CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

352382RH 2022_BW_00444

Raadsvergadering 14 november 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Verordening jeugdhulp gemeente Zutphen 202226.481 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Behalve als er dus sprake is van toepassing van het jeugdstrafrecht zoals hiervoor is beschreven. Hoewel de redactie van de definitie van jeugdige in de Jeugdwet daarover niet heel duidelijk is, blijkt uit de Memorie van Toelichting dat deze beperking geldt voor alle voorwaarden waaronder de verlengde jeugdhulp kan worden verleend. Dus voor alle drie de voorwaarden geldt dat het alleen nog kan gaan om de hierboven beschreven jeugdhulp onder 1o. De drie voorwaarden voor verlengde jeugdhulp zijn opgenomen in de definitie van jeugdige onder 3o Het gaat hier om het volgende: 1. er is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; 2. er is vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of

58/84

3. er is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. Belangrijk is dat het hiervoor vermelde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep ook bij het bepalen van de noodzaak voor verlengde jeugdhulp blijft gelden. Dit betekent ook dat wettelijk voorliggende voorzieningen als de Wmo 2015 bij de beoordeling eerst aan bod komen. Hierdoor zal uiteindelijk ook alleen nog sprake kunnen zijn van hulp die niet onder een ander wet valt. Er moet wel daadwerkelijk een aanspraak of een recht op zorg zijn. De overgang van 18-min naar 18-plus verloopt momenteel nog niet altijd even soepel voor jeugdigen. Ze kunnen vanaf hun 18e jaar te maken krijgen met verschillende wettelijke kaders, die niet altijd goed op elkaar aansluiten. Hierdoor kunnen hun problemen verergeren, terwijl eerder anticiperen en samenwerken dit had kunnen voorkomen. Met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar valt de jeugdige niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo of Zvw. Het is dus van belang om jeugdigen in de overgang van minderjarigheid naar het bereiken van de meerderjarige leeftijd zo goed mogelijk te begeleiden, als zij ook na het 18e levensjaar nog ondersteuning nodig hebben.

Om de geboden jeugdhulp niet te abrupt te beëindigen, kan er in overleg met de gemeente voor worden gekozen om de hulp bij een jeugdhulpaanbieder door te laten lopen, maar deze te financieren vanuit de Wmo. Het is aan de gemeenten om dit te bepalen en goed te regelen.

Pleegzorg Bijzondere aandacht verdient nog de pleegzorg. Pleegzorg valt niet onder een andere wettelijke regeling. Ook pleegzorg kan ook na 18 jaar nog nodig zijn. Het is immers niet altijd zo dat een pleegkind bij 18 jaar al aan toe is om het pleeggezin te verlaten en op eigen benen te staan. Het is daarom mogelijk pleegzorg te verlengen tot de jeugdige 23 jaar is. Tot 1 juli 2018 liep dit via de verlengde jeugdhulp. Sinds 1 juli 2018 geldt er een bestuurlijke afspraak tussen VNG, Jeugdzorg Nederland en het Ministerie van VWS die regelt dat pleegzorg voortaan standaard tot 21 jaar ingezet zal worden, tenzij het pleegkind heeft aangegeven geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg. Het blijft ook mogelijk dat de pleegzorg nog na de 21e verjaardag nodig is. Het college kan de pleegzorg dan ‘verlengen’ uiterlijk tot de jeugdige 23 jaar is. Dit loopt dan via de criteria van de verlengde jeugdhulp. Er moet in elk geval sprake zijn van lopende pleegzorg en een noodzaak tot voortzetting daarvan.

59/84

Samenloop pleegzorg en begeleiding Valt begeleiding voor een jeugdige van 19 jaar onder de Jeugdwet als de jeugdige voor pleegzorg verlengde jeugdhulp ontvangt? Nee, begeleiding valt vanaf 18e jaar altijd onder de Wmo (artikel 1.2.1, onder a. Wmo 2015), tenzij er sprake is van het jeugdstrafrecht. Het is dus niet mogelijk dat een jeugdige van 19 jaar begeleiding krijgt vanuit de Jeugdwet. Ook niet als de jeugdige voor een andere hulpvraag wel nog jeugdhulp vanuit de Jeugdwet ontvangt. Pleegzorg wordt alleen vanuit de Jeugdwet geboden. Er is geen andere wet die deze specifieke vorm van jeugdhulp na het bereiken van de 18-jarige leeftijd biedt. Daarom kan pleegzorg wel (in de vorm van verlengde jeugdhulp) doorlopen op grond van de Jeugdwet nadat de jeugdige 18 jaar is geworden.

Verblijf in gezinshuis Per 30 januari 2020 is een bestuurlijke afspraak tussen het ministerie van VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland, VGN, Gezinshuis.com en Driestroom van kracht die regelt dat het verblijf in een gezinshuis voortaan standaard tot 21 jaar ingezet zal worden. Deze afspraak geldt met ingang van 1 februari 2020. De voorwaarden voor deze verlenging zijn de volgende. Als voorwaarde wordt gesteld dat in overleg tussen gemeente, jongere, gezinshuisouder(s) en, indien betrokken, de behandelverantwoordelijke, een perspectief voor de toekomst is vastgesteld. Het verblijf in het gezinshuis wordt verlengd tot de leeftijdsgrens van 21 jaar, tenzij: 

de jongere dat zelf niet wil;

en/ of de gezinshuisouder(s) niet instemmen;

en/ of voor alle partijen (inclusief de jongere) duidelijk is dat de jongere andere passende hulp nodig heeft, en die hulp ook beschikbaar is;

en/ of de jongere voldoet aan de criteria van de Wlz.

Jeugdhulp voor ouders? Verlengde jeugdhulp is in de Jeugdwet geregeld in de definitie van jeugdige, in de zin van jeugdhulp aan een jeugdige van 18 jaar of ouder. Strikt genomen valt jeugdhulp aan ouders van jeugdigen van 18 jaar en ouder dus niet onder de 60/84

verlengde jeugdhulp. Ouders vallen wel onder de doelgroep van de Jeugdwet. Dat blijkt uit de definitie van jeugdhulp: ‘(…) aan jeugdigen en hun ouders’. Maar in de definitie van jeugdhulp staat de hulp aan ouders bij opvoedingsproblemen genoemd onder onderdeel 1o. Ondersteuning van de ouders bij de opvoeding van hun kind, wordt niet gezien als begeleiding (in de zin van artikel 1.1 Jeugdwet, onderdeel 3o van het begrip). Deze ondersteuning valt wel onder de Jeugdwet. Dit wordt ook wel opvoedondersteuning of opvoedhulp genoemd. Het is een vorm van hulp om ouders te ondersteunen bij opvoedingsproblemen (artikel 1.1 Jw, onderdeel 1o van begrip jeugdhulp). Nu de wet voor het eerste deel van de definitie geen leeftijdsgrens heeft bepaald, kan worden aangenomen dat die vormen van jeugdhulp aan ouders onder omstandigheden ook nog na 18 jaar kunnen doorlopen. Daar komt bij dat de definitie van ‘ouder’ in de Jeugdwet geen leeftijdsgrens kent. Maar de definitie heeft het wel over de gezaghebbende ouder. En het gezag van de ouder stopt met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Maar hoe strikt moeten we hiermee omgaan? Ook ondersteuning aan ouders van jongeren van 18-23 jaar kan vallen onder de Jeugdwet, als er sprake is van multi-problematiek (artikel 2.1, onder f. Jeugdwet).

