4a. Bestemmingsplan Noorderhaven veld 15-17
Tekst van het document
Indeling Noorderhaven op basis van archeologisch onderzoek, april 2011. Het gedeelte ‘nog te onderzoeken’ ligt aan de zuidzijde van het plangebied. In maart 2017 heeft het team archeologie van de gemeente Zutphen een archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek verricht in dit deel van het plangebied langs het spoor tussen de Kostverlorentunnel en de oude spoorovergang de Overweg. Het onderzoeksrapport archeologisch onderzoek ‘Het Statenbolwerk doorbroken’ is als bijlage 1 opgenomen. Tijdens het onderzoek zijn twee sleuven gegraven. Daarbij zijn diverse vondsten gedaan. De vondsten hebben een overwegend militair karakter (kanonskogels, musketkogels, een mondstop van een kanonsloop, een lontstok, een schroef van een pistool, een degen). Geconcludeerd mag worden dat onder de ophogingen voor het spoorwegemplacement de basis van het Statenbolwerk ruim twee meter hoog uitstekend behouden is gebleven en dat de grachten, waaronder de middeleeuwse gracht onder het bolwerk, eveneens uitstekend behouden zijn gebleven in de bodem. Deze structuren zijn door middel van dit onderzoek goed in beeld gebracht, waarbij nieuwe inzichten zijn verkregen over 28
de ontwikkeling van de verdedigingswerken en de precieze ligging ervan. Ook de militaire vondsten geven inzicht in het functioneren van de stadsverdediging. Op basis van het onderzoek is een sectieadvies gegeven. Dit is tevens het sectiebesluit: Voorafgaand aan de aanleg van de nieuwe woonwijk wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. De heipalen die zullen worden geslagen en de ondergrondse infrastructuur zullen de grote verdedigingswerken beperkt verstoren. Bij diepe ontgravingen onder het grondwaterniveau (dieper dan 6,50 m +NAP), bijvoorbeeld voor waterpartijen en parkeerkelders, moet wel een vorm van archeologisch onderzoek plaatsvinden. Hierbij zullen de grachten namelijk worden geraakt en de conservering van de eventuele aanwezige archeologische resten is buitengewoon hoog in deze zones. Analyse cultuurhistorie In het kader van het bestemmingsplan ‘Noorderhaven’ heeft divers onderzoek plaatsgevonden ten aanzien van cultuurhistorie. Voor de planontwikkeling op De Mars (waar Noorderhaven onderdeel van uitmaakt) is een quick scan cultuurhistorie opgesteld. De quick scan is geen effectrapportage, maar een inventarisatie van de kenmerkende waarden in het gebied De Mars. In de quick scan wordt gesteld dat de relatief goed afleesbare chronologische gelaagdheid van het gebied De Mars opvallend is.
De oudste bebouwing is gesitueerd bij het station van Zutphen, de jongste grenzend aan het Twentekanaal, buiten het plangebied Noorderhaven. De Mars kenmerkt zich als gevolg van de geleidelijke expansie voorts door een mengeling van wonen en bedrijvigheid langs de IJssel. In het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig. Op De Mars staan echter wel panden die kenmerkend zijn voor de historie van het gebieden een status als karakteristiek object hebben. In het bestemmingsplan ‘Noorderhaven’ blijft het historische stratenpatroon grotendeels behouden. Enkele bestaande bedrijfspanden worden ingepast. Zo vormen de in te passen panden aan de historische Havenstraat en de nieuwe Noorderhavenstraat de aanzet voor de verdere uitwerking in een industriële pakhuisachtige opzet langs deze straten. De panden worden gebruikt voor een mix tussen wonen en werken, bijvoorbeeld in de vorm van ateliers en pakhuizen worden gebruikt. Binnen het onderhavige bestemmingsplangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten of waardevolle panden waar bij de planvorming rekening gehouden moet worden. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van onderliggend initiatief. Voor werkzaamheden beneden de 6,5 m + NAP bestaat een sectieadvies.
Dit is voor onderliggend plangebied gezien de voorziene diepte van de bodemingrepen niet van toepassing.
5.3 Flora en fauna Beleidskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet en Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd 29
gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. De werkzaamheden kunnen alleen starten als de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Het is van belang om onder de huidige situatie en wetgeving na te gaan of de beoogde ontwikkeling leidt tot negatieve effecten op beschermde soorten van de Wnb. Analyse soortenbescherming In het kader van de ontwikkeling van onderliggend plangebied heeft in 2012 en in 2016 ecologisch onderzoek plaatsgevonden. Deze onderzoeken zijn in 2019 geactualiseerd. De rapportage ’Quickscan ecologie Noorderhaven Zutphen ontwikkeling veld 2-3 & 15-17’ is als bijlage 2 opgenomen. Het doel van de actualisatie is toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming, die de Flora- en faunawet sinds 2017 heeft vervangen. De natuurtoets betreft een quickscan waarmee een goede indruk over de actuele natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. De quickscan heeft uitgewezen dat de beoogde ontwikkeling niet strijdig is met de Wnb. Het voornemen is daarmee niet ontheffing plichtig. Behalve de huismus, worden er geen beschermde soorten van de Wnb in het plangebied verwacht.
Er is geen sprake van aantasting van functioneel leefgebied van de huismus dat nodig is om de verblijfplaatsen in de omgeving succesvol te laten functioneren. Er is geen nader onderzoek naar beschermde soorten of een ontheffing in het kader van de Wnb benodigd. Analyse gebiedsbescherming In het kader van onderliggend plan is geen sprake van fysiek ruimtebeslag of verstoring als gevolg van trillingen, geluid, licht en menselijke aanwezigheid op Natura 2000-gebieden, gebieden van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of groene ontwikkelingszones van de Provincie Gelderland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt aan de andere kant van de rivier de IJssel. Een toetsing aan houtopstanden is niet uitgevoerd en niet nodig, omdat er geen bomen in het plangebied aanwezig zijn. Om aan te tonen dat er per saldo geen sprake is van toename in stikstofdepositie op natura2000gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De resultaten van de AERIUS zijn als bijlage 3 opgenomen. Samengavat leidt het onderzoek tot de volgende resultaten. Indien op voorhand kan worden uitgesloten dat een plan of project, rekening houdend met alle effecten hiervan, significant negatieve effecten heeft op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden, dan is géén toestemming op grond van de Wet natuurbescherming nodig.
