4a. Bestemmingsplan Noorderhaven veld 15-17
Tekst van het document
2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: • • •
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2000 of meer woningen. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Als bijlage 11 van deze onderbouwing is een aanmeldnotitie MER opgenomen. In artikel 7.16 Wm is beschreven waar een aanmeldingsnotitie aan moet voldoen. In de aanmeldnotitie worden de voorgenomen activiteiten en de waarschijnlijke gevolgen van de activiteit voor het milieu beschreven. Deze gevolgen zijn niet negatief, wat voor het college van Burgemeester en wethouders rede is geweest om geen milieueffectrapportage op te stellen voor onderliggend plan.
5.13 Conclusie Het initiatief voor de bouw van 77 woningen en circa 400 m2 commerciële/maatschappelijke ruimte is getoetst aan relevante ruimtelijke en milieukundige aspecten. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
51
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omwonenden zijn over de plannen geïnformeerd via de wijkvereniging die 1x per kwartaal bijeen komt. Inspraak Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening verplicht gemeenten niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. De gemeente Zutphen heeft een inspraakverordening. Het bevoegde orgaan, in dit geval burgemeester en wethouders, bepaalt of er gebruik wordt gemaakt van inspraak. Tevens bepaalt zij voor welke termijn er inspraak mogelijk is. In dit geval is er sprake van een nadere uitwerking van het moederplan en omdat er voor een ieder nog de gelegenheid bestaat zienswijzen naar voren te brengen, geen gebruik gemaakt van inspraak. Vooroverleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van en bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties en heeft overleg plaatsgevonden. Ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 3 september 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Door Prorail is een zienswijze ingediend. Hiervoor wordt verwezen naar de ‘Reactienota zienswijzen gecoördineerde ontwerpbesluiten voor het project Noorderhaven veld 15 – 16 – 17’. De zienswijzennota is bijgevoegd bij het raadsbesluit behorende bij dit bestemmingsplan.
6.2 Economische uitvoerbaarheid Algemeen Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige bestemmingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid l van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. Dit zijn de volgende bouwplannen: -
de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer gebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 of met één of meer woningen;
52
-
-
de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste l .000 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2.
Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan van deze verplichting worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren: -
het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is, en; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen niet noodzakelijk is.
Voor de beoordeling van de vraag of het kostenverhaal anderszins verzekerd is, is de eigendom situatie van belang. In het geval dat alle gronden binnen een exploitatiegebied eigendom zijn van de gemeente, kan de gemeente de kosten van de grondexploitatie verrekenen in de prijs van de uit te geven bouwrijpe kavels. In dat geval is het kostenverhaal afdoende anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Een andere mogelijkheid is dat de gemeente in een overeenkomst met de ontwikkelaar heeft vastgelegd hoe de kosten van de grondexploitatie worden verrekend. Ook in dat geval is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Toetsing Begin 2011 heeft de gemeente, m het kader van het geldende bestemmingsplan 'Noorderhaven', een samenwerkingsovereenkomst met de ontwikkelaar gesloten. Na 2011 zijn op verschillende momenten aanvullende afspraken gemaakt die zijn vastgelegd m afsprakenbrieven en in de Allonge op de samenwerkingsovereenkomst Noorderhaven uit 2019. Deze overeenkomst inclusief aanvullingen mag beschouwd worden als exploitatieovereenkomst, m die zin, dat hierin afspraken gemaakt zijn over de grondexploitatie in algemene zin en kostenverhaal specifiek.
Met andere woorden, met de ontwikkelaar zijn afspraken gemaakt over grondtransacties met de gemeente, over (exploitatiebijdragen in de aanleg van openbare ruimte aan de gemeente en over de verantwoordelijkheden die de ontwikkelaar heeft m het realiseren van het woning- en voorzieningenprogramma in Noorderhaven. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plangebied begrepen gronden anderszins is verzekerd. Hierdoor hoeft geen (apart) exploitatieplan te worden vastgesteld. De raad heeft in 2011 de grondexploitatie Noorderhaven voor het eerst vastgesteld (geopend). Het initiatief is onderdeel van het grondexploitatiegebied Noorderhaven. Conclusie Het aspect economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
53
7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
7.2 Opzet regels In de Wro is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: In dit artikel is weergegeven op welke wijze er binnen het plan wordt gemeten.
7.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. 54
Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -
bestemmingsomschrijving bouw- en gebruiksregels aanduidingsregels afwijken van bouw en gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid algemene procedureregels
In paragraaf 7.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.
7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.
7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.
7.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de in dit bestemmingsplan voorkomende regels behandeld. Artikel 3. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met daaronder begrepen onder andere commerciële/maatschappelijke ruimten op de daarvoor aangeduide gebieden. Artikel 4, 5 en 6 hebben betrekking op archeologie. De voor 'Waarde - Archeologie 2', ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’ en ‘Waarde Archeologische verwachting 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. Het verschil tussen de bestemmingen zit hem in de noodzaak van archeologisch onderzoek bij diverse omvangen van bodemingrepen.
55
Bijlagen Bijlage 1. Archeologisch onderzoek ‘Het Statenbolwerk doorbroken’, 2018
56
Zutphense Archeologische Publicaties 126 Jos van Dalfsen
Het Statenbolwerk doorbroken Archeologisch proefsleuvenonderzoek op de locatie van het Statenbolwerk en het Kostverlorenrondeel op de Mars
2
Inhoud 1 Projectgegevens 5 2 Inleiding 7 2.1 Aanleiding en motivering 7 2.2 Vraagstellingen 8 3 Landschappelijke context 11 4 Historische context 13 5 Archeologisch onderzoek 17 5.1 Methoden 17 5.2 Resultaten 19 5.2.1 Profiel 101 19 5.2.2 Profiel 201 22 5.2.3 Profiel 301 24 5.2.4 Koppeling van de profielen aan de allesporenkaart en aan historisch kaartmateriaal 25 6 Vondsten 31 6.1 Munitie 31 6.1.1 Korte ontwikkeling van vuurwapens 31 6.1.2 Kanonskogels 32 6.1.3 Musket- en pistoletkogels 34 6.1.4 Vervorming van de kogels 35 6.2 Kleipijpen 36 6.3 Bouwmaterialen 37 6.4 Organische vondsten 38 6.5 Metaalvondsten 39 7 Synthese 45 7.1 Datering van het vondstcomplex achter het bolwerk 46 8 Samenvatting en conclusie 47 8.1 Selectieadvies 48 8.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 48 9 Literatuur 51 Colofon53 Vondstdeterminatielijst55 Sporenlijst59 Zutphense Archeologische Publicaties 63
3
4
1 Projectgegevens Gemeente: Zutphen Plaats: Zutphen Toponiem: Spoorzone De Mars Projectcode: NH2017 Archis-onderzoeksmeldingsnummer: 4038047100 Coördinaten: 210.305 / 462.304 210.329 / 462.243 210.468 / 462.481 210.513 / 462.445 Periode van uitvoering: 28 tot en met 31 maart 2017 Opdrachtgever: Gemeente Zutphen, projectbureau De Mars Uitvoerder: Gemeente Zutphen, team archeologie Opgravingsleiding: drs. H.A.C. Fermin en drs. J.W. van Dalfsen Aantal uitgegeven vondstnummers: 16 Aantal uitgegeven spoornummers: 98 Documentatie: bevindt zich in het Regionaal Archief Zutphen, Spiegelstraat 13-17, 7201 KA Zutphen Vondstmateriaal: De vondsten bevinden zich in het Gemeentelijk Depot voor Bodemvondsten, Dieserstraat 11, 7201 NA Zutphen.
plangebied
gemeente Zutphen
1. Globale ligging van het plangebied binnen de gemeente Zutphen.
5
210300
210400
210350
210450
210500
210550
12
ve
rw e
g
462450
462450
O
f Dre e
462400
462400
3
Werkput 4
w.i.u.