De jeugdhulp voor de volwassenen richt zich dan specifiek op het verbeteren van de opvoed- en opgroeisituatie. Als het gaat om hulp aan de ouder speelt de verlengde jeugdhulp (in de zin van jeugdhulp aan een jeugdige van 18 jaar of ouder), eigenlijk niet. Een ouder heeft vanaf het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt, geen gezag meer. Kan hij, ondanks het ontbreken van die gezag relatie, dan nog wel opvoedingsondersteuning krijgen? Ja, dat zou nog wel kunnen. Als de ouder nog steeds de verzorger/ opvoeder is, voldoet hij aan het begrip ‘ouder’ in de zin van de Jeugdwet. En opvoeden houdt niet op bij het 18e jaar. Het zou kortzichtig zijn hier geen hulp aan de ouder te geven als dat op latere termijn mogelijk problemen gaat opleveren; juist bij die overgang naar volwassenheid. Maar hier kun je anders (strikter) over denken. Het gaat hier niet om de zogenoemde respijtzorg. Dit is geregeld in artikel 2.3, derde lid van de Jeugdwet. Deze respijtzorg stopt bij 18 jaar. Als er sprake is van een jeugdige met een Wlz-indicatie dan komt de respijtzorg (logeeropvang om de mantelzorg te ontlasten) ten laste van de Wlz. De mantelzorger kan in dat geval dus geen beroep doen op respijtzorg vanuit de Jeugdwet of de Wmo 2015.

61/84

Jeugdstrafrecht en jeugdreclassering “De grens van 18 jaar geldt niet als de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing. In dat geval kan de hulp doorlopen na het 18e jaar. Maar de jeugdhulp kan dan zelfs starten als iemand al ouder is dan 18 jaar. Dat geldt voor alle vormen van jeugdhulp (zie artikel 1.1 Jeugdwet, evenals artikel 1.2, derde lid in samenhang met artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b. Jeugdwet). Dit betekent overigens niet dat er naast jeugdhulp ook nog hulp op basis van een andere wet mogelijk is. Niet alle hulp aan iemand die valt onder het adolescentenstrafrecht valt automatisch onder de Jeugdwet. Dit hangt af van welke hulp er bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing nodig is. Voor deze hulp geldt dat het moment waarop de hulp start en eindigt voortvloeit uit het Wetboek van Strafrecht (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 122). Het gaat dan om de jeugdige die 18 jaar oud is en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat hierbij in het kort om het jeugdstrafrecht. Dat wordt toegepast voor jeugdigen die op het moment van het begaan van het delict jonger zijn dan 23 jaar. Op het moment van berechting of gedurende de tenuitvoerlegging van de straf, kunnen ze echter ouder zijn dan 23 jaar.

De jeugdhulp loopt in dat geval dus ook door na het 23e jaar. Dus wanneer de Gecertificeerde Instelling (GI) bij de uitvoering van een jeugdreclasseringsmaatregel bepaalt dat hulp nodig is, dan zal dit altijd op grond van de Jeugdwet gefinancierd moeten worden. Alle hulp die in het kader van jeugdreclassering nodig wordt geacht moet daarom op grond van de Jeugdwet worden ingezet. Dit geldt zowel voor de Wmo als voor Ggz bij 18+. Dit geldt ook bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing voor de jeugdhulp die daarbij nodig is naar het oordeel van de rechter, het OM, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 lid 2 aanhef en onder b. Jeugdwet: “alsmede de jeugdhulp inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.”

62/84

Jeugdbescherming Jeugdbescherming stopt altijd met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Dat komt omdat dergelijke maatregelen (zoals OTS) gekoppeld zijn aan het gezag over minderjarigen. En de minderjarigheid loopt op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot de leeftijd van 18 jaar. Dit betekent dat een GI bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel niet meer bevoegd is jeugdhulp te bepalen voor de periode nadat de jeugdige 18 jaar is geworden. Een GI kan dus in zo’n geval geen verlengde jeugdhulp bepalen. De door hen uitgevoerde voogdij is dan immers al gestopt.

Artikel 7.2 Afstemming gezondheidszorg De Zorgverzekeringswet is dus een (wettelijk) voorliggende voorziening ten opzichte van de Jeugdwet. Het gaat hier alleen om de basisverzekering en niet om een eventueel aanvullende verzekering. Die kan onder de ‘eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen’ vallen. Als een jeugdige of ouders zich melden met een hulpvraag, moet de het lokaal team die altijd onderzoeken. Ook als bij de melding al verzocht wordt om bepaalde jeugdhulp waarvoor de jeugdige of ouders aanvullend verzekerd zijn. Na onderzoek kan immers blijken dat andere, of aanvullende hulp nodig is. Een aanvullende verzekering vergoedt niet altijd de volledige kosten. Als vaststaat dat de hulp noodzakelijk is en meer behandelingen nodig zijn of slechts een gedeelte wordt vergoed, moet het college hiervoor in het kader van de Jeugdwet aanvullend een voorziening treffen. De jeugdige of zijn ouders kunnen niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. Het is namelijk een privaatrechtelijke verbintenis. Een ieder is vrij om zo'n overeenkomst te sluiten. Beschikken de ouders/ jeugdige niet over een aanvullende verzekering, dan is het college dus aan zet om de noodzakelijke hulp in te zetten.

Verschil met basisverzekering Zorgverzekeringswet Een aanvullende verzekering is iets anders dan de basisverzekering. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te verstrekken als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (artikel 1.2, eerste lid,

63/84

onderdeel a. Jeugdwet). Hiermee wordt de basisverzekering bedoeld. Wie in Nederland woont of werkt, moet een basisverzekering afsluiten. Dat is een wettelijke plicht. Dit betekent dan ook dat iedereen aanspraak kan maken op de zorg die onder de basisverzekering valt. Als de benodigde hulp verzekerd is via de basisverzekering mag het college de aanvraag afwijzen op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a. Jeugdwet.

