CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1106916 - Bijlage 20 - Bijlage 6 bij Vormvrije mer - Passende Beoordeling

Raadsvergadering 26 januari 2026, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord37.087 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Als gevolg van ontginningen en de aanplant van bos is de heide van de Sallandse Heuvelrug sterk verkleind en geïsoleerd komen te liggen van andere heideterreinen (Natura 2000, z.d.-b). De Sallandse Heuvelrug strekt zich uit over ongeveer 2.217 hectare en is aangewezen als Natura 2000-gebied voor zeven habitattypen, één habitatrichtlijnsoort en drie vogelrichtlijnsoorten (Natura 2000, z.d.-b). 5.1.2. H4030 Droge heiden Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Dit habitattype (officiële naam: Droge Europese heide) omvat heidebegroeiingen in zowel laagland als gebergten van Europa, gedomineerd door struikhei (Calluna vulgaris), soms in combinatie met dwergstruiken, grassen en mossen. In Nederland komen ze vooral voor op droge, kalkarme zure bodems met een podzolprofiel, zoals dekzanden en stuwwallen. Struikhei domineert vaak, maar andere dwergstruiken zoals blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) en rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea) kunnen ook belangrijk zijn. Ook landschappen waar dophei (Erica tetralix) domineert kunnen onder dit habitattype vallen. Grassen zoals ruwe smele (Deschampsia flexuosa) en pijpenstrootje (Molinia caerulea) kunnen lokaal veelvuldig voorkomen, maar zolang ze niet overheersen, worden ook deze vegetaties tot het habitattype gerekend.

Bremstruwelen (Cystius scoparius) en solitaire jeneverbessen (Juniperus oxycedrus) zijn ook vaak onderdeel van dit landschap, net als gaspeldoorn (Ulex europaeus). Afhankelijk van de bodemomstandigheden, zoals voedselrijkdom of vochtigheid, komen verschillende subassociaties voor. Vegetaties die niet tot dit habitattype worden gerekend zijn struikheibegroeiingen in duinen (habitattype H2150, Duinheiden met struikhei), op duinvaaggronden of vlakvaaggronden (habitattype H2310, Stuifzandheiden met struikhei) en Pagina 27 van 149

Fueco.nl

op verdroogd hoogveen (habitattype H7120, Herstellende hoogvenen) (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008j). Het habitattype Droge heiden, in het gebied Sallandse Heuvelrug, is verspreid op een relatief grote schaal met een totaal areaal van 1019,6 hectare. Het bedekt de gestuwde zanden en de gedeeltelijke dekzanden aan de oost- en westkant van het gebied (overige dekzanden zijn bebost). Voor zowel het oppervlak als de kwaliteit is de instandhoudingsdoelstelling ‘vergroten’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen niet gehaald zullen worden (Eenheid Natuur en Milieu, 2023b). Struikhei komt in een redelijke mate en in diverse leeftijdsgroepen in het gehele gebied voor. Het gebied bevat verder relatief veel structuren met weinig vergrassing en is soortenarm. Een gedeelte van de vegetatie is in de climaxfase, de andere in de groeifase. Zo is er sprake van de volgende twee verdelingen in vegetatie: de associatie van struikhei met stekelbrem en de associatie van struikhei met bosbes. Lokaal is lemig materiaal aanwezig, gezien de groei van veenbies en zwarte zegge, behorend tot vochtige heide.

In fragmenten komen andere vegetaties voor: in het oostelijk deelnabij Hexel en op de Haarlerberg (korstmosrijke vegetaties met buntgras), verspreid door de hele heide (pilzegge en liggend walstro) en in mindere mate tussen de habitatsoorten langs de paden (de subassociatie met tandjesgras). In het centrale deel van het gehele gebied is de kwaliteit het minst optimaal door de bebossing op de flanken. Op de niet beboste delen is bochtige smele aanwezig. De abiotische factoren van het gebied zijn ongunstig. De huidige kwaliteit is als ‘matig’ beoordeeld. De huidige trend in het areaal is ‘onbekend naar verwachting positief’ en voor de kwaliteit ‘negatief’. De belangrijkste knelpunten hebben betrekking op atmosferische stikstofdepositie, ontbreken van gradiënten, een tekort aan gevarieerde structuren, de kortlevende zaadbank van heideflora en verdroging (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer, 2016). Voldoende basen in de toplaag zijn cruciaal voor de ecologische kwaliteit van droge heide en het behoud van karakteristieke soorten. Door langdurige verzurende depositie, vooral sinds de jaren 1970 via stikstof, zijn deze basen grotendeels uitgeloogd (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer, 2016). De overgang van droge heide naar bloemrijke, vochtige graslanden via akkers is nagenoeg verdwenen.

Daarmee is ook de kleinschalige verwevenheid van voedselarme en rijkere, zure en minder zure milieus grotendeels verloren gegaan, wat heeft geleid tot een sterke verarming van het heide-ecosysteem. 5.1.3. Vogelrichtlijnsoorten 5.1.3.1. A107 Korhoen Het korhoen is een relatief grote hoendersoort met een gewicht variërend van 1 tot 1,5 kilogram en een spanwijdte van ongeveer 60 tot 65 centimeter. Het verenkleed vertoont seksuele dimorfie, waarbij de mannetjes groter en opvallender dan de vrouwtjes zijn. De mannetjes hebben zwarte veren met witte stippen en een karakteristieke rode wenkbrauwkuif boven hun ogen, terwijl de vrouwtjes een meer discrete bruine schutkleur hebben. De soort broedt in hoogveengebieden en heiden met plaatselijke opslag van berken en wilgen, terwijl het omliggend cultuurland met ruige graslanden en braakliggende akkers als foerageergebied dient. Korhoenders zijn hoofdzakelijk herbivoor en voeden zich met bladeren, knoppen, bessen Pagina 28 van 149

Fueco.nl

en zaden; enkel de kuikens worden met dierlijk voedsel gevoed, namelijk ongewervelden. Het nest wordt gebouwd in dichte gras-, heide-, kruid- of struikbegroeiingen met als doel om het nest voor predatoren te verbergen (Svensson et al., 2010). Op de Sallandse Heuvelrug worden sinds 2013 korhoenderen uit Zweden bijgeplaatst om het lokaal uitsterven van de soort te voorkomen. Daarnaast worden de eieren ook uit de nesten verwijderd en door een fokker uitgebroed om deze dieren weer terug te plaatsen als ze een half jaar oud zijn. Dat deze maatregelen nodig zijn om het uitsterven te voorkomen, laat duidelijk zien dat het slecht gaat met de soort in het gebied. Dit komt terug in de negatieve trends van de soort. Naast een kleine populatie is er ook onvoldoende leefgebied voor de korhoen, wat ook nog eens van een dalende kwaliteit is (Eenheid Natuur en Milieu, 2023b). Het ontbreken van ecologische gradiënten (zoals beschreven bij habitattype droge heide) en een onvoldoende groot leefgebied in de directe omgeving vormen belangrijke knelpunten voor de Korhoenpopulatie (Eenheid Natuur en Milieu, 2023b). Daarnaast is er sprake van genetische verarming, waarvan de gevolgen nog onvoldoende onderzocht zijn, en er ontbreekt verbinding met andere geschikte leefgebieden, zoals satellietpopulaties, wat deze situatie verergert (Eenheid Natuur en Milieu, 2023b).

