CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

302093RH 2022_BW_00209

Raadsvergadering 4 juli 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied34.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Indiener geeft in deze fase van de planvorming nu geen inhoudelijke zaken mee over het voorliggende plan waarover een inhoudelijke reactie gegeven kan worden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 17 a. Indiener geeft aan het bouwvlak te willen handhaven zoals in voorgaand bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007 is opgenomen waarbinnen ook de buitenbak valt en wat vanuit esthetisch oogpunt fraaier is. Beantwoording Vanuit het toedelen van functies aan locaties wordt niet alleen gekeken naar wat esthetisch fraai is, Juist wordt gekeken naar wat de locatie al is en wat het in zich heeft om te ontwikkelen, rekening houdend met de (functies in de directe) omgeving. Zoals eerder aangegeven zijn de nu bestaande voorzieningen behorend bij het bedrijf binnen het bestemmingsvlak gelegd. Op deze manier past de functie op de plek. De ontwikkelruimte is gelegen aan de oostzijde. b.

Indiener constateert dat in de bestemmingsomschrijving voor het perceel een hoofdstuk paardenbakken is toegevoegd waarbinnen geen verlichting is toegestaan. Er staan echter wel lichtmasten bij de buitenbak en het is van belang voor de bedrijfsvoering om deze mogelijkheid te behouden. Dit moet ook terugkomen in artikel 24.6.5.1 a 1 conform artikel 10 lid 4d van het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007.

Beantwoording Wat betreft licht is in het voorliggende plan uitgesloten dat nieuwe lichtmasten worden opgericht bij paardenbakken. Dat is een planregel die voorkomt uit de dagelijkse praktijk en als maatregel is opgenomen vanwege de uitkomsten uit de milieueffectrapportage. Lampen aan de gevel van gebouwen/ woningen/ bedrijfsgebouwen zijn toegestaan en kunnen altijd gericht worden op het gedeelte waar ze nodig zijn. Als buren onderling last hebben van inschijnend licht is het noodzakelijk dit onderling te bespreken. Lichthinder van bedrijven is tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog te reguleren op grond van de milieuwetgeving in het Activiteitenbesluit. Onder de Omgevingswet geldt een algemene zorgplicht en een specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (overigens niet specifiek gericht op tegengaan van lichthinder).T.z.t. wordt beoordeeld of het nodig en/of wenselijk is om hier regels voor te stellen. Vooralsnog is dit het resultaat van onderzoek en zijn bestaande lichtmasten te gebruiken. Nieuwe lichtmasten worden niet toegestaan. In voorliggend geval wordt vermoed dat indiener artikel 24.7.5 sub a onder 1 bedoeld.

10 22/1586

c.

Indiener geeft aan dat het wenselijk is om in de toekomst 5 extra boxen te willen realiseren en vraagt dit op te nemen in de nieuwe omgevingsvergunning waarin alles vertaald is. Indiener geeft aan dit niet terug te vinden in de stukken op de site.

Beantwoording Vermoed wordt dat het omgevingsplan bedoeld wordt en niet een omgevingsvergunning. Daarvan is nu geen sprake. Het omgevingsplan is duidelijk in welke functies waar zijn toegestaan en wat daarbij de voorwaarden zijn vanuit verschillende thema’s. de wens om extra boxen te realiseren kan gerealiseerd worden binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan. Door nu niet expliciet deze wens vast te leggen, bestaat er flexibiliteit op het perceel en binnen de bedrijfsvoering. Op deze manier is het ook mogelijk om meer boxen binnen de toegestane bebouwingsoppervlakte te realiseren als die wens en noodzaak voor het bedrijf er is. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 18 a. Indiener geeft aan dat het bouwvlak voor het agrarisch bedrijf in het ontwerp omgevingsplan als zijnde ‘erf’ niet overeenkomt met het huidige bouwvlak in het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007. Indiener verzoekt dit aan te passen zodat de rechten gelijk blijven en het bedrijf kan blijven ondernemen. Beantwoording Het is niet de bedoeling om agrarische ondernemers in hun rechten te beperken. De vorm en grootte van het bouwvlak uit het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007 wordt dan ook opgenomen in voorliggend omgevingsplan.

Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding het ‘erf’ aangepast naar de toegekende situatie van het bestemmingsplan Buitengebied Oost 2007. Indiener 19 a. Indiener geeft aan dat op een gedeelte van het bedrijf aan de overzijde van de weg de aanduiding ‘niet-grondgebonde bedrijf’ ontbreekt terwijl hier wel intensief dieren worden gehouden en de vergunning ook op dit deel geldt. Beantwoording Op grond van de stukken en de huidige omgevingsvergunning milieu is de koppeling te zien tussen beide bedrijfsdelen. Het is dan ook logisch om aan dit deel van het perceel ook de aanduiding op te nemen en eveneens een koppelteken op te nemen, zodat duidelijk is dat het om één bedrijf gaat en niet om een toevoeging van een intensieve veehouderij. Op de verbeelding wordt dit opgenomen. b.

Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een OBM (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) met daarin vermelde ammoniakemissies. Die gelden als de referentiesituatie. Indiener verzoekt dit op te nemen in bijlage 23.

Beantwoording In bijlage 23 staan de verleende Natuurbeschermingswetvergunningen opgenomen. Daarvan is in voorliggende vraag geen sprake. Wel is duidelijk wat, met het overleggen van de verleende omgevingsvergunning, de situatie op het bedrijf is. Dat neemt niet weg dat bij ontwikkelingen altijd moet worden gekeken naar de feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie. Enige uitzondering daarop is als sprake is van een definitieve en onherroepelijke natuurtoestemming (niet zijnde een PASmelding of een natuurvergunning waarin gebruik is gemaakt van PAS-ontwikkelingsruimte). Aan milieutoestemmingen (zoals een OBM) kan in dit verband geen betekenis worden toegekend. De

11 23/1586

milieutoestemming heeft op grond van de rechtspraak niet te dienen als referentiesituatie voor een bestemmingsplan of omgevingsplan. Bij vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming is de milieutoestemming wel van belang, zoals ook blijkt uit bijlage 2 van de ingediende zienswijze. De reden daarvoor is dat voor natuurvergunningen een andere referentiesituatie geldt dan voor bestemmingsplannen. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding het ‘erf’ gekoppeld met de andere zijde van de weg en wordt de aanduiding ‘niet grondgebonden’ opgenomen. Indiener 20 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf in ontwikkeling is. Indiener constateert dat een deel van de voeropslagen buiten de aanduiding ‘erf’ valt en verzoekt deze binnen het ‘erf’ op te nemen. Beantwoording Voor een deel van de kuilvoerplaten geldt dat deze zijn gelegen op grond van de gemeente. Er is geen aanlegvergunning voor verleend. Het oprekken op deze manier van een agrarisch erf is niet wenselijk omdat dat direct ook bouwmogelijkheden oplevert. De uitbreiding van een agrarisch bedrijf, ook op grond van de gemeente, gaat in overleg naar wenselijkheid en mogelijkheden van de locatie. b.

Indiener merkt op dat de sloot ten noorden van het bedrijf als Water is bestemd. Dit is geen sloot die op de legger staat en geen SED-water is. Indiener geeft aan dat het dan niet de bedoeling is deze de bestemming Water te geven ook al is dat overgenomen uit het vigerende plan. Indiener verzoekt hier de bestemming Agrarisch op te leggen.

Beantwoording Of een watergang wel of niet op de legger staat of wel of geen status van de provincie heeft, maakt niet uit. Het gaat in dit geval ook over het feitelijk gebruik bestemmen en de gronden bestemmen waarvoor ze bedoeld zijn en of een ander doel dienen. En dat is in dit geval het afvoeren en/of opvangen van water wat er sinds 1933 reeds gebeurt. c.

Indiener geeft aan dat er voor het bedrijf geen vergunning geldt op grond van de Wet natuurbescherming omdat dit een PAS situatie betrof. Voor het bedrijf geldt dan de feitelijke en planologisch legale situatie als referentiesituatie. Indiener geeft aan daarmee niet in te stemmen omdat het bedrijf in opbouw is en aan uitbreiding wordt gewerkt. Indiener geeft aan dat voor de locatie wel een eerdere Wnb-vergunning gold uit 2012-2013 en wil deze vergunning aanmerken als de referentie.