Werkput 3 5
462350
462350
107
95
Werkput 2
87 85a
en av H
83
h te
ro
m
Werkput 1
Ac
462300
s tr
462300
aa
t
85
Nie uw
s ta d
462250
462250
77
Kru
210300
210350
ittor
73
en
1
210400
210450 71
210500
School
210550
2. Het plangebied wordt op deze kaart met een blauwe lijn aangegeven en in rood zijn de geplande proefsleuven (werkputten) aangeven. De ondergrond wordt gevormd door de archeologische waardenkaart waar in groengeel de wallen en in lichtgroen de grachten worden aangegeven. In lichtpaars worden de vestingmuren aangegeven. Grijs zijn verstoringen. Werkputten 1 en 2 zijn geprojecteerd vanaf het Kostverloren-rondeel over het Statenbolwerk richting de buitenliggende gracht. Werkputten 3 en 4 liggen op de gracht en de contrescarp.
6
2 Inleiding In maart 2017 heeft het team archeologie van de gemeente Zutphen een archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek verricht op de locatie van de toekomstige nieuwbouwwijk langs het spoor tussen de Kostverlorentunnel en de oude spoorovergang de Overweg. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van projectbureau De Mars van de gemeente Zutphen. Het proefsleuvenonderzoek diende ertoe de aard, kwaliteit en ouderdom van de mogelijke archeologische resten vast te stellen alsmede een selectieadvies te geven over de behoudenswaardigheid.
2.1 Aanleiding en motivering
Het gehele plangebied rondom de Noorderhaven wordt heringericht. Er worden onder meer woningen, winkels en kantoorpanden gebouwd. Eén van de laatste te ontwikkelen fases in de zuidelijke zone van het plangebied is het realiseren van een nieuwe woonwijk, met parkeergarage en groenvoorzieningen langs het spoor, tussen de Kostverlorentunnel en de voormalige Overweg. De woonwijk is gepland in een zone waarin lage, middelhoge en hoge bekende archeologische waarden aanwezig zijn en het ligt buiten een zone die op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken reeds is vrijgegeven. De archeologische waarden zijn gekoppeld aan de verdedigingswerken die in het terrein aanwezig zijn geweest. Deze onderdelen zijn in de archeologische waardenkaart opgenomen, waarbij het gemetselde rondeel een hoge bekende archeologische waarde heeft gekregen en de bolwerken en grachten respectievelijk een lage en middelhoge bekende archeologische waarde (zie afbeelding 2). Het onderzoeksgebied is gesitueerd op de Mars (zie afbeelding 1). In dit laaggelegen gebied ligt een voormalige IJsselarm. In deze, in het begin van de 15e eeuw afgedamde, geul kunnen resten van scheepswrakken en/of aan scheepvaart gerelateerde zaken aangetroffen worden. De vondst van tientallen, wellicht honderden, middeleeuwse drinkkannen, in 1863, kan als zodanig gekenschetst worden.
Het betreft een scheepslading die is aangetroffen nabij de zuidgrens van het huidige onderzoeksgebied. Na de afdamming was het gebied vanaf de 15e eeuw in gebruik als stadsweide. Vanaf het begin van de 17e eeuw worden in de Mars vestingwerken aangelegd die in de daaropvolgende eeuwen verder worden uitgebouwd. In 1863 vindt hier de laatste grote aanpassing plaats en wordt het plangebied ingericht als spoorwegemplacement. De vestingwerken worden iets verder naar het noorden weer herbouwd. Kort daarna, in 1874, wordt de vestingstatus opgeheven en kan er worden begonnen met het ontmantelen van de vestingwerken. Gezien de militaire functie van de Mars gedurende enkele eeuwen, is het aannemelijk dat binnen het onderzoeksgebied resten van verdedigingswerken in de ondergrond aanwezig zijn, meer specifiek kan het daarbij gaan om restanten van het Statenbolwerk, een Kostverlorenrondeel, een contrescarp en grachten. In de gemeentelijke beleidskaart zijn verschillende ondergrenzen opgenomen voor ingrepen die plaatsvinden in gebieden met een archeologische waarde. In het geval van een terrein met een hoge bekende archeologische waarde is ar-
7
cheologische onderzoek verplicht bij ingrepen die dieper gaan dan 30 cm over een oppervlak van meer dan 10 m2, bij een middelhoge bekende archeologische waarde is de ondergrens een ingreep van 100 m2 die dieper gaat dan 50 cm en bij de lage bekende archeologische waarde is deze ondergrens een ingreep van 10.000 m2 die dieper gaat dan 50 cm. Het oppervlak van de nieuwe woonwijk is 17.750 m2 en de gemiddelde diepte van de ingrepen is ruim meer dan 50 cm, met name de funderingen en riolen worden dieper aangelegd, maar ook de eventuele waterpartijen en parkeergarage komen dieper te liggen. Archeologisch onderzoek is daarom vereist voorafgaand aan de geplande ingrepen. Teneinde een goed afgewogen beslissing (selectiebesluit) door het bevoegd gezag mogelijk te maken over het behoud (al dan niet in situ) van eventuele resten, diende het onderzoek zich te richten op een aantal aspecten ten aanzien van de archeologische resten. In een Programma van Eisen (PvE)1 zijn hiervoor vraagstellingen geformuleerd die door middel van het proefsleuvenonderzoek beantwoord dienden te worden.
2.2 Vraagstellingen
Het onderzoek is toegespitst op een drietal onderwerpen. Zijn er scheepresten en aan scheepsvaart gerelateerde zaken in het onderzoeksgebied aanwezig in de oude IJsselloop daterend uit de late middeleeuwen? Zijn er in de grachten scheepresten en aan scheepsvaart gerelateerde zaken in het onderzoeksgebied aanwezig daterend uit de middeleeuwen en nieuwe tijd? Zijn de verwachte verdedigingswerken in het onderzoeksgebied aanwezig? Onderzoeksvragen Landschap -- Is uit de IJsselsedimenten een stroomgeul aan te wijzen? Is de activiteit van de geul te dateren? -- Wanneer raakten de geul of zandige rivierafzettingen afgedekt door kleiafzettingen? Scheepsresten -- Zijn er in de ondergrond scheepsresten aanwezig en/of resten van scheepsladingen? -- Wat is de aard, omvang, typologie, datering en kwaliteit van deze resten? -- Is er een verband met de in 1863 aangetroffen scheepslading? -- Zijn de resten te relateren aan de rivierscheepvaart of lokale scheepvaart in de gracht? Verdedigingswerken -- Zijn er nog restanten van de laatmiddeleeuwse gracht in het onderzoeksgebied aanwezig? -- Was deze gracht oorspronkelijk een deel van de rivieroever? -- Zijn er nog resten van het rondeel Kostverloren aanwezig? 1 Van Dalfsen, 2017.
