CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1106916 - Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord

Raadsvergadering 26 januari 2026, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord27.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Figuur 45: Weergave richtafstandenlijst met aanduiding voor 'kassen met gasverwarming'. Bron: VNG

Rondom het plangebied voor de nieuwe kas bevinden zich nauwelijks woningen. De meest nabijgelegen woningen ten westen, noorden en oosten bevinden zich op zeer ruime afstand van enkele honderden meters vanaf het deelgebied. De uitzondering hierop is een verblijfsobject op 18 meter vanaf de perceelsgrens. Het verblijfsobject is echter geen woning, en dus dient er hier niet aan de 30 meter regel te worden voldaan. Rondom de Sprabanenweg bevinden zich wel enkele woningen. Ten oosten van de Sprabanenweg bevindt er zich een woning op 70 meter afstand (Hoveniersweg 14). Ten westen van de Sprabanenweg bevindt er zich een woning op 20 meter van de weg. De Sprabanenweg maakt wellicht onderdeel uit van deelgebied 1, maar maakt geen onderdeel uit van de inrichting die door de aanvrager wordt geëxploiteerd. Er dient ter hoogte van de Sprabanenweg dan ook niet aan de richtafstanden te worden voldaan.

10

De richtafstandenlijst kent voor kassen slechts twee ‘smaken’: kassen zonder verwarming en kassen met verwarming. De richtafstanden voor beide typen kassen in de daaropvolgende kolommen zijn voor alle hinderaspecten gelijk.

© Looije Agro Technics BV, 2025

63

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Ten oosten van het deelgebied bevinden er zich wel enkele bouwwerken. Deze bouwwerken lijken geen woningen te zijn, maar staan volgens het BAG wel geregistreerd als verblijfsobject. Deze locatie is geregistreerd onder het adres Hoveniersweg 14. De afstand vanaf deelgebied 1 tot de perceelsgrens is minder dan de richtlijnafststand van 30 meter, namelijk ca. 10 meter. De afstand vanaf de perceelsgrens tot het permanente verblijfsobject dat op dit perceel aanwezig is, betreft ca. 19,50 meter. Hier dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat het meest nabijgelegen element op de inrichting van de aanvrager het waterbassin betreft. Het waterbassin zorgt normaliter niet voor geluid, aangezien hier geen menselijk en robotische werkzaamheden worden uitgevoerd. De meest nabijgelegen gevel van een bedrijfsgebouw vanaf het verblijfsobject bevindt zich op ruim 40 meter afstand vanaf het verblijfsobject. Dit betreft de waterbehandelingsruimte waarin eveneens niet tot nauwelijks menselijke handelingen worden uitgevoerd. Bovendien wordt deze ruimte gebouwd met sandwichpanelen. Daarbij dient in acht te worden genomen dat het verblijfsobject op Hoveniersweg 14 waarover wordt gesproken, geen echter ‘verblijfsobject’ lijkt te zijn. Dit gebouw lijkt eerder te fungeren als opslagruimte dan als verzamel- of verblijfsruimte.

De personen die zich op dit perceel soms begeven, zijn namelijk kermisexploitanten die hier af en toe in hun eigen caravans verblijven. De exploitanten staan doorgaans aan de andere zijde van het perceel dat tegenover het perceel van de aanvrager ligt. De afstand ten opzichte van de betreffende perceelsgrens is ruim 50 meter. Ondanks dat de afstand ten opzichte van het terrein van de aanvrager en het verblijfsobject aan Hoveniersweg 14 minder dan de richtlijnafstand bedraagt, is er hier gemotiveerd dat er geen reden is om deze afstand als problematisch te beschouwen met het oog op mogelijk geluidsoverlast. Dit omdat het verblijfsobject niet als zodanig wordt gebruikt, omdat het daadwerkelijk verblijf van personen zich alsnog op ruime afstand bevindt, en omdat het meest nabijgelegen elementen van het uit te breiden glastuinbouwbedrijf het bassin betreft. Deze kan niet worden beschouwd als geluidsbron.

4.7.2 Deelgebied 2A/2B/2C Dit bestemmingsplan voorziet in het wegbestemmen van de glastuinbouwfunctie in deelgebieden 2A/2B/2C. Het wegbestemmen van de glastuinbouwfunctie leidt per definitie tot een betere uitgangspositie qua milieuzonering. Er wordt immers vanuit gegaan dat de deelgebieden in de toekomstige situatie als agrarisch grasland worden ingevuld. Volgens de VNG geldt hiervoor geen afstandsnorm. Verder onderzoek van de milieuzonering in de deelgebieden 2A/2B/2C is derhalve niet noodzakelijk. Wel dient hier nog te worden herinnerd aan het feit dat de bestemming van de bestaande bedrijfswoning wordt gewijzigd naar een burgerwoning. Dit houdt in dat overlast in de woning van agrarische werkzaamheden dient te worden voorkomen. Dit wordt onder andere gegarandeerd doordat er rondom de woning een spuitzone bestaat van 50 meter. In de beoogde situatie is het dus niet toegestaan om binnen een straal van korter dan 50 meter op de woning te spuiten. Aangezien de beoogde kassen zich op voldoende afstand bevinden ten opzichte van gevoelige functies, vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de onderhavige bestemmingsplanwijziging.

4.7.3 Conclusie: Milieuzonering Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

© Looije Agro Technics BV, 2025

64

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

4.8 Licht Aangezien er in deelgebied 1 in de beoogde situatie de functie Agrarisch - glastuinbouw wordt toegepast, moet er worden beschreven of assimilatiebelichting gaat worden toegepast op het glastuinbouwbedrijf. Assimilatiebelichting wordt in de glastuinbouw toegepast om de teelt van extra licht te voorzien. Dit heeft een positief effect op de groei van de planten/bloemen.

4.8.1 Toepassing assimilatiebelichting deelgebied 1 Aangezien een deel van deelgebied 1 in de beoogde situatie de bestemming glastuinbouw krijgt toebedeeld, moet er worden beschreven of er op dit gebied assimilatiebelichting gaat worden toegepast in het glastuinbouwbedrijf. Assimilatiebelichting wordt in de glastuinbouw toegepast om de teelt van extra licht te voorzien. Dit heeft een positief effect op de groei van de planten/bloemen. Wimaplant is niet voornemens om op het toekomstige glastuinbouwbedrijf assimilatiebelichting in de kas toe te passen. Overigens blijft wimaplant wel assimilatiebelichting gebruiken in een deel van de bestaande kas aan Hoveniersweg 18. Wel zal er in en rondom het glastuinbouwbedrijf gebruik worden gemaakt van conventionele verlichting met het oog op veiligheid en inbraakpreventie. Dit betreft belichting van het teeltpad, loods en kantoorruimtes op basis van aanwezigheid (schakling of sensor). Ook zal het buitenterrein waar nodig worden belicht met het oog op veiligheid/inbraakbeveiliging. Hiervan wordt niet verwacht dat er enig overlast zal ontstaan, omdat deze terreinverlichting in bescheiden mate zal worden toegepast. Maar ook vanwege de relatief ruime afstand tot de eerste woningen vanaf het terrein.

Er zal worden geprobeerd om met het gebruik van conventionele verlichting een juiste balans te vinden tussen functionaliteit en mogelijke overlast die als gevolg hiervan zou kunnen ontstaan.

4.8.2 Lichteffecten deelgebieden 2A/2B/2C Op de deelgebieden 2A, 2B en 2C wordt momenteel een glastuinbouwbedrijf beheerd. In de beoogde situatie worden deze kassen gesloopt en zal er dus geen gebruik kunnen worden gemaakt van assimilatiebelichting. De toekomstige bestemming ‘Agrarisch’ impliceert dat er geen sprake kan zijn van overlast door licht door assimilatiebelichting, of een andere vorm van lichthinder.