Verpleging en verzorging (Zvw of Jeugdwet) Verpleging en verzorging aan verzekerden valt onder de Zvw. Meer specifiek gaat het om de 'zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden' (artikel 2.10 Besluit zorgverzekering). Onder deze zorg valt bijvoorbeeld wijkverpleging, maar ook palliatief terminale zorg (PTZ). De 'zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden' omvat de verpleging én de verzorgende handelingen als onderdeel van die verpleging.

Verpleging Verpleging valt volledig onder de Zvw. Ook als het gaat om verzekerden tot 18 jaar.

Verzorging en geneeskundige zorg Met ingang van 1 januari 2018 valt de zorg, zoals verpleegkundigen die plegen en die verband houdt met de behoefte aan de geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop, en de verzorging van deze jeugdigen tot 18 jaar, onder de aanspraak van de Zorgverzekeringswet (Zvw) in plaats van de Jeugdwet. Verzorging aan verzekerden tot 18 jaar valt deels onder de Zvw en deels onder de Jeugdwet. De Jeugdwet spreekt dan van persoonlijke verzorging. Onder de Zvw valt de persoonlijke verzorging die nodig is in verband met een 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Bedoeld wordt de verpleging en verzorging die verpleegkundigen bieden. Dit wordt ook wel wijkverpleging genoemd. Voor jeugdigen tot 18 jaar beoordeelt een kinderverpleegkundige of er sprake is van 'behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop'. Als dat zo is, geeft de kinderverpleegkundige een indicatie af voor persoonlijke verzorging op grond van de Zvw. Voorbeelden van deze zorg zijn:

64/84

schoonhouden en verzorgen van stoma, toedienen medicijnen, toedienen van sondevoeding. Onder de Jeugdwet valt de persoonlijke verzorging bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Bedoeld wordt de zorg die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Voor jeugdigen tot 18 jaar beoordeelt een medewerker van het jeugdteam of de persoonlijke verzorging onder de Jeugdwet valt. Bijvoorbeeld zorg bij: wassen, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging en hand- en voetverzorging. De afbakening Zvw-Jeugdwet voor persoonlijke verzorging voor jeugdigen tot 18 jaar is dezelfde als die voor persoonlijke verzorging voor volwassenen (Zvw-Wmo 2015). Zorginstituut NL duidt de term ‘zorg’ zoals verpleegkundigen dat plegen te bieden als volgt: ‘Op basis van een lijst met handelingen of activiteiten kan het onderscheid tussen Zvw en Jeugdwet niet gemaakt worden. Het onderscheid moet gezien worden meer in de context waarin de ‘verzorging’ plaatsvindt. Bij de ‘verzorging’ die de verpleegkundige tot zijn verantwoording rekent, is er sprake van onderliggend medisch lijden. De ‘verzorging’ vindt plaats in een geneeskundige context. De weging van de context vindt plaats bij de indicatiestelling door de (kinder)verpleegkundige.’ Uitgangspunt is het bepalen van de aanspraak ‘Verzorging’: 

vindt de geboden verzorging plaats binnen een geneeskundige context dan valt dit onder de Zvw;

is de verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) dan valt het onder de Jeugdwet.

De aanspraak verzorging kan bepaald worden bij de indicatiestelling door de kinderverpleegkundige.

Artikel 7.3 Afstemming langdurige zorg De Wet langdurige zorg (Wlz) heeft in beginsel voorrang boven de Jeugdwet. Dus als een jeugdige aanspraak kan maken op de Wlz, dan wordt van hem verwacht dat hij een Wlz-aanvraag doet. Voor zover de hulp uit de Wlz wordt bekostigd, hoeft het college geen jeugdhulp in te zetten. Sommige vormen van hulp biedt de Wlz echter niet en vallen dus altijd onder het bereik van de Jeugdwet (bijv. jeugd-ggz of pleegzorg). Een Wlz-indicatie en jeugdhulp kunnen dus naast elkaar bestaan.

65/84

Wanneer kan een jeugdige een Wlz-indicatie krijgen? Jeugdigen kunnen een Wlz-indicatie krijgen als ze een blijvende behoefte hebben aan 'permanent toezicht' of '24 uur per dag zorg in de nabijheid' vanwege één of meer van de volgende beperkingen (artikel 3.2.1 Wlz): 

een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking;

een verstandelijke beperking;

een lichamelijke beperking;

een zintuiglijke beperking;

meervoudige beperkingen.

Het CIZ beoordeelt of een jeugdige aan deze criteria voldoet en dus een Wlzindicatie kan krijgen. Bij jeugdigen is het vanwege de leeftijd soms lastig te beoordelen in hoeverre sprake zal zijn van een 'blijvende' behoefte aan 24-uurs zorg. Om die reden kan het CIZ besluiten een Wlz-indicatie te weigeren. Ook is het bij meervoudige problematiek soms lastig te beoordelen of de 24-uurs zorg vooral voortvloeit uit verstandelijke/ lichamelijke beperkingen of mogelijk uit psychische beperkingen. Psychische zorg valt namelijk niet onder de Wlz.

Zorg die onder de Wlz valt De Wlz biedt een uitgebreid pakket aan zorg, waaronder verblijf en alle met dat verblijf gepaard gaande behandeling. Ook begeleiding, persoonlijke verzorging en verpleging valt bij een Wlz-indicatie onder de Wlz. Logeeropvang valt voor jeugdigen met een Wlz-indicatie onder de Wlz. Verder kunnen jeugdigen van 18 jaar en ouder met een licht verstandelijke beperking in een specifiek geregelde situatie tijdelijk aanspraak hebben op Wlz-zorg. Zorg vanwege psychische beperkingen Psychische zorg (ggz) valt niet onder de Wlz. Voor jeugdigen (tot 18 jaar) valt dit altijd onder de Jeugdwet. Als een jeugdige met een Wlz-indicatie psychische zorg nodig heeft, moet het college hiervoor dus jeugdhulp inzetten. De Wlz kent een hele specifieke uitzondering hierop, namelijk als de behandeling van de psychische stoornis integraal onderdeel uitmaakt van de behandeling die vanuit de Wlz geboden wordt (vanwege bijvoorbeeld de verstandelijke of somatische beperking). In dat geval valt de behandeling van de psychische stoornis toch onder de Wlz. Voorbeelden hiervan zijn gedragsstoornissen bij verstandelijk gehandicapten met een autisme spectrum stoornis, een depressie samenhangend

66/84

met dementie en een posttraumatische stressstoornis bij een verstandelijk gehandicapte waarvoor integrale behandeling nodig is; Als de behandeling van de psychische stoornis los van de Wlz-behandeling kan worden geleverd en integrale behandeling dus niet nodig is, dan wordt de zorg voor de psychische stoornis voor jeugdigen onder de 18 jaar dus geleverd en betaald uit de Jeugdwet.