8
-- Is het Statenbolwerk in het onderzoeksgebied aanwezig? Zo ja, welke constructieresten zijn er van het bolwerk nog in de ondergrond aanwezig en wat is de opbouw van het bolwerk? -- Zijn er nog restanten van de gracht die tussen bolwerk en de contrescarp gelegen heeft aanwezig? -- Is de contrescarp met bijbehorende gracht nog in het onderzoeksgebied aanwezig? -- Zijn er in de gracht (dempings-)lagen met stadsafval aanwezig? -- Hoe sluiten de onderzoeksresultaten aan op de eerder uitgevoerde onderzoeken? Overig -- Zijn er naast de verdedigingswerken en scheepsresten nog andere archeologische resten in het onderzoeksgebied aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, datering en kwaliteit van deze resten?
9
3. Kaart van de oude loop van de IJssel door de eeuwen heen. Linksboven 900-1200 (na Christus), rechtsboven 12001356, linksonder 1357-1406 en rechtsboven 1406-1600. Het plangebied wordt met de kleine rode stip aangegeven. Op de kaarten is te zien dat een IJsselgeul in verschillende vormen door of vlak langs het plangebied heeft gelopen gedurende de vroege en volle middeleeuwen. Pas in 1406 verdwijnt deze stroomgeul, door menselijk ingrijpen, uit de Mars. De verlande geul blijft echter nog tot in de 20ste eeuw zichtbaar en bij hoog water stroomde de geul nog mee.
10
3 Landschappelijke context2 Het onderzoeksgebied ligt direct ten noordwesten van de middeleeuwse stad, in het zuidelijke deel van het gebied dat de Mars heet. De Mars heeft lange tijd onder directe invloed van de IJssel gestaan (zie afbeelding 3). Als gevolg hiervan zijn in de ondergrond resten van deze rivier goed herkenbaar. Ook de naam Mars verwijst naar dit natte verleden (mars = moeras; vgl. Frans marais). De laatste jaren is de meest gangbare theorie dat de IJssel een betrekkelijk jonge rivier moet zijn die aan het einde van de Romeinse tijd of het begin van de middeleeuwen zou zijn ontstaan.3 Vermoedelijk is de rivier het gevolg van een reeks van grote doorbraken door een aantal dekzandruggen die een oud dal van de proto-Rijn afsloten. Om deze ontwikkeling beter te begrijpen moet teruggegaan worden naar de laatste ijstijden, het Saalien (322.000-126.000 jaar BP4) en het Weichselien (114.000-97.000 BP). Gedurende de koudste periode van het Saalien was de noordelijke helft van ons land bedekt met landijs. Onder het gewicht van het tot anderhalve kilometer dikke pakket landijs werden een aantal diepe tongbekkens, waaronder het tegenwoordige IJsseldal uitgesleten. De bodem van dit dal lag op ongeveer 125 m -NAP.
Na het afsmelten van het landijs is dit tongbekken geleidelijk aan opgevuld geraakt, eerst door smeltwaterstromen en afzettingen afkomstig uit smeltwatermeren en vanaf het warmere Eemien (126.00-114.000 BP) ook met afzettingen afkomstig van de Rijn. Deze rivier waterde toen nog naar het noorden toe af. Ook aan het begin van de laatste ijstijd, het Weichselien, liep de hoofdstroom van de Rijn nog in noordelijke richting door het dal van de tegenwoordige IJssel. Hierbij werden sedimenten afgezet die tot de Formatie van Kreftenheye worden gerekend. Tijdens het pleniglaciaal, een periode van extreme droogte en koude, verlegde de Rijn zijn stroming naar het westen, min of meer in het huidige stroomgebied van de Rijn. Het IJsseldal fungeerde alleen nog als afvoergebied voor lokale beken en rivieren. Daarbij werden op grote schaal beeksedimenten afgezet.5 Als gevolg van droogte en kou veranderde het landschap geleidelijk aan in een poolwoestijn. Hierdoor trad bodemerosie op waarbij door de wind enorme hoeveelheden zand werden verplaatst, waardoor het voor Oost-Nederland zo karakteristieke dekzandlandschap gevormd werd. De waterscheiding voor de beken lag tussen Deventer en Zutphen. De Hunnepe (de latere Schipbeek) bij Deventer waterde naar het noorden af en de Berkel naar het zuiden op de Rijn. Aan deze situatie kwam een einde na de doorbraak van de IJssel.
Tot in de middeleeuwen kon deze rivier nog vrijelijk meanderen. Zeker na het ontstaan van de Zuiderzee in de 12e eeuw nam de watertoevoer 2 De gegevens in deze paragraaf zijn voornamelijk ontleend aan Fermin, Kastelein & Rijs, 2015 en Ringenier, 2017. 3 Cohen, 2010; Makaske, Maas & Smeerdijk, 2008. Recentelijk is betoogd dat het ontstaan van de IJssel in de Midden of de Late Bronstijd geplaatst moet worden: Jongmans et al., 2015. Het ontstaan van de IJssel is al decennialang onderwerp van discussie. Het voert te ver om in deze publicatie daar diep op in te gaan. 4 BP = Before Present. Dat is het jaar 1950, destijds vastgesteld om een vast referentiepunt in C14-ouderdom te hebben. 5 Makaske, Maas & van Smeerdijk, 2008, 323; Deze datering is echter niet onomstreden. Zo plaatsen Cohen et al. de laatste fase van de Rijn in het IJsseldal tussen 60.000 BP en 40.000 BP: Cohen et al., 2009.
11
door de IJssel toe waardoor de meanderende rivier herhaaldelijk zijn bedding verlegde en in de 13e eeuw het zuidelijk deel van Zutphen bedreigde. Rond 1350 is zelfs een deel van de zuidelijke stadsmuur weggespoeld. Ook het grafelijk machtscentrum werd door het water bedreigd. Ten noorden van de stad is lange tijd een meander actief geweest. Deze zijarm van de IJssel raakte na kanalisatie van de rivier in 1406/1407 afgesneden van de hoofdstroom. In dezelfde jaren werd de rivier deels bedijkt. Bij grote watertoevoer konden deze lage dijken overstromen en diende het achterland als bergingsgebied. De rest van het jaar fungeerde de Mars als stadsweidegrond (zie afbeelding 4).
4. Kaart van Thomas JanszoonWitteroos, ca 1575. Een tekening van de Mars met rechts de stad, onder de IJssel en aan de bovenkant en links de Berkel die toen nog ten noorden van de stad uitmondde in de IJssel.