4.8.3 Conclusie: Licht Het aspect licht vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

4.9 Geluid In deze paragraaf wordt het aspect ‘geluid’ beschreven waarbij de Wet geluidhinder en het gemeentelijk beleid geluidshinder de uitgangspunten vormen. In het kader van het initiatief, werd er een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de verbreding van de Sprabanenweg en zijn de evt. geluidseffecten als gevolg hiervan berekend. Hoewel er zich namelijk geen woningen bevinden rondom de uitbreidingszone van de inrichting wimaplant, bevinden er zich wel woningen op een korte afstand van de Sprabanenweg waarover al het (vracht)verkeer wordt geleid richting het nieuwe bedrijf. Het akoestisch onderzoek omvat dus slechts de effecten van verkeersbewegingen over de Sprabanenweg. Evt. geluidseffecten als gevolg van het gebruik van de kas zijn niet in het rapport opgenomen, vanwege de ruime afstand van het nieuwe bedrijf, tot bestaande woningen. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de maximale geluidsbelasting (afgerond) ten hoogste 42 dB bedraagt op de meest nabijgelegen woning aan de Hoveniersweg. Aangezien deze belasting lager is dan de norm (48 dB) is er geen toename met meer dan 2dB.

© Looije Agro Technics BV, 2025

65

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

4.9.1 Toepassing geluidseffecten glastuinbouw Uit bovenstaande paragrafen is al gebleken dat het deelgebied 1 zich op voldoende afstand van woningen (en andere gevoelige functies) bevindt. Ook is al gebleken dat het plan niet aan specifiek gemeentelijk beleid dient te voldoen en dat maatwerk niet is vereist.

4.9.2 Conclusie: Geluidseffecten Het aspect geluid vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Dit wordt bevestigd door het akoestisch onderzoek dat werd uitgevoerd.

4.10 Geur Met het oog op de mogelijke geureffecten als gevolg van ruimtelijke plannen, kan er worden gekeken naar de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In de Wgv (2007) staan de afstandsnormen met betrekking tot mogelijke geureffecten die een geureffecten-producerend bedrijf kan hebben op geurgevoelige objecten. Met het oog op het ruimtelijk plan kan er worden gesteld dat er sprake is van een plantenproductiebedrijf. Er is hier geen sprake van het houden van dieren. Dit houdt in dat de daarbij behorende geuremissies of de afstandsnormen waaraan dient te worden getoetst, voor het glastuinbouwbedrijf niet van toepassing zijn. Er hoeft dus niet aan de geuremissienormen van het Wgv te worden getoetst. Gezien de aard van de activiteiten en het type teelt, is het sowieso aannemelijk dat er geen sprake zal zijn van geur of geuroverlast.

4.10.1 Toepassing Wgv op het plangebied: Deelgebied 2A/2B/2C Met het oog op de beoogde bestemmingswijziging voor deelgebieden 2A, 2B en 2C kan in de huidige situatie het bovenstaande argument worden toegepast voor de huidige situatie. In de toekomstige situatie echter, is er sprake van de bestemming Agrarisch. De beoogde bestemming staat echter het houden van dieren op deze locaties niet toe. De bestemming staat slechts toe dat er vollegrondsteelt wordt uitgevoerd. In dit geval kan dus worden gesteld dat deelgebied 2A, 2B en 2C geen geuroverlast als gevolg van het houden van dieren in de beoogde situatie zullen veroorzaken. De Wgv is dan ook in de beoogde situatie niet van toepassing. Om te voorkomen dat het uitrijden van dierlijke mest op agrarische grond leidt tot geuroverlast bij burgerwoningen, is er naast de spuitvrije zone van 50 meter eveneens een bemestingsvrije zone van 30 meter in de bestemmingsplanregels opgenomen. Deze geldt voor burgerwoningen, maar niet voor agrarische bedrijfswoningen.

4.10.2 Conclusie: Geur Het aspect geur vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

4.11 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer worden de regels ten aanzien van de luchtkwaliteit beschreven, waaronder grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. De Wet luchtkwaliteit werkt door in twee besluiten: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen; • Besluit gevoelige bestemmingen. Deze twee besluiten worden hieronder toegelicht

© Looije Agro Technics BV, 2025

66

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

4.11.1 Toelichting verkeersbewegingen Deelgebied 1 In de huidige situatie leiden alle (vracht)bewegingen die zich naar het bedrijf van Wimaplant begeven naar verschillende locaties, namelijk naar productlocatie 1 (Voorste Overmarsweg 1), productlocatie 2 (Hoveniersweg 15), en productielocatie 3 (Hoveniersweg 18). Nadat de nieuw beoogde kas zal zijn gebouwd, zullen productielocatie 2 en 3 stapsgewijs buiten gebruik worden gesteld en gesaneerd en zal het verkeer van en naar die locatie dus volledig verdwijnen. Toetsing luchtkwaliteit deelgebied 1 Op basis van het NIBM is er een tool ontwikkeld waarmee de toename kan worden gecontroleerd, en om te zien of er sprake moet zijn van een uitgebreide toetsing. In het kader van het ruimtelijke plan, is uit deze tool gebleken dat verder onderzoek niet noodzakelijk is. Door in de tool de verwachte toename in verkeersbewegingen in te voeren, met een verduidelijking van het percentage wat hiervan vrachtverkeer zal zijn, wordt berekend welke effect dit zal hebben op de luchtkwaliteit. Er is ingevoerd dat er wordt verwacht het plan in 2024 te realiseren, en dat er sprake zal zijn van een toename van 204 stuks (weekdaggemiddelde). Het hierbij horende percentage vrachtverkeer is verwacht op 30%. Dit leidt tot en toename die onder de gestelde norm ligt.

Hieruit blijkt dat verder onderzoek naar de verwachte luchtkwaliteit in de beoogde situatie niet vereist is. De resultaten en invoer zijn in de bijlagen terug te vinden.

4.11.2 Toelichting verkeersbewegingen deelgebied 2A/2B/2C In de huidige situatie waarin op deelgebieden 2A, 2B en 2C sprake is van glastuinbouw, is er sprake van dagelijkse verkeersbewegingen. Hetzij met personenvervoer, hetzij met vrachtvervoer. In de toekomstige situatie zullen deze kassen zijn gesloopt en zal er slechts incidenteel sprake zijn van verkeer naar en van de deelgebieden in de vorm van agrarische voertuigen. Deze hoeveelheden zijn aanzienlijk minder dan de hoeveelheden die zich in de huidige situatie manifesteren. Er hoeft om deze reden geen NIBM toetsing voor deelgebieden 2A, 2B en 2C te worden uitgevoerd.

4.11.3 Conclusie: Luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

4.12 Externe veiligheid In bovenstaande paragrafen is ingegaan op de effecten die het ruimtelijk plan kan hebben op de omgeving, inclusief gevoelige objecten en de zich hierin bevindende bewoners/ gebruikers. Maar een ruimtelijk plan heeft niet alleen invloed op de omgeving zelf. De bestaande omgeving kan ook een effect hebben op het beoogde plan, en de hier geplande bebouwing, activiteiten en medewerkers. Door middel van een toetsing externe veiligheid worden de mogelijke gevaarlijke effecten vanuit de omgeving op het plangebied zelf in kaart gebracht.

4.12.1 Toepassing externe veiligheid: deelgebied 1 Om de risico’s voor het plangebied te bepalen, moet worden gekeken naar een risicokaart. De risicokaart geeft een beeld van de in de omgeving aanwezige risicovolle inrichtingen en infrastructuur. De risicokaart is beschikbaar via de Atlas Leefomgeving.

