CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1097018 – bijlage 2 – motivering (mtv) en regels (rgls)

Raadsvergadering 13 oktober 2025, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplanwijziging project Leesten Schouwbroek, Zutphen27.492 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er

gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek Met onderhavig initiatief worden geurgevoelige functies mogelijk gemaakt. In het kader van de ontwikkeling is advies uitgebracht door de Omgevingsdienst Achterhoek (zie bijlage 7). Uit de rapportering blijkt dat het

woon- en leefklimaat in het plangebied voldoet aan de eisen met betrekking tot de voor- en achtergrondbelasting vanwege de aanwezigheid van verschillende agrarische bedrijven omdat negatieve effecten ten aanzien van de meeste in de omgeving gelegen veehouderijen op voorhand kunnen worden

uitgesloten. Ten aanzien van de manege en melkveehouderij aan de Rouwbroekweg 2 is in het ontwerp rekening gehouden met de aan te houden afstand van 50 m. De afstand is 80 m. Hiermee zijn belemmeringen ten aanzien van het initiatief als gevolg van geur van deze veehouderij eveneens uit te sluiten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen 46

in hoofdstuk 6.

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid ofze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen

en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t.

geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige

functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg.

Voor andere

gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie

artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bk bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

IGeluidbronsoort

[Standaardwaarde, in d8. _ |Grenswaarde, in d8.

Rijks- en provinciale wegen. In Lden

50

|60

|53

170

Hoofd-en lokale spoorwegen. In Lden

ss

|65

Industrieterrein

50

55

[Gemeente- en waterschapswegen.

Standaardwaarde en renswaarde

30

InLden

Lden

Lnight

__

|ao

as

op de gevel van een geluidgevoelig gebouw b oelaten geluidbron, Tabel 334 en.3.35 8kl

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78I, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet

aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan

de standaardwaarde

als aanvaardbaar

beoordelen.

Het besluit moet

dan

voldoen

aan

de eisen

uit de

instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bk! bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: * _ op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:

1.

op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw

2.

op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw

* _ op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen * _ in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan

1.

als ze:

geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid

1, ondera Bkl); 2.

de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bki);

3.

bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);

4.

besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bk|). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde.

Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 d8. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, id 1, onder a sub 1 Bkl); S.

het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl};

het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bk|). De geluidsregels van het Bk zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen

een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

(Geluidsaandachtsgebied

Breedte (m)

'Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder

100

'Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u

200

Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken

350

Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen

200

Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

350

Tabel:

Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaa, arikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan

1.000 motorvoertuigen per etmaal als

kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Planspecifiek

Voorliggend plan maakt geluidgevoelige bebouwing (woningen) mogelijk en een nieuwe ontsluiting van het plangebied. Om de geluidsituatie ter plaatse te beoordelen is een akoestisch onderzoek (bijlage 8) uitgevoerd.

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

31

Op basis van de eerdere akoestische verkenning is tijdens de ontwerpfase van het plan rekening gehouden met de akoestische situatie, omdat uit het onderzoek blijkt dat op enkele plekken de grenswaarden worden

overschreden. Het Voorlopig stedenbouwkundig Ontwerp (VO) is dan ook daarop aangepast. Het geluid door de gemeentelijke wegen is hoogstens 53 dB. Dit past binnen de streefwaarde uit het

gemeentelijke beleid en het Bkl. Het geluid door de provinciale wegen is op één appartementencomplex hoogstens 64 dB. Deze waarden zijn boven de standaardwaarde en grenswaarde uit het Bk!. Deze waarde voldoet wel aan de grenswaarde uit het gemeentelijke beleid (68 dB). Op de andere blokken langs de oostrand

van het plangebied is het geluid hoogstens 59 dB. Bij geluid hoger dan de streefwaarde heeft de gemeente de volgende aanvullende voorwaarden: * _ Minimaal één geluidluwe gevel met te openen delen grenzend aan de buitenlucht.