Voorrang Wlz “Voor zover de jeugdige de benodigde zorg vanuit de Wlz kan krijgen, hoeft het college hiervoor geen jeugdhulp in te zetten. De Wlz heeft dus voorrang boven de Jeugdwet (zie artikel 1.2, eerste lid Jeugdwet). Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een indicatie voor Wlz-zorg zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1.2, eerste lid, onder c. Jeugdwet). Ook in dat geval mag het college een voorziening op grond van de Jeugdwet weigeren. Als het college jeugdhulp wil beëindigen omdat het op grond van de Wlz geboden kan worden, ligt de bewijslast bij het college. Het college moet dus beoordelen of een jeugdige de zorg inderdaad op grond van de Wlz kan ontvangen. Als dat niet het geval is, moet de jeugdhulp op grond van de Jeugdwet worden voortgezet.

Jeugdhulp naast Wlz-indicatie Een jeugdige kan een Wlz-indicatie hebben, maar daarnaast ook nog jeugdhulp op grond van de Jeugdwet ontvangen. Sommige zorg, zoals bijvoorbeeld psychische zorg of pleegzorg, biedt de Wlz namelijk niet. Als de jeugdige vervoer naar de jeugdhulp-locatie nodig heeft, valt dat in dat geval ook onder de Jeugdwet. De Wlz vergoedt namelijk enkel vervoer van en naar de locatie waar Wlz-begeleiding of behandeling wordt ontvangen. Bij de zorgvraag van kinderen met een beperking kan aanspraak bestaan op zorg uit de Jeugdwet en de Zvw of op basis van de Wlz. Bij kinderen met meervoudige complexe of ernstige meervoudige beperkingen (MCG/EMB) valt de behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid veelal niet meer onder de gebruikelijke zorg zoals in de Wlz bedoeld. Jonge kinderen onder de 8 jaar worden veelal vergoed uit de Jeugdwet aangezien deze kinderen veelal nog in ontwikkeling zijn. Daar waar de 24 uurs behoefte aan zorg en nabijheid levenslang en levensbreed wordt, wordt voor kinderen uit de Jeugdwet een aanvraag ingediend

67/84

bij het CIZ voor toelating tot de Wlz. Dat kan soms ook al voor kinderen onder de 8 jaar. Uitzondering hierop zijn kinderen, die wel onder die criteria vallen, maar “enkel” een somatische aandoening en/ of lichamelijke handicap hebben. Voor deze doelgroep is de Zvw voorliggend gemaakt op de Wlz.

Gehanteerde Criteria Wlz 

Als er sprake is van permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde;

een blijvende behoefte aan permanent toezicht en/ of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Permanent toezicht houdt in dat er sprake is van onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende 24 uur, waardoor tijdig kan worden ingegrepen ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel. Eventuele functionele verbeteringen zijn niet meer mogelijk. De verzekerde kan niet meer beoordelen en of aangeven dat er hulp noodzakelijk is (artikel 3.2.1, eerste lid, onder a. Wlz);

door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname zelfzorg nodig heeft;

door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft;

dit alles om ernstig nadeel van de verzekerde te voorkomen.

Voor ouders en jeugdhulpaanbieders kan het aanvragen van Wlz een grote inspanning betekenen met wisselende uitkomsten. Het brengt administratieve druk, onzekerheid en angst omtrent de continuïteit van de geboden ondersteuning met zich mee. Of extra administratieve belasting voor de (onafhankelijk) cliëntondersteuner of zorgaanbieder om het juiste Wlz pakket toegekend te krijgen, al dan niet aangevuld met extra pakketten. De overgang van Jeugdwet naar Wlz levert niet alleen in de Gelderse regio dilemma’s op. Er is op dit moment landelijk aandacht voor deze problematiek. Zowel voor ouders, jeugdigen, als gemeenten is het van belang de zorg vergoed te krijgen vanuit de juiste financieringsstroom. Als vermoed wordt dat er aan de bovenstaande criteria wordt voldaan is het van belang dat ouders een aanvraag indienen. Adviezen voor een juiste aanvraag: 

vraag een Wlz indicatie aan bij sterke aanwijzingen dat een jeugdige blijvend/ levenslang behoefte aan zorg 24 uur per dag in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft (https://www.ciz.nl/wlz-check);

zorg bij de aanvraag voor een goede onderbouwing voor de hoofdgrondslag: “een blijvende/ levenslange behoefte aan zorg in de nabijheid of permanent

68/84

toezicht”. Geef dus duidelijk aan waarom er nu 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig is en waarom er ook op termijn geen verbetering te verwachten valt en waardoor dus alle behandeling die mogelijk nog tot verbetering zou kunnen leiden afgebouwd is of wordt; 

maak bij de aanvraag gebruik van door de gemeente geregelde cliëntondersteuning.

Artikel 7.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder b. Jeugdwet treft het college geen voorziening als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling zoals de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs. Deze wetten zijn dus 'voorliggend' op de Jeugdwet. Op grond van het artikel 8 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17b van de Wet op het voortgezet onderwijs valt begeleiding met als doel ‘het volgen van onderwijs' niet onder de Jeugdwet en komt dus niet voor vergoeding op basis van de Jeugdwet in aanmerking. Ondersteuning primair gericht op het leerproces, gericht op het behalen van onderwijsdoelen of om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling wordt bekostigd vanuit het onderwijs. Alle samenwerkende reguliere scholen in een Samenwerkingsverband hebben een ondersteuningsplan waarin is omschreven welke ondersteuning de school kan/ moet bieden en welke extra ondersteuning wordt georganiseerd. Daarvoor zijn middelen beschikbaar van de schoolbesturen/ het Samenwerkingsverband.

Basis of specialistische jeugdhulp kan worden ingezet als een jeugdige vanwege psychische of gedragsproblemen een belemmering ondervindt (bij het volgen van onderwijs, dan wel vanwege deze problematiek langdurig thuis zit). Voor alle leerlingen waar extra zorg voor moet worden ingezet, wordt door het onderwijs, in afstemming en overleg met ouders, een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) opgesteld. Dit moet leidend zijn bij de inzet van jeugdhulp. Het perspectief maakt immers helder welke ondersteuning er nodig is, wat de school met inzet van de extra onderwijsmiddelen (als SwV-budget) oppakt en welke extra aanvullende ondersteuning vanuit jeugdhulp nodig is.

69/84

Om duidelijk te maken welke verantwoordelijkheden onder Passend Onderwijs voor het onderwijs komen heeft het kabinet in de memorie van toelichting een aantal voorbeelden genoemd.