Beoordeling significante gevolgen De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied/de betreffende Natura 2000-gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor de betreffende gebieden. Wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het 30
gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan of project mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle samenhangende effecten van een plan of project. Dit betekent dat ook rekening moet worden gehouden met de gevolgen van het beëindigen van activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, voor zover het beëindigen van deze activiteiten een rechtstreeks, onlosmakelijk gevolg is van het plan of project. Indien er, rekening houdend met deze effecten, geen sprake is van een toename van stikstofdepositie of zelfs sprake is van een afname van stikstofdepositie, behoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld (en geldt er dus ook geen verplichting om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te verkrijgen). In dit kader is van belang, dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het rekening houden met de (positieve) effecten van een plan of project niet kan worden aangemerkt als een mitigerende maatregel (omdat deze effecten geacht worden deel uit te maken van het plan of project).
Effectbeoordeling Ten behoeve van de herontwikkeling van (een gedeelte van) bedrijventerrein De Mars heeft een groot aantal van de bestaande bedrijven de bedrijfsvoering gestaakt en is bebouwing gesloopt. Het beëindigen van deze activiteiten en het slopen van deze bebouwing hangt onlosmakelijk samen met de ontwikkeling van (een gedeelte van) bedrijventerrein De Mars voor woningbouw. Het bestaan van deze directe samenhang volgt onder meer uit het Masterplan De Mars, dat ziet op de revitalisering en herstructurering van (onder meer dit deel van) het bedrijventerrein De Mars. De directe samenhang wordt ook beschreven in de toelichting op het bestemmingsplan ‘Noorderhaven.’ Resultaat De voormalige activiteiten zijn afgezet tegen de voorziene activiteiten. Deze zijn voor onderliggend plan in samenhang met ontwikkelingen in de velden 2-3, veld 5, veld 18 en veld 21 beoordeeld. Dat leidt tot de volgende conclusie ten aanzien van de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase. De uitstoot van stikstof als gevolg van het toekomstig gebruik leidt, rekening houdende met alle samenhangende effecten, niet tot een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden. Er is zelf sprake van een afname. Van belang hierbij is dat de bestaande bedrijvigheid is gestaakt en de bestaande gebouwen zijn gesloopt ten behoeve van de onderhavige woningbouwontwikkeling.
Deze bedrijfsbeëindiging en deze sloop zijn rechtstreekse, onlosmakelijk samenhangende effecten van de woningbouw, waarmee in de effectbeoordeling rekening mag worden gehouden en die tot de conclusie leiden dat er géén sprake is van een toename (maar zelfs van een afname) van stikstofdepositie . Conclusie Onderliggend project is op basis van de aspecten flora en fauna (soorten en gebiedsbescherming) uitvoerbaar.
31
5.4 Bodem Bodemonderzoek 2009 In het kader van het bestemmingsplan ‘Noorderhaven’ heeft bodemonderzoek plaatsgevonden (Heijmans Infra Techniek BV, oktober 2009). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Bij het onderzoek is aangesloten bij de norm NEN 5740 Bodem, onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek. Het doel van het onderzoek is de actuele verontreinigingssituatie ter plaatse van de onderzoekslocatie vast te stellen. Tevens wordt inzicht verkregen in de indicatieve hergebruiksmogelijkheden van de onderzoekslocatie. Het bestemmingsprojectgebied ‘Noorderhaven’ is ingedeeld in deelgebieden, waarbij onderliggend projectplan onderdeel uitmaakt van deelgebied D, zie onderstaande afbeelding.
Globale ligging plangebied. De resultaten van het onderzoek en de conclusie ten aanzien van dit deelgebied zijn als volgt. Aan de westkant van deelgebied D zijn in de bovengrond lichtverhoogde gehalten zink en PAK aangetoond. In het midden van deelgebied D is in de bovengrond een licht verhoogd gehalte PAK aangetoond. Ten oosten van deelgebied D zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten kobalt, zink, PAK en minerale olie aangetoond. In de puinhoudende bovengrond zijn lichtverhoogde gehalten zink en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten van de geanalyseerde parameters aangetoond. De bovengrond ten oosten van deelgebied D wordt bij toetsing aan de analyseresultaten aan het Besluit Bodemkwaliteit indicatief beoordeeld als klasse industrie. De puinhoudende bovengrond wordt bij toetsing aan de analyseresultaten aan het Besluit Bodemkwaliteit indicatief beoordeeld als klasse wonen. De overige boven- en ondergrond van deelgebied D wordt bij toetsing aan de analyseresultaten aan het Besluit Bodemkwaliteit indicatief beoordeeld als grond die voldoet aan de achtergrondwaarde. In het grondwater van Deelgebied D zijn matig verhoogde gehalten benzeen en licht verhoogde gehalten barium, nikkel, zink, benzeen, tolueen, xylenen, naftaleen en 1, 1, 2-trichloor ethaan aangetoond. 32
Op basis van de onderzoeksresultaten is er ter plaatse van de onderzochte locatie geen sprake van matige of sterke bodemverontreiniging. Nader bodemonderzoek betreffende de reeds onderzochte parameters is op basis van de verkregen onderzoeksgegevens niet noodzakelijk. Partijkeuring bodem 2016 In 2016 heeft een partijkeuring van een deel van de grond in het plangebied plaatsgevonden. Het betreft het gedeelte tussen Overweg en Kostverloren. Uit dit onderzoek ‘In situ partijkeuringen spoorzone tussen Overweg en Kostverloren te Zutphen’ (zie bijlage 5) blijkt dat de grond geschikt is voor de afvoer. Bodemonderzoek 2019 Ter plaatse van een deel van het plangebied (veld 17) heeft Heijmans Infra in 2019 een aanvullend ‘Verkennend bodemonderzoek veld 17’ uitgevoerd (zie bijlage 6). Het doel van het verkennend bodemonderzoek was het vaststellen van de actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit. Uit het onderzoek blijkt dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit in onderhavig onderzoek vormt geen belemmering in voorgenomen herontwikkeling. Wel dient de actuele wetgeving inzake PFAS nageleefd te worden bij grondverzet ter plaatse van de voorziene ontwikkeling.