Ook veroorzaakt verstoring door recreanten, zoals wandelaars en fietsers, en de openstelling van de Toeristenweg negatieve effecten op het instandhoudingsdoel van het Korhoen (Eenheid Natuur en Milieu, 2023b). 5.1.3.2. A224 Nachtzwaluw De nachtzwaluw is een vogelsoort die behoort tot de familie der nachtzwaluwen (Caprimulgidae). De soort is schermeractief en heeft veren die cryptisch gekleurd zijn. De soort leeft in droge zandgebieden met halfopen landschappen. Voorbeelden van dergelijke habitats zijn zandverstuivingen, boomheiden en dennenbossen met brandgangen of brede zandpaden. De soort broedt op de grond, waarbij er geen nest gebouwd wordt. De twee gelegde eieren worden onder de vegetatie of in het strooisel verborgen. De soort is insectivoor en voedt zich met vliegende insecten zoals nachtvlinders, vliegen en muggen die in een straal van enkele kilometers rond de broedplaats gezocht worden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008p). De nachtzwaluw is een kenmerkende soort voor het habitattype H4030 Droge heide. Effectief beheer heeft de populatie in het gebied goed gedaan. Uitbreiding van het heideareaal heeft een positieve trend van de populatie tot gevolg gehad.

Al is dit op zichzelf onvoldoende om de grootte van de populatiegroei te verklaren (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer, 2016; Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008t). 5.1.3.3. A276 Roodborsttapuit De roodborsttapuit is een zangvogel uit de familie der vliegenvangers (Muscicapidae). De roodborsttapuit dankt zijn naam aan de rode borst die het mannetje van deze soort in de broedtijd heeft. De soort is een trekvogel en broedt in Nederland en overwintert in Zuid-Europa en Afrika. De soort broedt in open landschappen waar ruige vegetatie aanwezig is en verspreid door het landschap bomen liggen. De soort broedt voornamelijk in heide- en hoogveengebieden, maar kan soms ook in kleinschalige agrarische cultuurlandschappen gevonden worden. Het nest wordt onder of tussen struweelvegetatie gebouwd. De soort voedt zich met ongewervelden zoals insecten. Het foerageerbereik is enkele honderden meters Pagina 29 van 149

Fueco.nl

rondom het nest (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer, 2016; Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008x). De roodborsttapuit is een kenmerkende soort voor het habitattype H4030 Droge heide. Effectief beheer heeft de populatie in het gebied goed gedaan. Uitbreiding van het heideareaal in combinatie met een toegenomen opslag van berken en dennen heeft een positieve trend van de populatie tot gevolg gehad. Sinds 2002 zijn alle tellingen boven de instandhoudingsdoelstelling geweest, hoewel van vele jaren de gegevens ontbreken (Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer, 2016; Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008w). 5.1.4. Effect van het project op beschermde habitats en leefgebieden In Tabel 3 zijn de resultaten van de AERIUS-berekening per habitattype weergegeven. Tabel 3 Berekende depositie van het project en de uitkomsten van de berekening voor habitattypen binnen de Sallandse Heuvelrug.

Code

Naam

Berekend oppervlak (ha gekarteerd)

KDW mol/ha/ja

Grootste toename (mol N/ha/ja

H4030

Droge heide

31,39

714

0,01

De achtergronddeposities van H4030 variëren volgens AERIUS Monitor tussen de 1.001 en 1.652 mol N/ha/jaar (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). De toename is 0,01 mol/ha/jaar, oftewel 0,0006% van de hoogste achtergronddepositie. Naast het feit dat de toename in depositie verwaarloosbaar klein is, geldt dat het habitattype onder druk staat van het ontbreken van gradiënten en een tekort aan gevarieerde habitatstructuren. Een inbreuk op de huidige trend van kwaliteit en oppervlakte wordt dus zowel door deze factoren als stikstofdepositie veroorzaakt. 5.1.5. Autonome ontwikkeling 5.1.5.1. Prognose AERIUS Monitor Het RIVM maakt prognoses van de ontwikkeling van de stikstofdepositie op basis van actuele emissiegegevens. Hierbij worden verschillende scenario’s met betrekking tot de ontwikkeling van de stikstofemissie doorgerekend. De prognose die wordt gesteld op basis van vastgesteld beleid8 is opgenomen in AERIUS Monitor (W. Marra et al., 2023). Deze voorspelling geeft dus de verwachte ontwikkeling van de gemiddelde stikstofdepositie aan wanneer reeds vastgestelde beheer- en herstelmaatregelen worden uitgevoerd. De meest actuele prognoses zijn gemaakt aan de hand van de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (Hammingh et al., 2022; W. Marra et al., 2023; W. A. Marra et al., 2024).

In Figuur 11 is de geprognotiseerde ontwikkeling van de gemiddelde stikstofdepositie van de habitattype Droge heiden weergegeven. De geprognotiseerde afname in stikstofstofdepositie

8

Voor een nadere uiteenzetting van welke maatregelen zijn meegenomen in dit scenario zie PBL et al. (2023)

Pagina 30 van 149

Fueco.nl

is van 1.134 mol/ha/jaar in 2020 naar 994 mol/ha/jaar in 2030. De grootste toename van 0,01 mol/ha/jaar is 0,0071% van de verwachte afname in depositie binnen het habitattype.

Figuur 11 Prognoses van de ontwikkeling van de gemiddelde stikstofdepositie op de habitattype Droge heiden. N.B. de Y-as begint bij 900 ten behoeve van de leesbaarheid.

5.1.5.2. Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties Op 14 februari 2025 waren in de provincie Overijssel in totaal 227 aanvragen ingediend voor de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2025). Volgens de prognose van Reinds et al. (2024) bedraagt de verwachte landelijke gemiddelde stikstofreductie door de Lbv en Lbv-plus tussen de 33 en 44 mol N/ha/jaar. Voor de Sallandse Heuvelrug is geen exacte waarde bekend, maar uit figuur 6.3 (hier weergegeven als Figuur 12) blijkt dat de verwachte afname in stikstofdepositie in dit gebied, als gevolg van het gecombineerde maatregelenpakket inclusief Lbv en Lbv-plus, ligt tussen de 10 en 100 mol N/ha/jaar.

Pagina 31 van 149

Fueco.nl

Figuur 12 De verwachte stikstofreductie in Nederland zoals geraamd in Reinds et al. (2024) en weergegeven in figuur 6.3

5.1.6. Deelconclusie 5.1.6.1. Samenvatting doelbereik In totaal zijn één habitattype en drie VR-soorten beoordeeld. In Tabel 4 is een samenvatting opgenomen van de eindconclusies van de natuurdoelanalyse (Arcadis et al., 2023), waar nodig aangevuld met de in het voorgaande uitgevoerde beoordelingen. In de tabel is de conclusie van de Ecologische Autoriteit opgenomen.

Pagina 32 van 149

Fueco.nl

Tabel 4 Samenvatting van de eindconclusies van de natuurdoelanalyse, aangevuld met de uitgevoerde beoordelingen. De natuurdoelanalyse beoordeelt de habitattypen als 'Ja' wanneer de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd worden, 'Ja, mits' wanneer behoud geborgd is, maar aanvullende maatregelen nodig zijn voor realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen, en 'Nee, tenzij' wanneer verslechtering niet kan worden uitgesloten en er dringende bron- en natuurherstelmaatregelen noodzakelijk zijn om verslechtering te voorkomen. Waar de conclusie is gemarkeerd met een * is er sprake van een conclusie die door de Ecologische Autoriteit wordt betwist. In de tabel is de conclusie van de Ecologische Autoriteit weergegeven.

