CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

352382RH 2022_BW_00444

Raadsvergadering 14 november 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 202226.481 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

V.

de zorgverlener werkt op basis van een plan;

d. als de ondersteuning aan de jeugdige of zijn ouders niet leidt tot overbelasting bij de persoon die deze informele hulp verleent. 3. Ondersteuning kan niet worden geboden door iemand vanuit het sociaal netwerk als die, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, geboden moet worden door een geregistreerde professional. 4. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het persoonsgebonden budget. 5. Beheer van het PGB is niet toegestaan door de persoon of organisatie die ook de ondersteuning levert aan de PGB-houder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend.

Hoofdstuk 6 Feiten en omstandigheden Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerk voorziening is verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een maatwerk voorziening. 2. In aanvulling op artikel 4.5, vierde lid kan het college een besluit aangaande een maatwerk voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

29/84

a.

de jeugdige en/ of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b. de jeugdige en/ of zijn ouders niet langer op de maatwerk voorziening of op het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen; c.

de maatwerk voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten;

d. de jeugdige en/ of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerk voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget, of e.

de jeugdige en/ of zijn ouders de maatwerk voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

3. Als het college een besluit op grond van het tweede lid, onder a. of e. heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerk voorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. 4. Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 6.2 Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerk voorziening of persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij de wet dan wel deze verordening, ten aanzien van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerk voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van het bepaalde bij de wet dan wel deze verordening. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.

30/84

4. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerk voorzieningen in natura en PGB met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het PGB 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie het PGB is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a., d. of e. van de wet. 2. Als de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling, als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname. 3. Het college stelt de PGB-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 7 Afstemming andere voorzieningen Artikel 7.1 Overgang naar volwassenheid 1. Het college draagt zorg dat voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar bereiken en ook na hun 18e jaar een ondersteuningsvraag hebben tijdig afstemming plaatsvindt welke andere voorzieningen benodigd zijn. 2. In het geval er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt de afstemming op latere leeftijd, maar altijd tijdig plaats. 3. Het college draagt zorg dat het lokaal team zich in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, en zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

Artikel 7.2 Afstemming gezondheidszorg 1. Het college draagt zorg dat wanneer het lokaal team een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e

31/84

verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het indicatiebesluit omwille van de continuïteit van zorg voldoet aan de normen die daaraan gesteld worden op grond van de Zorgverzekeringswet. 2. Het college draagt zorg dat het lokaal team zich in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, en het gezin zich tijdig dient in te spannen voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.

Artikel 7.3 Afstemming langdurige zorg 1. Het college draagt zorg dat het lokaal team de jeugdige en/ of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 2. Als de jeugdige en/ of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een maatwerk voorziening toe te kennen op grond van deze verordening.

Artikel 7.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht 1. Het college draagt zorg dat locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, primair en voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het lokaal team. 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren. 3. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het gezinsplan van de jeugdige en zijn ouders.

Artikel 7.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen het lokaal team en in de gemeente werkzame organisaties voor maatschappelijke ondersteuning, als een jeugdige en/ of zijn ouders naast jeugdhulpvoorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

32/84

2. Het college draagt zorg dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en het lokaal team een besluit hiertoe zo nodig (mede) voorbereidt.

Artikel 7.6 Afstemming werk en inkomen Het college draagt zorg dat het lokaal team en de gecertificeerde instellingen, in afstemming met de organisatie voor maatschappelijke ondersteuning, financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig de jeugdige en/of zijn ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.

Artikel 7.7 Afstemming wonen Wanneer de woonsituatie de juiste jeugdhulp voor de jeugdige en/ of zijn ouders in de weg staat of wanneer het gezin in die mate overlast veroorzaakt of schulden heeft dat een gedwongen verhuizing noodzakelijk is, kan de professional van het lokaal team namens de cliënt(en) een aanvraag doen voor een urgentieverklaring. Het college draagt zorg voor de begeleiding wanneer een in het eerste lid bedoelde gezin een woning toegewezen krijgt op basis van een met het gezin overeengekomen gezinsplan.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit en beleidsparticipatie Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp, intensieve vrijwillige zorg of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor zorg toepasselijke Cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functies; c. een redelijke toeslag voor overheadskosten; d. een reële mate van non-productiviteit door verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel.

33/84

Artikel 8.2 Kwaliteitsborging 1. De jeugdhulp die de formele hulp biedt, in natura of op basis van een PGB, voldoet kwalitatief aan wat daarover in de wet en in de meest recente door het college vastgestelde versie van de Algemene Voorwaarden Sociaal Domein is bepaald. 2. De jeugdhulp die door een informele hulp wordt geboden is veilig, adequaat, cliëntgericht en doeltreffend. 3. Het college ziet erop toe dat jeugdhulpaanbieders en externe opdrachtnemers voor de uitvoering van taken van het lokaal team voldoen aan het naleven van de bij wet voorgeschreven klachtenregeling. Dit gebeurt onder andere door periodieke overleggen met de gecontracteerde dienstverleners en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 8.3 Inspraak 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen en hun ouders, bij de voorbereiding van het beleid over jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid over jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen over jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan bij nadere regeling regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Het college kan één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het verlenen van jeugdhulp aan een jeugdige en/ of zijn ouders, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

34/84

Artikel 9.2 Intrekking oude regeling De Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2018, zoals vastgesteld bij besluit van 17 december 2018, wordt ingetrokken.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023.

Artikel 9.4 Overgangsrecht De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening gelden met betrekking tot een maatwerk voorziening waarvoor op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2018 een besluit is afgegeven, blijven gelden gedurende de geldigheidsduur van het besluit, dan wel tot het moment dat er op basis van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte tussentijds een nieuw besluit wordt genomen op grond van deze verordening.

Artikel 9.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 2022.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zutphen, gehouden op: datum

De voorzitter,

de griffier,

35/84

Toelichting Algemene toelichting 1.

Jeugdhulpvoorzieningen als uitwerking van het Beleidsplan Jeugd 2021-2024

In deze verordening wordt afgebakend welke ondersteunende activiteiten de gemeente Zutphen organiseert om kinderen in een gezonde, veilige en kansrijke omgeving te laten opgroeien. Daarbij wordt ingezet op: I.