Asbestonderzoek 2009 In het kader van de voorziene woningbouwontwikkeling heeft een asbestonderzoek in de bodem plaatsgevonden (Asbestonderzoek, locatie Reesinkterrein Havenstraat te Zutphen; kenmerk: 09.1205, Heijmans Infra Techniek B.V., d.d. 29 oktober 2009, bijlage 7). Het betreft een grootschalig verkennend asbestbodemonderzoek ter plaatse van Noorderhaven bestaande uit meerdere deellocaties. Het plangebied is in dit onderzoek ingedeeld als deelgebied D. Bij dit onderzoek is visueel op alle deelgebieden geen asbest aangetroffen op het maaiveld. De analyse van de fijne fractie toont aan dat de interventiewaarde van asbest niet wordt overschreden. Conclusie Het aspect bodem heeft geen beperkende invloed op onderliggend plan.
5.5 Geluid Beleidskader Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de geluidsproductie van wegverkeer, spoorwegen en industrie. Aan deze aspecten wordt in deze paragraaf aandacht besteed. De Wgh biedt het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting van wegen, spoorwegen en bedrijven bij geluidgevoelige bestemmingen. Als de gemeente via een bestemmingsplan of omgevingsvergunning de bouw van een geluidgevoelige bestemming mogelijk maakt, is er sprake van een ‘nieuwe situatie’ in het kader van de Wgh. Een woning is binnen de Wgh een geluidgevoelige bestemming. Bij de bouw van woningen dient te worden voldaan aan voorkeurswaarden voor spoor-, weg en industrielawaai. Ten behoeve van onderliggend project heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden 33
naar deze aspecten. Het onderzoek ‘Akoestisch onderzoek Noorderhaven veld 15-16-17’ is opgenomen als bijlage 8. De gemeente Zutphen heeft het geluidbeleid vastgelegd in het geluidsplan ‘Zutphen 2015-2025’. Dit plan is vastgesteld door het college en niet door de gemeenteraad, zodat het niet bindend is voor door de gemeenteraad te nemen besluiten (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan). De inrichting en omliggende geluidgevoelige gebouwen liggen in het gebiedstype ‘Woonkwartieren’. In dit beleid is onderstaande gebiedstypering opgenomen, met bijbehorende geluidsklassen in etmaalwaarde.
In de nieuwe gevallen (aanleg nieuwe weg of spoorlijn bij bestaande woningen, bouw van woningen bij een bestaande weg of spoorlijn, reconstructies en onderhoud aan wegen) en bij uitbreidingen/wijzigingen fungeert deze tabel als referentiekader voor het nemen van maatregelen. Het college van burgemeester en wethouders behoudt de mogelijkheid om na een bestuurlijke afweging, af te wijken van de streef- en grenswaarden (wel met toepassing van de wettelijke bepalingen). Het geluidbeleid hanteert geen afwijkende systematiek voor het beoordelen van maximale geluidniveaus, anders dan de huidige systematiek van de Handreiking industrielawaai een vergunningverlening en het Activiteitenbesluit. Analyse Wegverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevinden zich geen wegen met een wettelijk zone. Het plangebied grenst aan 30 km-wegen. Deze wegen zijn niet gezoneerd in het kader van de Wet Geluidhinder. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is de geluidbelasting van wegverkeer desondanks bepaald. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevel de voorkeurswaarde overschrijdt. Vanuit het gemeentelijk geluidsbeleid dient gekeken te worden naar geluidsluwe gevels en buitenruimte. Railverkeer De streefwaarde wordt overschreden bij enkele woningen, maar voldaan wordt aan de grenswaarde.
Er is bij deze woningen sprake van een geluidluwe gevel omdat de gevelbelasting van het wegverkeer lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai uit de Wet geluidhinder.
34
Geluidsluwe gevel en buitenruimte Een hogere waarden procedure is nodig voor de woningen waarbij de geluidbelasting vanwege het railverkeer boven de voorkeurswaarde van 55 dB komt. Bij deze procedure moet ook rekening worden gehouden met geluidsluwe gevels en buitenruimten. Geluidsluw houdt een geluidsbelasting onder de voorkeurswaarde in. Alle gebouwen hebben, rekening houdend met de gestelde voorwaarden in paragraaf 4.5 van het onderzoeksrapport, een geluidluwe gevel en buitenruimte. Industrielawaai Voorliggend plangebied ligt binnen de invloedssfeer van emplacement ‘Zutphen’. Op basis daarvan dient het aspect industrielawaai te worden verantwoord. Er heeft onderzoek naar dit aspect plaatsgevonden. Vanwege het emplacement is de geluidsbelasting maximaal 56 dB(A). Er is sprake van cumulatie zoals omschreven in hoofdstuk 2, bijlage 1 van het Reken en meetvoorschrift geluid 2012 vanwege rail- en industrielawaai (emplacement). De cumulatie bedraagt hoogstens 59 dB(A). Deze waarde voldoet aan de grenswaarde door railverkeer en kan hiermee aanvaardbaar worden geacht. Het aspect industrielawaai is tevens van toepassing voor de inrichtingen in de commerciële plint. Eventueel moeten de bedrijven in het kader van het Activiteitenbesluit aantonen dat hieraan kan worden voldaan. De beoordelingsniveau van het LAr,LT op de gevel komen overeen met de grenswaarden van het geluidbeleid.
De streefwaarden liggen 5 dB(A) lager. Het kan zijn dat hieraan niet altijd kan worden voldaan door bepaalde inrichtingen in de commerciële plint. Gelet op de toegestane bedrijven is dit op voorhand geen knelpunt dat eventueel met het toepassen van de grenswaarde (door het college) kan worden opgelost. Conclusie Er heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden waaruit naar voren komt dat door de gemeente Zutphen een hogere waarde moet worden vastgesteld. Op basis van dit besluit is het plan uitvoerbaar vanuit het oogpunt van akoestiek.
5.6 Water In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is het instrument om dit aan te tonen. Ten behoeve van het bestemmingsplan Noorderhaven zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Allereerst is een waterstructuur- en rioleringsplan opgesteld. In dat rapport wordt inzicht gegeven in de huidige en gewenste rioleringssituatie op het industrieterrein en het daarvoor benodigde watersysteem. Daarnaast wordt voor concrete plannen gewerkt met de watertoetstabel. Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. In navolgende tabel is per thema aangegeven wat de relevantie is voor veld 15 t/m 17 Noorderhaven. In de toelichting op de watertoetstabel is aangegeven in hoeverre en op welke wijze de verschillende aspecten van toepassing zijn op de ontwikkeling in het onderhavige project.
35
Thema
Toetsvraag
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het projectgebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
Riolering en Afvalwaterketen
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Oppervlakte-
Relevant
Intensiteit
Nee
2
2. Ligt het projectgebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee
2
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m 3/uur?
