CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

302093RH 2022_BW_00209

Raadsvergadering 4 juli 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied34.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

13

49/1586

De effecten zijn zoveel mogelijk beoordeeld per landschapstype; dit is gedaan voor landschap & cultuurhistorie, natuur en water. Voor de overige milieuaspecten (externe veiligheid, gezondheid, verkeersveiligheid) waren de milieueffecten niet onderscheidend per landschapstype. Navolgende afbeeldingen geeft de landschapstypen weer binnen het plangebied.

Landschapstypes die de basis vormen voor de effectbeoordeling

Effecten op externe veiligheid Allereerst is gekeken naar het toevoegen van risicovolle bronnen. Bij scenario 1 zullen risicobronnen (zoals propaantanks of biogasinstallaties) voorkomen en als de agrarische bedrijven dus sterk groeien. Ook bij scenario 2.1 en 2.2 kunnen meer risicobronnen ontstaan als gevolg van de ontwikkeling van bedrijven. Om die reden scoren deze scenario’s licht negatief ‘-‘. Bij scenario 3 worden geen nieuwe risicovolle bronnen ontwikkeld, hier is een neutraal milieueffect (‘0’). Bij scenario 4 zorgen de windturbines voor externe veiligheidsrisico; daarom scoort dit scenario zeer negatief, dus score ‘- -‘. Ten tweede is gekeken naar het groepsrisico en dan met name de toename van het aantal aanwezige personen. Bij scenario 1 en 4 neemt het aantal personen niet wezenlijk toe; het effect is neutraal (‘0’). Bij scenario 2.1, 2.2 en 3 neemt het aantal personen wel toe, daarom scoort dit aspect zeer negatief (score ‘- -‘). Effecten gezondheid Het milieuaspect gezondheid valt uiteen in de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en infectieziektes. Wat betreft geluid is in alle gevallen minimaal sprake van een negatief milieuaspect (score ‘-‘), aangezien de scenario’s leiden tot meer geluid; bijvoorbeeld omdat de functies op zichzelf geluid met zich meebrengen, of omdat het verkeer dat deze functies oproepen, geluid met zich meebrengen.

Bij scenario 2.2 en scenario 4 is zelfs sprake

14

50/1586

van een zeer negatief milieueffect (score ‘- -‘), bij scenario 2.2 komt dat omdat de maximaal ontwikkelde bedrijven veel geluid en verkeer met zich meebrengen; bij scenario 4 hebben de windturbines als die zich maximaal ontwikkelen, een sterk negatief milieueffect op het gebied van geluid. Wat betreft geur is uitsluitend bij scenario 1 sprake van een sterk negatief milieueffect (‘- -‘), natuurlijk omdat er sprake is van de maximale doorgroei van (nietgrondgebonden) agrarische bedrijven. Alle andere scenario’s scoren ten minste neutraal (‘0’) of zelfs sterk positief (‘++’). Dit laatste geldt voor scenario 2.2 en 3 waarin alle agrarische bedrijven worden omgevormd tot dan wel bedrijven dan wel woningen. Wat betreft luchtkwaliteit is sprake van een neutrale score (‘0’) omdat geen van de scenario’s leiden tot een betekenisvol negatief milieueffect. Scenario 4 scoort zelfs positief aangezien is te beargumenteren dat de maximale ontwikkeling van voorzieningen voor hernieuwbare energie tot een vermindering van uitstoot van conventionele energiebronnen. Wat betreft infectieziektes is uitsluitend een negatief effect bij scenario 1, omdat in dit scenario meer woningequivalenten binnen de theoretische zone van 250 m van (nietgrondgebonden) agrarische bedrijvigheid komen te liggen. Alle andere scenario’s scoren ten minste neutraal (‘0’) of zelfs sterk positief (‘++’).

Dit laatste geldt voor scenario 2.2 en 3 waarin alle agrarische bedrijven worden omgevormd tot dan wel bedrijven dan wel woningen. Landschap en cultuurhistorie Dit aspect valt uiteen in vier toetsingscriteria, namelijk de effecten op fysieke landschapskwaliteiten, beleefbaarheid, inhoudelijke kwaliteiten en cultuurhistorische elementen. Verder heeft de toetsing plaatsgevonden voor elk van de zeven landschapstypen. Wat betreft de effecten op de fysieke landschapskwaliteiten kan in algemene zin gesteld worden dat scenario 1, 2.1 en 4 over het algemeen slechter scoren dan scenario 2.2 en 3. Dit komt omdat bij de laatstgenoemde scenario’s door de volledige functieomschakeling naar bedrijven of wonen sprake is van veel kansen voor landschapsversterking. Wel scoort scenario 2.2 over het geheel slechter dan scenario 3. De scenario’s 1, 2.1 en 4 scoren het slechtste omdat deze tot veel verstoring van de fysieke landschapskwaliteiten leiden. Wat betreft de effecten op de beleefbaarheid is heel globaal gezien eenzelfde verdeling aan te brengen en ook om dezelfde reden: de scenario’s 2.2 en 3 leiden tot de kleinste verstoring van het landschap en door de omvorming van alle agrarische bedrijven naar een andere functie (die alleen in dit scenario zitten) ontstaan er veel mogelijkheden om de beleefbaarheid van het landschap te versterken.

Wat betreft de effecten op de inhoudelijke kwaliteiten is eveneens eenzelfde soort verdeling aan te brengen. Het laatste aspect vormen de effecten op de cultuurhistorische elementen. Sterk negatief scoort hierbinnen scenario 1 voor de beekdalen; dit is ook meteen de enige sterk negatieve score. Voor het overige is ook bij dit aspect dezelfde verdeling waarneembaar als hiervoor gesteld. Overigens geldt dat voornoemde verdeling het minst duidelijk is bij de kampen en essen, kronkelwaarden en de oeverwallen/rivierduinen. Verder geldt dat de effecten op de uiterwaarden over het algemeen als neutraal scoren.

15

51/1586

Natuur Dit aspect valt uiteen in drie toetsingscriteria, namelijk de effecten op Natura 2000, de GNN/GO en de beschermde soorten. Verder heeft de toetsing plaatsgevonden voor elk van de zeven landschapstypen. Wat betreft de effecten voor alle drie de toetsingscriteria geldt in algemene zin dat de scenario’s 1 en 2.1 verreweg het slechtste scoren met negatieve (‘-‘) of sterk negatieve scores (‘- -‘). Dit komt omdat de (niet-grondgebonden) agrarische bedrijven het meest bepalend blijken te zijn voor de effecten op de natuur; dus de scenario’s waarin deze maximaal uitbreiden (scenario 1) of gehandhaafd blijven (scenario 2.1) scoren het slechtste. De scenario’s waarin de agrarische bedrijven omgevormd worden naar bedrijven of wonen (resp. scenario 2.2 en 3) scoren om dezelfde reden het beste. De effecten van scenario 4 scoren over het algemeen neutraal tot licht negatief. Wel worden voor de landschapstypen oeverwal/rivierduin, uiterwaarden wel negatieve effecten verwachten, met name gezien de diersoorten die in deze landschapstypes te verwachten zijn. Verkeersveiligheid Dit milieueffect valt uiteen in de toetsingscriteria ‘omvang van het verkeer’ en ‘omvang van de verkeersmix’. Wat betreft de omvang van het verkeer kan worden gesteld dat de scenario’s 2.1, 2.2 en 3 hierop negatief scoren (score ‘-‘ of ‘- -‘). Al de functies die in deze scenario’s maximaal kunnen ontwikkelen (resp.

bedrijfsactiviteiten bij de bestaande functies, bedrijven en woningen) leiden namelijk tot een hoge verkeersaantrekking. Het scenario 1 scoort neutraal (score ‘0’) omdat de maximale ontwikkeling van de agrarische bedrijven naar verwachting niet leidt tot een betekenisvolle toename van het verkeer. Ook bij scenario 4 zal geen sprake zijn van de toename van verkeer. Wat betreft de omvang van de verkeersmix zijn de milieueffecten van scenario 1 het sterkst negatief (score ‘- -‘); in dit scenario zal immers sprake zijn van veel zwaar verkeer (landbouwmachines en vrachtverkeer) dat zich moet mengen met het andere verkeer (auto’s, fietsers en wandelaars). De scenario’s 2.1 en 2.2 scoren negatief omdat in beide gevallen sprake is van de ontwikkeling van bedrijven en het hieraan verbonden zwaardere verkeer (vrachtwagens). Scenario 3 scoort positief (score ‘+’) omdat hiermee juist sprake zal zijn van de afname van zwaar verkeer en meer verkeer door auto’s en fietsen die beter met elkaar mixen. Scenario 4 scoort ten slotte neutraal omdat dit scenario niet leidt tot wezenlijke wijzigingen in de verkeerssamenstelling en verkeersintensiteiten. Water Bij dit milieuaspect is gekeken naar de toetsingscriteria effecten op de waterkwaliteit en effecten op de waterkwantiteit.