Eindoordeel:

Ja

Ja, mits

Nee, tenzij

Habitattypen H4030 Droge heiden

x

VR-soort A107 Korhoen

x

A224 Nachtzwaluw

x

A276 Roodborsttapuit

x

Totaal

2

0

2

Voor het habitattype H4030 Droge heiden is het eindoordeel "Nee, tenzij". Dit betekent dat verslechtering niet uitgesloten kan worden en dat de huidige maatregelen onvoldoende zekerheid bieden om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen. Hoewel de stikstofdepositie naar verwachting in 2030 daalt tot nabij of onder de kritische depositiewaarde, blijven de effecten van langdurige stikstofbelasting en verdroging relevant. Aanvullende herstelmaatregelen, zoals bodemherstel en verbetering van hydrologische condities, zijn noodzakelijk om het habitat duurzaam te herstellen. Van de Vogelrichtlijnsoorten hebben A224 Nachtzwaluw en A276 Roodborsttapuit een "Ja" als beoordeling gekregen, wat betekent dat de instandhoudingsdoelstellingen haalbaar zijn met de huidige maatregelen. De soort A107 Korhoen is beoordeeld met "Nee, tenzij", wat betekent dat verslechtering niet uitgesloten kan worden. De huidige maatregelen zijn onvoldoende om duurzame instandhouding te waarborgen. Belangrijke knelpunten zijn onder andere de te geringe omvang en kwaliteit van het leefgebied, versnippering, en recreatiedruk. Daarnaast speelt stikstof een rol via effecten op de voedselbeschikbaarheid voor kuikens. Samenvattend is er één habitattype (H4030 Droge heiden) en één Vogelrichtlijnsoort (A107 Korhoen) waarvoor verslechtering niet uitgesloten kan worden.

In beide gevallen zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om de doelen te behalen en een gunstige staat van instandhouding te realiseren. 5.1.6.2. Effectanalyse De geringe toename in stikstofdepositie als gevolg van het project is voor de habitattypen op de Sallandse Heuvelrug tientallen malen kleiner dan de autonome afname van de achtergronddepositie op basis van bestaand beleid, zoals weergegeven in AERIUS Monitor. Bovendien komt de verwachte stikstofreductie door de Lbv en Lbv-plus bovenop deze daling, Pagina 33 van 149

Fueco.nl

aangezien deze regelingen niet in de prognose van AERIUS Monitor zijn opgenomen. Gezien de omvang van de autonome afname en de beperkte projectbijdrage, kan de toename als gevolg van het project dan ook niet leiden tot significante negatieve effecten op de betrokken habitattypen. De voorspelde afname van stikstofbelasting biedt zekerheid dat de druk op de Sallandse Heuvelrug in de toekomst zal afnemen. Tegelijkertijd blijft het cruciaal dat aanvullende maatregelen worden genomen en dat er sprake is van een brede, gecoördineerde aanpak om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren, zoals ook aanbevolen door de Ecologische Autoriteit. Een blijvende daling van stikstofuitstoot is hiervoor essentieel, maar deze kan worden bereikt via verschillende sporen. Dit blijkt onder meer uit de emissieprognoses van het RIVM en de daling die inmiddels is ingezet via de Lbv-regelingen. Het project staat deze daling op geen enkele wijze in de weg. Het project belemmert het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen geenszins.

5.2. Veluwe 5.2.1. Gebiedsschets Veluwe De Veluwe strekt zich uit over ongeveer 88.370 hectare en is daarmee het grootste landnatuurgebied van het land. Dit gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied, voor zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn. Deze aanwijzing, vastgesteld op 11 juni 2014 en aangepast op 29 september 2016, onderstreept de internationale betekenis van de Veluwe voor de biodiversiteit, met instandhoudingsdoelen voor 19 habitattypen, 7 habitatrichtlijnsoorten en 10 vogelrichtlijnsoorten (Provincie Gelderland, 2017a). De stuwwal waar de Veluwe op ligt is 150.000 jaar geleden ontstaan. Deze hogere ligging zorgt met de hoogteverschillen die daarbij horen voor een gevarieerd landschap. Historisch gezien is de Veluwe al sinds de prehistorie bewoond, waarbij de natuurlijke kenmerken en menselijke invloeden voortdurend met elkaar verweven zijn. Het landschap, gekenmerkt door stuwwallen die ontstaan zijn tijdens de voorlaatste ijstijd, heeft zich ontwikkeld door de interactie tussen natuurlijke processen en menselijk gebruik. Deze dynamiek heeft geleid tot een diverse ecologie, waarin zowel natuurlijke als antropogene elementen een rol spelen (Provincie Gelderland, 2017b). Ecologisch gezien vormt de Veluwe een complex systeem van verschillende ecosystemen.

Ongeveer 70% van het gebied bestaat uit bos, waarvan het merendeel relatief jong is en is aangeplant in de 19e eeuw. Dit heeft geleid tot een verscheidenheid aan bossen, maar ook tot een verminderde biodiversiteit in vergelijking met de oorspronkelijke loofbossen die in het gebied voorkwamen. De bossen zijn door de jaren heen onderhevig geweest aan successie en beheersmaatregelen, waardoor ze geleidelijk een natuurlijker karakter hebben gekregen (Arcadis et al., 2023). Daarnaast omvat de Veluwe diverse open zandlandschappen, waar voedselarme en droge omstandigheden heersen. Deze gebieden zijn in de loop der tijd veranderd door ontbossing, begrazing en landbouwpraktijken, waardoor unieke heide- en stuifzandecosystemen zijn Pagina 34 van 149

Fueco.nl

ontstaan. De natte terreinen, zoals vennen en moerassen, zijn eveneens van ecologisch belang, omdat ze belangrijke leefgebieden vormen voor diverse flora en fauna. Deze gebieden zijn vaak ontstaan uit stagnatie van regenwater op ondoorlatende bodemlagen. De bekenlandschappen aan de randen van de Veluwe, waaronder sprengenbeken die zijn gegraven voor waterwinning, zijn van belang voor het hydrologische systeem van het gebied. Ze zorgen voor een constante aanvoer van grondwater, wat de biodiversiteit in de beekdalen bevordert. Dit waterregime varieert van droog tot zeer nat, wat resulteert in een rijke verscheidenheid aan vegetatie en dieren (Arcadis et al., 2023) Het huidige ecosysteem van de Veluwe is een unieke samensmelting van geologische processen, wat heeft geleid tot haar kenmerkende landschap van heuvels, dalen en zandige bodems, en van eeuwenlange menselijke invloed. Dit unieke landschap is gevormd door zowel landbouwactiviteiten als bosbouw, die hebben geleid tot de huidige afwisseling van heidevelden, bossen en open grasland. Het beheer van dit gebied is cruciaal om de diverse habitats en soorten in stand te houden. Door het toepassen van gericht beheer kan de kwaliteit van de natuur verder worden verbeterd en kan de biodiversiteit worden bevorderd (Provincie Gelderland, 2017a).

Om de beoordeling voor de Veluwe overzichtelijk en samenhangend te maken, zijn de habitattypen op de Veluwe gegroepeerd in clusters. Deze clustering volgt de indeling uit de herstelprogramma’s van provincie Gelderland, waarbij habitattypen met vergelijkbare ecologische kenmerken, knelpunten en herstelopgaven gezamenlijk worden behandeld. 5.2.2. Cluster Heiden en stuifzanden 5.2.2.1. H2310 Stuifzandheiden met struikhei Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Stuifzandheiden met struikhei (officiële naam: Psammofiele heide met Calluna en Genista) bestaan uit dwergstruiken op droge, voedselarme zandgronden die ontstonden door herverstuiving van dekzanden, vooral na de late Middeleeuwen. Deze bodems zijn zuur en kalkarm en hebben zich nog niet of nauwelijks ontwikkeld tot podzolprofielen. Struikhei (Calluna vulgaris) domineert vaak, maar andere dwergstruiken zoals blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) en rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea) kunnen ook aanwezig zijn. Ook als gewone dophei (Erica tetralix) domineert over struikhei, kan dit vanwege de vegetatiekundige definitie nog steeds tot dit habitattype behoren. Daarnaast kunnen gras- en struiroeiingen, zoals bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en brem (Cytisus scoparius), een mozaïek vormen met de dwergstruiken.