Versterken pedagogische samenleving: ouders, school en gemeenschap

II.

Focus op preventie: versterken van ouders en kinderen

III.

Stevige eerste lijn: zorg zo licht mogelijk en zo intensief als nodig

IV.

Intensieve hulpverlening: tijdige en passende zorg en ondersteuning

Gelukkig groeien de meeste kinderen gezond op door de goede zorg van hun ouders in combinatie met algemene overheidszorg. Buurt- en sport- en culturele verenigingen bieden in dit ontwikkelingsproces waar nodig maatschappelijke ondersteuning. Voor veel voorkomende probleemsituaties in de opvoeding zorgt de gemeente (in samenwerking met maatschappelijke organisaties) voor preventieve hulp en ondersteuning (doelgroep- en themagericht). In de eerste lijn kunnen jeugdigen en ouders met al hun hulpvragen terecht bij professionals van het lokaal team. Het streven is om op enkelvoudige of veel voorkomende hulpvragen meer directe en laagdrempelige hulp te verlenen. Zonder beschikking. Direct uitvoerbaar door een deel van de professionals van het lokaal team. Waar nodig kortdurend ondersteund door specialisten voor jeugdhulp. De professionals van het lokaal team worden ingezet vanuit ondersteuningspunten dicht bij het gezin in lokale netwerken (op scholen, huisartsposten, consultatiebureaus, buurtwerk, sport- en culturele organisaties). Een deel van de professionals van het lokaal team richt zich in het bijzonder op de beoordeling van meer complexe hulpvragen, onderzoek en indicatie van maatwerkvoorzieningen (inclusief beoordeling van een PGB-financieringsaanvraag).

Door samenwerking met lokale partners in preventienetwerken wordt ingezet op vroegtijdige signalering van jeugdhulpvragen en sneller contact met de juiste professional om passende hulp te bieden. Dat is bij voorkeur gericht op de inzet van laagdrempelige algemene voorzieningen en zo nodig inzet van intensieve jeugdhulp (na gericht onderzoek, indicatiestelling en contact met de juiste hulpverlener).

36/84

Voor alle professionals van het lokaal team geldt dat de noodzaak voor inzet van professionele jeugdhulp en ondersteuning (met of zonder beschikking) beoordeeld wordt vanuit: a. de mogelijkheden die het gezin heeft vanuit eigen kracht (inclusief eigen netwerk); b. ondersteuningsmogelijkheden vanuit collectieve lokale voorzieningen en andere wettelijke voorzieningen (zoals onderwijs, zorg, maatschappelijk werk); c. mogelijk beroep op voor de hulpvraag passende, algemeen toegankelijke voorzieningen; d. het resultaat van eerder ingezette jeugdhulpvoorzieningen. Voor zowel jeugdige en zijn ouders als iedereen die beroepsmatig in contact staat met gezinnen zal met behulp van een actuele hulpwijzer duidelijk moeten zijn waar men met zijn hulpvraag het beste kan aankloppen om zo snel mogelijk geholpen te worden. Op basis van de regels in deze verordening worden hulpvragen voor jeugdhulp langs de volgende routes beantwoord:

37/84

2.

Wat kan op basis van deze verordening worden gerekend tot jeugdhulp

De grenzen van de Jeugdwet en daarmee ook de afbakening van de gemeentelijke jeugdhulpplicht worden bepaald door de Jeugdwet zelf, andere wetten, door de doelgroep, door de leeftijd van de jeugdige, maar ook door een aantal bijzondere bepalingen. Zo is het bereik van de Jeugdwet voor jeugdigen die zijn veroordeeld op grond van het adolescentenstrafrecht veel ruimer dan voor andere jeugdigen. Een belangrijke afbakening is ook gelegen in de definitie van jeugdhulp en in de resultaten die met de jeugdhulp moeten worden bereikt. Het doel van jeugdhulp moet namelijk zijn:

a. gezond, veilig en kansrijk op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid; c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Naast de resultaten die met jeugdhulp moeten kunnen worden bereikt noemt de Jeugdwet een aantal problemen waarvoor de jeugdhulpplicht geldt. Dit betreft: 

opgroei- en opvoedingsproblemen;

psychische problemen en stoornissen.

De Jeugdwet (Jw) is een van de zogenoemde zorgwetten uit het maatschappelijk domein. In de Jeugdwet zijn bepalingen opgenomen die de afbakening regelen met andere wetten. Kort gezegd komt dit erop neer dat de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de onderwijswetten voorgaan op de Jeugdwet. Ten aanzien van de Zorgverzekeringswet geldt dat alleen als er een recht op zorg op grond van de basisverzekering bestaat. Een aanvullende verzekering valt niet onder de Zorgverzekeringswet, maar moet worden aangemerkt als een vorm van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (artikel 2.3, eerste lid Jeugdwet). De vraag naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen komt namelijk eerder aan bod, dan de vraag of er sprake is van een wettelijk voorliggende voorziening. Het stappenplan1 luidt als volgt: 1. Vaststellen van de hulpvraag 2. Onderzoeken of deze gemeente verantwoordelijk is (woonplaats)

1 Centrale Raad Van Beroep

38/84

3. Onderzoeken of de Jeugdwet van toepassing is (doelgroep) 4. In kaart brengen van beperkingen/ problematiek 5. Bepalen welke hulp nodig is 6. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) 7. Aanspraak op een andere (wettelijke) voorziening 8. Aanspraak op een algemene voorziening 9. Aanspraak op een individuele maatwerkvoorziening 10. Informeren over de mogelijkheid van financiering in de vorm van een PGB 11. Als aangevraagd: beoordelen of aan voorwaarden voor een PGB voldaan wordt

3.