© Looije Agro Technics BV, 2025

67

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Figuur 46. Weergave plangebied op de risicokaart. Bron: Looije Agro Technics, op basis van www.atlasleefomgeving.nl

Kijkend naar het plangebied – deelgebied 1 op de risicokaart (oranje kader – indicatief) vallen er een aantal zaken op. In onderstaande tabel worden de risico’s op het plangebied aangeduid. Nr. 1

Risicobron Hogedruk (Bevb)

2

Inrichtingen (Bevi)

3

Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt)

4

Transport gevaarlijke stoffen per spoor (Bevt)

5

Transport van gevaarlijke stoffen per wegvervoer (Bevt)

aardgasleidingen

Invloed op het plangebied Er bevinden zich op het plangebied geen hogedruk aardgasleidingen. Er bevindt er zich wel één op ca. 300 meter afstand van het deelgebied 1. Er bevinden zich ten aanzien van deelgebied 1 geen inrichtingen onder het Bevi waarvan het invloedsgebied zich uitstrekt tot deelgebied 1. Er bevinden zich rondom deelgebied 1 geen vaarwegen met gevaarlijke stoffen waarvan het invloedsgebied zich uitstrekt tot het plangebied. Er bevindt zich een vaarweg die onderdeel uitmaakt van het Bevt op ca. 500 meter afstand van het plangebied. Er bevinden zich rondom het plangebied geen spoorwegen die vallen onder het Bevt. Het direct ten westen van het plangebied gelegen traject ApeldoornZutphen valt hier niet onder. Er bevinden zich op of rondom het plangebied geen wegen die vallen onder het Bevt.

Tabel 2: Weergave risico's op het plangebied op basis van de risicokaart.

Aangezien er uit de risicokaart blijkt dat er geen sprake is van GR of PR, dient het risico ten aanzien van de beoogde plannen uitgebreid te worden verantwoord. De afstand tussen deelgebied 1 en de aanwezige risicobronnen is dusdanig groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden.

© Looije Agro Technics BV, 2025

68

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Hieronder volgt de verdere motivering van het aspect externe veiligheid beperkt tot een beschrijving van de aspecten ‘bestrijdbaarheid’ en ‘zelfredzaamheid’ (zie hieronder). Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwingsen alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

4.12.2 Toetsing externe veiligheid: deelgebied 2A/2B/2C De sanering van de kassen in de deelgebieden 2A, 2B en 2C leidt niet tot aanvullende bebouwing. Sterker nog, de bestaande bebouwing zal worden gesloopt, en daarmee zullen er zich standaard geen personen op de deelgebieden aanwezig zijn. Hiermee bestaat er geen verder aanleiding om deze deelgebieden op externe veiligheid te toetsen.

4.12.3 Gemeentelijk beleid externe veiligheid In 2015 nam de gemeente Zutphen een beleidsvisie externe veiligheid aan. In deze beleidsvisie werd uiteengezet hoe de gemeente het woon- en leefklimaat veiliger wil maken, en welke knelpunten bestaan die hierin belemmerend zijn. Dit betrof in 2015 twee tankstations (een aan de Harenbergweg, en een aan de Industrieweg. Verder wordt er in het beleidsdocument gesteld dat risicogebonden activiteiten dienen plaats te vinden in de bedrijventerreinen, met name de noordzone van De Mars. Ten aanzien van het buitengebied wordt gesteld dat de relatief grote afstand tussen de bebouwing enige risico (er wordt hierbij genoemd de aanwezigheid van propaantanks) aanvaardbaar wordt geacht. Het gemeentelijk beleid geeft geen breder beeld van hoe de gemeente aankijkt tegen de risico’s die een glastuinbouwbedrijf op de Hoven Noord zou hebben, of dat er ten aanzien van aanwezige risico’s nog zaken zullen worden verwijderd.

4.12.4 Conclusie: Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

© Looije Agro Technics BV, 2025

69

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

4.13 Cultuurhistorische waarden De gemeente Zutphen kent tal van monumenten en cultuurhistorische sites. Om te waarborgen dat de cultuurhistorische waarde van een plangebied niet wordt geschonden, is er ten aanzien van nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau beleid geïmplementeerd om de cultuurhistorische waarde van deze sites te waarborgen. Hieronder wordt besproken op welke wijze de wet- en regelgeving op de diverse niveaus impact heeft op de (mogelijk) aanwezige cultuurhistorische sites die aanwezig kunnen zijn op het plangebied, en op welke wijze dit beleid de bestaande waarde van deze evt. aanwezige sites waarborgt.

4.13.1 Nationale wetgeving cultuurhistorisch behoud Vanaf 1 juli 2016 geldt in Nederland de Erfgoedwet,11 waarin wordt bepaald op welke wijze erfgoed van nationaal belang dient te worden beschermd, en welke instantie(s) hierin de verantwoordelijkheid heeft/ hebben. Ook wordt in deze Erfgoedwet aangeduid hoe het toezicht op deze verantwoordelijke instantie(s) is geregeld. Dit varieert naar gelang het historische belang van het erfgoed in kwestie, de locatie ervan, en het historisch beheer/ bezit van dit specifieke erfgoed. Zo heeft het Rijk de taak om diverse sets erfgoed te beheren en/of op juist particulier beheer toe te zien. In veel instanties echter, heeft het Rijk deze taak doorgegeven aan de Provincie. Met het oog op het plangebied is het overduidelijk dat er op locatie geen sprake is van (onderdelen van) Rijkserfgoed.12 Er hoeft hier dan ook geen rekening mee te worden gehouden, maar dit betekent niet dat er geen provinciaal of gemeentelijk erfgoed op locatie is te bekennen.

4.13.2 Provinciale wetgeving cultuurhistorisch behoud De Provincie Gelderland heeft om de cultuurhistorische waarden juist te duiden, een erfgoedkaart opgemaakt, waarin alle 6.300 rijksmonumenten en alle 12.500 gemeentelijk cultuurhistorische monumenten staan weergegeven. Uit deze kaart blijkt dat er zich op het plangebied volgens de Provincie geen historisch landschap of – stedenbouw bevindt. Toetsing provinciale cultuurhistorische sites: deelgebied 1 In onderstaande figuur worden de meest nabijgelegen cultuurhistorische en archeologische elementen rondom het deelgebied 1 (aangeduid met het rode kader) weergegeven. Zoals uit de kaart blijkt, is de hoeveelheid hiervan beperkt. De paars aangeduide polygonen betreffen archeologische verwachtingszones (zie paragraaf 1.2). Op iets grotere afstand bevindt zich de archeologische site van het voormalige kasteel De Marsch. Dit bevindt zich echter op dusdanig grote afstand van het plangebied dat er volgens de Provinciale kaart geen cultuurhistorisch landschap of bebouwing op het plangebied aanwezig is. Toetsing provinciale cultuurhistorische sites: deelgebied 2A/2B/2C Aangezien deelgebieden 2A, 2B en 2C momenteel vrijwel geheel bebouwd zijn en in gebruik worden genomen door de bestaande glastuinbouwsites is uitgesloten dat zich hier cultuurhistorische sites bevinden.

11

Voluit genoemd: de Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultuur erfgoed.

12

Zie de Erfgoedmonitor, op Swing Viewer - Archeologische - Nederland (cultureelerfgoed.nl)

© Looije Agro Technics BV, 2025

70

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Figuur 47. Weergave Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie - kaart van de Provincie Gelderland. Het deel van plangebied 1 waar de glastuinbouwbestemming is voorzien is met het rode kader aangeduid. Bron: Looije Agro Technics, op basis van historische landschap, historische stedenbouw en archeologiekaart, Provincie Gelderland.