Ja
2
2. Ligt in het projectgebied een persleiding van WRIJ?
Nee
1
3. Ligt in of nabij het projectgebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?
Nee
1
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m 2?
Ja
2
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m 2?
Ja
1
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
Ja
1
4. In of nabij het projectgebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Ja
1
1. Wordt vanuit het projectgebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
1
1. Is in het projectgebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
Nee
1
Nee
1
Nee
1
Ja
1
een
Nee
1
1. Bevinden zich in of nabij het projectgebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Nee
1
Nee
2
Nee
1
Ja
1
1. Bevindt het projectgebied zich in of nabij een natte EVZ?
Nee
2
2. Ligt in of nabij het projectgebied een HEN of SED water?
Nee
2
3. Bevindt het projectgebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
Nee
1
waterkwaliteit
Grondwateroverlast
3. Is in het projectgebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 5. Beoogt het plan aanleg van drainage? Grondwater-
1.
Ligt het projectgebied drinkwateronttrekking?
in
de
beschermingszone
van
kwaliteit Inrichting beheer
en
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Volksgezondheid
1. In of nabij het projectgebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het projectgebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Natte natuur
36
4. Bevindt het projectgebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee
1
Verdroging
1. Bevindt het projectgebied zich in een TOP-gebied?
Nee
1
Recreatie
1. Bevinden zich in het projectgebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Nee
2
Nee
1
Cultuurhistorie
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het projectgebied aanwezig?
Toelichting bij de watertoetstabel Riolering en Afvalwaterketen Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? De toename van het afvalwater is groter van 1 kuub per uur. Binnen het projectgebied ligt geen persleiding en er ligt geen RZWI of rioolgemaal van het waterschap in het projectgebied. Uitgangspunt voor de riolering in het ontwikkelingsgebied Noorderhaven is het afvoeren van afvalwater en zo nodig verontreinigd hemelwater, ingezameld van ontsluitingswegen, naar de rioolwaterzuivering via de riolering van het bedrijventerrein De Mars. Hemelwater wordt maximaal geïnfiltreerd. Uitgangspunt is dat de woningen geen hemelwater afvoeren naar het openbare rioolstelsel. Liggen in of nabij het projectgebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en/of overstromingsvlaktes? In de nabijheid van het projectgebied ligt de IJssel. Het grondwaterregime in het ontwikkelingsgebied Noorderhaven is afhankelijk van het waterstandsverloop in de IJssel. Verwachting is dat zeer incidenteel, en dan voor korte tijd, de grondwaterspiegel stijgt boven 6,45 m+ NAP (maaiveld 8,80 m +NAP). Overlast door een structureel te hoge grondwaterstand is niet te verwachten. Het projectgebied ligt niet binnen de waterkering van de IJssel.
Wateroverlast Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? Het plan voorziet in een toename van het verhard oppervlak van meer dan 2.500 m2. Ten behoeve van een goede waterafvoer worden kratten onder de verharding geplaatst en wordt op het binnenterrein een wadi aangelegd. Binnen het projectgebied en direct daarbuiten zijn mogelijkheden om water af te koppelen richting openbaar (groen) gebied. Dit voorkomt dat het water in het riool terecht komt.
37
Grondwateroverlast Beoogt het plan aanleg van drainage? Ja. Het aan te leggen hemelwater-infiltratiesysteem bestaat uit drainageleidingen, infiltratiekratten en de aanleg van een wadi op het binnenterrein. Volksgezondheid Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het projectgebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Nee, hiervan is geen sprake. Bij de inrichting van het plangebied is het daarbij van belang de volgende uitgangspunten in acht te nemen: -
-
-
-
Hemelwater dient bij voorkeur niet via een leiding ondergronds aangeboden te worden; Binnen het bouwblok dient de opvang en verwerking van hemelwater maximaal te zijn, bij voorkeur zodanig dat geen hemelwater wordt afgevoerd naar openbaar gebied. Ondanks infiltratie kan noodoverloop bij hoge grondwaterstand en/of extreme neerslag incidenteel voorkomen; Binnen de openbare ruimte moet zelf worden voorzien in de eigen opvang en verwerking van hemelwater. De samenhang met de bouwblokken dient slechts om overlast en calamiteiten te voorkomen; Indien hemelwater vanaf een bouwblok naar het openbare gebied dient te worden afgevoerd (in uitzonderlijke situaties, ter voorkoming van overlast en calamiteiten) dan dient dit bij voorkeur via het oppervlak plaats te vinden; De aansluiting van afvalwater afkomstig uit het bouwblok dient bij voorkeur op een beperkt aantal plaatsen plaats te vinden (maximaal 4); Het maaiveld dient zo te zijn ingericht dat tijdelijke berging van neerslag mogelijk is en niet leidt tot overlast. In het project wordt voorzien in integratie van groen en waterberging. De waterberging staat derhalve niet op zichzelf, maar heeft een dubbel doel.
Conclusie Onderliggend project betreft een onderdeel van de totale ontwikkeling Noorderhaven. In het kader van de totale ontwikkeling van Noorderhaven is een waterparagraaf opgesteld die destijds conform de vereisten van de watertoets is besproken met het waterschap. Onderliggend project past binnen deze gemaakte afspraken.
5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen 38
mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse In het geldende bestemmingsplan Noorderhaven heeft het plangebied reeds een uit te werken woonbestemming. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is geconstateerd dat omliggende bedrijven (die op grote afstand liggen) niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt ten gevolge van woningbouw. Andersom geldt ook dat de gevoelige woonfunctie niet wordt beïnvloed door bedrijven. Voor de beoordeling van bedrijven binnen het plangebied kunnen verschillende toetsingskaders van toepassing zijn, maar zullen de geluidbepalingen van het Activiteitenbesluit het meest van toepassing zijn.
Dit is van toepassing voor de inrichtingen in de commerciële plint. Eventueel moeten de bedrijven in het kader van het Activiteitenbesluit aantonen dat hieraan kan worden voldaan. De beoordelingsniveau van het LAr,LT op de gevel komen overeen met de grenswaarden van het geluidbeleid. De streefwaarden liggen 5 dB(A) lager. Het kan zijn dat hieraan niet altijd kan worden voldaan door bepaalde inrichtingen in de commerciële plint. De ligging ten opzichte van het spoor is wel relevant. Ten aanzien van het spoor geldt een veiligheidszone, opgenomen in het bestemmingsplan Noorderhaven en tevens vertaald in onderliggend bestemmingsplan. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - spoor' zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de aanwezigheid van een spoorverbinding. Ter plaatse van de aanduiding mogen geen maatschappelijke functies als scholen, woonzorgcentra, kinderdagverblijven en ziekenhuizen worden gebouwd. Het betreft functies die meebrengen dat niet-zelfredzame personen zich in de gebouwen ophouden. Dat is hier niet het geval, de voorziene zorgwoningen vallen buiten deze zone en daarnaast is de zorgbehoevende groep zelfredzaam.