Persoonlijke verzorging Het kan echter zo zijn dat de gemeente op grond van de Jeugdwet wel verantwoordelijk is voor de bekostiging van begeleiding en persoonlijke verzorging op school. Het betreft dan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Denk bijvoorbeeld aan een jeugdige van tien jaar die zich nog niet zelfstandig kan aan- en uitkleden of een zes jarige die nog niet zelfstandig naar de wc kan. Dit onderscheid is niet altijd even duidelijk. In ieder geval mag het doel niet zijn het volgen van onderwijs. Uiteraard moet altijd het stappenplan van de Centrale Raad worden doorlopen en als onderdeel daarvan ook worden beoordeeld of er binnen het eigen probleemoplossend vermogen (eigen kracht) oplossingen zijn waardoor geen voorziening hoeft te worden ingezet.

Proces Gemeenten en onderwijs hebben daarom afgesproken dat problemen, die ouders en kinderen ervaren en die op school én thuis van invloed zijn, worden besproken tussen ouders, school en de contactpersoon van het lokaal team. Dit moet de jeugdige en zijn wettelijk vertegenwoordigers helpen om vanuit de school en de gemeente gezamenlijk passende en afgestemde ondersteuning te ontvangen.

ADHD De gemeente is op basis van de Jeugdwet verantwoordelijk voor alle jeugdhulp door een professional (kinderpsychiater, orthopedagoog, jeugdhulpverlener, etc.) voor jeugdigen met ADHD. Onderwijsondersteuning aan deze kinderen valt echter onder Passend Onderwijs als de begeleiding of ondersteuning primair gericht is op goed kunnen volgen van onderwijs. De school kan bijvoorbeeld signaleren: “We hebben een diagnose nodig en de leerling heeft (mogelijk) medicijnen nodig.“ Alleen na diagnose door een expert kan behandeling starten en die behandeling is niet altijd met medicijnen. De school mag niet bij voorbaat suggereren dat medicijnen nodig zijn. Er zijn namelijk ook 70/84

kinderen die bijvoorbeeld al zeer gebaat kunnen zijn met gedragstherapie. Het is aan de ouder en expert om daarover te beslissen. Niet aan school of gemeente. Onderwijsondersteuning aan kinderen met ADHD valt onder passend onderwijs. Dus het aanbieden van les op een manier dat een kind daarmee om kan gaan, is een taak van de school. Als daar diagnostiek voor nodig is valt dat binnen het onderwijs. Wanneer zich in de thuissituatie ook problemen voor doen valt dat, evenals behandeling, onder de Jeugdwet.

Dyslexie Voor hulp en ondersteuning bij dyslexie kunnen zowel scholen als gemeenten verantwoordelijk zijn. Ook hier geldt weer dat ondersteuning voor het bereiken van onderwijsdoelen voor het onderwijs komt en ondersteuning die daar niet aan bijdraagt is aan te merken als jeugdhulp. Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalen en begeleiding van jeugdigen met dyslexie. De ondersteuning van leerlingen met dyslexie maakt deel uit van de basisondersteuning die elke school moet bieden. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Fysieke hulpmiddelen bij dyslexie horen ook daarbij. De school betaalt de aangepaste leer- en werkboeken. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. De gemeente is verantwoordelijk voor diagnose en behandeling van ernstige dyslexie (ED). Dit valt onder de jeugdhulpplicht die stopt als een kind op het VOonderwijs volgt. Dan zijn ouders geboden de zorg zelf te betalen. De gemeente is verantwoordelijk voor dyslexiezorg voor kinderen tussen 7 en 12 jaar (PO) of 13 jaar (SO) met ED. Echter, voor leerlingen in het VO financiert de gemeente de dyslexiezorg niet. Als een leerling in het VO door ouders bij een dyslexieaanbieder wordt aangemeld (voor onderzoek en/of behandeling), moeten ouders dat volledig zelf betalen. Een zorgverzekeraar vergoedt geen kosten voor dyslexieonderzoek of behandeling. Ook niet in een aanvullende verzekering.

De redenering hierachter is dat het PO in staat moet zijn om dyslexie in een eerder stadium te signaleren en kinderen die Ernstige Dyslexie (ED) hebben, worden dus eerder dan pas na hun 13e al gesignaleerd en behandeld.

71/84

Intelligentieonderzoek passend onderwijs of Jeugdwet Een intelligentieonderzoek of intelligentietest kan nodig zijn voor onderwijs aan leerlingen. Bijvoorbeeld bij een onderzoek naar hoogbegaafdheid of verwijzing naar het Speciaal (basis)onderwijs. Als uit het onderzoek blijkt dat een leerling hoogbegaafd is, kan het onderwijs daarop afgestemd worden. In dat geval is het onderzoek primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. Een intelligentieonderzoek kan wél onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen als het onderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van het vaststellen van de jeugdhulp. Bijvoorbeeld als de gemeente onderzoek doet naar een hulpvraag, problematiek en ontwikkeling van een jeugdige, niet enkel gericht op het onderwijs. In dergelijke gevallen valt het onder de Jeugdwet.

Leerstoornissen van leerlingen Onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs vallen behandelingen van stoornissen op gebied van: 

lezen;

rekenen;

schriftelijke uitdrukkingsvaardigheden;

leerstoornis NAO (niet anders omschreven).

Hulp bij leerproblemen Leerlingen kunnen op school diverse vormen van begeleiding krijgen voor het volgen van onderwijs. Vaak biedt de school die, maar soms ook niet. Scholen zijn verantwoordelijk voor extra ondersteuning voor kinderen met leer-gerelateerde ondersteuningsbehoefte moeilijkheden op school. Zo kan een leerling begeleiding nodig hebben bij het structureren, plannen en zelfstandig maken van huiswerk. Begeleiding bij planning (dus geen huiswerkbegeleiding) is een vorm van jeugdhulp die de gemeente kan inzetten op grond van de Jeugdwet als er sprake is van een opvoedingsproblemen of opgroeiproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Inzet kan alleen gekoppeld aan concrete doelen en tijdsperiode, gericht op betere zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige.

72/84

Dyscalculie Dyscalculie maakt deel uit van de basisondersteuning die elke school moet bieden. Hulp en ondersteuning bij dyscalculie is primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. Ook als het gaat om de diagnose van dyscalculie is de gemeente niet verantwoordelijk. Binnen passend onderwijs zijn voldoende mogelijkheden om de leerlingen met dyscalculie de ondersteuning te bieden die zijn nodig hebben.

Motorische remedial teaching (MRT) Voor problemen of achterstanden in de bewegingsontwikkeling van een kind kan inzet van motorische remedial teaching (MRT) nodig zijn. Als de MRT nodig is in het kader van bewegingsonderwijs (dat is in de praktijk bijna altijd zo), valt dit onder de zorgplicht van scholen. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. Motorische problemen, zeker bij kleuters, zijn niet alleen zichtbaar bij gym, maar ook bij heel veel andere kleuteractiviteiten. Dat kan hun hele ontwikkeling dwars zitten in die leeftijd, dergelijke problemen moeten in breder verband worden onderzocht; hierin kan de jeugdarts of de jeugdverpleegkundige een centrale rol spelen.

