1106916 - Bijlage 3 - Toelichting bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord
Tekst van het document
40
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
• Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging sluit naadloos aan bij de duurzame visie van het Nationaal Omgevingsvisie (NOVI). Het plan omvat verschillende essentiële pijlers op het gebied van duurzaamheid en een toekomstgerichte visie. Allereerst omvat het de constructie van een technologisch hoogstaande, duurzamere kas die specifiek is ontworpen om energiezuinig te telen. Ter verduidelijking: De aanvrager beoogt om zonder gas te telen, en volledig gebruik te maken van hernieuwbare energie voor de verwarming van het teeltareaal. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in relatief grote hemelwateropvang, met als doel om negatieve effecten van waterlozing te minimaliseren. Dit sluit perfect aan bij het belang van klimaatadaptatie en energietransitie. Ten aanzien van het economische groeipotentieel, wordt hierbij herhaald dat de beoogde kas in fasen wordt gebouwd. De aanvrager zal in 4 fasen over de komende jaren de beoogde kas bouwen, afhankelijk van de sterkte van de groei van zijn bedrijf. Daarnaast zal de beoogde investering leiden tot een toename van werkgelegenheid in de regio. Dit is een belangrijk aspect in de duurzame ontwikkeling van de lokale gemeenschap, waarbij Wimaplant een positieve bijdrage levert aan de sociaaleconomische situatie in de omgeving.
Het plan doet niet veel met het oog op sterke en gezonde steden, maar zorgt wel voor een meer leefbare regio in De Hoven Noord. Door clustering van glastuinbouw in deze regio, worden de economische mogelijkheden gebundeld, en worden de mogelijke negatieve effecten geplaatst buiten de woonzone De Hoven Noord. Bovendien wordt er door de ontwikkeling ruimte gecreëerd voor de bouw van nieuwe woonwijken. Verder wordt er veel aandacht besteed aan het landschappelijk inpassen van de kassen. Door middel van uitgebreide groene ingrepen aan de noord- en oostzijde van de kas, zal het landschap glastuinbouw worden afgeschermd door middel van de landschappelijke inpassing. Voor zover een relatief kleinschalig initiatief (vanuit nationaal perspectief gezien althans) kan worden beoordeeld op nationaal beleid, lijkt het evident dat het plan aan de vier prioriteiten voldoet.
3.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk de doelen, belangen en opgaven tot 2028, en de ambities tot 20404. Het rijk heeft hierbij gekozen voor een bewust adagium ‘decentraal, tenzij … ‘en heeft daarmee gekozen voor slechts 13 nationale belangen. Een van de nationale belangen (nationaal belang 10) behandelt specifiek de ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. De daadwerkelijke uitvoering en de mogelijke invloed hiervan op een beleidsplan wordt verder uitgewerkt in de Barro, artikel 2.13.4 (provinciale verordening). De SVIR gaat uit van het belang van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en het creëren van een evenwichtige leefomgeving. Dit bestemmingsplan draagt hieraan bij door te voorzien een evenwichtig concentratie- en schaalvergrotingsplan.
4
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig, Ministerie van infrastructuur en Milieu, maart 2012, P. 9
© Looije Agro Technics BV, 2025
41
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Daarnaast is dit plan in overeenstemming met de SVIR wat betreft het bevorderen van een efficiënt ruimtegebruik en het benutten van bestaande locaties. De concentratie van de glastuinbouw aan de meest westelijke zijde van de Hoveniersweg en de noordelijk gelegen percelen draagt bij aan het verminderen van versnippering van het landschap en het zorgvuldig benutten van ruimte. Bovendien past dit bestemmingsplan binnen het streven van de SVIR om een goede balans te vinden tussen economische ontwikkeling, leefbaarheid en bescherming van natuur en landschap. Het plan voorziet o.a. in groenvoorzieningen en de versterking van ecologische waarden. Hierdoor wordt de leefbaarheid in het gebied vergroot en wordt de natuurlijke omgeving beschermd en versterkt. Het is derhalve aannemelijk dat dit bestemmingsplan voldoet aan de SVIR door te zorgen voor een concentratie- en schaalvergrotingslocatie voor Wimaplant, een efficiënt ruimtegebruik en een evenwichtige ontwikkeling die rekening houdt met economische, sociale en ecologische belangen. Het initiatief dat door middel van dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt draagt bij aan de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Nederland zoals beoogd in de nationale beleidsvisie
3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden de ruimtelijk regels ten aanzien van de beleidsthema’s die volgens het SVIR ruimtelijk worden weergegeven, verankerd. Het Barro is (gedeeltelijk) in werking getreden op 30 december 2011 en is sindsdien aangevuld op 1 oktober 2012. Zoals gezegd, is het Barro de juridische verankering van de in SVIR gestelde doelstellingen in RO die door de rijksoverheid worden uitgewerkt. Kort gezegd omvat het Barro de concrete regels ten aanzien van de nationale beleidsthema’s die onder het SVIR vallen. Het besluit heeft onder andere als doel om de nationale belangen door te laten werken in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit omvat onder andere het Nationale Natuurnetwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Het voorgenomen plan valt verder binnen het bereik van een van de aangewezen nationale belangen zoals vastgelegd in het Barro. Eventuele te beschermen archeologische belangen worden geborgd doordat ten behoeve van het plan archeologisch onderzoek is uitgevoerd (ter hoogte van de functie Agrarisch – Glastuinbouw) en voor het overige deel van het plangebied blijft de archeologische bescherming door middel van de functie ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ in voldoende mate beschermd. Het Barro heeft verder geen gevolgen voor het huidige plan.
3.1.4 Ladder duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening Bro is de plicht tot 'motivering duurzame verstedelijking' opgenomen. Met de wijziging is de tot dat moment gangbare ‘Ladder voor verstedelijking’ uit het Bro nader ingevuld. De Ladder was van toepassing op plannen die leiden tot een nieuwe stedelijke functie, zoals woningbouw, bedrijventerreinen of winkelgebieden. Het principe achter de Ladder voor Verstedelijking was om onnodige leegstand en versnippering van stedelijk gebied te voorkomen en een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe ontwikkelingen. Het stimuleerde het benutten van bestaand stedelijk gebied en het voorkomt dat er onnodig nieuw ruimteinname plaatsvindt. Per 1 juli 2017 zijn een aantal wijzigingen op de eerdere ladder van kracht geworden. Op basis van deze gewijzigde tekst geldt dat in het geval het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dat de toelichting van dat betreffende bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
© Looije Agro Technics BV, 2025
42
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte tevens een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen. Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Volgens de ladder duurzame verstedelijking dient een toelichting op een ruimtelijk plan dat onder één van bovenstaande categorieën thuishoort, toe te lichten waarom het project niet in stedelijk gebied plaatsvindt. Met het oog op efficiënt ruimtebeleid dient er immers voornamelijk stedelijk grondgebied te worden gebruik voor (her)bouwprojecten. Dit om te voorkomen dat er nieuwe grond wordt gebruikt voor bouwprojecten die ook binnen stedelijk gebied plaats zouden kunnen vinden. Het ruimtelijk plan waarvan hier sprake is, betreft de concentratie en schaalvergroting van een (glas)tuinbouwbedrijf. Er is hier geen sprake van de aanleg van een (nieuw) bedrijfsterrein. Het betreft een bedrijfsuitbreiding.