* _ Minimaal één buitenruimte aan de geluidluwe zijde. De oostgevel van de woningen aan de oostzijde van het plan ondervindt geluid boven de standaardwaarde door de provinciale weg. De westgevel van de woningen is geluidluw. Bij het realiseren van de buitenruimte

moet ervoor gezorgd worden dat de buitenruimte (ook) aan deze zijde ligt. Voor de appartementen in het zuiden van het plangebied die nabij de rondweg zijn gelegen, zijn dan ook

maatregelen aan de gevel nodig omdat hier de grenswaarden worden overschreden. Met behulp van bouwtechnisch maatregelen zijn er voldoende mogelijkheden beschikbaar, zoals het toepassen van dove gevels en geluidluwe zijdes, om een goed binnenniveau en acceptabel woon- en leefklimaatte garanderen. Dit

kan bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald door middel van een onderzoek naar gevelwering. Om te waarborgen dat voldoende bouwkundige maatregelen aan de gevel worden toegepast, is hier in de planregels in voorzien. Andere maatregelen zoals afschermende

voorzieningen/ geluidmaatregelen zijn vanwege stedenbouw en landschap niet wenselijk.

32

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

Resultaten provinciale wegen op plan (bron: akoestisch onderzoek Adviesbureau De Haan)

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

47

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen n paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bk! gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare,

kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt)

kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare |ocaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare

gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 511 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VIlBki).

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

33

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer

personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bk!). Dit zijn gebieden rond jke stoffen di zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder

aanvullende

maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze

afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bk!). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan

gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 B!}.

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen,

maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de

toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval

met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek Met onderhavig initiatief worden

kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Via de website atlasleefomgeving.nl

kunnen de in de omgeving van het plangebied gelegen risicobronnen inzichtelijk worden gemaakt. Navolgende afbeelding geeft hiervan een weergave, met het plangebied rood omcirkeld.

Asieokoart(bron:

34

tlasleefomgeving}

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

Uit de risicokaart blijkt dat er relevante risicobronnen nabijgelegen zijn. Het plangebied ligt binnen de PR-contour en aandachtsgebieden van de hogedrukaardgasleidingen. Gelet op deze situatie is eerder een

vooradvies opgevraagd dat is opgenomen in bijlage 9 en bijlage 10 en is vervolgens in samenspraak met de omgevingsdienst en de VNOG voor het plangebied onderzoek verricht (bijlage 11 ). De adviezen zijn vanuit het sectorale aspect omgevingsveiligheid negatief vanwege de ligging van het plangebied in aandachtsgebieden. Uit het onderzoek blijkt dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor het plangebied. Voor alle aardgasleidingen geldt dat het groepsrisico in de huidige situatie kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde.

Na planrealisatie neemt het groepsrisico van de gasleidingen die door het plangebied lopen toe, maar blijft ruimschoots onder de oriëntatiewaarde.

Ondanks dat is het nodig om het groepsrisico te verantwoorden en

aan te geven of en waarom het groepsrisico acceptabel s in relatie tot de gehele planontwikkeling. Om het

groepsrisico te verantwoorden wordt gebruik gemaakt van het stappenplan van het RIVM. Zie daarvoor bijlage 11 zijn vormgegeven in overleg met de adviseurs (ODA en VNOG). De integrale afweging vindt plaats in hoofdstuk

6.

De VNOG adviseert over een aantal aspecten die van belang zijn om mee te wegen in de planontwikkeling en kunnen bijdragen aan het verkleinen van het risico. Binnen het brandaandachtsgebied zijn de

overlevingskansen bij een incident met fakkelbrand als gevolg van een lekkage zonder adeguate bescherming of tijdige evacuatie namelijk uiterst gering. Dit vormt een belemmering voor de zelfredzaamheid van bewoners als ook voor de inzetbaarheid van hulpdiensten vanwege het aspect hitte. Vanwege de ligging van de

appartementencomplexen en daarmee de hoeveelheid personen op korte afstand van de gasleidingen, bepaald en vastgelegd in het VO, wordt geadviseerd om tenminste risicobeperkende maatregelen toe te passen. Brandwerende maatregelen hebben enkel effect bij woningen op ca 200 m afstand. Dit kan middels

het aanwijzen van een brandvoorschriftengebied. Voorde woningen binnen 200 m afstand van de gasleidingen hebben brandwerende maatregelen geen effect omdat de materialen binnen deze afstand direct vlam zullen vatten. Risicobeperkende maatregelen zijn veelal organisatorisch van aard en hebben betrekking

op de volgende onderwerpen. Bestrijdbaarheid

Het is vanuit bestrijdbaarheid van een incident belangrijk dat er voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn. Dit wordt in de civiel technische uitwerking van het plan vormgegeven in samenwerking met de VNOG/ Brandweer.

Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid van bewoners is eveneens van belang bij een calamiteit. Appartementencomplexen zijn

lastiger te evacueren dan grondgebonden woningen. Het is dan ook zo dat de zelfredzaamheid zo groot mogelijk kan zijn door actieve informatie over vluchtroutes en een handelingsperspectief bij incidenten.

Dit

wordt verder vormgegeven n samenwerking met de Gasunie en VNOG/Brandweer. Bereikbaarheid en hulpverlening In het ontwerp is rekening gehouden met de ligging van de buisleidingen en het bijbehorende

belemmeringengebied. De woningen zijn hierbuiten gepositioneerd. Zie de afbeelding in paragraaf 4.6. Dit is een harde voorwaarde vanuit de leidingbeheerder. Hierdoor bestaat er ruimte voor onderhoud én op deze manier blijven de leidingen ongestoord liggen wat bijdraagt aan het voorkomen van incidenten.

Daarnaast is de ontsluiting van de wijk gepositioneerd aan de noordzijde van het plangebied en zijn er verbindingen/ doorgangen naar Leesten(-Oost). Deze routes worden allen ingericht op een manier dat evacuatie en hulpverlening mogelijk is. De ligging en de effecten van de hoogspanningsleiding wordt nader beschouwd in paragraaf 4.9.

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

35

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen

48

in hoofdstuk 6.

Trilling

Trilingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect

hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een

activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het B!. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: 3.

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

b.

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

c

gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

d.

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trilingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat.

Daarin worden regels gesteld aan

trilingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een

trilinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a

van de Bruidsschat.

Planspecifiek

In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9

_ Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient

rond dergelijke leidingen rekeningte worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

* _ gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; * _ aardgasleidingen afhankelijk van druk; + _

defensiebrandstoffen;

+ _ warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorzi

ing met een

diameter groter of gelijk aan 18 inch. Planspecifiek

Ten aanzien van de aanwezigheid van hoogspanningskabels is een magneetveldonderzoek (bijlage 12 en 13) uitgevoerd.

De specifieke magneetveldzones op 1 meter boven maaiveld hebben aan beide zijdes van de

masten een breedte variërend tussen 105 en 110 meter

ten opzichte van het hart van de hoogspanning:

het ontwerp voor de woonwijk is rekening gehouden met deze magneetveldzones, zoals ook zichtbaar is op de afbeelding in paragraaf 4.6. Hiermee leveren de hoogspanningskabels met bijbehorend magneetveld geen belemmeringen op ten aanzien van het

36

initiatief.

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

De buisleidingen zijn reeds behandeld in het kader van omgevingsveiligheid (paragraaf 4.7). Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.10

M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, ondera, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een

voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtl Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. E is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden

volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1.

De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.

2.

Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat.

3.

Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project

Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.

a.

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een

b.

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een

'project-mer-plicht'. 'project-mer-beoordelingsplicht’. Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan

wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit.

Daarmee geldt er dus ook voor

omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht. Planspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van maximaal 420 woningen. Dit valt onder een stedelijk

ontwikkelingsproject (categorie /11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom nodig.

Deze is opgenomen in bijlage 14. Hierin is geconcludeerd dat er geen

sprake is van aanzienlijke milieueffecten, mede gebaseerd op de diverse onderzoeken.

Het plan is niet

mer-plichtig.

4.11

Explosieven

Op vele locaties n Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de

ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het grondgebied van de gemeente Zutphen heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van

veiligheid en zorgvuldigheid gezochtte worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht.

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

37

Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is n het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echterte allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van

de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Planspecifiek

Uit de risicokaart van de gemeente Zutphen blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van schermutselingen, bombardementen, vondsten of andere zaken waardoor het terrein verdacht zou kunnen zijn op niet-gesprongen explosieven. De kans op toevalstreffers is niet groot. Bij de uitvoering van de

werkzaamheden wordt het werkprotocol spontane vondst toegepast. Hiermee is de veiligheid voldoende gewaarborgd.

38

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

Voor de uitgevoerde onderzoeken is het VO als basis

gebruikt waarin 425 woningen zijn opgenomen.