Beantwoording Op 27 augustus 2018 is een Wnb-vergunning verleend en onherroepelijk geworden voor de melkrundveehouderij op dit adres. Deze vergunning vervangt de onderliggende Nb-wetvergunning van 21 maart 2013. De Nb-wetvergunning van 21 maart 2013 is daarmee komen te vervallen en kan niet als referentie voor de bestaande stikstofdepositie gelden. De Nb-wetvergunning van 27 augustus 2018 kan hiertoe ook niet als referentie dienen, omdat hierbij sprake is van een PAS-vergunning. Daarbij is ontwikkelingsruimte uit de PAS toebedeeld. Op grond van de rechtspraak mogen dergelijke PASvergunningen niet één op één worden ingepast in een bestemmingsplan. Dat betekent dat voor dit bedrijf de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan als referentie dient. d.

Indiener geeft aan dat er behoefte is aan een nieuwe werktuigenberging aan de noordzijde van het erf waarbij de aanduiding ‘erf’ wordt overschreden en wil in overleg met de gemeente.

12 24/1586

Beantwoording Het omgevingsplan biedt flexibiliteit om over de grenzen van de aanduiding van het ‘erf’ heen te gaan, middels een eenvoudige procedure. Hiervoor is het wel nodig om met een inpassingsplan te laten zien wat de effecten zijn op het landschap en hoe het landschap versterkt wordt bij een uitbreiding van het bedrijf. Als er sprake is van een concreet verzoek, kan samen bekeken worden wat de (on)mogelijkheden zijn . Op grond van het omgevingsplan bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden over de aanduidingsgrens ‘erf’ heen te gaan. Daarbij is het onder meer van belang om een goede landschappelijke inpassing te realiseren. Hierbij moet rekening gehouden met de omgeving en het aangegeven gebiedsDNA. Het omgevingsplan is duidelijk in welke voorwaarden er gelden en welke kaders. Als indiener daar een idee over heeft, is het goed om in gesprek te gaan. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 21 a. Indiener geeft aan dat door voortschrijdend inzicht over de toepassing van de Rood voor Roodregeling er een andere gewenste invulling bestaat voor het perceel. Indiener koppelt dit aan de aankoop van een stuk grond om betere gebruiksmogelijkheden voor het perceel te realiseren en een versterking van landschappelijke inpassing.

Indiener verzoekt daarmee een uitbreiding van de bedrijfsbestemming met een aangepast inpassingsplan op gronden van anderen. Beantwoording Het Rood voor Rood initiatief op de betreffende locatie is vele jaren voorbereid met de eigenaar van het perceel en diens adviseur, niet met indiener als beoogd koper van de locatie. De mogelijkheden van de Rood voor Roodregeling zijn toegepast op het bedrijf van de eigenaar, waarmee alle afspraken en voorwaarden zijn afgestemd. Uitgangspunt bij de Rood voor Roodregeling is tweeledig: beëindiging van de intensieve veehouderij en terugbrengen van compacte (nieuwe) erven die passen in het landschap. Het uitgangspunt van een compact erf, dat ook is gelegen in het GO (Groene ontwikkelzone) van de provincie, heeft ertoe geleid dat in het ontwerp omgevingsplan het voorstel is opgenomen, zoals het met de eigenaar van de locatie is besproken. Ook zijn daarop alle onderzoeken gebaseerd. Het voorstel van indiener gaat in tegen de afspraken die met eigenaar zijn gemaakt. Het aanpassen van de bestemming is dan ook niet aan de orde. b.

Indiener geeft aan dat in de planregels sprake is van een bestaande bedrijfswoning. Daar is in voorliggend geval geen sprake van. De mogelijkheid van het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning mist. Evenals een nieuwe maximale goothoogte van 5 m en een maximale bouwhoogte van 10 m voor de bedrijfsgebouwen.

Beantwoording Dit is inderdaad niet correct omdat hier sprake is van een nieuwe bestemming die op grond van de Rood voor Roodregeling mogelijk wordt gemaakt. Dit wordt in artikel 5 in de bedrijfsbestemming aangepast. En op de verbeelding wordt op de locatie van de nieuwe bedrijfswoning een bouwvlak opgenomen. c.

Indiener geeft aan dat op grond van de dubbelbestemming Waarde – Bos en landgoederen een verplichting geldt voor een inpassingsplan. In voorliggend geval is daar al sprake van. Gevraagd wordt of deze voorwaarde uit de dubbelbestemming dan nog geldt.

Beantwoording In voorliggend geval is daar inderdaad sprake van. Het inpassingsplan is ook direct in de regels gekoppeld als een voorwaardelijke verplichting. Op die manier is er waarborg dat de landschappelijke inpassing wordt geregeld en in stand blijft. De voorwaarde uit de dubbelbestemming geldt voor het hele gebied waarvoor deze bestemming geldt. In voorliggend geval dus ook, waarbij in voorliggend geval er al sprake is van een inpassingsplan.

13 25/1586

d.

Indiener geeft aan dat binnen de dubbelbestemming Waarde – Bos en landgoederen er een vergunningenstelsel geldt voor aanleg van allerlei zaken. Indiener verwacht dat deze vergunningplicht voor werkzaamheden op het perceel binnen de bestemming Bedrijf zijn uitgezonderd.

Beantwoording De vergunningplicht geldt binnen de hele bestemming en zo ook voor het betreffende perceel. Op deze manier wordt gecheckt of voldaan wordt aan de voorwaarden en de afspraken die er gelden binnen de voorwaardelijke verplichting die geldt. Het is ook een middel om na verloop van tijd te checken of de gestelde maatregelen werken. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Een bouwvlak opgenomen voor de nieuwe bedrijfswoning bij het toekomstige hoveniersbedrijf; - 5.3.1 aanpassen zodat de nieuwe bedrijfsbebouwing een maximale goothoogte kent van 5 m en een maximale bouwhoogte van 10 m; - 5.3.2 aanpassen zodat de nieuwe bedrijfswoning binnen het aangegeven bouwvlak wordt opgericht. Indiener 22 a. Indiener geeft aan dat niet grondgebonden bedrijven door hun locatie veelal gehinderd worden om grondgebondenheid te realiseren. De koppeling van groei van dergelijke bedrijven aan het plussenbeleid wordt gezien. De omschrijving is echter te eng. Een uitbreiding van bebouwing zonder toename van dierenaantallen zou bij recht mogelijk moeten zijn. Beantwoording Het plussenbeleid zoals nu voorgesteld en opgenomen is gebaseerd op de provinciale omgevingsverordening. Het is daarmee vooraf bepaald beleid dat een vertaalslag moet krijgen op gemeentelijk niveau in de bestemmingsplannen/ omgevingsplan.

De provincie heeft aangegeven dat een ondernemer groeiruimte moet ‘verdienen’ door plussen te realiseren. In de beleidsregel is aangeven dat de plusinvesteringen noodzakelijk zijn bij uitbreidingen met een oppervlakte groter dan 500 m2. Uitbreidingen kleiner dan 500 m2 én waarbij de totale uitbreiding over 5 jaar niet meer bedraagt dan 500 m2 zijn vrijgesteld van het plussenbeleid. Daarmee is een deel van de reactie van indiener ondervangen. b.

Indiener geeft aan dat beleidsregels stelselmatig worden opgenomen in de bijlagen wat flexibiliteit vergroot, echter in het kader van een zorgvuldige ruimtelijke ordening moet er voldoende rechtszekerheid bestaan om verantwoord investeringen te doen.

Beantwoording De pilot van het maken van het omgevingsplan in de geest van de Omgevingswet maakt het mogelijk om in beleidsregels nadere duiding te geven aan onderwerpen. En het biedt mogelijkheid tot maatwerk. In de geest van de Omgevingswet wordt het begrip ruimtelijke ordening losgelaten en is er een bredere definitie aan de orde die betrekking heeft op het toedelen van functies aan locaties waarbij alle aspecten binnen de fysieke leefomgeving worden meegewogen. Het biedt ook de kans om maatwerk te verrichten en in overleg de juiste oplossingen te vinden voor het bedrijf en voor andere belangen in de omgeving. c.

