het verlagen van het maaiveld van het plangebied. Hiermee zou het gebouw visueel lager worden. Het maaiveld ligt t.0.v. de straat gemiddeld vrij hoog. De omliggende kavels sluiten aan op deze hoogte, waarmee het plangebied dus niet hoger ligt dan de omliggende kavels. De verwachting is dat het verlagen van het plangebied op bepaalde momenten kan zorgen voor problemen met de waterhuishouding. De kavel wordt, na de straat, het laagste punt van de directe omgeving. Het verlagen van het maaiveld wordt niet verder
38
Breegraven 101-115
overwogen vanwege de verwachting van wateroverlast. Ook zal de winst voor wat betreft het terugbrengen van de bouwhoogte van het complex gering zijn. Vervolg
Het vervolg is dat na vaststelling van het bestemmingsplan Ons Huis n gesprek zal gaan met de omwonenden die zich hebben opgegeven voor de klankbordgroep. In deze bijeenkomsten zal met de gepresenteerde varianten aan de slag worden gegaan om te komen tot een voorlopig ontwerp en tot slot een definitief ontwerp waarmee de omgevingsvergunning zal worden aangevraagd. In de klankbordgroep wordt ook afgestemd hoe de openbare ruimte verder ingevuld zal worden. Er kunnen dan afspraken gemaakt worden over erfafscheidingen, inrichting van groenvakken, ontsluiting en verlichting van het complex en de galerijen.
Breegraven 101-115
39
40
Breegraven 101-115
Bijlagen bij de toelichting
Breegraven 101-115
41
42
Breegraven 101-115
Bijlage 1
Breegraven 101-115
Bodemonderzoek Breegraven 101-103
43
44
Breegraven 101-115
Bijlage 2
Breegraven 101-115
Verkennend bodemonderzoek Breegraven 105-115
45
46
Breegraven 101-115
Bijlage 3
Breegraven 101-115
Actualiserend vooronderzoek
bodem
47
48
Breegraven 101-115
Bijlage 4
Breegraven 101-115
Verkennend
onderzoek asbest in bodem
49
50
Breegraven 101-115
Bijlage 5
Breegraven 101-115
Akoestisch onderzoek wegverkeer
51
52
Breegraven 101-115
Bijlage 6
Breegraven 101-115
Akoestisch onderzoek parkeren appartementen
53
s4
Breegraven 101-115
Bijlage 7
Breegraven 101-115
Notitie akoestisch
onderzoek
55
56
Breegraven 101-115
Bijlage 8
Breegraven 101-115
Advies Veiligheidsregio
57
58
Breegraven 101-115
Bijlage 9
Breegraven 101-115
Aanmeldnotitie
m.e.r.
59
E
Breegraven 101-115
Bijlage 10
Breegraven 101-115
Quickscan flora en fauna
61
62
Breegraven 101-115
Bijlage 11
Breegraven 101-115
Ecologisch vervolgonderzoek en projectplan
É}
6
Breegraven 101-115
Bijlage 12
Breegraven 101-115
Voortoets stikstofdepositie
65
66
Breegraven 101-115
Bijlage 13
Breegraven 101-115
Archeologisch PvE
67
6
Breegraven 101-115
Regels
70
Breegraven 101-115
Hoofdstuk 1 Artikel 1 11
Inleidende regels Begrippen
plan
het bestemmingsplan
Breegraven 101-115 met identificatienummer NL.IMRO.0301.bp1205Breegraven-vs01
van de gemeente Zutphen. 12
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen. 13
_
verbeelding
1.
analoge verbeelding: de verbeelding van het bestemmingsplan “Breegraven 101-115”, bestaande uit 1
kaartblad met het nummer NL.IMRO.0301.bp1205Breegraven-vs01; 2.
digitale verbeelding: een verbeelding van het bestemmingsplan “Breegraven 101-115", met de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0301.bp1205Breegravenvs01.
