302093RH 2022_BW_00209
Tekst van het document
GOEDGEKEURD
College van burgemeester en wethouders Besluit
2022_BW_00209
Vergadering van 26 april 2022 Team Ruimte Economie en Duurzaamheid
Vaststellen Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied Besluitvormend
Zaaknummer: 302093 Portefeuillehouder: Laura Werger Openbaar Ja Embargo Nee
Samenstelling Aanwezig: mevrouw Annemieke Vermeulen, Burgemeester; mevrouw Eva Boswinkel, Wethouder; mevrouw Laura Werger, Wethouder; mevrouw Monique Stouten, Gemeentesecretaris; mevrouw Anja de Rouw, Adjunct-secretaris
Afwezig: de heer Mathijs ten Broeke, Wethouder
Besluit Besluitpunt 1 Het college besluit de raad voor te stellen de “zienswijzennota omgevingsplan “Landelijk gebied” en de nota “Ambtshalve wijzigingen” vast te stellen. Besluitpunt 2 Het college besluit de raad voor te stellen het “Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied”, inclusief de bijbehorende planMER, met IMRO code NL.IMRO.0301.op0101Landelijkgeb-vs01 gewijzigd vast te stellen. Besluitpunt 3 Het college besluit de raad voor te stellen geen exploitatieplan vast te stellen. Besluitpunt 4 Het college besluit de raad voor te stellen de volgende onderdelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zutphen 2021 buiten werking te stellen voor zover de regels zijn opgenomen in het voorliggend “Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied”: hoofdstuk 4, afdelingen 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, afdeling 8.2, afdeling 10.5 en hoofdstuk 11.
1/1586
Motivering Inleiding Eind 2015 is de Visie Landelijk Gebied door de gemeenteraad vastgesteld. Daarin zijn de ontwikkelmogelijkheden voor het landelijk gebied in relatie tot het landschap verwoord. De Visie is indertijd opgesteld volgens de principes van de nieuwe Omgevingswet: ruimte bieden voor ontwikkeling en beschermen van kwaliteiten. De Visie en al het andere vastgestelde sectorale beleid dat raakt aan de fysieke leefomgeving vormen de basis voor de vertaling van het beleid in een nieuw omgevingsplan. De Omgevingswet vraagt immers al het beleid in de fysieke leefomgeving integraal te regelen. In de Omgevingswet staat een opsomming van onderdelen die in elk geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Er waren meerdere aanleidingen voor het opstellen van een nieuw omgevingsplan voor het landelijk gebied: • het vaststellen van de Visie Landelijk gebied en de vertaling van dat beleid naar het omgevingsplan; • de noodzaak om voor het landelijk gebied van het gedeelte van Warnsveld een nieuw plan te moeten maken dat in 2019 werd vastgesteld. Dit had te maken met de 10-jaarstermijn die in de Wet ruimtelijke ordening stond waarbinnen een nieuw plan moest worden vastgesteld. Deze verplichting is echter per 1 juli 2018 vervallen.
Omdat we in 2016 zijn begonnen met de voorbereidingen van de inventarisatie en het opstellen van een werkdocument met de uitgangspunten voor het plan, is het project doorgezet; • voor verschillende delen van het landelijk gebied gelden er verschillende bestemmingsplannen met elk een eigen regeling. Op 8 maart 2016 heeft het college besloten het plan voor het landelijk gebied aan te melden bij het ministerie om gebruik te kunnen maken van de mogelijkheid om te experimenteren met het gedachtegoed van de Omgevingswet. Op 12 oktober 2016 is het besluit tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet genomen waardoor we formeel mogen experimenteren.
Doordat we mogen experimenteren betekent dit dat we: • de mogelijkheid hebben om meer onderwerpen in het plan op te nemen, ook uit de vroegere Algemene Plaatselijke Verordening (APV) waarvan recent de onderwerpen die zien op de fysieke leefomgeving zijn overgezet naar de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zutphen 2021 (VFL); • de mogelijkheid hebben om met een meldingsplicht te werken en niet meer alleen met vergunningen (vereenvoudiging van regels en versnellen van procedures); • de mogelijkheid hebben om welstandscriteria op te nemen in het plan (wat bijdraagt aan integraal werken en ruimtelijke kwaliteit in de breedte regelen); • de mogelijkheid hebben om de delegatiemogelijkheid toe te passen (dit houdt in dat de raad een delegatiebesluit neemt waardoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om delen van het plan aan te passen). In de pilot van dit voorliggende omgevingsplan Landelijk gebied zijn de eerste drie opgesomde punten verwerkt. De laatste kan gebruikt worden op het moment dat het zich voordoet. Dit wordt nader toegelicht onder de kanttekening 2.1. Bij het omgevingsplan is een milieueffectrapportage (planMER = het rapport) opgesteld.
Dit is verplicht op het moment dat er in een bestemmingsplan/ omgevingsplan m.e.r-plichtige activiteiten worden toegestaan (Wet milieubeheer en Besluit mer) én op het moment dat een passende beoordeling nodig is (op grond van de Wet natuurbescherming). Beide zijn het geval wat leidt tot de verplichting van een MER (het opstellen van het rapport) en het doorlopen van de bijbehorende
2/1586
m.e.r.-procedure. Op deze manier worden alle milieubelangen in beeld gebracht in het planMER (in het rapport) en volwaardig meegewogen in de besluitvorming op het omgevingsplan. Voorliggend ontwerp omgevingsplan Landelijk gebied en bijbehorende planMER (het rapport), inclusief bijbehorende onderzoeken, is met de onder andere de volgende partijen en processtappen tot stand gekomen: • een interne projectgroep van plusminus 25 inhoudelijke collega’s; • vakspecialisten van de Omgevingsdienst Achterhoek; • het adviesbureau; • belanghebbenden/ belangstellenden; • ketenpartners als de provincie en het waterschap; • bestuurders; • opbrengst uit inspraak, vooroverleg en zienswijzen. Het ontwerp omgevingsplan Landelijk gebied heeft van 23 september 2021 tot en met 3 november 2021 ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode 23 zienswijzen binnen de termijn ingediend. Het opstellen van het omgevingsplan, in participatie en het volgen van vele ontwikkelingen, is een groot, complex en meerjarig proces geweest. Met het vaststellen van dit omgevingsplan Landelijk gebied is een eenduidig toetsingskader ontwikkeld voor het landelijk gebied. Het plan is de basis voor verdere ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoogd effect Het omgevingsplan Landelijk gebied en bijbehorende planMER vast te stellen waardoor er eenduidigheid in het beleid voor het landelijk gebied ontstaat.
Argumenten Zie raadsvoorstel. Kanttekeningen Zie raadsvoorstel. Communicatie Zie raadsvoorstel. Evaluatie Zie raadsvoorstel. Financiën Zie raadsvoorstel. Risico’s Zie raadsvoorstel. Personele consequenties Programmadoelen Programma 3. Duurzame leefomgeving Toelichting programmadoelen De vaststelling van het omgevingsplan draagt bij aan het actueel maken van de kaders die gelden in het landelijk gebied. Op deze manier draagt dit bij aan de ontwikkeling van het landelijk gebied en de leefbaarheid ervan.
Bijlagen 1. 2. 3.
Raadsvoorstel en besluit omgevingsplan Landelijk gebied.pdf Zienswijzennota ontwerpomgevingsplan Landelijk gebied.pdf Ambtshalve wijzigingen vast te stellen omgevingsplan Landelijk gebied.pdf
3/1586
4. 5. 6.