Conclusie Omliggende bedrijven liggen op voldoende afstand van het plangebied, zodat deze bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Eventueel moeten de bedrijven in de commerciële plint in het kader van het Activiteitenbesluit aantonen dat aan het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Het plan is op basis van het aspect bedrijven en milieuzonering uitvoerbaar.
39
5.8 Externe veiligheid Kader De wijze waarop moet worden omgegaan met risico’s voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Hierna wordt kort ingegaan op deze regelgeving. Besluit Externe Veiligheid Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) regelen hoe de veiligheidsafstanden en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico rond inrichtingen wordt vastgesteld. Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening staan net als bij het Bevi in een regeling (Revb). Circulaire effectafstanden LPG stations Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations. Dit geldt ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. Wettelijk kader transportroutes Het projectgebied ligt binnen 200 meter vanaf de spoorlijn Arnhem - Deventer. Voor een goede ruimtelijke onderbouwing dienen de risico’s veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn te worden geëvalueerd.
AVIV heeft dit onderzoek (‘Externe veiligheid / Actualisatie Noorderhaven veld 15-17 te Zutphen’) uitgevoerd, zie bijlage 9. Het transport van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Het risico voor personen die verblijven in de omgeving wordt gevat onder het begrip externe veiligheid (EV). Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de regels opgenomen voor de ruimtelijke ordening. Voor infrabesluiten zijn de regels vastgelegd in de Beleidsregels EV-beoordeling Tracébesluiten (de Beleidsregels). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. Het doel van het Basisnet is het vastleggen en waarborgen van een duurzame balans tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ruimtelijke omgeving en de veiligheid van mensen die wonen en werken langs de route. Het Basisnet stelt grenzen aan het risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorlijnen alsmede aan ruimtelijke ontwikkelingen langs die wegen, vaarwegen en spoorlijnen.
Voor elke weg, spoorlijn en vaarweg die deel uitmaakt van het Basisnet, is vastgesteld hoeveel risico het vervoer van gevaarlijke stoffen over die weg, spoorlijn of vaarweg maximaal mag veroorzaken. De basisnetroutes en deze zogenoemde ‘risicoplafonds’ zijn vastgelegd in de regeling basisnet.
40
Risicobenadering De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de activiteit en kwetsbare functies in de omgeving. Of een functie kwetsbaar of beperkt kwetsbaar is, is te vinden in het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi). Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoorgebouwen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, sporthallen en bedrijfsgebouwen. Met het GR wordt geëvalueerd of als gevolg van een ongeval een groot aantal slachtoffers kan vallen, doordat een grote groep personen blootgesteld wordt. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) is het gebied tot 30 meter van het spoor waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf. Volgens de Regeling Basisnet geldt voor de spoorlijn Velperpoort aansluiting - Zutphen geen PAG. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Zutphen Met de Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de gemeente Zutphen.
Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. De visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Zutphen aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. De beleidsvisie bestaat uit: Deel A: Kaders voor externe veiligheid in omgevingsvergunning en bestemmingsplan; Deel B: Toelichting begrippen en kaders Deel C: Beschrijving van risicobronnen in hun omgeving Deel D: Richtlijnen voor de organisatie Bij onderliggend plan is rekening gehouden met de kaders en de doelstellingen zoals beschreven in de beleidsvisie externe veiligheid. Een aantal onderdelen is daarbij van belang. Binnen een bestaande PR 10-6 contour wil de gemeente de mogelijkheid houden om af te wijken van de richtwaarde van het plaatsgebonden risico en nieuwe beperkt kwetsbare objecten gemotiveerd toe te staan. De gemeente wil de schaarse ruimte graag zo optimaal mogelijk benutten. De afwijking van de richtwaarde zal worden gemotiveerd. In onderliggend bestemmingsplan is geen sprake van een ontwikkeling binnen de PR 10-6 contour. Die contour ligt op het spoor.
41
Ingeval van een ontwikkeling middels toename van (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van de risicobron is onder bepaalde voorwaarde toename van het groepsrisico door een structurele toename van het aantal personen in het invloedsgebied toegestaan. Onderliggend plan voorziet in een toename van (beperkt) kwetsbare objecten (zorgwoningen) maar zorgt daardoor niet voor een wijziging van de oriëntatiewaarde, waardoor er geen toename van het groepsrisico plaatsvindt. Dit wordt later verder onderbouwd. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten worden nog niet aanwezige 'bijzondere kwetsbare objecten' niet toegelaten binnen bepaalde zones in de omgeving van risicobronnen. Bijzonder kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld.: bejaardentehuizen, ziekenhuizen, kinderdagverblijven, gesloten afdelingen van zorginstellingen en gevangenissen. Onderliggend plan voorziet gedeeltelijk in de realisatie van zorgwoningen. Deze woningen kunnen worden aangeduid als ‘bijzondere kwetsbare objecten’. De woningen zijn echter gesitueerd buiten de op de verbeelding van het bestemmingsplan aangegeven veiligheidszone van het spoor. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan in lijn is met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
In de volgende paragrafen en bijbehorende bijlagen wordt het plan getoetst aan risicobronnen en wordt aangetoond dat het plan in lijn is met wettelijke kaders. Tevens worden de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’ getoetst. Analyse Op basis van de risicokaart is beoordeeld of in het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het plangebied en omgeving weergegeven.
Uitsnede risicokaart.
42
Basisnet spoor Het plangebied ligt binnen 200 m van de spoorlijn Arnhem - Deventer waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. De resultaten van de risicoberekening van deze risicobron worden hierna gepresenteerd. Buisleiding De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op ruim 200 meter van het plangebied. Deze leiding heeft een invloedsgebied van 70 m. Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied van de buisleiding. Deze risicobron kan verder buiten beschouwing worden gelaten. Basisnet water Het plangebied ligt binnen 200 m van de vaarwegroute corridor Rijn – Oost Nederland waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conform de Hart geldt hiervoor de volgende regel: - PR: Geen toetsing van het PR-plafond nodig. Er zijn wel extra bouweisen. - GR: Berekenen met aantallen per stofcategorie uit bijlage 3 Rbn. Conform de regeling Basisnet vindt over deze vaarwegroute uitsluitend vervoer van stofcategorieën LF1 en LF2 (brandbare vloeistoffen) plaats. Beide stofcategorieën hebben een invloedsgebied van 35 meter. Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied van deze vaarroute. Deze risicobron kan verder buiten beschouwing worden gelaten. Brzo-inrichting Op meer dan 1.000 meter ten noorden van het plangebied ligt Brzo-inrichting Primagaz Nederland. De inrichting heeft een invloedsgebied van 440 m.
Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied van deze inrichting. Deze risicobron kan verder buiten beschouwing worden gelaten. Overig risicobronnen Op meer dan 200 meter ten noorden van het plangebied ligt Flamco IMZ BV met een opslag voor cellulosenitraat. De risicokaart geeft hiervoor een generieke PR 10-6 afstand van 0 meter. Op meer dan 400 meter ten noorden van het plangebied ligt een gasdrukmeet- en regelstation. De risicokaart geeft hiervoor een generieke PR 10-6 risicoafstand van 25 meter. Op basis van voorgaande analyse dient alleen het effect van vervoer over het spoor te worden beoordeeld. Onderzoek In het kader van onderliggend bestemmingsplan zijn de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor ter hoogte van Noorderhaven, veld 15-17 te Zutphen, berekend. Het onderzoek (Externe veiligheid / Actualisatie Noorderhaven veld 15-17 te Zutphen ) is opgenomen als bijlage 9 van deze toelichting. Het plan ligt binnen de 200 meter zone van het spoor. Er vinden 1.700 transporten per jaar plaats met brandbaar gas en daarnaast 1.050 transporten per jaar met brandbaar vloeistof. De belangrijkste conclusies naar aanleiding van de het onderzoek zijn als volgt. 43
Plasbrandaandachtsgebied Conform de regeling Basisnet geldt voor de spoorlijn Velperpoort aansl. - Zutphen geen plasbrandaandachtsgebied (PAG). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de plannen. Groepsrisico Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie is een factor 0.32 van de oriëntatiewaarde. Er is daarmee geen sprake van een toename van het groepsrisico en de oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Conform artikel 8 van het Bevt kan in dat geval een volledige verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. In navolging van artikel 7 dient in de toelichting bij het besluit in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. In dit plan komt dit onder andere tot uiting doordat rekening is gehouden met het realiseren van meerdere toegangswegen, meerdere nooduitgangen en blusvoorzieningen. In geval van calamiteiten kunnen de bewoners snel vluchten of geëvacueerd worden door hulpverleners. Advies omgevingsdienst In het kader van voorliggend plan is ten aanzien van het aspect externe veiligheid advies uitgebracht door de omgevingsdienst. Daarbij is in de planvorming onder andere aandacht gevraagd voor de volgende zaken: 1.
Situering seniorenwoningen binnen het plangebied. De seniorenwoningen komen langs het spoor, de mogelijkheid wordt geopperd om het plan aan te passen door de kwetsbare groep verder van het spoor te plaatsen; 2. Toe- en uitgangswegen. Het plan voorziet in één toe- en uitgangsweg. Geadviseerd wordt om twee toe- en uitgangswegen te realiseren. Het plan is op de volgende twee punten niet gewijzigd op basis van het uitgebrachte advies, op basis van de navolgende argumenten. 1. Het ruilen van de seniorenwoningen met een groep andere woningen waarbij de bewoners minder kwetsbaar zijn. Voorliggend plan is ontwikkeld in overleg met het bevoegd gezag (de gemeente)/kwaliteitsteam én een afnemer die de zorgwoningen geclusterd wil afnemen. Bij de invulling van het plangebied is enerzijds rekening gehouden met de positionering van gebouwmassa’s ten opzichte van de omgeving die voortvloeien uit het inrichtingsplan voor dit deel van Noorderhaven. Anderzijds is rekening gehouden met RO-technische uitgangspunten (de planologisch vastgelegde afstanden vanaf het spoor). Hiermee voldoet het plan zowel aan ruimtelijke uitgangspunten die vanuit de gemeente zijn aangedragen, als aan wettelijke (planologische) uitgangspunten en bestaat geen noodzaak om het plan te wijzigen. 2. De realisatie van twee toegangswegen. Ten aanzien van het verkeerskundige aspect zijn verschillende afwegingen gemaakt.
Verkeerskundig lag er een bezwaar om een uitrit te maken aan de zijde van de fietstunnel. Als daar een uitrit wordt gerealiseerd ontstaat door de samenkomst van te veel verkeersstromen, een onveilige situatie. Aan 44
de andere zijde kan geen uitrit worden gemaakt vanwege de ligging van het Ettegerpark. Alle bewoners kunnen wel veilig te voet aan alle kanten het plangebied verlaten. Aan de noordoostzijde via het voetpad tussen het gebouw en het spoor, richting het park, aan de zuidwestzijde tussen gebouw en spoor, richting de fietstunnel en noordzijde via de inrit. Hiermee bestaan voldoende mogelijkheden om snel en langs meerdere wegen het plangebied te verlaten in geval van calamiteiten. Advies veiligheidsregio In het kader van onderliggend bestemmingsplan heeft de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland een advies uitgebracht. Het advies van de veiligheidsregio is als bijlage 9a opgenomen. Er heeft zowel een beoordeling door de brandweer als door de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie (GHOR) plaatsgevonden. De adviezen zijn als volgt. Brandweer Het plangebied is vanaf meerdere zijden goed bereikbaar. Aan de randen van het plangebied is voldoende bluswater aanwezig. Binnen het plangebied echter niet. Om hier invulling aan te geven heeft in het kader van het bouwplan overleg plaatsgevonden tussen het bevoegd gezag en de brandweer en worden bluswatervoorzieningen gerealiseerd. Ook inpandig worden voorzieningen gerealiseerd. De rijksoverheid heeft voor het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten een nagenoeg landelijk dekkend netwerk van WAS-palen neergezet.
