CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

4a. Bestemmingsplan Noorderhaven veld 15-17

Raadsvergadering 1 maart 2021, gemeente ZutphenBij agendapunt: Bestemmingsplan Noorderhaven veld 15 - 1732.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Dit maakt het erg waarschijnlijk dat het aangetroffen puin afkomstig is van het rondeel en dat we het rondeel zelf op misschien maar een meter na gemist hebben. Voor het georefereren van de 17e eeuwse fase zijn twee kaarten gebruikt, die van Blaeu en Merian (respectievelijk 1649 en 1660). Op beide kaarten liggen de proefsleuven over het bolwerk en met name bij de kaart van Blaeu klopt de geo-referentie goed (zie afbeelding 23). De wallen laten op de kaarten een duidelijke hoofdwal en lagere voorwal zien, dus de waarneming in profiel 201 dat de wal bestaat uit een dikke hoofdwal met een lagere voorwal ervoor komt 210350

210400

210450

210500

210550

210300

210350

210400

210450

210500

210550

462350

462350

462400

462400

462450

462450

210300

462300

462300

462250

462250

23. De allesporenkaart geprojecteerd op de kaart van Blaeu uit 1649.

27

210350

210400

462300

462400 462300

462350

462350

462400

overeen met het kaartmateriaal. Op het kaartmateriaal zijn de wallen wel veel Gracht rondom het bolwerk hoekiger ingetekend dan uit het veldonderzoek blijkt. Aan de achterzijde van de wal worden op de kaart van Blaeu een aantal bomen of struiken weergegeven. De kaart van Merian is minder Statenbolwerk gedetailleerd, het gebied wordt hier leeg getekend. Wel is te zien dat tussen de wal en de Kruittoren de stadsgracht nog open ligt. Hoewel het niet staat inReconstructie van steiger of helling het bastion op getekend blijkt uit ons onderzoek dat het terrein een laaggelegen, nat gebied is, 24. De ASK op een reconstructiekaart van de vestingwerken. dat onder invloed staat van het grachtwater. De aangetroffen houten paaltjes (S2) zijn rechthoekig van vorm en meten 9 à 10 cm bij 5 à 6 cm. De vier paaltjes samen vormen een rechthoek van 2,15 m lang en 95 cm tot 1 m breed. Deze paaltjes zijn mogelijk verbonden aan een weg die onder een talud de wal op ging, een baan waar bijvoorbeeld kanonnen over naar boven Contrescarp

210350

210400

210350

210400

210450

210500

210550

210300

210350

210400

210450

210500

210550

462300

462300

462350

462350

462400

462400

462450

462450

210300

462250

462250

25. De ASK geprojecteerd op de kaart van Wittenberg uit 1779. De gracht op de kaart is beduidend breder dan waargenomen tijdens het veldwerk.

28

getrokken konden worden. Op de reconstructiekaart van de verdedigingswerken komt deze baan precies uit in de punt van het bolwerk (zie afbeelding 24) en als de lijn wordt doorgetrokken richting de stad komt deze uit direct naast de kruittoren. Mogelijk dat de baan in het natte deel overging in een steiger waar men aan kon leggen met een bootje. Dit zou wel verklaren waarom men het terrein niet verder heeft opgehoogd. De houten palen liggen onder een dik puinpakket en onder de venige lagen. Het is mogelijk dat door de lage grondwaterstand de palen op een hoger niveau zijn afgerot en daarom niet op een hoger niveau zijn herkend. Een weg of steiger is in elk geval niet aangetroffen. In de 18e eeuw is het stelsel verbouwd in kader van de aanleg van de linie van Menno van Coehoorn. De kaarten van Tirion en Wittenberg (1741 en 1779) zijn beiden gegeorefereerd. Op beide kaarten is te zien dat de wal een bestaat uit een hogere zone aan de stadskant en een lager deel aan de voorkant tussen het hoge deel en de gracht. Dit lage deel staat echter niet meer aangegeven als een lagere wal, zoals op de kaart van Blaeu, maar eerder als een laag plateau. De lage zone achter de wallen blijft duidelijk herkenbaar, vooral op de kaart van Wittenberg (zie afbeelding 25). Op de kaart staat de achterzijde van de wal duidelijk onder een helling getekend.

De grachten voor het bolwerk worden wel behoorlijk breder aangegeven dan in de 17e eeuw. Op de kaart van Tirion is de gracht ter hoogte van de proefsleuven 73 meter breed en op de kaart van Wittenberg 65 meter. Terwijl de gracht op de tekening van Blaeu nog maar 36 meter breed was en op de kaart van Merian is de gracht 54 meter breed. In de proefsleuven is de insteek van de gracht waargenomen, de breedte ertussen was 50 meter. Mogelijk dat in de 18e eeuw de gracht verbreed is, maar dan met een ondiepe zone die mogelijk niet altijd onderwater stond, een diepe gracht heeft hier in elk geval niet over de volle breedte gelegen. Aan het einde van de 19e eeuw wordt het terrein omgebouwd tot een spoor210350

210400

210450

210500

210550

210300

210350

210400

210450

210500

210550

462350

462350

462400

462400

462450

462450

210300

462300

462300

462250

462250

26. Boven: de ASK geprojecteerd op de kaart van Etteger uit 1878 met in de gestippelde cirkel de ronde gemetselde structuur die is aangetroffen. 27. Rechtsboven: een foto van de ronde gemetselde structuur. 28. Rechts: een foto van een draaischijf waarop een locomotief of treinstel kan worden gedraaid en in de richting van de juiste loods of werkplaats kan worden gereden.