De aanvraag valt evenmin onder één van de overige categorieën die in het beleid zijn weergegeven. Een uitgebreide toelichting waarom het project niet in stedelijk gebied plaats zou kunnen vinden, is derhalve niet noodzakelijk. Hiermee kan worden gesteld dat het plan het beleid van de ladder duurzame verstedelijking geen belemmering is voor het uitvoeren van het ruimtelijk plan. Daarnaast kan worden gesteld dat er in het kader van ruimtegebruik wel sprake is van clustering van de glastuinbouwfunctie. Waar deze momenteel op verschillende kavels is verdeeld, wordt glastuinbouw in de beoogde situatie geclusterd. Dit is een meer efficiënte vorm van ruimtegebruik, en bovendien in overeenstemming met het gemeentelijk en provinciale beleid (zie onderstaande paragrafen) waarin clustering van glastuinbouw ruimtelijk wordt nagestreefd. De bestaande kassen worden over tijd immers gesloopt (1 en 3 jaar), terwijl de nieuwe kassen geconcentreerd/geclusterd worden. Dit zorgt voor een duidelijkere scheiding tussen woning/groen/agrarisch (glastuinbouw) in de omgeving.
3.1.5 Conclusie toetsing nationaal ruimtelijk beleid Het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant dat de basis vormt voor de onderhavige bestemmingsplanwijziging is in lijn met nationaal beleid.
3.2 Provinciaal beleid ruimtelijke ordening In deze paragraaf wordt de voorliggende bestemmingsplanwijziging belicht vanuit provinciaal perspectief. Daarbij worden de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland belicht.
3.2.1 Gaaf Gelderland In de omgevingsvisie Gaaf Gelderland wordt er een toekomstvisie geschetst van de provincie Gelderland. In deze toekomstvisie staat de wens tot een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De twee hoofddoelen die in Gaaf Gelderland worden benoemd zijn (1) de realisatie van een duurzame economische structuur, en (2) het zich verzekeren van een kwalitatief hoogstaande en veilige leefomgeving. Deze twee doelstelling dienen te worden gerealiseerd aan de hand van zeven ambities, elk samenhangend met een specifiek thema, dat hieronder is onderstreept: • Het inzetten op energietransitie, van fossiel naar duurzaam; • Het voorbereiden op veranderende klimaatomstandigheden door klimaatadaptatie; • Het sluiten van kringlopen door middel van een circulaire economie; • Het behoud van de bestaande biodiversiteit;
© Looije Agro Technics BV, 2025
43
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
• Het zorgen voor duurzame verbondenheid door effectieve bereikbaarheid; • Het investeren in een goed economisch vestigingsklimaat; • Het meedenken over een goed woon-en leefklimaat. Ten aanzien van elke ambitie wordt kort uiteengezet welke ambities de provincie op dit thema heeft. Er wordt in de omgevingsvisie per ambitie in enkele bullet-points aangehaald voor welke aanpak bij de betreffende ambitie is gekozen. Daarnaast omvat de omgevingsvisie per ambitie een visieschets waarin wordt aangeduid op welke locaties de prioriteit ligt ten aanzien van het specifieke thema dat in de schets wordt aangeduid. Energietransitie Wimaplant ambieert om zowel het bestaande bedrijf alsook de nieuwe uitbreiding zo duurzaam mogelijk te realiseren en laten functioneren. Wimaplant kan worden beschouwd als duurzaam op het gebied van energietransitie om verschillende redenen. Allereerst heeft het bedrijf geïnvesteerd in de bouw van een nieuwe, duurzamere kas die is ontworpen om energiezuinig te telen. Door moderne technieken, zoals luchtbehandeling, energieschermen en polycarbonaat gevels, toe te passen, minimaliseert Wimaplant het energieverbruik en de CO2-uitstoot. Bovendien heeft het bedrijf strategisch gebruik gemaakt van zonne-energie door zonnepanelen te plaatsen op verschillende locaties, zoals de verpakkingsloods, waterbehandelingsruimte en potgrondopslag.
Ook de kasconstructie, het werkpad en de hemelwaterbassins zijn voorzien van zonnepanelen. Hierdoor maakt Wimaplant optimaal gebruik van hernieuwbare energiebronnen en vermindert het de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Door deze duurzame aanpak op het gebied van energietransitie toont Wimaplant haar inzet voor milieubewuste productie en verantwoordelijkheid voor het verminderen van de ecologische voetafdruk. Dit bevordert niet alleen de concurrentiepositie van het bedrijf, maar draagt ook bij aan een meer duurzame en groene toekomst voor de glastuinbouwsector als geheel. Klimaatadaptatie Het beoogde plan speelt in op de toenemende droogte en hoosbuien die steeds vaker voorkomen als gevolg van klimaatverandering. Er zijn verschillende maatregelen opgenomen om hiermee rekening te houden en duurzaamheid te bevorderen. Een belangrijke focus ligt op het omzetten van zonnestraling in energie door het gebruik van zonnepanelen, waardoor het energieverbruik van het glastuinbouwbedrijf wordt verduurzaamd. Om de waterbronnen te sparen, wordt gestreefd naar maximale opvang van hemelwater, dat vervolgens kan worden hergebruikt voor de teelt. Hierdoor is er geen noodzaak om grondwater te onttrekken. Een wadi wordt geïntegreerd in het plan om overtollig hemelwater af te voeren en wateroverlast te voorkomen.
De implementatie van moderne teelttechnieken in de kas zorgt voor een efficiënter warmteverbruik en minimaliseert energieverlies. Dit draagt bij aan een verhoogde duurzaamheid en kostenbesparing voor het bedrijf. Buiten de directe bedrijfsactiviteiten wordt er ook aandacht besteed aan de omgeving. Er wordt geïnvesteerd in herinrichting met groenzones en watervoorzieningen om een harmonieus landschap te creëren en bij te dragen aan de biodiversiteit.
© Looije Agro Technics BV, 2025
44
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Kortom, het beoogde plan omvat een breed scala aan duurzame maatregelen die rekening houden met klimaatverandering en milieubescherming. Door in te zetten op hernieuwbare energie, efficiënt waterbeheer en groene inrichting, positioneert het glastuinbouwbedrijf zich als een voorbeeld van duurzaamheid in de sector. Circulaire economie Het is in de glastuinbouw van oudsher gebruikelijk om in te zetten op circulaire principes. Zo wordt energieverlies voorkomen door een recht stramien aan te houden (extra hoeken zorgen voor verlies aan warmte), een minimaal aantal deuren toe te passen, en het gebruik van restwarmte. Naast investeren in het beperken van energieverlies wordt er ingezet op een circulaire waterhuishouding. Van alle gietwater dat teveel aan de planten wordt gegeven, zal het deel wat niet door de planten wordt opgenomen worden opgevangen en opnieuw worden gebruikt. Met het oog op de circulaire economie wordt er relatief weinig gebruik gemaakt van eenmalig gebruiksmateriaal. Het transport vindt plaats in herbruikbare karren; Het gebruiksmateriaal wordt geleverd op duurzame pallets; Voor de planten wordt circulaire potgrond gebruikt en ook de plastic potjes waar de planten in worden gezet, zijn gemaakt van restafval. En voor intern vervoer wordt er geen gebruik gemaakt van verbrandingsmotoren, maar louter elektrisch materieel, dat duurzaam wordt opgeladen.
Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van restwarmte uit de kas om de kantine en kantoren te verwarmen. Biodiversiteit In de groene zone rondom het nieuw op te richten glasopstanden wordt ingezet op verschillende maatregelen om de biodiversiteit te bevorderen zoals het aan het aanplanten van nieuwe houtopstanden en het creëren van kruidenrijk grasland. Deze maatregelen dragen bij aan het behoud en de versterking van de flora en fauna in de omgeving. Het behoud en bevorderen van biodiversiteit in het plangebied zijn van essentieel belang om de ecologische waarde van het gebied te waarborgen en een evenwichtige co-existentie tussen het bedrijf en de natuur te bevorderen. Bereikbaarheid Naast de investeringen in het glastuinbouwbedrijf en de omliggende groenzone(s), wordt door de gemeente Zutphen voorzien in reconstructie en opwaardering van de toegangsweg naar het de concentratie- en schaalverbredingslocatie. Op de locatie zelf wordt ruime en veilige parkeer- en laaden losgelegenheid gecreëerd. Deze verbeteringen zorgen voor een goede bereikbaarheid. Vestigingsklimaat Het concentratie- en schaalvergrotingsplan getuigt van een logisch vestigingsklimaat vanwege de strategische aanpak om alle productie- en verwerkingsactiviteiten op één locatie samen te brengen.
Door het samenvoegen van de activiteiten op één grotere locatie kan Wimaplant efficiënter werken, kosten besparen en synergievoordelen realiseren. Bovendien worden er duurzame maatregelen geïmplementeerd, zoals energiezuinige teelttechnieken en het gebruik van zonne-energie, waardoor het bedrijf toekomstbestendig is en haar ecologische voetafdruk verkleint. De investeringen in het wegennetwerk, veilige parkeervoorzieningen en sociale faciliteiten dragen bij aan een betere bereikbaarheid en een gezonde werkomgeving. Dit alles creëert een aantrekkelijk en gunstig klimaat voor de verdere groei en ontwikkeling van Wimaplant.
© Looije Agro Technics BV, 2025
45
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Woon-en leefomgeving Het concentreren van de schaalvergrotingsambities van Wimaplant op één locatie en het buiten gebruik stellen van de kassen in de deelgebieden 2A, 2B en 2C heeft een positieve impact, vooral op het woon- en leefklimaat. Zodra de kassen in deze deelgebieden niet meer in gebruik zijn, zullen er vanzelfsprekend geen verkeersbewegingen meer plaatsvinden naar die specifieke locaties. Dit resulteert in aanzienlijke voordelen op het gebied van milieuaspecten en verkeersveiligheid. Het beëindigen van de activiteiten in de deelgebieden 2A, 2B en 2C vermindert de verkeersdrukte, waardoor de luchtkwaliteit verbetert en geluidsoverlast wordt verminderd, wat het woon- en leefklimaat ten goede komt. Bovendien resulteert het in minder CO2-uitstoot ter plaatse en draagt het buiten gebruik nemen van de kaslocaties in de deelgebieden 2A, 2B en 2C bij aan het verminderen van de ecologische voetafdruk van het Wimaplant. De concentratie van de bedrijfsactiviteiten op één locatie zorgt voor een meer efficiënt gebruik van grondstoffen, wat gunstig is voor duurzaamheid en milieubehoud. Door de verkeersbewegingen te verminderen, wordt ook de verkeersveiligheid vergroot, waardoor de kans op ongevallen afneemt.
Het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant leidt tot een verbeterd woon- en leefklimaat in de nabijgelegen woongebieden, terwijl het tegelijkertijd positieve milieuen verkeersveiligheidseffecten oplevert. Het concentreren van de schaalvergroting op één locatie is dus een verstandige keuze die bijdraagt aan een duurzame en leefbare omgeving. Op basis van alles wat hierboven beschreven staat, is aannemelijk dat het concentratie- en schaalvergrotingsplan en deze daarvoor bedoelde bestemmingsplanwijziging in overeenstemming met de Omgevingsvisie van de Provincie Gelderland is.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Met de omgevingsverordening Gelderland worden de regels ten aanzien van de ruimte, of leefomgeving binnen de provincie. Op het moment van schrijven is de omgevingsverordening van januari 2023 van kracht binnen de Gelderse grenzen. Volgens deze verordening maakt het plangebied waarop de uitbreiding gepland is onderdeel uit van een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Dit provinciale glastuinbouwontwikkelingsgebied wordt in onderstaande figuur weergegeven. In de planregels behorend bij de omgevingsverordening wordt een afdeling gewijd aan de (nieuw)bouw van glastuinbouwbedrijven. Uit art. 5.77 van het ontwerp Omgevingsverordening 2024 blijkt dat een omgevingsplan nieuwvestiging of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven met een oppervlakte van 2 ha of meer, slechts toestaan binnen een glastuinbouwontwikkelingsgebied. De beoogde ontwikkeling betreft een nieuwvestiging/uitbreiding met een oppervlakte groter dan 2 ha. Aangezien er hier sprake is van een glastuinbouwontwikkelingsgebied, wordt deze ontwikkeling door de omgevingsverordening toegestaan. De onderhavige bestemmingsplanwijziging is dus in overeenstemming met de vigerende omgevingsverordening.
3.2.3 Conclusie provinciaal beleid op het beoogde plan De clustering past binnen de regels van de Omgevingsverordening van provincie Gelderland, waarbij in dit bestemmingsplan de nadere ligging van de clustering met de benodigde functies met het behoud van het glastuinbedrijf langs de Weg naar Voorst en de landschappelijke inpassing nader is onderbouwd. Met provincie Gelderland is deze situering afgestemd en op het ontwerpbestemmingsplan is geen reactie ontvangen.
© Looije Agro Technics BV, 2025
46
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
3.3 Gemeentelijk beleid ruimtelijke ordening In deze paragraaf wordt het bestemmingsplan bezien in relatie tot de intergemeentelijke structuurvisie en de gemeentelijke structuurvisie ‘Noordrand de Hoven’.
3.3.1 Intergemeentelijke structuurvisie Middengebied IJssel sprong In de kaart5 van de intergemeentelijke structuurvisie Middengebied IJsselstroom (vastgesteld op 10 maart 2014) staat deelgebied 1 vermeld als ‘voorkeurslocatie clustering glastuinbouw’.
Figuur 38. Uitsnede uit kaart bij intergemeentelijke structuurvisie Middengebied IJsselsprong. Bron: Intergemeentelijke structuurvisie Middengebied IJsselsprong
Het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant in deelgebied 1 is in overeenstemming met de uitgangspunten uit de intergemeentelijke structuurvisie. Het buiten gebruik nemen en saneren van de kassen in de deelgebieden 2A, 2B en 2C is in overeenstemming met het de intergemeentelijke structuurvisie (‘Clustering van de nu nog uiteengelegen locaties lost verkeersoverlast op en maakt ruimte vrij voor eventuele toekomstige woningbouw.’) Het concentratieen schaalvergrotingsplan van Wimaplant en deze onderhavige bestemmingsplanwijziging die dit plan faciliteert zijn in overeenstemming met de uitgangspunten uit de intergemeentelijke structuurvisie.