14
aan-of uitbouw
een aan een hoofdgebouw toegevoegde ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 15
_
aan-huis-verbonden beroep
een (para)medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig en daarmee gelijk te stellen beroep dat in of
bij een woning wordt uitgeoefend (met uitzondering van vrijstaande bijgebouwen) door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
16
_
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels
worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/ of het bebouwen van deze gronden. 17
_
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 18
_
antenne
een bouwwerk in de vorm van een zend- en/of ontvangstinstallatie voor telecommunicatiedoeleinden. 19
_
antennedrager
een antennemast of andere constructie bedoeld voor de vestiging van een antenne. 110
_
antenne-installatie
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de wel of niet in de techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
111
_
archeologische deskundige
de gemeentelijk (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
Breegraven 101-115
7
112
_ archeologisch
onderzoek
onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst of instelling erkend door het College van de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 Monumentenwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.
113
_
archeologisch rapport
in rapportvorm vervat verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek, op basis waarvan een conclusie kan worden getrokken over de
aanwezigheid van archeologische waarden. 114
_ archeologische verwachting
de toegekende hoge, middelmatige of lage archeologische verwachting in verband met de kennis en
wetenschap van de n dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.
115
archeologische waarde
een toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 116
_ bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 117
bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan,
installeren en/of herstellen van goederen, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan-huisverbonden beroepen daaronder niet begrepen. 118
bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf. 119
1.
_
bestaand
ten aanzien van bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan
bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
2.
ten aanzien van gebruik: het gebruik dat op het moment
van inwerkingtreding van het plan bestaat en in
overeenstemming is met het voorheen geldende planologische regime. 1.20
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsviak. 121
_ bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
122
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
72
Breegraven 101-115
123
_
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een
bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats. 1.24
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 125
_ bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of
balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 126
_ bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing
is toegelaten. 1.27
_ bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 128
_
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 129
_
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 130
_
calamiteit
een (natuur)ramp of al dan niet verwachte gebeurtenis die ernstige schade veroorzaakt. 131
carport
een dakconstructie vrijstaand zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, bedoeld voor de stalling van een motorvoertuig. 132
_ consumentverzorgende
bedrijfsactiviteiten
het als eenmanszaak beroepsmatig uitoefenen van een dienstverlenende bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, dan wel ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentenverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de omvang van de activiteiten zodanig
is dat,
wanneer deze
in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de ruimtelijke uitstraling n overeenstemming is met die van de woonfunctie; de volgende consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten zijn met inachtneming van de hier gestelde voorwaarden
toelaatbaar: fotograaf, autorijschool, bloemschikker, decorateur, fietsenreparateur, goud- en zilversmid, hoedenmaker, hondentrimmer, pottenbakker, instrumentenmaker, kaarsenmaker, klompenmaker,
lijstenmaker, loodgieter, meubelmaker, computerservice (0.a. systeembouw/-analyse), schoonheidsspecialiste, kapsalon, traiteur, muziekinstrumentenmaker, zadelmaker, nagelstudio, tv/radio reparateur, reisorganisatie (kleinschalig), koeriersdienst, prothesemaker, reparatie van kleine consumentenartikelen
(antiek/radio's/TV's/horloges/etc.), adviseurs, kantooractiviteiten en glazenwasser.
Breegraven 101-115
73
133
_
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit 134
eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond. 135
_
escortbedrijf
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsofzij
bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend, zoals escortservices en -bemiddelingsbureaus. 1.36
gebruiken
gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven 137
gebouw
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
vormt.
138
_ hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als
het belangrijkste gebouw op een bouwperceel kan worden aangemerkt. 1.39
nadereeis
een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder d van de Wet ruimtelijke ordening. 140
_ omgevingsvergunning
een vergunning als bedoeld in artikel 1.1 eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 141
_ omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en
werkzaamheden
een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening. 142
_ omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken
een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder b van de Wet ruimtelijke ordening. 143
_
onderbouw
een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant
minder dan 1,20 m
boven peilis gelegen. 144
_ ondergronds
onder peil.
145 1.
_ overkapping een dakconstructie zonder wanden, dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen of;
2.
74
een overkapt bouwwerk bestaande uit maximaal twee, al dan niet tot de constructie behorende, wanden.
Breegraven 101-115
146 1.
peil voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg gren
: de hoogte van die weg ter
plaatse van de hoofdtoegang, vermeerderd met 0,20 m; 2.