Ook zijn de effecten bekeken per landschapstype, waarbij wel een indeling gemaakt is in vier categorieën: ten eerste de beekdalen, ten tweede de bos- en landgoederen, ten derde de broeklanden, kampen en essen en kronkelwaarden en ten vierde de oeverwallen en uiterwaarden. Wat betreft de effecten op de waterkwaliteit scoort scenario 1 het slechtste, aangezien de agrarische bedrijfsactiviteiten potentieel het meest negatief zijn voor de waterkwaliteit. Dit geldt in alle landschapstypen, behalve de oeverwallen en uiterwaarden, waar weinig agrarische bedrijven gelegen zijn. De overige scenario’s scoren meestal neutraal of op zijn hoogst licht negatief of positief. Scenario 2.1 komt hier relatief het slechtste uit, omdat in dit scenario de agrarische bedrijven gehandhaafd blijven. Sce-

16

52/1586

nario 3 komt hier het beste uit naar voren, omdat er dan sprake is van een vermindering van activiteiten Wat betreft de effecten op de waterkwantiteit scoort eveneens scenario 1 het slechtste, aangezien dit leidt tot de meeste verstening en dus tot de meeste afvoer van afstromend hemelwater. Dit geldt evenwel niet voor de oeverwallen en uiterwaarden waarin weinig agrarische bedrijven liggen. Voor het overige zijn de effecten overwegend neutraal, of op zijn hoogst beperkt negatief of positief. Ook bij dit toetsingscriterium scoort 2.1 relatief weer slechter dan scenario 3. Scenario 3 scoort overwegend positief omdat hiermee naar alle waarschijnlijkheid de verstening vermindert en er dus minder afstromend water hoeft te worden afgevoerd. Effecten op doelgebruik en functies Effecten op doelgebruik In de MER is eveneens beoordeeld in welke mate de scenario’s bijdragen aan de doelen die de gemeente voor het landelijke gebied geformuleerd heeft.

Deze staan in de Visie Landelijk gebied als volgt beschreven:  Economisch sterk: Ruimte voor initiatief  Breed scala: Ontwikkeling breed scala aan functies  Eigen identiteit: behoud agrarische en natuurlijke karakter  Leefbaarheid: goede fysieke leefomgeving, weinig hinder Wat betreft ‘Economisch sterk’ scoren het geheel genomen alle scenario’s positief omdat in alle gevallen sprake is van functies die bijdragen aan een sterke plattelandseconomie. Uitsluitend scenario 3 scoort slecht, omdat het wonen op zich geen economische drager is en er door het scenario veel bedrijvigheid verdwijnt. Wat betreft ‘Breed scala’ scoren scenario 2.1 en scenario 2.2 goed, omdat er hierin zich een breed scala aan types bedrijven kan ontwikkelen. Scenario 1 en scenario 3 scoren slecht aangezien sprake is van een eenzijdige ontwikkeling van één functie (agrarische functie of wonen). Scenario 4 scoort positief omdat de duurzame energiebronnen zich bij elke functie in het landelijk gebied kunnen ontwikkelen. Wat betreft ‘Eigen identiteit’ scoren alle scenario’s slecht aangezien deze ervoor zorgen dat het karakter van het landelijk gebied wijzigt. Wat betreft ‘Leefbaarheid’ is sprake van neutrale tot licht positieve milieueffecten. Scenario 2.1 scoort in die zin het beste aangezien hier de bedrijfsactiviteiten zullen zorgen voor extra dynamiek bij de bestaande functies.

Ook scenario 4 scoort positief omdat de duurzame energiemaatregelen tot een meer gezonde omgeving en dynamiek. Wat ten slotte een belangrijke conclusie is dat geen enkel scenario uitsluitend positief bijdraagt aan alle doelstellingen. Effecten op functies Ook zijn de effecten van de scenario’s op de functies in de fysieke leefomgeving getoetst, namelijk specifiek de recreatieve functies en de agrarische gronden. Wat betreft de effecten op de ‘Recreatieve waarden’ geldt dat scenario 1 het meest negatieve scoort; de maximale ontwikkeling van agrarische bedrijven zal negatief doorwerken of de beleefbaarheid en aantrekkelijkheid van het landschap. Ook scenario 3 scoort negatief aangezien de omvorming van alle functies naar wonen weinig ruimte overlaat voor recreatieve functies. Ook scenario 4 scoort slecht aangezien

17

53/1586

zonnevelden en windturbines de aantrekkelijkheid van het landschap negatief kunnen beïnvloeden. Wat betreft de effecten op de ‘agrarische gronden’ kan worden gesteld dat bij scenario 1 sprake is van een zeer positief effect: alle agrarische gronden zullen dan intensief gebruikt worden. Dit is ook te verwachten bij scenario 4, waarin veel zonnevelden worden ontwikkeld op de agrarische gronden. Bij scenario 2.1 is er een neutraal effect, omdat de bedrijfsmatige functies weinig effect hebben op het grondgebruik. Scenario 2.2 en 3 scoren negatief; bij deze scenario’s worden de agrarische bedrijven omgevormd en is te verwachten dat de agrarische gronden veel minder gebruikt worden. Botsproeven De vier scenario’s in het MER betreffen een maximale invulling van één van de ontwikkelingsrichtingen betreft en hebben hiermee een theoretisch karakter. Om een beter inzicht te krijgen in de praktische uitwerking van de botsproeven is besloten deze onderling ten opzichte van elkaar te laten botsen. Hiermee is in beeld gebracht waar ruimteclaims conflicteren en wordt inzicht verkregen in de cumulatieve effecten van verschillende ontwikkelingen. In totaal zijn er tien botsproeven uitgevoerd, waarbij steeds is gekeken naar ten eerste conflicterende ruimtelijke claims en ten tweede cumulatieve effecten. Uit de botsproeven is naar voren gekomen dat veel scenario’s ten opzichte van elkaar botsen.

Bij elke botsproef is aangegeven als conclusie welke maatregelen kunnen worden gekomen om deze botsingen te vermijden of te verzachten. Conclusie De slotconclusie is hiermee dat de milieubeoordeling in dit MER heeft laten zien dat een toekomstige ontwikkeling in de richting van geen van de vijf geschetste scenario’s wenselijk is. Al deze scenario’s (die natuurlijk een theoretisch karakter hebben) zouden leiden tot negatieve en onwenselijke milieueffecten op het landelijk gebied. Het MER is hiermee een belangrijke aanleiding om op zoek te gaan naar een goede mix van functies in het landelijk gebied. Dit is voor het goede functioneren van het landelijk gebied noodzakelijk. Er moet dus een evenwicht gevonden worden tussen het enerzijds ruimte bieden aan de ontwikkeling van functies en anderzijds het beschermen van de bestaande waarden (landschap, natuur, cultuurhistorie, etc.). In bepaalde gebieden moeten andere doelen prevaleren dan andere. Monitoren van de ontwikkelingen in het gebied.