TOELICHTING_Omgevingsplan Landelijk gebied Zutphen Regels_Omgevingsplan Landelijk gebied Zutphen VERBEELDING_Omgevingsplan Landelijk gebied Zutphen
4/1586
VOORBLAD
ONTWERP Invulinstructie RAADSVOORSTEL Onderwerp Programma
Forum Portefeuillehouder Inlichtingen bij
Soort bevoegdheid Beleidsvrijheid Programmabegrotingswijziging
Griffienummer:
Vaststellen Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied 3. Duurzame leefomgeving -oordeelsvormend Laura Werger Marleen Schuijl-Oltvoort 06-81425953 m.schuijl-oltvoort@zutphen.nl kaderstellend geen ja
controlerend beperkt
budgetrecht ruim nee
overig
Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor: 1. de “zienswijzennota omgevingsplan “Landelijk gebied” en de nota “Ambtshalve wijzigingen” vast te stellen; 2. het “Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied”, inclusief de bijbehorende planMER, met IMRO code NL.IMRO.0301.op0101Landelijkgeb-vs01 gewijzigd vast te stellen; 3. geen exploitatieplan vast te stellen; 4. de volgende onderdelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zutphen 2021 buiten werking te stellen voor zover de regels zijn opgenomen in het voorliggend “Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied”: hoofdstuk 4, afdelingen 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, afdeling 8.2, afdeling 10.5 en hoofdstuk 11.
5/1586
1 van 8
TOELICHTING
Inleiding Eind 2015 is de Visie Landelijk Gebied door de gemeenteraad vastgesteld. Daarin zijn de ontwikkelmogelijkheden voor het landelijk gebied in relatie tot het landschap verwoord. De Visie is indertijd opgesteld volgens de principes van de nieuwe Omgevingswet: ruimte bieden voor ontwikkeling en beschermen van kwaliteiten. De Visie en al het andere vastgestelde sectorale beleid dat raakt aan de fysieke leefomgeving vormen de basis voor de vertaling van het beleid in een nieuw omgevingsplan. De Omgevingswet vraagt immers al het beleid in de fysieke leefomgeving integraal te regelen. In de Omgevingswet staat een opsomming van onderdelen die in elk geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Er waren meerdere aanleidingen voor het opstellen van een nieuw omgevingsplan voor het landelijk gebied: het vaststellen van de Visie Landelijk gebied en de vertaling van dat beleid naar het omgevingsplan; de noodzaak om voor het landelijk gebied van het gedeelte van Warnsveld een nieuw plan te moeten maken dat in 2019 werd vastgesteld. Dit had te maken met de 10-jaarstermijn die in de Wet ruimtelijke ordening stond waarbinnen een nieuw plan moest worden vastgesteld. Deze verplichting is echter per 1 juli 2018 vervallen.
Omdat we in 2016 zijn begonnen met de voorbereidingen van de inventarisatie en het opstellen van een werkdocument met de uitgangspunten voor het plan, is het project doorgezet; voor verschillende delen van het landelijk gebied gelden er verschillende bestemmingsplannen met elk een eigen regeling. Op 8 maart 2016 heeft het college besloten het plan voor het landelijk gebied aan te melden bij het ministerie om gebruik te kunnen maken van de mogelijkheid om te experimenteren met het gedachtegoed van de Omgevingswet. Op 12 oktober 2016 is het besluit tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet genomen waardoor we formeel mogen experimenteren.
Doordat we mogen experimenteren betekent dit dat we: de mogelijkheid hebben om meer onderwerpen in het plan op te nemen, ook uit de vroegere Algemene Plaatselijke Verordening (APV) waarvan recent de onderwerpen die zien op de fysieke leefomgeving zijn overgezet naar de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zutphen 2021 (VFL); de mogelijkheid hebben om met een meldingsplicht te werken en niet meer alleen met vergunningen (vereenvoudiging van regels en versnellen van procedures); de mogelijkheid hebben om welstandscriteria op te nemen in het plan (wat bijdraagt aan integraal werken en ruimtelijke kwaliteit in de breedte regelen); de mogelijkheid hebben om de delegatiemogelijkheid toe te passen (dit houdt in dat de raad een delegatiebesluit neemt waardoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om delen van het plan aan te passen). In de pilot van dit voorliggende omgevingsplan Landelijk gebied zijn de eerste drie opgesomde punten verwerkt. De laatste kan gebruikt worden op het moment dat het zich voordoet. Dit wordt nader toegelicht onder de kanttekening 2.1. Bij het omgevingsplan is een milieueffectrapportage (planMER = het rapport) opgesteld.
Dit is verplicht op het moment dat er in een bestemmingsplan/ omgevingsplan m.e.r-plichtige activiteiten worden toegestaan (Wet milieubeheer en Besluit mer) én op het moment dat een passende beoordeling nodig is (op grond van de Wet natuurbescherming). Beide zijn het geval wat leidt tot de verplichting van een MER (het opstellen van het rapport) en het doorlopen van de bijbehorende m.e.r.-procedure. Op deze manier worden alle
6/1586
2 van 8
milieubelangen in beeld gebracht in het planMER (in het rapport) en volwaardig meegewogen in de besluitvorming op het omgevingsplan. Voorliggend ontwerp omgevingsplan Landelijk gebied en bijbehorende planMER (het rapport), inclusief bijbehorende onderzoeken, is met onder andere de volgende partijen en processtappen tot stand gekomen: een interne projectgroep van plusminus 25 inhoudelijke collega’s; vakspecialisten van de Omgevingsdienst Achterhoek; het adviesbureau; belanghebbenden/ belangstellenden; ketenpartners als de provincie en het waterschap; bestuurders; opbrengst uit inspraak, vooroverleg en zienswijzen. Het ontwerp omgevingsplan Landelijk gebied heeft van 23 september 2021 tot en met 3 november 2021 ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode 23 zienswijzen binnen de termijn ingediend. Het opstellen van het omgevingsplan, in participatie en het volgen van vele ontwikkelingen, is een groot, complex en meerjarig proces geweest. Met het vaststellen van dit omgevingsplan Landelijk gebied is een eenduidig toetsingskader ontwikkeld voor het landelijk gebied. Het plan is de basis voor verdere ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoogd effect Het omgevingsplan Landelijk gebied en bijbehorende planMER vast te stellen waardoor er eenduidigheid in het beleid voor het landelijk gebied ontstaat.
Argumenten 1.1 Zienswijzen op het ontwerp omgevingsplan hebben geleid tot aanpassingen in het omgevingsplan. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerp omgevingsplan zijn in totaal 23 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen hebben tot aanpassing van het plan geleid. De inhoud van de reacties en de beantwoording daarvan zijn opgenomen in bijlage 1 die onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan. Belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het ontwerp zijn: het plan is geactualiseerd naar de nu geldende stikstofwetgeving op basis van de input van bedrijven daarvoor (verleende vergunningen); details op perceelsniveau waardoor de regeling klopt bij de aanwezige en bestemde functies. Met de doorgevoerde wijzigingen is het plan actueel. 1.2 Er zijn ambtshalve redenen om het omgevingsplan aan te passen. Door met het plan aan het werk te zijn en de reacties uit de samenleving te vernemen, zijn een aantal zaken te verbeteren waardoor de regeling beter vorm krijgt. Alle ambtshalve wijzigingen zijn opgenomen in bijlage 2. Het zijn met name details op perceelsniveau die aan het licht zijn gekomen door te oefenen met het plan en de werking ervan te ondervinden. Met de doorgevoerde wijzigingen is het plan actueel. 2.1 De basis van het omgevingsplan is het vastgestelde beleid dat raakt aan de fysieke leefomgeving én de veldinventarisatie.
Als uitgangspunt geldt dat het beleid voor de fysieke leefomgeving integraal wordt afgestemd en geregeld. Dat is gedaan in voorliggend omgevingsplan. Basis daarbij is geweest het vastgestelde beleid van het Rijk, de provincie, de waterschappen en de gemeente. Het gaat om ca 40 nota’s/ verordeningen/ wetten die nu zijn verwerkt. De maatwerk-bestemmingsplannen zijn hierbij nog niet meegerekend, maar wel verwerkt.