Op steile noordhellingen kan een mosrijke heide ontstaan door het vochtiger microklimaat, terwijl op aan het zuiden blootgestelde hellingen een korstmosrijke variant voorkomt (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008v). Op de Veluwe komt het habitattype verspreid over het gebied voor met een totaal areaal van 1.862,1 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). Voor zowel het oppervlak als de kwaliteit is de instandhoudingsdoelstelling ‘vergroten’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen niet gehaald zullen worden (Arcadis et al., 2023). Daarnaast hebben Natura 2000 kernopgaven 6.08 (vergroting areaal en verbeteren kwaliteit) en 6.09 (verbinden heide- en stuifzandcomplexen Pagina 35 van 149

Fueco.nl

met oog op fauna) betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). Het habitattype scoort op de Veluwe goed op landschappelijke positie en samenhang, omdat het vaak bestaat als ongestoorde randzone van stuifzandgebieden. De structuurkwaliteit varieert echter sterk, met weinig kenmerkende eilandpatronen van dwergstruiken, open zand en korstmossen. De functie voor flora is goed, maar voor fauna is deze overwegend slecht (Arcadis et al., 2023). Zowel oppervlakte als kwaliteit zijn tussen 1995 en 2017 ongeveer gelijk gebleven (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype hebben betrekking op stikstofdepositie, successie (vergrassing en verbossing), versnippering van het areaal en een tekort aan nutriënten. Een verhoogde stikstofdepositie leidt tot verzuring, ammonium- en aluminiumtoxiciteit, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten. Wanneer er meer stikstof beschikbaar is, wordt het zand rapper vastgelegd door algen. Het proces van successie naar andere vegetatiestadia wordt hierdoor versneld, grove den (Pinus sylvestris) vindt vaker groeiplaatsen en het invasieve mos grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus, ook wel tankmos genoemd) raakt gevestigd. Hierdoor vindt er minder verstuiving plaats, waardoor de dynamiek, die van groot belang is voor het behoud van dit habitattype, keldert.

Bovendien kan verdroging een rol gaan spelen, omdat de verdamping in bossen hoger ligt dan in open zandlandschappen. De versnippering van het areaal is een bijkomend probleem, omdat organismen geïsoleerd kunnen raken in stukken stuifzandlandschap die te klein zijn om een populatie duurzaam te kunnen ondersteunen. Deze soorten kunnen vervolgens lokaal uitsterven, wanneer de afstand tussen geschikte habitattypes te groot is om te overbruggen. Tenslotte is suboptimaal beheer een additioneel knelpunt. Zandverstuivingen zijn dynamische landschapstypen die sterk veranderen door tijd en ruimte. Beheer is vaak gericht om hetzelfde habitattype op dezelfde plek behouden, wat dikwijls tegenstrijdig is aan de dynamische eigenschappen van zandverstuivingen. Omdat beheerders niet altijd samenwerken, kan dit tot problemen leiden wanneer het habitattype zich begint te vestigen op een plek waar dit niet was voorzien (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.2.2. H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (officiële naam: Psammofiele heide met Calluna en Empetrum nigrum) zijn droge heiden in binnenlandse zandgebieden, gedomineerd door kraaihei (Empetrum nigrum) met soms andere dwergstruiken zoals struikhei (Calluna vulgaris) en bosbes (Vaccinium).

Ze komen vooral voor op voormalige stuifduinen, voornamelijk op koelere noordelijke hellingen en in laagten, vanwege de voorkeur van kraaihei voor een koel en vochtig klimaat. Dit habitattype bestaat uit open begroeiingen, soms in mozaïek met boomgroepen, maar bossen met kraaihei als ondergroei behoren hier niet toe. Het habitattype is de noordelijke tegenhanger van Habitattype 2310 (Stuifzandheiden met struikhei), met weinig verschillen in soortensamenstelling (op de dominantie van kraaihei na). Wel hebben kraaiheibegroeiingen meer blad- en levermossen en minder korstmossen. Deze verschillen worden veroorzaakt door het koelere, vochtigere microklimaat van de kraaiheibegroeiingen (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008w). Op de Veluwe komen kraaiheibegroeiingen vooral in het noordelijke deel van het gebied voor, met een totaal areaal van 184,11 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Pagina 36 van 149

Fueco.nl

Volksgezondheid en Milieu, 2024). De instandhoudingsdoelstelling voor zowel kwaliteit als oppervlakte is ‘behouden’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen gehaald kunnen worden (Arcadis et al., 2023). Daarnaast hebben Natura 2000 kernopgaven 6.08 (vergroting areaal en verbeteren kwaliteit) en 6.09 (verbinden heideen stuifzandcomplexen met oog op fauna) betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). De kwaliteit van het habitattype is goed op basis van landschappelijke positie en samenhang, oppervlaktebehoefte en structuur, maar de kwaliteit op basis van het aantal karakteristieke soorten is onbekend (Arcadis et al., 2023). Zowel oppervlak als kwaliteit zijn tussen 1995 en 2017 ongeveer gelijk gebleven. De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype hebben betrekking op stikstofdepositie, successie (vergrassing en verbossing) en een tekort aan nutriënten. Een verhoogde stikstofdepositie in dit habitattype leidt tot verzuring, ammoniumtoxiciteit, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten. Door vermesting gaat kraaihei nog sterker domineren, samen met grassen, waardoor andere karakteristieke soorten (met name korst- en levermossen) worden verdrongen. Wanneer (loof)bomen zich ook vestigen in dit habitattype, wordt uiteindelijk ook de kraaihei verdrongen en vindt verbossing plaats.

Daarnaast is er sprake van een problematische afname van de invoer van micronutriënten door het verdwijnen van actieve zandverstuivingen en mineraalrijke landschapselementen. Dit kan leiden tot een achteruitgang van voor dit habitattype karakteristieke flora en fauna (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.2.3. H2330 Zandverstuivingen Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Zandverstuivingen (officiële naam: Open grasland met Corynephorus- en Agrostis-soorten op landduinen) bestaan uit pionierbegroeiingen afgewisseld met onbegroeid zand op droge, voedselarme zandgronden in binnenlandse stuifzandgebieden. Het kan op kleine schaal in heidelandschappen voorkomen of grootschalig ontwikkeld zijn tot een zandverstuivingslandschap. Zonder periodiek herstel groeien de kleine gebieden dicht, die vaak omgeven zijn door Habitattype 2310 (Stuifzandheiden met struikhei), terwijl de grootschalige gebieden een dynamisch landschap van begroeide duinen en onbegroeide laagten vormen. In uitgestoven laagten kunnen vochtige pioniervegetaties en vennen ontstaan, die de totale biodiversiteit van het gebied bevorderen. Opstuivend zand wordt door vegetatie vastgelegd, die gedurende de successie verloopt van buntgras (Corynephorus canescens) en algen, via mossen en korstmossen, tot uiteindelijk grassen.