4.2

Betekenis voor het omgevingsplan In het omgevingsplan zijn bepalingen opgenomen om de ontwikkelingen te sturen. Agrarische bedrijven De agrarische bedrijven mogen uitbreiden onder voorwaarden dat dit passend is. De mogelijkheden zijn verbonden aan het gebieds-DNA van het landschap, mitigerende

18

54/1586

maatregelen, etc. Dit sluit aan op het Gelderse Plussenbeleid. Ook worden beperkingen gesteld wat betreft de maximale stikstofemissie. Nevenactiviteiten 2 Deze mogen worden vergroot tot 350 m in bestaande bebouwing onder de voorwaarde dat de behoefte wordt aangetoond in een bedrijfsplan. Ook zijn de regels verbonden aan het gebieds-DNA van het landschap, hetgeen onder meer betekent dat een erfinrichtingsplan is vereist. Herbouw is niet toegestaan. Woningen Bij omvorming naar woningen zijn de bepalingen inzake ‘Ruimte-voor-Ruimte’ van kracht. Niet agrarische bedrijven In het omgevingsplan wordt opgenomen dat bedrijven vanaf een bepaald bedrijfsoppervlak moeten worden gevestigd op een bedrijventerrein en niet mogen worden gevestigd op een locatie in het landelijk gebied. Niet elk bedrijf is toegestaan in het landelijk gebied; de staat van bedrijven is ingeperkt. Landschap en cultuurhistorie Door de verankering van het gebieds-DNA van het landschap (waarbij ook cultuurhistorie een rol speelt) ontstaat een relatie tussen alles wat er aan ontwikkelingen mogelijk is en de kenmerken van het betreffende landschap. Milieuaspecten en omgevingsaspecten  Er is een verplichting tot hydrologisch neutraal en energieneutraal bouwen opgenomen.  Er zijn bepalingen opgenomen inzake gezondheid.  Cultuurhistorische waarden worden beschermd middels een specifieke regeling.

 Er is een verbod op de toename van stikstof, tenzij met vergunning/melding er mogelijkheden bestaan.  Er worden mogelijkheden geboden voor duurzaamheidsmaatregelen bij bijvoorbeeld woningen en bedrijven. Botsproeven Vanuit de botsproeven zijn de volgende bepalingen opgenomen:  Binnen de looptijd van het plan mogen niet zowel het agrarische bouwvlak maximaal vergroot als daarna de maximale mogelijkheden worden benut voor bedrijfsmatige activiteiten.  In de regeling van het omgevingsplan wordt een sloopverplichting worden opgenomen van overtollige agrarische bedrijven, om te voorkomen dat eerst agrarische bedrijven worden uitgebreid en daarna worden omgezet.

19

55/1586

5

Haalbaarheid / uitvoerbaarheid Met dit omgevingsplan willen we samen met u als eigenaar, bewoner, ondernemer, recreant of initiatiefnemer werken aan een sterk en duurzaam landelijk gebied. We bieden ontwikkelingsmogelijkheden waar dat kan en vragen daar tegelijkertijd een investering in de waarden en kwaliteiten van het landelijk gebied voor terug. Vooruitlopend op de mogelijkheden die de Omgevingswet ons straks gaat bieden stellen we een plan vast dat meer onderwerpen en mogelijkheden omvat dan de bestemmingsplannen van voorheen. Wij bepalen niet waar, wanneer en hoe van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt: dat hangt van u af. Wel leggen wij kaders vast, ten aanzien van allerlei onderwerpen. Het landschap, de natuur en de gezondheid van uw woonomgeving moeten voldoende worden beschermd. In de 'oude' bestemmingsplannen werd in het hoofdstuk over haalbaarheid precies onderzocht en toegelicht of het bestemmingsplan haalbaar en uitvoerbaar was ten aanzien van diverse milieuthema's. Met dit omgevingsplan is een dergelijk dichtgetimmerd haalbaarheidsonderzoek niet mogelijk en niet nodig. De Crisis- en herstelwet biedt hiervoor dan ook de mogelijkheid. Veel aspecten kunnen pas onderzocht worden op het moment dat een concreet initiatief aan dit omgevingsplan getoetst wordt.

Daarnaast is voor dit omgevingsplan een uitgebreid milieueffectrapport opgesteld, waarin meerdere scenario's zijn onderzocht voor diverse milieuthema's. In dit hoofdstuk wordt daarom voor elk aspect een korte toelichting gegeven op de wetgeving en het beleid en wordt de vertaling daarvan in de regels van dit omgevingsplan uitgelegd. Daarnaast speelt gezondheid een zeer belangrijke rol binnen de fysieke leefomgeving en daarmee ook in het omgevingsplan. Gezondheid dient bij elk aspect meegenomen te worden in de beoordeling of een ontwikkeling dan wel niet gewenst is.

5.1

Bodem Wij willen dat u woont, werkt en recreëert in een zo gezond mogelijk landelijk gebied. Een belangrijk onderdeel van een gezonde omgeving is de grond waarop we staan en waarop en van waaruit we leven en werken. Op 12 juli 2021 heeft de raad het bodembeleidsplan vastgesteld. In deze nota is voor heel Zutphen de bestaande bodemkwaliteit van de boven- en de ondergrond bepaald, op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken. Voor het grootste deel van het landelijk gebied geldt dat de ondergrond de kwaliteit "schoon" (AW2000) heeft. Op enkele plekken is sprake van bodemverontreiniging, waarbij de provincie bevoegd gezag is. Gelet op de aard van die verontreiniging en de functie van deze locaties is er geen directe reden tot het nemen van saneringsmaatregelen. In de beleidsbijlage leest u meer over het beleid ten aanzien van bodem.

20

56/1586

Regeling in dit plan De wetgeving en het beleid ten aanzien van het aspect bodem werken door in dit omgevingsplan. In artikel 75 is vastgelegd dat voor nieuwe ontwikkelingen de kwaliteit van de bodem voldoende moet zijn bewezen. Dit betekent dat in principe bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet worden onderzocht of de bodem en het grondwater geschikt zijn voor de nieuwe functie. Dit kan bij de bouw of uitbreiding van een woning of bedrijfspand zijn, maar ook bij het veranderen van functie van een perceel. Op het moment dat een initiatiefnemer een ontwikkeling aan ons voorlegt, zal het aspect bodem moeten worden onderzocht aan de weten regelgeving die op dat moment geldt. Als de bodemkwaliteit voldoende blijkt te zijn voor de nieuwe functie, is aan dit aspect voldaan. Als de bodemkwaliteit na onderzoek van onvoldoende niveau blijkt te zijn, zullen maatregelen moeten worden genomen voordat de ontwikkeling door kan gaan.

5.2

Luchtkwaliteit Het kunnen inademen van schone lucht is gezond voor mensen, dieren en de plantenwereld. Er gelden Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit, die in Nederland zijn verankerd in de Wet Milieubeheer. In deze wet zijn grenswaarden vastgelegd voor allerlei stoffen die in de lucht kunnen voorkomen. Als van een bepaalde stof meer deeltjes in de lucht voorkomen dan deze grenswaarde, kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. In Nederland worden alleen in uitzonderingssituaties grenswaarden overschreden. Voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) liggen de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden. In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken het Rijk en diversie regio’s samen aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. In de beleidsbijlage leest u meer over het beleid ten aanzien van luchtkwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die aan dit omgevingsplan worden getoetst, spelen wat betreft luchtkwaliteit twee belangrijke afwegingen: 1. wat is de invloed van deze ontwikkeling op de luchtkwaliteit in de omgeving? 2. is de luchtkwaliteit op de locatie van deze ontwikkeling goed genoeg voor de ontwikkeling die er gaat plaatsvinden? Ad 1.