7/1586
3 van 8
Op basis van een adressenlijst, bestemmingsplannen check, bouw- en milieudossieronderzoek is een eerste inventarisatiedocument opgesteld. Vervolgens is dit in het veld getoetst. Dat gaf een eerste richting in de toekomstige bestemmingen per perceel (toe te kennen functies). In de periode van de inventarisatie zijn eind 2016 plusminus 400 huis aan huis enquêtes verspreid. Er zijn 148 ingevulde enquêtes terug ontvangen met veel input over wensen op perceelsniveau, informatie over percelen en waardering van de omgeving. Deze input heeft aan de ene kant geleid tot inzicht in ontwikkelingen in het gebied en zoeken naar mogelijkheden om dit gelijk te regelen in het omgevingsplan, mits passend binnen het vastgesteld beleid van met name de Visie Landelijk gebied. Daarnaast zijn er op basis van de enquêtes en de inspraak vele gesprekken in het veld met particulieren gevoerd. Er is meegedacht over de inhoudelijke wensen en mogelijkheden op perceelsniveau om mee te nemen in het omgevingsplan voor de betreffende locaties zelf, of er is meegedacht in het mogelijk maken vooruitlopend op het nieuwe omgevingsplan. Andere bijkomstigheid was dat de zichtbaarheid van de gemeente als gesprekspartner is vergroot.
Dit helpt op het moment dat we, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, als gelijkwaardige partner aan tafel zitten bij initiatiefnemers en belanghebbenden om nieuwe initiatieven te helpen realiseren (ja, mits benadering). Alle input heeft geleid tot een inventarisatie op perceelsniveau dat de basis is voor het toekennen van de bestemmingen aan de locaties en mogelijke flexibiliteit in de regels. 2.2 De integrale inhoud op basis van de beleidsinventarisatie is gevat in de lagenbenadering om tegemoet te komen aan het uitgangspunt ‘beschermen van kwaliteiten’. Alle thema’s of onderwerpen vormen een eigen laag in het omgevingsplan. Op deze manier zijn gebiedskwaliteiten opgenomen met een eigen dubbelbestemming, en ook de functies kennen een eigen laag. Zo wordt recht gedaan aan het uitgangspunt van de Omgevingswet om ruimte te bieden aan ontwikkeling (in de functies) en kwaliteiten te beschermen met een dubbelbestemming. 2.3 De uitgangspunten voor het bieden van ruimte voor ontwikkeling is opgenomen in de bestemmingen per perceel/ de functies. Uit de veldinventarisatie en de opbrengsten van de enquête en gesprekken is aan elke perceel een bestemming toegekend. Dit is niet nieuw, dat gebeurt ook al in de huidige bestemmingsplannen. Omdat er nu voor het hele landelijk gebied één plan is gemaakt worden de mogelijkheden per functie overal gelijk.
Met uitzondering van de locaties waar we in het recentere verleden een maatwerkbestemming hebben toegekend. Uit de Visie Landelijk gebied volgt dat er op alle erven in de bestaande bebouwing ruimte mag zijn voor ontwikkeling van andere functies die bij de hoofdfunctie worden uitgeoefend, mits passend bij de context van het gebied. Op deze manier bestaat er een actueel toetsingskader voor aanvragen en is er onder voorwaarden ruimte voor ontwikkeling binnen het gebied. 2.4 Het uitgangspunt voor vereenvoudiging van regelgeving is opgenomen in de manier waarop initiatieven gerealiseerd kunnen worden. De Visie Landelijk gebied heeft ook als ambitie gesteld de regeldruk te beperken. Op basis van de beleidsinventarisatie (al het beleid en wetgeving van hogere overheden) is een vereenvoudiging van regels ingewikkeld. Andere overheden bepalen voor grote delen wat wel en niet mag. Denk bijvoorbeeld aan de uitbreiding van agrarische bedrijven die belemmerd wordt door de strakke stikstofregelgeving in relatie tot natuurgebieden, of een molenbiotoop die strak regelt hoe hoog bebouwing en beplanting mag zijn in de contour om vrije windvang veilig te stellen. De manier om soepeler om te gaan met regels is dan het werken met een meldingsplicht in plaats van direct met een vergunningsplicht. In de milieuwetgeving kennen we deze constructie al, in de ruimtelijke ordening nog niet.
Op grond van de Crisis- en herstelwet kan dit nu ook in voorliggend omgevingsplan.
8/1586
4 van 8
In voorliggend ontwerp omgevingsplan is voor een heel aantal ontwikkelmogelijkheden een meldingsplicht opgenomen. Dit houdt in dat als een initiatiefnemer een activiteit wil realiseren in bestaande bebouwing (dus niet met nieuwbouw) en de overige voorwaarden worden gevolgd dat dit zonder vergunning mogelijk is. Voordat gestart wordt met de nieuwe activiteit binnen de gestelde voorwaarden wordt dit, op grond van de beleidsregel Procedure melding, gemeld aan de gemeente. Op dat moment kunnen we toetsen of de activiteit past binnen de regels en kunnen we bijhouden wat er in het plangebied gebeurt. Dat is van belang om het beleid te kunnen monitoren in relatie tot de gebiedskwaliteiten. 2.5 Op grond van het Besluit milieueffectrapportage en de Wet natuurbescherming wordt de m.e.r.-procedure gevolgd en is een concept milieueffectrapportage (MER) opgesteld. Het is een wettelijke verplichting om bij plannen waar m.e.r.-plichtige activiteiten in voorkomen een planMER (rapport) op te stellen. De planMER met het doorlopen van de bijbehorende procedure heeft als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen. Het opstellen van het planMER is/ wordt conform de m.e.r.-procedure doorlopen. Het MER is een onlosmakelijk onderdeel van de planmotivatie en verantwoording.
De milieugevolgen van het plan zijn in het planMER in beeld gebracht. Op deze manier wordt duidelijk wat het te voeren beleid in de ontwikkelscenario’s voor milieueffecten met zich meebrengen. Op deze manier is het hele speelveld in beeld gebracht en zijn effecten zichtbaar geworden. Uitkomsten van het planMER hebben voor een aantal onderwerpen geleid tot aanscherping van planregels om de uitvoerbaarheid van het beleid te waarborgen. Zie hoofdstuk 13 van het planMER waarin de doorwerking van de resultaten uit het planMER in het omgevingsplan zijn beschreven. 3 Er hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. In artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Er worden geen mogelijkheden gegeven voor het realiseren van projecten en/of plannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waardoor geen exploitatieverplichting in het kader van de Wro geldt. 4 Het omgevingsplan heeft onderdelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zutphen 2021 (VFL) in zich welke moeten worden uitgesloten om dubbelingen in regelgeving te voorkomen.
In het omgevingsplan zijn alle onderwerpen waarvoor beleid is vastgesteld binnen de fysieke leefomgeving opgenomen. Dat geldt ook voor delen van de VFL die in de hoofdstukken 10 en 22 van de regels zijn opgenomen. Dubbele regelgeving in enerzijds de VFL en anderzijds het omgevingsplan moet voorkomen worden. Omdat de volgende onderdelen van de VFL zijn opgenomen in het omgevingsplan wordt voorgesteld om deze buiten werking te stellen: - hoofdstuk 4 VFL (bomen); - afdelingen 5.3, 5.4, 5.5, 5.6 (aangewezen monumenten en archeologie); - afdeling 8.2 (diverse hinder); - afdeling 10.5 (opslag van oude materialen); - hoofdstuk 11 (gebruik van wegen en water). Kanttekeningen 2.1 Het plan is nog niet af en doorontwikkeling op onderwerpen kan na vaststelling van het omgevingsplan. Tijdens het opstellen van het omgevingsplan zijn verschillende constateringen gedaan die gaan over het beleid. Wat opvalt is dat beleid in het algemeen op hoofdlijnen is wat een concretisering nodig heeft om te kunnen vertalen naar planregels. Vaak is meer detailinformatie nodig om een goede afweging te maken en een planregel vorm te geven. Wanneer deze details duidelijk zijn, kunnen regels gemakkelijker worden losgelaten.