Indiener geeft aan dat landelijk de complexe stikstofproblematiek gebiedsgericht wordt opgepakt. De problematiek overstijgt het gemeentelijk niveau. Indiener ziet graag dat de aanvullende landelijke- en gebiedsafspraken leidend zijn.

14 26/1586

Beantwoording Het verloop van de ontwikkelingen op dit gebied worden nauwlettend gevolgd. Voor nu is de planregel opgenomen in artikel 78 om te voldoen aan de nu geldende wetgeving. Ook uit de milieueffectrapportage blijkt dat een toename van stikstof leidt tot een verslechtering in de Natura2000 gebieden. Dat mag niet. Zodra er duidelijkheid is over de omgang met stikstof wordt bekeken of de planregel aangepast moet en kan worden. d.

Indiener geeft aan dat de stikstofregel in artikel 78 alleen nodig is daar waar ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn en niet ook op weilanden en cultuurgrond.

Beantwoording De stikstofregel geldt voor alle ontwikkelingen in het landelijk gebied en niet alleen voor de agrarische sector. In de planregel is een koppeling gemaakt naar het beweiden conform de bestaande en planologisch legale situatie. Dit heeft ermee te maken dat ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt, niet mogen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Het plan biedt melkrundveehouderijen de mogelijkheid om binnen het stikstofplafond behorende bij de referentiesituatie uit te breiden in dieraantallen. Daarmee is ook een toename in weidegang mogelijk. Dat is aan te merken als een ontwikkeling die zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie en daarmee tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De stikstofregel is erop gericht om die negatieve gevolgen uit te kunnen sluiten. e.

Indiener vraagt op welke wijze het omgevingsplan in overeenstemming wordt gebracht met verleende toestemmingen die gelden. Het valt immers op dat in bijlage 23 maar 13 vergunningen staan.

Beantwoording Door een heel aantal insprekers is in deze termijn van terinzagelegging de informatie beschikbaar gesteld die nodig is om bijlage 23 verder in te vullen. Op deze manier is nu voor nog eens 3 bedrijven duidelijk dat deze beschikken over een Nb-wetvergunning die in bijlage 23 kan worden opgenomen. Voor de overige bedrijven zijn of geen natuurtoestemmingen verleend of is sprake van natuurtoestemmingen waarin PAS-ontwikkelingsruimte is toebedeeld. Dergelijke natuurtoestemmingen mogen op grond van de rechtspraak niet één op één in het omgevingsplan worden ingepast. f.

Indiener ziet de zorg voor inwoners ten aanzien van spuitzones en constateert dat dit niet moet leiden tot dubbele regels. Indiener geeft aan dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen strak is geregeld in landelijke wetgeving. Indiener vraagt om agrarische bedrijven de mogelijkheid te bieden tot een kortere afstand mits wordt voldaan aan de actuele landelijke regels en gebruikmakend van de best beschikbare technieken om emissie buiten de eigen perceelsgrenzen te voorkomen.

Beantwoording In het kader van de zorgvuldige toedeling van functies aan locaties die verder gaat dan de ruimtelijke ordening, is ook dit onderwerp van invloed op de fysieke leefomgeving. In de planregels is opgenomen dat binnen 50 m van gevoelige functies (zie definitie er rekening moet worden gehouden met die gevoelige functie. Het gaat daarbij niet alleen over wonen, maar bijvoorbeeld ook over zorg voor gewassen van biologische akkerbouwbedrijven die hier hinder van kunnen ondervinden. Het is in die zin niet een dubbeling van regels omdat landelijk is bepaald welke middelen mogen worden gebruikt. Hier gaat het over de plek waar dit wordt gebruikt en dat rekening gehouden wordt met omliggende belangen en teeltwijzen. g.

Indiener geeft aan dat het onduidelijk is hoe de watertoets gaat werken en hoe getoetst gaat worden. Voldoende waterberging is goed, maar de voorgestelde regeling leidt bij ieder nieuw bouwwerk tot een nieuwe toetsing.

15 27/1586

Beantwoording Het gaat erom dat bij elke ontwikkeling aangetoond wordt dat de situatie ten aanzien van de waterhuishouding niet verslechterd. Het klopt dat bij elke ontwikkeling ook naar dit aspect gekeken wordt. Dat hoort bij de integrale afweging binnen de fysieke leefomgeving. Hoe deze regeling gaat werken moet worden uitgeprobeerd. Dat is evident aan nieuwe beleidsonderwerpen die in het omgevingsplan horen. Het is een onderwerp dat bij de toetsing aan de orde komt. De planregel is hierin duidelijk. h.

Indiener geeft aan blij te zijn met een flexibeler omgang van het bouwblok omdat verduurzaming, grondgebondenheid, kringlooplandbouw en energiehuishouding grote invloed gaan hebben op de inrichting van het erf. Dit wordt ook gevraagd voor de locatie van de bedrijfswoning. Daar is ook flexibiliteit in nodig en zou deze op grotere afstand van de huidige fundering herbouwd kunnen worden.

Beantwoording De locatie van de bedrijfswoning is in de meeste gevallen op agrarische erven en voormalige agrarische erven van cultuurhistorische waarde. Het loslaten van de huidige locatie heeft daarmee direct impact op het uiterlijk van een locatie, een gebied. Vanuit het thema cultuurhistorie en landschap is het niet logisch om dit vrij te laten. Ook niet vanuit milieu, omdat op die manier woningen dichter op andere locaties kunnen komen terwijl dit impact kan hebben op de bedrijfsvoering van anderen. i.

Indiener vraagt de garantie of de aanduidingen ‘erf’ overeenkomen met de huidige bouwblokken. Indiener heeft geconstateerd dat dat niet overal zo is.

Beantwoording In een aantal gevallen is in overleg bepaald dat een erf een andere vorm krijgt dan voorheen geldende bouwblokken. In die zin is er maatwerk toegepast. Dit is nogmaals gecheckt. j.

Indiener verzoekt de toevoeging van het toepassen van voorwaarden als het gaat om het bouwen van dierenverblijven (artikel 3.3.1 onder e 2 en 3).

Beantwoording In artikel 3.3.1 onder a, b en c worden de maatvoeringen gegeven voor het bouwen van bedrijfsgebouwen. De milieutechnische eisen voor een bedrijfsgebouw verschilt per diertype en ook de categorie. Deze vereisten worden in verschillende wetgeving geregeld zoals het besluit emissiearme huisvesting. Deze vereisten worden getoetst bij de omgevingsvergunning. De milieutechnische vereisten zijn in verschillende wetgeving geregeld en worden om dezen reden niet in het omgevingsplan geregeld. k.

Indiener vraagt of de tekst van 65.6 gaat over het verduurzamen van bestaande gebouwen om in aanmerking te komen voor ieder extra bouwwerk.

Beantwoording In artikel 65.6 is aangegeven dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen moet worden aangetoond dat in de nieuwe situatie het energieverbruik vermindert ten opzichte van de bestaande situatie indien de energie niet duurzaam wordt opgewerkt. Waar het hier om gaat is dat gepoogd wordt om in te zetten op energieneutraliteit. Nieuwbouw of verbouw op elk erf biedt kansen om nieuwe technieken toe te passen en in het ontwerpvraagstuk mee te nemen. Op deze manier wordt voor een deel ook bijgedragen aan het doel om energieneutraal te worden. l.

Indiener geeft aan twee verschillende begripsbepalingen te zien voor teeltondersteunende voorzieningen. Gevraagd wordt of dit klopt of dat het een fout is. Gevraagd wordt om een ruimharig beleid gericht op maatwerk per teelt. De onderbouwing met de toetssteen zijn en niet de regels.

16 28/1586

Beantwoording Dit is inderdaad een foutje. Het artikel 1.94 is overbodig in relatie tot artikel 1.129 en artikel 3.3.6. Artikel 1.94 wordt dan ook geschrapt. m.

Indiener geeft aan dat nieuwe woningen (VAB’s) niet zijn te voorkomen. Aangegeven wordt dat de negatieve gevolgen daarvan het best worden beperkt door deze als plattelandswoning te benoemen.