Algemene of maatwerkvoorzieningen op grond van deze verordening

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om jeugdhulpvragen in een zo vroegtijdig mogelijk stadium te signaleren en gezinnen te ondersteunen. Daarvoor worden algemene voorzieningen ingezet die vrij of met een lichte drempel (zoals doelgroep criteria) toegankelijk zijn. Vanuit beleidsprioriteiten financiert of organiseert de gemeente ondersteunende activiteiten gericht op specifieke thema’s, doelgroepen, netwerken en projecten in het kader van samenlevingsopbouw (sociale basis). Het streven is om de jeugdige en zijn ouders te ondersteunen bij het zo snel mogelijk zelf aanpakken van problemen bij het opgroeien en opvoeden van kinderen, waar nodig ondersteunt vanuit de inclusieve samenleving (school, gemeenschap) en preventieaanbod. Jeugdigen en ouders kunnen daarnaast een beroep doen op ondersteuning van het lokaal team. Wanneer gebruikelijke zorg vanuit het gezin tekortschiet en andere voorzieningen ontoereikend zijn wordt door professionals van het lokaal team hulp en ondersteuning ingezet, bij voorkeur vanuit laagdrempelige algemene voorzieningen. Voor lichte jeugdhulpvragen kunnen professionals van het lokaal team direct zelf hulp en ondersteuning inzetten zonder beschikking. Zo nodig kan daarbij kortstondige specialistische ondersteuning worden ingezet.

De beschikbare capaciteit daarvoor wordt vanuit de gemeente bepaald en periodiek op basis van de ontwikkelingen in de hulpvraag bijgesteld. De beoordeling van meer complexe jeugdhulpvragen en inzet van specialistische jeugdhulp in de vorm van maatwerkvoorzieningen en verzoeken om PGBfinanciering is voorbehouden aan speciaal daartoe opgeleide professionals van het lokaal team. Door professionals van het lokaal team wordt zorggedragen voor een

39/84

gestructureerde afstemming met alle betrokken partijen in de omgeving van het gezin.

4. Wie is waarvoor verantwoordelijk in de uitvoering van jeugdhulp De gemeente Zutphen is verantwoordelijk voor de inrichting van het stelsel aan voorzieningen, de beschikbaarheid van jeugdhulpvoorzieningen en draagt zorg voor een doelmatige en effectieve taakverdeling. De operationele regie in het oppikken en routeren van hulpvragen ligt bij de samenwerkende professionals van het lokaal team op basis van afstemming met partner in het preventieaanbod en lokale organisaties die beroepsmatig in contact staan met gezinnen. Met de vaststelling van een nieuwe Verordening jeugdhulp wordt een juridische basis gelegd voor de zorg die de gemeente in samenwerking met externe partners organiseert voor jeugdigen en hun ouders. Door middel van een partnerschapsovereenkomsten en bevoegdhedenbesluiten worden professionals voor het lokaal team georganiseerd aan wie vooral de taak en verantwoordelijkheid wordt opgedragen voor het vroegtijdig opsporen van jeugdhulpvragen en inzet van laagdrempelige jeugdhulp en ondersteuning zonder beschikking. De professionals van het lokaal team in dienst van de gemeente blijven verantwoordelijk voor het beoordelen van aanvragen voor een maatwerkvoorziening (in natura of PGB). Binnen gemeentelijk vastgestelde kaders en budgetten werken de externe en interne professionals nauw samen in een doelmatige routering en adequate beoordeling van jeugdhulpvragen.

Daarnaast sluit de gemeente (grotendeels vanuit regionale samenwerking met andere gemeenten) contracten af met zorgaanbieders voor de inzet van de verschillende vormen van specialistische jeugdhulp. De gecontracteerde zorgaanbieders zijn volledig verantwoordelijk voor een tijdige uitvoering en de kwaliteit van zorg.

5. Verhouding tussen beleidsplan, verordening en nadere uitwerkingsbesluiten De bepalingen in de verordening worden door de gemeenteraad vastgelegd als algemeen instrumenteel kader ter uitvoering van het gemeentelijk beleidsplan Jeugd. Daarmee wordt in hoofdlijnen vastgelegd hoe het gemeentebestuur invulling geeft aan de zorgplicht zoals opgedragen in de Jeugdwet. Het college stelt nadere

40/84

uitvoeringsregels vast en actualiseert deze periodiek om verbeteringen in het aanbod en de samenwerking met externe partijen te realiseren in het belang van een doelmatige en effectieve jeugdhulp. De opdrachtuitvoering voor jeugdhulp als maatwerkvoorziening heeft de gemeente grotendeels ingeregeld in samenwerking met andere gemeenten in de regio. Het college kan voor de beschikbaarheid van zorgvormen in nadere uitwerkingsbesluiten rechtstreeks verwijzen naar besluiten van het regionaal bestuursorgaan waaraan door de gemeente bepaalde bevoegdheden zijn overgedragen. Op verschillende onderdelen zijn uit oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor zowel hulpvragers als te contracteren hulpverleners nadere uitvoeringsregels gewenst, welke in een of meer uitwerkingsbesluiten van het college worden vastgelegd. De gewenste doorontwikkeling van het stelsel van voorzieningen is gebaat bij een proces van voortdurend reflecteren en evalueren in samenwerking met externe uitvoeringspartners. Daarop kan het college nadere uitwerkingsbesluiten aanpassen en aanvullen. Het streven is om in de komende jaren meer en sneller hulp te kunnen verlenen in zorgvormen zonder beschikking en daarmee het volume aan zorg in beschikte vorm te verminderen.

Ook wordt voortdurend gestreefd naar aanpassing en aanvulling van nadere uitwerkingsbesluiten om zorg te dragen voor tijdige beschikbaarheid van passender zorgvormen als reactie op veranderingen in de lokale hulpvraag. Het college kan op basis van deze verordening besluiten om een nadere regeling vast te stellen voor: a. toegankelijkheid tot algemene voorzieningen voor jeugdigen van buiten de gemeente (artikel 1.2, tweede lid); b. aanwijzing rechtspersoon tot uitvoering van lokaal teamtaken (artikel 2.2, tweede lid); c. mandatering van verschillende professionals van het lokaal team (artikel 2.2, vierde lid) en criteria voor de beoordeling van hulpvragen door deze professionals (artikel 4.2, vijfde lid); d. toegangsvoorwaarden voor jeugdigen en hun ouders met betrekking tot hulpen ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening voor bepaalde hulpvragen (artikel 2.3, tweede lid); e. uitvoeringsvoorwaarden voor gecontracteerde aanbieders van hulp- en ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening voor bepaalde hulpvragen (artikel 2.3, derde lid);