Wind- en watererosie zijn bovendien belangrijke factoren bij de vorming van het landschap. Dit milieu is zeer arm aan soorten vaatplanten, maar rijk aan korstmossen en omvat enkele soorten fauna die aan de extreme omstandigheden zijn aangepast. Grootschalige stuifzanden, vooral in combinatie met heidelandschappen, zijn over het algemeen soortenrijker dan kleinere gebieden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008h). Zandverstuivingen komen op de Veluwe vooral voor in het noorden en het oosten, met een totaal areaal van 2254,8 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). De instandhoudingsdoelstelling voor zowel oppervlakte als kwaliteit is ‘vergroten’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en Pagina 37 van 149

Fueco.nl

herstelmaatregelen niet gehaald zullen worden (Arcadis et al., 2023). Daarnaast hebben Natura 2000 kernopgaven 6.08 (vergroten areaal en verbeteren kwaliteit), 6.09 (verbinden heide- en stuifzandcomplexen met oog op fauna) en 6.12 (vergroten areaal gevarieerde zandverstuivingen met overgangen naar droge heide en bossen) betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). Het habitattype scoort overwegend goed op landschappelijke positie en samenhang en voldoet meestal aan de oppervlaktebehoefte, maar de structuurkwaliteit varieert sterk. Hoewel begrazing in de meeste clusters plaatsvindt en de functie voor flora goed is, komt op veel plekken het invasieve grijs kronkelsteeltje (Campylopus introflexus) voor en is de recreatiedruk hoog. De kwaliteit voor fauna wordt overal als onvoldoende beoordeeld (Arcadis et al., 2023). Het oppervlak van dit habitattype is tussen 1995 en 2017 iets toegenomen en de kwaliteit is in dit tijdsbestek ongeveer gelijk gebleven (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten worden gevormd door stikstofdepositie, successie (vergrassing en verbossing), versnippering van het areaal en het achteruitgaan van de verstuivingsdynamiek. Een verhoogde stikstofdepositie leidt bij zandverstuivingen tot verzuring, ammonium- en aluminiumtoxiciteit, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten.

Het habitattype is erg gevoelig voor stikstof, omdat stuifzand inert is (reageert niet met andere chemische stoffen) waardoor verzuring rap opbouwt. De relatieve hoeveelheid toxische aluminium- en ammoniumionen neemt hierdoor toe, wat funest kan zijn voor een groot aantal karakteristieke plantensoorten. In stikstofrijke zandverstuivingen leggen algen het zand vast, waardoor het proces van successie versnelt: opslag van grove den (Pinus sylvestris) en een toename van het invasieve grijs kronkelsteeltje zorgen voor een afname van de hoeveelheid kale grond en daarmee ook de dynamiek van het stuiflandschap. Dit wordt verergerd door het feit dat veel zandverstuivingen te klein zijn voor een volledige windwerking, welke wordt geremd door naastgelegen bomen en bossen, en doordat beheer vaak gericht is op het behouden van habitattypes op dezelfde locaties. Dit gebrek aan stuifdynamiek leidt op landschapsschaal tot een afname van de habitatkwaliteit, ook voor andere habitattypen die in relatie bestaan met instuivend zand. Tenslotte zorgt bosopslag ook voor verdroging, doordat de verdamping in bossen sneller gaat dan op open zandterreinen (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.2.4.

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Vochtige heiden (officiële naam: Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix) subtype A (hogere zandgronden) komen voor op voedselarme, zeer natte tot vochtige, matig zure tot zure bodems, voornamelijk op de hogere zandgronden en in het heuvelland. Ze worden gekenmerkt door een hoge bedekking van gewone dophei (Erica tetralix) en kunnen samen voorkomen met pijpenstrootje (Molinia caerulea) en veenmos (Sphagnum), mits deze soorten niet overheersen. De variatie in deze heiden hangt af van de waterhuishouding, bodemleemgehalte en ouderdom van de bodem. Vooral in open begroeiingen kan de vegetatie rijk zijn aan korstmossen, en op leemhoudende bodems komen vaak soorten voor van Pagina 38 van 149

Fueco.nl

habitattypen Blauwgraslanden (H6410) en Heischrale graslanden (H6230). Bij degradatie gaan grassen zoals pijpenstrootje domineren, of struiken zoals gagel (Myrica gale). Er zijn subassociaties met gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), korstmos, en rode en blauwe bosbes (Vaccinium vitis-idaea en Vaccinium myrtillus), afhankelijk van de lokale omstandigheden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008i). De grootste stukken vochtige heiden bevinden zich in het Kroondomein en op de Hoge Veluwe, met kleinere stukken op vlakten of glooiingen waar regenwater stagneert. Het totale areaal van dit habitattype op de Veluwe is 121,24 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). Voor zowel oppervlakte als kwaliteit is de instandhoudingsdoelstelling ‘vergroten’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen voorwaardelijk gehaald kunnen worden (Arcadis et al., 2023). Bovendien heeft Natura 2000 kernopgave 6.09 (verbinden heide- en stuifzandcomplexen) direct betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006).

Het habitattype scoort in de helft van de habitatclusters 'goed', vooral in natte heidegebieden met intacte bodem en hydrologie, terwijl in de andere helft de score 'voldoende' is door de afwezigheid van natte heide; op deze plekken ligt het habitattype in de randzone van vennen. In de meeste clusters wordt niet voldaan aan de oppervlaktebehoefte, en de kwaliteit op basis van structuur en functie varieert sterk, met weinig complete successiezoneringen. De kwaliteit van flora en fauna is echter bijna overal goed (Arcadis et al., 2023). Zowel het oppervlak als de kwaliteit van vochtige heide zijn in de twintigste eeuw sterk afgenomen, maar tussen 1995 en 2017 is het oppervlak ongeveer gelijk gebleven. De trend van de kwaliteit is niet geheel duidelijk, maar lijkt de laatste jaren te zijn gestabiliseerd (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten van dit habitattype hebben betrekking op stikstofdepositie, successie (verbossing en vergrassing) en de versnippering van het areaal. Stikstofdepositie zorgt bij Vochtige heiden voor verzuring, ammoniumtoxiciteit, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten. Hoewel de optimale omstandigheden voor dit habitattype erg zuur zijn en verzuring op zichzelf niet snel voor het verdwijnen van Vochtige heiden zal zorgen, kan verzuring wel kenmerkende vegetaties binnen de grenzen van het habitattype achteruit doen gaan.

Dit vindt vooral plaats op de zwakst gebufferde plekken op de heide en wordt verergerd door de hoge concentraties ammonium die stikstofdepositie met zich meebrengt. Pijpenstrootje profiteert juist van deze ammonium en kan uiteindelijk de voor dit habitattype bepalende associatie van gewone dophei (Ericetum tetralicis) volledig verdringen. Tenslotte zorgt verbossing voor het dichtgroeien van vooral kleine heideterreinen, omdat deze meer invloed ondervinden van naastgelegen bossen dan grote terreinen. Zodoende wordt het proces van verbossing verergert door areaalversnippering (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.2.5. H4030 Droge Heiden Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Dit habitattype (officiële naam: Droge Europese heide) omvat heidebegroeiingen in zowel laagland als gebergten van Europa, gedomineerd door struikhei (Calluna vulgaris), soms in combinatie met dwergstruiken, grassen en mossen. In Nederland komen ze vooral voor op droge, kalkarme zure bodems met een podzolprofiel, zoals dekzanden en stuwwallen. Struikhei domineert vaak, maar andere dwergstruiken zoals blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) en rode Pagina 39 van 149

Fueco.nl

bosbes (Vaccinium vitis-idaea) kunnen ook belangrijk zijn. Ook landschappen waar dophei (Erica tetralix) domineert kunnen onder dit habitattype vallen. Grassen zoals ruwe smele (Deschampsia flexuosa) en pijpenstrootje (Molinia caerulea) kunnen lokaal veelvuldig voorkomen, maar zolang ze niet overheersen, worden ook deze vegetaties tot het habitattype gerekend. Bremstruwelen (Cystius scoparius) en solitaire jeneverbessen (Juniperus oxycedrus) zijn ook vaak onderdeel van dit landschap, net als gaspeldoorn (Ulex europaeus). Afhankelijk van de bodemomstandigheden, zoals voedselrijkdom of vochtigheid, komen verschillende subassociaties voor. Vegetaties die niet tot dit habitattype worden gerekend zijn struikheibegroeiingen in duinen (habitattype H2150, Duinheiden met struikhei), op duinvaaggronden of vlakvaaggronden (habitattype H2310, Stuifzandheiden met struikhei) en op verdroogd hoogveen (habitattype H7120, Herstellende hoogvenen) (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008j). Het habitattype is verspreid over de gehele Veluwe en beslaat in totaal 9.798,51 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024).

