564694 - Bijlage 14 - T en R bestemmingsplan Breegraven 101-115
Tekst van het document
Bestemmingsplan Breegraven 101-115 Warnsveld Gemeente Zutphen
Gegevens over het pla! Breegraven 101-115
Plannaam:
Identificatienummer:
NL.IMRO.0301.bp1205Breegraven-vs01
Status:
Vastgesteld
Datum:
Februari
2024
Gegevens projectbetrokkene: Opdrachtgever:
Woningstichting Ons Huis
Contactpersoon opdrachtgever:
(geanonimiseerd) m
Betrokken gemeente:
Zutphen
Behandelend
Projectleider Buro SRO:
(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) e
Projectnummer Buro SRO:
65.40.01
Bezoekadres
Sweerts de Landasstraat
Telefoon
026-35
e-mail algemeen:
arnhem@buro-sro.nl
ambtenaar:
6814
50
DG te Arnhem 23125
www.Buro-SRO.nl
Breegraven 101-115
Inhoudsopgave Toelichting
13
Opbouw bestemmingsplan
14
Leeswijzer
Hoofdstuk 2
Het initiatief
24
Huidige situatie
Uo
22
Toekomstige situatie
1
Hoofdstuk 3
Beleidskader
13
341
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal
beleid
14
33
Regionaal beleid
15
34
Gemeentelijk beleid
15
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
18
Hoofdstuk
1
Inleiding
11
Aanleiding voor het bestemmingsplan
12
Ligging plangebied
41
Milieu
18
42
Water
27
43
Verkeer
30
44
Ecologie
31
45
Cultuurhistorie en archeologie
32
46
Economische
34
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
35
51
Algemeen
35
52
Verbeelding
35
53
Planregels
35
54
Wijze van bestemmen
36
Hoofdstuk 6
Procedure
37
61
Algemeen
37
62
Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
37
63
Zienswijzen
37
64
Proces n.a.v. zienswijzen
37
uitvoerbaarheid
Bijlagen bij de toelichting
41
Bijlage 1
Bodemonderzoek Breegraven 101-103
43
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek Breegraven 105-115
45
Actualiserend
47
vooronderzoek
bodem
Bijlage 4
Verkennend
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek wegverkeer
51
Akoestisch onderzoek parkeren appartementen
53
Bijlage 7
Notitie akoestisch
55
Bijlage 8
Advies Veiligheidsregio
57
Aanmeldnotitie
59
onderzoek
asbest in bodem
onderzoek
m.e.r.
49
Bijlage 10
Quickscan flora en fauna
61
Bijlage 11
Ecologisch vervolgonderzoek en projectplan
63
Voortoets stikstofdepositie
65
Archeologisch PVE
67
Bijlage 13
Breegraven 101-115
Regels Hoofdstuk
69 1
Inleidende regels
71
Artikel
1
Begrippen
71
Artikel
2
Wijze van meten
76
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
78
Artikel3
Tuin
78
Artikel
Wonen
78
Artikel 5
4
Waarde - Hoog Verwachte Archeologische Waarde
79
Hoofdstuk 3
Algemene regels
83
Artikel
Anti-dubbeltelregel
83
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
83
Artikel 8
Algemene afwijkingsregels
83
Artikel
&
Algemene wijzigingsregels
84
Hoofdstuk 4
9
Overgangs- en slotregels
85
Artikel
10
Overgangsrecht
85
Artikel
11
Slotregel
85
Breegraven 101-115
Toelichting
Breegraven 101-115
Hoofdstuk 1 11
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
Woningstichting Ons Huis is voornemens om op de locatie van de inmiddels gesloopte twee-onder-éénkapwoningen aan de Breegraven 101-115 nieuwbouw te realiseren in de vorm van appartementen. Het plan
past echter niet binnen de regels van het vigerend bestemmingsplan en een herziening van het vigerend bestemmingsplan "Warnsveld Kom Noord 2008" is nodig. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking kan worden verleend en waarom dat kan
volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied omvat een perceel van circa 2500 m? gelegen aan de Breegraven aan de rand van de oude kern van Warnsveld. Het plangebied bevindt zich tegenover een supermarkt met parkeerterrein en op korte afstand van het winkelcentrum de Dreiumme. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied n de
gemeente Zutphen.
Ugging locati n Zutphen (bron: Openstreetmap.org}
1.3
_ Opbouw bestemmingsplan
Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de
bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en wat daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels.
Breegraven 101-115
7
Toelichting De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de
toelichting is opgenomen: * +
een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de
waterhuishouding; + _ de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg; * _ de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; + _ een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;
* _ de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Omdat
bi
e voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van
de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 d 2 Bro, ten minste neergelegd: + _ een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de
grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; + _ voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied;
* _ een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.
Verbeelding De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeeldingte kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er
gelden.
De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en
Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. Planregels De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels
14
wordt aangesloten bij de SVBP 2012.
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en
(milieu)wetgeving. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
8
Breegraven 101-115
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie{s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
21
Huidige situatie
In de gemeente Zutphen bevindt zich een aantal wijken en buurten die voor herstructurering in aanmerking komen. Het betreft hier veelal woonbuurten met een groot woningbestand uit de jaren 60 en 70 van de vorige
eeuw. Veel van deze woningen zijn aan renovatie toe of aan vervanging. Veelal is ook de stedenbouwkundige structuur (deels) en de openbare ruimte gedateerd. De woonwijk in Warnsveld gelegen in het zuidelijk deel van de oude kern s een gebied dat als zodanig is aan te merken. Voor een deel van de wijk is herstructurering
aan de orde, maar verder betreft het incidentele vervanging van verouderde complexen en groepen woningen, meestal in eigendom van Woningstichting Ons Huis.
Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps}
Breegraven 101-115
9
Het plangebied s gelegen aan de rand van de oude kern van Warnsveld en bevindt zich tegenover een supermarkt met parkeerterrein. Op korte afstand (ongeveer 200 m) bevindt zich ook het winkelcentrum de
Dreiumme met alle voorzieningen. Verder liggen er een tweetal vrijstaande woningen tegenover het plangebied.
Het plangebied betreft een perceel van circa 2500 m? gelegen in het zuidoostelijk deel van de woonstraat de Breegraven. Op het perceel bevonden zich oorspronkelijk een 8-tal twee-onder-een-kap woningen. Deze zijn inmiddels gesloopt. De woningen waren in matige staat en verouderd. Bijgevoegde foto geeft een impressie van de voormalige situatie.
Voormalige straatbeeld plangebied e zanzicht slopen woningen (bron:
Google Streetiew)
‘Beeldvan de stuatie tidens d sloop
10
Breegraven 101-115
De gronden in het plangebied zijn onderdeel van een half-open bouwblok met overwegend half vrijstaande woningen en korte blokjes rijwoningen. Het binnenterrein is zeer ruim met diepe tuinen en een groot stuk
grond dat gebruikt wordt door een volkstuinvereniging. Op de luchtfoto is dit te zien. Langs de noordwestelijke grens van het plangebied loopt een weggetje door het bouwblok heen (het Dahliapad). Dit weggetje dient ter ontsluiting van de volkstuinen/het binnenterrein, maar het wordt ook gebruikt door voetgangers en fietsers als doorsteek.
De Breegraven heeft overwegend een woonfunctie. Er is een menging van rijwoningen en tweekappers. Ook is er een blokje gestapelde woningen aanwezig ongeveer halverwege de straat. Ter hoogte van het plangebied
verandert het karakter van de straat door de aanwezigheid van een supermarkt met ruime parkeervoorziening. Hier is sprake van meer dynamiek in de straat.
22
Toekomstige situatie
Algemeen
Voorliggend plan speelt in op de veranderde dynamiek in de buurt. De locatie, tegenover de relatief drukke supermarkt, is minder geschikt voor grondgebonden eengezinswoningen, maar juist wel voor kleine appartementen voor starters en senioren.
Ruimtelijk uitgangspunt van het plan is het inpassen van de appartementengebouwen in het dorpse karakter van de straat. Dat wil zeggen: geen lange blokken woningen, groene voortuinen en maximaal 3 bouwlagen. In het plan is daarom gekozen voor een appartementencomplex dat optisch in blokken is verdeeld.
Voor de
blokken is groen aanwezig. De door de balkons verspringende voorgevellijn versterkt het informele karakter van het plan.
BET sftuering appartementencomplex langs de Breegraven
Breegraven 101-115
bron: Architektengroep Gelderland]
1
Aan de achterzijde worden, tegen de achterste perceelsgrens, de bergingen van de woningen gesitueerd alsmede de parkeerplaatsen. Door de ruimte die nog tussen het perceel en de achtergelegen woningen
aanwezig is, blijft het binnenterrein voldoende ruim en groen. Er wordt geen aantasting van privacy verwacht omdat de balkonsen de woonkamers van de woningen aan de straatzijde liggen. De galerij aan de achterzijde ligt relatief ver van de tegenover gelegen woningen af. Het appartementencomplex telt 24 appartementen in gestapelde vorm. Alle woningen hebben 2 slaapkamers en zijn gescl
voor minder validen en senioren, onder andere door de aanwezigheid van een lift.
Ontsluiting en parkeren Achterde woningen ligt een parkeerhof en een aantal langsparkeerplaatsen met in totaal 31 parkeerplaatsen
(inclusief 1 mindervalidenparkeerplaats). ledere woning heeft daar een parkeerplaats. De overige parkeerplaatsen zijn voor bezoekers. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per woning. Het parkeerhof wordt ontsloten aan de zuidoostzijde. Op deze wijze wordt het Dahliapad niet belast met extra autoverkeer.
Architectuur
De nieuwe woningen zullen qua uitstraling, passen in het bestaande straatbeeld. De gevels worden uitgevoerd in baksteen maar krijgen een eigentijdse uitstraling en detaillering. Door de architectuur krijgt het straatbeeld maar ook de entree van de
wijk een visuele opwaardering. Dit past in het proces van dorpsvernieuwing dat
een aantal jaren geleden voor de wijk is ingezet. Hieronder zijn enkele schetsvarianten afgebeeld die een impressie van het toekomstige gevelbeeld vanaf de Breegraven geven. Het exacte ontwerp wordt nog verder uitgewerkt (zie ook paragraaf 6.4).
&”JÊ"" """'"“H f"“F' « .…fl…l E TEi r
Varlanten toekomsige gevelbeeld vanafBreegraven (bron: Archtektengroep Gelderand]
2
Breegraven 101-115
Hoofdstuk 3
31
Beleidskader
sbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de
elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht
zijn deze regels
aanvullend vastgelegd.