41/84

f. directe beschikbaarheid van op veiligheid en spoedeisendheid gerichte zorg (artikel 2.4, eerste lid); g. keuzevrijheid voor jeugdigen en hun ouders met betrekking tot de gecontracteerde zorgaanbieder van specialistische jeugdhulp op indicatie (artikel 3.1, derde lid); h. afbakening van door de gemeente bekostigde dyslexiezorg en hiervoor in aanmerking komende doelgroep (artikel 3.2, tweede lid) en beoordeling van het leesdossier (artikel 4.6, derde lid); i.

voorwaarden voor toekenning van een vorm van vervoersvoorziening (artikel 3.3, tweede lid);

j.

voorwaarden om in aanmerking te komen voor een alternatief aanbod van jeugdhulp indien passend aanbod ontbreekt (artikel 3.4, derde lid) en aanvraagprocedure (artikel 4.7, tweede lid);

k. onderscheiden zorgvormen bij de inzet van algemene en maatwerkvoorzieningen waarop specifieke toegangsregels en beoordelingscriteria gelden (artikel 4.2, zesde lid en artikel 4.4, derde lid); l.

inhoud en wijze van gespreksvoering met jeugdige en of zijn ouders (artikel 4.3, negende lid);

m. heroverweging en intrekking van indicatiebesluiten (artikel 4.5, zesde lid); n. berekening van persoonsgebonden budget (artikel 5.3, tweede lid); o. aanwijzing en bevoegdheden toezichthouders (artikel 6.2, tweede en derde lid); p. inspraak van inwoners bij de voorbereiding van nieuw beleid en besluitvorming over verordeningen inzake het jeugdbeleid (artikel 8.3, vierde lid).

Artikelsgewijze toelichting Per artikel van de verordening wordt hieronder een nadere toelichting gegeven.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Waarom deze begrippenlijst? 

Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.

42/84

Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de vermelde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.

Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.

Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.

Aanvraag: Hulpvragen van jeugdige en/ of zijn ouders kunnen langs verschillende wegen de professional van het lokaal team bereiken. Rechtstreeks, via informele contacten rondom het gezin, via professionals van andere voorzieningen (onderwijs, zorg, politie, buurtwerk, sport- en culturele werkers) of via een verwijzende instantie (arts, medisch specialist, rechter, gecertificeerde of justitiële instelling). Het is de taak van de professional van het lokaal team om op basis van een quick scan van het gezin te bepalen wat de beste route is om het gezin van een passend antwoord te voorzien. Dat kan zijn: a. informatie en advies waarmee het gezin zelfstandig verder kan; b. toeleiding naar andere voorzieningen op grond van andere wetten en preventieve voorzieningen; c. directe hulp en ondersteuning door de professional van het lokaal team zelf (zo nodig met korte ondersteuning vanuit specialisten); d. attenderen op de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Bij route a, b en c wordt door de professional van het lokaal team geen aanvraagformulier uitgereikt maar slechts vastgelegd wie de inwoner is (inwonertoets), wat zijn hulpvraag is en met welke inzet de hulpvraag het beste kan worden beantwoord (beschikkingsvrij).

Vindt de jeugdige en/ of zijn ouders een inzet van de professional op route a, b of c niet voldoende dan kunnen zij de professional van het lokaal team verzoeken om een aanvraagformulier uit te reiken voor een maatwerkvoorziening. Een aanvraagprocedure wordt te allen tijde gestart met de indiening van het uitgereikte aanvraagformulier, waarmee tevens de behandeltermijn van 8 weken gaat lopen die wordt afgerond met een besluit in de vorm van een beschikking. Bij uitreiking van het aanvraagformulier wordt de jeugdige en/ of zijn ouders geattendeerd op de mogelijkheid een beroep te doen op onafhankelijke cliëntondersteuning.

43/84

Algemene voorziening: De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). In de Jeugdwet wordt naast individuele voorziening alleen (in artikel 2.9) gesproken van ‘overige voorziening’. Een algemene voorziening is derhalve te beschouwen als een ‘overige voorziening’ in de zin van de Jeugdwet. Deze wettelijke term kan verwarrend werken en doet geen recht aan de belangrijke positie van de vrij toegankelijke voorzieningen in het nieuwe jeugdstelsel. Zij zijn geen restcategorie. Daarom wordt toch de term uit de Wmo gebruikt.

Gebruikelijke hulp: in de Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen is vastgelegd dat het college geen jeugdhulp toekent voor zover sprake is van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is een invulling van de voorwaarde van 'eigen kracht’ die de Jeugdwet stelt (artikel 2.3 Jeugdwet). De vraag of en zo ja, welk onderdeel van de hulpvraag tot gebruikelijke hulp behoort, beoordeelt het college op grond van beleidsregels. Uit de Jeugdwet volgt dat het college geen voorziening voor jeugdhulp hoeft te verstrekken voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/ of zijn ouder(s) toereikend zijn (artikel 2.3, eerste lid Jeugdwet). Onder 'eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen' onder andere wordt verstaan de gebruikelijke hulp die ouders geacht worden hun kinderen te bieden. Voor zover gebruikelijke hulp kan worden verwacht, hoeft het college geen jeugdhulpvoorziening toe te kennen. Jeugdhulp kan alleen worden toegekend voor hulp die als meer dan gebruikelijk, ofwel boven gebruikelijk, kan worden beschouwd. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekening als in de Jeugdwet, het landelijke Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening Jeugdhulp en het Besluit Jeugdhulp.

Om vast te stellen welke hulp boven gebruikelijk is, beoordeelt de professional van het lokaal team welke hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. In nadere regels op grond van deze verordening zijn richtlijnen opgenomen van gebruikelijke hulp van ouders

44/84

voor jeugdigen zonder beperkingen. Bij de beoordeling welke hulp hier bovenuit gaat, betrekt de professional van het lokaal team de volgende factoren: 

leeftijd van de jeugdige; aard van de zorghandelingen;

frequentie en patroon van de zorghandelingen;

tijdsomvang van de zorghandelingen.

Het is van belang dat deze criteria telkens in samenhang worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin.