29

weg-emplacement en worden de vestingwerken naar het noorden verplaatst. Op de kaart van Etteger uit 1878 is duidelijk te zien dat het terrein in het opgehoogde spoorwegemplacement ligt (zie afbeelding 26). De dikke lagen grof zand die zijn waargenomen in de profielen behoren tot deze fase. Buiten de proefsleuven, op de rand van het plangebied, is aan het maaiveld een gemetselde, ronde structuur waargenomen (zie afbeelding 27). Het was alleen mogelijk om de structuur over een klein stuk te onderzoeken. Na reconstructie blijkt dat het object een diameter heeft van circa 15 meter. De structuur verjongt en wordt naar onderen toe breder. De gebruikte bakstenen zijn 22x11x5,5 en niet industrieel gevormd. Omdat de bakstenen aan de buitenkant grotendeels bestreken zijn met cement was het niet mogelijk om een tien- of vijflagenmaat te documenteren. Op de kaart van Etteger is te zien dat de structuur niet één op één te koppelen is aan een structuur op de kaart. Mogelijk betreft het een draaischijf waarop treinen of treinstellen gedraaid konden worden om bijvoorbeeld een stalling of onderhoudsplaats ingereden te worden (zie afbeelding 28). Er staat op de kaart van Etteger direct ten westen van het object een rechthoekig gebouw van 9 bij 18 meter ingetekend, mogelijk dat de draaischijf hier een verband mee heeft.

30

6 Vondsten Er zijn in totaal 16 vondstnummers uitgedeeld die zijn verdeeld over het gehele onderzoek, maar de bulk van het vondstmateriaal komt uit de zone aan de stadszijde van het bolwerk (vondstnummer 2). Verder betreft het vondstmateriaal dat vóór de datering van de lagen is verzameld. Deze vondsten zullen hier niet afzonderlijk worden besproken. Alleen de opmerkelijke en bijzondere vondsten zullen hier aan bod komen.

6.1 Munitie

De meest opmerkelijke vondst betreft een grote concentratie kanonskogels. In totaal zijn er 48 aangetroffen, variërend in gewicht tussen 950 gram en 18,6 kg. De kogels zijn verzameld rond de locatie van het rondeel (S2) aan de achterzijde van het bolwerk. Enkele kogels zijn afkomstig van de stort (vondstnummer 1), van deze kon de herkomst niet met zekerheid bepaald worden en tot slot zijn vier kogels ingemeten als puntvondst in het profiel (vondstnummers 3, 5 en 6). Kaliber (in ponden) 36 24 12 6 4 2 en 3

Aantal 1 8 9 17 4 9

Diameter (in cm) 17,1 14 11,6 8,8 7,6 6,9

Gewicht 18,6 kg 10 kg 5,6 kg 2250 – 2350 gram 1600 – 1800 gram 950 – 1250 gram

Tabel 1. Een overzicht van alle gevonden kanonskogels (vondstnummer 1, 2, 3, 5 en 6). De gebruikte kalibers zijn afkomstig van: https://en.wikipedia.org/wiki/Caliber

6.1.1 Korte ontwikkeling van vuurwapens Om stadsmuren en andere verdedigingswerken te slechten werd al vele eeuwen lang artillerie ingezet in de vorm van bijvoorbeeld katapulten en trebuchets die grote zware stenen konden wegslingeren over een afstand tot crica 600 meter.11 Dit waren mechanische wapens waarbij hefboomwerking en zwaartekracht werden ingezet om de projectielen te lanceren. Vuurwapens breken met deze traditie. Zij gebruiken een aandrijfmiddel (bijvoorbeeld buskruit) dat tot ontbranding wordt gebracht om vervolgens een projectiel uit een loop te lanceren. Vanaf het midden van de 14e eeuw worden vuurwapens gebruikt, maar pas in de loop van de 16e eeuw worden de wapens klein en effeciënt genoeg om doeltreffend te kunnen worden ingzet. 29. Foto van een bombarde. Dit 15e-eeuwse kanon bestond uit aan elkaar gemaakte gietijzeren ringen die samen een loop vormden. Het kanon schoot stenen kogels. 11 Manucy, 1949, 1