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere
overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren. Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking’. Via de ‘ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen n het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden
waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein,
of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.”
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame
verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie
afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip ‘actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van
vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt.
Deze ‘handreiking ladder voor
duurzame verstedelijking’ werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere
uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen. Planspecifiek
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van nationaal belang. Wel is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' van belang. ’Ladder voor duurzame
Onderhavig plan omvat 24 woningen en moet worden getoetst aan de
verstedelijking’. Met de realisatie van dit plan worden 24 appartementen in de sociale
huurklasse gerealiseerd. Dit sluit aan bij de woonbehoefte van Zutphen: de laatste jaren is er door de sterk stijgende woningprijzen sterke behoefte ontstaan aan huurwoningen in de sociale sector. Dit plan is opgenomen in het woningbouwprogramma
Breegraven 101-115
van de gemeente.
13
Het plan betreft een herstructureringsproject: verouderde woningen worden vervangen door nieuwbouw die beter aansluit bij de woonbehoefte.
Gezien deze aspecten is het plan passend binnen de vereisten die gesteld worden in de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2
_
Provinciaal
beleid
Algemeen
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld.
Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De
Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan moeten
bestemmingsplannen
voldoen.
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie,
klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. e
Deze ambities worden hieronder kort samengevat:
Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend
bij de Gelderse kwaliteiten; e
Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
e
Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
*
Een stimulerend en beschermend
beleid voor biodiversiteit;
« _ Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; e _ Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat,
waar voor ondernemers en
inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; e _ Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal
beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoeringte geven aan wettelijke verplichtingen.
Planspecifiek Op het perceel bevinden zich gedateerde woningen die gesloopt gaan worden of reeds gesloopt zijn. De
bouwkundige staat voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. Realisatie van nieuwbouw op de huidige locatie die aan de huidige behoefte voorziet, past binnen de ambities die in de Omgevingsvisie worden genoemd.
In het plangebied worden maximaal 24 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Nieuwe woningen zijn op grond van de Omgevingsverordening alleen toegestaan wanneer deze passen binnen de Regionale Woonagenda. is het geval. Hiermee past de beoogde ontwikkeling in het kader dat door de provincie
14
Dit
wordt gesteld.
Breegraven 101-115
3.3
_ Regionaal beleid
3.3.1
_ Woonagenda Clean Tech Regio 2018
Op basis van haar Koers ‘Ruimte voor goed wonen’ wil de Provincie Gelderland met alle Gelderse regio's komen tot afspraken. Maatwerk, flexibele plannen en de recente grote woningvraag in een aantal gebieden
staan hierbij centraal. Met de Woonagenda Cleantech Regio "Investeren n maatwerk voor goed wonen" zet deze regio in op een toekomstbestendige woningvoorraad en woonomgeving. daaraan
Ook met nieuwbouw wordt
bijgedragen met de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek.
De gezamenlijke ambities voor deze Woonagenda richten zich op drie thema's: * _ Sterke steden, dynamische kernen en een vitaal platteland;
* _ Verduurzamen en klimaatbestendig maken van de (bestaande) voorraad; e _ Wonen en zorg, met 0.a. sturen op de gevolgen die de vergrijzing heeft. Planspecifiek Met voorliggend plan worden 24 appartementen gerealiseerd. De appartementen zijn zeer geschikt voor minder validen en senioren, onder andere door de aanwezigheid van een lift. Hiermee levert het plan een
bijdrage aan de ambitie om wonen en zorg met 0.a. sturen op de gevolgen die de vergrijzing heeft. Het plan sluit daarmee aan bij de Woonagenda Clean Tech Regio 2018 en het Addendum Evaluatie en herijking Regionale woonagenda inclusief de nieuwe bandbreedte woningbouw:
34 3.4.1
Gemeentelijk beleid _ Geluidsplan Zutphen 2015-2025
De gemeente Zutphen heeft in het Geluidsplan Zutphen 2015-2025 gemeentelijk geluidbeleid geformuleerd.
Hierin wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypes. De geldende geluidsnormen zijn op landelijk niveau vastgesteld, maar geluidhinder komt veelal lokaal voor. Lokaal komen situaties voor waarbij de normen geen recht doen aan de specifieke situatie en een integrale belangenafweging. Zo zal het in het landelijk
gebied immers rustiger zijn dan in het dynamische centrumgebied. De lokale omgeving vraagt dan ook om maatwerk.
Daarom is deze nota gebiedsgericht. Een nota die bijdraagt aan bescherming van huidige en
toekomstige gevoelige bestemmingen en ruimte biedt en behoudt aan bedrijfsactiviteiten.
In het geluidsplan is een aantal beleidsafspraken geformuleerd, waarbij in het kader van besluitvorming nog steeds ruimte overblijft.
Planspecifiek In paragraaf 4.1.3 wordt verder ingegaan op het aspect geluid. 34.2
_ Beleidsvisie externe veiligheid
Zutphen
Doel van de Beleidsvisie externe veiligheid Zutphen (2015) is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico's in de gemeente Zutphen aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan.
De gemeente neemt bij besluiten in het kader van
vergunningverlening en ruimtelijke ordening het in dit document weergegeven externe veiligheidsbeleid in acht.
Planspecifiek In paragraaf 4.1.5 wordt nader ingegaan op het aspect externe veiligheid.