12
4 Historische context In voorgaande archeologische publicaties naar aanleiding van archeologisch onderzoek op de Mars is de historie en de ontwikkeling van de Mars in zijn geheel ruimschoots aan bod gekomen.6 In dit hoofdstuk wordt daarom alleen ingegaan op de ontwikkelingen op de locatie van het plangebied met daarnaast een vogelvluchtbeschrijving van de ontwikkeling van de stadsverdediging voor zover die betrekking heeft op het plangebied. Vanaf het moment van stadsrechtverlening in het laatste decennium van de 12e eeuw is de stad bezig met het aanleggen van stadsmuren, poorten en torens. De stadsverdediging is een belangrijk kenmerk van middeleeuwse stad en zorgde voor veiligheid en geborgenheid. De ontwikkeling van het vuurgeschut in de 14e eeuw en de snelle ontwikkeling en het veelvuldig gebruik ervan bij belegeringen en veldslagen zorgde er echter voor dat vanaf ca. 1450 de stadsmuur zelf beschermd moest worden. In de 16e eeuw vindt daarom de eerste grote aanpassing van de stadsverdediging plaats. Er komt een dubbele stadsgracht, met tussen de beide grachten een complex van wallen en muren en op twee kritieke locaties, bij de Nieuwstadspoort en de Kruittoren, een rondeel, gebouwd in
5.Tekening van de stad Zutphen in perspectief (tekenaar is onbekend). De tekening dateert van rond 1600. Men is inmiddels begonnen met het aanleggen van bastions langs de IJsselkade maar is gestopt na de aanleg van het Traliebolwerk (A op de tekening).Voor de Kruittoren en de Nieuwstadspoort zijn de rondelen ingetekend (helemaal links). Op de kaart zijn drie fasen van vestingbouw zichtbaar: als eerste de laatmiddeleeuwse vestingmuren, torens en poorten, als tweede de vroeg-16e eeuwse aanpassingen bestaande uit de dubbele gracht met wallen, muren en rondelen en als derde het begin van de aanleg van de bastions in de 17e eeuw. 6 De informatie in deze paragraaf is ontleend aan Fermin, 2013, Fermin en Van Straaten, 2011 en Fermin & Kastelein, 2013 en Ringenier, 2017.
13
respectievelijk 1532 en 1535 (zie afbeelding 5).7 Rondelen zijn zware bolwerken van aarde, bekleed met bakstenen muren in een ronde vorm die dienden ter versterking van kwetsbare punten en die geschikt waren om geschut op te plaatsen. De dubbele grachten, en het systeem van wallen, muren en rondelen diende ervoor om de stadsmuren tegen vijandelijk geschut te beschermen. Alle aanpassingen ten spijt werd de stad in 1572 eerst ingenomen door Staatse troepen en vervolgens door Spaanse troepen.8 De stad kwam later weer in opstand tegen de Spanjaarden waardoor de stad in 1583 opnieuw door de Spanjaarden veroverd moest worden. Pas in 1591 kwam Zutphen definitief in Staatse handen en werd het een frontierstad van de Republiek. De vestingwerken van de stad waren echter dringend aan vernieuwing toe vanwege de voortdurende Spaanse aanwezigheid in een deel van de graafschap Zutphen en Twente. De ommuring van de stad werd uitgebreid met een extra brede gracht, bolwerken en hoornwerken, uitgevoerd in Oud Hollands Stelsel (zie afbeelding 6). Door deze werken werd de afstand die een kanonskogel moest overbruggen aanzienlijk vergroot. Bovendien werd de verdedigingslinie aan de buitenzijde voorzien van een aardlichaam waarop de gietijzeren kanonskogels weinig invloed hadden. De werkzaamheden begonnen aan de IJsselkade, daar waar de stad een zeer slechte verdediging had.
Met de aanleg van de bolwerken werkte men met de klok mee tot kort na 1600 het Traliebolwerk voltooid was (zie afbeelding 5). Voordat men kon beginnen aan het Statenbolwerk moest er een oplossing gevonden worden voor de uitmonding van de Berkel. Deze stroomde tot dan vanuit de stad voor de Kruittoren naar het noorden om in de buurt van het huidige Fort de Pol uit te monden in de IJssel (zie afbeelding 4). Deze monding lag echter buiten de vestingwerken van Zutphen en dus,
6. Perspectief-tekening van Blaeu uit ca 1649. Op deze tekening zijn de vestingswerking van het Oud Hollands Stelsel in maximale omvang weergegeven. 7 Doornink-Hoogenraad 1953, 150. 8Tadama, 1976, 203 en 222.
14
tijdens een belegering, ook buiten de controle van de stad. Om de controle over de Berkel te behouden is er voor gekozen om de Berkel op de locatie van de huidige Kattenhaven uit te laten monden in de IJssel. In 1610 werd in de vestingmuur aan de IJssel, tussen het Marspoortbolwerk en het Bourgonjebolwerk, deze nieuwe Berkelmonding aangelegd: het zogenaamde Hillebrandsgat.9 In 1612 wordt aansluitend begonnen met het afbreken van het Kostverlorenrondeel en met de bouw van het Statenbolwerk. Gedurende de hele 17e eeuw blijft men bezig met het moderniseren van de vestingwerken, maar al vroeg in de 18e eeuw begint men met een tweede, grote vestingbouwfase. De aanleiding hiervoor was het uitbreken van de Spaanse Successieoorlog, waarbij de Republiek en Engeland (met koning-stadhouder Willem III) en Brandenburg enerzijds en de Franse koning Lodewijk XIV anderzijds, tegenover elkaar kwamen te staan. Onder leiding van baron Menno van Coehoorn werd begonnen aan een forse uitbreiding van de vesting, uitgevoerd in het Nieuw Nederlands Vestingstelsel (zie afbeelding 7). Dit behelsde onder meer de bouw van reeksen lunetten aan de noordzijde van de stad, de bouw van een ravelijn en de aanleg van inundatiewerken. De 17e eeuwse hoornwerken werden volledig afgebroken, met uitzondering van het zuidelijke hoornwerk.
Deze werd gereviseerd, maar op dusdanige wijze dat er geen steen op zijn plaats bleef. Het hoornwerk in het Noorderhavengebied werd vervangen door een nieuwe linie die bestond uit vier lunetten met daaromheen nog een gracht. De schans De Pol, aan de noordzijde van de Polbeek, werd in 1785 verbouwd tot Fort de Pol. Dit fort werd gedekt door twee redouten in het noorden van de Mars en de batterij Wellenberg aan de overzijde van de IJssel. Deze fortificaties moesten er voor zorgen dat de sluis van de Polbeek, waarmee de hele Mars on-
7. Een kaart van Isaak Tirion uit 1741 met rondom de stad de vestingwerken van Menno van Coehoorn. De monding van de Berkel bij de IJsselkade, het Hillebrandsgat, is duidelijk weergegeven. 9 Groothedde 2005, 12.
15
der water gezet kon worden, niet in vijandelijke handen kon vallen. Een derde vestingbouwfase brak aan in 1861 toen men de aanleg van de spoorweg tussen Arnhem en Zwolle dwars door de 17e eeuwse vestigwerken en de Linie van Van Coehoorn heen plande.Voor dit plan werden in 1863 drie bastions van de 17e eeuwse linie en vier lunetten van de linie van Van Coehoorn ontmanteld. Deze laatste linie werd een klein stukje noordelijker geheel opnieuw aangelegd, omdat het station zich wel binnen de vesting moest bevinden. Onder invloed van de ontwikkeling van moderne artillerie die meerdere kilometers kan schieten en door de uitvinding van het hoogexplosief (zoals dynamiet) en de daarop volgende ontwikkeling van brisantgranaten voldeed het oude systeem van vestingstelsels niet meer. Zo viel tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1871 de onneembaar geachte vesting Verdun binnen de kortste keren in Duitse handen. Deze oorlog betekende indirect het einde van Zutphen als vestingstad. In 1874, dertien jaar na de bouw van het laatste vestingwerk, verloor Zutphen haar vestingstatus en kwamen alle vestingwerken rond Zutphen, inclusief de gloednieuwe linie op de Mars, op de nominatie om gesloopt te worden. Het zou het echter nog jaren duren voordat het Rijk en de gemeente het eens werden over de voorwaarden waarop delen van de vesting aan de gemeente overgedragen zouden worden.
Na slepende onderhandelingen stemde de gemeenteraad uiteindelijk in met de overname van het overgrote deel van de gronden van de voormalige vesting Zutphen. In hoog tempo werden vervolgens de vestingwerken ontmanteld.