_ in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein, vermeerderd
147
_
met 0,20 m.
plaatsingsplan
plan waarin de bestaande antenne-installaties binnen de gemeente alsmede de zoekgebieden voor toekomstige installaties zijn aangegeven.
148
_ plangrens
de aangegeven begrenzing van het bestemmingsplan. 149
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding. 150
_
raamprositiutie
een seksinrichting met één of meer ramen van waarachterde prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. 151
ruimtelijke kwaliteit
de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde van
152
die ruimte.
_
seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische en/of pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, een
seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 153
_
uitvoeren
uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven. 154
_ voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw. Gebouwen welke met meer dan é&n zijde naar de weg zijn
gekeerd, hebben meerdere voorgevels. 155
_ voorgevelrooilijn
de grens van het bouwvlak dat gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. 156 een
157
_
waterbeheerder
beheerder als bedoeld
in artikel
11 van de Waterwet.
wijziging
een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 onder a van de Wet ruimtelijke ordening. 158
_ woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van &6&n afzonderlijk huishouden.
Breegraven 101-115
75
159
_
zorgappartementen
een (verzameling van) gebouw{en) bedoeld voor (zelfstandige wonende) personen waar zorg(voorzieningen),
zorgondersteunende infrastructuur en maatschappelijke en medische voorzieningen worden aangeboden.
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend: 21
_
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens
de kortste afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
2.2
_
bebouwd oppervlak van een bouwperceel
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. 23
_
bebouwingspercentage
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het
bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming of binnen een n de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 24
_
breedte, diepte c.q lengte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde
overeenkomstig de omtreklijn van de horizontale projectie van alle delen van die bouwwerken. 25
_
breedte, diepte c.g. lengte van een gebouw
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/ofde harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren. 26
_
dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 27
_
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
28
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
29
inhoud
van
een
bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.10
_ oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/ of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.11
_ oppervlakte van een overkapping
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
76
Breegraven 101-115
2.12
_ ondergronds bouwen
bij het berekenen van het bebouwingspercentage of de te bebouwen oppervlak wordt de oppervakte van
ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen, voor zover deze zijn gelegen buiten de buitenwerkse gevelvlakken van de bijbehorende bovengrondse gebouwen. 2.13
_ ondergeschikte
bouwdelen
bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden bouwdelen buiten beschouwing gelaten, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, trappen, balkons en overstekende daken, mits de overschrijding niet meer
bedraagt dan 1m 2.14
_
verwijzing naar andere wettelijke regelingen
waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen,
wordt geduid op de regelingen zoals die
luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 215
_ dakkapellen
bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden dakkapellen buiten beschouwing
gelaten, behoudens dakkapellen waarvan de gezamelijke breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel.
Breegraven 101-115
77
Hoofdstuk 2 Artikel 3
3.1
_
Bestemmingsregels Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
tuinen en verhardingen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
b.
toegangswegen voor aangrenzende bestemmingen;
c.
bij deze bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2
_
Bouwregels
321
Gebouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
3.2.2
_ Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden: 3.
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen bedraagt maximaal
1 m;
b.
de bouwhoogte van viaggenmasten bedraagt maximaal 6 m;
c.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m;
d.
het bouwen van overkappingen en/of carports is niet toegestaan.
33
_
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 voor het bouwen van erkers, luifels en balkons aan de voor- of zijgevel van het hoofdgebouw onder de volgende voorwaarden:
a.
de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 m;
b.
de afstand tot de openbare weg bedraagt minimaal 2 m;
c.
de hoogte van de luifel of erker mag ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag,
verhoogd met 0,25 m, van het hoofdgebouw en de maximale bouwhoogte bedraagt 4,5 m.
Artikel 4
41
_
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
ze>nanrs
woningen, met dien verstande dat het maximum aantal woningen 24 bedraagt;
aan-huis-verbonden beroep en consumentverzorgende bedri
igheid;
aan- en bijgebouwen behorende bij de woning; toegangswegen voor aangrenzende bestemmingen;
parkeervoorzieningen, waarbij
wordt voldaan aan de parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per woning;
openbare nutsvoorzieningen; water
en waterhui:
oudkundige voorzieningen waaronder wadi's;
bij deze bestemming behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen zoals groen, tuinen, erven en verhardingen.