Als een ontwikkeling kan zorgen voor een toename van een bepaalde verontreinigende stof in de lucht, moet worden onderzocht hoe groot deze toename is. Ontwikkelingen die zorgen voor een toename van minder dan 3% van de grenswaarde van een stof dragen 'niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging en hoeven niet verder te worden onderzocht. Projecten die de NIBM-grens overschrijden moeten worden aangemeld bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Het aanmelden geldt alleen voor projecten van overheidsinstanties. Voor plannen en nieuwe ontwikkelingen bij bedrijven en particulieren geldt dit dus niet. Hierop wordt verder ingegaan in de beleidsbijlage en het milieueffectrapport.

21

57/1586

Ad 2 Wij willen wonen, werken en recreëren in een zo gezond mogelijke omgeving. Daarom wegen we bij elke ontwikkeling af of de luchtkwaliteit op de locatie van die ontwikkeling voldoende is voor de functie die gepland is. Hierbij worden plekken waar we lang verblijven, zoals woningen, en plekken waar kinderen en kwetsbare mensen verblijven, zoals scholen, sportterreinen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen extra beschermd. Zij mogen bijvoorbeeld niet te dicht bij wegen worden gerealiseerd waar hoge concentraties luchtvervuilende stoffen zijn gemeten. Regeling in dit plan De invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de luchtkwaliteit wordt in algemene zin ingegaan in het milieueffectrapport.

5.3

Geluid Bij een gezonde fysieke leefomgeving speelt ook het geluidsniveau een belangrijke rol. Geluidsoverlast kan bij mens en dier leiden tot hinder en in het uiterste geval zelfs tot gezondheidsschade. In Nederland kennen we de Wet geluidhinder (Wgh), die zich richt op geluid dat wordt veroorzaakt door (spoor- en weg) verkeer en door bedrijven (industrie). In deze wet is vastgelegd wat het geluidsniveau op de gevel van een woning bij voorkeur zou moeten zijn (voorkeurswaarde) en welke hogere geluidsbelasting eventueel per geval zou kunnen worden toegestaan (ontheffingswaarde). Deze waardes variëren per geluidsbron (weg- of spoorverkeer) en per gebied (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De Wet geluidhinder regelt ook dat rond industrieterreinen met grote lawaaimakers een geluidszone moet zijn vastgesteld. Binnen die geluidszone mogen bijvoorbeeld geen nieuwe woningen worden gebouwd. Buiten de geluidszone mag de gezamenlijke geluidbelasting vanaf het industrieterrein niet te hoog zijn. Met deze zonering wordt zekerheid geboden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Een uitgebreide toelichting op de werking van de Wet geluidhinder vindt u in de bijlage. Regeling in dit plan De wetgeving en het beleid ten aanzien van het aspect geluid werken door in dit omgevingsplan.

In artikel 77 is vastgelegd hoe met nieuwe geluidsgevoelige en geluidsproducerende functies wordt omgegaan. Nieuwe geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) worden alleen toegestaan als het geluidsniveau op die plek aanvaardbaar is. Nieuwe geluidsproducerende functies moeten met hun geluidsbelasting passen binnen het heersende niveau ter plaatse. Ook voor bestaande functies waar initiatiefnemers iets willen veranderen of uitbreiden is vastgelegd dat deze ontwikkeling wat betreft geluid aanvaardbaar moet zijn. Op de invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de geluidssituatie in het landelijk gebied wordt in algemene zin verder ingegaan in het milieueffectrapport.

22

58/1586

5.4

Geur Naast de bodem- en luchtkwaliteit en het geluidsniveau is ook geurhinder een belangrijk aspect van gezondheid als onderdeel van de fysieke leefomgeving in het landelijk gebied. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) regelt in Nederland de toegestane geurbelasting van veehouderijen op bijvoorbeeld woningen en andere plekken waar mensen relatief lang verblijven (geurgevoelige objecten). Net als bij de aspecten geluid en lucht richt de wet zich op de veroorzakers en op degenen die beschermd moeten worden. Zo is vastgelegd wat de geuremissiefactor is van een intensieve veehouderij (bijvoorbeeld kippen- of varkenshouderij) op geurgevoelige objecten. Dit is geregeld in de regeling geurhinder en veehouderij. Daarnaast is in de Wet geurhinder en veehouderij vastgelegd dat een nieuw geurgevoelig object (zoals een woning) niet binnen 25 meter van een stal van een veehouderij mag worden gebouwd. Een uitgebreide toelichting op de werking van de Wet geurhinder en veehouderij vindt u in de bijlage. Regeling in dit plan De wetgeving en het beleid en de uitkomsten van het milieueffectrapport ten aanzien van het aspect geur werken door in dit omgevingsplan.

5.5

Externe veiligheid Gevaar is een van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Bij het aspect externe veiligheid kijken we naar de risico’s van gevaarlijke stoffen in het landelijk gebied. Die risico’s kunnen ontstaan bij de productie, de opslag, het transport en het gebruik van zulke stoffen. De wet- en regelgeving die hierop van toepassing is (het Besluit externe veiligheid inrichtingen en de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen) wordt toegelicht in de beleidsbijlage. In het kort richt externe veiligheid zich op risicovolle activiteiten. Hierbij gebruiken we de termen 'plaatsgebonden risico' en 'groepsrisico'. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als de kans dat een onbeschermd persoon op een bepaalde plek overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Als op een bepaalde plek een verhoogd plaatsgebonden risico geldt wordt dit aangegeven met een contour rondom deze plek. U kunt deze informatie voor uw eigen omgeving terugvinden op de risicokaart, die door de provincie wordt bijgehouden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) tegelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting die ontstaat door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Regeling in dit plan Met dit omgevingsplan leggen wij vast welke bestaande plaatsgebonden risicoinrichtingen er zijn en met welke risicocontour daarbij rekening gehouden moet worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij LPG-tankstations en de aanwezige gasleidingen.

23

59/1586

In dit plan stellen wij ook een oriëntatiewaarde van het groepsrisico vast, waarbij we uitgaan van het aantal omwonenden en de maximale mogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten met gevaarlijke stoffen binnen dit plan. Overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt in principe niet toegestaan. Wanneer bij een nieuwe ontwikkeling sprake is van een toename met meer dan 25 personen dient de invloed hiervan op de oriëntatie waarde van het groepsrisico worden onderzocht. Een toename van het groepsrisico moet altijd worden verantwoord. Dit is vastgelegd in artikel 76 van de regels.

5.6

Licht Omwonenden kunnen last hebben van licht. Vaak komt de overlast door schijnwerpers tegen inbraak, lichtmasten bij rijbakken, openstallen of verlichte sportvelden. Het activiteitenbesluit regelt lichthinder en de bescherming van het donkere landschap grotendeels met de zorgplicht. Alleen voor assimilatiebelichting bij glastuinbouw en verlichting bij sportterreinen zijn regels vastgelegd. De Wet milieubeheer beschermt de duisternis en het donkere landschap. Met de zorgplicht wordt bedoeld dat lichthinder zoveel mogelijk voorkomen moet worden of dusdanig verminderd moet worden tot een aanvaardbare situatie. Dit kan door middel van maatwerk per situatie. Goed overleg tussen de gebruiker van de installatie en de gehinderden leidt vaak tot het oplossen van een knelpunt. De zorgplicht beoogd een evenwicht tussen natuur, mens en techniek. Regeling in het plan Kunstlicht wordt door de samenleving steeds meer als bron van hinder ervaren. Om hiermee rekening te houden worden in principe lichtmasten bij paarden bakken niet toegestaan. Voor een aantal functies zijn uitzonderingen gemaakt in de regels. De uitzonderingen zijn vastgelegd in de regels in artikel 5 Bedrijf, artikel 6 Gemengd, artikel 13 Maatschappelijk, artikel 14 Maatschappelijk - Begraafplaats, artikel 18 Recreatie - Bedrijf 1, artikel 21 Recreatie - Verblijfsrecreatie, artikel 23 Sport en artikel 24 Sport - Manege.