Dit Waarschuwings- en Alarmeringsstelsel (WAS) wordt maandelijks getest (1e maandag van de maand). Waarschuwen bij een dreigende ramp is op die manier voldoende geborgd. Logischerwijs staan de WAS-palen opgesteld in gebieden die de meeste personen herbergen. Het plangebied valt geheel binnen het bereik van deze WAS-palen. De zelfredzaamheid van de aanwezige mensen binnen het bestemmingsplan kan vergroot worden door het gebruik van NLa!ert. Burgers zuilen dan zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: www.crisis.nl/nl-alertk). De zelfredzaamheid van bewoners in het plangebied kan verder worden vergroot door hen te attenderen op deelname aan 'Stan the CPR network' [voorheen Hartveiiig Wonen]. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan 'Stan the CPR network' kan levens redden. Er wordt geadviseerd om de toekomstige bewoners te wijzen op deze mogelijkheden. Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie (GHOD) Samengevat luidt het advies om de locatie middels twee wegen bereikbaar te maken. Dat wordt gedaan. Tevens dienen de wegen obstakelvrij aangelegd te worden en dienen ambulances dicht bij de woningen te kunnen komen. Hier is sprake van. Ten aanzien van zelfredzaamheid adviseert de GHOD het volgende: -
-
Breng het project 'STAN' (Stan is de dóórontwikkeling van HartveiligWonen) bij toekomstige bewoners van de nieuwe wijk onder de aandacht, dit i.v.m. de aanrijtijden van ambulances. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan dit project kan levens redden, Plaats een AED op een strategische locatie. In geval van een circulatiestilstand wordt, door z.s.m. te defibrilleren, de overlevingskans van de betreffende persoon vergroot. Als deze AED aan een buitenmuur wordt bevestigd en beschikbaar wordt gesteld voor algemeen gebruik, kan deze AED ook gebruikt worden bij nood in de omgeving. 45
-
-
Plaats een Stop de bloeding-set naast de AED. Dit is een pakketje met extra hulpmiddelen om bloedingen te stoppen. Omstanders en niet-medische hulpverleners kunnen de overlevingskansen van slachtoffers van (bom) aanslagen en grote ongelukken aanzienlijk verhogen. Door ernstig bloedverlies meteen adequaat te stelpen, worden levens gered. Dat geldt natuurlijk ook voor meer alledaagse verwondingen waarbij levensbedreigend bloedverlies optreedt, bijvoorbeeld bij een val door een glazen deur of ernstige open botbreuken. Indien de toekomstige bewoners minder zelfredzaam zijn (bijvoorbeeld mensen met een beperking, ouderen of kinderen), is het van belang dat de vergunningverlener bij de burger aandacht besteedt aan de risico's, die wonen in de buurt van een spoorlijn met zich meebrengt. Daarnaast is het van belang dat de vergunningverlener aandacht besteedt aan de acties die een bewoner zelf kan ondernemen om zelfredzamer te worden.
Aan voorgaande adviezen wordt bij de uitwerking en realisatie van het bouwplan rekening gehouden. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen beperking voor onderliggend plan. Wel dient rekening gehouden te worden met de uitgebrachte adviezen en aanbevelingen van het bestuur van de veiligheidsregio ten aanzien van de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet.
5.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Onderliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van 77 appartementen en circa 400 m2 commerciële ruimte mogelijk. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage
46
3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Ter plaatse van de Noorderhavenstraat voldoet de luchtkwaliteit aan de gestelde norm. Zie daarvoor onderstaande afbeelding.
Concentratie fijnstof. Bron: milieudefensie.nl Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Tevens voldoet de luchtkwaliteit op basis van de meest actuele gegevens aan de norm, waardoor sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.10 Verkeer en parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt doorgaans gebruik gemaakt van de parkeerkengetallen van het CROW. Het CROW hanteert op basis van functie en ligging de te verwachten parkeerbehoefte waar een initiatief aan dient te voldoen. Ontsluiting Voor het projectgebied ‘Noorderhaven’ is een verkeersstructuur opgesteld binnen het stedenbouwkundige plan. Daarin is aangegeven dat de bereikbaarheid van de binnenstad, de IJssel, 47
het station en de nabijheid van de N348 wezenlijk onderdeel uitmaken van het woongenot van het plan Noorderhaven. De Coenensparkstraat, aan de westzijde van Noorderhaven, is de hoofdontsluitingsweg (50km/u) die de woonwijk ontsluit. Het overige verkeer (30 km/u) takt aan op deze weg en betreft verkeerskundig de verblijfsgebieden. Vanuit de binnenstad zijn er drie fietsverbindingen met Noorderhaven en De Mars: de IJsselboulevard, de Coenensparkstraat/Marstunnel en de Kostverloren route. Dit zijn vrij liggende fietspaden, in de rest van het projectgebied rijden fietsers op de rijbaan. Daarnaast zijn er diverse tussentijdse oversteekpunten voor fietsers en voetgangers. In Noorderhaven ligt een coherent stelsel van voetpaden, pleinen, kades en trappen die het projectgebied voor voetgangers verbinden met de binnenstad, het station, de IJssel en de Family Mall. De inrichting van de velden 15, 16 en 17 sluit aan bij de bestaande structuur in de directe (nieuwe) woonomgeving middels de Lijmerij, het Statenbolweg en de Noorderhavenstraat die het plangebied via de Dreef ontsluiten. Parkeren Het plan voorziet in circa 400 m2 commerciële ruimte en 77 woningen die in de volgende woningtypen onder te verdelen zijn: -
23 vrije sector huurwoningen 15 koopwoningen 36 sociale huurwoningen 36 zorgwoningen
Opgave woningen In totaal worden 77 woningen gerealiseerd, waarvan 36 zorgwoningen. Uitgaande van de in de bijlage parkeernormen Noorderhaven opgenomen norm van 0,3 geldt voor de zorgwoningen een aantal van 10,8 parkeerplaatsen op eigen terrein (36x0,3). Voor de overige woningen geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per woning op eigen terrein. Per saldo betekent dit dat op eigen terrein ruimte moet zijn voor 74 (74 x 1,0) + 10,8 (36 x 0,3) = 84,8 (85) parkeerplaatsen. Commerciële ruimte Ten aanzien van de parkeeropgave van de commerciële ruimten geldt een opgave van 1,7 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO (kantoor/maatschappelijk). Dat betekent een parkeeropgave van 4 x 1,7 = 6,8 (7) parkeerplaatsen. Vertaling in het plan Op basis van voorgaand programma dient ruimte te zijn voor 92 parkeerplaatsen: 85 voor de woningen, 7 voor de commerciële ruimten. Op eigen terrein bestaat de mogelijkheid om 88 parkeerplaatsen te realiseren. De vier overige parkeerplaatsen worden in het openbaar gebied ingevuld. Dit betreft parkeerplaatsen ten behoeve van de commerciële functies. Deze functie wordt ingevuld door zorg-gerelateerde functies zoals een fysiotherapeut. Het functioneren van deze voorziene functies hebben een parkeervraag binnen kantooruren. Dat is het moment waarop de bewoners van het gebied aan het werk zijn en daardoor geen gebruik maken van parkeerplaatsen in openbaar gebied.