Gezinsplan: met het gezinsplan wordt bedoeld het familiegroepsplan uit de Jeugdwet (artikel 1.1). De term ‘familiegroepsplan’ is in Zutphen geen algemeen bekend begrip.

Maatwerkvoorziening: ‘Individuele voorziening’ is de term die in de Jeugdwet gebruikt wordt voor wat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een ‘maatwerkvoorziening’ heet. De term individuele voorziening wordt in de Jeugdwet niet gedefinieerd, vandaar dat in de verordening een begripsbepaling is toegevoegd waarmee individuele jeugdhulp wordt bedoeld op basis een indicatiebeschikking.

Onderwijszorgarrangement: veel leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs en praktijkonderwijs hebben extra ondersteuning nodig in de vorm van specialistische jeugdhulp. Ook de ouders van deze leerlingen hebben geregeld behoefte aan extra ondersteuning bij de begeleiding en opvoeding van hun kind. De gemeente kan een deel van dit aanbod aan specialistische jeugdhulp (in aanvulling op de algemene ondersteuning die geboden wordt door professionals van het lokaal team op de scholen) laagdrempelig en dicht bij de school organiseren. Dat wil zeggen als algemene in plaats van individuele voorziening. Het gaat om ambulante jeugdhulp die geboden wordt naast het onderwijs of jeugdhulp die in gezamenlijkheid met een onderwijsinstelling geboden wordt in een aparte klas.

Professional: met de professional van het lokaal team wordt de persoon bedoeld die zowel beoordelingstaken uitvoert voor toegankelijkheid naar algemene en maatwerkvoorzieningen in het kader van de Jeugdwet als – zonder indicatiebeschikking - zelf lichte hulp en ondersteuning verleent (bij enkelvoudige 45/84

problematiek). Deze professionals staan in de regel geregistreerd in een beroepsregister (BIG of SKJ), waarmee bepaalde kwaliteitsgaranties worden geboden.

Specialistische jeugdhulp: het onderscheidende karakter van laagdrempelige jeugdhulp en ondersteuning zonder beschikking en specialistische jeugdhulp waarvoor een indicatiebeschikking nodig is, is dat de laatste categorie in de regel meer specifieke kennis en een intensievere en veelomvattende aanpak vraagt. De kosten zijn daardoor in de regel hoger. Specialistische jeugdhulp kan door een grote groep jeugdhulpaanbieders geboden worden waarvoor een aanbestedingsproces geldt om gecontracteerd te worden. De gemeente Zutphen koopt jeugdhulp regionaal in (Zorgregio Midden IJssel / Oost Veluwe).

Artikel 1.2 Doelgroep Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Artikel 2.1 Sociale basis en preventieaanbod Jeugd Het preventieaanbod Jeugd wordt vanuit de Jeugdwet formeel niet aangemerkt als jeugdhulp maar vormen een voorliggende voorziening. Jeugdhulpvoorzieningen kunnen mogelijk wel gecombineerd worden met het preventieaanbod als laagdrempelige algemene voorzieningen geïntegreerd in sociale basisvoorzieningen. De inzet van dit gecombineerde aanbod kan in dat geval gepaard gaan met voorwaarden gebaseerd op de Jeugdwet. Jeugdhulp is immers alleen toegankelijk wanneer gebruikelijke hulp tekortschiet en geen passende ondersteuning mogelijk is vanuit voorliggende voorzieningen.

Artikel 2.2 Lokaal team Lokaal teamtaken kunnen op basis van deze verordening worden uitgevoerd door professionals in dienst van aangewezen rechtspersonen of de gemeente zelf. Waarbij een taakverdeling wordt gehanteerd op basis van de zwaarte en complexiteit van hulpvragen. De professionals werken samen in het lokaal team dat beschouwd kan worden als algemeen toegankelijke voorziening waar jeugdigen en hun ouders met hun hulpvragen terecht kunnen. Afhankelijk van de inhoud en 46/84

complexiteit van de hulpvraag draagt de gemeente zorg dat de professional wordt ingezet die beschikt over de bevoegdheden en kwaliteiten om de hulpvraag adequaat op te lossen.

Artikel 2.3 Opvoed- en opgroeiondersteuning Aanvullend op de ondersteuningscapaciteit vanuit het lokaal team kan de gemeente voor specifieke hulpvragen een additioneel aanbod aan opvoed- en opgroeiondersteuning inkopen. Dit aanbod wordt in de gemeente aangeboden in nauwe afstemming met de professionals van het lokaal team. Het aanbod kan vrij toegankelijk zijn of zich richten op specifieke doelgroepen. In die zin kunnen aan de toegankelijkheid voorwaarden worden gesteld.

Artikel 2.4 Op veiligheid en spoedeisende zorg gerichte algemene voorzieningen De gecertificeerde instellingen die in Zutphen de jeugdbescherming en –reclassering uitvoeren mogen in opdracht van het college ook gezinnen begeleiden zonder dat er sprake is van een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel. In die gevallen wordt gesproken van intensieve vrijwillige zorg. In de meeste gevallen zal een lokaal team in goed overleg met de jeugdige en zijn ouders een gezin aanmelden bij de gecertificeerde instelling. Ook een melding bij Veilig Thuis kan aanleiding zijn om een gezin in contact te brengen met een gecertificeerde instelling. De intensieve vrijwillige zorg is altijd vrijwillig.

Hoofdstuk 3 Maatwerk voorzieningen Artikel 3.1 Specialistische jeugdhulp Specialistische jeugdhulp wordt alleen ingezet als aanvulling op het vrij toegankelijke aanbod aan preventie en jeugdhulp in de vorm van algemene voorzieningen zoals omschreven in hoofdstuk 2. In veel gevallen zal de beoordelende professional vanuit het lokaal team ook betrokken blijven bij de ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders als specialistische jeugdhulp ingezet wordt. Specialistische jeugdhulp wordt zoveel als mogelijk ambulant gegeven. Dat wil zeggen dat de jeugdhulpverlener met de jeugdige en of zijn ouders op de locatie van de aanbieder, thuis of op school ondersteuning biedt, kortom in het netwerk van de jeugdige. Naast ambulant, kan specialistische jeugdhulp ook geboden

47/84

worden als daghulp en kortdurend verblijf (als logeervoorziening) op de locatie van de aanbieder. Doel is dan de ontlasting van de ouders (respijtzorg).