4.13.3 Gemeentelijk beleid cultuurhistorische waarden Als onderdeel van de verplichting voor gemeenten onder het Bro dat gemeenten per 1 januari 2012 bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening dienen te houden met cultuurhistorische waarden, werd vanaf september 2013 door de gemeente Zutphen de Werkwijze bouwhistorie vastgesteld, waarin werd toegewerkt naar een gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart (CHWK). Met deze CHKW kunnen de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen de gemeente duidelijk worden herkend en is het gemakkelijker om de effecten van ruimtelijke plannen beter te schalen. Er dient te worden aangetoond hoe er bij de implementatie hiervan rekening wordt gehouden met deze cultuurhistorische waarden. De CHWK werd in 2014 gepresenteerd en vastgesteld. De CHWK Zutphen echter, omvat niet de gehele gemeente, maar is slechts gericht op die zones die van oudsher als cultuurhistorisch interessant worden verwacht. Dit betreft de stadskern en andere historische zones, maar het plangebied zoals hierboven werd aangeduid, valt hierbuiten. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er volgens de gemeente geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied vallen.

4.13.4 Conclusie: Cultuurhistorische waarden Omdat er geen significante vormen van cultuurhistorische waarden op het plangebied aanwezig zijn, hebben de beoogde plannen geen impact op de nationale, provinciale of gemeentelijke bekende cultuurhistorisch erfgoed. Het aspect cultuurhistorische waarden vormt dan ook geen belemmering met het oog op de beoogde ontwikkeling.

© Looije Agro Technics BV, 2025

71

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

4.14 Archeologie Naast de mogelijke cultuurhistorische waarden binnen een plangebied, kan een plangebied ook een archeologische waarde bevatten. In deze paragraaf wordt de (mogelijke) impact besproken die het ruimtelijke plan zou hebben op de evt. aanwezige archeologische waarden op het plangebied. Het gemeentelijk bestemmingsplan ter hoogte van het besproken deelgebied 1 is eveneens voorzien van dergelijke archeologische verwachtingswaarden. Een blik op het plan maakt duidelijk dat het plangebied is gecategoriseerd met de dubbelbestemming Archeologie Waarden – 3. Dit houdt in dat het bouwen van gebouwen (zoals een kas, of loods) niet is toegestaan met het oog op de archeologische verwachtingskaart, zonder het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek. Ook is het aanleggen van bassin(s) of bedrijfsverharding niet toegestaan zonder archeologisch onderzoek. Een dergelijk archeologisch onderzoek werd in 2019 uitgevoerd door het erkende archeologische bureau RAAP. Dit archeologische onderzoek werd in de bijlagen toegevoegd. Uit dit (bureau)onderzoek bleek dat ondanks de bouwplannen van Wimaplant er geen rekening dient te worden gehouden met een hoge kans van archeologische waarden in de bodem.

4.14.1 Conclusie: Archeologische waarden Aangezien er geen significante vormen van archeologische waarden op het plangebied aanwezig zijn, zullen de beoogde plannen geen impact te hebben op de nationale, provinciale of gemeentelijke bekende archeologische waarden. Het thema archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde plannen.

4.15 Verkeer en parkeren Met het oog op de bestemmingswijziging ter hoogte van deelgebied 1 en de bouw van de beoogde kas, dient een beeld te worden gegeven van het aantal te verwachte verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Om dit duidelijk in beeld te kunnen brengen, dient eerst de huidige situatie in kaart te worden gebracht. De bestemmingswijziging van de deelgebieden 2A, 2B en 2C en de toekomstige sloop van de hier aanwezige kassen zullen immers zorgen voor een wijziging van de verschillende verkeersbewegingen.

4.15.1 Toelichting transportbewegingen De initiatiefnemer beheert diverse teeltlocaties in het tuinbouwgebied De Hoven. Dit zijn het huidige bedrijf aan de Hoveniersweg 18/Hoveniersweg 15 (hieronder aangeduid als deelgebied C), de locatie aan de Hoveniersweg 11A (hieronder aangeduid als deelgebied 2A) en de locaties aan de Voorste Overmarsweg 3T (hierboven aangeduid als deelgebieden 2B en 2C). Hierbij dient te worden opgemerkt dat Hoveniersweg 15 en Hoveniersweg 18 organisatorisch/logistiek als een enkel bedrijf dienen te worden beschouwd. Naast deze locatie (vanaf nu ‘Hoveniersweg 18’), heeft de aanvrager ook de beschikking over de productielocaties aan de Hoveniersweg 11A, en de productielocatie aan de Voorste Overmarsweg 3T. Huidige verkeerssituatie Een indicatie van het aantal verkeersbewegingen van en naar de verschillende productielocaties in de huidige situatie wordt hieronder in de tabel weergegeven. Het aantal bewegingen is onderverdeeld in licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar verkeer. Locatie

Licht verkeer

Hoveniersweg 18 Voorste Overmarsweg 3T

13.730 8.737

© Looije Agro Technics BV, 2025

Middelzwaar verkeer 319 203

72

Zwaar verkeer

Totaal

6.026 3.835

20.075 12.775

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Hoveniersweg 11A Totaal

2.496 24.963

58 580

1.096 10.957

3.650 21.914

Tabel 3: Weergave huidig aantal verkeersbewegingen bestaande teeltlocaties. Bron: Wimaplant.

Licht verkeer betreft personenvervoer van met name medewerkers, per auto. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat er onder het personeel een hoge mate van carpooling wordt toegepast, zoals dit onder arbeidsmigranten (werkzaam in de glastuinbouw) vaak het geval is. Ook de verkeersbewegingen van bezoekers zoals adviseurs, vertegenwoordigers, en onderhoudsmonteurs vallen onder de categorie licht verkeer. Het middelzware verkeer betreft middelgrote wagens die soms worden ingezet voor (pakket)leveringen, of het inzamelen van huishoudelijk afval en karton. Hier valt ook het transport van materiaal in busjes met aanhangwagens onder. Onder zwaar verkeer wordt de levering – en met name afhaal – van materiaal met conventionele vrachtwagens verstaan. Deze worden met name ingezet voor het transport van de oogst, maar ook voor levering van (inpak)materiaal. Het totaal aantal verkeersbewegingen omvat zowel het aan- als het wegrijden. Met andere woorden, het totaal aantal van de bijna 22.000 verkeersbewegingen op jaarbasis in de huidige situatie betreft dus zowel heen- als terugrijdend verkeer, in de huidige situatie. Toekomstige situatie verkeersbewegingen Waar in de huidige situatie het aantal verkeersbewegingen dient te worden onderverdeeld over de drie verschillende bestaande teeltlocaties, is hier in de toekomstige situatie geen sprake meer van.

In de toekomstige situatie wordt na een jaar vanaf onherroepelijkheid omgevingsvergunning bouwen (fase 1) de teeltlocatie aan de Voorste Overmarsweg gesloopt. En na drie jaar wordt de teeltlocatie aan de Hoveniersweg 11A worden gesloopt. Na een jaar en na drie jaar vanaf de onherroepelijkheid van de omgevingsvergunning gaan onderlinge verkeersbewegingen (vrijwel uitsluitend elektrisch verkeer) dus niet langer plaatsvinden. Locatie

Licht verkeer

Zwaar verkeer

Totaal

13.726

Middelzwaar verkeer 320

Hoveniersweg 18 Bestaande kassen Hoveniersweg 15A (nieuwbouw) Totaal

6.026

20.072

54.230

1.262

23.800

79.292

67.956

1.582

29.826

99.364

Tabel 4: Weergave onderverdeling verwacht aantal verkeersbewegingen toekomstige situatie. Bron: Wimaplant.

Bovenstaande tabel geeft een beeld van de verwachte verkeersbewegingen ten aanzien van de toekomstige situatie, na de sloop van de teeltlocaties ter hoogte van deelgebieden 2A, 2B, en 2C. Daarnaast wordt er uitgegaan van nieuwbouw 20 ha teeltoppervlak, hierboven aangeduid als Hoveniersweg 15A. In totaal wordt er verwacht dat er bijna 100.000 verkeersbewegingen zullen zijn als gevolg van het (gehele) bedrijf. Een onderbouwing van het aantal verkeersbewegingen wordt in de bijlagen toegevoegd.