31

Hoewel de kanonnen steeds groter werden en verder konden schieten, veranderde er tot de 19e eeuw vrij weinig aan de opzet van de wapens. Hetzelfde gold voor musketten en pistolen. Alle vuurwapens hadden een gladde loop en schoten ronde projectielen af. Het verschil tussen een geweer en een musket is dat de musket een gladde loop heeft en een geweer een loop met groeven (ook wel trekken en velden geheten, zie afbeelding 30). Deze groeven, die in een spiraalvorm in de loop werden aangebracht, zorgden ervoor dat de munitie om zijn as ging draaien, waardoor de wapens veel nauwkeuriger werden. Deze ontwikkeling, tezamen met de introductie van de achterlader, zorgden ervoor dat de ouderwetse kanonnen en musketten in de tweede helft van de 19e eeuw werden vervangen voor moderne kanonnen en geweren.

30. Deze doorsnede van een 19e-eeuws kanon laat heel duidelijk de trekken en velden zien die in de loop zijn aangebracht. Door de spiraalvormige groeven werd de gasdruk rondom de kogel geleid en ging de kogel draaien.

6.1.2 Kanonskogels De kanonskogels betreffen gietijzeren ballen die sterk in grootte en gewicht variëren (zie tabel 1 en afbeelding 32). Wat de ballen gemeen hebben is dat ze gegoten zijn. Bij een deel van de ballen is nog een gietnaad aanwezig. De kalibers van kogels zijn gerelateerd aan de diameters van de ballen die op hun beurt weer gerelateerd zijn aan de diameter van de loop. Het klinkt logisch, maar hoe groter de diameter van de loop, hoe groter en zwaarder het projectiel en hoe verder en krachtiger de kogel weggeschoten kan worden. De keerzijde is dat de kanonnen ook groter en zwaarder moeten worden naarmate de diameter van de loop toeneemt. De kanonnen worden moeilijker te bedienen, hebben een lagere vuursnelheid en gebruiken meer buskruit. Vooral voor snel bewegende

31. In deze afbeelding is het geschut van de Zutphense verdediging in 1846 aangegeven op de kadastrale kaart van Zutphen uit 1823.

32

36 ponder 24 ponder

12 ponder

6 ponder

4 ponder 2 en 3 ponder

32. Alle kanonskogels uit de verschillende vondstnummers geordend per kaliber.

en kleine doelwitten zal een groot kanon dus niet perse de beste keuze zijn. Voor een optimale verdediging van een bepaalde locatie zal dan ook een samenstelling van verschillende kanonnen nodig zijn. Dit wordt goed geïllustreerd door Van Brienen (zie afbeelding 31).12 Hij heeft aangegeven welke kanonnen op welke locaties aanwezig waren in de Zutphense verdediging in 1846. Zo staan er op het Statenbolwerk (de onderzoekslocatie) vier zesponders en één 15 cm houwitser aangegeven. Deze laatste heeft vermoedelijk de kogels van het kaliber 24 ponder afgeschoten. Het verschil met een normaal kanon en een houwitser is dat een normaal kanon de kogels in een min of meer vlakke baan afschiet en een houwitser de kogels met een kromme baan afschiet (zie afbeelding 33). Dit heeft als voordeel dat je van achter een wal kan schieten en het kanon voor een tegenstander niet zichtbaar is en dat je doelen achter een verdedigingswerk kunt raken. Het nadeel is dat de projectielen doorgaans langzamer zijn waardoor snel bewegende doelen moeilijk tot niet te raken zijn. Houwitsers stelden een aanvallende macht ook in staat om over de Houwitser Mortier verdedigingswerken te Kanon schieten en de stad erach- 33. Een illustratie van de verschillende banen waarin kanonster de bombarderen. kogels afgeschoten kunnen worden en welk soort geschut erbij Als bij het bestuderen van hoort.

Houwitsers en mortieren kunnen achter een obstakel de kanonskogels één ding schieten, maar schoten minder krachtig en minder accuraat. Dit 12 ���������� Bruseker et al 2016, 40

werd veelal gecompenseerd door explosieve kogels (granaten) af te schieten. Deze zijn niet aangetroffen.

33

opvalt, is het dat de kogels wel in groepen in te delen zijn, maar dat er sterke variaties binnen de groepen bestaan. De diameters van de ballen verschillen onderling enkele millimeters en hetzelfde geldt voor de gewichten. Dit laatste heeft natuurlijk te maken met de diameters, maar er zijn binnen hetzelfde kaliber kogels met een kleinere diameter die zwaarder zijn dan iets grotere kogels. Hierbij is duidelijk een andere legering voor het gietijzer gebruikt. Al met al kan gesteld worden dat de kogels weinig uniform zijn en er geen sprake is van grootschalige uniforme massaproductie. Datzelfde gold overigens voor de kanonnen. Deze hadden alle kleine afwijkingen in de diameter, waardoor het ook niet mogelijk was om exact passende kogels te fabriceren. Het 15 cm houwitser illustreert dat mooi, deze verschoot (zeer waarschijnlijk) de 14 cm 24 ponders. Rondom de bal zat dus een speling van 0,5 cm. Deze speling had effect op de efficiëntie van het geschut, de gasdruk achter de ballen lekte rondom de ballen weg waardoor de kanonnen minder ver en minder zuiver konden schieten. Bij de intrede van industriële productietechnieken werd het aanbrengen van trekken en velden in kanonslopen mogelijk en daarmee werd dit probleem verholpen. 6.1.3 Musket- en pistoletkogels Hetzelfde fenomeen is te zien bij de musketkogels.