51

Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bk! regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor

een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad

van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren,

detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m? of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m?. De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het

schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in meer dan 12 woningen, waardoor er sprake is van een een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee van toepassing. Navolgend wordt ingegaan

op de behoefte en locatie van het initiatief. Kwalitatieve en kwantitatieve behoefte Tot en met 2030 moet Gelderland circa 104.000 nieuwe woningen bouwen, waarvan bijna 66.500 betaalbare

woningen (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop). Om dit te realiseren zijn er in Gelderland 6 Woondeals afgesloten. Voor de woondeal wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2. Ook uit de gemeentelijke prognose (Woonbehoefteonderzoek Companen (2023) blijkt een actuele en structurele behoefte aan nieuwe

woningen in diverse segmenten. Voor de komende jaren is in Zutphen een woningbouwopgave voorzien van ruim 5.000 woningen tot 2040, waarvan een aanzienlijk deel in de periode tot 2030 gerealiseerd moet worden. Binnen deze opgave is er een sterke behoefte aan grondgebonden ge:

swoningen in het midden- en

betaalbare segment (voor de jonge gezinnen die zich graag vestigen in Zutphen), en is er een vraag naar appartementen in verschillende prijsklassen (gericht op behoud van jongeren en doorstroming ten behoeve van vergrijzing). In paragraaf 3.4.3 is toegelicht dat het initiatief passend is binnen het Afwegingskader

woningbouw, waarmee aangetoond is dat het initiatief een aanzienlijke bijdrage levert op het behalen van de ambities naar voldoende woningen, die tevens betaalbaar zijn en passen bij de demografische opbouw van Zutphen (vergrijzing, toenemende eenpersoonshuishoudens). Hierdoor

wordt een initiatief gerealiseerd dat in

aantal en in woningtypen aansluit bij de behoeften.

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

39

Locatie

De gemeente Zutphen zet maximaal in op binnenstedelijke woningbouw. Projecten zoals Noorderhaven,

omgeving stationsgebied en transformaties in en om de binnenstad leveren een bijdrage aan de woningbouwproductie.

Echter, de ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied is beperkt. Verdichting en

transformatie bieden slechts voor een deel uitkomst aan de opgave, mede vanwege ruimtelijke beperkingen,

milieuzoneringen en de noodzaak tot functiemenging. Een groot deel van de binnenstedelijke projecten i bovendien complex, kent een langere doorlooptijd en zal niet in voldoende mate voorzien in de vraag. Dit maakt dat aanvullende uitbreidingslocaties noodzakelijk zijn om tijdig en adequaat in de woningbehoefte te

voorzien. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat deze locatie ingezet wordt als uitleglocatie van Zutphen. deze manier wordt de wijk Leesten afgerond.

Op

Het plangebied is gelegen tussen de bestaande woningbouw van

Leesten en de rondweg met de hoogspanningsverbinding en gasleidingen als harde grens naar het landelijk

gebied.

Deze uitleglocatie is de enige aan deze zijde van de gemeente waar de gemeente zelf de regie op de

woningbouw in de hand heeft en er op die manier kan worden voorzien in de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Ook in het Afwegingskader

woningbouw

en de regionale Woondeal is rekening gehouden met de

afronding van de wijk Leesten, waar het gebied Leesten Schouwbroek als laatste onbebouwde gebied onderdeel van uitmaakt. De locatie leent zich dan ook goed voor een gedifferentieerde wijk met sociale huur, betaalbare koop en vrije sector, waarbij clustering van doelgroepen wordt vermeden. Hiermee ontstaat een

sociaal en ruimtelijk evenwichtige wijk met aandacht voor leefbaarheid en een directe aansluiting op voorzieningen en openbaar vervoer. Bij de ontwikkeling wordt ingezet op een duurzame en klimaatbestendige wijk, met aandacht voor energiezuinige bouw, waterberging en groenstructuren. Dit sluit aan bij de

gemeentelijke ambities op het gebied van duurzame verstedelijking.