© Looije Agro Technics BV, 2025

73

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

In de toekomstige situatie wordt getracht zoveel mogelijk verkeer te concentreren op de nieuwe teeltlocatie (Hoveniersweg 15A). Deze bedrijfsuitbreiding omvat naast de bouw van nieuw teeltoppervlak van 20 ha ook in de bouw van een nieuwe loods en laadkades met ruime laad- en losfaciliteiten. Ondanks deze toekomstige faciliteiten voor het vrachtverkeer, en de toekomstige parkeerplaatsen die op het nieuwe voorterrein gaan worden aangelegd, wordt er in de toekomstige situatie nog wel gebruik gemaakt van de huidige laad en parkeerfaciliteiten bij Hoveniersweg 18. Deze teeltlocatie blijft immers functioneren. En dus wordt in de toekomstige situatie de teelt van deze twee kassen deels via deze bestaande laadkade geladen. Deze verschillende verkeersbewegingen worden in tabel 2 onderscheiden. Let wel, dit is in een inschatting en een worstcasescenario. Er wordt vanuit gegaan dat ca. 90% van de toekomstige verkeersbewegingen in de beoogde situatie gebruik gaat maken van de nieuwe laadfaciliteiten. Daarop wordt het nieuwe bedrijf ook ingericht. Dit betekent in de praktijk het minimaliseren van laadmomenten aan de bestaande laadkade.

Figuur 48: Weergave beoogde bouwfase 1, t.o.v. te slopen elementen. Bron: Looije Agro Technics.

Verkeer – verbreding Sprabanenweg De Sprabanenweg is op dit moment al de hoofdontsluitingsweg voor de bestaande locaties van Wimaplant aan de Hoveniersweg. Als onderdeel van het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant is voorzien dat de ontsluiting van de uitbreidingslocatie eveneens plaatsvindt via de Sprabanenweg. Volgens Duurzaam Veilig (DV) zijn de volgende uitgangspunten van belang: Het voorkomen van ontmoetingen tussen langzaam en snel verkeer; Het voorkomen van ontmoetingen met grote richtings- en snelheidsverschillen; indien voertuigen van de weg raken, de gevolgen hiervan beperken. De Sprabanenweg wordt verbreed. De nieuwe breedte van de Sprabanenweg zal 6,50 meter bedragen. De buitenste twee meters zullen worden voorzien in grasbetontegels. Dit zorgt ervoor dat er bij ontmoetingen tussen beide wagens, beide chauffeurs in snelheid zullen minderen. Daarmee wordt er

© Looije Agro Technics BV, 2025

74

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

aan bovenstaande uitgangspunten voldaan. Zie hieronder (nogmaals) de beoogde opbouw van de nieuwe Sprabanenweg.

Figuur 49: Weergave doorsnede beoogde (verbrede) Sprabanenweg. Bron: Gemeente Zutphen.

Parkeren Ten aanzien van het aantal medewerkers, dient er voor 60 auto’s te worden voorzien in parkeerplaatsen voor 20 ha kas. Hieronder is een uitsnede van het bouwplan fase 1 opgenomen. In de eerste fase is voorzien in ca. 30 parkeerplaatsen, voor de eerste ca. 8 ha kas. Bij de latere aanvragen wordt dit aantal uitgebreid naar de uiteindelijke 60 parkeerplaatsen in de laatste fase (20 ha).

Figuur 50: Weergave uitsnede kadastrale tekening bouwplan fase 1. Bron: Looije Agro Technics.

© Looije Agro Technics BV, 2025

75

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen voor vrachtwagens, is een onderbouwing opgenomen in de bijlagen van dit document. In dit document wordt het aantal verkeersbewegingen onderbouwd, en vervolgens inzage gegeven in de doorstroom van de laadvoorziening, met bijbehorende noodzaak voor parkeerplaatsen. Er worden op de teeltlocatie 20 officiële parkeerplaatsen voorzien voor vrachtwagens. Vervolgens blijft er voldoende ruimte over als draai- en manoeuvreerruimte. Het aantal parkeerplaatsen voor personenwagens wordt dus gedurende de gefaseerde bouw opgebouwd. Het totale aantal parkeerplaatsen voor vrachtwagens (20 stuks), en het aantal laad- en losplaatsen (8 stuks) daarentegen wordt in bouwfase 1 direct aangelegd. Op basis van de te verwachte verkeersfrequentie en het benodigd aantal parkeervoorzieningen en de invulling van de verbreding van de Sprabanenweg kan worden geconcludeerd dat het thema verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor de bestemmingsplanwijziging.

4.15.2 Conclusie: Verkeer en parkeren De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering met het oog op negatieve (milieu)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

4.16 Water Het is op basis van het Bro sinds 1 november 2003 verplicht om in het kader van een ruimtelijk plan een watertoets uit te voeren. Uit deze toets dient te blijken dat het initiatief geen negatieve effecten heeft op de waterhuishouding van de omgeving. Dit houdt in dat het plan zorgt voor een juiste opvang, afvoer en berging van water. Hieronder worden de vigerende regels toegelicht.

4.16.1 Europees en nationaal beleid De Europese kaderrichtlijnen (2000/60/EG) is in 2000 in werking getreden. De kaderrichtlijn heeft als doel om de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater te waarborgen. De richtlijnen omvatten regels die waterkwaliteit chemisch en ecologisch moeten garanderen. Dit gebeurt door het stellen van doelstellingen binnen specifieke deelstroomgebieden. De Europese Kaderrichtlijn Water leidt ertoe dat EU-lidstaten een eigen beleid dienen uit te stippelen met betrekking tot grondwater, oppervlaktewater, etc.

4.16.2 Nationaal beleid Als gevolg van de Europese Kaderrichtlijn water werd in Nederland nationaal beleid gemaakt m.b.t. het vraagstuk omtrent de beoogde verbetering van waterkwaliteit. Dit leidde ten aanzien van de drinkwatervoorziening tot de Waterwet, die in werking trad op 22 december 2009. Deze waterwet had als doel om het waterbeleid ten aanzien van kwalitatief drinkwater en het waterbeleid vanuit ruimtelijk perspectief te conformeren. Verder werden de Waterschappen voorzien van extra bevoegdheden in zowel het maken van regels, als het toezichthouden hierop. De verdere ontwikkeling van beleid ten aanzien van water vanuit ruimtelijk perspectief en leefomgeving, leidde in Nederland onder meer tot het Nationaal Waterplan 2022-2027 (NWP). Het NWP 2022-2027 omvat onder andere verschillende stroomgebiedsbeheerplannen, maar omvat ook overstromingsrisicobeheerplannen en het Programma Noordzee. Het NWP bespreekt veel relevante vraagstukken omtrent waterkwaliteit, en de dynamiek tussen mens en water binnen Nederland. Het nationale beleid echter, geeft onvoldoende handvaten om een project met beperkte omvang als dat op de gepresenteerde deelgebieden aan te toetsen. Hiervoor wordt toch beter gekeken naar het waterbeleid van de lagere overheden.

© Looije Agro Technics BV, 2025

76

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

4.16.3 Provinciaal beleid De provinciale doelstellingen ten aanzien van waterbeheer en overstromingspreventie worden opgesomd in het Regionaal waterprogramma 2021-2027. De waterplannen worden opgesteld in onderlinge samenwerking met het Rijk (NWP) en de waterschappen. De waterplannen omvatten doelen met betrekking tot waterbeheer, de benodigde maatregelen, en geven aan welke instantie(s) hiervoor verantwoordelijk zijn. Sommige doelstellingen worden provincie-breed geformuleerd. Sommige doelstellingen zijn specifiek ten aanzien van specifieke gebieden binnen de provincie. Vanuit het provinciaal beleid wordt gedestilleerd dat in termen van praktische toetsing, toch het beste wordt gekeken naar het beleid van het Waterschap.