Grofweg is de groep in te delen in musketkogels en pistoletkogels, maar daarbinnen is weer veel variatie. Opmerkelijk is wel dat de gewichten per diameter niet veel uiteenlopen. De gebruikte loodkwaliteit is kennelijk redelijk constant. Musketten zijn voor de lange afstand en pistolen voor de korte afstand. Het is duidelijk dat men op deze locatie was toegespitst op gevechten op de lange afstand, het aantal musketkogels is duidelijk het grootst. Type Musketkogel Musketkogel Musketkogel Musketkogel Musketkogel Pistoletkogel Pistoletkogel Pistoletkogel Pistoletkogel

Diameter (in cm) 1,9 1,8 1,7 1,6 1,5 1,3 1,2 1,1 1

Gewicht (in gram) 38-39 (1x40) 34 28-30 26 21,5 14,2 10 7.6 6

Aantal 10 7 5 2 2 1 2 1 1

Tabel 2. Overzicht van de musket- en pistoletkogels uit vondstnummers 1 en 2.

In de wedstrijd om de beste, krachtigste en zuiverst schietende wapens te verkrijgen is één van de eerste ontwikkelingen een verandering in de kogels. Men kwam erachter dat een projectiel dat door de toepassing van trekken en velden in de loop om zijn as ging draaien, veel zuiverder schoot dan een projectiel dat werd afgevuurd uit een gladde loop. Voor de toepassing van trekken en velden heb je echter wel een goede afdichting van de loop nodig, de kogel moet goed passen. Door de Fransman Claude Etienne Minié is in 1847 daarom een nieuw soort kogel ontwikkeld. Deze loden kogel is cilindrisch van vorm, 34

heeft drie richels en heeft een punt. De achterzijde van het projectiel is hol. Door de gasdruk zette de onderkant van de kogel uit waardoor er een relatief goede afdichting van de loop verkregen werd. In de richels zat een smeermiddel dat er voor zorgde dat de trekken en velden in de loop niet verstopt raakten met kruitresten. Het was de eerste kogel die goed en een34. Een foto van de verzamelde musket- en pisvoudig in een voorladend geweer kon toletkogels. worden geladen. Zijn voorgangers die hetzelfde nastreefden hadden een veel nauwere pasvorm waardoor er veel meer kracht en tijd nodig was om de geweren te laden. De kogels konden zuiverder schieten en ze konden door de vorm zeer zware verwondingen toebrengen. De kogels gingen namelijk door hun gewicht en de puntige vorm dwars door het lijf en ze verbrijzelden de botten die ze onderweg tegenkwamen. Van deze kogels zijn er twee aangetroffen in de ondergrond voor de locatie van het rondeel. Beide projectielen wegen 38,9 gram (600 grains), hebben een diameter van 1,6 cm en een lengte van 3 cm. Overigens is het niet uitgesloten dat de Minié-kogels nog in ou- 35 en 36. Links een aanzichtsfoto van de Miniékogels en rechts de derwetse musketten onderkant van de kogels. 37. Onder: een illustratie uit de 19e eeuw gebruikt zijn. Zonder waarin de kogels werd aangekondigd.

de trekken en velden was er nauwelijks winst op gebied van nauwkeurigheid, maar de kogels konden zonder prop geladen worden, waardoor een hogere vuursnelheid gehaald kon worden. 6.1.4 Vervorming van de kogels Kapotte of vervormde kogels zijn een indicatie of de kogels zijn afgeschoten of niet. Onder de kanonskogels zijn er kogels waar een stuk uit is. Dit is echter te wijten aan de soms lage kwaliteit gietijzer. Rond de kogels was een korst van soms meerdere centimeters dikke roest ontstaan. Bij het verwijderen van deze korst is voorzichtig en zorgvuldig te werk gegaan, maar dat heeft niet kunnen verhinderen dat er in enkele gevallen een hap gietijzer meekwam. De beschadiging van deze kogels is dan ook niet door gebruik, maar is secundair ontstaan. Bij de musketkogels zijn ook geen vervormingen waargenomen, bij de pistoletkogels wel. Vijf pistoletkogels hebben een vlakke kant, die er op wijst dat 35

ze mogelijk zijn afgeschoten. Daarnaast zijn er dertien loden objecten gevonden die zo sterk vervormd zijn dat ze nauwelijks meer op kogels lijken, maar de gewichten komen keurig overeen (zie afbeelding 38). Dit zijn musket- en pistoletkogels die wel zijn gebruikt en zijn ingeslagen op iets hards, niet in het zachte zand van een wal. Omdat het rondeel dicht achter de locatie lag waar de vond- 38.Vervormde musket- en pistoletkogels. sten zijn gedaan is het zeer waarschijnlijk dat deze kogels zijn afgevuurd en ingeslagen op het rondeel om uiteindelijk in de zachte ondergrond voor het rondeel in de bodem te verdwijnen. Dit zou betekenen dat het zeer waarschijnlijk Spaanse munitie is die is afgevuurd tijdens de aanval op de stad in 1572.