9/1586
5 van 8
Er ligt een duidelijke relatie met de wens om gebiedskwaliteiten minimaal te handhaven, mogelijk te versterken en liefst te verdiepen. Dit kan alleen als we weten in welk gebied welke kwaliteit een versterkingsslag of verdiepingsslag nodig heeft. En dus waar de kansen liggen. Dit speelt bij de volgende onderwerpen/ eigen themalagen in het omgevingsplan: Natuur: in de gebiedskwaliteit natuur wordt nu alleen Gelders Natuur Netwerk en Groene Ontwikkelzone (op grond van het provinciaal beleid) geregeld. Een nadere uitwerking van de opgestelde natuurvisie uit 2018 wordt gemaakt in de vorm van het beleidsprogramma biodiversiteit. Cultuurhistorie: Voor dit onderwerp is een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Ook hiervoor dient een concretiseringsslag gemaakt te worden om dit thema te vertalen naar de planregeling. Water: voor water is er een grote opgave. Te denken valt aan klimaatadaptatie, waterveiligheid, droogte, wateroverlast. Daarnaast wordt het verplicht om onder de Omgevingswet de legger van de Waterschappen op te nemen in omgevingsplannen. Ook hiervoor geldt dat als er meer duidelijk is, dit onderwerp op een goede manier opgenomen kan worden in het omgevingsplan. Energietransitie: voor de grootschalige opwek van energie loopt een apart spoor voor het opstellen van een lokaal uitwerkingskader.
Tzt moet bezien worden in hoeverre dit onderwerp een plek moet en kan krijgen in het omgevingsplan. Gezondheid: er zijn allerlei ontwikkelingen op dit onderwerp. Met name voor infectieziekten in relatie tot agrarische bedrijven zijn er verschillende onderzoeken (landelijk) gedaan. Het onderwerp ontwikkelt zich door en ook onder de Omgevingswet is dit een thema voor de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Er is nu nog geen beleid of er zijn ook nog geen normen die een plek kunnen krijgen in het omgevingsplan. Het is voor dit moment niet mogelijk om al deze bovenstaande onderwerpen uit te diepen en op orde te brengen binnen de tijdsplanning van het Omgevingsplan Landelijk Gebied. Op het moment dat bovenstaande onderwerpen onderzocht zijn, er beleid aan is gekoppeld en dit vertaald is naar planregels, is het Omgevingsplan met alle themalagen gevuld. Op deze manier wordt het omgevingsplan gevuld met de onderwerpen die geregeld moeten worden. Dat gebeurt in nauw overleg tussen raad en college op het moment dat het onderwerp besproken kan worden. Zo mogelijk en ten behoeve van de snelheid kan de raad een delegatiebesluit nemen om het college opdracht te geven bepaalde onderwerpen in het plan (met de bijbehorende procedure en vaststelling) te regelen. Deze mogelijkheid van doorontwikkeling van omgevingsvisie en omgevingsplan wordt ook de bedoeling onder de nieuwe Omgevingswet.
De beleidscyclus om beleid op orde te houden in visie en plan, door uitvoering en monitoring van het beleid, vraagt om het inspelen op actuele onderwerpen en het bijhouden van beleid. Er geldt daarom ook geen termijn meer van 10 jaar om plannen te actualiseren. Bij het goed inrichten van de beleidscyclus is dat ook niet meer nodig. Deze cyclus kan per onderwerp of nieuwe trend een eigen doorlooptijd hebben. Maar vaststaat dat voorliggend omgevingsplan het juridische kader is dat rechtszekerheid biedt voor alle inwoners en gebruikers in het landelijk gebied. 2.2 De voorgestelde Beleidsregels (plussenbeleid, welstand en procedure melding) moeten eerst worden uitgeprobeerd. Voordat gesteld kan worden of de inhoud en processen van de Beleidsregels echt werken, moet er eerst mee gewerkt worden. Ook dit is dan een doorontwikkeling van het plan. Mocht blijken dat er iets niet werkt of dat er aanscherping of versoepeling nodig of mogelijk is (dit kan ook zijn omdat hogere overheden hiervoor iets regelen), dan kan dit op een eenvoudige manier met een delegatiebesluit worden aangepast.
10/1586
6 van 8
Financiën Het opstellen van het omgevingsplan Landelijk gebied is een langlopend project waarvoor middelen beschikbaar zijn gesteld. In 2017 is een budget van € 100.000,-- vrijgemaakt. De kosten voor het opstellen van het omgevingsplan Landelijk gebied zijn € 133.500,-- geweest. Het gelabelde budget van € 100.000,-- en de kosten die er boven op zijn gekomen van € 33.500,-- zijn betaald in de jaren vanaf 2017 tot en met heden. Het bedrag boven de €100.000,--, is betaald uit het bestaande werkbudget van team RED (cluster Ruimte 6810101). Communicatie Na het collegebesluit worden alle personen of instanties geïnformeerd met een brief met beantwoording van hun zienswijze. Na het raadsbesluit wordt het omgevingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende die periode kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het raadsbesluit wordt bekendgemaakt op de gemeentepagina van het Contact, het digitale Gemeenteblad, op de website van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Ook krijgt elk adres binnen het plangebied een huis-aan-huis aankondiging van de terinzagelegging. Op deze manier missen we niemand en is dit in lijn met de communicatie zoals dit eerder bij de terinzagelegging van het voorontwerp omgevingsplan en het ontwerp omgevingsplan ook is gedaan.
Uitvoering De beleidscyclus onder de nieuwe Omgevingswet vraagt om een goede monitoring en handhaving van het beleid. Dit vraagt een andere inzet van capaciteit en middelen. In het kader van het onderzoeken van de structurele effecten van de implementatie van de Omgevingswet moet hier meer duidelijkheid over komen vanuit het Programma Implementatie Omgevingswet. Evaluatie Bijlagen -
Zienswijzennota ontwerpomgevingsplan “Landelijk gebied”; Nota Ambtshalve wijzigingen omgevingsplan Landelijk gebied; Vast te stellen omgevingsplan, inclusief planMER en bijbehorende onderzoeken;
Stukken die ter inzage liggen Niet in het systeem, fysiek in te zien bij de griffie: - 23 ingediende zienswijzen.
11/1586
7 van 8
ONTWERP BESLUIT Griffienummer:
De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
met nummer
;
gelet op de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, het Besluit wet milieubeheer, de Crisis- en herstelwet en het Besluit uitvoering Crisis en herstelwet; besluit: 1. de “Zienswijzennota omgevingsplan “Landelijk gebied” en de nota “Ambtshalve wijzigingen” vast te stellen; 2. het “Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied”, inclusief de bijbehorende planMER, vast te stellen; 3. geen exploitatieplan vast te stellen; 4. de volgende onderdelen van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Zutphen 2021 buiten werking te stellen voor zover de regels zijn opgenomen in het voorliggend “Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied”: hoofdstuk 4, afdelingen 5.3, 5.4, 5.5, 5.6, afdeling 8.2, afdeling 10.5 en hoofdstuk 11. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zutphen, gehouden op:
De voorzitter,
de griffier,
12/1586
8 van 8
Zienswijzennota ontwerpomgevingsplan “Landelijk gebied” Inleiding Van 23 september 2021 tot en met 3 november 2021 heeft het ontwerpomgevingsplan “Landelijk gebied” voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan kenbaar te maken aan de gemeenteraad. De ter inzage legging is bekend gemaakt door publicatie in het Contact en het elektronisch gemeenteblad van 22 september 2021. Gedurende de termijn zijn 23 schriftelijke zienswijzen bij de gemeenteraad ingediend. Er zijn geen mondelinge zienswijzen ingebracht. De 23 zienswijzen zijn binnen de termijn verzonden en ontvangen, waardoor ze allen ontvankelijk zijn. Er zijn 2 zienswijzen buiten de termijn verzonden en ontvangen, waardoor deze niet-ontvankelijk zijn. Hiervan zijn deze personen op de hoogte gesteld. Hieronder wordt aangegeven wat de inhoud van de zienswijzen is en zijn de zienswijzen beantwoord.