4.16.4 Waterschap Vallei en Veluwe Het waterschap Vallei en Veluwe is de wetgevende, uitvoerende en controlerende (evenals vergunningverlenende) instantie ten aanzien van de publieke waterlichamen binnen haar gebied. Het waterschap heeft dan ook als taak om toe te zien op juiste toepassing van de waterbeheerplannen. Het waterschap Vallei en Veluwe heeft hiervoor het Waterbeheerprogramma 2022-2027 opgesteld om de handvaten te creëren. Blauwe Omgevingsvisie Het waterbeheerprogramma 2022-2027 wordt aangeduid als het Blauw Omgevingsprogramma (BOP). Het BOP maakt onderdeel uit van de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI 2050) van het Waterschap Vallei en Veluwe. Hierin geeft het waterschap handvaten in het kader van nieuw te ontwikkelen ruimtelijke plannen. Binnen het BOVI staan 4 thema’s centraal, te weten: Waardevolle leefomgeving; Klimaatverandering; Circulaire economie; Energietransitie. Door deze 4 thema’s centraal te zetten, beoogt het Waterschap in het BOVI een duidelijke langetermijnvisie te houden, waarin een strategisich plan kan worden uiteengezet ten aanzien van belangrijke langetermijnvragen en -doelstellingen voor de toekomst. Op basis hiervan kan het waterschap toekomstbestendig functioneren. Waar het BOVI een richtinggevende functie vervult, vult het BOP de specifieke thema’s op meer concrete locaties in.

Zo worden er in het BOP per gebied verschillende programma’s geïntroduceerd die gekoppeld zijn aan een van de hierboven aangeduide thema’s. Deze programma’s zijn wederom ingedeeld op een van de BOP-doelen, die te maken hebben met het watersysteem, waterveiligheid, of wonen en zuiveren. Geen van deze programma’s bevindt zich op/rondom het in dit document besproken ruimtelijke plan. Het meest nabij gelegen programma betreft IJ7, de KRW-maatregelen Voorstebeek, Weteringen, Fliert en oude IJssel.

4.16.5 Algemene toepassing waterbeleid Het plan is ontworpen om rekening te houden met de vigerende regels omtrent de lokale publieke waterhuishouding.

4.16.6 Waterschapsverordening Vanaf 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening van toepassing. Hierin zijn de beleidsregels van het Waterschap Vallei en Veluwe in opgenomen. Hierin staat welke activiteiten rondom watergangen en waterstromen zijn toegestaan. Het doel hiervan is de bescherming van waterlopen en het bewaken van de waterkwaliteit.

© Looije Agro Technics BV, 2025

77

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

4.16.7 Watertoets In artikel 3.1.6 van het Bro is aangegeven dat bij een toelichting behorend bij een ruimtelijk plan een toelichting moet worden gegeven van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De relevante thema’s ten aanzien van het onderwerp water worden in de Watertoets gegenereerd. Zoals blijkt uit de watertoets, zorgt het beoogde project ervoor dat er op meerdere terreinen met het waterschap moet worden overlegd. Dit overleg betreft de volgende thema’s: Art. 4.5.1 Beleidsregels graven in, dempen en aanleg van een oppervlaktewaterlichaam; Art. 4.5.6 Beleidsregel Dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam; Art. 4.5.12 Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak (nieuw oppervlak) Art. 4.5.12 Beleidsregel Water brengen in een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak (afkoppelen). Er is inmiddels met het Waterschap contact geweest over bovenstaande zaken. De benodigde vergunningen/meldingen worden bij het waterschap aangevraagd/ingediend. De watertoetsen ten aanzien van de vier deelgebieden (verdeeld over drie watertoetsen) worden als bijlagen toegevoegd. Dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam Volgens art. 4.5.6 van het waterschap is het verboden om zonder vergunning een dam met duiker aan te leggen. Hiervoor is een melding gedaan, waarvan akte is genomen door het waterschap. 13

Figuur 51: Weergave te dempen watergangen op het plangebied uitbreidingszone. Bron: Looije Agro Technics

13 Waterschap Vallei en Veluwe, zaak nr. Z2023-06-0325, gecommuniceerd per 27-6-2023.

© Looije Agro Technics BV, 2025

78

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Dempen oppervlaktewaterlichamen Volgens artikel 4.5.1 van het waterschap is het verboden om zonder vergunning een watergang te wijzigen of aan te leggen. Om het plan te kunnen realiseren, worden er verschillende C-watergangen gedempt. Daarnaast wordt er een nieuwe watergang aangelegd. Hiervoor wordt een vergunning aangevraagd bij het waterschap. De totale inhoud van de te dempen watergangen wordt gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. De watergangen op het plangebied omvatten een gezamenlijke oppervlakte van 11.271 m³. De te dempen watergangen worden hieronder weergegeven. De samenstelling van de te dempen gracht wordt in onderstaande tabel weergegeven. De totale oppervlakte van 11.271 m² aan te dempen grachten dient volgens de keur 1-op-1 te worden gecompenseerd. Hiervoor wordt beoogd om nieuw water te graven. Er wordt nieuw water afgegraven in de volgende vormen: Een nieuwe watergang langs de toekomstige kas; Een nieuw waterlichaam ten behoeve van de landschappelijke inpassing. De totale oppervlakte van deze twee nieuwe oppervlaktewaterlichamen bij elkaar betreft ca. 1,6 ha aan wateroppervlak. De aanvrager zorgt hiermee voor ruim voldoende compensatie oppervlaktewater ten aanzien van de te dempen 11.221 m². Nr.

Code 1 WL-2255 2 WL-69320 3 WL-69323 4 WL 69330 5 WL-69346 6 WL-69347 7 WL-69348 8 WL-69349 9 WL-69350 10 WL-69351 11 WL-72057 12 WL-75418 13 WL-103473 14 WL-106960 Totaal

Status C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang C-watergang

Oppervlakte te dempen watergang (m²) 1.386 78 715 437 371 595 294 711 998 201 2.173 1.854 90 1.368 11.271 m²

Tabel 5: Weergave te depmen watergangen met een totaal te dempen (en dus te compenseren) oppervlakte. Bron: Looije Agro Technics.

Naast het feit dat de te dempen sloten ruimschoots worden gecompenseerd, dient er ook voor te worden gezorgd dat dit nieuwe wateroppervlaktewater aan het bestaande watersysteem wordt gekoppeld. Hierin wordt ook voorzien. Zoals gesteld bestaat het compensatiewater uit twee oppervlaktewaterlichamen, namelijk het waterlichaam ten behoeve van landschappelijke inpassing, en een nieuw aan te leggen sloot. De nieuwe ‘vijver’ ten behoeve van landschappelijke inpassing (#1 op onderstaande figuur), en de nieuw aan te leggen sloot (#2 op onderstaande figuur) staan in de beoogde situatie met elkaar in contact. De beide oppervlaktewaterlichamen worden via een aansluiting op een bestaande sloot (#3 op onderstaande figuur), met code OWL-31-45. Deze mondt vervolgens uit in de Marssloot (#4 op onderstaande figuur). Dit systeem voorziet in zowel afdoende compensatie in te dempen watergangen, en voor een goede en permanente aansluiting op het bestaande systeem. De vijver als aangeduid in 1 kent volgens het huidige landschapsintegratieplan een oppervlakte van ruim 1,5 ha. Tel hierbij op de nieuw aan te leggen sloot, dan komt de totale oppervlakte voor compensatie op ca. 1,6 ha.

© Looije Agro Technics BV, 2025

79

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Figuur 52: Weergave aansluiting compensatie-oppervlakte aan bestaande watersysteem. Bron: Looije Agro Technics, op basis van leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe.