5.7

Trilling Voor het beoordelen van trillinghinder wordt de “Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de Stichting Bouwresearch, deel B, Hinder voor personen in gebouwen” toegepast. De SBR-richtlijn deel B wordt vrijwel altijd als toetsingscriterium voor trillinghinder gehanteerd. De richtlijn kent een tweetal toetsingsgrootheden, namelijk Vmax en Vper. Vmax betreft het maximaal optredende trillingsniveau, terwijl Vper een periodiek gemiddelde betreft. Bij spoorwegen wordt met Vmax de maatgevende trein getoetst, met Vper hoe vaak treinen langskomen. Binnen het toetsingskader wordt onderscheid gemaakt tussen een bestaande situatie, een nieuwe situatie of een gewijzigde situatie. De richtlijn maakt gebruik van streef- en grenswaarden.

24

60/1586

Over het algemeen is voor een mens een Vmax groter dan 0,1 voelbaar. Bij nieuwbouwwoningen bedraagt de streefwaarde van de richtlijn A1 (0,1 voor woningen). Liggen de Vmax niveaus hoger maar onder de streefwaarde A2 (van 0,2 voor woningen) én Vper ligt onder de streefwaarde A3 (van 0,05 voor woningen) dan wordt ook voldaan aan de streefwaarden in de richtlijn. (Genoemde streefwaarden gelden voor continue trillingen in woningen en gezondheidszorg. Voor onderwijs, kantoor en bijeenkomst en voor kritische werkruimte gelden andere streefwaarden). Het Activiteitenbesluit verwijst naar de SBR-richtlijn deel B en ook de beleidsregel trillinghinder spoor (staatscourant 18 april 2012) en de Handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen van mei 2019. Laatstgenoemde Handreiking stelt dat binnen een afstand van 100 meter tot het spoor bij nieuwbouw rekening moet worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Wanneer klachten, bodemopbouw en/of treinbeeld aanleiding geven, moet een zone van 250 meter worden aangehouden. De SBR-richtlijn deel B is ook toegepast bij de woningbouw in de nabijheid van het spoor in plan Noorderhaven Zutphen.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zoals dat gaat gelden onder de Omgevingswet kent een instructieregel dat de gemeente in het omgevingsplan vastlegt wat de maximale immissie voor trillingen is die door activiteiten op gevoelige gebouwen respectievelijk gevoelige ruimten daarbinnen mag worden veroorzaakt. Deze verplichting geldt niet voor spoorwegen maar trillingsnormen kunnen ook voor spoorwegen worden opgenomen. De streefwaarden van de SBR-richtlijn deel B worden standaardwaarden in het Bkl. Onderscheid wordt gemaakt in standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillingsgevoelige ruimten. (Voor onderwijs, kantoor en bijeenkomst en voor kritische werkruimte gelden dezelfde standaardwaarden). Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf aanvullende ambities te stellen ten aanzien van het voorkomen van trillingshinder. Naast de hiervoor benoemde aandachtzones kunnen gemeenten met bijvoorbeeld grote bouwprogramma’s in de directe nabijheid van het spoor nader onderzoeken welke stedenbouwkundige en welke gebouwontwerprichtlijnen toepasbaar zijn om in specifieke gebieden trillingshinder te voorkomen. Extra gemeentelijke ambities kunnen worden vastgelegd in een specifieke lokale beleidslijn, maar ook als aanvulling op bestaande gemeentelijke verordeningen of beleidsregels.

In de Nota Bouw-/slooplawaai en Trillingen van de gemeente Zutphen wordt voor onder andere spoorwegwerkzaamheden een beleidsuitspraak gedaan waarin voor trillingen veroorzaakt door onderhoudswerkzaamheden in de nachtperiode wordt verwezen naar de SBR-richtlijn deel B.

5.8

Bedrijven en milieuzonering Om te voorkomen dat bedrijven of functies een gevaar vormen voor woningen of andere functies in de nabije omgeving, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een indeling van bedrijven opgesteld, die bestaat uit zes categorieën: 1 t/m 6. Hoe hoger de categorie, des te intensiever is de belasting van het bedrijf of de

25

61/1586

functie op het milieu en zijn omgeving. Deze milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand tot andere functies worden gerealiseerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gebouwd. Hoe hoger de categorie; des te groter de afstand tot andere functies moet zijn. Bij de indeling in milieucategorieën worden 4 aspecten meegewogen: geluid, geur, stof en gevaar (brand- en explosiegevaar). Regeling in dit plan De indeling van de VNG is een handreiking, die wij voor dit omgevingsplan naar de situatie van het landelijk gebied van Zutphen hebben vertaald. Concreet betekent dit dat wij binnen de bedrijfsbestemming bij recht alleen de bestaande bedrijven toestaan. In de gemengde bestemming zijn alleen bedrijven die vallen binnen de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt dit aspect getoetst, omdat we willen weten wat voor soort bedrijvigheid welk effect heeft op de omgeving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan geluidstoename en verkeersaantrekkendewerking.

5.9

Water Op het gebied van water spelen veel afwegingen een rol. We hebben water nodig voor onze huishoudens en de agrarische productie, we gebruiken het voor recreatie en transport en we moeten ons ertegen beschermen. Er is op rijks-, provinciaal, waterschaps- en gemeentelijk niveau dan ook veel wetgeving en beleid ten aanzien van het aspect water. Hiervoor verwijzen we naar de beleidsbijlage. Op de invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de waterkwaliteit en waterkwantiteit in het landelijk gebied wordt in algemene zin verder ingegaan in het milieueffectrapport. Regeling in dit plan De belangrijke wateren en de functies die bij deze wateren horen (zoals waterberging, dijken en waterkeringen) hebben hun eigen bestemming gekregen in het plan, in hoofdstuk 4 (functies - infrastructuur) en hoofdstuk 13 (gebiedskwaliteit - water). Binnen deze bestemmingen worden de natuurwaarden beschermd. Wanneer iemand een initiatief bij ons indient dat moet worden getoetst aan dit omgevingsplan, wordt het plan onder andere getoetst aan het aspect water. Voor ontwikkelingen waarbij gebouwd wordt betekent dit dat de initiatiefnemer moet aantonen dat de nieuwe watersituatie niet slechter is dan de oude. Dit is opgenomen in artikel 65.5: “hydrologisch neutraal bouwen”.

Een ruimtelijk plan is in principe waterneutraal, dus veroorzaakt geen wijziging van waterpeilen of aan-/afvoer van water. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Door versnelde afvoer van hemelwater wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar op benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Om versnelde afvoer tegen te gaan hanteert het waterschap bij ruimtelijke plannen de trits vasthouden- bergen-afvoeren. Dit betekent dat hemelwater zoveel mogelijk wordt vastgehouden op de plek waar het valt. Hiervandaan kan het infiltreren in de bodem of vertraagd

26

62/1586

worden afgevoerd naar het watersysteem. In ruimtelijke plannen met een toename van verharding zijn infiltratie- of waterbergende voorzieningen nodig om het plan waterneutraal te maken. Uitgangspunten voor het ontwerp van infiltratie- en waterbergingsvoorzieningen zijn:  In landelijk gebied is een regenbui T=10+10% maatgevend. De hoeveelheid neerslag die valt in deze bui moet in het plangebied worden geborgen, waarna dit kan infiltreren of vertraagd wordt afgevoerd.  Het aantal mm neerslag x oppervlak toename verharding = aantal m 3 berging. De benodigde compensatie d.m.v. waterberging neemt dus evenredig toe met een toename in het verhard oppervlak

5.10

Natuur Het begrip 'natuur' omvat veel aspecten van de fysieke leefomgeving. Vanuit de wetgeving wordt voor dit aspect vooral gekeken naar gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een uitgebreide toelichting op de Wet natuurbescherming vindt u in de beleidsbijlage. Op de invloed van de mogelijkheden in dit omgevingsplan op de gebieds- en soortenbescherming en op flora en fauna in het algemeen wordt uitgebreid ingegaan in het milieueffectrapport. Regeling in dit plan De aanwezige natuur en de gebieden die voor natuurontwikkeling of -bescherming zijn aangewezen, hebben wij in dit omgevingsplan eigen bestemmingen gegeven in hoofdstuk 6 (functies - natuur) en hoofdstuk 12 (gebiedskwaliteit - natuur). Binnen deze bestemmingen worden de natuurwaarden beschermd. Wanneer u een initiatief bij ons indient toetsen wij dit initiatief onder andere op het aspect natuur. Wij kijken of er negatieve effecten kunnen ontstaan op mogelijk aanwezige beschermde soorten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer beschermde planten, holen of broedplaatsen worden verwijderd voor de bouw van een nieuw bijgebouw, of wanneer de vliegroutes van vleermuizen worden aangetast door nieuwe lichtmasten of kap van bomen. In zo'n geval moet bij de provincie een ontheffing worden aangevraagd en kunnen verzachtende of compenserende maatregelen worden verplicht.