Breegraven 101-115
15
343
_ Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Warnsveld Kom Noord 2008". De bestemming van
het plangebied is "Wonen" met de aanduiding 'dubbele woning'. De woonblokken binnen dit plan zijn vrij precies bestemd waarbij de bebouwingsgrenzen strak om de blokken getrokken zijn. Op de achtererven kan worden aan- of bijgebouwd. Op de afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan aangegeven.
x
(6}
Uitsnede verbeelding erend
bestemmingsplan “Warnsveld Kom Noord 20087
De nieuwbouwin de vorm van appartementen past niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Het plan past niet binnen het bouwvlak en ook de hoogte is groter dan is toegestaan. Om het plan te realiseren is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Overig beleid Structuurvisie Warnsveld
In 2004 is de structuurvisie Warnsveld door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Warnsveld vastgesteld. Deze nota is integraal overgenomen door de gemeente Zutphen in haar beleid.
De
hoofddoelstelling van de visie is ‘het karakter van Warnsveld behouden als een zelfstandig in het groen
gelegen dorp waar het prettig wonen is'. Het beleid is vooral gericht op het beheer van het bestaande dorp en het behoud van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Dat wil zeggen: groene plantsoentjes, dierenweidesen trapveldjes dienen gehandhaafd te blijven.
Terughoudend met worden omgegaan met het invullen van nog onbebouwde ruimtes. Het voorliggend plan voorziet n de vervanging van verouderde bebouwing met een negatieve beeldkwaliteit. Er wordt geen open groene ruimte bebouwd. Het is daarmee in lijn met de doelstellingen van de visie. Woonvisie ‘Zutphen: daar wil ik wonen’ De woonvisie ‘Zutphen: daar wil k wonen’ gemeente Zutphen 2019-2024 is een actualisatie van de vorige
woonvisie 'Ik woon in Zutphen' gemeente Zutphen 2013-2017. Er is bewust gekozen voor actualiseren in plaats van een geheel nieuwe woonvisie op te stellen. De woonthema's uit de vorige woonvisie zijn nog steeds actueel maar zijn verscherpt en nader uitgewerkt. Op basis daarvan zijn drie woonambities geformuleerd en
16
Breegraven 101-115
worden zestien strategische acties beschreven om de ambities te realiseren.
De drie woonambities zijn:
* _ Ambitie 1 Sterke positie als centrumgemeente
De gemeente behoudt en versterkt de brede waaier aan woonmilieus voor alle typen huishoudens. Daarvoor wordt een strategisch woningbouwprogramma gehanteerd waarin plannen staan en/of worden toegevoegd die
bijdragen aan de door de gemeente gewenste kwaliteitsslag.
* _ Ambitie 2 Ambitieus in energietransitie en verlaging van woonlasten Zutphen heeft de ambitie om in 2030 energieneutraal te zijn. Als onderdeel van de aanpak van de bebouwde omgeving krijgt wonen een prominente plek in het Zutphens Energieakkoord. Nieuwbouw
wordt (zoveel) mogelijk energieneutraal. * _ Ambitie 3 Sociaal economisch evenwicht in woonwijken De gemeente streeft naar gebalanceerde wijken met een mix van inkomensgroepen en leefstijlen. We
verbeteren het evenwicht tussen de primaire doelgroep en de kernvoorraad. Er worden eisen gesteld aan gezonde en groene woonwijken. De integrale woonambities en strategische acties vragen om inzet en investering van alle partijen binnen de
gemeente. De ambities uit deze woonvisie worden meer
dan voorheen gebiedsgericht uitgewerkt. Er wordt
samengewerkt met de natuurlijke partners (bewoners, woningcorporaties, overige verhuurders, welzijnswerk en marktpartijen). Er worden conform de Woningwet 2015 lokale prestatieafspraken met de woningcorporaties gemaakt. Dit plan betreft een initiatief van de woningcorporatie. De woningaantallen en doelgroepen zijn afgestemd
opgenomen in het strategisch woningbouwprogramma. Het initiatief past binnen de ambities die in de Woonvisie worden gesteld. Welstandsnota
In de welstandsnota van de gemeente (april 2004) wordt aan het gebied geen bijzondere kwaliteit toegekend. Wel geldt dat de plekken voor nieuwbouw zoveel mogelijk afgestemd moeten worden op de karakteristiek van
het oude dorp. Onderhavig plan is eind 2019 en begin 2020 besproken met de welstandscommissie.
Hierbij zijn enkele
opmerkingen gemaakt die vervolgens zijn verwerkt in het ontwerp van het appartementencomplex.
Breegraven 101-115
17
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro).
Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar
verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van
het plan. 41
411
_
Milieu
Bodem
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het
plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek Door bureau CPL (in samenwerking met Econsultancy) is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de
locatie Breegraven 101-103 (rapportnr. 12045470, d.d. 31-5-2012). Dit onderzoek is als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de nieuwe bestemming voor het perceel en dat er geen reden bestaat tot nader onderzoek.