3.3.2 Structuurvisie Noordrand De Hoven Structuurvisie Noordrand De Hoven werd vastgesteld op 28 januari 2019. Het gebied dat in de structuurvisie wordt besproken valt grofweg samen met het gebied ten noorden van de Weg naar Voorst tot de IJssel. De structuurvisie is opgesteld om de in de uitvoeringspunten die in de intergemeentelijke structuurvisie Middengebied IJsselsprong werden besproken, verder uit te werken. De Structuurvisie Noordrand de Hoven is vastgesteld om invulling te geven aan de thema’s glastuinbouw, woningbouw en recreatie. 5
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0301.SVMidIJsselsprong-vs01/i_NL.IMRO.0301.SVMidIJsselsprongvs01_kaart.pdf
© Looije Agro Technics BV, 2025
47
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Figuur 39: Weergave beoogde plan De Hoven Noord. Bron: Structuurvisie de Hoven Noord, jan. 2019. p. 28. Gemeente Zutphen.
In bovenstaande figuur is het zoekgebied voor glastuinbouw met het gele kader aangeduid. Zoals uit de figuur blijkt, geeft deze in 2019 een indicatieve weergave, en geen harde aanduiding van de beoogde functie glastuinbouw. Dit duidt op de mogelijkheid tot maatwerk. In het vervolgtraject heeft de gemeente de harde lijnen ten aanzien van glastuinbouw vastgesteld. Het beoogde plan met 20 ha glas valt binnen deze later afgestemde begrenzing. Doelstellingen glastuinbouw Hieronder volgen de doelstellingen zoals deze (letterlijk) in de structuurvisie De Hoven Noord zijn opgenomen. Vervolgens wordt er toegelicht waarom er bij onderliggende bestemmingsplanwijziging door Wimaplant aan deze doelstellingen wordt voldaan.
• Het concentreren van de bestaande grootschalige glastuinbouwopstanden in een cluster bij het spoor; • Inpassing, vormgeving en omvang motiveren vanuit de bepalende structuurelementen in het gebied; • De ontwikkeling laten leiden tot een situatie die op de schaal van het gebied (noordrand van de Hoven) leidt tot een netto-verbetering van de landschappelijke, economische en sociale kwaliteit; • Een goede interne en externe verkeersrouting die overlast naar de omgeving voorkomt en de huidige situatie verbetert; • Een moderne glastuinbouw, die qua milieuprestatie en innovatie aansluit of vooroploopt bij de afspraken in de sectortafel Landbouw en landgebruik van het Klimaatakkoord 2018 en het transitieprogramma ‘Kas als energiebron’; • Nieuwe glastopstanden op basis van de best beschikbare en betaalbare technieken inzake energiebesparing/energieopwekking, dit in nader overleg met de betrokken ondernemer(s). © Looije Agro Technics BV, 2025
48
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Clustering Ten aanzien van de doelstelling clustering wordt er in de beoogde plannen aan voldaan. Inpassing De concentratie- en schaalvergroting van de glastuinbouw is onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak waarin verschillende thema’s integraal worden aangepakt. De inpassing van de beoogde locatie glastuinbouw is zorgvuldig tot stand gekomen. Het landschappelijk inrichtingsplan maakt deel uit van de voorliggende bestemmingsplanwijziging. Kwaliteitsverbetering Het glastuinbouwcluster maakt onderdeel uit van een integrale gebiedsherstructurering die leidt tot kwaliteitsverbetering. Verkeersrouting De gemeente Zutphen heeft aangegeven om te voorzien in reconstructie van de Sprabanenweg. De clustering van de glastuinbouw binnen deelgebied 1 leidt tot het vervallen van de verkeersbewegingen naar de kassen in deelgebied 2A, 2B en 2C. Moderniteit De beoogde kas wordt ingericht voor moderne voorzieningen. Het ontwerp van de concentratie- en schaalvergrotingslocatie gaat uit van een rechthoekige vorm die zorgt voor het minste energieverlies. Energiegebruik Naast een moderne kas die energieverlies beperkt, beoogt Wimaplant te investeren in duurzaam op te wekken energie. Door gebruik te maken van duurzaam op te wekken energie als voornaamste verwarmingsbron, is de Wimaplant voorloper in de sector. Dit is zeker het geval gezien de schaal waarop hij dit beoogt toe te passen.
In de structuurvisie worden enkele voorwaarden genoemd, waaraan dient te worden voldaan, om de glastuinbouwclustering toe te staan. Dit betreft: De sloop van de kassen aan de Voorste Overmarsweg en de Hoveniersweg 11a. Duidelijk is dat dit onderdeel van het concentratie- en schaalvergrotingsplan is. Aansluiting op de Weg naar Voorst nabij de aantakking met de rondweg. De gemeente Zutphen heeft aangegeven in de reconstructie van de Sprabanenweg te willen voorzien. Interne routing en opstelruimte die verkeersbeweging buiten de cluster voorkomt. In het ontwerp is voorzien dat alle afhandeling van verlading en verkeer op eigen terrein kan gebeuren. Goede landschappelijke inpassing van de glasopstanden. Onderdeel van het concentratie- en schaalvergrotingsplan en deze onderhavige bestemmingsplanwijziging is een landschappelijk inpassingsplan. Behoud van de aanwezig landschappelijke elementen. Met uitzondering van de bestaande weg en bomenrij worden er geen landschappelijke elementen verwijderd.
3.3.3 Conclusie gemeentelijk beleid Uit bovenstaande blijkt dat het beoogde plan volledig in lijn is met structuurvisie ‘Noordrand de Hoven’, en past binnen het intergemeentelijk overleg. Het gemeentelijk ruimtelijk beleid is dan ook geen belemmering met het oog op de bestemmingsplanwijziging.
© Looije Agro Technics BV, 2025
49
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
3.4
Conclusie ruimtelijk beleid
Het concentratieen schaalvergrotingsplan van Wimaplant en de onderhavige bestemmingsplanwijziging die dit plan faciliteert zijn in overeenstemming met nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid.
© Looije Agro Technics BV, 2025
50
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
4 Milieu en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle milieu- en omgevingsaspecten beschreven die bij de onderhavige bestemmingsplanwijziging van belang zijn. De diverse milieu- en omgevingsaspecten die onderdeel uitmaken van de MER-beoordeling worden in een separaat document uitgebreid toegelicht. Deze toelichting beperkt zich ten aanzien van de milieu- en omgevingsaspecten slechts tot een beknopte introductie van de juridische kaders en de conclusie.
4.1 Toelichting vormvrije m.e.r. Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan (of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning) gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.- plicht: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. De beoogde activiteit wordt benoemd in kolom 3 in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. De beoogde activiteit wordt benoemd in kolom 4 in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. In kolom 4 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage wordt een activiteit benoemd m.b.t. de activiteit glastuinbouw. Hieraan is echter een drempelwaarde verbonden.