Water lozen vanaf nieuw verhard oppervlak Volgens artikel 4.5.12 van het waterschap is het verboden om zonder vergunning water te brengen in een oppervlaktewater. Als gevolg van de toename verhard oppervlak wordt er water in de nieuw te graven watergang geloosd. Aangezien de hemelwaterbassins alle hemelwater van de toename verhard oppervlakte opvangen, dient er geen retentieleiding te worden voorzien. Er is immers sprake van statische retentie. Wel wordt er een noodoverstort gerealiseerd die voorkomt dat het bassin, in het uitzonderlijke geval van een langdurige stortbui, niet overstroomt. Deze noodoverstort loost het overtollige water in de nieuw te graven vijver, die in directe verbinding staat met de nieuw te graven watergang en het water vervolgens kan afvoeren. Voor deze lozing wordt een vergunning aangevraagd. Toename verhard oppervlak Volgens artikel 4.5.12 van het waterschap is het verbodem on zonder vergunning water te brengen in een oppervlaktewaterlichaam vanaf nieuw verhard oppervlak. Het beoogde ruimtelijke plan zorgt voor een toename in verhard oppervlak >1.500 m². Dit houdt in dat er rekening moet worden gehouden met de normen die in de keur (art. 4.5.12) worden gesteld. Herin staat dat er per m² toename verhard oppervlak een berging moet worden gerealiseerd van 60 mm. Dit leidt tot een berging van 600 m³ per hectare toename verhard oppervlak.

Volgens de keur mag deze berging statisch zijn (i.e. geen knijpleiding). Hierin wordt voorzien. In de onderstaande tabel een overzicht van de beoogde verharding(en). Het totaal aan verhardingen betreft ca. 22,5 ha. Dit zou leiden tot de noodzaak van (22,5 * 600=) 13.500 m³ waterberging. De aanvrager beoogt op locatie drie bassins te plaatsen met een totaal van ca. 56.000 m³. Deze berging overschrijdt de norm ruimschoots. De geplande statische berging voldoet daarmee aan de norm. De toename kan hiermee worden toegestaan.

© Looije Agro Technics BV, 2025

80

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Nr. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Bedrijfsgebouw Deelgebouw Kas Teeltruimte I Kas Teeltruimte II Kas Corridor Subtotaal kas Bedrijfsgebouwen Loods Bedrijfsgebouwen Kantoor Bedrijfsgebouwen Opslag potgrond Bedrijfsgebouwen WTR Subtotaal bedrijfsgebouwen Bassins Bassin I Bassins Bassin II Bassins Bassin III Subtotaal bassins Totaal verharding (dak + bassins)

Opp. (m²) 76.800 113.664 5.376 198.960 3.500 630 480 2.640 4.130 1.200 11.600 8.120 20.920 224.010

Tabel 6: Weergave toename verhard oppervlak. Bron: Looije Agro Technics.

4.16.8 Toepassing bassins Zoals reeds besproken, wordt er in de beoogde situatie gebruik gemaakt van hemelwaterbassins voor de opvang van hemelwater. Hieronder wordt kort toegelicht hoe deze hemelwaterbassins in het kader van de aanvraag functioneren. In totaal zijn er drie hemelwaterbassins gepland. Deze hemelwaterbassins staan ten dienste van de nieuw te bouwen kassen, en kennen een totaal volume van 57.840 m³. De bassins staan ten dienste van de nieuw te bouwen kassen (ca. 20 ha kas), maar ook voor de bestaande kas die zich bevindt aan de Hoveniersweg 18. Deze kas van ca. 2,6 ha wordt momenteel voorzien van gietwater dat wordt opgeslagen in bestaande bassins. Maar deze bestaande bassins worden met het oog op de bouwwerkzaamheden verwijderd. De overige teeltoppervlakte van ca. 1,5 ha is voorzien van een separaat hemelwaterbassin. Deze wordt niet verwijderd. Hieraan wordt dus niets gewijzigd. De opvang en gebruik van deze 1,5 ha functioneert dus geheel separaat van de nieuwe kas van 20 ha en de bestaande kas van 2,6 ha.

Figuur 21: Weergave nieuw aan te leggen bassins, met bijbehorende teeltoppervlaktes. Bron: Looije Agro Technics.

© Looije Agro Technics BV, 2025

81

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

De bassins worden gevuld met hemelwater dat o.a. op alle nieuwe dakoppervlak valt. Dit betreft de nieuwe kas (198.960 m²), de bedrijfsgebouwen (4.130 m²), maar ook de nieuwe hemelwaterbassins (20.920 m²). Verder wordt ook alle hemelwater dat op de bestaande kas van 2,6 ha valt, naar deze nieuwe bassins geloosd. De nieuw aan te leggen bassins worden aan elkaar gekoppeld, zodanig dat deze functioneren als communicerende vaten. Dit houdt in dat de waterniveaus in alle bassins altijd even hoog moet zijn. Dit betekent ook dat het totale volume van de bassins groter is dan de cumulatieve volumes, vanwege het leidingstelsel waarin ook permanent water in kan staan. Van alle hemelwater dat op de bedrijfsgebouwen valt, zal naar verwachting ca. 90% als gietwater voor de teelt kunnen worden toegepast. De overige 10% zal voor, tijdens, of na het afvoeren naar de bassins verloren gaan. Dit kan gebeuren als gevolg van het overstromen van de opvanggoten, evaporatie, of omdat er sprake is van minimale regenval. In het geval van hoosbuien kunnen de goten van de kas overstromen, maar dit zal slechts incidenteel gebeuren. De goten worden immers zodanig gedimensioneerd dat het verlies wordt geminimaliseerd. Aangezien de nieuw aan te leggen bassins tevens gelden als statische retentiewaterhouders, worden de bassins niet voorzien van een knijpleiding.

Dit betekent dat alle hemelwater dat in het bassin wordt opgeslagen ten dienste van het glastuinbouwbedrijf komt te staan. De afwezigheid van een knijpleiding echter, kan er ook voor zorgen dat het bassin helemaal vol komt te staan. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer er sprake is van een teeltwissel, en er weinig water in de kas wordt gebruikt. Dit in combinatie met hevige regenbuien zou ervoor er in theorie toe kunnen leiden dat het bassin volstroomt. Om te voorkomen dat de bassins overstromen, worden de bassins daarom voorzien van een noodoverstort. Dit zijn leidingen met een grote diameter die alle extra water boven de bovenste waterlijn afvoeren, en in een nabijgelegen oppervlaktewaterlichaam lozen.

4.16.9

Hydrologisch onderzoek

In het kader van het voorliggend plan werd er een hydrologisch onderzoek en een geohydrologisch onderzoek opgemaakt door een erkend hydroloog. Hierin is bekeken of de beoogde plannen negatieve effecten hebben op het watersysteem dat zich in de omgeving bevindt. Uit het geohydrologisch onderzoek is naar voren gekomen dat er peilbuizen dienen te worden geplaatst met het oog op het in kaart brengen van de evt. effecten van de grondwaterstand. Op basis hiervan zijn peilbuizen geplaatst, en is het grondwaterniveau in kaart gebracht. Uit het hydrologisch rapport is niet gebleken dat het plan negatieve effecten heeft op het omliggende watersysteem. De onderzoeken zijn als bijlagen aan het dossier toegevoegd.

4.16.10

Waterbergingsgebieden

Met het oog op Hoofdstuk 5 uit de keur Waterschap Vallei en Veluwe is er gekeken naar de wijze waarop en evt. hoe de bestaande bergingsgebieden in het gebied zouden worden aangetast. Volgens de leggerkaart is er momenteel echter in het gebied geen sprake van bergingsgebieden. Er worden dan ook geen bergingsgebieden aangetast. De nieuwe zone rondom de ‘vijver’ kan evt. als bergingsgebied worden aangeduid. Watertoets deelgebieden 2 Ter hoogte van deelgebieden 2A, 2B, en 2C worden er geen werken gedaan aan bestaande of nieuwe watergangen. Er bevinden zich geen watergangen op de percelen waarop de bestaande kassen zich bevinden. Ook worden er geen nieuwe watergangen gegraven, dammen aangelegd, gewijzigd of verbreed. Ten aanzien van deze deelgebieden kan dan ook worden gesteld dat de beoogde bestemmingswijziging door de watertoets niet wordt belemmerd.