Voor de overige gronden (Breegraven 105-115) in het plangebied is een verkennend bodemonderzoek (Econsultancy, rapportnr. 15055563, d.d. 24 juni 2015) uitgevoerd, dat als bijlage 2 is ingevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat er ook voor deze percelen gé&n reden bestaat voor een nader onderzoek en bestaan er
met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
Omdat de hierboven beschreven onderzoeken inmiddels zijn verouderd is een actualiserend vooronderzoek bodem uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 3. Hierin
wordt geconcludeerd dat bij de
eerder uitgevoerde bodemonderzoeken de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater
voldoende is vastgelegd. De destijds vastgelegde bodemkwaliteit wordt nog steeds representatief geacht voor de actuele bodemkwaliteit op de locatie.
Het is dan ook niet noodzakelijk om aanvullend onderzoekte doen
naar chemische bodem- of grondwaterkwaliteit.
Gezien het feit dat er bij de terreininspectie daken met asbestverdachte golfplaten zijn waargenomen en er bij de voorgaande bodemonderzoeken zintuiglijke bijmenging met puin in de bovengrond is waargenomen, is het noodzakelijk om een verkennend onderzoek asbest in bodem uit te voeren. Dit onderzoek is uitgevoerd en de
rapportage is toegevoegd als bijlage 4. Hierin wordt geconcludeerd dat er in deellocatie A in de bodem asbest is aangetroffen in het monster van de fijne fractie (<20 mm) (13 mg/kg d.s.). Dit gehalte bevindt zich echter onder de helft van de hergebruikswaarde. Gezien de aangetroffen asbestgehaltes bestaat er géén reden een
nader onderzoek asbestop de |ocatie uit te voeren. In deellocatie B is in de bodem is zowel zintuiglijk als analytisch géén asbest geconstateerd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek
asbest in bodem. Geconcludeerd wordt dat er
géén milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
Gezien de uitkomsten van beide bodemonderzoeken is onderhavig initiatief uitvoerbaar ten aanzien van het aspect bodem.
18
Breegraven 101-115
412
Lucht
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan
moeten twee aspecten in beeld gebracht
worden
met betrekking tot 'lucht’. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden.
Het Besluit gevoelige
bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van
zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit s gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM:0) en
stikstofdioxide (NO+), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanafde rand van de weg) mag het totaal aantal
mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PMo of NO:
dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: +
scholen;
* _ kinderdagverblijven; +
verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit
2005
en staat ook
wel
bekend
als de
'Wet
luchtkwaliteit’.
De Wet
luchtkwaliteit
introduceert
het
onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
Een paar honderd grote projecten dragen juist wel ‘in betekenende
mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en
infrastructuur (wegen). Wat het begrip ‘in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die
jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voorfijn stof en stikstofdioxide (1,2
microgram per m’) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden
een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Planspecifiek Uit de “rapportage luchtkwaliteit 2007, 2008 en 2009” blijkt dat er vanaf 2007 geen overschrijdingen van de
luchtkwaliteitsnormen meer plaatsvinden in de gemeente. De luchtkwaliteit is dus voldoende voor de beoogde ontwikkeling. Op 10 april 2012 heeft het college besloten dat bij vestiging van gevoelige bestemmingen binnen 50 meter van
wegen met een intensiteit van meer dan 10.000 motorvoertuigen extra aandacht wordt besteed aan de consequenties voor luchtkwaliteit. De intensiteit van de Breegraven bedraagt volgens het milieumodel van de gemeente Zutphen in het jaar 2025 circa 1.400 motorvoertuigen.
Ook op grond van de jaarlijkse NSL-monitoring (National Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) blijkt dat in de gemeente Zutphen geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden voor
Breegraven 101-115
19
luchtkwaliteit. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit.
Er is geen sprake van
realisatie van gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen
(luchtkwaliteitseisen). Tevens ligt het plangebied buiten de zones van 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg. Dit betekent dat er geen extra aandacht aan de consequenties voor het onderdeel luchtkwaliteit
besteed
hoeft te worden.
Het bestemmingsplan is hiermee uitvoerbaar op het gebied van luchtkwaliteit 413
Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
In de Weh
worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh}: *
woningen;
* _ geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
* _ andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
1.
een verzorgingstehuis;
2.
een psychiatrische inrichting;
3.
een kinderdagverblijf.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende
voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek
Voor voorliggend document is het van belangte kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Geluid van spoor en industrie is niet aan de orde. Daarom is een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uitgevoerd, dat als bijlage 5 is toegevoegd aan deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat de locatie Ís
gelegen binnen de bebouwde kom van Warnsveld binnen de geluidzone van de Oranjedreef, de Draaiomsdreef, de Ooyerdreef en de Scheperdreef. De maximum snelheid op deze wegen bedraagt 50
km/uur. De geluidbelasting door wegverkeer op deze gezoneerde wegen ligt in alle rekenpunten onder de grenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt door deze wegen niet overschreden. Een hogere waarde voor wegverkeer vanuit de Wet geluidhinder is niet noodzakelijk.
De woningen liggen op korte afstand van de Breegraven; dit is een 30 km weg zonder geluidzone. In de omgeving liggen verder diverse 30 km wegen zonder geluidzone. In de Nota hogere waarden geluid 2015-2025 heeft de gemeente vastgelegd dat zij voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen langs 30 km wegen dezelfde
voorwaarden hanteert als voor gezoneerde wegen zoals een geluidluwe gevel, cumulatie e.d.. Er s echter geen hogere waarde procedure nodig. De geluidbelasting op de Breegraven bedraagt ten hoogste 54 dB op de zuidgevels. De geluidbelasting overschrijdt daarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelen aan de
bron zijn reeds getroffen dan wel niet mogelijk in het kader van Duurzaam Veilig. Afschermen van de woningen is fysiek niet mogelijk.