Begeleiding op school Een leerling kan door zijn gedrag moeilijkheden hebben in de omgang met andere leerlingen. Als gevolg hiervan kunnen leerproblemen ontstaan. De ondersteuning of begeleiding bij deze problemen valt onder de zorgplicht van scholen. Ook tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog kan onder de zorgplicht vallen. Het kan ook zijn dat de leerling begeleiding nodig heeft op grond van de Jeugdwet. Bijvoorbeeld als het kind in het algemeen problemen heeft in de omgang met anderen. Deze begeleiding valt onder de jeugdhulpplicht van gemeenten. Of de begeleiding door de school of de gemeente geboden moet worden, zal afhangen van de individuele situatie van de jeugdige. Scholen en gemeenten kunnen hierover afspraken maken. De invulling van begeleiding onder de schooltijd is onderdeel van het overleg tussen de gemeenten en samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het is mogelijk dat zowel school als gemeente deels verantwoordelijk zijn. In dat geval is het van belang dat de school en de gemeente overleggen over afstemming

73/84

van de door hen geboden begeleiding en afspraken vastleggen in een onderwijszorgarrangement.

Taal- of spraakstoornissen Onderwijs is verantwoordelijk afhankelijk van het probleem. Taalachterstanden vallen niet onder Passend Onderwijs, maar kinderen met ernstige spraak- en taalstoornissen kunnen voor begeleiding een beroep doen op cluster 2 ondersteuning. Bij sommige profielen kan er een beroep worden gedaan op de Wlz. Er bestaan ook taal- en spraakstoornissen die een DSM-classificatie hebben, zoals ‘selectief mutisme’. De behandeling daarvan valt dan onder de Jeugdwet.

Ondersteuning van persoonlijke ontwikkeling van de leerling Ondersteuning primair gericht op het leerproces, gericht op het behalen van onderwijsdoelen of om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling wordt bekostigd vanuit het onderwijs. Alle samenwerkende reguliere scholen in een Samenwerkingsverband hebben een ondersteuningsplan waarin is omschreven welke ondersteuning de school kan/ moet bieden en welke extra ondersteuning wordt georganiseerd. Daarvoor zijn middelen beschikbaar van de schoolbesturen/ het Samenwerkingsverband. Basis of specialistische jeugdhulp kan worden ingezet als een jeugdige vanwege psychische of gedragsproblemen een belemmering ondervindt (bij het volgen van onderwijs, dan wel vanwege deze problematiek langdurig thuis zit). Voor alle leerlingen waar extra zorg voor moet worden ingezet, wordt door het onderwijs, in afstemming en overleg met ouders, een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) opgesteld. Dit moet leidend zijn bij de inzet van jeugdhulp. Het perspectief maakt immers helder welke ondersteuning er nodig is, wat de school met inzet van de extra onderwijsmiddelen (als SwV-budget) oppakt en welke extra aanvullende ondersteuning vanuit jeugdhulp nodig is.

Persoonlijke verzorging en/ of verpleging op school De middelen voor extra ondersteuning in het (speciaal) onderwijs zijn in principe bedoeld voor onderwijsondersteuning, niet voor zorg. Er is wel een zeer beperkte mogelijkheid voor het bieden van zorg vanuit de onderwijsondersteuning, die

74/84

betrekking heeft op het uitreiken van bepaalde medicatie (zie verder het ‘Model protocol medisch handelen op school’2). Echter veelal is de ondersteuning gekoppeld aan onderwijsactiviteiten. Voor een deel van de leerlingen die veel zorg nodig hebben, geldt dat zij meer zorg nodig hebben dan op basis van de onderwijsbekostiging kan worden geboden. Die kan via de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor worden vergoed (afhankelijk van de benodigde zorg) soms in de vorm van een persoonsgebonden budget van ouders.

Verpleging op school Verpleging op school is een verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraars op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Ook het voorheen genoemde" intensieve kindzorg (IKZ)" tegenwoordig: begeleiding, verzorging en verpleging genoemd, wordt geboden vanuit Zvw. In dat geval vallen de persoonlijke verzorging en begeleiding daar ook onder. Heeft het kind een indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz), dan wordt zorg op school vanuit de Wlz vergoed. Dat kan gaan om begeleiding, verzorging en verpleging. Als er een indicatie Wlz afgegeven wordt, biedt het zorgprofiel ruimte om alle benodigde zorg te organiseren en te bekostigen (inclusief eventuele zorg in schooluren).

Buitenschoolse opvang Reguliere naschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. Opvang die uitsluitend moet worden ingezet omdat werkende ouders gedurende de week niet beschikbaar zijn, valt niet onder de Jeugdwet. Maar het kan zijn dat het kind tijdens deze opvang extra begeleiding nodig heeft vanwege de verstandelijke beperking. In dat geval kan de begeleiding wel onder de Jeugdwet vallen. Het college zal moeten beoordelen of inzet van de begeleiding in de individuele situatie noodzakelijk is. Als de begeleiding noodzakelijk is in verband met opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, kan het college daarvoor een jeugdhulpvoorziening inzetten (artikel 2.1, eerste lid Jeugdwet). De gemeente kan daartoe capaciteit inregelen door een gecombineerd aanbod van opvang en specialistische begeleiding in de vorm van buitenschoolse opvang met een Plus. In dat geval hoeft het college

2 https://www.poraad.nl/ledenondersteuning/toolboxen/passend-

onderwijs/medisch-handelen-in-het-basisonderwijs

75/84

geen indicatie af te geven in de vorm van een maatwerkvoorziening voor de noodzakelijke begeleiding omdat een beroep kan worden gedaan op een algemene voorziening.

Ondanks toepassing andere wet toch jeugdhulp Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder b. Jeugdwet treft het college geen voorziening als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling zoals de wet passend onderwijs. Ook hier geldt echter de uitzondering van artikel 1.2, derde lid Jeugdwet: Die gevallen waarin het jeugdhulp betreft als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onder b. Jeugdwet. Het gaat dan om jeugdhulp die: a. de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, of b. de jeugdhulp die noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in art 1:265b BW; c. de jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing; d. die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. In deze gevallen moet het college de jeugdhulp vergoeden. Ook als het feitelijk geen jeugdhulp is. Er is zelfs jurisprudentie waarin de jeugdige beschikte over een Wlzindicatie en de gecertificeerde instelling jeugdhulp afgaf. De gemeente moest dit ondanks de Wlz-indicatie financieren.

Artikel 7.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning Het college is niet gehouden een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen als er naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak kan worden gemaakt op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, artikel 1.2, eerste lid, onder b. Jeugdwet. We noemen dit ook wel andere of (wettelijk) voorliggende voorzieningen. In beginsel hoeft het college dus geen voorziening op grond van de Jeugdwet in te zetten als er voor dezelfde

76/84

problematiek ook een aanspraak bestaat op een voorziening binnen een ander wettelijk kader zoals de Wmo.