© Looije Agro Technics BV, 2025

82

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Dit wordt extra evident als blijkt dat er zich rondom de deelgebieden er geen watergangen bevinden die door het Waterschap worden gecategoriseerd als zijnde watergangen. Dit wordt op onderstaande figuur weergegeven.

Figuur 53: Weergave aanduiding deelgebieden 2A, 2B en 2C op leggerkaart Waterschap Vallei en Veluwe. Bron: Looije Agro Technics, op basis van Waterschap Vallei en Veluwe.

4.16.11

Conclusie waterparagraaf

Vanwege de richtlijnen van het waterschap is een watervergunning vereist voor de beoogde plannen. Uit bovenstaande blijkt dat de vergunningsaanvraag voor een watervergunning zou moeten kunnen worden verleend. De beoogde plannen hebben een impact op het bestaande watersysteem, maar er wordt voldoende rekening gehouden met de bestaande mogelijkheden om te compenseren. De aanvrager beoogt ruim te compenseren in de hoeveelheid wateroppervlak dat wordt gedempt. Daarnaast wordt er voorzien in voldoende statische berging om de toename van het verharde oppervlak te compenseren. Ook wordt er afdoende rekening gehouden met de connectie tussen bestaande en nieuwe oppervlaktewaterlichamen. Daar de nieuwe vijver en de nieuwe watergang langs de toekomstige kas wordt er ingezet op juist en afdoende afvoer. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd het aspect water geen belemmering vormt met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

4.17 Conclusie milieu en omgevingsaspecten Zoals uit bovenstaande paragrafen is gebleken, is er geen enkel aspect dat een belemmering vormt met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er geen m.e.r.-beoordeling dient te worden opgemaakt voor de beoogde bestemmingsplanwijziging.

© Looije Agro Technics BV, 2025

83

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

5 Juridische uitgangspunten De voorgeschreven regels in dit plan zijn uitsluitend opgenomen, indien dit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke inrichting van het plangebied noodzakelijk is. Het juridisch-bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels dienen te worden begrepen in samenhang met de verbeelding. De planregels zijn onderverdeeld in 10 hoofdstukken, met diverse bijlagen: Hoofdstuk 1 omvat de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2 omvat de functies m.b.t. agrarische toepassing; Hoofdstuk 3 omvat de functie(s) m.b.t. bedrijvigheid; Hoofdstuk 4 omvat de functies m.b.t. infrastructuur; Hoofdstuk 5 omvat de functie(s) m.b.t. natuur/groen; Hoofdstuk 6 omvat de functie(s) m.b.t. wonen; Hoofdstuk 7 omvat de gebiedskwaliteiten m.b.t. archeologie; Hoofdstuk 8 omvat de gebiedskwaliteit(en) m.b.t. landschap; Hoofdstuk 9 omvat de regels m.b.t. energie; Hoofstuk 10 omvat de regels m.b.t. leidingen; Hoofdstuk 11 omvat algemene regel(s)/aanduidingsregels; Hoofdstuk 12 omvat algemene regels/bouwen; Hoofdstuk 13 omvat algemene regels/flexibiliteit; Hoofdstuk 14 omvat algemene regel(s)/gebruik; Hoofdstuk 15 omvat algemene regel(s)/milieuregels; Hoofdstuk 16 omvat algemene regels/uitvoering werkzaamheden; Hoofdstuk 17 omvat algemene regels/verblijfsgebied Hoofdstuk 18 omvat de regels m.b.t. het overgangsrecht.

5.1 Functiewijzigingen Dit bestemmingsplan maakt het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant mogelijk. Het bestemmingsplan voorziet in de navolgende wijzigingen van functies, gebiedsaanduidingen en functieaanduidingen.14 Agrarisch Om de glastuinbouw in de deelgebieden 2A/2B/2C destijds mogelijk te maken werd de functieaanduiding Kas toegevoegd. Het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant voorziet erin dat de kassen binnen de deelgebieden 2A/2B/2C worden wegbestemd. Dit wordt vormgegeven door op deze gronden de functie Agrarisch uit het Omgevingsplan te leggen, uiteraard zonder de functieaanduiding kas. Hiermee is uitvoering gegeven aan het zogeheten ‘wegbestemmen’ van de glastuinbouwfunctie. Agrarisch – Glastuinbouw Voor die gronden waarop de uitbreiding en schaalvergroting van Wimaplant voorzien is, is de functie Agrarisch – Glastuinbouw gelegd. Voor de bestemmingsomschrijving is aansluiting gevonden bij het Omgevingsplan Landelijk Gebied (vastgesteld op 4 juli 2022). Voor zover noodzakelijk en gewenst zijn de planregels geactualiseerd.

14

Er is getracht de terminologie ‘functies’ aan te houden waar mogelijk. In sommige situaties, dient echter de term ‘bestemming’ te worden gebruikt, bijvoorbeeld wanneer er wordt verwezen naar het onderliggende plan Landelijk Gebied.

© Looije Agro Technics BV, 2025

84

Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0

Bedrijven Voor die gronden waarop de functie bedrijven van toepassing is. Dit geldt voor de twee locaties aan de Voorste Overmarsweg. Verkeer De functie verkeer wordt geplaatst ter hoogte van de verbreding van de sprabanenweg. Water Voor de watergangen binnen deelgebied 1 waarvoor in het ‘Omgevingsplan Landelijk Gebied’ de functie water gold, is voor zover mogelijk deze functie ook in de voorliggende bestemmingsplanwijziging herhaald. Voor de watergang aan de noordoostzijde van de nieuwe glastuinbouwbestemming die onderdeel uitmaakt van de plannen van Wimaplant is eveneens de functie Water toegepast. Deze watergang wordt overigens op vrijwillige basis door Wimaplant als Water bestemd. Het is gebruikelijk om in bestemmingsplannen alleen watergangen met een A- of B-status bescherming in het bestemmingsplan te geven. De betreffende watergang aan de noordoostzijde van de nieuwe glastuinbouw functie heeft een C-status. Groen Voor alle gronden waarvoor landschappelijke inpassing is voorzien (waaronder begrepen ook waterberging ten behoeve van waterschap Vallei en Veluwe), is aansluiting gevonden bij de bestemming Groen zoals die ook voorkomt in het ‘Omgevingsplan Landelijk Gebied’. Wonen In deelgebied 2B is een bedrijfswoning gelegen die onderdeel uitmaakt van het glastuinbouwbedrijf aldaar.

Onderdeel van het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant is dat het glastuinbouwbedrijf in deelgebied 2B wordt gesaneerd, waardoor een losse bedrijfswoning (zonder) bedrijf overblijft. Deze woning wordt krijgt in dit voorliggende bestemmingsplan de functie Wonen. Waarde – Archeologie lage verwachtingswaarde Op die plaatsen waar in het vigerende ‘Omgevingsplan Landelijke Gebied’ sprake is van de bestemming Waarde – Archeologie lage verwachting is deze bestemming herhaald. Waarde – Archeologie middelhoge verwachtingswaarde Op die plaatsen waar in het vigerende ‘Omgevingsplan Landelijke Gebied’ sprake is van de bestemming Waarde – Archeologie middelhoge verwachting is deze bestemming herhaald. Waarde – Kronkelwaarden De bestaande waarde/ dubbelbestemming Kronkelwaarden blijft van toepassing. Leiding – Gas In de Sprabanenweg ligt een hogedruk gasleiding die in beheer is bij de Gasunie. Deze gasleiding heeft in het huidige ‘Omgevingsplan Landelijke Gebied’ op basis van het besluit buisleidingen bestemmingsplanmatig bescherming gekregen in de vorm van de dubbelbestemming Leiding – Gas.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=95f90639-1517-4b32-838a-b24a1bd2a986