Indien de beoogde activiteit onder de drempelwaarde (in dit geval 50 ha) uit lijst D valt, kan een project alsnog belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd zodat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Zoals hierboven al werd genoemd, betreft de drempelwaarde in het Besluit Mer Cat. D9 (glastuinbouw) 50 ha nieuwbouw glastuinbouwgebied. In het kader van deze aanvraag is er sprake van 26 ha glastuinbouwgebied. Deze oppervlakte ligt dan ook onder de drempelwaarde. Een milieueffectrapportage is daarom niet nodig. En ook al bevindt het gebied zich niet binnen een gebied dat volgens het Besluit m.e.r kan worden aangewezen als een ‘gevoelig gebied’, dan nog kan er mogelijk sprake zijn van negatieve effecten op deze gevoelige gebieden. Het Besluit m.e.r. benoemd als gevoelige gebieden overigens gebieden die zijn aangewezen op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, en waterwingebieden. Onderhavig plangebied bevindt zich niet gelegen binnen een gevoelig gebied zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r.
In het onderhavige document zal worden beschreven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden.
© Looije Agro Technics BV, 2025
51
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
4.2 Ecologie Elk ruimtelijk plan dient te worden getoetst aan de mogelijke effecten op de aanwezige flora en fauna die zich op een plangebied bevinden, maar ook op de natuur in brede zin. Hieronder wordt toegelicht waarom ervan uit kan worden gegaan dat het beoogde plan geen aanzienlijke negatieve effecten op de bestaande flora en fauna heeft.
4.2.1
Natura 2000-gebieden
In 2017 verving de Wet natuurbescherming (vanaf nu ‘Wnb’) de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora-en faunawet.6 De Wnb is opgesteld om de bescherming van natuurgebieden, bossen en specifieke soorten flora en fauna beter mogelijk te maken. Deze bescherming wordt gefaciliteerd door een vergunningplicht te leggen op activiteiten en evenementen in, of nabij beschermde gebieden. Ook ligt er een verbod op het verstoren van specifieke soorten flora en fauna. Hierop kan eveneens een Wnb-ontheffing worden aangevraagd. De Wnb-vergunning wordt uitgegeven door de provincies.7 Het plangebied bevindt zich aan het bestaande bedrijf dat is gevestigd aan de Hoveniersweg in Zutphen. Het plangebied is direct toegankelijk vanaf de Sprabanenweg. Het plangebied bevindt zich op relatief korte afstand van enkele Natura 2000-gebieden: • Afstand van 1,50 km van de Rijntakken; • Afstand van 2,10 km van de Landgoederen Brummen; • Afstand van 8,75 km van de Veluwe. In onderstaande figuur wordt de afstand vanaf het initiatief tot de meest nabij gelegen Natura 2000gebieden weergegeven.
Figuur 39. Aanduiding locatie plangebied ten Bron: Looije Agro Technics op basis van PDOK Viewer.
6
opzichte
van
omliggende
Natura
2000-gebieden.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Onder de Natuurbeschermingswet werd een aanvraag bij de Provincie ingediend.
7
Hierop gelden enkele uitzonderingen, zoals ontheffingen of vergunningen die betrekking hebben op gebieden die het Rijk beheert, zoals projecten aan kustbescherming, werken aan hoofd(vaar)wegen, militaire terreinen, etc.
© Looije Agro Technics BV, 2025
52
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
De nationaal beschermde gebieden zijn de Natura 2000-gebieden, die kunnen worden onderverdeeld in de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden. Het plangebied in Zutphen ligt buiten een dergelijk Natura 2000-gebied, al bevindt het zich op slechts 1,5 km van het Natura 2000-gebied de Rijntakken. Indien dus blijkt dat de omgevingseffecten als gevolg van het plan impact heeft op dit gebied, of op een van de hierin aanwezige flora en/of fauna, dan moet hier een Wnb-ontheffing voor worden aangevraagd. Van alle mogelijke effecten die een activiteit of evenement op een Natura 2000-gebied kan hebben, zijn de meeste effecten slechts van toepassing als deze zich grenzend aan of in het Natura 2000-gebied bevinden. Deze verschillende effecten worden hieronder kort besproken. De uitzondering hierop is de impact van stikstofemissies van het initiatief. Deze kunnen een effect hebben tot wel 25 km vanaf de bron (lees: het initiatief). De gevolgen van de verwachte stikstofemissies worden in de volgende paragraaf besproken. Oppervlakteverlies Het effect oppervlakteverlies binnen een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot oppervlakteverlies van habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000gebieden uitgesloten.
Versnippering Het effect versnippering binnen een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot versnippering van habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Verontreiniging Het effect verontreiniging van een Natura 2000-gebied is in de beoogde situatie uitgesloten. Bodemverontreiniging van een Natura 2000-gebied is in eerste instantie uitgesloten omdat het plangebied zich niet binnen een Natura 2000-gebied bevindt. Daarnaast worden er maatregelen genomen om bodemverontreiniging op het plangebied te voorkomen. Verontreiniging via het water lijkt eveneens uitgesloten. Hoewel er sprake is van een directe verbinding tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden in de omgeving via de aanwezige waterwegen, is verontreiniging via het water uitgesloten. Er wordt immers geen bedrijf(afval)water geloosd op het watersysteem. Daarom kan het water in Natura 2000-gebieden niet worden verontreinigd. Verontreiniging via de lucht is eveneens uitgesloten. Met uitzondering van de emissie van stikstofoxiden zijn er geen stoffen die worden geëmitteerd die een negatief effect op de Natura 2000gebieden kunnen hebben. De evt. verontreiniging van N-depositie wordt hieronder besproken.
Verdroging Het effect verdroging op een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot verdroging van habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Verstoring door geluid Het effect verstoring door geluid op een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Op het plangebied worden in de beoogde situatie wel geluid geproduceerd, maar deze bevinden zich op zodanige afstand van het Natura 2000-gebied, dat deze niet tot negatieve geluidseffecten zullen leiden. De geluidseffecten die worden gerealiseerd zijn bovendien zeer beperkt van aard.
© Looije Agro Technics BV, 2025
53
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Verstoring door licht Het effect verstoring door licht op een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Op het plangebied worden in de beoogde situatie immers nauwelijks licht geproduceerd. Er zal in de beoogde situatie geen sprake zijn van assimilatiebelichting in de kas. Zodra deze wel zal worden toegepast, zal het gebruik ervan worden getoetst aan de mogelijke effecten die dit genereert. Bovendien zullen de noodzakelijke mitigerende maatregelen worden toegepast. Het te realiseren licht is van zodanig omvang dat deze geen negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zal genereren dat zich 1,5 km verderop bevindt. Bewuste verandering soortensamenstelling Het effect verandering soortensamenstelling binnen een Natura 2000-gebied, is in de beoogde situatie uitgesloten. Het plangebied bevindt zich immers niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied, en dus is de mogelijkheid tot verandering soortensamenstelling op habitat-of vogelrichtlijngebieden binnen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Vermesting en verzuring door N-depositie De ligging van het Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied leidt ertoe dat effecten van een van bovenstaande effecten is uit te sluiten. Met het oog op de afstand, is slechts verzuring of vermesting door N-depositie een mogelijk effect op omliggende Natura 2000-gebieden.