Voorliggende voorzieningen op grond van de Wmo In bepaalde gevallen kan het college een voorziening op grond van de Jeugdwet afwijzen, maar moet het college, in beginsel, op grond van de Wmo een voorziening toekennen. Concreet hebben we het dan over Woningaanpassingen, verhuiskostenvergoeding, vervoer en hulpmiddelen (alle leeftijden). Dat woningaanpassingen, verhuiskosten, vervoer en andere hulpmiddelen uit Wmo gelden moeten worden verstrekt blijkt uit de tekst van artikel 1.1 van de Jeugdwet alsmede de artikelen 1.2 en 2.3 van de Jeugdwet in samenhang gelezen met de tekst van artikel 2.3.1 van de Wmo 2015. In artikel 2.3.1 Wmo 2015 worden minderjarigen immers niet uitgesloten. Tot slot blijkt dit ook uit de reactie van de Staatssecretaris in de nadere memorie van antwoord bij de Wmo 2015 op Kamervragen over het aantal loketten waarmee minderjarige gehandicapten te maken kunnen krijgen: ''Minderjarige gehandicapten kunnen voor het gebruik van een rolstoel en overige hulpmiddelen alsook voor woningaanpassingen een beroep doen op de Wmo 2015. Voor ondersteuning en zorg die valt onder het begrip jeugdhulp doen zij een beroep op de Jeugdwet”.

In de reactie van de Staatsecretaris op de brief van de Vereniging Samenwerkingsverband Chronische Ademhalingsondersteuning (VSCA) staat bovendien ook genoemd dat kinderen tot 18 jaar voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en vervoersvoorzieningen een beroep kunnen doen op de Wmo 2015.

Woningaanpassingen en verhuiskostenvergoeding De maatwerkvoorzieningen ten behoeve van het wonen vallen, als het om jeugdigen, gaat dus onder de Wmo 2015. In beginsel komt, op grond van de Wmo 2015, alleen een woningaanpassing voor vergoeding in aanmerking als het de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de persoon compenseert. Veelal betreft dit woningaanpassingen die zien op het creëren/ toegankelijk maken van de essentiële woonfuncties. Daarmee wordt bedoeld dat er voor de persoon in kwestie, al dan niet gedeeld, in de woning één douche/ wc/ slaapkamer/ keuken/ woonkamer beschikbaar is. Bij een woningaanpassing voor een jeugdige kan dit afwijken/ verbreden. Zo kan volgens de jurisprudentie een woonvoorziening, voor een jeugdige, die moet

77/84

worden getroffen voor het volgen van onderwijs ook onder de Wmo 2015 vallen. Zo kan een woningaanpassing voor een jeugdige ook bestaan uit het creëren van een extra woonruimte waarin thuisonderwijs kan worden verzorgd. In dit geval wordt een van de doelstellingen van de Wmo, participeren: deelnemen aan het maatschappelijk verkeer ingekleurd door het begrip 'deelnemen aan het maatschappelijk verkeer' in de Jeugdwet. Veel gemeenten hebben in het beleid een bepaling opgenomen die ziet op de goedkoopst adequate voorziening. Deze bepaling brengt mee dat het college de goedkoopst adequate voorziening zal verstrekken. Adequaat brengt mee dat deze voorziening wel passend is. Er mag bij deze woningaanpassingen van inwoners worden verwacht dat zij enige aanpassing doen en niet volledig gecompenseerd worden. Een voorbeeld hiervan is de toiletstoel in plaats van een extra toilet op de verdieping of een verhuisprimaat (al dan niet gepaard met een verhuiskostenvergoeding) in plaats van een duurdere verbouwing. Dit zal voor woningaanpassingen voor jeugdigen niet anders zijn.

Vervoer Om te bepalen binnen welk wettelijk kader de vervoersvraag moet worden opgepakt is het doel van de vervoersvraag van belang. Waar wil de jeugdige met de vervoersvoorziening naar toe? Voor zover noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, omvat de jeugdhulpvoorziening het vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden, artikel 2.3, tweede lid Jeugdwet. Wanneer een jeugdige een vervoersbehoefte heeft naar het onderwijs toe kan aanspraak worden gemaakt op het leerlingenvervoer. In de Verordening leerlingenvervoer zijn hieraan uiteraard voorwaarden verbonden. Er zijn situaties waarbij er voor een jeugdige zowel de noodzaak is voor leerlingenvervoer (van en naar school) en vervoer vanuit de Jeugdwet (van en naar een locatie van jeugdhulp). De bestemming en dus het doel van het vervoer, is leidend voor de bepaling vanuit welke wet welk vervoer geregeld moet worden en wie hiervoor verantwoordelijk is. Dit kan dus ook gedeeltelijk vanuit leerlingenvervoer en gedeeltelijk vervoer vanuit de Jeugdwet zijn. Is er sprake van een Wlz-indicatie dan valt het vervoer, met uitzondering van collectief vervoer en speciale vervoershulpmiddelen van de jeugdige onder de Wlz.

Woont de jongere met een Wlz-indicatie thuis of in een instelling waar hij of zij geen behandeling ontvangt, dan valt alleen het vervoer van en naar begeleiding en behandeling onder de Wlz.

78/84

Ziet de vervoersbehoefte van de jeugdige op zijn mogelijkheden om te kunnen participeren? Dan is de Wmo aan zet. Met participeren wordt bedoeld het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, dus het kunnen 'meedoen'. Ook hier zijn voorwaarden aan verbonden: 

allereerst dient een jeugdige/ volwassene met een (fysieke) beperking aangepast vervoer nodig te hebben ten behoeve van zijn zelfredzaamheid en participatie, èn

de jeugdige kan voor zijn vervoersbehoefte vanwege zijn beperking geen gebruik maken van algemene (gebruikelijke) voorzieningen, zoals een (elektrische)fiets, brommer, scooter of het openbaar vervoer, èn

van de ouders kan niet worden verlangd om de jeugdige te vervoeren en/ of te begeleiden bij het vervoer of het vervoer van de jeugdige te organiseren, èn

de jeugdige kan hiervoor geen aanspraak maken op vervoer vanuit de ZvW, Wlz, Leerlingenvervoer of Jeugdwet, of

er is een specifieke vervoersvoorziening nodig, zoals een rolstoel, aangepaste fiets of scootmobiel,

Naast de vermelde specifieke vervoersvoorzieningen kent de Wmo ook collectief lokaal vervoer (Wmo-taxivervoer). Deze Wmo-vervoersvoorzieningen moeten via de gemeente waar de jeugdige zijn/ haar hoofdverblijf heeft, worden aangevraagd.