6.2 Kleipijpen

In de zone rond het rondeel is een grote hoeveelheid kleipijpen aangetroffen die qua vorm in te delen zijn in dubbelconische pijpen of trechtervormige pijpen (zie tabel 3 en afbeelding 41). Type ketel Dubbelkonisch Trechtervormig

Zonder radering 19 1

Met deels radering 3 0

Met volledige Totaal radering 1 23 2 3

Tabel 3: Overzicht van de aangetroffen pijpen.

De dubbelconische pijpen zijn te dateren in de late 17e eeuw, tussen 1660 en 1690 en het zijn op één na allemaal lokale producten afkomstig uit Zutphen.13 De uitzondering is afkomstig uit Gouda en heeft een merk met een gestileerde goudsbloem (zie afbeelding 39). Dit merk wordt gebruikt door de verschillende

39-41. Links detailfoto’s van twee merken, onder de goudsbloem en boven het merk ISER. Rechts de aangetroffen pijpenkoppen. Rechts binnen het kader de trechtervormige ketels. 13 Beschrijving Jan van Oostveen, Tiel. Interne rapportage.

36

producenten tussen 1645/1650 - 1703.14 Bij de trechtervormige ketels is één niet leesbaar hielmerk (vermoedelijk GH) aanwezig en een duidelijk leesbare merk op de ketel. Dit merk betreft een gekroonde ISER met een ster eronder (zie afbeelding 40). Beide pijpen komen uit Duitsland, vermoedelijk Westerwald. Een derde pijpenkop is niet te 42.Versierde fragmenten van pijpenstelen. plaatsen. De trechtervormige pijpenkoppen komen uit de eerste helft van de 18e eeuw met een accent op 1700-1730. Twee van de drie trechtervormige ketels zijn verglaasd en gebotterd, behandelingen die de pijpen duurder en luxer maken en die bij de andere ketels niet terug te vinden zijn. De aanwezige versieringen bij de pijpenstelen bestaan uit relatief eenvoudige raderingen, een parelrand en banden over de steel (zie afbeelding 42). Er zijn vijf mondstukken. Dit betreffen simpele onafgewerkte stukken zonder verdikkingen of andere kenmerken. De datering van de pijpen geeft aan dat de pijpenkoppen niet in één keer in de bodem terecht zijn gekomen maar gedurende een langere periode. Daarnaast valt op dat het een zeer armoedig complex betreft, met goedkope, lokaal geproduceerde pijpen met korte stelen. Dit past goed bij de militaire context waarin ze thuishoren (garnizoenssoldaten).

6.3 Bouwmaterialen

Onder de venige laag (S8) ligt een sterk puinrijke laag (S7). Hieruit komt veel bouwmateriaal dat reeds bij de beschrijving van profiel 201 besproken is. Uit deze laag komt echter ook een zeer bijzonder bouwfragment, een zogenaamde montantsteen. Een montant is een geprofileerde steen gemaakt van natuursteen of baksteen die binnen de gotische bouwkunst veelal werd toegepast in kerkvensters, maar ook in rijkere burgerwoningen. De stenen werden gebruikt om grote vensters op te splitsen in kleinere delen omdat glas-in-lood geen grote oppervlaktes kan overspannen. De montantstenen droegen daarnaast het maaswerk, het sierlijke metselwerk in de bovenkant van het raamwerk.15 De gevonden montant is van roodbakkende klei. De steen heeft de maten 25,5x14x6 cm en hij heeft de vorm van een kruis (zie afbeeldigen 43 en 44). Opmerkelijk is dat de steen niet beschadigd is, dat er geen mortelresten aan de steen zitten en dat de steen iets afgeronde hoeken heeft. De eerste twee aspecten wijzen erop dat de steen niet is gebruikt en het laatste wijst erop dat de steen gedurende korte tijd in het water heeft gelegen. De steen is erg zacht en vermoedelijk betreft het een afgekeurd product, mogelijk zelfs geproduceerd op de Mars dat geheel per ongeluk op deze locatie terecht is gekomen. Deze steen zal in elk geval niet bedoeld zijn voor gebruik 43 en 44. de gevonden montantsteen in de vestingwerken.

van boven en in aangezicht.