5.11

Economische uitvoerbaarheid Met dit omgevingsplan richten wij ons in algemene zin op het beheer van de bestaande ruimtelijke situatie van het landelijk gebied van Zutphen. Er worden met dit plan bij recht geen grootschalige ontwikkelingen toegestaan waarvan de economische uitvoerbaarheid ter discussie zou kunnen staan. Grootschalige ontwikkelingen kunnen, als deze passen binnen het beleid, met een eigen procedure worden geregeld. Daarbij wordt beoordeeld of een exploitatieplan moet worden vastgesteld.

27

63/1586

Het omgevingsplan biedt de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkelingen waarvoor al eerder een anterieure overeenkomst is gesloten. Bij deze ontwikkelingen is het kostenverhaal afgedekt. We bieden met dit plan veel mogelijkheden voor particuliere initiatieven. Concreet bestaan er bij het realiseren van deze initiatieven geen kosten voor de gemeente. Voor het beoordelen en bestuurlijk mogelijk maken van de initiatieven worden onze kosten (leges) doorberekend aan initiatiefnemers. Eventuele planschade wordt doorberekend aan initiatiefnemers door het sluiten van een overeenkomst, de zogenaamde planschadeovereenkomst. Aangezien aan het vaststellen van dit omgevingsplan geen risico's verbonden zijn met het oog op economische uitvoerbaarheid, is het niet nodig om een exploitatieplan op te stellen.

5.12

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Om te komen tot de vaststelling van dit omgevingsplan wordt een nauwkeurige procedure gevolgd, waarbij burgers, bedrijven en overheidsinstanties zich over het voorgenomen plan kunnen buigen. Voor deze procedure verwijzen we naar hoofdstuk 8. Met dit omgevingsplan richten we ons op een gezonde, duurzame leefomgeving. Hierbij horen niet alleen fysieke aspecten, maar spelen ook de onderlinge relaties van de gebruikers een belangrijke rol. Wanneer we rekening houden met elkaar en de belangen van anderen betrekken bij onze eigen initiatieven, komen we tot een zo duurzaam mogelijke situatie. Om te stimuleren dat bij initiatieven rekening wordt gehouden met de belangen van anderen hebben wij in de regeling vastgelegd dat we ontwikkelingen zullen toetsen op hun effecten op het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de sociale veiligheid.

5.13

Handhaving Een omgevingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar beleid in de fysieke leefomgeving vorm te geven. Door middel van een combinatie van het toewijzen van functies/ bestemmingen én het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het omgevingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden/ beschermen. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan te worden gehouden. En dit geldt ook andersom: bewoners en gebruikers mogen ook de gemeente aan het plan houden. In dit omgevingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo grootmogelijke eenduidigheid in planregels en in een

28

64/1586

overzichtelijke vorm. Hoe groter de eenduidigheid (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Hoe minder knellend de regels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In voorliggend plan zijn op sommige locaties of bij sommige thema’s wel stringentere regels gesteld. Deze zijn nodig om maartwerk te kunnen leveren die passend zijn op de specifieke plek of bij het onderwerp. Ook dit leidt tot duidelijkheid in wat de mogelijkheden zijn en waar bescherming van kwaliteiten nodig is. Om in de toekomst adequaat handhavend te kunnen optreden zijn duidelijke regelingen voor duidelijke doelen noodzakelijk. De uitgangspunten van het plan moeten op een heldere en goed traceerbare wijze zijn vertaald in de juridische opzet van het plan. Van elk voorschrift moet het oorspronkelijke doel traceerbaar zijn. Door de in dit plan gemaakte keuze voor een systematische planopzet, kan op eenvoudige wijze de vertaling van toelichting naar ‘gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving’ en regels worden gevolgd. Het doel van de opgenomen regelingen is steeds duidelijk.

Handhaving binnen het kader van het omgevingsplan Na het van kracht worden van het plan moet toegezien worden op handhaving van de regels in het plan. Op grond van het huidige integrale handhavingsbeleid geldt dat in ieder geval onderstaande regelingen van belang zijn om op te handhaven. Dit heeft immers te maken met de kwaliteit van het gebied en de veiligheid en gezondheid van bewoners en/of gebruikers:  gebruiksregels voor gronden en opstallen: opgetreden moet worden tegen strijdig gebruik van gronden en opstallen, zoals omschreven in de algemene en specifieke gebruiksvoorschriften voor gronden en opstallen;  de bouwregels: opgetreden moet worden tegen illegale bouwwerken, dat wil zeggen bouwwerken die zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning worden gebouwd en afwijken van de bouwregels;  omgevingsvergunningen: opgetreden moet worden tegen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, die omgevingsvergunningplichtig zijn maar zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd (zoals kappen van groen, roeren van gronden ten koste van archeologie en cultuurhistorie);  naleven van kwaliteitsverplichtingen die bij omgevingsvergunningen worden voorgeschreven/ zijn overeengekomen (denk aan landschappelijke inpassen, uitvoeren van verplichtingen ten behoeve van flora en fauna en waterhuishouding);  naleven van de regels aangaande monumenten en archeologie (erfgoed) om

de kwaliteiten in het gebied bovengronds en ondergronds te waarborgen;  naleven van milieuregels om te voorkomen dat de veiligheid, leefbaarheid en gezondheid van een locatie, de bewoners en gebruikers verslechterd;  naleven van de APV onderwerpen die toezien op de veiligheid van en in de openbare ruimte. De wijze waarop handhavend wordt opgetreden is vastgelegd in het handhavingsbeleid en/of de uitwerking daarvan van de gemeente Zutphen. Bij het nemen van handhavingsbesluiten wordt getoetst aan het beleid in het omgevingsplan evenals de uitgangspunten in het handhavingsbeleid.

29

65/1586

Daarnaast is het van belang dat de regelingen uit het plan bekend zijn bij de bewoners en gebruikers van het landelijk gebied. Ruime publicitaire aandacht in het kader van het opstellen en vaststellen van beleid in het plan én een actieve opstelling bij vragen en opmerkingen van bewoners en gebruikers dragen daaraan bij. Actieve handhaving zorgt ervoor dat vanuit de huidige situatie (0-meting) de ontwikkelingen in het gebied goed kunnen worden gemonitord. Conform de huidige werkwijze wordt er jaarlijks gerapporteerd aan de gemeenteraad over de resultaten van uitgevoerde controles.

30

66/1586

6 6.1

Juridische regeling Inleiding In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling besproken. We leggen uit hoe de regeling is opgebouwd en welke onderdelen nieuw zijn ten opzichte van de ‘oude’ bestemmingsplannen. Vervolgens maken we de regeling concreet aan de hand van een aantal voorbeeldpercelen. Ook gaan we in op de betekenis van dit plan voor de vragen die veel bij ons worden gesteld. We gaan in op de vraag of een agrariër zijn bedrijf mag uitbreiden, mag omschakelen en/of een neventak mag starten. We geven ook aan welke bouw- en gebruiksmogelijkheden u hebt bij een woning in het landelijk gebied en welke andere activiteiten u kunt starten. Daarnaast geven we een beeld van de mogelijkheden die er zijn binnen de Groene Ontwikkelingszone en welke mogelijkheden dit omgevingsplan biedt om energiemaatregelen te nemen bij uw woning of bedrijf. Wat is nieuw? De regeling van dit omgevingsplan lijkt op het eerste gezicht op de regelingen uit bestemmingsplannen die hiervoor werden opgesteld. Voor een deel is die gelijkenis er ook, immers: wat goed was, is gebleven. Toch zijn er verschillen.