Voor zowel oppervlakte als kwaliteit is de instandhoudingsdoelstelling ‘vergroten’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen voorwaardelijk behaald kunnen worden (Arcadis et al., 2023). Daarnaast hebben Natura 2000 kernopgaven 6.08 (vergroting areaal), 6.09 (verbinden heide- en stuifzandcomplexen) en 6.12 (vergroting areaal gevarieerde zandverstuivingen met overgangen naar droge heide en bossen) betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). In ruim een derde van de habitatclusters scoort het habitattype goed op inbedding in het heidelandschap, terwijl bijna de helft voldoende scoort. De oppervlaktebehoefte wordt meestal goed tot voldoende vervuld, maar de kwaliteit op basis van functie en structuur varieert sterk, met minimaal voldoende resultaten in de meeste clusters. Kwaliteit op basis van karakteristieke flora scoort over het algemeen goed, maar de kwaliteit voor karakteristieke fauna is minder hoog (Arcadis et al., 2023). Zowel het oppervlak als de kwaliteit zijn tussen 1995 en 2017 ongeveer gelijk gebleven (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten voor droge heide hebben betrekking tot stikstofdepositie, successie (verbossing en vergrassing), versnippering van het areaal en een tekort aan nutriënten.

Stikstofdepositie leidt op Droge heiden vooral tot verzuring, ammonium- en aluminiumtoxiciteit, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten. Hoewel de optimale omstandigheden van heide überhaupt zuur zijn, kan verdere verzuring ervoor zorgen dat kenmerkende vegetaties, zoals karakteristieke korstmossen, uit het landschap verdwijnen. Dit proces van kwaliteitsvermindering wordt verergerd door verhoogde concentraties ammonium en aluminium. Vermesting zorgt in de eerste instantie voor een versnelde groei van struikhei, waardoor de ondergrond sterker beschaduwd raakt en kenmerkende vegetatie minder kans krijgt om op te komen. Wanneer vervolgens grassen kunnen gaan domineren, bestaat de mogelijkheid dat de kwaliteit van de Droge heide steeds verder achteruitgaat en het habitattype uiteindelijk verdwijnt van de standplaats. Verbossing is met name een probleem bij heideterreinen die nabij bossen zijn gelegen. Een verhoogde stikstofdepositie naast deze bossen, in combinatie Pagina 40 van 149

Fueco.nl

met een toevoer van zaden, zorgt ervoor dat deze heideterreinen uiteindelijk kunnen dichtgroeien. Tenslotte is er op Droge heide sprake van een gebrek aan mineralen, omdat de landschapselementen in de directe nabijheid over het algemeen ook arm zijn in deze nutriënten. Bovendien is de instuif van zand tegenwoordig minimaal door een verslechtering van de dynamiek, wat verder bijdraagt aan het mineralentekort (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.2.6. H5130 Jeneverbesstruwelen Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Jeneverbesstruwelen (officiële naam: Juniperus communis-formaties in heide of kalkgrasland) groeien voornamelijk op voedselarme zandgronden, met een ondergroei van vooral struikhei (Calluna vulgaris) en bepaalde grassoorten zoals zandstruisgras (Agrostis vinealis), bochtige smele (Deschampsia flexuosa) en fijn schapegras (Festuca filiformis). Diverse mos- en korstmossoorten, zoals gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium), zijn er vaak talrijk. In Nederland komt dit habitattype alleen nog voor op droge, kalkarme zandgronden van open heidegebieden. Deze struikvegetatie lijkt verband te houden met traditioneel heidebeheer, maar experimenten met deze methodes hebben geen nieuwe struwelen opgeleverd. Ook in buurlanden is er sprake van veroudering van deze struwelen.

Een zeldzame variant met hondsroos (Rosa canina) komt voor op grazige, basenrijke zandgronden langs riviertjes. Losstaande struiken en naaldbossen met jeneverbes worden niet tot het habitattype gerekend (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008x). Op de Veluwe is dit habitattype geassocieerd met de aanwezigheid van stuifzanden. Verjonging vindt plaats op het Kootwijkerzand en het Artillerieschietkamp Oldebroek. Het totale areaal jeneverbesstruweel op de Veluwe beslaat 149,02 hectare(Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). De instandhoudingsdoelstelling voor oppervlakte is ‘behouden’ en voor kwaliteit is deze ‘vergroten’. Uit de Natuurdoelanalyse Veluwe blijkt dat met het huidig opgestelde Herstelprogramma Heiden en stuifzanden deze instandhoudingsdoelstellingen gehaald zullen worden (Arcadis et al., 2023). Natura 2000 kernopgave 6.09 (verbinden heide- en stuifzandcomplexen) heeft direct betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). Het habitattype scoort in de meeste habitatclusters goed op het gebied van landschappelijke positie en samenhang, waar jeneverbesstruwelen deel uitmaken van aaneengesloten heide- of stuifzandlandschappen. Hoewel de oppervlaktebehoefte meestal voldoende is, varieert de structurele kwaliteit sterk, maar is over het algemeen minimaal voldoende.

De functionele kwaliteit is echter minder goed door bodemverzuring en een te lage graasdruk (Arcadis et al., 2023). Sinds halverwege de 20e eeuw is het oppervlak van jeneverbesstruweel ongeveer gelijk gebleven, terwijl de kwaliteit achteruit is gegaan (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten van dit habitattype worden gevormd door stikstofdepositie, verbossing, versnippering van het areaal en een gebrek aan verjonging. Jeneverbesstruweel betreft een pionierbegroeiing met de hoogste biodiversiteitswaarde in een vroeg, open stadium. Atmosferische stikstof depositie heeft een versnellend effect op het dichtgroeien van de struwelen, waardoor zaden niet kunnen kiemen en verjonging niet kan optreden. Dit wordt verergerd door het feit dat stikstof naar verwacht een direct negatief effect heeft op het proces van kieming (verzuring). Hierdoor wordt verjonging van de populatie, waarvan momenteel de meeste individuen tegen het einde van hun levensduur aanzitten, haast onmogelijk. Dit wordt Pagina 41 van 149

Fueco.nl

verder verslechterd door de versnippering van het areaal van de jeneverbes. Omdat de plant tweehuizig is (mannelijke en vrouwelijke geslachtorganen zijn niet aanwezig in dezelfde individuen) kunnen er onoverbrugbare afstanden bestaan tussen geslachtsrijpe jeneverbessen, waardoor bestuiving niet kan optreden. Bovendien zorgt een verhoogde stikstoftoevoer voor een versnelling van successie door een bevordering van bodemvorming, waardoor aan pioniersstadia gebonden vegetatie verdwijnt (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.2.7. H6230dka Heischrale graslanden, droog en kalkarm Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek In Nederland bestaat dit habitattype (officiële naam: Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa)) uit redelijk gesloten, halfnatuurlijke graslanden op zure zand- en grindbodems. Heischrale graslanden zijn zeer soortenrijk en bevatten veel gras-, kruiden- en paddenstoelensoorten. Sommige van deze soorten komen ook voor in heidebegroeiingen. In Nederland komen heischrale graslanden voor in het heuvelland, de duinen en op de zandgronden van het binnenland. Er zijn verschillende variaties van dit habitattype, afhankelijk van de bodem.