Het voorliggende plangebied ligt volgens het geluidsplan van de gemeente Zutphen in het gebiedstype "Woonkwartier'. Het gebiedstype woonkwartieren kent vooral een woonfunctie, het gaat hierbij n veel gevallen om woningen met tuinen. De algemene kwalificatie voor de geluidsambitie is "redelijk rustig”
oor
verkeerslawaai (streefwaarde 48 dB). Er wordt wel voldaan aan de voorwaarden uit de Nota hogere waarden
2o
Breegraven 101-115
van de gemeente Zutphen: De bovengrens van de geluidklasse “zeer onrustig” van 58 dB voor wegverkeer in de woonkwartieren wordt niet overschreden. De gemeente geeft in haar geluidbeleid verder aan dat ten
minste één geluidluwe gevel en buitenruimte aanwezig moet zijn om te voldoen aan het beleid voor 30 km wegen. De achtergevel (noordgevel) van de woningen is geluidluw. Daardoor is tevens sprake van een geluidluwe buitenruimte achter de woning. Voor de zuidgevels van de woningen, met een gecumuleerde
geluidbelasting van 59 - 60 dB zonder aftrek bedraagtde benodigde karakteristieke geluidwering GA:k 26 dB. Voor deze gevels zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.
Voor geluidluwe gevels met een
geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k
20 d8. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de geluidluwe gevels zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.
De initiatiefnemer zal aan de aangegeven geluidwerende voorzieningen voldoen. Het bestemmingsplan is hiermee uitvoerbaar op het gebied van geluid 4.1.4
_ Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf
van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel
hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuiteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en
stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten! (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering’ u
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale
richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbijis
het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan’.
Het scheiden van milieubelastende en
milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: * _ het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij
gevoelige bestemmingen; * _ het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Planspecifiek Het onderhavige plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van de gemeente Zutphen (Warnsveld). Het
plangebied en de omgeving worden aangemerkt als “rustige woonwijk”. Tegenover het plangebied ligt een supermarkt, die echter aan de afstandseis hiervoor (10
m) voldoet. Schuin tegenover het plangebied
(Breegraven 128) is een transportbedrijf gesitueerd. Dit is een bedrijf aan huis (de woonfunctie i
overheersend) en het bedrijf moet reeds rekening houden met omliggende woningen. Verder zijn er geen bedrijven of andere functies in de buurt van het plangebied aanwezig die hinder opleveren. Dit geldt ook voor agrarische bedrijven buiten de bebouwde kom die geuroverlast veroorzaken,
Breegraven 101-115
21
Om te onderzoeken welke invloed het plan heeft op de omgeving qua geluid (m.n. geparkeerde auto's), is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat de grenswaarden op enkele meetpunten worden overschreden bij de woning Breegraven 117. De piekniveaus zijn zowel het gevolg van de auto-passages als het parkeren. Om de
geluidbelastingte beperken zijn er in het onderzoek enkele maatregelen voorgesteld. De gemeente stelt de grenswaarden vast op basis van haar geluidbeleid. Daarbij zal het referentieniveau van
het gebied een belangrijke rol spelen.
Voor woonkwartieren, waar onderhavig plangebied onder valt, geldt
voor geluid van bedrijven/inrichtingen een ambitieniveau van 45 dB(A) en een grenswaarde van 50 dB(A). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden zal een afweging worden gemaakt tussen de kosten en
technische mogelijkheden voor geluidbeperkende voorzieningen en de daarmeete realiseren geluidwinst. Op basis van deze afweging kan de gemeente afwijkende grenswaarden vaststellen, mits wettelijke maximale waarden niet worden overschreden. Wanneer hogere geluidniveaus op de woning Breegraven 117 worden
toegestaan kan worden onderzocht of aan de wettelijke binnenniveaus kan worden voldaan: 35 dB(A) etmaalwaarde gemiddeld, en 55 dB(A) maximale geluidniveau overdag, 50 dB(A) in de avond en 45 dB(A) in de nacht. Dit is het geval, bij de woning kan met de in het rapport benoemde maatregelen aan de wettelijke
binnenniveaus worden voldaan (goede beglazing, kierdichting en eventueel geluidgedempte ventilatie). Dit wordt aangetoond in de aanvullende notitie in bijlage 7. De te nemen maatregelen zijn afgestemd met de bewoners
en akkoord
bevonden.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten wordt het bestemmingsplan uitvoerbaar geacht op het gebied van milieuzonering.
415
_ Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of
transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een
ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied
weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen
die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10%/jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen. Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang.
Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR is weerte
gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f)is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt
bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen,
Op inrichtingen en transport is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Daarnaast kan er sprake zijn van gemeentelijk beleid op het gebied van externe veiligheid.
2
Breegraven 101-115
Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Beví) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met
risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf.In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Reví) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Besluit risico's zware ongevallen Het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) is de vertaling in Nederlandse wetgeving van de Europese
Seveso IIl-richtlijn. Het Brzo integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding in
één juridisch kader.
Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware
ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het Brzo stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in
Nederland. Een Brzo-bedrijf is ook automatisch een Bevi-bedrijf. Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buislei
ngen
met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Beví. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening staan net als bij het Bevi in een regeling (Revb). Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes Vanaf 1 juni 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking. Voor de uitwerking en
toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Informatie uit risicoatlassen en de toepassing van vuistregels uit de circulaire wijzen uit dat in de Achterhoek over het algemeen sprake is van een laag risiconiveau langs transportroutes.
Toch kan soms een nadere beoordeling van met name het
groepsrisico nodig zijn. Vuurwerkbesluit
Het Vuurwerkbesluit is van rechtswege van toepassing op inrichtingen voor het opslaan of bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Vanuit het Vuurwerkbesluit gelden externe veiligheidsafstanden, Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de opslag van zwart buskruit en ontplofbare stoffen die worden gebruikt voor
het slopen van gebouwen en fundaties, het uitvoeren van seismisch onderzoek en dergelijke. Rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen geldt een veiligheidsafstand Besluit ruimte
Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen
is vastgelegd in het Besluit algemene regels
ruimtelijke ordening (Besluit ruimte). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie veiligheidszones rondom
die complexen, waarbinnen voor activiteiten of objecten bepaalde beperkingen gelden. Activiteitenbesluit
Het Activiteitenbesluit schrijft voor bepaalde typen opslagen en installaties externe veiligheidsafstanden voor. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gasdrukmeet- en —regelinstallaties, propaantanks (met een inhoud van maximaal 13 m3) en vuurwerk (tot 10.000 kilogram consumentenvuurwerk). Beleidsvisie
Op 18 mei 2015 is door de gemeenteraad van Zutphen de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Het
ambitieniveau is afgestemd op het profiel van de gemeente Zutphen. De gemeente Zutphen heeft de volgende Ambities:
Breegraven 101-115
23
+ _ In woongebieden moet veilig kunnen worden gewoond. * _ Binnen bedrijventerreinen worden risicovolle inrichtingen zo gepositioneerd dat er zo min mogelijk
mensen in de omgeving wonen of verblijven. Daarbij moeten risicovolle bedrijven zich kunnen ontwikkelen op de hiervoor aangewezen bedrijventerreinen. * _ Buiten de bebouwde kom worden risico's met mate toegestaan vanwege de aanwezige ruimte. Risicovolle
ontwikkelingen blijven in beperkte mate mogelijk zolang andere woningen en bedrijven niet worden gehinderd. * _ Afgewogen ontwikkelingen in de buurt van transportassen. Ontwikkelingen in de buurt van transportassen
moeten mogelijk blijven. Dit wordt per situatie beoordeeld. In Deel C van deze ontwerp beleidsvisie wordt ingegaan op de aanwezige risicobronnen binnen de gemeente Zutphen. In dit advies wordt het Iokale externe veiligheidsbeleid van de gemeente Zutphen meegewogen. Planspecifiek In bijgevoegde figuur is een uitsnede van de signaleringskaart weergegeven. In deze figuur is het plangebied
ingetekend. Zoals in de figuurte zien is,ligt er een gearceerde contour over het plangebied. Dit is de contour van het spoor voor vervoer van toxische stoffen. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig. Hierna wordt kort per modaliteit ingegaan op de aanwezige risicobronnen.
utsnede sgnaleringskaart omgeving plangebied òron:
beoordeling ODA
In de directe omgeving van de bouwlocatie bevinden zich geen Bevi-bedrijven. De locatie valt buiten de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6 per jaar. De locatie valt bovendien buiten de invloedsgebieden van het groepsrisico. Ook vanuit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimte en de Circulaire
ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden. De aangevraagde activiteiten op de |ocatie zelf leveren geen risicocontouren op waarmee buiten het terrein van de inrichting rekening moet worden
gehouden.
In de directe omgeving van de bouwlocatie bevinden zich geen hoge druk aardgasleidingen. De locatie valt
24
Breegraven 101-115
buiten de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6 per jaar. De locatie valt bovendien buiten de invloedsgebieden van het groepsrisico.
Voor de modaliteit transport is gekeken naar de provinciale weg de N348 welke op een afstand van meer dan
600 meter van het plangebied is verwijderd.
De 10 contour igt hierbij op 98 meter aan weerszijden van de
weg. De N348 heeft derhalve geen invloedsgebied dat over het plangebied heen valt. Op een afstand van
ongeveer 2,2 kilometer van het plangebied ligt het spoortraject Zutphen-Ressen. Doordat over dit traject toxische stoffen worden vervoerd is er sprake van een invloedsgebied van 4 kilometer aan weerszijde van het spoor. Dit invloedsgebied valt over het plangebied. In dit geval moet volgens het besluit transportroutes
externe veiligheid en de bijbehorende regeling een verantwoording van het groepsrisico worden geschreven voor de modaliteit spoor Het plangebied ligt buiten de 200 meter zone van het spoor, waardoor kan worden volstaan met een beperkte
verantwoording van het groepsrisico. Volgens artikel 7 en 9 moet aandacht worden besteed aan de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van mogelijke calamiteiten en dient de Veiligheidsregio om advieste worden gevraagd. Dit advies is bijgevoegd als bijlage 8. In onderhavig geval is er sprake van een ligging in het
midden van een bestaande wijk. Het plangebied is goed bereikbaar. Tevens wordt de beoogde doelgroep van de appartementen zelfredzaam geacht. Hieronder wordt nader ingegaan op het advies van de Veiligheidsregio.