Inhoud en beantwoording zienswijzen Indiener 1 a. Indiener geeft aan dat een deel van het bestemmingsvlak bij de buurman is ingetekend. Verzocht wordt dit op de verbeelding aan te passen. Beantwoording Dit kan op de verbeelding worden aangepast waardoor de regeling voor beide buren klopt. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt de bestemmingsgrens tussen Bronsbergen 28 en 28a aangepast. Indiener 2 a. Indiener geeft aan dat het begrip 1.118 paardenhouderij voor de betreffende bedrijfsvoering niet voldoende is omdat het gedeelte van de productiegerichte paardenhouderij niet duidelijk is geborgd. Gevraagd wordt om op het betreffende perceel òf een aanduiding op te nemen die de productiegerichte paardenhouderij regelt òf het begrip 1.118 aan te passen in die zin dat ook het fokken van paarden of pony’s is toegestaan. Beantwoording De agrarische bestemming en de aanduiding paardenhouderij op de locatie laten zien dat het hier om een productiegerichte paardenhouderij gaat. Dit in tegenstelling tot gebruiksgerichte paardenhouderijen die een manegebestemming hebben. Het klopt wel dat de definitie onder 1.118 scherper en beter kan. De suggestie voor aanpassing van dit begrip wordt dan ook overgenomen waarbij wordt opgemerkt dat het zinsdeel ‘paarden en pony’s’ wordt ‘paarden en/of pony’s’.
Er zijn namelijk ook situaties denkbaar dat er binnen een paardenhouderij sprake is van een combinatie tussen de aanwezigheid van paarden en pony’s. b.
Indiener geeft aan dat de gebruiksregel voor deze locatie impliceert dat een paardenhouderij enkel in combinatie met een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan en niet als solitaire bedrijfsvorm. Verzocht wordt deze gebruiksregel aan te passen waardoor een zelfstandige (productiegerichte) paardenhouderij is toegestaan.
Beantwoording Het provinciale beleid ten aanzien van agrarische bedrijven (grondgebonden of niet) is hierin leidend. Op grond van het provinciale beleid geldt dat bedrijven die het voer voor dieren van elders halen,
1 13/1586
moeten worden gezien als niet-grondgebonden veehouderijen (zoals we vroeger deze intensieve veehouderijen noemde). Alle bedrijven met eigen grond en daar ook voer op verbouwen, zijn grondgebonden. In voorliggende situatie heeft het bedrijf de beschikking over eigen gronden waar dieren kunnen grazen en waar ook eigen voedsel vanaf komt. Het loskoppelen van de grondgebondenheid levert een intensieve veehouderij op wat niet aan de orde is. Het is dan ook op grond van het provinciale beleid niet mogelijk om de gebruiksregel aan te passen en de grondgebondenheid los te laten. c.
Indiener geeft aan dat op het moment van vergunningaanvraag ook de grondgebondenheid moet zijn aangetoond. Het kopen van grond zonder zekerheid over een vergunning is een kostbare aangelegenheid. Gevraagd wordt of kan worden volstaan met in te brengen grond waarover principeovereenstemming is en niet enkel grond die al in eigendom of in pacht is.
Beantwoording Bij het aantonen van de grondgebondenheid gaat het over het inzicht dat een ondernemer voldoende grond ter beschikking heeft om te kunnen voldoen aan de milieuregelgeving die daarbij hoort. Ook dit is tot stand gekomen op basis van provinciaal beleid dat moet worden doorvertaald in het omgevingsplan. Een vergunning verlenen op basis van een principeovereenkomst leidt niet tot de rechtszekerheid die nodig is om te toetsen of voldaan wordt aan het gestelde. Het is dan ook niet mogelijk om dit in de regels aan te passen. d.
Indiener geeft een nieuwe aanpassing van het ‘erf’ weer waarbij de oppervlakte van het ‘erf’ gelijk blijft. Een andere dan ten tijde van het voorontwerp is ingebracht.
Beantwoording Zoals in de beantwoording van de inspraakreactie op het voorontwerp omgevingsplan is aangegeven geldt dat het op voorhand aanpassen van het erf in voorgestelde zin niet aan de orde is. Eerder is eveneens aangegeven dat op grond van de planregels het mogelijk is om een uitbreiding van het erf over de aanduidingsgrens te realiseren waarbij ook een toetsing aan de geldende andere regels die van toepassing zijn plaatsvindt en waarbij sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. De planregels bieden daarmee ruimte het bedrijf uit te breiden indien nodig en wenselijk. De nu gevraagde aanpassing van het ‘erf’ zonder daarbij in te gaan op de context van het landschap en geen inpassingsplan daarbij te leveren, leidt nu niet tot aanpassing van de aanduiding ‘erf’. Op het moment dat dit zich concreet voordoet verkennen we samen de mogelijkheden binnen de context van het gebied. e.
Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een verklaring van geen bedenkingen van GS d.d. 3 oktober 2012 inzake de toen gelden Natuurbeschermingswet 1998. Indiener verzoekt om deze op te nemen in de planregels waardoor ondernemer uit kan blijven gaan van gebruik van vergunde rechten.
Beantwoording De verklaring van geen bedenkingen kan worden toegevoegd aan bijlage 23, waarin de lijst met verleende en onherroepelijke natuurtoestemmingen is opgenomen. f.
Indiener geeft aan ook bij het voorontwerp gereageerd te hebben op de lastenverzwaring die optreedt door regels te stellen over landschappelijke inpassing, hydrologisch neutraal bouwen en energieneutraal bouwen. Indiener roept op om deze extra verplichtingen niet op te leggen als niet duidelijk is wat de forse extra kosten zijn.
Beantwoording Indiener geeft aan dat het om forse extra kosten gaat welke niet door indiener worden onderbouwd. Waar het om gaat is dat dit onderwerpen zijn die de fysieke leefomgeving raken en daarmee integraal onderdeel moeten zijn van de afweging van wat er in de fysieke leefomgeving gebeurt en waarom.
2 14/1586
Dat regels over nieuwe onderwerpen kosten met zich mee brengen, is zeker aan de orde. Het is ook zaak om als ondernemer en als gemeente te kijken in hoeverre ontwikkelingen op een locatie bijdragen aan de opgaven en onder welke voorwaarden. Dit gaat over balans zoeken tussen alle belangen die spelen en slim omgaan met de ruimte die er is. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - het begrip 1.118 als volgt opgenomen: “een agrarisch (verwant) bedrijf voor het bedrijfsmatig fokken, stallen, trainen of africhten van paarden en/of pony’s”; - bijlage 23 aanpassen en dit bedrijf toevoegen. Indiener 3 a. Indiener vraagt of er een mogelijkheid is om 5x per jaar meer bezoekers te ontvangen dan de genoemde 60. Indiener stelt voor dat dit 5x per jaar om max 150 bezoekers per gelegenheid gaat. Beantwoording Het is mogelijk om dit te regelen. Belangrijkste aandachtspunt is hierbij de impact op de omgeving en dat parkeren op een veilige manier wordt georganiseerd. De voorwaarde dat parkeren is geregeld kan hierbij worden opgenomen. Voor het overige geldt dat het bedrijf moet beschikken over een exploitatievergunning om daadwerkelijk te kunnen ondernemen op deze manier. Om deze exploitatievergunning te kunnen verlenen, moet het omgevingsplan daarvoor de ruimte bieden. b.