8. Zutphen in 1878 door de stadsarchitect Etteger. Op de kaart zijn de vestingwerken uit 1863 reeds gesloopt en vervangen voor het Coenenspark. Onder het spoorwegemplacement komt nog net een randje van het Statenbolwerk uit.
16
5 Archeologisch onderzoek 5.1 Methoden
In het Programma van Eisen is een puttenplan voor het proefsleuvenonderzoek opgenomen waarin is voorzien in de aanleg van vier proefsleuven (zie afbeelding 2). Het doel van het onderzoek was om de ligging van de verschillende wallen en grachten scherp te bepalen en om het terrein te onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van scheepsresten of scheepsladingen. Tijdens onderzoek op de locatie van parkeergarage De Mars10 is gebleken dat de bovengrond bestaat uit grof, zeer los zand dat niet stabiel is en dat de grondsporen op 3,5 tot 4 meter diepte liggen. Hierdoor is het enerzijds noodzakelijk om breed te beginnen en om de meter te verjongen en daarnaast om te graven met een grote graafmachine, en geen kleine mobiele kraan. Voorafgaand aan het onderzoek is de bestaande bebouwing gesloopt, zijn alle kabels en leidingen in het terrein verwijderd, zijn er delen van het spoor afgesloten en verwijderd en heeft er een ‘onderzoek conventionele explosieven’ (OCE-onderzoek) plaatsgevonden in het terrein. Het plangebied is tevens geëgaliseerd tot een hoogte van circa 9.00 m +NAP. In overleg met de opdrachtgever hebben wij het veldwerk gestart direct aansluitend op het afronden van het OCE-onderzoek en binnen de contouren van het door het OCE-onderzoek vrijgegeven terrein. De 27-ton rupskraan die voor het voorgaande werk bezig was hebben wij voor ons onderzoek in kunnen zetten.
Het graafwerk was hierdoor snel en goed uit te voeren. Van de vier geplande sleuven zijn er uiteindelijke drie gegraven. De vierde sleuf is na overleg met het bevoegd gezag niet gegraven. De reden hiervoor was het feit dat het maaiveld hier nog ruim een meter hoger was dan in de overige delen van het terrein. Voor deze kleine sleuf was het nodig geweest om aan het maaiveld te beginnen met een 14 meter brede sleuf om vervolgens op diepte te kunnen eindigen met een 2 meter brede sleuf. Hiervoor lag de sleuf te dicht bij het spoor. Bovendien was het, zelfs voor deze grote rupskraan, niet mogelijk om in één keer vanaf het 10 Ringenier 2016.
9. Aanleg van werkput 1. Om in het losse zand diep te kunnen graven is het nodig om trapsgewijs te graven.
17
maaiveld bij de bodem van deze put te komen. Omdat de situatie na onderzoek in de eerste drie proefsleuven duidelijk was en de onderzoeksvragen beantwoord konden worden is besloten om deze laatste sleuf niet aan te leggen. Het graven van de sleuven is aan het maaiveld over een breedte van 8 à 11 meter begonnen. Deze eerste laag heeft de machinist in één keer afgegraven nadat wij de proefsleuven voor hem hadden uitgezet. Vervolgens is er binnen deze brede sleuf verdiept en zijn de twee andere versmallingen gegraven. De profielen zijn tegelijk met het afgraven opgeschaafd. Dit zou naderhand bijna onmogelijk geweest zijn door de instabiele ondergrond. We zijn begonnen met graven in het meest oostelijke deel van proefsleuf 1 (hierna werkput 1 of WP1 genoemd), zo dicht mogelijk tegen het spoor aan als mogelijk was. De reden hiervoor is dat er mogelijk nog resten van het Kostverloren-rondeel in de bodem zouden liggen. Deze ligt vermoedelijk onder het spoor, maar zou eventueel net in dit deel van het plangebied kunnen liggen. De sleuf is in het westen zo veel mogelijk opgerekt binnen de begrenzing van het gebied dat door OCE-onderzoek is vrijgegeven. Door de hoge mate van complexiteit in de stratigrafie in het oostelijke deel is vervolgens besloten om proefsleuf 2 (werkput 2, of WP2) op proefsleuf 1 aan te laten sluiten.
Deze is in noordelijke richting gegraven zodat als het ware één boemerangvormige proefsleuf is gegraven. Direct in het verlengde van deze proefsleuf is proefsleuf 3 (werkput 3 of WP3) gegraven. Omdat in het begin van deze proefsleuf direct de grachtrand is waargenomen is besloten om deze sleuf korter te maken dan gepland. In de proefsleuven is het archeologische vlak zo diep mogelijk aangelegd, direct boven het grondwater, om zo veel mogelijk archeologische informatie te kunnen documenteren. De vlakken zijn door middel van een 06-GPS ingemeten en ze zijn gefotografeerd. De profielen zijn 1:20 getekend, lithologisch conform NEN 5104 beschreven en gefotografeerd en alle sporen en alle lagen zijn in ‘Odile’ digitaal beschreven. Het vondstmateriaal is per spoor of per stratigrafische eenheid verzameld. Zowel het vlak als de stort is regelmatig door middel van een metaaldetector onderzocht (zie afbeeldingen 10 en 11). De vlakhoogtes van de werkputten lagen gemiddeld tussen de 5,20 en 5,60 meter +NAP. Het maaiveld lag op 9,00 meter +NAP. In alle werkputten is één vlak aangelegd. De sporen en bodemlagen zijn in een doorlopende reeks genummerd, deze zijn aangeduid met een hoofdletter S (bijvoorbeeld S7).
10 en 11. Er is tijdens het onderzoek intensief gezocht met metaaldetectoren, en bepaald niet zonder resultaat.
18
5.2 Resultaten
In deze paragraaf worden de onderzoeksresultaten besproken. Hoewel werkputten 1 en 2 aan elkaar zijn gegraven zullen de profielen van deze twee werkputten wel apart besproken worden. Vervolgens zullen de profielen worden gekoppeld aan de sporen die in het vlak zijn ingemeten om uiteindelijk samen met historisch kaartmateriaal tot een synthese te komen van de ontwikkelingen in het terrein. De verzamelde vondsten zullen apart worden besproken, maar wel binnen de synthese van het terrein worden geplaatst om zo tot een samenhangend beeld te komen. 5.2.1 Profiel 101 In werkput 1 is profiel 101 gedocumenteerd, over de zuidelijke wand van de put. In het westen van deze werkput is onderin het profiel de natuurlijke ondergrond waargenomen. De top hiervan ligt op 6,30 +NAP. De natuurlijke bodem is onder 5,80 +NAP sterk gelaagd en bestaat afwisselend uit lagen sterk siltig zand en matig siltig zand. Hierop ligt een pakket wit tot lichtgrijs zand met een laag siltgehalte. Deze lagen duiden op rivierafzettingen waarbij door de IJssel verschillende lagen zijn afgezet. In dit natuurlijke pakket is een archeologisch spoor aangetroffen, een greppel of sloot van 66 cm diep en in het vlak een breedte van 1 m. Door het instorten van het profiel is hier lokaal de noordelijke zijde van het profiel gedocumenteerd.