Beantwoording Nieuwe woningen zijn nooit aan te merken als plattelandswoning, omdat het bij een plattelandswoning altijd moet gaan om een voorheen van het agrarisch bedrijf onderdeel uitmakende woning (zie art. 1.1a lid 1 Wabo). Enkel een voormalige agrarische bedrijfswoning is dus aan te duiden als plattelandswoning. Ook onder de Omgevingswet blijft dit het geval. Overigens hebben voormalige agrarische bedrijfswoningen en in het kader van functieverandering (in combinatie met beëindiging van de veehouderijactiviteiten) gerealiseerde woningen al een veel beperktere bescherming tegen geurhinder dan reguliere woningen. Tot slot is een plattelandswoning niet meer of minder beperkend voor omliggende veehouderijen dan een voormalige agrarische bedrijfswoning (niet zijnde een plattelandswoning) of een nieuwe woning in het kader van functieverandering/VAB’s. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Artikel 1.94 geschrapt. Indiener 23 a. Indiener geeft aan dat in het ontwerpplan en de planMER niet wordt uitgegaan van integrale ontwikkelscenario’s en dat een integraal voorkeursscenario ontbreekt.

Heeft de gemeente een eindbeeld van de verschillende deelgebieden en hoe die er in de toekomst uit moeten zien, rekening houdend met alle ruimtelijke opgaven, milieuvraagstukken en bestaande functies? Indiener geeft aan dat het van belang is dat stikstofemissies dalen, er per saldo sprake is van positieve effecten op bodem-, oppervlaktewater- en grondwatercondities, de biodiversiteit en het landschap wordt hersteld, de luchtkwaliteit verbetert en dat wordt uitgegaan van duurzaam ruimtegebruik. Indiener geeft aan niet vast te stellen of dat met voorliggend plan wordt bereikt. Beantwoording In de planMER zijn alle speelvelden onderzocht en is gekomen tot een beschrijving van het voorkeursalternatief wat het voorliggende ontwerp omgevingsplan is. Daarin zijn alle belangen gewogen en zijn regels opgenomen om integraal op te kunnen sturen met als uitgangspunt een bijdrage leveren aan het behoud en mogelijk herstel van omgevingswaarden. Wel passend bij de lijn uit de Visie Landelijk gebied waarin de koers is aangegeven voor de ontwikkeling van het gebied. Een duidelijk eindbeeld is er dan ook niet, omdat ontwikkelingen door anderen mede vorm worden gegeven en dat past bij de gedachte van de Omgevingswet om ruimte te bieden aan ontwikkelingen. In ieder geval hoofdstuk 20 van de planregels voorziet in de omgevingswaarden die milieuthema’s raken.

De vele dubbelbestemmingen laten verschillende andere belangrijke waarden zien en geven regels hoe hiermee om te gaan. Alles met als doel dat er geen verslechtering maar een ontwikkeling of herstel is van deze omgevingswaarden. Ook geldt dat onder de Omgevingswet de beleidscyclus wordt doorlopen waarbij monitoring en handhaving belangrijk is om te komen tot bijstelling van beleid in visie en plan. Ten aanzien van luchtkwaliteit wordt opgemerkt dat daarvoor geen (landelijke en verplichte) noodzaak bestaat deze te verbeteren. Dat is ook een resultaat uit de planMER waardoor hiervoor geen extra regels zijn gesteld. b.

Indiener mist een visie op de transitie in de landbouw. Indiener geeft aan dat artikel 3.1.1 geen maximum oppervlakte voor bouwpercelen bevat en dat er standaard gebouwen buiten het erf mogen worden opgericht. Artikel 3.7.7 biedt de mogelijkheid om bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het erf op te richten zonder maatvoering. Dit maakt megabedrijven mogelijk en het is niet duidelijk wat de gevolgen zijn voor de omgeving qua milieu, natuur en landschap.

17 29/1586

Beantwoording Op de verbeelding staan de agrarische erven aangegeven wat daarmee de maximale oppervlakte van het perceel aangeeft. Het is niet mogelijk om standaard buiten dit erf gebouwen of bouwwerken op te richten, daarvan is alleen sprake als er op het erf geen sprake meer is van reële mogelijkheden. Wat altijd geldt is dat ook de dubbelbestemmingen voor landschap gelden en op die manier altijd wordt gekeken naar de omgeving waarin het vraagstuk zich afspeelt. Op die manier blijft altijd mogelijk om te kijken wat de omgeving aan kan aan ontwikkeling. En daarnaast blijven altijd nog milieuregels gelden die ook invloed hebben op de mogelijkheden of onmogelijkheden van bedrijfsontwikkeling. Dit maakt geen megabedrijven mogelijk en de gevolgen voor de omgeving worden altijd getoetst en meegewogen. c.

Indiener geeft aan dat voor bedrijven die niet met het plussenbeleid te maken hebben geen tegenprestatie wordt verlangd die bijdraagt aan een substantiële kwaliteitsverbetering van de omgeving.

Beantwoording Dit klopt niet omdat altijd de dubbelbestemming voor de specifieke landschapswaarde geldt waarvoor geldt dat aangetoond moet worden dat een ontwikkeling passend is in het gebied en dat bijgedragen wordt aan de inpassing van het initiatief middels een erfinrichtingsplan (de definitie hiervan is te vinden in artikel 1.56). d.

Indiener stelt voor om een sloopheffing door te berekenen bij nieuwe bouwaanvragen om te voorkomen dat er leegstand ontstaat.

Beantwoording Onderhavig omgevingsplan is een juridische vertaling van het beleid zoals is beschreven in de Visie Landelijk gebied. De gemeente kent geen beleid zoals de voorgestelde sloopheffing. Het plan bevat dan ook geen regels voor een dergelijke sloopheffing. e.

Indiener constateert dat artikel 4.3.1 de functie glastuinbouw ook veehouderijen mogelijk maakt waarvoor hetzelfde geldt als onder b aangegeven.

Beantwoording Voor de beantwoording wordt verwezen naar het antwoord onder b. f.

Indiener mist randvoorwaarden voor stikstofemissie en energiegebruik voor de glastuinbouw en daarmee een visie met betrekking tot ontwikkeling van deze sector in relatie tot de stikstof- en klimaatproblematiek. Ook hier stelt indiener een sloopheffing voor ter voorkoming van leegstaande glasopstanden.

Beantwoording Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied gelden ook de algemene regels uit het omgevingsplan, waaronder artikel 78 (stikstof) en artikel 65.5 (hydrologisch neutraal bouwen) en 65.6 ((Bijna)energie neutraal bouwen). Hier ligt direct een link met wat indiener aangeeft over stikstof en klimaat. Het plan voorziet hierin door deze onderwerpen zeker in de toetsing en afweging mee te nemen. g.

Indiener vraagt of de glastuinbouwontwikkeling in de kronkelwaarden onderdeel uitmaakt van het plan. Zo ja, dan is het van belang dit aan te geven inclusief maximaal toegestane oppervlakte per bedrijf rekening houdend met diverse omgevingswaarden en dat voorzien wordt in het leveren van een tegenprestatie (landschappelijke verevening).

Beantwoording Nee, dit maakt nu geen onderdeel uit van dit plan. Deze ontwikkeling is voorzien in de Structuurvisie Noordrand De Hoven en volgt als alle partijen zover zijn een eigen route. De ontwikkelingen die de

18 30/1586

Structuurvisie Noordrand De Hoven bieden, hebben een grote impact op het gebied wat een eigen gebiedsgerichte aanpak vraagt. h.

Indiener geeft aan dat de nut en noodzaak voor grotere bijgebouwen bij woningen niet is aangetoond. Het is vanuit landschappelijk oogpunt wenselijk om niet op elke locatie woningen en bijgebouwen te vergroten. Per saldo draagt dit bij aan verstening. Gelet op de ruimtelijke opgaven moeten ook hier sloopmeters worden ingezet. Daarmee wordt voorkomen dat ruimte voor ruimte woningen opeens zonder tegenprestatie in de vorm van sloopmeters groter mogen worden.