Indiener vraagt of het mogelijk is dat als de (vergunde) mantelzorgsituatie ten einde komt, dit deel van de woning als logiesaccommodatie tot 80 m2 gebruikt mag worden.
Beantwoording Het bestaande gebruik als inwoningssituatie is geregeld als bestaand gebruik. Het is mogelijk om hier de mogelijkheid van B&B in de vorm van een logiesaccommodatie te ontwikkelen naast de bedrijfsactiviteiten. Dat staan de regels in het omgevingsplan toe. Echter de oppervlakte is hierin anders. Aangezien het om een vergunde inwoningssituatie gaat met een oppervlakte van meer dan 50 m2, is een groter gebruik logisch. Het is namelijk niet logisch om de resterende 30 m2 niet in te mogen zetten als de feitelijke situatie hier wel in voorziet. In voorliggende situatie kan de ruimte als logiesaccommodatie met een grotere oppervlakte verantwoord worden als ondersteunende functie bij de wijngaard en de recreatieve en educatieve functie die deze ook heeft, naast de wijnproeverijen.
Wellicht kan in de toekomst bij groei en of verandering of verbreding van activiteiten gekozen worden naar een maatwerkbestemming, Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt het volgende aangepast: - Artikel 26.1 onder f sub 3wordt aangepast en komt als volgt te luiden: “horeca-activiteiten, geen café of restaurant of daaraan gelijk te stellen horecabedrijf, waarbij dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt gelieerd aan de ter plaatse geproduceerde wijnen, zoals proeverijen en feesten en partijen met een besloten en overwegend kleinschalig karakter (minder dan 60 personen en max 5x per jaar max 150 personen) gehouden tussen 12:00 uur en 00:00 uur en waarbij in voldoende parkeerruimte is voorzien wat niet op de openbare weg plaatsvindt; - Bijlage 1 van de regels waarin het gebruik als logiesaccommodatie tot 80 m2 wordt opgenomen bij het betreffende adres. Indiener 4 a. Indiener geeft aan dat de begrenzing van de zone natte landnatuur niet overeenkomt zoals opgenomen in de provinciale verordening en verzoekt dit te bekijken en aan te passen. Beantwoording Deze wordt nogmaals bekeken en zo nodig aangepast.
3 15/1586
b.
Indiener geeft aan dat de molenbiotoop voor de Warkense Molen en de molen in de uiterwaarden (nog) niet overeenkomt met het provinciale beleid. Indiener geeft een suggestie om artikel 33.2 onder b hierop als volgt aan te passen: ‘In de zone van 100 tot 400 m vanaf de molen vindt de beoordeling van de toelaatbare hoogte van nieuw op te richten of te wijzigen obstakels in verhouding met de afstand tot de windmolen plaats op grond van de uitkomst van de toepassing van de formule: H(x) = x / n + c * z H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters) x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2 z = askophoogte (helft van de lengte gevlucht) Voor de Warkense molen geldt: 75 voor ruw gebied en een vlucht van 20,5 m waardoor z = 10,25 m. Voor de windmolen in de uiterwaarden wordt verwezen naar de website met het biotooprapport van deze molen. Op basis daarvan is nadere informatie opgevraagd. Daarin wordt aangegeden dat z = 8.00 meter (askophoogte) en n = 140 voor open gebied.
Beantwoording Op grond van de bovenstaande informatie wordt de regeling over de molenbiotoop aangepast zoals voorgesteld. Hierbij geldt daarmee voor de Warkense molen dat n = 75 en z = 10,25. Voor de molen in de uiterwaarden geldt op basis van de verwijzing in de zienswijze en navraag dat n = 140 en z = 8 m. c.
Indiener geeft aan dat de molenbiotoop ook geldt voor opgaande beplanting en verzoekt dit aan te vullen.
Beantwoording Dit wordt aangevuld in artikel 33. d.
Indiener adviseert om artikel 33.3 aan te vullen met: ‘en/of een onafhankelijke molendeskundige’.
Beantwoording Dit wordt aangevuld in artikel 33.3 om de objectiviteit van de planregel meer te waarborgen. e.
Indiener geeft aan dat op grond van de provinciale verordening er een adviesrecht geldt om te adviseren over de mogelijkheid van realisatie van zonnevelden in GNN/GO/ en Nationaal Landschap om zo de provinciaal beschermde gebieden te waarborgen. Indiener verzoekt de regels hierop aan te passen. Indiener verzoekt aanpassing om in de gebieden niet bij recht zonnevelden toe te passen zodat indiener adviesrecht heeft op dergelijke ontwikkelingen.
Beantwoording In de planregels wordt alleen het gebruik bij recht toegestaan. Voor de daadwerkelijke realisatie van zonnevelden is een vergunning nodig. Daarmee kan er nooit bij recht iets ontstaan wat niet getoetst is. Het nationaal landschap is in de verbeelding en in de regels niet als zodanig opgenomen en in het omgevingsplan vertaald in de dubbelbestemmingen die gaan over het landschap en de diverse landschapstypen die we kennen. Voor het overgrote deel vallen de gronden van het landelijk gebied binnen het Nationaal Landschap de Graafschap. In die zin kan daarom in zijn algemeenheid in de regels een aanvulling worden opgenomen dat de provincie (schriftelijk) advies moet geven bij omgevingsvergunningaanvragen.
4 16/1586
Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding rondom de windmolen in de uiterwaarden de molenbiotoop opgenomen. - Artikel 33 aangepast en komt te luiden: Artikel 33 Vrijwaringszone - Molenbiotoop 33.1 Bij recht - Gebruiken De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone - Molenbiotoop’ zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en herstel van de windvang van de betreffende molen. 33.2 Voorwaarden bouwen conform onderliggende bestemmingen In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen gelden ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone - Molenbiotoop’ dat niet hoger mag worden gebouwd dan en/of geen hogere opgaande beplanting aanwezig mag zijn dan: a binnen een afstand van 100 m van de molen: bouwhoogte en/of beplantingshoogte is gelijk aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen; b In de zone van 100 tot 400 m vanaf de molen vindt de beoordeling van de toelaatbare hoogte van nieuw op te richten of te wijzigen bebouwing en/of beplanting in verhouding met de afstand tot de windmolen plaats op grond van de uitkomst van de toepassing van de formule: H(x) = x / n + c * z H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters) x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) n = een constante, afhankelijk van de
ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, geoonlijk met de waarde 0,2 z = askophoogte (helft van de lengte gevlucht) Voor de Warkense molen geldt: n = 75 en z = 10,25 m. Voor de windmolen in de uiterwaarden geldt: n = 140 en z = 8 m. 33.3 Flexibiliteit - Afwijken Met omgevingsvergunning kan worden toegestaan dat conform de onderliggende bestemmingen wordt gebouwd en/of beplanting worden aangebracht of in stand houden, mits vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de molen en/of een onafhankelijke molendeskundige. -
Artikel 55.3 aangevuld met sub h: (schriftelijk) advies is verkregen van de provincie Gelderland.