Op de hogere zandgronden zijn ze te vinden op zowel vochtige (vochtig kalkarm, subtype H6230vka) als droge (droog kalkarm, subtype H6230dka) standplaatsen, waar respectievelijk de associatie van klokjesgras en borstelgras (Gentiano pneumonanthes-Nardetum) en de associatie van liggend walstro en schapengras (Galio hercynici-Festucetum ovinae) groeien (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008k). Dit habitattype is in het Natura 2000 doelendocument aangegeven als prioritair (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). Heischrale graslanden komen op de Veluwe verspreid over het gebied voor met een totaal areaal van 483,19 hectare (Provincie Gelderland, 2017b). De instandhoudingsdoelstelling voor zowel oppervlak als kwaliteit is ‘vergroten’, welke volgens de Natuurdoelanalyse Veluwe met de huidige beheer- en herstelmaatregelen niet gehaald zal worden (Arcadis et al., 2023). Natura 2000 kernopgave 6.09 (verbinden heide- en stuifzandcomplexen) heeft betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). Het habitattype scoort goed op inbedding in heidelandschap en voldoet meestal aan de oppervlaktebehoefte. De structuurkwaliteit is overwegend goed en begrazing van de meeste clusters draagt bij aan de functionele kwaliteit.

Hoewel de floristische kwaliteit goed is, is de kwaliteit voor fauna meestal onbekend en soms onvoldoende (Arcadis et al., 2023). De langdurige trends van zowel de kwaliteit als het oppervlak van dit habitattype zijn overwegend negatief, zowel gedurende de afgelopen decennia als de laatste eeuw (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten voor heischrale graslanden worden gevormd door de effecten van stikstofdepositie, andere bronnen van vermesting en successie (verbossing en vergrassing). Het zijn vegetatietypen die zeer gevoelig zijn voor stikstof en via meerdere wegen achteruitgaan als gevolg van verhoogde atmosferische depositie. Verzuring van de bodem verhoogt de concentratie aluminiumionen in het bodemvocht, waar de karakteristieke soorten van heischrale graslanden over het algemeen uitermate slecht tegen kunnen. Door vermesting gaan snelgroeiende plantensoorten, die algemeen zijn op voedselrijke bodems, domineren en zullen de typische soorten van armere bodems worden verdreven. Een hoge stikstofdepositie Pagina 42 van 149

Fueco.nl

leidt in heischrale graslanden dan ook tot een vermindering van de soortenrijkdom. Bovendien versnelt een verhoogde aanwezigheid van stikstof in de bodem het ontstaan van bosopslag in dit habitattype, wat een extra factor is die een vermindering van de karakteristieke soorten teweegbrengt (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.2.8. H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Dit habitattype (officiële naam: Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion) omvat pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden, die ontstaan door langdurige waterstagnatie in laagten, wat tegenwoordig zelden op natuurlijke wijze voorkomt. Meestal ontstaan ze door menselijk ingrijpen, zoals het steken van plaggen of intensieve betreding. Beide ontstaanswijzen leggen de minerale grond bloot waar dit habitattype aan is gebonden. Pioniersvegetaties met snavelbiezen groeien op zeer natte, voedselarme tot matig voedselarme zandbodems die zuur tot matig zuur zijn. Ze zijn vaak kortstondig aanwezig op geplagde plekken en heidepaadjes en ontwikkelen zich snel tot gesloten vochtige heidebegroeiingen van habitattype H4010 (Vochtige heiden) (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009e).

Op de Veluwe komen deze pioniervegetaties niet alleen op geplagde heide voor, maar op plaatsen die zonder direct menselijk ingrijpen tot stand zijn gekomen (bijvoorbeeld het Deelense Veld op de Hoge Veluwe en de Imbosch op de Veluwezoom). In totaal gaat het om 12,67 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). Voor zowel oppervlak als kwaliteit is de instandhoudingsdoelstelling ‘behouden’, wat volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen gehaald kan worden. De kwaliteit van het habitattype is over het algemeen goed, maar op meer dan de helft van de clusters wordt niet aan de oppervlaktebehoefte voldaan (Arcadis et al., 2023). Zowel oppervlakte als kwaliteit zijn op de Veluwe sinds 1995 toegenomen, met als kanttekening dat dit overwegend op stukken geplagde heide gebeurt en niet door natuurlijk voorkomende waterstagnatie (Provincie Gelderland, 2017b). De voornaamste knelpunten voor de pioniervegetaties hebben met name betrekking tot stikstofdepositie, verdroging, vergrassing en de versnippering van het areaal. Een verhoogde stikstoftoevoer zorgt voor ammoniumtoxiciteit en dominantie van algemene, snelgroeiende soorten.

Deze versnelling van het successieproces is funest voor dit habitattype met typische vegetatie uit een zeer vroeg stadium Bovendien creëert verzuring suboptimale omstandigheden voor de plantenassociatie van moeraswolfsklauw en snavelbies (LycopodioRhynchosporetum), het kenmerkende vegetatietype van deze habitat. Verdroging wordt over het algemeen veroorzaakt door ontwatering, waterwinning en verhoogde verdamping door nabijgelegen bossen. Het versterkt de effecten van atmosferische depositie en versnelt zodoende het successieproces (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.3. Cluster Vennen en venen 5.2.3.1. H3130 Zwakgebufferde vennen Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Pagina 43 van 149

Fueco.nl

Zwakgebufferde vennen (officiële naam: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea) omvatten begroeiingen van zwakgebufferde vennen, die niet koolstofgelimiteerd zijn (in tegenstelling tot Habitattype 3110 Zeer zwakgebufferde vennen) en een breed scala aan soorten (waaronder pioniersoorten) herbergen. Hoewel deze vennen meestal klein zijn, vertonen ze grote variatie in leefgemeenschappen en milieuomstandigheden, van zeer voedselarm tot voedselarm en van aquatisch tot vochtig. Ze kunnen ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen, en de pioniergemeenschappen komen soms ook voor op kale vochtige plekken buiten de vensystemen, zoals op natte heide. De begroeiingen vormen smalle zones of mozaïeken en in sommige vennen kan de drijvende waterweegbree (Luronium natans) grote populaties vormen. Bij degradatie door verzuring en vermesting nemen soorten zoals pijpenstrootje (Molinia caerulea) en veenmossen (Sphagnum) de overhand; dergelijke vennen worden niet tot dit habitattype gerekend (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009a). Op de Veluwe komen zwakgebufferde vennen voor in leemkuilen met een totaal areaal van 5,87 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024).

De instandhoudingsdoelstelling voor zowel oppervlakte als kwaliteit is ‘behouden’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen niet gehaald zullen worden (Arcadis et al., 2023). De actuele kwaliteit van dit habitattype is onbekend. Het oppervlak van dit habitattype is tussen 1995 en 2017 toegenomen. In hetzelfde tijdsbestek is de kwaliteit gelijk gebleven of iets toegenomen (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten voor zwakgebufferde vennen hebben betrekking op stikstofdepositie, vermesting, verdroging en verbossing. Het habitattype is uitermate gevoelig voor stikstofdepositie, wat op meerdere manieren leidt tot een achteruitgang in oppervlakte en kwaliteit. Door verzuring van het ven verdwijnen karakteristieke planten die niet tegen een omgeving met een lage pH kunnen, terwijl vermesting zorgt voor het woekeren van vegetatie die optimaal gebruikmaakt van de hoge stikstofbeschikbaarheid. Deze vermesting vindt overigens ook plaats door het inspoelen van meststoffen via grondwater, uitwerpselen van aanwezige vogels en het inwaaien van bladafval vanuit nabijgelegen bossen. Deze bossen vangen bovendien ook meer atmosferische stikstof, wat via grondwater uiteindelijk bij de vennen terecht kan komen.