Beantwoording De regeling waar indiener op doelt, is al bestaand beleid. Dit beleid zorgt ervoor dat als er bij een woning bijgebouwen worden vernieuwd groter dan 150 m2 en er staat al meer oppervlakte, er met een sloopregeling en herbouw een grotere oppervlakte dan 150 m2 mogelijk is tot een max van 250 m2. Deze regeling is een stimulans om oude bijgebouwen en/of voormalige agrarische bedrijfsgebouwen op te ruimen en er een nieuw bijgebouw voor terug te bouwen. Ook hiervoor geldt dat de dubbelbestemmingen en algemene regels ook gelden en er altijd sprake moet zijn van een ontwikkeling die passend moet zijn binnen de omgevingswaarden. i.

Indiener geeft aan dat nieuwe ontwikkelingen in GO en Nationaal Landschap moeten voldoen aan de voorwaarden uit de omgevingsverordening. Indiener geeft aan dat dat meer vraagt dan alleen een erfinrichtingsplan.

Beantwoording In overleg met de provincies is gekeken naar de juiste formulering van de dubbelbestemmingen GO en GNN en die gaan over de landschapstypen. De koppeling van deze dubbelbestemmingen aan de voorwaarden van het erfinrichtingsplan zoals gedefinieerd in artikel 1.56 bieden een brede dekking van alle belangen en kernkwaliteiten. Op deze manier is dit voldoende geborgd. j.

Indiener geeft aan dat een vergunningplicht moet gelden voor het oprichten van hekwerken in GNN om te kunnen toetsen op bv verkleining van leefgebied en belemmeringen voor migratie en verwondingen bij dieren.

Beantwoording In artikel 46 staan de bepalingen die gelden binnen het GNN. Deze bepalingen zijn overeenkomstig de provinciale omgevingsverordening opgenomen. Hierin is bepaald dat niet zonder vergunning gewerkt mag worden of gebouwen of bouwwerken mogen worden opgericht. Ook is hierin een bepaling opgenomen die gaat over compensatie. Het zijn strenge en duidelijke regels die de afweging van alles wat effect kan hebben op GNN worden doordacht en afgewogen. k.

Indiener constateert een gebrek in de uitleg van GO in de toelichting/ planMER (paragraaf 6.3.5) en verzoekt dit aan te passen conform de omgevingsvisie Gelderland.

Beantwoording In paragraaf 6.3 van het planMER wordt wel de koppeling gelegd naar de onderwerpen die indiener in de brief aangeeft. Daarmee is er geen strijd met het beleid van de provincie en komt dit overeen. Een aanpassing van de paragraaf is dan ook niet aan de orde. In paragraaf 6.3.5 van de plantoelichting wordt ook gesproken over aanwezige en potentiele natuurwaarden die aanwezig zijn in GO. Dat dekt de lading voldoende. l.

Indiener stelt voor om een biodiversiteitstoets op te nemen die leidend is bij de beoordeling van aanvragen voor nieuwe ontwikkelingen met als uitgangspunt dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de biodiversiteit. Dit houdt in een natuur- en landschapsinclusief ontwerp waarin rekening wordt gehouden met de bestaande natuur- en landschapswaarden en met de opgaven tot herstel (een daadwerkelijke maatregel of een afdracht in een landschapsfonds).

19 31/1586

Beantwoording In de plantoelichting is aangegeven dat het onderwerp biodiversiteit wordt uitgewerkt en dat zodra dit gereed is, vertaald kan worden in voorliggend plan. Op deze manier maken we het omgevingsplan steeds verder compleet en cyclisch. Het natuur- en landschapsinclusief ontwerpen is voor een deel al gedekt in de verplichting tot erfinrichtingsplannen. De definitief van wat een erfinrichtingsplan is, heeft ook een deel in zich dat gaat over natuurinclusief ontwerpen. m.

Indiener verzoekt om ten aanzien van het thema licht (paragraaf 5.6) ook in te zetten op de ambitie dat donkerte wordt beschermd en versterkt en verzoekt om nieuwe ontwikkelingen hierop te toetsen.

Beantwoording Op grond van de huidige Wet milieubeheer wordt donkerte beschermd. Zodra daar in het kader van de Omgevingswet ontwikkelingen in zijn waar we als gemeente zelf voor aan de lat staan, wordt bezien in de problematiek van onze gemeente wat er nodig en mogelijk is. Een aanzet is gedaan door lichtmasten bij paardenbakken niet meer toe te staan. Op die manier wordt voor een deel hierop ingezet. n.

Indiener vraagt goed te kijken naar de mogelijkheden voor het oprichten van zonnevelden omdat deze geen onderlinge afstand kennen. In de praktijk kan dit betekenen dat er een groot aaneengesloten zonneveld kan ontstaan.

Beantwoording Alle zonnevelden die mogelijk zijn, zijn dit met een vergunning. Daarin wordt altijd de afweging gemaakt waarbij ook gekeken wordt naar de omgeving. In het kader van de RES wordt ook gewerkt aan lokale kaders. De afstemming tussen RES en omgevingsplan is van belang om te bezien wat de bijdrage in de energieneutraliteit is of kan worden. Als het nodig is dat vanuit het kader van de RES een aanpassing nodig is, wordt deze doorgevoerd. Vooralsnog is de planregel bedoeld om een aanzet te geven voor de bijdrage aan de opgave van energieneutraliteit waarbij is onderzocht wat de effecten van de planregel zijn. o.

Indiener verzoekt om bij zonne-energie initiatiefnemers te sturen naar zon op dak en het benutten van onbebouwde ruimte en infrastructurele werken (relatie met de zonneladder).

Beantwoording De zonneladder toepassen heeft ook als doel om eerst te onderzoeken of zon op dak mogelijk is. Zo niet, dan is plaatsing op de grond een optie onder de gestelde voorwaarden. p.

Indiener vraagt na te gaan hoe de landschappelijke inpassing bij zonnevelden wordt vastgelegd en een definitieve bestemming kunnen krijgen en duurzaam in stand worden gehouden. Dit met het oog op het tijdelijke karakter van een zonneveld en het gevaar dat de landschapsinvestering ongedaan wordt gemaakt. Indiener wijst op de leidraad en beveelt dit aan te gebruiken.

Beantwoording In principe is het zo dat als een aanvraag vergund wordt, de omgevingsvergunning geldt met de gestelde voorwaarden. Het plan wordt hier niet op aangepast, tenzij er sprake is van een dusdanig grote verandering waarbij de wijzigingsbevoegdheid wordt gebruikt. Daar waar met een vergunning wordt gewerkt, wordt de bestemming niet gewijzigd. Daar waar met een wijzigingsbevoegdheid wordt gewerkt, ligt het in de lijn op dat moment een aanduiding op te nemen en niet de bestemming te wijzigen. Als voorbeeld hebben we het zonneveld aan de Lansinkweg nabij de Revelhorst IV. q.

Artikel 69.1 maakt het oprichten van masten tot 40 m hoog mogelijk. Een afwegingskader voor de bescherming van de kernkwaliteiten van landschap, natuur en cultuurhistorie wordt gemist en verzocht wordt dit op te nemen. Gevraagd wordt eerst nadrukkelijk te kijken naar alternatieven als kwaliteiten in het geding komen.

20 32/1586

Beantwoording Dit gaat over zend-, ontvang- en sirenemasten en is bestaand beleid dat in dit plan is overgenomen. Ook hier geldt altijd de dubbelbestemming voor het landschap en daarmee de afweging of dit een passende ontwikkeling is. r.

Indiener constateert dat extra inspanningen nodig zijn ten aanzien van kwaliteit van de omgeving en vraagt of hier ook handhavingscapaciteit voor in huis is en hoe hiermee in de toekomst wordt omgegaan. Dit wordt gevraagd omdat in het verleden door verschillende rekenkamers in Nederland is geconstateerd dat veel afspraken omtrent compensatie in de praktijk niet waren opgevolgd en niet goed geregeld.

Beantwoording In de plantoelichting is een paragraaf handhaving opgenomen. Daarin is aangegeven hoe de handhaving van dit plan plaatsvindt en waarop de focus ligt. Bij de hele implementatie van de Omgevingswet is dit één van de planinstrumenten waarbij ook de werkprocessen kloppend gemaakt moeten worden. Dat heeft zeker aandacht en ook hiervoor geldt dat de beleidscyclus en de monitoring en handhaving de daadwerkelijke werking van het beleid moeten toetsen en als nodig is aanleiding zijn voor bijstellen van beleid in visie en plan. s.