Bereikbaarheid en toegankelijkheid Bij de nieuwbouw ten behoeve van 24 appartementen, is het ten behoeve van een adequate (geneeskundige) hulpverlening van belang dat er rekening wordt gehouden met de onderstaande aspecten. Bereikbaarheid
* _ Creëer voor ambulances een goede bereikbaarheid door minimaal twee toe- en uitgangswegen te
realiseren. Voor ambulances
is het namelijk niet alleen van belang om zo snel mogelijk bij het gebouw te
kunnen komen, maar ook om zo snel mogelijk weer weg te kunnen rijden zonder hinder te ondervinden van andere (hulpverlenings-Jvoertuigen,
* _ Ambulances dienen dichtbij de gebouwen geparkeerd te kunnen worden. Obstakels op de weg, de stoep en het terrein dienen dus zodanigte worden ingericht dat ambulances snel en goed bij de gebouwen kunnen komen. Het beperken van trappen, paaltjes, drempels, grote bloembakken, e.d. draagt bij aan een
goede bereikbaarheid van de gebouwen voor ambulances en brancards. *
Zorg voor een eenduidige, duidelijke bewegwijzering, waarbij borden en nummers zodanig zijn geplaatst,
dat bij een calamiteit in/bij de gebouwen duidelijk is waar de hulpverleners naar toe moeten. Begaanbaarheid * _ Voor zowel ambulancepersoneel als een slachtoffer is het een grote belasting om een brancard met
slachtoffer de trappen af te dragen. Het advies is dan ook om in plaats van een platformlift, een brancardlift te installeren, zodat een slachtoffer op een brancard niet via de trappen vervoerd hoeft te worden. De vloeroppervlakte van een brancardlift betreft 1,05 bij 2,10 meter. Bij brand mag een lft
gebruikt worden mits deze aan de hiervoor geldende brandwerendheidseisen voldoet. + _ Indien een lift niet gebruikt kan worden, zullen de slachtoffers via de trap naar beneden gebracht moeten worden. Het advies is om een evacuatiestoel te plaatsen in het trappenhuis. Hiermee kunnen slachtoffers
gemakkelijkvia een trap worden vervoerd. * _ Om de gebouwen voor brancards goed begaanbaarte houden, is het van belang om met name de ingang begaanbaarte houden. Grind voor de ingang en het gebruik van grote rubberen ringmatten vormen voor
ambulancepersoneel en het slachtoffer op de brancard namelijk een obstakel. Een schoonloopmat is een goed alternatief om binnen bij de ingangte plaatsen.
Zelfredzaamheid T.a. zelfredzaamheid adviseert de GHOR het volgende:
Breegraven 101-115
25
* _ Plaats een AED op een strategische locatie.
In geval van een circulatiestilstand wordt, door z.S.m. te
defibrilleren, de overlevingskans van de betreffende persoon vergroot. Als deze AED aan een buitenmuur
wordt bevestigd en beschikbaar wordt gesteld voor algemeen gebruik, kan deze AED ook gebruikt worden bij nood in de omgeving. * _ Plaats een Stop de bloeding-set naast de AED. Dit is een pakketje met extra hulpmiddelen om bloedingen
te stoppen. Omstanders en niet-medische hulpverleners kunnen de overlevingskansen van slachtoffers van (bom)aanslagen en grote ongelukken aanzienlijk verhogen. Door ernstig bloedverlies meteen adeguaatte stelpen, worden levens gered. Dat geldt natuurlijk ook voor meer alledaagse verwondingen
waarbij levensbedreigend bloedverlies optreedt, bijvoorbeeld bij een val door een glazen deur of ernstige open botbreuken. Conclusie
Gezien de hiervoor beschreven aspecten wordt het initiatief uitvoerbaar geacht ten aanzien van externe veiligheid. Het concept van onderhavig plan is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Regio
Achterhoek en de reactie is verwerkt in deze paragraaf. Voor wat betreft de modaliteit spoor wordt nog een aanvulling aangebracht in deze toelichting (en vóór vaststelling van dit bestemmingsplan aangebracht worden). De verwachting is echter dat de uitvoerbaarheid niet n het geding is.
416
_ Milieueffectrapportage
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een
volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven.
Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:
+ _ in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor
direct een m.e.r.-plicht geldt; +
een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
* _ op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.
activiteiten
worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling
Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk
belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn: * _ als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook
formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; * _ als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan betreft het realiseren van 24 appartementen binnen het stedelijk gebied van Warnsveld.
Voor
dit plan is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld (zie bijlage 9). Hieruit blijkt dat er geen sprake is van
bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor alle milieuaspecten geldt dat er
nagenoeg geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving.
Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
26
Breegraven 101-115
42
Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.)
voorkomen worden en
de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren
veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 215te eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland.
De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water,
Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: * _ vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water
afgevoerd. * _ schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden
schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het
zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.
Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan
kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een
belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit
resulteert in één vergunning, de watervergunning
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam
waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon wateren de diverse vormen van gebruik van water. periode 2009-2015 genomen leefbaarte houden
Het geeft maatregelen die in de
moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en
en de kansen
die water biedt te benutten.
Beleid waterschap Rijn en Jssel
Voor
dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel heeft in
2013 de 'Watervisie 2030' opgesteld.
Vanuit deze visie hebben zij het beleid voor de periodes 2016-2021 en