Om zo flexibel mogelijk om te kunnen gaan met initiatieven van de gebruikers van het landelijk gebied zijn zo min mogelijk limitatieve opsommingen gegeven van de functies die zijn toegestaan en is vooral toegewerkt naar een regeling waarin wordt aangegeven binnen welke randvoorwaarden of in combinatie met welke aanvullende maatregelen initiatieven zijn toegestaan. Daarnaast bevat de regeling verschillende onderdelen die tot nu toe niet in een bestemmingsplan geregeld konden worden, zoals:  experimenteerruimte voor private initiatieven die duurzaamheid bevorderen;  doorwerking van het Gelders Plussenbeleid (ontwikkelruimte op basis van investeringen in milieu);  Doorwerking van diverse gemeentelijke verordeningen;  Het afwegen van aspecten die niet direct ruimtelijk relevant zijn, zoals duurzaamheid en volksgezondheid. Hoe werkt het plan? Dit omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De verbeelding en de regels zijn samen het juridisch bindende deel van het plan en kunnen niet los van elkaar worden gezien. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een functiebestemming gekregen die het bestaande gebruik weerspiegelt. Daarnaast zijn diverse gebiedsbestemmingen opgenomen die de waarden en kwaliteiten van het gebied weergeven en beschermen. Ook zijn er aanduidingen opgenomen.

Uit de regels blijkt welke betekenis die aanduidingen precies hebben. Voor de leesbaarheid van de verbeelding zijn ook diverse verklaringen opgenomen, zoals topografische gegevens en de gemeentegrens. Naast bestemmingen, aanduidingen en verklaringen komen op de verbeelding zogenaamde zones voor. Binnen deze gebiedsaanduidingen gelden aanvullende regels, bijvoorbeeld een zone ter bescherming van een molenbiotoop of ter bescherming van archeologische waarden.

31

67/1586

De regels van het plan zijn ondergebracht in meerdere hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat inleidende regels met daarin de definities van begrippen die in het plan worden gebruikt, en een uitleg van hoe bepaalde maten worden gemeten. Hoofdstuk 2 t/m 8 bevat de regels in verband met de gebruiksfuncties die voorkomen in het landelijk gebied; bijvoorbeeld agrarisch, wonen, bedrijven, recreatie, etc. Per functiebestemming worden de inhoudelijke regels hier uitgeschreven. In de hoofdstukken 9 t/m 13 worden de regels weergegeven die gelden met betrekking tot de verschillende gebiedskwaliteiten (waarden) op het gebied van archeologie, cultuurhistorie, landschap, natuur en water. Hier wordt in feite aangegeven welke voorwaarden er gelden bij het toepassen van ontwikkelingsmogelijkheden uit de functiebestemmingen. Na deze hoofdstukken volgen overige regels ten aanzien van het uitvoeren van energiemaatregelen en ten aanzien van de bescherming van de diverse leidingen die zich onder het plangebied bevinden. In de hoofdstukken met algemene regels worden vervolgens algemene regels opgenomen die op alle gebruiksfuncties van toepassing zijn: bouwregels, flexibiliteitsregels, gebruiksregels en milieuregels. Ook de voorwaarden voor het krijgen van een vergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden zijn hier opgenomen. Tot slot volgt het overgangsrecht dat van toepassing is.

Naast de regels in de artikelen gelden ook beleidsregels, zoals opgenomen in bijlage 2 van het omgevingsplan. Deze beleidsregels kunnen mettertijd ook veranderen. Het college van burgemeester en wethouders kunnen deze beleidsregels opstellen.

32

68/1586

In het omgevingsplan worden open normen (vage regels) opgenomen, die vervolgens worden uitgelegd in een (wetsinterpreterende) beleidsregel. Functiebestemmingen Met de functiebestemmingen zijn alle gebruiksfuncties in het landelijk gebied vastgelegd, zoals de woningen, (agrarische) bedrijven, sportterreinen, recreatiegebieden etc. Elk artikel over functiebestemmingen is op dezelfde manier ingericht, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming voorkomen : 1. Bij recht – Gebruiken het gebruik dat voor deze bestemming is toegestaan; 2. Specifieke gebruiksregels gebruik dat nadrukkelijk niet, of alleen onder voorwaarden is toegestaan; 3. Bij recht – Bouwen bebouwing die voor deze bestemming mag worden opgericht; 4. Flexibiliteit – Melden bouw- of gebruiksmogelijkheden waarvoor een melding verplicht is; 5. Flexibiliteit – Afwijken bouw- of gebruiksmogelijkheden waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is; 6. Flexibiliteit – Wijzigen bouw- of gebruiksmogelijkheden waarvoor een wijziging van het omgevingsplan verplicht is. Naast de regels onder de artikelen zijn in bijlage 10, 20 en 22 beleidsregels opgenomen. Deze beleidsregels zijn ook van toepassing op sommige functiebestemmingen. Hiernaar wordt in de betreffende artikelen verwezen. Gebiedsbestemmingen De gebiedsbestemmingen vormen de ondergrond van dit plan.

Met deze bestemmingen beschermen wij de gebiedskwaliteiten van ons landelijk gebied, zoals de cultuurhistorie, archeologie, landschapskwaliteiten, natuurwaarden etc. De gebiedsbestemmingen bevatten voorwaarden voor de gebruiksmogelijkheden die in de functiebestemmingen worden geboden. Elk artikel over gebiedskwaliteiten is op dezelfde manier ingericht, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming voorkomen: 1. Bij recht - Gebruiken het medegebruik dat vanwege deze gebiedskwaliteit is toegestaan; 2. Bij recht - Bouwen bebouwing die ten behoeve van deze gebiedskwaliteit mag worden opgericht; 3. Voorwaarde bouwen conform onderliggende bestemmingen voorwaarden ter bescherming van de gebiedskwaliteit, waaraan moet worden voldaan om te mogen bouwen ten behoeve van de functiebestemming; 4. Voorwaarde flexibiliteit voorwaarden ter bescherming van de gebiedskwaliteit, waaraan moet worden voldaan om gebruik te mogen maken van de flexibiliteitsbepalingen ten behoeve van de functiebestemming;

33

69/1586

5.

6.2

Overige bepalingen t.a.v. functiebestemmingen ter bescherming van de gebiedskwaliteiten kunnen allerlei voorwaarden worden opgelegd aan het gebruiken en bebouwen van de gronden ten gunste van de functiebestemmingen. Ter bescherming van de archeologische resten in de grond is bijvoorbeeld bepaald dat eerst archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd voordat u mag bouwen.