Bovenstaande effecten zijn uit te sluiten, vanwege de afstand van het initiatief ten opzichte van de Natura 2000-gebieden. Zoals eerder aangehaald, kunnen effecten van stikstofemissies wel over grotere afstand significant zijn. In de volgende paragraaf worden deze verwachte effecten besproken. Voortoets stikstof: Inleiding In het kader van de beoogde bestemmingsplanwijziging waarvan onderhavig document onderdeel uitmaakt, wordt aangetoond dat de beoogde plannen mogelijk een negatief kunnen hebben op omliggende Natura 2000-gebieden. In onderstaande paragraaf wordt toegelicht dat er in het geval van een worstcasescenario – mits de initiatiefnemer een aardgasgestookte verwarmingsinstallatie zou toepassen – er een toename aan stikstofemissies kan ontstaan op omliggende Natura 2000-gebieden. Om aan te tonen dat de toename aan stikstofemissies niet bijdraagt aan significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, werd er een Passende Beoordeling opgemaakt. Resultaten en conclusie voortoets Door bovenstaande parameters in de Aerius Calculator in te voeren, blijkt dat de te verwachte uitstoot van NOx emissies in zowel de bouw- als de exploitatiefase zorgen voor een toename aan stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Dit houdt in dat er door middel van een Passende Beoordeling dient te worden bepaald of de emissies afkomstig van het glastuinbouwbedrijf zorgen voor significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, of niet. De bijbehorendestikstofberekeningen zijn als bijlagen bij dit document toegevoegd. Passende Beoordeling In navolging op het feit dat de bouw- en exploitatiefase naar verwachting leiden tot een toename aan stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden, werd er een Passende Beoordeling opgemaakt, waarin werd beoordeeld of de te verwachte depositie ook zal leiden tot significant negatieve effecten op deze Natura 2000-gebieden.
© Looije Agro Technics BV, 2025
54
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
In de Passende Beoordeling van Fueco wordt gesteld dat op de verschillende Natura 2000-gebieden waarop het initiatief een toename aan depositie op veroorzaakt, er sprake is van een autonome daling in de achtergronddepositie van stikstof tot en met minimaal 2030. Er wordt gesteld dat deze verwachte daling veel groter is dan de te verwachte depositie die als gevolg van het project op de gebieden zou ontstaan. Hierdoor zal het effect van de stikstofdepositie als gevolg van het project en de stikstofgevoelige habitattypen slechts minimaal zijn. De rapportage besluit door te stellen dat de toename in stikstofdepositie als gevolg van het initiatief geen meetbare (n)directe gevolgen zal hebben op de aanwezige vegetatie- en faunasoorten, leefgebieden, landschapsstructuren, de hydrologische gesteldheid en ecosysteemdiensten van de stikstofgevoelige gebieden. Bovendien wordt er een algemene beoordeling gemaakt, waarin op basis van wetenschappelijk onderzoek geconcludeerd wordt dat de significante effecten niet op kunnen treden bij een geringe toename in stikstofdepositie. De autonome daling zou volgens het rapport ontstaan als gevolg van de ingezette systeemherstel – en overlevingsmaatregelen die zijn ingezet ter reductie van de verslechtering. Deze maatregelen worden als gevolg van het project niet aangetast, en kunnen daarom worden meegenomen.
De Passende Beoordeling stelt dus dat negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, ondanks de toename aan depositie, kunnen worden uitgesloten, en dat er voor het project op basis van de Omgevingswet een natuurvergunning kan worden verleend. Conclusie Natura 2000-gebieden Ondanks dat het project an sich in een worstcasescenario mogelijk kan zorgen voor een toename aan stikstofdepositie, is het uit te sluiten dat er significant negatieve effecten zullen worden veroorzaakt als gevolg van het project als gevolg van stikstofdepositie. In paragraaf 2.1.1.1 werd al toegelicht dat negatieve effecten in andere vorm zijn uit te sluiten, vanwege de afstand van het project tot de Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten als gevolg van het project in brede zin zijn dan ook uit te sluiten. Resultaten en conclusie Uit de Aerius berekeningen is gebleken dat er bij conventionele verwarming van de kassen sprake is van slechts een beperkte toename in stikstofdepositie. In de Passende Beoordeling wordt echter gesteld dat deze beperkte toename niet zorgt voor significante effecten op deze Natura 2000gebieden, vanwege de reeds ingezette maatregelen die de achtergrondwaarden in Natura 2000gebieden al doen afnemen. Aangezien er op basis van de Passende Beoordeling een WNB-vergunning kan worden verleend, hoeft het thema stikstof geen belemmering te zijn voor de bestemmingsplanwijziging.
4.2.2 NNN-gebieden en GNN-gebieden Naast de effecten op de Natura 2000-gebieden, dienen de effecten op andere natuurgebieden te worden onderzocht. Naast de verantwoordelijkheid voor het beheer/behoud van Natura 2000gebieden, is de provincie Gelderland ook verantwoordelijk voor het beheer en behoud van de NNNgebieden die zich binnen haar provinciegrenzen bevinden. De NNN-gebieden (Natuurnetwerk Nederland) zijn een netwerk van bestaande en toekomstig aan te leggen natuurgebieden die niet binnen het Natura 2000-kader vallen.
© Looije Agro Technics BV, 2025
55
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Figuur 40: Weergave plangebied ten opzichte van de bestaande GNN-gebieden. Bron: Looije Agro Technics, op basis van kaart Gelders Netwerk.
Deze gebieden moeten zorgen voor een permanente verbindingsstructuur tussen de natuurgebieden in Nederland. Vanwege deze doelstelling werd het NNN voorheen ook wel aangeduid als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het uiteindelijke doel is om de NNN samen met de nationale natuurnetwerken in andere landen binnen de EU te laten verenigen in een pan-Europees ecologisch netwerk (PEEN). Als onderdeel van het NNN bevinden er zich binnen de provincie Gelderland diverse NNN-gebieden die binnen de provincie Gelderland worden aangeduid als ‘Gelders NatuurNetwerk’ (GNN). In Gelderland omvat dit netwerk ruim 130.000 ha. Als verantwoordelijke instantie van deze GNNgebieden, stelt de provincie Gelderland via de provinciale omgevingsvisie dat er binnen de grenzen van een GNN-gebied geen nieuwe initiatieven plaats mogen vinden. Dit zou betekenen dat de beoogde bouw van de kas niet door zou gaan indien het plangebied binnen de GNN-grenzen zou vallen. Zoals blijkt uit de bovenstaande afbeelding, bevinden zich geen van de deelgebieden 1/2A/2B/2C zich binnen de grenzen van het GNN. Omdat dit het geval is kan van verder onderzoek ten aanzien van de impact op de GNN worden afgezien. Naast de GNN-gebieden, dient er bij nieuwbouw ook rekening te worden gehouden met GO-gebieden. Dit betreft de groene ontwikkelingsgebieden.
Ook binnen deze zones zijn beperkingen opgelegd ten aanzien van (nieuw)bouwprojecten. Het beoogde plangebied bevindt zich niet binnen de contouren van een GO-gebied. Zie onderstaande afbeelding.
© Looije Agro Technics BV, 2025
56
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Figuur 41: Weergave plangebied ten opzichte van GO-gebieden.