In de noordelijke zijde is de sloot opgevuld met verschillende lagen die elk een apart spoornummer hebben gekregen (spoornummers 32 t/m 36). De vulling van het spoor bestaat uit bruingrijs, sterk siltig zand. De laatste vulling van het spoor bestaat uit grijswit zand dat kan duiden op een actieve demping door mensenhanden of door een overstroming van de rivier. In de zuidelijke zijde is de doorsnede van de sloot iets anders van opbouw in die zin dat er geen witgrijs zandpakket is aangetroffen en dat er meer bruine, siltige zandlagen zichtbaar zijn. In de sloot zijn geen humeuze lagen aangetroffen die duiden op bodemvorming van een openliggende sloot (zie afbeeldingen 12 en 13). De vullingen van bruingrijs, sterk siltig zand lijken op natuurlijke afzettingen in de sloot. Mogelijk heeft de sloot slechts korte tijd open gelegen, zodat er geen humeuze afzettingen konden afzetten of is de sloot zeer goed onderhouden geweest en is de humeuze vegetatielaag regelmatig weggebaggerd. De sloot heeft een zuidwest – noordoost oriëntatie en wordt afgedekt door een 50 tot 60 cm dikke laag, bestaande uit bruin, zeer siltig zand, vergelijkbaar met de afzettingen in de sloot. In deze laag is boven de sloot een randfragment van een kom aangetroffen van een grijs baksel daterend uit de late middeleeuwen, ca. 15e-eeuws (vondstnummer 9). De bovenkant van dit pakket ligt op 6,85 m +NAP.
Dit is het niveau van het maaiveld geweest voorafgaand aan de bouw van de vestingwallen in het terrein. Al boven de sloot wordt de bruine laag schuin doorsneden door de insteek van een diepe en brede structuur. De meest westelijke vullingen in deze structuur vormen een gelaagd pakket bestaande uit rommelige, donkergrijze vullingen met zowel zand als kleibrokken. Ook hierin is niet direct een natuurlijke component te herkennen. Alle lagen lopen richting het oosten schuin naar beneden. Na circa 3,5 meter houdt dit pakket op en gaat het geheel over in een losse zandvulling waarin nog wel dezelfde schuin aflopende gelaagdheid te zien is. Beide pakketten zijn rommelig, brokkelig en geroerd, op basis waarvan wordt geconcludeerd dat ze antropogeen van aard zijn. 19
5,00 m +NAP
6,00 m +NAP
7,00 m +NAP
8,00 m +NAP
9,00 m +NAP
10
West
0
5 Meter
Profiel 101 - richting zuid
5,00 m +NAP
6,00 m +NAP
7,00 m +NAP
8,00 m +NAP
Oost 9,00 m +NAP
20
Zeer waarschijnlijk gaat het om de buitenste middeleeuwse gracht die is gedempt voor de aanleg van het Statenbolwerk. Uit het zandpakket (spoor 20) komen drie vondsten, twee loden pistoletkogels en een fragment van een hoefijzer (vondstnummer 10). Pistolen zijn een vroeg zestiende-eeuwse ontwikkeling waardoor deze lagen niet in de late middeleeuwen maar eerder in de vroege nieuwe tijd gedateerd moeten worden. Dit zandige pakket is in het profiel bijna 24 meter lang, waarbij het in het oosten eindigt in een complex systeem van humeuze en zandige lagen. De bovenkant van het pakket ligt op 6,50 m +NAP tot 6,70 m +NAP en blijft over de gehele lengte nagenoeg gelijk. De bovenkant ligt daarmee ook vrijwel gelijk aan de maaiveldhoogte die hierboven was waargenomen. Hoewel met de schep en met de boor pogingen zijn gedaan om de structuur ook in de diepere ondergrond te onderzoeken was dit door het uitspoelen van het zand niet mogelijk waardoor over het verloop van de structuur onder het vlakniveau niks gezegd kan worden. Boven het niveau van het oude maaiveld, dus boven de 6,80 m +NAP is tot ca. 9 +NAP één hele duidelijke structuur aangetroffen. Dit betreft het Statenbolwerk, een verdedigingswal waarin twee duidelijke faseringen te herkennen zijn. De wal zelf bestaat uit lichtgrijs zand met brokken lichtgrijs, siltig zand. Ook in deze structuur is een schuine gelaagdheid te zien.
Vanaf het oosten lopen de lagen schuin omlaag richting het westen. In het profiel is de basis van de oudste fase van de wal 27 meter in doorsnede en bovenin, aan het huidige maaiveld, 19 meter in doorsnede. Aan de oostkant zijn twee afdekkende lagen te zien. De binnenste is bruin en bestaat uit siltig zand. De buitenste is humeus en bestaat uit donkergrijs, siltig zand. Deze lagen zijn dui12. Het zuidprofiel gedocumenteerd in werkput 1. Mintgroen is het natuurlijke rivierzand met daarin in blauw een middeleeuwse sloot. In donkerbruin is een kleipakket aangegeven dat door de laatmiddeleeuwse gracht wordt doorsneden in het oosten. Deze grachtvullingen zijn met groen aangegeven.Voorafgaand aan de aanleg van het Statenbolwerk is de gracht gedempt. Deze dempingslagen zijn met lichtgeel aangegeven. De 17e-eeuwse fase van het bolwerk is geel gekleurd en de 18e-eeuwse fase is oranje gekleurd. In grijs zijn de zandophogingen van het spoorwegemplacement uit 1863 aangegeven. In donkergroen is de natte lage zone aan de achterzijde van de wal weergegeven. Er bovenop is (heel dun) met donkerbruin de veenlaag aangegeven..
delijk de buitenste, bekledende laag van de wal geweest. Door vegetatie en door mest is hier een donkere humeuze laag ontstaan waar enkele horizontale richels als traptredes in zichtbaar zijn. Dit zijn waarschijnlijk paden geweest waar schapen hebben gelopen om de begroeiing op de wal in toom te houden. De tweede fase is herkenbaar aan een tweede bekledend pakket bestaande uit zand met brokken siltig zand, afgedekt door een laag siltig zand. Hieruit komen diverse vondsten (vondstnummer 11 en 13) met daarbij onder andere faience en steengoed in de stijl van Westerwald, beide vondsten dateren uit de eerste helft van de 18e eeuw. Door dit pakket werd de helling van de wal minder stijl en werd de wal breder. De overgang van de wal naar de gracht is niet aangetroffen. Deze lag net buiten het door het OCE-onderzoek vrijgegeven gebied en kon daarom niet onderzocht worden. Hierop is een laatste zandig ophogingspakket aangebracht. De eerste fase van de wal is het Statenbolwerk dat in (of kort na) 1612 is aangelegd onder leiding van prins Maurits. De tweede fase is de verbouwing van de vestingwerken door Menno van Coehoorn in het begin van de 18e eeuw. Het laatste zandige ophogingspakket betreft de aanleg van het spoorwegemplacement in 1863 waarbij de nieuwe vesting verder naar buiten werd aangelegd om het spoor en het station binnen de vestingswerken te krijgen (zie afbeelding 13).
Aan de binnenkant van de wal, in het oosten van de werkput, is een depressie zichtbaar. Een natte zone met vegetatiehorizonten en humeuze lagen en pakketten. Hier komen de drie fasen bij elkaar. In de ondergrond is nog het laatste restant van de oude geul aangetroffen. Het dempingspakket eindigt en loopt onder dezelfde hoek door in de achterkant van de oudste fase van de wal. Vermoedelijk is in de periode dat de wal in gebruik is geweest dit terrein deels aangeplempt maar altijd nat gebleven, getuige de restanten van lisdodden die in een humeuze, venige laag zijn aangetroffen. Aan de achterzijde van de wal is nog een bekledende laag aangebracht. Deze zone werd na het aanleggen van werkput 2 duidelijker en daarom bij het bespreken van profiel 201 in detail worden besproken.