14 ����������������������� Duco 2003, 127 merk 60 15 ����������������������������������������������� http://www.joostdevree.nl/shtmls/montant.shtml

37

6.4 Organische vondsten

De verzamelde organische artefacten zijn allen afkomstig uit de laagte achter het bolwerk, de zone voor het rondeel (vondstnummer 2). Het betreft een schoenzool, een houten schijf, een houten pen of priem en een deel van een houten handvat van een schep. De schoenzool is van leer en is 25,5 cm lang (maat 38) en op het breedste punt is de schoen 8,5 cm breed (zie afbeelding 45). De schoen heeft een hak van gestapelde plakjes leer die met spijkers in een dikkere verstevigende plak leer vastgeslagen zijn. De hak is 6 bij 6 cm groot en is aan de achterzijde afgerond. De dikkere plak leer is aan de onderzijde van de schoen vast gestikt geweest en loopt vanaf de hak vier cm verder naar voren en vormt daarmee een ondersteuning voor de voetholte. Aan de voorkant, onder de bal van de voet, bestaat de zool uit soepel zacht leer, vermoedelijk heeft hieronder een stevige leren schoenzool gezeten. Rondom de schoenzool zijn gaatjes van stiksel te zien waar de bovenkant van de schoen op bevestigd is geweest. De neus van de schoen is afgestompt, plat, niet puntig of spits. Hakken onder schoenen werden geïntroduceerd in de 17e eeuw en gezien de constructiewijze van deze hak zou de schoen ook goed 17eeeuws kunnen zijn.16 Door het ontbreken van de bovenkant van de schoen kan er echter niks gezegd worden over het model en 45.

de schoenzool van onderen en van bokan de datering ook niet bevestigd worden. ven gefotografeerd. De eikenhouten schijf is vier centimeter dik en heeft aan één kant een vernauwing. Op deze vernauwing is de diameter van de schijf 11,5 cm, een maat die precies overeenkomt met de diameter van het kaliber-12-kanon. Zeer waarschijnlijk is deze schijf een mondstop dat is gebruikt om een kanonloop af te kunnen sluiten voor de momenten dat het kanon niet werd gebruikt en om het kanon tegen de elementen te beschermen. De pen of priem is een 40 cm lang, aan de achterzijde 2 cm in diameter en hij loopt spits toe. Hij is van een harde houtsoort, vermoedelijk eikenhout. Vermoedelijk betreft het een priem die is gebruikt om na het laden van het kanon het zundgat door te prikken en het mogelijk te maken om het kanon af te schieten. Dergelijke priemen werden ook wel ruimnaald, ruimer of laadpriem genoemd.17 46. De aangetroffen eikenhouten schijf van boven, van onder en in doorsnede gefotografeerd.In de doorsnede is de vernauwing aan de onderant goed te zien. 16 �������������������������������������������������������������������� Goubitz, Van Driel-Murray en Groenman-van Waateringe 2001, 81 en 98 17 ���������������������������������������������������������������� http://zienenweten.blogspot.nl/2015/02/kanon-en-toebehoren.html

38

47. Boven de houten priem, 48. Rechtsonder het houten handvat vanaf drie kanten bekenen en eronder, 49 (verschaald). Een reconstructie van het handvat met in stippellijnen het verloop van de steel.

Het handvat is afgebroken en bestaat nu nog uit drie onderdelen, namelijk de helft van een handvat, de aanzet van een steel en een houten pen om het handvat aan de steel te bevestigen. De houten steel is op het uiteinde bijgesneden tot een houten pen van 3 cm lang, 1,5 cm breed en 1 cm diep. Het handvat zal uit één deel bestaan hebben. Hij was 12,5 cm breed en had een diameter van 2,5 cm. In het midden was een uitsparing waar de pen boven op de steel precies in kon. Precies op deze uitsparing is het handvat afgebroken. Door het handvat zat een houten pen om de schepsteel en het handvat aan elkaar te bevestigen. Over de leeftijd van de schep valt niks te zeggen, maar het is zeer wel mogelijk dat deze schep is gebruikt om de wallen van het Statenbolwerk op te werpen.

6.5 Metaalvondsten

Er zijn elf munten gevonden, alle met een koperlegering, geen edelmetaal.Twee munten komen uit de ophogingslagen van het spoorwegemplacement (vondstnummer 14) uit het profiel 201. Het betreft een Gelderse duit uit 1759 en een Belgische centime uit de 19e eeuw (na 1831). Direct ernaast is een 3-hellermunt uit Kleef gevonden daterend na 1609. Deze lag in de bekledende laag van de wal (spoornummer 70). De overige munten komen uit de zone rond het rondeel, achter het bolwerk, het betreffen twee rekenpenningen en zes munten. Hoewel de rekenpenningen sterk lijken op geld werden ze niet gebruikt in het financiële systeem. De eerste is een 18e eeuwse rekenpenning uit Neurenberg met het opschrift: Gottes Reich bleibt ewig. Hij is op twee plaatsen doorboord, vermoedelijk met een spijker om hem vast te zetten als beslagstukje ter versiering (zie afbeelding 50). De tweede rekenpenning is sterk vervormd en is daarom slecht te determineren (zie afbeelding 51). Gezien het gebruikte gotische lettertype zal deze laat-15eeeuws of begin 16e-eeuws zijn en uit vermoedelijk Doornik komen. De munten uit de zone zone rond het rondeel zijn twee Friese duiten uit respectievelijk 1681 en 1648, een Nijmeegse duit uit 1618-1620, een Hollandse duit uit 1702 50.