Indiener mist een antwoord op de ingediende inspraakreactie waardoor indiener niet heeft na kunnen gaan wat er is gebeurd met alle reacties op het voorontwerp.

Beantwoording Iedereen die een inspraakreactie heeft ingediend, heeft een brief met de beantwoording ontvangen. De beantwoording is na het ontvangen van de zienswijze nogmaals aan indiener gezonden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan.

Conclusie Voorgesteld wordt het omgevingsplan Landelijk gebied ten aanzien van de regels en de verbeelding gewijzigd vast te stellen zoals hiervoor in de diverse beantwoordingen is aangegeven.

maart 2022 Team Ruimte, Economie en Duurzaamheid

21 33/1586

Ambtshalve wijzigingen vast te stellen omgevingsplan landelijk gebied maart 2022

Locatie Lochemseweg 2

Vlietbergweg 2 Holtmaatweg 2

Lage Lochemseweg 37

Vordenseweg 21-23

Artikel 54.1 Artikel 68 Artikel 73.3, 73.4 en 73.5

Bijlage 1 van de regels Bijlage 21 van de regels

Alle verwijzingen checken Artikelnummers

Wijziging Het inmiddels vastgestelde wijzigingsplan wordt opgenomen De geluidsmuur wordt als aanduiding opgenomen op de verbeelding en in de regels bij de bestemming Wonen conform de verleende vergunning en conform het akoestisch onderzoek Artikel 3.1 onder c 1 wordt geschrapt Het opstelde inpassingsplan wordt in de regels opgenomen De noordzijde van het bestemmingsvlak wordt overeenkomstig het voorheen vigerende bestemmingsplan Buitengebied Zuid en West opgenomen De bestemming Wonen wordt aan de zijde van de bestemming Natuur wat ruimer om de bebouwing gelegd om de toegang tot de bebouwing te garanderen Het bouwvlak wordt opgenomen conform het eerder vastgestelde bestemmingsplan voor deze locatie In het artikel wordt de bestemming ‘Wonen’ toegevoegd conform de mogelijkheden uit de Visie Landelijk gebied Parkeren wordt aangepast conform het (ontwerp)bestemmingsplan Standplaatsen, Terrassen, Evenementen en Parkeren In de aanhef wordt duidelijk gemaakt dat het ook voormalige agrarische bebouwing of een voormalig agrarisch erf betreft: toevoegen het woord ‘(voormalig)’ Oude Borculoseweg 12: wonen met bezinningscentrum en logies aan huis tot max 315 m2 van en in de bestaande bebouwing Kaart bij het welstandsbeleid is aangepast door de bgt-ondergrond (basisregistratie grootschalige topografie) eronder te leggen. Hierdoor is de kaart beter leesbaar.

In de pdf stonden andere verwijzingen dan op ruimtelijkeplannen.nl Door het verwijderen en invoegen van artikelen, worden een aantal artikelen omgenummerd

34/1586

Omgevingsplan | Toelichting

Landelijk gebied

Gemeente Zutphen Datum: april 2022 Projectnummer: 160109.01 ID: NL.IMRO.0301.op0101Landelijkgeb-vs01

35/1586

36/1586

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplannen en verordeningen Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte Leeswijzer

3 4 4 4 5

2

Onze visie op het landelijk gebied

6

3

Wet- en regelgeving

11

4

Milieueffectrapportage

12

4.1 4.2

Onderzochte scenario’s Betekenis voor het omgevingsplan

12 18

5

Haalbaarheid / uitvoerbaarheid

20

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13

Bodem Luchtkwaliteit Geluid Geur Externe veiligheid Licht Trilling Bedrijven en milieuzonering Water Natuur Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Handhaving

20 21 22 23 23 24 24 25 26 27 27 28 28

6

Juridische regeling

31

6.1 6.2 6.3 6.4

Inleiding Eén perceel: één regel? De regels in de praktijk Hoe gaat het proces in het stadhuis?

31 34 36 41

7

Nieuwe ontwikkelingen

43

37/1586

8

Procedure

45

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

Enquête Milieueffectrapportage Participatie Voorontwerp Ontwerp

45 45 46 47 48

Bijlagen Bijlage 1. Overzicht geldende bestemmingsplannen en verordeningen Bijlage 2. Beleidskader Bijlage 3: PlanMER

38/1586

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Het Zutphense landelijk gebied heeft een sterke, eigen identiteit. De ligging aan de IJssel en de Berkel en het eeuwenlange gebruik van de gronden door boeren hebben die identiteit gevormd en bepaald. Al decennialang is dit eeuwenoude landschap rond de stad aan het veranderen. De gronden in het landelijk gebied worden al lang niet meer alleen voor voedselproductie gebruikt. Niet alleen agrariërs; ook ondernemers, bewoners, recreanten en andere gebruikers drukken nu hun stempel op het gebied. Als reactie hierop zijn in de loop der tijd ook de regels die gelden in het landelijk gebied veranderd. Van een afwezigheid van regels tot halverwege de vorige eeuw naar de Wet op de Ruimtelijke Ordening (1962) en de Wet ruimtelijke ordening (2006). De komst van steeds meer verschillende gebruikers, met elk hun eigen belangen, heeft geleid tot steeds meer regelingen en plannen. Om te voorkomen dat het landelijk gebied haar identiteit zou verliezen, hebben al die plannen en regelingen zich steeds gericht op wat er in het gebied niet mag, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. In de huidige tijd spelen nieuwe ideeën mee: we willen af van de wildgroei aan regels, verordeningen, plannen, vergunningen en loketten. We willen aan de slag met wat er in ons landelijk gebied wel mag en daar komen we het liefst met één druk op de knop achter.

We willen duurzaam bezig zijn: gezond, milieuvriendelijk, klimaatneutraal. We willen flexibel zijn en maatwerk leveren. We willen dat het herkenbare Zutphense landschap nog mooier wordt dan het al is en we willen iedereen inspireren om hieraan bij te dragen. Kortom: we zijn ambitieus en enthousiast over ons landelijk gebied en we willen ervoor zorgen dat u dat ook bent. Als logisch gevolg van de ontwikkelingen in het landelijk gebied, de huidige ideeën over onze leefomgeving en de veranderingen in regelgeving presenteren wij in deze toelichting met gepaste trots ons Omgevingsplan Landelijk gebied. Wat goed was is gebleven, wat overbodig was is geschrapt en wat nieuw geregeld kon en moest worden is geregeld. Met dit omgevingsplan hebben wij als gemeente één instrument in handen waarmee we samen met u als agrariër, bewoner, recreant of andere initiatiefnemer aan de slag kunnen met de toekomst van ons gezamenlijk landelijk gebied. De basis voor dit plan is de (omgevings)visie Landelijk gebied, vastgesteld in 2015. Daarnaast is het van belang te weten dat er intussen ook een Visie voor Noordrand De Hoven is vastgesteld. Een visie met een gebiedsontwikkeling. Deze gebiedsontwikkeling vraagt om een eigen proces om te komen tot de gewenste eindbeelden. Dat is dan ook de reden dat de ontwikkelruimte uit die Visie niet nu al is opgenomen in dit voorliggend plan.

Ook is het goed te beseffen dat voor het stedelijk gebied ook een omgevingsvisie wordt opgesteld waarin de duidelijke wisselwerking tussen stedelijk en landelijk gebied in de gaten wordt gehouden. Beide visies moeten immers in de toekomst de gemeentelijke Omgevingsvisie vormen.

3

39/1586

1.2

Ligging plangebied Het plangebied van dit omgevingsplan is het landelijk gebied van de gemeente Zutphen.

De exacte weergave van het plangebied is te vinden via deze link.

1.3

Geldende bestemmingsplannen en verordeningen Dit omgevingsplan vervangt voor de percelen die in het plangebied liggen meerdere plannen, besluiten en verordeningen, zoals het bestemmingsplan Buitengebied Zuid en West (2013), bestemmingsplan Buitengebied Oost (2007), de Parkeernota (2012), de Bomenverordening, (delen van) de APV en de Erfgoedverordening. Een compleet overzicht van de plannen, besluiten en verordeningen die met dit omgevingsplan worden vervangen vindt u in Bijlage 1.