42
Bouwregels
421
_ Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van woongebouwen gelden de volgende voorwaarden: 3.
woongebouwen
b.
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen woningen gestapeld worden gebouwd;
78
mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
Breegraven 101-115
c
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan middels de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is aangegeven.
4.2.2
_ Aan-en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan- en bijgebouwen gelden de volgende voorwaarden:
3.
de gezamenlijke grondoppervlakte van bijgebouwen en/of aanbouwen bedraagt maximaal:
1. b.
bij gestapelde woningbouw 250 m2;
de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 3,0 m; de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 3,5 m;
d.
de (goot)hoogte van aangebouwde bijgebouwen mag ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag, verhoogd met 0,25 m, van het hoofdgebouw tot maximaal 4,5 m;
e.
uitbreidingen aan de zijkant van de woningen moeten minimaal 1 m achter de (doorgetrokken)
voorgevellijn worden gerealiseerd. 4.2.3
_ Bouwwerken, geen gebouw
zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:
a.
de bouwhoogte van erf-n terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1 m;
b.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het
hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 m; c.
de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten bedraagt maximaal 6 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m;
e.
de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen en carports bedraagt maximaal 20 m?.
43
Specifieke gebruiksregels
Binnen de bestemming 'Wonen" is de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en
consumentverzorgende bedrijfsactiviteit toegestaan, mits: a.
geen gebruik plaatsvindt dat vergunningplichtig is op grond van de Wet milieubeheer zoals die luidde op het tjdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan;
b.
geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd of verwerkt;
c
de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
d.
ten hoogste 33,3% van de vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende aan- en bijgebouwen, tot een
e
geen parkeeroverlast
maximum van 50 m? in gebruik mag zijn;
Artikel 5 51
_
in de directe omgeving wordt veroorzaakt.
Waarde - Hoog Verwachte Archeologische Waarde
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde — Hoog Verwachte Archeologische Waarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te
verwachten archeologische resten in de bodem. 52 5.21
_
Bouwregels _ Algemeen
Ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing gelden de volgende regels: a.
bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m? dient de aanvrager een rapportte overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
Breegraven 101-115
79
b.
indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere
van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw: of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals
alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodem|aag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; de verplichting tot het doen van opgravingen of;
3.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoringte laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of;
4.
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te
brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c.
het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld,
waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is 5.2.2
_ Archeologische deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld n artikel 5.2.1 onder a wint het bevoegd
gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 5.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld. 53
_
Nadereeisen
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en
beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden. 54
__
Afwijken van de bouwregels
Het bepaalde in artikel 5.2.1 onder a is niet van toepassing indien: a.
_ op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of;
b.
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m? wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders of;
c
gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, mits de uitbreiding niet meer bedraagt dan 50 m?, met uitzondering van nieuwe kelders.
55
_
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden 551
Verbod
Onverminderd het in de Monumentenwet 1988 bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een
omgevingsvergunning op de in artikel 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
uit te voeren:
3.
het ophogen van de bodem met meer
b.
grondwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m?,
dan 1 m;
waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van
drainage en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c.
het verlagen of afgraven van de bodem;
d.
het verlagen van het waterp:
80
Breegraven 101-115
het aanbrengen of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
z
het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
5.5.2
_ Weigeringsgrond
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 mag alleen en moet worden geweigerd, indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel door de daarvan direct of
indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.
5.5.3
_ Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 is nodig voor: 3.
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer
b.
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een
c
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van
betreffen;
bestaande fundering van een bestaand bouwwerk, mits deze niet meer bedragen dan 50 m?; het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning;
d.
werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 nodig is, dan wel waarvoor overige bepalingen van de Monumentenwet
1988 van
toepassing zijn. 5.5.4
_ Toelaatbaarheid
Ten aanzien van de in artikel 5.5.1 genoemde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingscriteri 3.
de vergunning kan slechts worden verleend voor zoverde archeologische waarden niet onevenredig
worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een vergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag n voldoende mate zijn
vastgesteld. Indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van een erkend archeoloog zo nodig een opgraving plaats te vinden; b.
het overleggen van een rapport is niet nodig indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de
archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 5.5.5
_ Voorschriften bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 voorschriften verbinden aan