De ontwikkeling vindt daarmee plaats op

een locatie passend bij het beleid in de gemeente Zutphen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2

_ Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk

in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van

het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet s als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en

dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie n de planvorming). Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bk{ s ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bk!). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten

die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd,

archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bk! regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten,

40

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische

beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is

gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied en in de directe omgeving

zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals

(rijksmonumenten aanwezig. Wel s ter plaatse van het plangebied een historische houtwal gelegen. Op basis

van het omgevingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming Waarde - Bos en landgoederen'.

Met deze beide gegevens is in het ontwerp rekening gehouden. Op die manier vindt een

ontwikkeling plaats die past bij de landschapsstructuren van het gebied en de cultuurhistorische waarden. Bos en landgoederen De gronden van het plangebied zijn in het vigerende omgevingsplan mede bedoeld voor het herstel en de

ontwikkeling van landschappelijke waarden, waaronder het contrast tussen open weilanden en bossen, variatie in dichtheid en soorten binnen bossen, ecologische waarden en lange doorgaande wegen, karakteristieke landgoederen en formele landhuizen. Het plangebied bestaat in de huidige situatie

voornamelijk uit een losgelegen weiland tussen stedelijke bebouwing en de rondweg. De specifieke waarden ten aanzien van bos en landgoederen zijn hiermee ter plaatse nauwelijks aanwezig. Het initiatief heeft hierop geen invloed. Houtwal

Ten aanzien van de bestaande historische houtwal die aan de westkant van het plangebied is gelegen, is een

plan (bijlage 15) opgesteld waarbij rekening is gehouden met de ecologische en cultuurhistorische waarde van deze houtwal. Uitgangspunten daarbij zijn om de waarden van de wal te beschermen en/of te behouden.

In

het ontwerp van de wijk is rekening gehouden met deze uitgangspunten. Archeologie In het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie lage

verwachtingswaarde'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen bouwwerken mogelijk maken groter dan 10.000 m? en grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder maaiveld. grenswaarden met dit plan worden overschreden is archeologisch

Omdat deze

onderzoek voorafgaand aan het uitvoeren

van werkzaamheden uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 16. Uit het onderzoek volgt dat het grootste gedeelte van het plangebied vrijgegeven kan worden waardoor er geen archeologische functie meer op het plangebied hoeft te rusten. Voor een aantal kleinere deellocaties geldt dat met nader onderzoek moet

worden onderzocht wat de exacte waarde van deze gebieden is en wat daarop het vervolg is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voordatde werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het bouw- en woonrijp maken, Voor het gedeelte waar nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden, blijft de dubbelbestemming gelden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

in hoofdstuk 6.

41

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht

blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten eefomgeving.

De regels van artikel 5.53 van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij

koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn n het Bkl diverse regels opgenomen.

Deze regels komen grotendeels

overeen met de regels die zijn opgenomen n de huidige Wet natuurbescherming.

Het gaat hierbij in de eerste

plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit

twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden

gebrachten beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura

2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

1.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

2.

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bk! staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor

Natuur gebeurd. Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke

maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 218 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen

van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: *

ersoorten aanwezig zijn; en

* _ welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

42

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen

Soortenbescherming Op basis van de uitgevoerde Quickscan, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 17, kan niet worden uitgesloten dat de geplande ingreep leidt tot overtreding van verbodsbepalingen waardoor er sprake wordt

van vergunningplichtige activiteiten omtrent beschermde soorten. Om die reden is in het rapport vervolgonderzoek geadviseerd. De uitkomsten van het vervolgonderzoek zijn opgenomen in bijlage 18. Op basis daarvan is een aanvraag omgevingsvergunning bij de provincie als bevoegd gezag ingediend. Gelet op

het voorgaande onderzoek en het opgestelde activiteitenplan met maatregelen is er geen reden om aan te nemen dat, mits de in het onderzoek en het activiteitenplan beschreven vervolgstappen genomen worden, deze vergunning niet verleend zou kunnen worden, Tevens dient rekeningte worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Overtredingen ten aanzien van

algemene broedvogels kan worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken Houtopstanden Overtredingen ten aanzien van houtopstanden kunnen op basis van de Quickscan worden uitgesloten. Gebiedsbescherming Wat betreft stikstof is een ecologische beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie uitgevoerd (bijlage 19).