1.4

Bestemmingsplan met verbrede reikwijdte Dit plan is een zogenaamd “bestemmingsplan met verbrede reikwijdte”. Het plan loopt vooruit op de nieuwe Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 zal worden ingevoerd. Onder die nieuwe wet zullen bestemmingsplannen worden vervangen door omgevingsplannen. Deze omgevingsplannen maken meer en andere dingen mogelijk dan de huidige bestemmingsplannen. Op dit moment kan een gemeente, als gevolg van de Crisis- en herstelwet, een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte opstellen, waarin alvast ervaring kan worden opgedaan met de mogelijkheden die de Omgevingswet in de toekomst zal bieden. Het is bijvoorbeeld mogelijk om ruimte te bieden aan initiatieven van burgers en bedrijven door haalbaarheidsonderzoeken en kostenverhaal te verplaatsen naar het moment dat een initiatief zich aandient. Daarnaast beperkt het plan zich niet meer tot de ruimtelijke ordening, maar worden ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving 4

40/1586

meegenomen, zoals gezondheid en duurzaamheid. Ook wat betreft procedures maken we gebruik van meer mogelijkheden dan het ‘oude’ bestemmingsplan bood: voor allerlei kleinschalige ontwikkelingen die het gebruik betreffen hoeven geen vergunningen meer te worden aangevraagd, maar kunnen initiatiefnemers op basis van dit omgevingsplan een melding bij ons indienen. Ten slotte worden in een omgevingsplan alle regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar gevoegd, waardoor initiatiefnemers hun ontwikkeling niet langer aan meerdere beleidsstukken, nota's, verordeningen en plannen hoeven te toetsen en de gemeente met één integrale reactie op een initiatief kan komen.

1.5

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk (2) leggen we onze visie op de toekomst van het landelijk gebied van Zutphen aan u voor en geven we aan hoe we die visie hebben vertaald in de regels van dit omgevingsplan. In hoofdstuk 3 verwijzen we u door naar het beleid en de wetgeving die aan dit omgevingsplan ten grondslag liggen. Hoofdstuk 4 zal een toelichting op het milieueffectrapport (MER) bevatten. In hoofdstuk 5 onderbouwen we de haalbaarheid van dit omgevingsplan. Voor aspecten als bodem, luchtkwaliteit, geluid, geur, externe veiligheid, water, natuur etc. wordt aangegeven waarom het verantwoord is om dit plan vast te stellen en hoe deze aspecten in de regels geborgd zijn. Ook gaan we in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 6 volgt de concrete toelichting op dit plan: we leggen uit hoe het omgevingsplan juridisch in elkaar zit en welke onderdelen van belang zijn. We gaan uitgebreid in op de verschillen tussen dit omgevingsplan en de bestemmingsplannen die we traditioneel kennen. We maken aan de hand van voorbeelden duidelijk hoe u voor uw eigen perceel kunt zien wat uw mogelijkheden en beperkingen zijn.

Ten slotte gaan we in op de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt voor de initiatieven die het meest bij de gemeente worden ingediend, zoals de uitbreiding van agrarische bedrijven, de bouw van een extra bijgebouw bij een woning, het starten van bedrijfsactiviteiten of het nemen van energiemaatregelen. In hoofdstuk 7 worden vervolgens enkele nieuwe, concrete ontwikkelingen besproken die mogelijk worden gemaakt in dit plan. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de procedure die dit plan heeft doorlopen: van de uit1 gevoerde enquête tot de m.e.r. die is doorlopen, de burgerparticipatie die plaatsvindt en het voorontwerp- en ontwerpplan dat aan u zal worden voorgelegd. Dit hoofdstuk zal in elke nieuwe fase verder worden aangevuld. Wij willen u met deze toelichting meenemen in onze visie op de toekomst van het landelijk gebied en we willen zo duidelijk mogelijk maken hoe we die visie in regels hebben vertaald en wat die regels concreet voor u betekenen. Daarom hebben we, waar dat mogelijk is, ballast uit de toelichting gehaald en geplaatst in bijlagen (bijvoorbeeld de beleidsbijlage). Door te klikken op de directe links in de tekst brengen we u zo snel mogelijk vanuit deze toelichting naar de bijlage of de juridische regeling waarnaar u op zoek bent.

1

m.e.r. = milieueffectrapportage = proces MER = milieueffectrapport = resultaat van doorlopen proces. 5

41/1586

2

Onze visie op het landelijk gebied Rondom de stad Zutphen ligt een prachtig en waardevol landelijk gebied. Dit gebied willen we beschermen en waar mogelijk nog mooier maken. We willen tegelijkertijd mogelijkheden bieden aan inwoners, bedrijven en andere gebruikers met goede initiatieven en ideeën. In de Visie Landelijk Gebied (2015), vastgesteld door de gemeenteraad op 30 november 2015, hebben wij aangegeven welke verschillende waarden, kwaliteiten en kenmerken wij in ons landelijk gebied herkennen. Denk bijvoorbeeld aan het landschap, kenmerkende oude gebouwen, archeologische vondsten, natuur, bos, water, enz. Te midden van al die waardevolle onderdelen van het landelijk gebied vinden we de gebruikers: de (agrarische) bedrijven, de recreanten, de bewoners. Allemaal hebben ze hun eigen belangen. We willen komen tot een situatie waarin aan de ene kant de waarden van ons landelijk gebied worden verdiept en versterkt, maar minimaal blijven gehandhaafd en aan de andere kant ruimte en flexibiliteit is voor de belangen van de gebruikers van het gebied: om initiatieven te bedenken en uit te voeren. In die optimale situatie spreken we van duurzame ontwikkeling. potenties verdiepen

Waarden (bestaande) kwaliteiten in de fysieke omgeving

handhaven Kleinschalige ontw.

grootschalige ontw.

Belangen functies, ideeën, initiatieven, ontwikkelingen

De kansen liggen daar waar mogelijkheden op het gebied van waarden en belangen elkaar versterken; dit is de ruimte die wordt gezocht. Waar deze mogelijkheden met elkaar botsen ontstaan ongewenste effecten. Daartegen willen we het landelijk gebied en zijn gebruikers juist beschermen.

6

42/1586

Waarden Samen met burgers en diverse deskundigen hebben we in 2015 in de Visie Landelijk Gebied de waarden van ons landelijk gebied geanalyseerd en vastgelegd. Hierbij zijn de natuurwaarden, de waterhuishouding en het huidige gebruik van het gebied meegenomen, maar natuurlijk ook het landschap. Dit heeft de volgende indeling van het gebied opgeleverd:

We onderscheiden vier zones in het landelijk gebied:  De groene stadszone  De agrarische zone  De landgoederen en natuurzone  Dragers en verbindingen Elke zone heeft zijn eigen waarden, kwaliteiten en kenmerken. En elke zone kent eigen mogelijkheden en kansen voor de ontwikkeling van het landelijk gebied in de toekomst. De groene stadszone zien we als een mozaïek van landgoederen, stads- en moestuinen, (natuur)speel- en recreatieplekken, afwisselende agrarische activiteiten, bed en breakfast, theetuinen, etc. Het landschap is groen, lommerrijk en afwisselend en is uitermate geschikt om in te recreëren. De agrarische zone staat vooral ten dienste van de agrariërs. Hier is ruimte voor goed functionerende en economisch rendabele bedrijven; zowel agrarisch als niet-agrarisch (bijvoorbeeld in de vrijetijdseconomie).

7

43/1586

De landgoederen- en natuurzone kenmerkt zich door aaneengesloten bos- en natuurgebieden, rivieren en beken. Het behouden en ontwikkelen van de natuurdoelen staan hier voorop. De landgoederen vormen daarnaast een aantrekkelijk recreatiegebied. De drie zones die hierboven zijn beschreven worden onderling verbonden door verschillende dragers in het landschap: de wegen, rivieren en beken. De IJssel, Berkel, Onderlaatsche Laak en de Vierakkersche Laak verbinden de stad met het landelijk gebied en zijn belangrijke verbindingen op het gebied van natuur (flora en fauna) en recreatie. In het landelijk gebied van Zutphen zijn vandaag de dag de volgende landschapstypen te onderscheiden met ieder hun specifieke cultuurhistorische kenmerken:  Uiterwaarden, kronkelwaarden en komgronden van de IJssel;  Rivierduin van de IJssel;  Kampen- en essenlandschap;  Broeklanden;  Beekdalen;  Bos en landgoederen.