Artikel 3.2 Jeugdbescherming Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 3.3 Jeugdreclassering Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 3.4 Zorg voor ernstige dyslexie Dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie (ED) viel tot 1 januari 2015 onder de Zorgverzekeringswet en het regime van de geestelijke gezondheidszorg. Met inwerkingtreding van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk geworden voor deze zorg en valt zij onder de noemer ‘jeugdhulp’. In de Jeugdwet (of het Besluit of Regeling Jeugdwet) is deze vorm van jeugdhulp niet nader afgebakend. Vanaf 1 januari 2015 heeft de gemeente de voor die tijd gegroeide praktijk voortgezet. Deze bestond eruit dat alleen dyslexiezorg voor jeugdigen met ernstige dyslexie wordt vergoed en dat het in de regel jeugdigen in de leeftijd van 7 tot 13 jaar betreft (deze laatste inperking lag vast in de ministeriële regeling behorende bij de Zorgverzekeringswet).

Artikel 3.5 Vervoer Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 3.6 Overige maatwerk voorzieningen jeugdhulp In bijzondere gevallen kan het nodig zijn om een niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder in te schakelen om specialistische jeugdhulp te bieden aan een jeugdige en zijn ouders. Feitelijk gaat het dan niet om andersoortige jeugdhulp dan beschreven in artikel 3.1 (specialistische jeugdhulp) en artikel 3.2 (dyslexiezorg). In die gevallen kan de gemeente andere eisen stellen aan de

48/84

toegangsprocedure zoals beschreven in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van deze verordening en de nadere regels die daarop gebaseerd zijn.

Hoofdstuk 4 Toegankelijkheid tot voorzieningen Artikel 4.1 Toegankelijkheid van algemene en maatwerkvoorzieningen In het derde lid van dit artikel is als algemene regel geformuleerd dat de toegankelijkheid tot algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen verloopt via het gesprek dat de professional van het lokaal team met de jeugdige en zijn ouders voert (en het gezinsplan dat daar een weerslag van is). Alle professionals van het lokaal team kunnen een aanvraagformulier uitreiken (vierde lid). Beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening vindt uitsluitend plaats door de bevoegde professionals van het lokaal team. Huisarts, jeugdarts en medisch specialist hebben op grond van de Jeugdwet de eigenstandige bevoegdheid om een indicatie af te geven voor jeugdhulp (zevende lid). Uitgangspunt bij een arts verwijzing naar specialistische jeugdhulp is dat de afstemming met een lokaal team en daarmee de integrale afweging van zorgbehoeften in een gezinsplan niet perse nodig. De verwijzing kan zowel naar laagdrempelig georganiseerde beschikkingsvrije jeugdhulp zijn als gecontracteerde maatwerkvoorzieningen waarvoor anders een indicatiebesluit van het college nodig is.

Bij een voorgenomen verwijzing naar niet gecontracteerde jeugdhulpvoorzieningen is de jeugdhulpaanbieder verplicht contact op te nemen met de bevoegde professional van het lokaal team in het kader van de zorgtoewijzing. In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van specialistische jeugdhulp tot een gezinsplan is opgesteld (achtste lid). In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het lokale team heeft plaatsgevonden en een gezinsplan is opgesteld. NB Het gaat dan om kortdurende inzet. Wanneer daarna langdurig specialistische jeugdhulp nodig is, dient alsnog een gezinsplan opgesteld te worden.

Artikel 4.2 Beoordelingsregels naar aard en complexiteit van hulpvragen Het college kan nadere regels opstellen met als doel om zo snel mogelijk de professional van het lokaal team in contact te brengen met het gezin, die beschikt

49/84

over de kwaliteiten en bevoegdheden nodig voor een adequate oplossing van de hulpvraag.

Artikel 4.3 Het gesprek en het gezinsplan Er wordt in de verordening (en nadere regels) niets vastgelegd over de wijze waarop het gesprek gevoerd wordt tussen lokaal team en jeugdige en/ of zijn ouders (en eventuele andere betrokken). Dit zou de handelingsvrijheid van de jeugdige, zijn ouders én professionals te veel beperken. In de verordening ligt alleen vast wat er in het gesprek aan de orde kan komen (als dit van belang is), niet welke methodiek of instrumentarium gebruikt moet worden of wie er precies bij betrokken moeten zijn, of hoe vaak en hoe lang de gesprekken gevoerd worden. Natuurlijk gelden hierbij wel de eisen die de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet stellen aan de kwaliteit van de toegankelijkheid. Het kan voorkomen dat een ouder of jeugdige al zelf een gezinsplan heeft opgesteld voordat hij/ zij binnenkomt bij het lokaal team. In dat geval wordt dit plan als uitgangspunt genomen voor het gesprek. Het is dus niet zo dat op basis van het gezinsplan alleen besloten wordt tot de inzet van specialistische jeugdhulp. De inhoud van het gezinsplan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de uitkomsten van het gesprek altijd in het gezinsplan vastgelegd worden. De instemming met de uitkomsten van het gesprek moet altijd op ondubbelzinnige wijze worden vastgelegd.

Het besluit tot inzet van specialistische jeugdhulp wordt toegevoegd aan het gezinsplan, maar is juridisch gezien een eenzijdige, publiekrechtelijke, beslissing van het college (de facto genomen door de gemandateerde professional van het lokaal team). Het besluit wordt wel genomen op grond van het gezinsplan. Het gezinsplan is van de jeugdige en/ of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen (beoogde resultaten) zoals vastgelegd in het gezinsplan. De relevante informatie uit het gezinsplan kan door de jeugdige en/ of zijn ouders zelf of door het lokaal team aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/ jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor. Natuurlijk gelden bij het delen van het gezinsplan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in de Jeugdwet zelf (zie § 7.3 rond dossiervorming). Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen. Het is aan de ouders

50/84

om in samenspraak met het lokaal team (of arts) te bepalen welke informatie in het gezinsplan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/ of zijn ouders aan de ene kant en het lokaal team (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen moet het recht op privacy en het belang van het kind tegen elkaar afgewogen worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy protocollen van de uitvoerders (professionals lokale team) wordt hieraan aandacht besteed.