Boven: een 18e-eeuwse Neureneen 3-pfennig-munt uit het Duitse Hamm (1700bergse rekenpenning met de tekst 1750) en een Roermondse duit, een gigot van “Gottes Reich bleibt ewig”. Philips IV uit 1650-1664 (zie de afbeeldingen 52 51. Onder: een Doornikse rekent/m 56). De munten zijn duidelijk te koppelen penning met gotisch omschrift.. 39

aan de periode dat het plangebied in gebruik is geweest als militair bolwerk. Alle munten dateren van na de aanleg van de eerste fase van het bolwerk en lopen door tot de periode waarin de vestingwerken zijn geslecht. Opmerkelijk blijft wel dat de munten, net als de pijpenkoppen, gedurende de gehele 17e en 52. Friese duit, 1681. 18e eeuw in de bodem terecht zijn gekomen. Ook hiermee wordt bevestigd dat het terrein lang open heeft gelegen. De aanwezigheid van een relatief grote hoeveelheid gebruiksartikelen (pijpen) en daarnaast een aantal munten zijn een indicatie dat het lage terrein achter het bolwerk wel werd betreden, dat er men- 53. Friese duit, 1648. sen kwamen om mogelijk de gracht over te steken, hun verveling zaten te verdrijven op de steiger of op de vestingwal of bijvoorbeeld bezig waren met het verplaatsen van kanonnen en het aanvoeren van voorraden. Op de stort is een deel van een degen gevonden. Het restant van het wapen heeft een 54. Hollandse duit, 1702. lengte van 52,5 cm, een breedte van 1 cm en een dikte van 4 mm. In doorsnede is het blad ruitvormig, de kern is dik en de snijbladen zijn scherp. Het wapen is aan twee kanten scherp geweest. Er is geen gevest meer aanwezig, maar aan de bovenkant van wat vermoedelijk de angel is, zit een ronde schijf van metaal 55. Drie Pfennig munt uit Hamm met een diameter van 1,7 cm (zie afbeelding (1700-1750). 58).

Dit is de plaats geweest waar het gevest en de handbescherming heeft gezeten. Een degen is een zwaard met een dunne, rechte klink dat in de 17e eeuw is ontwikkeld vanuit het rapier. Het wapen was niet zozeer gericht op het slagveld, maar eerder op het schermen en het wapen wordt dan ook veel afgebeeld op de schilderen van de schutterijen in de 17e 56. Roermondse gigot, van Philips IV eeuw. Hoewel het wapen gevonden is bij een (1650-1664). bolwerk is het dus niet typisch een wapen dat hoort bij een garnizoen ter verdediging van de stad.

57. Rechts: tekening van schermlessen met degens. 58. Onder: de degen.

40

Daarnaast is er nog een messing schroef gevonden. Deze is mooi afgewerkt, maar duidelijk handgemaakt. Vermoedelijk gaat het om een schroef die als onderdeel van de haan op een musket of pistool heeft gezeten.18 Van de aangetroffen knopen hebben er twee een staafoog. Deze zijn tevens versierd. De derde heeft een ringoog en is onversierd (zie afbeeldingen 62 en 63). Alle drie de knopen zijn van een koperlegering. Knopen komen kort na de middeleeuwen in gebruik en hadden destijds nog overwegend een decoratieve functie, aanvankelijk voorbehouden aan de gegoede burgerij.19 Vergelijkbare knopen zijn bij onderzoek in Bourtange gedateerd in het laatste kwart van de 16e eeuw. De aangetroffen knopen zullen naar verwachting eveneens uit het laatste kwart van de 16e eeuw of vroege 17e eeuw dateren.

59. Linksboven: de schroef. 60. Boven: een haan met vuursteen. De schroef is gebruikt om het vuursteentje vast te klemmen. 61. Links: een tekening van een haan gevonden in Bourtange.