Voor elk landschapstype is een specifiek gebiedsDNA beschreven. Een uitgebreide toelichting per landschapstype vindt u terug in de Visie Landelijk gebied (2015). Belangen Het waardevolle karakter van ons landelijk gebied krijgt vooral betekenis wanneer mensen er verblijven en het gebied gebruiken. Bewoners, bedrijven, recreanten; iedereen kan functies en ontwikkelingen voordragen die in het gebied een plek zouden kunnen vinden.

8

44/1586

Bewoners hebben bijvoorbeeld belang bij een passend woningaanbod, een goede bereikbaarheid, een gezonde en mooie leefomgeving. Agrarische bedrijven hebben belang bij mogelijkheden om zich te kunnen ontwikkelen, bijvoorbeeld door te groeien of een neventak te beginnen. Recreanten hebben weer belang bij passende mogelijkheden voor toerisme en (verblijfs)recreatie. Al deze gebruikers kunnen met hun ideeën en initiatieven het landelijk gebied aantrekkelijker, sterker en mooier maken. Met het omgevingsplan willen wij hen optimaal faciliteren en tegelijkertijd bewaken dat er geen conflicten ontstaan met de waarden en kwaliteiten die er al zijn. Van visie naar regeling Als we de waarden en belangen tegen elkaar afzetten is te zien waar de ruimte voor kansen (duurzame ontwikkeling) ontstaat en waar bescherming nodig is. We willen met dit omgevingsplan met name op zoek naar mogelijkheden om ruimte te bieden aan belangen die bijdragen aan duurzame ontwikkeling. Een duurzame ontwikkeling wil zeggen dat een ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder dat daarmee de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar worden gebracht.

Om ruimte te bieden aan belangen die bijdragen aan duurzame ontwikkelingen willen we wanneer ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op bestaande waarden of belangen deze extra beschermen. Het doel is om ontwikkelingen mogelijk te maken waarbij geen afbreuk aan waarden wordt gedaan, maar juist potenties worden benut. Dit betekent bijvoorbeeld dat de volgende zaken geregeld zijn in het Omgevingsplan Landelijk Gebied, die voorheen niet of anders geregeld werden.  De sturing op vaste bouwvlakmaten voor agrarische bedrijven komt te vervallen. Hierdoor kunnen we flexibeler omgaan met wensen en initiatieven van bedrijven. Dit alles mag niet leiden tot afbreuk aan de bestaande waarden. Daarom stellen we wel regels in de zin van ‘bouw aansluitend aan bestaande bebouwing’ en ‘passend binnen het landschap’.  Vanuit dezelfde gedachte wordt de inhoudsmaat van woningen verruimd. Daarmee krijgen bewoners de ruimte om hun woongenot te vergroten.  Landschappelijke waarden worden voor het hele plangebied eenduidiger beschermd door elk hun eigen dubbelbestemming. Belangen en ontwikkelingen mogen geen afbreuk doen aan deze waarden.  De APV wordt in een afgeslankte vorm opgenomen in het omgevingsplan. Een afgeslankte vorm houdt in dat de regelingen over menselijke gedragingen niet worden opgenomen. De basis van waarden en belangen wordt hier op orde gemaakt.

 Het omgevingsplan is een integraal document, waar alle beleidsvelden bij elkaar komen. Hierdoor zijn randvoorwaarden voor ontwikkelingen op voorhand en integraal (vanuit alle beleidsterreinen) duidelijk. Elke initiatiefnemer krijgt zo de mogelijkheid om een plan te creëren dat optimaal past bij zijn/haar eigen wensen en de belangen en waarden die er spelen.

9

45/1586

Naast de inhoudelijke veranderingen die dit omgevingsplan brengt ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, verandert ook de manier waarop burgers en gemeente met de ruimte omgaan. Als gemeente willen wij toetsen en handhaven waar dat noodzakelijk is, maar veel liever willen we burgers en bedrijven enthousiast maken en uitnodigen om met het landelijk gebied aan de slag te gaan. Daarom hebben we een regeling opgesteld die flexibiliteit biedt en willen we in een vroeg stadium met u als initiatiefnemer in gesprek komen om samen te komen tot een mooie, duurzame en optimale ontwikkeling van ons landelijk gebied.

10

46/1586

3

Wet- en regelgeving Aan dit omgevingsplan is veel beleid, wet- en regelgeving voorafgegaan. Een overzicht van het relevante beleid en relevante wet- en regelgeving vindt u in Bijlage 2. In deze bijlage hebben we al het beleid geïnventariseerd en samengevat. Bijlage 2 is daarmee een waardevol achtergronddocument, dat inzicht geeft in de herkomst van de regels in dit omgevingsplan.

11

47/1586

4

Milieueffectrapportage Wij moeten het milieu een volwaardige plaats geven in ons beleid en onze regels voor het landelijk gebied. Daarom is voor dit omgevingsplan een milieueffectrapport (planMER) opgesteld. De wettelijke grondslag voor het opstellen van een milieueffectrapport ligt in de Wet milieubeheer.

4.1

Onderzochte scenario’s In het MER wordt ingegaan op de vraag welke gevolgen de regelingen in het omgevingsplan heeft voor het milieu. Aan de hand van 5 scenario’s is gekeken wat voor effect ontwikkelingen hebben op het landelijk gebied. Scenario 1: Doorgroei van veehouderijen. Scenario 2.1: Bij de bestaande functies vindt een maximale ontwikkeling plaats van bedrijfsgebouwen. Scenario 2.2: Alle huidige functies in het landelijk gebied schakelen om naar bedrijven. Scenario 3: Alle huidige functies in het landelijk gebied schakelen om naar wonen. Scenario 4: Er wordt maximaal ruimte geboden aan voorzieningen van hernieuwbare energie: Windturbines en zonnepanelen. Samenvatting De thema’s van de scenario’s zijn enerzijds ingegeven door de functies die overwegend voorkomen in het landelijk gebied, onder meer de veehouderij, het wonen en de overige niet-agrarische bedrijvigheid. Een laatste scenario is ingegeven door de ambitie van de gemeente ten aanzien van duurzaamheid. De scenario’s worden hierna kort verbeeld en toegelicht.

12

48/1586

Schematische verbeelding van de scenario’s (van scenario 4 bestaat deze niet)

 Scenario 1: Doorgroei veehouderijen. Alle veehouderijen groeien door (tot max. 2 ha). De niet-grondgebonden veehouderijen worden ingevuld met de ‘meest negatieve’ diersoort en de bestaande niet-grondgebonden veehouderijtakken binnen het ammoniakbuffergebied kunnen doorgroeien binnen de huidige ammoniakemissie.  Scenario 2.1: Bij de bestaande functies vindt een maximale ontwikkeling plaats van bedrijfsgebouwen (c.q. aan de woning verbonden) activiteiten.  Scenario 2.2: Alle huidige functies in het landelijke gebied schakelen om naar bedrijven (meest ongunstige bedrijfstype).  Scenario 3: Alle huidige functies in het landelijke gebied schakelen om naar wonen.  Scenario 4: Er wordt maximaal ruimte geboden voor voorzieningen van hernieuwbare energie: windturbines en zonnepanelen. Beoordeling milieueffecten Algemeen Er zijn in het MER in totaal 6 milieuaspecten beoordeeld op steeds ca 1 tot 4 toetsingscriteria, namelijk externe veiligheid, gezondheid, landschap & cultuurhistorie, natuur, verkeersveiligheid en water. De milieueffecten zijn kwalitatief (beschrijvend) beoordeeld en daar waar relevant is de effectbepaling kwantitatief (cijfermatig). De beoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van een vijfpuntsschaal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=b2a8a5cd-9faa-4e6b-97d3-c37115a25fc3