Artikel 4.4 Algemene criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning van jeugdhulp In de verordening worden de criteria en afwegingsfactoren bij de beoordeling tot toekenning van algemene en maatwerkvoorzieningen voor jeugdhulp alleen in algemene termen beschreven. In het tweede lid is een ‘kan’ bepaling opgenomen voor de tot beoordeling bevoegde professional. Dat kan ook een externe professional zijn die met een flexibele schil is verbonden aan het lokaal team (met specifieke expertise). Criteria kunnen uitgewerkt worden in nadere regels.

Artikel 4.5 Inhoud en geldigheidsduur van besluit toekenning maatwerk voorziening Algemene regel is dat het college binnen 8 weken na het indienen van een aanvraag een besluit neemt. Binnen deze termijn moet een volledig onderzoek afgerond zijn. In sommige situaties is een volledig onderzoek niet nodig en kan volstaan worden met een kortere termijn voor het nemen van een besluit tot inzet van een passende jeugdhulpvoorziening, bijvoorbeeld bij verwijzing door een arts, gecertificeerde instelling. In spoedeisende situaties kan sprake zijn van een besluit dat wordt genomen nadat de inzet van jeugdhulp al is gestart (binnen 4 weken na de start). In het besluit van het college moet altijd een einddatum zijn opgenomen voor de inzet. Het uitgangspunt is om in samenspraak tussen jeugdige en zijn ouders, de professional van het lokaal team en – bij specialistische jeugdhulp – de te betrekken jeugdhulpaanbieder te komen tot een besluit. Bij de totstandkoming van dit besluit zijn vaak ook het eigen netwerk van de jeugdige en zijn ouders betrokken, omdat ook zij een rol spelen. Op het moment dat de jeugdige en zijn ouders en het lokale team er niet uitkomen, kan er door de jeugdige en/ of zijn ouders een gezinsplan

51/84

worden ingediend dat dient als aanvraag. Op basis hiervan wordt dan door het lokaal team een besluit genomen en op schrift gesteld, met daarop vervolgens de mogelijkheid om gebruik te maken van de juridische instrumenten van bezwaar en beroep.

Artikel 4.6 Toegankelijkheid zorg bij ernstige dyslexie Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende (gecontracteerde) dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig. Bij ernstige dyslexiezorg gaat het om hardnekkige problemen bij het leren lezen en/ of schrijven (spellen), die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kunnen worden. ‘Enkelvoudig’ slaat op het feit dat er geen sprake moet zijn van een algemene ontwikkelingsachterstand (verstandelijke beperking) of ernstige gedragsproblematiek, die de behandeling van de ernstige dyslexie onmogelijk maken. Het onderzoek en de behandeling moet plaatsvinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders. Het college kan nadere regels stellen voor de controle van het leesdossier.

Artikel 4.7 Toegankelijkheid overige maatwerkvoorzieningen jeugdhulp In dit artikel wordt de toegankelijkheid beschreven tot het aanbod van niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en de landelijke raamcontracten. Bij niet gecontracteerd aanbod neemt het college een besluit tot inzet van jeugdhulp door een niet gecontracteerde aanbieder op basis van een aanvraag van het lokale team of een andere bevoegde professional (bijvoorbeeld arts of gecertificeerde instelling). De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier en procedure opgesteld, die niet vastliggen in de verordening zelf. Bij het landelijke aanbod liggen afspraken over de toegankelijkheid vast in de landelijke raamcontracten. Deze afspraken komen erop neer dat de betreffende jeugdhulpaanbieder de cliënt accepteert op basis van een verwijzing (van arts of

52/84

andere bevoegde professional) en de aanbieder de gemeente na het opstellen van een hulpverleningsplan op de hoogte stelt van de start zorg. Deze jeugdhulpaanbieders hoeven dus niet te wachten met het starten van de zorg totdat het college een besluit heeft genomen. De route naar overige individuele voorzieningen verloopt over het algemeen hetzelfde als die voor specialistische jeugdhulp. Dit houdt onder meer in dat het in het geval van betrokkenheid van het lokale team er een gezinsplan wordt opgesteld.

Hoofdstuk 5 Aanvullende regels persoonsgebonden budget Artikel 5.1 Het PGB-plan Een PGB-financieringsaanvraag geschiedt door indiening van een PGB-plan. Het PGB-plan vormt een aanvulling op het gezinsplan, maar vervangt deze niet. Hulpvraag en doelen (beoogde resultaten) liggen vast in het gezinsplan. Alleen de details met betrekking tot de uitvoerder van de PGB-zorg liggen vast in het PGBplan. PGB-financieringsaanvragen op hulpvragen waarvoor een passende ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening beschikbaar is, worden uitgesloten van verstrekking van een persoonsgebonden budget.

Artikel 5.2 Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het PGB-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere PGB-tarief en voor informele hulp geldt een lager tarief (op basis van het wettelijk minimumloon). Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP’er). Van formele hulp is sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder wordt deze echter voor de berekening van het PGB-budget niet beschouwd als formele hulp. Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria 53/84

genoemd in het tweede lid van deze bepaling. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende PGB-tarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorvader, erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn: 

(adoptie)ouders;

(adoptie)kinderen.

Bloedverwanten in de tweede graad zijn: 

grootouders;

kleinkinderen;

broers en zussen.

Artikel 5.3 Vaststellen hoogte van persoonsgebonden budget Met jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten zijn afspraken gemaakt over de tarieven voor de te leveren zorg. Voor jeugdhulpverleners die in het kader van een persoonsgebonden budget door ouders zelf betaald worden gelden deze afspraken niet. De jeugdige en zijn ouders wordt gevraagd in goed overleg met het lokaal team een inschatting te maken van de benodigde inzet, uitgedrukt in aantal uren, dagdelen of etmalen (afhankelijk van de aard van de zorg). Het lokaal team maakt vervolgens een inschatting of het door de PGB-zorgverlener gevraagde aantal uren, dagdelen of etmalen en tarief reëel is en neemt hierover een besluit. Voor het berekenen van de hoogte van het budget wordt uitgegaan van maximaal het tarief van vergelijkbare gecontracteerde zorg. In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2017 heeft de rechter in een zaak van de gemeente Emmen bepaald dat de essentialia van het voorzieningenpakket in de verordening moeten worden vastgelegd. Hieronder valt ook de tariefdifferentiatie van het PGB. De rekentarieven worden op basis van de regels in deze verordening vastgesteld in een nadere regeling zodat deze kunnen

54/84

worden aangepast zodra veranderingen optreden in tariefafspraken met gecontracteerde jeugdhulpverleners en wijziging van het wettelijk minimumloon. De in een nadere regeling vast te leggen tarieven zijn rekentarieven die gebruikt worden om de hoogte van het PGB te berekenen. Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief moet de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/ haar rekening nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet). Wanneer het tarief lager is dan het rekentarief heeft de budgethouder de vrijheid om meer uren zorg in te zetten.