4.2.3 Mogelijke effecten op de lokale natuur Uit de vorige paragrafen is gebleken dat de bestemmingsplanwijziging geen effecten heeft op omliggende Natura 2000-, en NNN/GNN-gebieden. In deze paragraaf wordt ingegaan op de flora en fauna-situatie op het plangebied zelf. De effecten van de beoogde plannen kunnen doorgaans worden afgeleid door een quick-scan flora en fauna uit te laten voeren op het plangebied. Hieruit kan worden opgemaakt of er zich op het plangebied beschermde plant- en/of diersoorten voorkomen. Op het plangebied deelgebied 1 werd er een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek dat er op het plangebied diverse beschermde soorten kunnen worden aangetroffen. Er zijn tijdens de inventarisatie aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 en 2); Dassen; Boombewonende vleermuizen; Kleine marterachtigen; Teunisbloempijlstaart. Uit deze quick-scan is gebleken dat er een ontheffing dient te worden aangevraagd bij de Provincie Gelderland, voor mogelijke effecten op het leefgebied van kleine marterachtigen en de teunisbloempijlstaart. Mogelijk wordt er voor de boombewonende vleermuizen, vogelsoorten met jaarronde beschermde nesten, en de das ook een ontheffing aangevraagd.
Of dit daadwerkelijk (dient) te gebeuren, hangt af van de lopende verdiepende onderzoeken, waarvan de resultaten pas in december worden verwacht. Het uitvoerende adviesbureau ecologie heeft een memo opgesteld waarin de huidige situatie (ten aanzien van verdiepende onderzoeken) wordt verduidelijkt.
© Looije Agro Technics BV, 2025
57
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Het ecologisch onderzoek (quick scan) is als bijlage bij de aanvraag toegevoegd. In 2019 werd er een eerste quick scan uitgevoerd. Hieruit is een vergelijkbaar resultaat ontstaan, namelijk de mogelijke impact op vleermuizen en specifieke soorten vogels. De verwachte impact op dassen, marterachtigen en de teunisbloempijlstaart is niet uit het onderzoek uit 2019 naar voren gekomen. Het verdiepend onderzoek uit 2020 is eveneens als bijlage opgenomen bij dit document. Daarnaast werd er een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen door een bomenanalyse. Hieruit is gebleken dat er zich geen vleermuizennesten in deze bomen bevinden. Deze bomenanalyse is eveneens als bijlage toegevoegd. Ondanks dat de onderzoeken hiervoor nog niet zijn afgerond, lijkt het er dus op dat er zich geen vleermuizen op het plangebied begeven, maar dat het plangebied mogelijk wel voor vleermuizen wordt gebruikt als foerageergebied. Ondanks dat er waarschijnlijk geen sprake is van vleermuizennesten op het plangebied, worden de mitigerende maatregelen die in het landschappelijk inpassingsplan zijn voorgesteld, doorgezet.
Kortom, zoals het er nu naar uitziet wordt er ten aanzien van de op het plangebied aanwezige soorten, ontheffing aangevraagd voor de soorten kleine marterachtigen, teunisbloempijlstaart, en mogelijk voor (roof)vogels, boombewonende vleermuizen en de das, afhankelijk van het resultaat van de verdiepende onderzoeken. Een memo vanuit het adviserende ecologisch bureau is bij de aanvraag toegevoegd. De uiteindelijke resultaten worden in december verwacht, en kunnen in een later stadium met het bevoegd gezag worden gedeeld.
4.2.4 Flora en fauna deelgebied 2 Zoals hierboven vermeld, is het ecologisch onderzoek slechts uitgevoerd voor deelgebied 1. Voor deelgebied 2 is er geen flora en fauna onderzoek uitgevoerd. De reden hiervoor is dat deze gebieden grotendeels al in gebruik zijn ten behoeve van glastuinbouw, en de kans dat hier zich beschermde soorten bevinden, kan worden uitgesloten. Voor de zones waarop geen glastuinbouw plaatsvindt, geldt dat er zich hier mogelijk wel beschermde soorten voortdoen. In dat geval zal de bestemmingswijziging van glastuinbouw naar agrarisch slechts een positief effect hebben op de leefomstandigheden van evt. aanwezige beschermde flora en/of fauna, na de sloop van de kassen.
4.2.5 Conclusie flora en fauna Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen dient te worden geïnventariseerd wat de mogelijke effecten van een plan kunnen zijn op de omliggende en aanwezige ecologische waarden. Hierboven is aangetoond dat er als gevolg van het plan geen sprake kan zijn van negatieve effecten op de beschermde natuurgebieden in de Natura 2000, of GNN-zones. Daarnaast is gebleken dat de habitats van verschillende beschermde diersoorten wordt aangetast, maar dat er eveneens rekening wordt gehouden met de aanwezigheid hiervan in het landschappelijk inpassingsplan. Hiervoor wordt (los van deze bestemmingsplanwijziging) een ontheffing aangevraagd. Het thema ecologie zal dan ook geen belemmering vormen voor de bestemmingsplanwijziging.
4.3 Kabels en leidingen Op basis van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) levert het Kadaster informatie over bestaande ondergrondse kabels en leidingen. Op basis van een oriëntatie-KLIC-melding kan worden bepaald of zich ondergrondse kabels en leidingen bevinden binnen het plangebied.
© Looije Agro Technics BV, 2025
58
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Figuur 42: Weergave uitkomst KLIC-melding op deelgebied 1. Bron: Looije Agro Technics, op basis van Orientatiemelding klic Kadaster.
Voor deelgebied 1 en de omliggende percelen is een KLIC-melding uitgevoerd.8 Er bevinden zich hier geen kabels en/of leidingen die een negatief effect kunnen hebben op de beoogde invulling van het deelgebied. Het enige significante om op te merken, is dat er zich langs de grens van het plangebied, een drinkwaterleiding bevindt. De resultaten hiervan zijn weergegeven in een bijlage. Voor de overige deelgebieden werd deze niet uitgevoerd, gezien de toekomstige toepassing van deze gebieden. Op de deelgebieden waarop sloop van de kassen is gepland, bevinden zich kabels en leidingen in de grond. Deze worden als onderdeel van de sloop waar nodig verwijderd/opgeruimd. Ten aanzien van de beoogde bestemmingsplanwijziging kan worden geconcludeerd dat het thema kabels en leidingen geen thema is.
4.4 Ontplofbare oorlogsresten Op verschillende plaatsen in Nederland is het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem een risico vanwege nog aanwezige Ontplofbare oorlogsresten (OO). Voordat werkzaamheden worden uitgevoerd is het zeer bruikbaar om te zien of er sprake is van (mogelijke) aanwezigheid van OO op/rondom het plangebied.
8
Voor de deelgebieden 2A, 2B en 2C zijn geen bouwactiviteiten voorzien en derhalve geen oriëntatie KLIC-meldingen gedaan.
© Looije Agro Technics BV, 2025
59
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
Wimaplant heeft onderzoek laten uitvoeren in de 26 hectare binnen deelgebied 1 die wordt bestemd ten behoeve van het concentratie- en schaalvergrotingsplan van Wimaplant.9 Conclusie is dat binnen de toekomstige functie Agrarisch – Glastuinbouw enkele zones liggen die mogelijk Ontplofbare Oorlogsresten kunnen bevatten.
Figuur 43: Weergave zones die op het plangebied uitbreidingszone worden aangeduid als 'verdacht' op mogelijk aanwezige OO. Bron: T&A Survey.