Hulpmiddelen Een hulpmiddel is een roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen, zoals rolstoelen, middelen om het verrichten van bepaalde handelingen te vereenvoudigen of mogelijk te maken, etc. Hulpmiddelen kunnen vergoed worden vanuit de Zorgverzekeringswet, de Wmo, de Wlz, de WIA of de Participatiewet. Op https://www.hulpmiddelenwijzer.nl/hulpmiddelen/voor-wie/kinderen is een overzicht te vinden van hulpmiddelen die worden ingezet bij jeugdigen. Per hulpmiddel wordt aangegeven vanuit welk kader deze vergoed worden.

Begeleiding, persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf, beschermd wonen en dagbesteding 18+ Voor jeugdhulp die verstrekt wordt in verband met een psychische stoornis of een verstandelijke beperking, en jeugdhulp die voorheen viel onder het begrip

79/84

begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf als bedoeld bij of krachtens de AWBZ geldt de leeftijdsgrens van 18 jaar. Deze vormen van zorg zijn na het bereiken van het achttiende levensjaar als voorziening, recht of aanspraak immers verkrijgbaar op grond van de Wmo, of Zvw. Dat bepaalde jeugdhulpaanbieders niet gecontracteerd zijn onder de Wmo, waardoor de ondersteuning (veelal begeleiding of begeleid wonen) niet onder de Wmo door zou kunnen lopen, kan nooit een reden zijn om in te grijpen in het lopende hulpverleningsproces. Als de benodigde begeleiding na het 18e jaar onder de Wmo valt, is het een taak voor de gemeente om ervoor te zorgen dat die overgang zo soepel mogelijk verloopt. Meer over dit onderscheid is te vinden onder het kopje ‘overgang naar volwassenheid’. Opvoedondersteuning voor ouders is een vorm van jeugdhulp en valt dus onder de Jeugdwet. Het maakt daarbij niet uit of de ouder zelf een beperking heeft. Het kan zijn dat de ouder vanwege haar beperking ook andere ondersteuning nodig heeft. Bijvoorbeeld weerbaarder worden naar anderen of bij de organisatie van het huishouden en haar financiën. In dat geval valt de ouder onder de doelgroep van de Wmo 2015 en kan voor die begeleiding een Wmo-voorziening geboden worden. De ouder krijgt dan dus zowel begeleiding vanuit Jeugdwet als vanuit de Wmo 2015.

Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij een ouder (tijdelijk) niet in staat is om voor zijn kind te zorgen. Denk bijvoorbeeld aan een alleenstaande ouder met een gebroken arm en been die fysiek niet in staat is om zijn kind op te halen van school of een ontbijt voor het kind te maken. In die gevallen kan er een beroep worden gedaan op een Wmo-voorziening. Beschermd wonen is het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij horende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, Beschermd wonen valt onder de Wmo en kan pas ingaan vanaf een jeugdige zijn 18de levensjaar. Beschermd wonen valt altijd onder de Wmo, want het voortzetten van hulpverlening op grond van de Jeugdwet na het 18e jaar, kan alleen voor ondersteuning die na het 18e jaar niet onder een ander wettelijk regime valt. Het college kan dus niet te allen tijde besluiten dat jeugdhulp noodzakelijk is. Als een andere voorziening voorliggend is (Wmo, Zvw, of Wlz) is verlengde jeugdhulp per definitie uitgesloten. Soms is er echter meer/ andere zorg nodig dan alleen het

80/84

beschermd wonen. In dat geval kan het zijn dat er geen sprake is van voorliggende voorziening en de een voorziening op grond van de jeugdwet moet worden ingezet.

Artikel 7.6 Afstemming werk en inkomen Het hebben van schulden en/ of het leven in armoede kan gezinnen veel stress opleveren. Deze stress maakt dat mensen op een andere manier beslissingen nemen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen zo op de voorgrond treden dat ouders hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen invullen, maar ook dat jeugdhulp minder of niet effectief is. Het is daarom belangrijk om armoede en financiële problemen tijdig te signaleren en ouders zo nodig snel naar de juiste financiële hulp en armoedevoorzieningen toe te leiden. Hierbij kan het lokaal team, het wijkteam en/ of gecertificeerde instelling een actieve rol hebben: aanvragen van armoedevoorzieningen, het voeren van een gesprek over armoede, zelf een afspraak maken voor de ouder en de drempel zo laag mogelijk maken door bijvoorbeeld samenwerking met de maatschappelijke dienstverlening.

Artikel 7.7 Afstemming wonen Artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 bepaalt dat gemeenten die willen sturen op de verdeling van sociale huurwoningen de regels op dat gebied moeten vastleggen in een Huisvestingsverordening. De regels over urgentie en voorrang moeten daarin opgenomen zijn. De beleidsregels geven de specifieke voorwaarden en criteria per urgentiecategorie en doelgroep, waaronder de urgentie uitstroom maatschappelijke opvang en de regeling voor multi-probleemgezinnen.

Hoofdstuk 8 Kwaliteit en beleidsparticipatie Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders Op grond van artikel 2.12 van de Jeugdwet moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Dit is gevat in dit artikel 8.1. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst uit de modelverordening van de VNG. Er is naast het bepaalde in de wet een Algemene Maatregel van Bestuur in voorbereiding die, in het verlengde van de AMvB voor de

81/84

Wmo 2015, betrekking heeft op reële prijzen. Deze AMvB is na de inwerkingtreding van toepassing op toekomstige tarieven.

Artikel 8.2 Kwaliteitsborging Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 8.3 Inspraak Artikel 2.10 van de Jeugdwet verklaart artikel 2.1.3, derde lid van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing. In artikel 8.3 van deze verordening is invulling gegeven aan deze verplichting uit de Wmo 2015.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Op grond van dit artikel kan het college één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het verlenen van hulp aan de jeugdige en/ of zijn ouders, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit kan echter alleen in die gevallen die niet zijn voorzien ten tijde van het vaststellen van de verordening. Wordt een geval onder de hardheidsclausule gebracht, dan heeft dit tot gevolg dat de verordening op dit punt moet worden aangepast. Het geval is immers voorzienbaar geworden.

Artikel 9.2 Intrekking oude regeling Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 9.4 Overgangsrecht Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het recht op zorg dat een jeugdige heeft ontvangen op grond van de ‘oude’ verordening, en de afspraken die gemeente met 82/84

jeugdhulpaanbieders maakt over de financiering van de hulp in de overgang van 2022 naar 2023. Door het recht op zorg te waarborgen is de continuïteit van jeugdhulp voor de jeugdige en/of zijn ouders gegarandeerd. Geen kind mag de dupe worden van de gewijzigde contractafspraken tussen de gemeente en jeugdhulpaanbieders.

Artikel 9.5 Citeertitel Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

83/84

84/84

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=37cfb683-ee8b-4edf-84d1-72de79676cbc