Tenslotte zorgen grondwateronttrekkingen, veranderingen in de hydrologie van het gebied en beplanting met naaldbos voor verdroging van het habitattype. Hierdoor vermindert de buffercapaciteit, waardoor verzuring nog sneller plaatsvindt. Bovendien kan dood organisch materiaal dat droog komt te liggen gaan rotten. De voedingsstoffen die daarbij vrijkomen dragen verder bij aan de vermesting van de vennen. Ook kan de oeverzone dichtgroeien wanneer deze niet in de winter onder water komt te staan (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.3.2. H3160 Zure vennen Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek Zure vennen (officiële naam: Dystrofe natuurlijke poelen en meren) omvatten natuurlijke poelen en meren met zuur, zeer voedselarm water en veenmodder, vrijwel exclusief gevoed door regenwater, zoals heidevennen en vennen in hoogveengebieden. De vegetatie bestaat uit open waterplanten en jonge verlandingsstadia, vaak gekenmerkt door schijngrassen (zoals snavelzegge (Carex rostrata) en draadzegge (Carex lasiocarpa)) en veenpluis (Eriophorum Pagina 44 van 149

Fueco.nl

angustifolium). Bij voldoende aanwezige koolstofdioxide is het water volledig gevuld met zwevende of drijvende planten, maar bij een gebrek aan CO2 blijft de vegetatie beperkt. Wanneer veenmos de overhand krijgt, kunnen deze vennen overgaan in habitattype H7110 (Actief hoogveen). Bij degradatie worden de vennen soortenarm, met dominantie van waterveenmos (Sphagnum cuspidatum), geoord veenmos (Sphagnum denticulatum) en pijpenstrootje (Molinia caerulea). Dit soort vennen worden dan niet tot het habitattype gerekend. Dystrofe poelen in hoogveengebieden zijn vaak onderdeel van grotere hoogveensystemen; deze gevallen worden gerekend tot habitattype H7110 (Actief hoogveen) of habitattype H7120 (Herstellend hoogveen) (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009b). Op de Veluwe komen zure vennen vooral voor op lage stukken terrein met vochtige heide, met een totaal areaal van 32,56 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). De instandhoudingsdoelstelling voor kwaliteit is ‘vergroten’ en voor oppervlakte is deze ‘behouden’. Volgens de Natuurdoelanalyse worden deze doelstellingen met de huidige beheer- en herstelmaatregelen niet gehaald (Arcadis et al., 2023). Natura 2000 kernopgave 6.03 is volledig toegespitst op de kwaliteitsverbetering van dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006).

De actuele kwaliteit van dit habitattype is onbekend. Het oppervlak van dit habitattype is tussen 1995 en 2017 gelijk gebleven. In hetzelfde tijdsbestek is de kwaliteit ook gelijk gebleven of iets toegenomen (Provincie Gelderland, 2017b). De belangrijkste knelpunten voor zure vennen hebben betrekking op stikstofdepositie, vermesting, verdroging en successie (verbossing en vergrassing). Stikstof kan in de eerste instantie worden opgenomen door het aanwezige veenmos, maar hoopt uiteindelijk op in het bodemvocht en komt vrij beschikbaar voor vaatplanten en algen. De verhoogde groei van algen remt vervolgens de veenmosontwikkeling, waardoor de mogelijkheid om stikstof op te nemen nog verder daalt; zodoende is er sprake van een neerwaartse spiraal wat betreft de veenmosgroei onder invloed van stikstof. Vermesting vindt ook plaats door het inspoelen van meststoffen via grondwater, uitwerpselen van aanwezige vogels en het inwaaien van bladafval vanuit nabijgelegen bossen. Deze bossen vangen bovendien meer atmosferische stikstof, wat via het grondwater uiteindelijk bij de vennen terecht kan komen. De effecten van stikstofdepositie en vermesting worden verergerd door verdroging, waardoor pijpenstrootje in het ven kan gaan groeien wanneer ’s zomers de waterstand te laag is.

Verdroging vindt vooral plaats door grondwateronttrekkingen, veranderingen in de hydrologie van het gebied, beplanting met naaldbos, verdamping tijdens hete zomers en verstoring van de waterondoorlatende lagen waarop de vennen liggen. Onder invloed van verdroging en vermesting kan verlanding er uiteindelijk voor zorgen dat het ven volledig verdwijnt. Tenslotte heeft ook de achteruitgang van stuifzandlandschappen een effect op Zure vennen. Instuivend zand kan zorgen voor een toevoer van gunstige mineralen, maar deze influx is tegenwoordig miniem door een gebrek aan goed functionerende zandverstuivingen (Provincie Gelderland, 2017b). 5.2.3.3. H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) Instandhoudingsdoelstelling, actuele staat en problematiek

Pagina 45 van 149

Fueco.nl

Actieve hoogvenen (officiële naam: Actief hoogveen) hebben een goed functionerende toplaag (acrotelm) van veenmos (Sphagnum) waar actieve hoogveenvorming plaatsvindt, wat betekent dat veenmossen meer organisch materiaal opbouwen dan er afbreekt. Dit levende hoogveen houdt regenwater vast en zorgt voor een nat, zuur milieu waarin afgestorven plantendelen langzaam verteren, wat resulteert in de ophoping van organisch materiaal en een sponsachtig systeem. Kenmerkend zijn bulten en slenken, waarbij de bulten vaak bedekt zijn met dwergstruiken zoals dophei (Erica tetralix) en struikhei (Calluna vulgaris). Hoogveensystemen kunnen op verschillende schalen voorkomen, van grootschalige landschappen met een stabiele waterhuishouding tot kleinere heideveentjes (subtype B), zoals op de Veluwe het geval is. Heideveentjes ontstaan in verlande vennen en op hellingen, waar veenmospakketten de eerste stadia van verlanding vormen en nog tot habitattype H3160 (Zure vennen) behoren. Bij verdere ontwikkeling kunnen deze veentjes overgaan in volwaardige hoogveenvegetaties met dophei, veenmos en witte snavelbies (Rhynchospora alba) (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009d). Het habitattype is in het Natura 2000 doelendocument aangegeven als prioritair (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006).

Op de Veluwe zijn enkele heideveentjes te vinden in het Deelense Veld, Kootwijkerveen, Mosterdveen en de leemputten van Staverden, met een totaal areaal van 4,89 hectare (Provincie Gelderland, 2017b; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2024). Voor zowel oppervlak als kwaliteit is de instandhoudingsdoelstelling ‘vergroten’, welke volgens de Natuurdoelanalyse met de huidige beheer- en herstelmaatregelen niet gehaald zal worden (Arcadis et al., 2023). Natura 2000 kernopgave 6.04 (kwaliteitsverbetering van Actieve hoogvenen) heeft direct betrekking op dit habitattype (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006). Er is te weinig informatie beschikbaar om uitspraken te doen over de actuele kwaliteit. De afgelopen decennia neemt de kwaliteit van de Veluwse heideveentjes af, terwijl het oppervlak stabiel is gebleven. De knelpunten voor dit habitattype hebben vooral te maken met stikstofdepositie, verdroging en successie. Heideveentjes zijn uitermate gevoelig voor stikstofoverbelasting en lijden vooral onder de gevolgen van vermesting. Waar verzuring in dit toch al zure habitattype alleen een probleem vormt op delen die naast regenwater ook door basisch kwelwater worden gevoed, is vermesting overal waar hoogveen voorkomt problematisch door het ontstaan van een positieve terugkoppeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=fa5644a3-b13a-461d-ae64-2be4d770a137