62. Links: de twee versierde knopen en 63. Boven: de onversierde knoop.

64. De gevonden

Merkwaardig is de vondst muurhaak. Het is van een muurhaak, een mooi het deel dat aan de vormgegeven haak die in huismuur vast heeft gehoudens werd gebruikt om zeten. De feitelijke allerhande zaken variërend haak is afgebroken. van wild tot keukengerei op te hangen. Wat deze koperen haak doet in de bodem achter een bolwerk is een raadsel. Een identieke haak is in 1973 bij onderzoek in Amsterdam gevonden. Deze is daar gedateerd in de eerste helft van de 17e eeuw.20 Vergelijkbare exemplaren zijn ook uit Zutphen wel bekend. Een kleine metaalvondst betreft een stukje van vermoedelijk een laken- of zegelloodje waarvan de randen en de achterkant verdwenen zijn (vondstnummer 14). De vondst komt uit spoornummer 72/73, dus het zandpakket waarmee 18 Lenting et al. 1993, 108 afbeelding 36 19 ������������������������� ������������������������ Lenting et al. 1993, ��� 422 20 ���������������������� Baart et al.1973, 377

41

de gracht in 1863 is gedempt. Op het loodje zijn binnen een hartvorm de letters F en M (van de M is alleen de aanzet aanwezig) te zien (zie afbeelding 65 en 66). Op het hart staat een huismerkteken. Loodjes werden gebruikt om allerlei waren te verzegelen of te voorzien van een 65. Links een fragment van een loodje gevonden tijdens het onderzoek keurmerk en komen dan ook in al- (de schaalbalk is in millimeters). 66. Midden: een tekening, overgetrokken lerlei soorten en maten voor. Hoe- van de afbeelding van het loodje. 67. Rechts: een loodje gevonden tijdens wel dit specifieke loodje niet bekend onderzoek op het oude Jeugdgevangenisterrein. Het betreft een loodje van is, komt er van een opgraving op het Hendrik Ronneboom uit ca 1700. voormalige Jeugdgevangenisterrein een soortgelijk loodje die gedateerd wordt rond 1700 en goed kan dienen ter illustratie en vergelijking (zie afbeelding 66).21 Ook op dit loodje is de hartvorm met initialen te zien, en staan op de hartvorm ook een zeer vergelijkbaar huismerk al lijkt deze gespiegeld in vergelijking tot het gevonden loodje. In de zachte grond rond het rondeel is tevens een zakmes of knipmes gevonden met een benen heft (zie afbeelding 68). Dit ijzeren mes, met de lengte van 6,9 cm, is eenvoudig versierd met diagonale lijnen in het been. Het kleine formaat van het mes doet vermoeden dat het niet als wapen werd 68.

Zakmes met een benen handvat. gedragen maar eerder als gereedschap om bijvoorbeeld tabak te snijden. Onder de wal van het Statenbolwerk, in de lagen die de oeverzone of bodemlagen van de gracht vormen, is een breeuwsintel gevonden (vondstnummer 15, zie afbeelding 69). Deze wordt gedateerd in de 15e eeuw. Een belangrijke opgave bij het bouwen van schepen, met name kogges, is om ze waterdicht te krijgen. De naden tussen planken van de huid van een schip, maar ook van het dek 69. De breeuwsintel die van een schip, werden opgevuld met breeuwsel, waarvoor in de buitenste gracht is in de middeleeuwen mos werd gebruikt. Dit werd in de aangetroffen. naden geslagen en vervolgens vastgezet met breeuwsintels (scheepskrammen) die het op de plek hield. Door het water zwol de mos op en werd de naad gedicht. Het laatmiddeleeuwse model breeuwsintel leek qua vorm erg op een sigarenbandje. De ovale plak werd in de breedte over het breeuwsel geplaatst en de korte krammen werden vervolgens in de planken geslagen om het geheel op de plek te houden. De aanwezigheid van deze sintels is een indicatie van de aanwezigheid van water en schepen. Mogelijk is de sintel van de scheepswand losgeraakt en in de bodem terecht gekomen. Een tweede 21 �������������������������������� Groothedde & Kastelein 2013, 17

42

mogelijkheid is dat het om een sintel die nooit is gebruikt en een indicatie is van scheepsbouw in de omgeving. Een laatste vondst in het complex betreft een tweetal ijzeren beugels of haken van respectievelijk 22 en 20 cm lang. Het metaal variëert in dikte maar is gemiddeld 0,5 cm dik in het vierkant. Aan het uiteinde lopen de bogen uit in een ronding, hier wordt het metaal echter heel dun en is het sterk vervormd en sterk vergaan. Deze uiteinden (zie afbeelding 70) zijn de bevestigingspunten waar de beugels op stokken vast hebben gezeten. De beugels zijn geïnterpreteerd als onderdelen van lontstokken (zie afbeeldingen 70 en 71). Een lont werd vanaf een stok langs de ijzeren beugels gewikkeld en aangestoken. Het brandende lont kon vervolgens worden gebruikt om een kanon af te vuren.

70. De twee gevonden lontstokken, met aan de onderzijde de beugels (uitvergroting in kader) waarmee ze op de stok werden bevestigd.

71. Links, een afbeelding uit 1561 van twee mannen waarvan die linker een lontstok met brandend lont in de hand heeft. 72. Onder, vier lontstokken waarvan de bovenste op dezelfde manier gemaakt is als de twee lontstokken die tijdens het onderzoek zijn gevonden.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=a2624f16-a85f-45c0-a6d0-24fcfce504be