Artikel 5.4 Verstrekken persoonsgebonden budget formele en informele hulp De formele zorgverlener moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Deze kwaliteitseisen gelden ook voor de formele zorgverleners die door middel van een PGB worden ingezet. In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1, derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener moet ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn. Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/ of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben. Verder is in dit artikel opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG).

Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokaal team. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden. Ook is in dit artikel de verplichting opgenomen dat de informele hulpverlener calamiteiten direct meldt aan het lokaal team. Meer informatie hierover is te vinden in de meldplicht calamiteiten, de richtlijn van de Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd.

55/84

Tot slot is in het tweede lid van dit artikel een bepaling opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de Arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het PGB kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat als uit de toepassing van het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling blijkt dat hulp geboden moet worden door een geregistreerde professional, dit de inzet van iemand uit het sociaal netwerk uitsluit. In het vierde lid van dit artikel is opgenomen dat er geen mogelijkheid is tot het opnemen van een verantwoordingsvrij bedrag. Artikel 8.1.1, tweede lid, aanhef en onder a. van de Jeugdwet stelt – voor zover van belang – als voorwaarde voor het verstrekken van een PGB dat de cliënt naar het oordeel van het college met hulp van zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het betreft onder andere taken als het aangaan van een overeenkomst, het aansturen van de hulpverleners en het bijhouden van een administratie.

Als een hulpverlener het PGB beheert waaruit hij tevens bekostigd wordt, kan dit leiden tot belangenverstrengeling. Dit is ongewenst, omdat het belang van de hulpverlener niet boven dat van de cliënt mag gaan. Opgemerkt wordt dat het in gevallen denkbaar is dat de dubbelrol onvermijdelijk is. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen van bijvoorbeeld een eenoudergezin waarin er niemand anders is die het PGB kan beheren. In deze uitzonderlijke gevallen kan het college (het lokaal team) op grond van het vijfde lid van dit artikel toestemming voor de dubbelrol geven.

Hoofdstuk 6 Feiten en omstandigheden Artikel 6.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Op grond van artikel 2.9, onderdeel d. van de Jeugdwet is de gemeenteraad verplicht bij verordening regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget. De tekst van hoofdstuk 6 is grotendeels ontleend aan de bepalingen rond bestrijding van misbruik die de wet stelt in het kader van het verstrekken van persoonsgebonden

56/84

budgetten (artikel 8.1.2 tot en met 8.1.4). We herhalen in de verordening de wet om de leesbaarheid te vergroten. Bovendien wordt de toepassing van deze regels verbreed naar voorzieningen in natura. Ten slotte, het intrekken of herzien van een besluit kan natuurlijk ook relevant zijn als in gevallen waar geen sprake is van misbruik, maar gewoon van een gewijzigde (inschatting van de) situatie.

Artikel 6.2 Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 6.3 Opschorting betaling uit het PGB Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Hoofdstuk 7 Afstemming andere voorzieningen Artikel 7.1 Overgang naar volwassenheid Jeugdhulp stopt in principe bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Maar in bepaalde gevallen kan de jeugdhulp ook nog doorlopen na de leeftijd van 18 jaar. Op deze plaats is het nog wel van belang te melden dat kinderbeschermingsmaatregelen stoppen met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dit komt omdat deze maatregelen in het Burgerlijk Wetboek zijn gekoppeld aan het begrip ‘minderjarige’. En een minderjarige is iemand die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. De uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering door een gecertificeerde instelling valt overigens niet onder de definitie van jeugdhulp. Voor jeugdreclassering geldt geen leeftijdsgrens. De leeftijdsgrens ligt dus in beginsel bij 18 jaar. Maar deze leeftijdsgrens geldt niet voor jeugdhulp in het kader van het jeugdstrafrecht. In dat geval is er zelfs geen leeftijdsgrens bepaald en kunnen zelfs jongvolwassenen van 24 jaar of ouder nog tot de doelgroep behoren. In dat geval kan elke vorm van jeugdhulp dan nog doorlopen. Het jeugdstrafrecht rekt in feite ook de definitie van jeugdhulp op. Er kan immers ook sprake zijn van begeleiding die pas aanvangt na het 18e levensjaar, waarbij dat dan aangemerkt wordt als jeugdhulp en niet als een voorziening op grond van de Wmo 2015.

57/84

In de definitie van jeugdige is nog een andere verruiming van de doelgroep geregeld. In dat geval en onder die voorwaarden geldt een leeftijdsgrens van 23 jaar. Om welke jeugdhulp gaat het dan en om welke voorwaarden? Het gaat in dit geval alleen om de jeugdhulp die is gedefinieerd in artikel 1.1, onderdeel p., onder 1o: “ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen”. Het gaat dan in ieder geval om hulp die voorheen op grond van de Wet op de jeugdzorg werd geboden (zoals pedagogische begeleiding of vaardigheidstraining). Er is namelijk geen ander wettelijk kader dat in deze hulp voorziet na het 18e jaar. In het kort geldt eigenlijk dat het alle jeugdhulp betreft waar geen ander wettelijk systeem in voorziet na het 18e naar. Het gaat dus niet meer om jeugdhulp in de definitie van artikel 1.1, onderdeel p., onder 2o en 3o, dus het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, maar ook ondersteuning bij het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid is vanaf het 18 jaar geen jeugdhulp meer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=37cfb683-ee8b-4edf-84d1-72de79676cbc