Eén perceel: één regel? We vinden het van groot belang om te vermelden dat één bestemming nooit afzonderlijk kan worden beschouwd. Als u wilt weten welke mogelijkheden u op uw perceel heeft, moet u alle bestemmingen en aanduidingen die op de verbeelding aan uw perceel zijn toegekend meenemen. U vindt deze informatie door op de verbeelding te klikken op uw eigen perceel. Hieronder ziet u twee voorbeelden:  Functiebestemming: Agrarisch  Functieaanduiding: Erf  Gebiedsbestemmingen:  Waarde – Archeologie middelhoge verwachtingswaarde  Waarde – Gemeentelijk monument  Waarde – Bos en landgoederen  Waarde – Groene Ontwikkelingszone

Op dit perceel mag u een grondgebonden veehouderijbedrijf of een ander agrarisch bedrijf (geen bomenteelt of glastuinbouw) voeren, eventueel met een grondgebonden en/of niet-grondgebonden veehouderijtak erbij. Het gaan houden van geiten is overigens niet toegestaan. U mag ook kleine nevenactiviteiten starten binnen de aanwezige gebouwen; daarvoor dient u eerst een melding in en indien de nevenactiviteit meer ruimtebeslag vraagt dan 350 m² is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Wanneer u van functie wilt gaan veranderen houdt u rekening met milieuaspecten als geur en geluid en zorgt u ervoor dat uw ontwikkeling er niet toe leidt dat er meer stikstof neerdaalt op gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Voor dit bedrijf mag bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning aanwezig zijn. Inwoning in de bedrijfswoning is toegestaan en daarnaast kunt u in de bedrijfswoning bijvoorbeeld een beroep aan huis starten. Hiervoor geldt een maximale oppervlaktemaat van 50 m². De bestaande bebouwing staat binnen de aanduiding ‘erf’. Wanneer u wilt gaan bouwen, verbouwen, of uitbreiden, houdt u rekening met de regels die hiervoor op uw perceel gelden.

Vanuit de functiebestemming is bepaald dat gebouwen moeten voldoen aan maximale maten, zoals een goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van 12 meter voor bedrijfsgebouwen en een goothoogte en bouwhoogte voor uw bedrijfswoning van maximaal 4,5 meter en 10 meter. De bebouwing voldoet aan de redelijke eisen van welstand en wordt, als die zichtbaar is vanaf de openbare weg, onderworpen aan een reguliere toetsing. Daarnaast zorgt u ervoor dat door het bouwen de watersituatie van uw perceel niet verslechtert (hydrologisch neutraal bouwen) en zorgt

34

70/1586

u voor voldoende parkeerruimte. Mocht het nodig zijn dat u uw uitweg verandert, dan zorgt u ervoor dat de verkeerssituatie veilig blijft en dat het uiterlijk en de aanwezige groenvoorzieningen niet geschaad worden. Naast de functiebestemming gelden er meerdere gebiedsbestemmingen op uw perceel. U bevindt zich in het landschapstype 'Bos en landgoederen'. Wanneer u wilt gaan bouwen dient u bij ons een erfinrichtingsplan in, waaruit blijkt dat de bebouwing bijdraagt aan het gebiedsDNA (in dit geval: het erf inpassen in bos, boomsingels, houtwallen of bosstroken). Versterking van het landschap vragen wij als een omgevingsvergunning of wijzigingsplan nodig is. Vanwege de middelhoge archeologische verwachtingswaarde mag u bijvoorbeeld niet zomaar ingrepen in de bodem doen (bouwen, afgraven, etc.) met een oppervlakte van meer dan 500 m²: er moet eerst een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Op uw perceel bevindt zich een gemeentelijk monument. Dit monument mag u niet zomaar afbreken of ontsieren. Er is eerst een oordeel nodig van de Commissie ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie. Uw perceel ligt bovendien in de Groene Ontwikkelingszone. Wanneer u iets kleinschaligs wilt ontwikkelen op uw perceel (zoals een extra bijgebouw of een nevenactiviteit), zorgt u ervoor dat de kernkwaliteiten van het gebied rondom uw perceel worden versterkt.

Naast de functie- en gebiedsbestemmingen gelden er algemene regels. Er zijn bijvoorbeeld algemene regels om duurzaamheid te stimuleren; zonnepanelen mogen vergunningsvrij op het dak worden geplaatst en kleine windturbines op het dak zijn toegestaan. Ook zijn er algemene regels om de belangen en waardes in uw omgeving te beschermen: bij initiatieven waarvoor een afwijking van het omgevingsplan nodig is, wordt altijd een algemene belangenafweging gemaakt. U mag met zulke initiatieven geen onevenredige aantasting veroorzaken van de veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, van functies in de omgeving, of van de belangen van bewoners en gebruikers van omliggende gronden.  Functiebestemming: Wonen  Gebiedsbestemmingen:  Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde  Waarde – Broeklanden  aanduiding: maximum bebouwingspercentage 50%

Op dit perceel mag u wonen in de aanwezige woning. Hierbij mag ook sprake zijn van inwoning. In totaal mag 50% van uw perceel bebouwd zijn. U mag binnen de bestaande bebouwing op een oppervlakte van 50 m² een bedrijf aan huis hebben, zolang dit valt onder de definities van een aan huis verbonden beroep dan wel een consumentverzorgende bedrijfsactiviteit. Vanwege de hoge archeologische verwachtingswaarde mag u niet zomaar ingrepen in de bodem doen (bouwen, afgraven, etc.) met een oppervlakte van meer dan 50 m²: er moet eerst een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Op uw perceel bevindt zich een waardevolle boom, die wij willen beschermen. Deze boom mag niet zonder vergunning geveld worden. Uw perceel be-

35

71/1586

vindt zich in het landschapstype 'Broeklanden'. Voordat u gaat bouwen dient u bij ons een erfinrichtingsplan in, waaruit blijkt dat de bebouwing bijdraagt aan het gebiedsDNA (in dit geval: bebouwing parallel aan of loodrecht op de weg, voorgevel woning zichtbaar vanaf de weg, bomenrij langs erf als windscherm). Beschikt u over een elektrische auto? Dan mag u daarvoor een oplaadpaal plaatsen, ook aan de openbare weg. Dit laatste kunt u vinden in artikel 93 van de regels behorende bij voorliggend omgevingsplan. Wonen in het landelijk gebied betekent dat u uw omgeving deelt met agrariërs en enkele andere bedrijven. In het omgevingsplan hebben wij diverse milieuregels opgenomen, die er samen voor zorgen dat u zich in een zo gezond, veilig en prettig mogelijke leefomgeving bevindt. U bent bijvoorbeeld beschermd tegen een onevenredige overlast door lawaai, geur en stof vanaf deze bedrijven.

6.3

De regels in de praktijk In deze paragraaf maken we die werking van de regels nog eens extra duidelijk aan de hand van praktijkvoorbeelden. We behandelen de zes meest gestelde vragen voor ontwikkelingsmogelijkheden die bij ons binnenkomen. De antwoorden die hieronder worden gegeven zijn niet op een specifieke situatie van toepassing, ze moeten meer algemeen worden gezien. Per perceel verschillen immers de onderliggende gebiedsbestemmingen, die sterk medebepalend zijn voor de mogelijkheden die u heeft.

6.3.1

Mag ik mijn agrarisch bedrijf uitbreiden? Ja, dat mag. In delen van ons landelijk gebied zijn de agrarische bedrijven bepalend voor het landschap en de economische vitaliteit. Wij staan dan ook positief tegenover uitbreiding van agrarische bedrijven, mits deze uitbreiding voldoet aan enkele randvoorwaarden op het gebied van natuur en landschap. Het uitbreiden van bebouwing Wij willen agrarische ondernemingen niet op voorhand beperken in hun ontwikkelingsmogelijkheden en we gaan ervan uit dat de agrariër zelf het beste weet hoe hij of zij het erf zo functioneel en efficiënt mogelijk inricht. Daarom komen de bouwvlakken, waarbinnen voorheen alle bebouwing moest worden gebouwd, niet terug in dit omgevingsplan. In het omgevingsplan hebben we een aanduiding ‘erf’ opgenomen ter plaatse van de huidige bebouwing van agrarische bedrijven. Als binnen die aanduiding geen reële mogelijkheden meer bestaan voor nieuwe bebouwing, mogen de erfgrenzen worden overschreden. Zoals omschreven in onze visie willen wij dat in combinatie met elke ontwikkeling een verbetering (of op zijn minst behoud) plaatsvindt van de aanwezige waarden (bijvoorbeeld landschappelijke waarden, of natuurwaarden). Daarom zijn er voorwaarden gekoppeld aan het overschrijden van de erfgrenzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=b2a8a5cd-9faa-4e6b-97d3-c37115a25fc3