Wimaplant zal uiteraard bij de verdere ontwikkeling van de toekomstige glastuinbouwfunctie die maatregelen treffen die passen bij de uitkomsten van het Ontplofbare Oorlogsresten onderzoek (zoals aanvullende benadering- en ruimingswerkzaamheden). Voor de deelgebieden 2A, 2B en 2C werd geen oriënterend onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Aangezien deze zones momenteel als kassen in gebruik zijn genomen, en vanwege het feit dat hier in de beoogde situatie niet zal worden gebouwd, is een dergelijk onderzoek niet nodig geweest. Met het oog op het uitgevoerde onderzoek dat voor deelgebied 1 werd uitgevoerd, is duidelijk gemaakt dat er enkele zones als verdacht kunnen worden aangeduid. Hier zal in de verdere uitwerking van het plan rekening mee worden gehouden. Het thema ontplofbare oorlogsresten is met het oog op de bestemmingsplanwijziging dan ook geen belemmering, ervan uit gaande dat de nodige maatregelen worden getroffen voor die zones waarop sprake is van mogelijke aanwezigheid van OO, of dit geldt in de vorm van verder onderzoek of het evt. ruimen van getraceerde onontplofbare oorlogsresten. Het onderzoek werd bij de bijlagen van dit document toegevoegd.
9
Binnen de bestemmingen Groen en de bestaande bestemming Water zijn geen bouw of graafwerkzaamheden gepland. Mede hierom concentreert het onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten zich op de 26 hectare die bij de onderhavige bestemmingsplanwijziging als Agrarisch Glastuinbouw is bestemd.
© Looije Agro Technics BV, 2025
60
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
4.4.1 Conclusie: Ontplofbare oorlogsresten Met het oog op het uitgevoerde onderzoek voor ontplofbare oorlogsresten dat voor deelgebied 1 werd uitgevoerd, is duidelijk gemaakt dat er enkele zones als verdacht kunnen worden aangeduid. Hier zal in de verdere uitwerking van het plan rekening mee worden gehouden. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Spoorlijnen De aanwezigheid van spoorlijnen in de nabijheid van een plangebied kan in sommige situaties leiden tot verder op te leggen voorwaarden op een ruimtelijk plan. In onderstaande paragraaf wordt toegelicht dat in het besproken plan er geen rekening dient te worden gehouden met verdere voorwaarden, ondanks de nabijheid van een spoorlijn.
4.5.1 Spoorlijnen: deelgebied 1 Aan de zuidwestzijde van deelgebied 1 bevindt zich de spoorlijn een onderdeel van de spoorlijn van het traject Apeldoorn – Zutphen. De spoorlijn bevindt zich op een dijk van ca. 3 meter hoog. Deze spoordijk fungeert daarmee als het ware als een natuurlijke visuele afsluiting ten opzichte van de oostelijk gelegen gronden naast deelgebied 1. De glastuinbouw die op basis van dit onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt bevindt zich tenminste op dezelfde afstand als de huidige glasopstanden van Wimaplant, en voor een groot deel zelfs op grotere afstanden dan de huidige afstanden. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening zijn er geen contra-indicaties dat de aanwezige spoorlijn een belemmering zou vormen voor dit bestemmingsplan. De beoogde plannen zijn in het kader van vooroverleg gedeeld met de spoorlijnbeheerder ProRail. Zij heeft geen aanleiding gevonden om extra voorwaarden te leggen ten aanzien van de uitvoering van het plan.
Figuur 44: De spoorbaan en dijk ten oosten van deelgebied 1. Bron: Looije Agro Technics.
© Looije Agro Technics BV, 2025
61
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
4.5.2 Spoorlijnen: deelgebied 2A/2B/2C Voor de deelgebieden 2A kan eveneens worden gesteld dat deze zich in de nabijheid van hetzelfde spoortraject bevindt. Aangezien hier echter sprake is van een beoogde sloop en niet van bouwwerkzaamheden, is deze nabijheid geen thema met het oog op herbestemming. De deelgebieden 2B en 2C bevinden zich op grotere afstand van de spoorlijn.
4.5.3 Conclusie: Spoorlijnen Het aspect spoorlijnen vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
4.6 Bodemsituatie Als onderdeel van een ruimtelijk plan moet volgens het Bro (art. 3.1.6) een paragraaf van een toelichting worden besteed aan de bodemsituatie. In onderstaande paragraaf wordt dan ook ingegaan op het aspect bodemkwaliteit.
4.6.1 Uitgevoerd bodemonderzoek Om een beeld te krijgen van de huidige bodemkwaliteit in deelgebied 1, werd er een bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek werd uitgevoerd door een hiertoe bevoegde organisatie De klinker milieu. Het onderzoek werd uitgevoerd conform NEN 5740/NEN 5725 richtlijnen. Volgens de bodemrapportage (K182881 van De klinker milieu) is de huidige bodem-hygiënische situatie van het plangebied geschikt voor de beoogde functie en toepassing. De toepassing van glastuinbouw is volgens het rapport dan ook geen probleem. Het terrein/plangebied wordt aangeduid als onverdacht.
4.6.2 Verantwoording ontbreken bodemonderzoek deelgebieden 2A/2B/2C Ter hoogte van de deelgebieden 2A, 2B en 2C werd er geen oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Aangezien deze zones momenteel als kassen in gebruik zijn genomen, en vanwege het feit dat hier in de beoogde situatie niet zal worden gebouwd, wordt een dergelijk onderzoek niet nodig geacht.
4.6.3 Conclusie: Bodemsituatie Het is bij ruimtelijke plannen verplicht om inzage te geven in de huidige bodemsituatie. Door het uitgevoerde bodemonderzoek is er inzage gekregen in de bodemsituatie van de gronden die binnen deelgebied 1 worden bestemd ten behoeve van glastuinbouw. Uit het rapport is gebleken dat de huidige bodemsituatie geen belemmering hoeft te zijn voor het boogde gebruik van die gronden ten behoeve van glastuinbouw. Op gronden die bestemd worden als ‘Groen’ binnen deelgebied wordt niet gebouwd. Derhalve is afgezien van bodemonderzoek van die gronden. Op de gronden in de deelgebieden 2A, 2B en 2C wordt in het geheel niet gebouwd en in deze deelgebieden kon derhalve worden afgezien van het uitvoeren van bodemonderzoek. Het aspect bodem-hygiëne vormt geen belemmering met het oog op negatieve (milieu-)effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
© Looije Agro Technics BV, 2025
62
Wimaplant – bestemmingsplanwijziging, versie 1.0
4.7 Milieuzonering Om aannemelijk te maken dat (bedrijfs)activiteiten geen negatieve impact hebben op omliggende gevoelige objecten, moet de beperkte impact van deze activiteiten worden aangetoond. Een hulpmiddel dat kan worden gebruikt kan worden is het begrip milieuzonering. Milieuzonering zorgt voor een benodigde afstand tussen evt. milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies. Als uitgangspunt kan de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden gebruikt. In de VNG-handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn per bedrijfssector. Per sector wordt een richtafstand gegeven voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid.
4.7.1 Milieuzonering deelgebied 1 Met het oog op het plangebied waarop het beoogde glastuinbouwbedrijf wordt gebouwd, is in deze toelichting op de bestemmingsplanwijziging gekozen voor de activiteit kassen met gasverwarming. Onderstaande figuur bevat een uitsnede van de richtafstandenlijst. Hieruit blijkt dat ten aanzien van kassen met gasverwarming er rekening dient te worden gehouden met max. 10 meter afstand voor de aspecten geur en stof. Met het oog op de aspecten geluid en gevaar moet er 30 meter afstand tot gevoelige objecten worden aangehouden.10