Indiener 5 a. Indiener geeft aan dat een gedeelte van de spoorlijn de bestemming Verkeer – Spoor mist. Verzocht wordt dit aan te passen. Beantwoording Aangegeven opmerking wordt opgenomen op de verbeelding en bevindt zich direct ten noorden van het Twentekanaal. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt de verbeelding aangepast waardoor de bestemming Verkeer – Spoor doorloopt. Indiener 6 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf een Nb-wetvergunning heeft d.d. 10 juni 2015, een PAS vergunning met lagere stikstofemissie dan de vergunning en ene postieve weigering van na de PAS periode met een nog lagere stikstofemissie. Een nieuwe Nb-wetvergunning is niet mogelijk aangezien voor intern salderen geen vergunningplicht geldt en extern salderen (door de provincie
5 17/1586
Gelderland) niet mogelijk is. Verzocht wordt dit op te nemen in het omgevingsplan als zijnde stikstofplafond. Beantwoording De Nb-wetvergunning van 10 juni 2015 is vervangen door de Wnb-vergunning van 17 april 2018. De Nbw-vergunning van 10 juni 2015 is daarmee komen te vervallen en kan niet als referentie voor de bestaande stikstofdepositie gelden. De Wnb-vergunning van 17 april 2018 kan hiertoe eveneens niet als referentie dienen, omdat hierbij sprake is van een PAS-vergunning. De vergunde stikstofemissie was weliswaar lager dan in de onderliggende Nb-wetvergunning uit 2015, maar de stikstofdepositie was hoger. Dat betekent dat er ontwikkelingsruimte uit de PAS is toebedeeld. Op grond van de rechtspraak mogen dergelijke PAS-vergunningen niet één op één worden ingepast in een omgevingsplan. Het positieve weigeringsbesluit van 12 april 2021 is niet gelijk te stellen aan een vergunningbesluit. Er was sprake van een vergunningaanvraag voor intern salderen. Intern salderen is naar huidige inzichten vergunningvrij. Dat betekent dat voor dit bedrijf de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan als referentie dient. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 7 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf een Nb-wetvergunning heeft d.d. 23 april 2012.
Verzocht wordt deze in bijlage 23 van de regels op te nemen als stikstofplafond. Beantwoording De Nb-wetvergunning van 23 april 2012 kan worden toegevoegd aan bijlage 23, waarin de lijst met verleende en onherroepelijke natuurtoestemmingen is opgenomen. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt bijlage 23 aangevuld. Indiener 8 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf graag de vorm van de aanduiding ‘erf’ veranderd ziet. Het voorstel voorziet in een vormverandering waarbij de oppervlakte van de aanduiding gelijk blijft. Beantwoording Het op voorhand aanpassen van het erf in voorgestelde zin is niet aan de orde. Op grond van de planregels het mogelijk is om een uitbreiding van het erf over de aanduidingsgrens te realiseren waarbij een toetsing aan de geldende andere regels die van toepassing zijn plaatsvindt en waarbij sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. De planregels bieden daarmee ruimte het bedrijf uit te breiden indien nodig en wenselijk. De nu gevraagde aanpassing van het ‘erf’ zonder daarbij in te gaan op de context van het landschap en geen inpassingsplan daarbij te leveren, leidt nu niet tot aanpassing van de aanduiding ‘erf’. Op het moment dat dit zich concreet voordoet verkennen we samen de mogelijkheden binnen de context van het gebied. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 9 a.
Indiener geeft aan dat de machines en benodigdheden voor onderhoud van het landgoed, met recreatiewoning, worden gestald in een bijgebouw op naastgelegen perceel. Wanneer dat perceel met woning en opstallen wordt verkocht aan derden vervalt de opslagmogelijkheid voor materiaal en materieel. Om die reden wordt verzocht om een grotere opslagmogelijkheid te hebben van 25 m2 bij de recreatiewoning om op die manier in eigen voorzieningen te voorzien. Indiener geeft daarbij de mogeijkheid om dit privaatrechtelijk af te spreken waardoor een koppeling met het naastgelegen perceel en die opslag in stand blijft.
6 18/1586
Beantwoording In het omgevingsplan wordt ruimte geboden om bij de bestemde recreatiewoning 6 m2 bijgebouwen bij recht te realiseren als vrijstaand bijgebouw. Daarnaast is het met een afwijking mogelijk om aan de recreatiewoning een bijgebouw te realiseren van 10 m2. In de aansluitende bestemming Bos (art 15.4.1) is aangegeven dat met een afwijkingsbevoegdheid het mogelijk is om voor bos en bosbeheer een gebouw te realiseren van 50 m3. Dit komt neer op ca 16 m2 bij een maximaal toegestane hoogte van 3 m. Dan bestaat er de mogelijkheid om bij en aan de recreatiewoning maximaal 16 m2 bijgebouw te hebben en in de bosbestemming ca 16 m2. Tezamen is dat ca 32 m2. Dat is afdoende zoals indiener aangeeft. Het omgevingsplan biedt dan ook voldoende ruimte om ten behoeve van onderhoud van het landgoed, en daarmee het omringende bos, materieel en materiaal op te slaan. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 10 a. Indiener geeft aan dat het begrip 1.118 paardenhouderij voor de betreffende bedrijfsvoering niet voldoende is omdat het gedeelte van de productiegerichte paardenhouderij niet duidelijk is geborgd. Gevraagd wordt om op het betreffende perceel òf een aanduiding op te nemen die de productiegerichte paardenhouderij regelt en/of het begrip 1.118 aan te passen in die zin dat ook het fokken van paarden of pony’s is toegestaan.
Beantwoording De agrarische bestemming en de aanduiding voor de manege regelen een gedeelte van de bedrijfsvoering. Door de toevoeging van de aanduiding ‘paardenhouderij’ op de locatie wordt inderdaad duidelijker dat hier ook sprake is van een productiegerichte paardenhouderij. Dit in aanvulling op gebruiksgerichte paardenhouderijen die een manegeaanduiding heeft. Het klopt dat de definitie onder 1.118 scherper en beter kan. De suggestie voor aanpassing van dit begrip wordt dan ook overgenomen waarbij wordt opgemerkt dat het zinsdeel ‘paarden en pony’s’ wordt ‘paarden en/of pony’s’. Er zijn namelijk ook situaties denkbaar dat er binnen een paardenhouderij sprake is van een combinatie tussen de aanwezigheid van paarden en pony’s. b.
Indiener vraagt of de tweede bedrijfswoning voldoende duidelijk is geborgd in het plan en verzoekt dit nogmaals te beoordelen en te kijken of een extra aanduiding noodzakelijk is.
Beantwoording De tweede bedrijfswoning is aangegeven op de verbeelding. Deze is overgenomen uit het voorheen geldende plan voor deze locatie. Wat van belang is voor de agrarische bedrijven is dat binnen de aanduiding van het ‘erf’ de bedrijfswoning staat. De verbeelding wordt aangepast. Binnen de aanduiding ‘erf’ wordt met een aanduiding opgenomen dat maximaal 2 bedrijfswoningen zijn toegestaan. Daarnaast wordt de regeling aangescherpt met dat alleen binnen de aanduiding ‘erf’, bedrijfswoningen zijn toegestaan. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - op de verbeelding de aanduiding ‘paardenhouderij’ toegevoegd; - op de verbeelding wordt de aanduiding voor maximaal 2 bedrijfswoningen opgenomen; - wordt het begrip paardenhouderij aangepast zoals onder zienswijze nummer 2 is aangegeven. Indiener 11 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een Nb-wetvergunning d.d. 29 oktober 2012. In 2016 is er een Pas vergunning verkregen. Door de NB-wetvergunning op te nemen in het omgevingsplan als stikstofplafond wordt ondernemer niet onevenredig zwaar benadeeld. Indiener verzoekt om deze op te nemen in de planregels waardoor ondernemer uit kan blijven gaan van gebruik van vergunde rechten.