Op deze wijze bestaat de mogelijkheid van dubbel gebruik, waarmee aan de parkeervraag wordt voldaan. 48
Conclusie Het plan is op basis van het aspect parkeren uitvoerbaar.
5.11 Trilling onderzoek In het kader van het bestemmingsplan Noorderhaven heeft onderzoek naar het effect van trillingen (treinverkeer) plaatsgevonden (Trillingsonderzoek gebiedsontwikkeling Noorderhaven, Witteveen+Bos, nummer ZU189-5, 18 februari 2011). In het onderzoek wordt geconstateerd dat de kortste afstand tussen het doorgaande spoor en de woningen zoals voorzien in het stedenbouwkundig plan circa 18 meter bedraagt. Op basis van de berekeningen en metingen in het onderzoek is geconcludeerd dat de trillingen als gevolg van het treinverkeer niet zullen leiden tot schade aan de huidige en toekomstige bebouwing. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat in de voorziene woningen trillingen als gevolg van treinpassages voelbaar zullen zijn. De waarden kunnen daarbij hoger zijn dan de waarden die volgens de SBR-richtlijn gewenst zijn. Om die reden heeft door Witteveen + Bos (juni 2019) aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar trillingen in veld 1. De resultaten van het onderzoek Vernieuwing trillingsonderzoek Noorderhaven Zutphen Velden 15-17’ zijn opgenomen als bijlage 10 van deze toelichting.
Analyse Het doel van het uitgevoerde onderzoek is om op basis van de gemeten trillingsniveaus op maaiveld op de velden 15 tot en met 17 een prognose te geven van de trillingen ter plaatse van en in de geplande gebouwen op de velden 15 tot en met 17, en om zo te bepalen of deze niveaus binnen de kaders vallen van de Meet- en beoordelingsrichtlijn SBR deel B hinder voor personen in gebouwen. Uit de toetsing volgen deze conclusies: - de resulterende verwachte maximale trillingsniveaus Vmax in de gebouwen zijn lager dan de grenswaardes volgens SBR-richtlijn deel B behorend bij de functie van het gebouw; - het verwachte periodieke trillingsniveau ligt onder de grenswaarde A3 van 0,05. Deze niveaus zijn niet gecorrigeerd met de afstand, aangezien de verwachte periodieke trillingsniveaus ook zonder deze correctie onder de grenswaarde liggen; - er is rekening gehouden met eventuele opslingering van de vloeren, waarbij er met een opslingeringsfactor van 1,4 gerekend is, zoals gehanteerd in CUR 166. Hierbij wordt verwacht dat de berekende trillingsniveaus aan de richtlijnen van de SBR voldoen, zolang de opslingering van de vloeren binnen de opslingeringsfactor van 1,4 blijft. Op basis van het uitgevoerde onderzoek worden de volgende aanbevelingen gedaan: 1.
voor de geplande bouwwerken op de velden 15 tot en met 17 bestaat de verwachting dat aan de SBR-richtlijn wordt voldaan, zolang de onderstaande aannames als randvoorwaarden worden meegenomen in het ontwerp: a. de constructie van de gebouwen realiseert een overdracht van trillingen op fundering ten opzichte van maaiveld met een factor 0,32 voor de bouwwerken met meer dan twee verdiepingen, een factor 0,44 voor het appartementencomplex van twee verdiepingen en een factor 0,7 voor het commerciële gebouw met fietsenstalling; b. eventuele optredende opslingering blijft binnen de factor 1,4.
49
Hierbij is de toets van het maximale trillingsniveau Vmax maatgevend. Hoe de gebouwen zich daadwerkelijk zullen gedragen, hangt van het specifieke ontwerp af. Aanbevolen wordt om het ontwerp, wanneer beschikbaar, te toetsen op trillingsgevoeligheid en om te bepalen of de aangenomen factoren en eigenschappen overeenkomen met de hierboven genoemde aannames; 2. Voor veld 15 tot en met 17 is het van belang dat de oorzaak van de hoge horizontale niveaus wordt bepaald. Naar verwachting zijn treinen hier niet de oorzaak van. Een lokale bron in de grond (bijvoorbeeld een leiding of iets dergelijks) zou de oorzaak kunnen zijn. Een dergelijke bron levert wel hoge trillingsniveaus van de grond in de directe nabijheid, maar zal niet tot hinderlijke niveaus in de bebouwing leiden vanwege de beperkte energie waarmee de trillingen worden gegenereerd. Zoals in paragraaf 4.2.1 is gemeld, is er door Microflown onderzoek uitgevoerd naar een mogelijk aanwezige bromtoon in Zutphen en eventuele trillingsbronnen welke aan de bromtoon ten grondslag zouden kunnen liggen. Er is echter geen aanwezig verband gevonden tussen een laagfrequent geluidsbron en de in het voorliggende onderzoek gemeten trillingsniveaus rond de 40 Hz.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de resulterende verwachte maximale trillingsniveaus Vmax in de gebouwen zijn lager dan de grenswaardes volgens SBR-richtlijn deel B behorend bij de functie van het gebouw. Het verwachte periodieke trillingsniveau ligt onder de grenswaarde A3 van 0,05. Aanbevolen wordt om het ontwerp te toetsen op trillingsgevoeligheid en om te bepalen of de aangenomen factoren en eigenschappen overeenkomen met de hierboven genoemde aannames. Dit aanvullende onderzoek heeft plaatsgevonden, zie bijlage 10a. Uit een vergelijking tussen het uitgevoerde trillingsonderzoek, de uitgewerkte bestekstekeningen en aanvullende berekeningen voor de opslingering in vergelijkbare gebouwen blijkt dat de trillingsgevoeligheid van de bouwwerken op veld 15-17 aan de Noorderhaven in Zutphen in de lijn van de eerder aangehouden richtlijnen ligt. Daarmee blijft de conclusie uit het eerder uitgevoerde trillingsonderzoek geldig, namelijk dat de verwachte trillingsniveaus voor Vmax en Vper voldoen aan de grenswaarden van de SBR-richtlijn, deel B. Conclusie Voorliggend plan is op basis van het aspect ‘trillingen’ uitvoerbaar.
5.12 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 50