1
2 3 4
5 8
6 7
13. Foto van het westelijke deel van profiel 101. 1: De ophoging van het terrein tot spoorwegemplacement in 1863. 2: De uitbreiding van het bastion door Menno van Coehoorn (ca. 1710). 3: Eerste fase van het Statenbolwerk (1612). 4: Een klein stukje van de dempingslagen van de gracht. 5: Bodem- en oeverafzettingen van de gracht. 6: Kleilaag. 7: De sloot. 8: Natuurlijke IJsselafzettingen.
21
5.2.2 Profiel 201 In werkput 2 is het oost-profiel gedocumenteerd over de volledige lengte van de werkput waarbij in het zuidelijke deel, aan de binnenzijde van de wallen, een deel overlap is getekend met profiel 101, om zo feitelijk één aaneengeschakeld profiel te krijgen. In het noordelijke deel van de werkput is een zone met natuurlijke afzettingen aangetroffen. Het betreft een zone met wit zand waar nauwelijks silt in aangetroffen is. Er is in dit pakket geen gelaagdheid waargenomen. De bovenkant van deze laag ligt op 6,20 m +NAP en ligt daarmee op nagenoeg hetzelfde niveau als de natuurlijke laag in profiel 101. Aan de zuidkant van deze natuurlijke laag ligt een pakket grond met wederom een schuine gelaagdheid. De lagen lopen van het noorden schuin af richting het zuiden en bestaan variërend uit bruine, licht siltige zandlagen en donkergrijze, sterk siltige of kleiige zandlagen. De bovenkant van dit pakket ligt tussen de 6,40 en 6,80 m +NAP. Vermoedelijk gaat het hier net als in profiel 101 om dempingslagen van een oude gracht die is gedempt voorafgaand aan de aanleg van de vestingwerken. In de rand van de gracht, tegen de natuurlijke lagen aan, is vondstnummer 15 verzameld. Dit vondstnummer betreft een musketkogel, een ijzeren spijker en een dunne ijzeren breeuwsintel.
Breeuwsintels werden in de scheepsbouw gebruikt om het breeuwsel tussen de naden van een schip op de plek te houden. Qua vorm wordt deze in de 15e eeuw gedateerd (zie afbeelding 68). De vondst geeft aan dat het hier om een waterloop gaat waarin waarschijnlijk boten hebben gevaren. Op het natuurlijke pakket en de dempingslagen is de verdedigingswal aangelegd. Deze is in de basis 43 meter breed en hij lijkt ook hier uit twee fasen te bestaan, namelijk een eerste fase die bestaat uit een hoofdwal van zo’n 30 meter breed en ervoor een kleinere wal van zo’n 10 meter breed, opgevolgd in de tweede fase door één grote wal waarbij de depressie tussen de voorwal en hoofdwal is opgevuld en opgehoogd. Aan de buitenzijde is ook hier een bekledende laag aangebracht, daar waar de wal de gracht in gaat, maar er is geen vegetatielaag te herkennen. Aan de westkant duiken dikke zandige pakketten de ondergrond in. Dit betreft dempingslagen uit 1863 van de gracht. De grachtvullingen zullen in de diepere ondergrond hebben gelegen, onder het grondwater, en zijn tijdens het onderzoek niet waargenomen.
14. Foto van het profiel aan de achterzijde van het bolwerk. De donkerbruine veenlaag wordt afgedekt door wisselend zandige en kleiïge ophogingslagen die zijn aangebracht in 1863. Onder de venige is een puinrijke laag met veel vondstmateriaal.
22
7,00 m +NAP
Noord
6,00 m +NAP
Profiel 201 - richting oost
0 5 Meter 10
Aansluiting met profiel 101 Zuid Oost West 9,00 m +NAP
8,00 m +NAP
5,00 m +NAP
15. Boven: een laag met veel puin die onder de venige laag ligt. 16. Onder: drie slakkenhuizen van de wijngaardslak uit de puinrijke laag. 17. Rechts: de profieltekening van profiel 201. Bij dit profiel zijn dezelfde kleuren gehanteerd als bij profiel 101 (zie afbeelding 12).
9,00 m +NAP
7,00 m +NAP
8,00 m +NAP
6,00 m +NAP
5,00 m +NAP
Aan de zuidkant van het profiel, dus aan de stadskant van de wal, is bij dit profiel een overlap getekend met profiel 101. In beide profielen is de geleidelijk aflopende achterkant van de wal zichtbaar. De lagen achter de wal worden gekenmerkt door een hoge dynamiek en hoge vondstdichtheid. De onderste lagen betreffen een bruine, zandige laag (S4) en een donkergrijze gereduceerde laag (S3, zie afbeelding 14). In beide lagen zijn baksteen, mortel en houtskoolresten aangetroffen. Onderin spoor 3 is een vierkante houten paal aangetroffen (S2) waarvan er bij het aanleggen van het vlak nog drie zijn aangetroffen. Deze zijn ingemeten in de allesporenkaart. Hierop ligt een halve meter dik pakket bruin tot donkergrijsbruin, siltig zand met zeer veel baksteenresten, dakpannen en ander sloopafval (S7, zie afbeelding 15). Hoewel de bakstenen gebroken waren was het mogelijk om drie min of meer intacte bakstenen te verzamelen die qua formaat representatief waren voor de andere waargenomen bakstenen. Deze drie bakstenen hebben het formaat 27x13x6.5, 25x12.5x5 en ?x12.5x6.5. De 6,5 cm dikke bakstenen worden in het principe in de late middeleeuwen gedateerd, tussen 1350 en 1550 en de 5 cm dikke bakstenen worden aansluitend hierop gedateerd tussen 1550 en 1625. Door het ontbreken van metselverbanden, of überhaupt een structuur, zijn de individuele bakstenen niet scherper
23
te dateren. De bakstenen zijn zeer waarschijnlijk afkomstig van het in 1535 gebouwde en in 1612 gesloopte rondeel. In dit pakket zijn naast bakstenen ook een grote hoeveelheid slakkenhuizen van de wijngaardslak aangetroffen (zie afbeelding 16). Dit is een delicatesse die hier niet van nature voorkomt en dus zeer waarschijnlijk is aangevoerd om hier geconsumeerd te worden, een bijzondere vondst die nog niet eerder in Zutphen is waargenomen. Het geheel wordt afgedekt door een sterk venige laag van 10 tot lokaal 30 cm dik (S8, zie afbeelding 14). In deze laag zijn resten van lisdodden aangetroffen. De lisdodde is een plant die alleen in zeer natte omstandigheden groeit in vennen en plassen en niet langs open stromend water. De aanwezigheid van deze plant is dan ook een goede indicatie dat hier gedurende een langere periode een natte plek moet zijn geweest. De veenlaag dekt de onderliggende puinlaag af en loopt richting het noorden over in de bekleding van de wal. In profiel 101 wordt de veenlaag afgedekt door de bekleding van de wal, het gaat hier om de tweede fase van de wal uit het begin van de 18e eeuw. De bekleding bestaat uit sterk siltig zand met in de veenlaag direct eronder een fragment van een roodbakkende bloempot van een goede kwaliteit aardewerk (vondstnummer 4).