7 19/1586
Beantwoording De Nb-wetvergunning van 29 oktober 2012 is vervangen door de Nb-wetvergunning van 11 augustus 2016. De Nb-wetvergunning van 29 oktober 2012 is daarmee komen te vervallen en kan niet als referentie voor de bestaande stikstofdepositie gelden. De Nb-wetvergunning van 11 augustus 2016 kan hiertoe eveneens niet als referentie dienen, omdat hierbij sprake is van een PAS-vergunning. Daarbij is ontwikkelingsruimte uit de PAS toebedeeld. Op grond van de rechtspraak mogen dergelijke PASvergunningen niet één op één worden ingepast in een omgevingsplan. Dat betekent dat voor dit bedrijf de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan als referentie dient. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het omgevingsplan. Indiener 12 a. Indiener geeft informatie mee over de feitelijke situatie van het landgoed om in het omgevingsplan aan te passen. Het betreft het wonen, het onderhoud van bos, het arboretum, de boomgaard, begrazing van de heide, natuur met waterpartij en het bestaande zonnepark. Beantwoording Het is goed om de informatie te ontvangen waardoor er een beter beeld ontstaat van de huidige situatie van het landgoed ter plekke. Zoals alle andere landgoederen binnen het plangebied zijn opgenomen, is het logisch deze locatie ook een landgoedbestemming te geven.
Daarmee wordt de eenheid van het landgoed zichtbaar en herkenbaar. Het doet verder niets af aan de gebruiks- en bouwmogelijkheden die hetzelfde blijven. b.
Indiener vraagt naar de mogelijkheid om een toekomst een wooneenheid te resliaseren ten behoeve van verhuur.
Beantwoording Op grond van de Visie Landelijk gebied bestaan er geen mogelijkheden om woningen toe te voegen in het landelijk gebied. Waar de Visie en het plan wel mogelijkheden voor bieden, is om in bestaande gebouwen een B&B te realiseren. De voorwaarden hiervoor staan in de planregeling opgenomen. Door ervoor te kiezen om dergelijke logiesmogelijkheden in bestaande bebouwing te realiseren, wordt voorkomen dat er bebouwing wordt toegevoegd en bestaande bebouwing ook anders ingezet kan worden. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - De bestemming Landgoed toegekend aan het perceel zoals in de brief van indiener is aangegeven. Daarbinnen bestaan conform de regeling mogelijkheden het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschapselementen en natuur en het behoud, het herstel en/of de bescherming van cultuurhistorische waarden en elementen die tezamen de ruimtelijke beheerseenheid van een landgoed vormen. Voor de gebouwen geldt dat er sprake is van bestaande bouw en bestaande afmetingen. Indiener 13 a. Indiener geeft aan dat het bedrijf beschikt over een een Nb-wetvergunning d.d. 25 oktober 2017. Door de NB-wetvergunning op te nemen in bijlage 23 in het omgevingsplan. Beantwoording De Wnb-vergunning van 25 oktober 2017 is een in de PAS-periode verleende vergunning.
Op grond van de rechtspraak mogen PAS-vergunningen niet één op één worden ingepast in een bestemmingsplan, omdat die situatie niet op de juiste wijze passend is beoordeeld. In deze situatie is echter sprake van een onderliggende Nb-wetvergunning van 4 maart 2013. Ten opzichte van deze vergunning uit 2013 neemt de stikstofdepositie als gevolg van de in 2017 vergunde bedrijfsvoering
8 20/1586
fors af. Dat betekent dat geen gebruik is gemaakt van PAS-ontwikkelingsruimte. Onder die voorwaarde valt het te billijken om de Wnb-vergunning van 25 oktober 2017 alsnog toe te voegen aan bijlage 23, waarin de lijst met verleende en onherroepelijke natuurtoestemmingen is opgenomen. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt bijlage 23 aangevuld. Indiener 14 a. Indiener geeft aan dat in artikel 3.2.9 een verkeerde verwijzing staat naar de bestemming Wonen in plaats van Bedrijf en dat de aanduiding naar wonen moet zijn naar bedrijf. Beantwoording Dat de aanduiding verwijst naar wonen en niet naar bedrijf, kan tot verwarring leiden omdat er geen sprake is van een woning. De verwijzing naar de bestemming in artikel 3.2.9 klopt inderdaad niet omdat er geen sprake is van de realisatie van woningen met behulp van de Rood voor Roodregeling, maar van een hoveniersbedrijf. Dat moet worden aangepast. b.
Inspreker geeft aan dat de ligging van de bestemming Groen niet overeenkomt met de inrichtingsschets van de landschappelijke inpassing. Verzocht wordt dit aan te passen.
Beantwoording Dit wordt aangepast conform het landschappelijke inpassingsplan. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – voorwaardelijke verplichting Lochemseweg 32a’ in de regels (artikel 3) en op de verbeelding gewijzigd in ‘specifieke vorm van agrarisch – voorwaardelijke verplichting Lochemseweg 32a’; - in artikel 3.2.9 de zinsnede ‘ten einde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van de woningen binnen de bestemming Wonen’ gewijzigd in ‘ten einde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf en naastgelegen hoveniersbedrijf binnen de bestemming Agrarisch’. - op de verbeelding de bestemming Groen aangepast conform het inpassingsplan. Indiener 15 a. Indiener geeft aan dat de situatie zoals nu opgenomen in het ontwerp omgevingsplan voor de locatie niet overeenkomt met het huidige gebruik. Verzocht wordt de bestemming Wonen op te nemen met de opslagmogelijkheid van 450 m2 welke niet beroepsmatig/ bedrijfsmatig is. Beantwoording De zienswijze geeft beter inzicht in de situatie ter plekke en kan naar aanleiding hiervan beter worden geregeld. Het is mogelijk om binnen de woonbestemming, die de locatie ook had in het voorontwerp omgevingsplan, de huidige opslag in het bestaande pand te regelen als bestaande bedrijfsactiviteit.
Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijze wordt: - Op de verbeelding de locatie teruggezet naar Wonen; - In bijlage 1 van de regels wordt voor dit adres opgenomen dat het gaat om wonen met maximaal 450 m2 opslag. Indiener 16 a. Indiener constateert dat er met de inspraakreactie niets is gedaan en geeft aan dat het proces lang duurt en dat de ter inzage liggende stukken niet bepaald inzichtelijk en transparant zijn gerangschikt. Indiener is van mening dat deze manier van werken voor de gemeente elk initiatief
9 21/1586
dood slaat en dat plannen bol staan van algemeenheden zonder duidelijke keuzes. Indiener vreest met de komst van de Omgevingsweg nog meer achter de feiten aan te lopen. Beantwoording In het kader van de inspraak heeft indiener een reactie terug ontvangen die uitgebreid is beantwoord. Dit heeft op grond van vastgesteld beleid en de lijn die de Omgevingswet in zicht heeft (ruimte voor ontwikkeling en behoud van kwaliteit) niet geleid tot een bevredigend antwoord. De inhoud en de totstandkoming van het plan passen echter wel in het gedachtengoed van de Omgevingswet en de vastgestelde Visie Landelijk gebied die de onderlegger is voor het voorliggende plan. Het klopt dat er veel materie en stukken aan het ontwerp omgevingsplan ten grondslag liggen, welke op een wettelijke manier opgenomen zijn in het omgevingsplan. Aan die techniek kunnen wij als gemeente niets veranderen. Daarom hebben we veel gesprekken gevoerd, uitleg gegeven over de inhoud en werking van het plan en zorgvuldig het plan opgesteld. Dat kost tijd.. De manier van werken onder de Omgevingswet passen we in voorliggend plan en proces toe. In het algemeen is de communicatie vanuit de gemeente goed ontvangen en wordt dit gewaardeerd. Indiener heeft hier een ander standpunt over.