Deze pot wordt in de 17e of 18e eeuw gedateerd, wat aansluit op de aanleg van de vestingwerken van Menno van Coehoorn. Op deze bekledende laag is nog een dik zandig ophogingspakket aangebracht. Dit is geïnterpreteerd als de laatste demping ten tijde van de slechting bij het bouwen van het spoorwegemplacement in 1863. Uit deze lagen komen geen vondsten om een scherpere datering van de lagen te kunnen geven. Het pakket bestaat voor een deel uit grof zand en voor een deel uit kleiige pakketten, zeer waarschijnlijk zijn deze kleiige pakketten afkomstig uit de nieuw gegraven grachten. 5.2.3 Profiel 301 Profiel 301 is het oost-profiel in werkput 3. De onderste lagen betreffen natuurlijke lagen, bestaande uit wisselend, matig fijn, siltig zand en matig grof zand met een laag siltgehalte. In de lagen met matiggrofzand zijn diagonaal lopende laagjes met daarin ook weer wisselende zandfracties, fijn en grofzand (zie afbeeldingen 19 en 20). Het gaat hier om actieve rivierafzettingen met daarin variaties in snel- en langzaam-stromende fasen gevolgd door een fase met overstromingen en stilstaand water. De bovenkant van de natuurlijke laag ligt op 6,80 +NAP. Het natuurlijke pakket wordt afgedekt door een dun, humeus bandje van 6 tot 9,00 +NAP
Profiel 301 - Richting oost
Noord
Zuid
9,00 +NAP
8,00 +NAP
8,00 +NAP
7,00 +NAP
7,00 +NAP
6,00 +NAP
6,00 +NAP
5,00 +NAP
0
5
10
5,00 +NAP
Meter
18.Tekening van profiel 301. De natuurlijke lagen (mintgroen) en de ophogingen uit 1863 (grijs) zijn duidelijk te onderscheiden. Op de natuurlijke ondergrond is een dunne vegetatielaag afgezet (groen).
24
19. Links: zandige rivierafzettingen in het profiel met een duidelijke diagonale gelaagdheid afgewisseld met een horizontale gelaagdheid. 20. Rechts: in het vlak tekenen de diagonale zandlagen zich af en grillige zandafzettigen. Beide foto’s laten verschillende fasen van rivierafzettingen zien.
12 cm dik dat wordt geïnterpreteerd als een vegetatielaag, afkomstig van de oeverbegroeiing en mogelijk ook van begroeiingen of afzettingen binnen de gracht (zie afbeelding 18). Hierop zijn de dempingslagen van de gracht, en ophogingslagen van het terrein zelf aangebracht. Het profiel geeft inzicht in de buitengrens van de gracht, zodat de breedte van de gracht bepaald kan worden.
210350
210400
462400
Natuurlijke afzettingen 16e eeuwse, stadsgracht Lage wal tussen de binnenste en buitenste gracht 17e eeuwse gracht Venig gebied achter het Statenbolwerk Totale breedte van de proefsleuven
462350
462350
462400
5.2.4 Koppeling van de profielen aan de allesporenkaart en aan historisch kaartmateriaal Tijdens het onderzoek werd direct duidelijk dat de meeste onderzoeksgegevens in de profielen zaten en niet in de vlakken. Er is daarom per werkput maar één vlak aangelegd en daarin zijn alleen de hoofdlijnen ingemeten en niet alle details, die in de profielen veel beter tot hun recht komen. In de allesporenkaart
p Loo
ot
slo
462300
462300
Buitenloop gracht
Steiger of helling Gemetseld plateau 210350
210400
21. ASK met reconstructie van vier elementen.
25
(ASK) is wel duidelijk de oriëntatie van de sporen en structuren te zien, iets dat niet uit de profielen duidelijk wordt. Door de gegevens van de profielen en de ASK te combineren is er vast te stellen dat het oudste spoor in het terrein een sloot of greppel is met een zuidwest-noordoost oriëntatie. Deze sloot zou kunnen hebben gediend ter ontwatering van het terrein, de Mars is immers een laaggelegen terrein dat sterk onder invloed staat van het IJsselwater. Of deze greppel op een kavelgrens ligt, of mogelijk een weg flankeert valt niet te stellen. Op het oudste kaartmateriaal (uit de late 16e eeuw) worden geen kavels aangegeven. Deze greppel is alleen in werkput 1 aangetroffen in het natuurlijke zand. Naast de greppel ligt een brede structuur, een gracht, met eveneens grofweg een zuidwest-noordoost oriëntatie, maar op basis van de waarnemingen in het 210400 462400
462400
210300
Werkput 3
Werkput 2
Werkput 1
462300
462300
Buitengracht
Rondeel
Binnengracht
462200
462200
Kruittoren
210300
210400
22. De allesporenkaart, geprojecteerd op de tekening van vestingingenieur D. A. Schelven uit ca 1600. Op de tekening staat de ligging van het Statenbolwerk ingeschetst en staan de oude stadsmuur met Kruittoren en eromheen de oude gracht aangegeven. Daarvoor is het rondeel met de wallen en de buitenste gracht aangegeven. Op de tekening is de allesporenkaart geprojecteerd met daarop in lichtgeel de natuurlijke ondergrond, in oranje de waargenomen oude gracht, in blauw de nieuwe gracht die om het Statenbolwerk heeft gelegen. In groen is de lage zone rond het rondeel. Opmerkelijk is dat op de tekening een soort eiland is aangegeven rechts boven het rondeel. Deze is in de profielen niet waargenomen, maar komt wel heel goed overeen met een grens die in het vlak is waargenomen (in rood aangegeven op de allesporenkaart). Hier eindigden in het profiel de dempingen van de gracht en begonnen de ophogingen van de wal, maar het blijken dus ophogingen van een eiland in de grachten te zijn. In werkput 1 komt de situatie niet helemaal overeen, de grens van de gracht ligt verder naar het oosten.
26
vlak lijkt deze structuur een knik richting het oosten te maken. Opmerkelijk is om te zien dat op de kaarten van Jacob van Deventer (ca. 1562), Guicchiardini (1581) en die van Berlaymont (1572) de buitenste rand van de stadsgracht dezelfde bocht lijkt te maken. De oriëntatie is vrijwel hetzelfde, maar door onnauwkeurigheden in de kaarten komt de ligging niet overeen. Een vierde kaart uit deze periode, een plattegrond van de verdedigingswerken gemaakt door de ingenieur D.A. Schelven blijkt na georeferentie wel zeer maatvast te zijn. Hij was de ingenieur aangesteld door prins Maurits die van 1595 tot 1599 belast was met het moderniseren van de Zutphense verdedigingswerken.Wanneer zijn kaart wordt geprojecteerd op de moderne Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) dan liggen alle stadsmuren en poorten keurig op de juiste plek. De waargenomen geul of gracht blijkt heel duidelijk de buitenkant van de tweede gracht te zijn die in de 16e eeuw rondom de oude stadsgracht is gegraven (zie afbeelding 22). Bovendien is een deel van de wal die tussen de buitengracht en binnengracht ook teruggevonden in profiel 201. Daarnaast is op de kaart te zien dat de verwachte ligging van het Kostverlorenrondeel niet correct is. Het rondeel blijkt iets meer naar het noorden te liggen en direct aan de achterkant van het bolwerk te liggen. Het bolwerk ligt als het ware rond het rondeel.