Uit de beoordeling volgt dat bijdragen met betrekking tot stikstof dusdanig gering zijn dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Het initiatief heeft geen invloed op de huidige situatie of de mogelijkheden om een verbetering van de instandhouding te bereiken. Met betrekking tot stikstof zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het initiatief.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen

5.4

in hoofdstuk 6.

_ Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten.

Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het

toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Verkeer en ontsluiting Ten aanzien van de ontwikkeling is een Quickscan verkeer uitgevoerd (bijlage 20). In dit onderzoek is gekeken

naar de verkeersgeneratie vanwege de komst van de woningen. Uit het onderzoek volgt dat voor de drie mogelijke varianten voor de ontsluiting (zie paragraaf 2.2) verkeerskundig geen belemmeringen bestaan. Het ontsluiten van de wijk via deze weg leidt nergens tot een overbelaste situatie.

_ De ontsluiting is gelegen

op/aan de Kerkhofweg.

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

43

Parkeren

Voor

de parkeernorm zijn de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan Zutphen welke zijn opgenomen

in het bestemmingsplan 'Thematische herziening Standplaatsen Terrassen Evenementen Parkeren' van toepassing. In dit plan zijn de volgende parkeernormen opgenomen:

Soort woning

Parkeernorm (aantal

Aantal te realiseren

parkeerplaatsen per

woningen

Parkeerbehoefte

woning) Koopwoning vrijstaand

_

Koopwoning

|1,8

25

45 (eigen terrein)

17

30

51 (eigen terrein)

|1,4

30 appartementen

twee-onder-één kap

Koopwoning etage midden

42 (parkeerhof openbaar

betaalbaar laag en hoog

Koopwoning tussen/hoek

|1,5

147 rijwoningen

_ |gebied)

220,5 (parkeerhoven en langsparkeren openbaar [gebied)

Koopwoning etage

12

goedkoop

Sociale huurwoningen

_

33 appartementen

39,6 (parkeerhof

goedkope koop

\openbaar gebied)

|1 per appartement

150

|150 (parkeerhoven

2per

5

|openbaar gebied)

woonwagenstandplaats

10 (op het terrein van de

[woonwagenbewoners) Op grond van bovenstaande i er behoefte aan 558,1 = 558 parkeerplaatsen voor de woningbouwopgave. Binnen het plangebied zijn deze allen ingetekend. Daarnaast is er voor ruimte gezorgd om meer parkeerplaatsen aan te leggen. In het voorlopig ontwerp zijn in ieder geval 59 + 20 parkeerplaatsen extra

opgenomen. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte en is er voldoende ruimte voor parkeren in het plangebied.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5

_ Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen

verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor

klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij s het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied

als gevolg van klimaatverandering.

44

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

Wateroverlast

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel wateroverlast er ter plaatse van het plangebied een

toename van het aantal zeer natte dagen verwacht kan worden. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe, echter neemt de hoeveelheid neerslag in de zomer naar verwachting af ten opzichte de huidige situatie. Er is een kleine toename in de kans dat veel en langdurige regenval leidt tot grondwateroverlast in het plangebied

door de lage grondwaterstand. Er wordt in deze ontwikkeling fors ingezet op waterberging en het tegengaan van wateroverlast. Met onderhavig plan wordt voldoende waterberging gerealiseerd, waarmee de kans op het optreden van wateroverlast beperkt wordt.. Hittestress

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel hittestress er binnen het plangebied meer tropische dagen

en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij wordt het plangebied voor ruim 30 % ten behoeve van groen ingericht, ter voorkoming van hittestress en wateropvang. Droogte

De klimaateffectatlas laat wat betreft droogte zien dat in het plangebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater in en rond het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied

zelf. In het plangebied wordt hier fors op ingezet. Overstroming

De klimaateffectatlas laat zien dat het plangebied op enige afstand tot de IJssel ligt. Ter plaatse van het plangebied is een kleine tot extreem

kleine kans dat overstromingen optreden. In het geval van

overstromingen bestaan binnen het plangebied voldoende mogelijkheden tot schuilen. Daarnaast wordt het

plangebied goed ontsloten, waarmee de woningen bereikbaar zijn voor hulpdiensten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

in hoofdstuk 6.

45

Hoofdstuk 6

Conclusie

De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: * _ bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede

omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en « _ doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Het Bk bevat daartoe instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en de veiligheid tot doel hebben. Daarnaast kent het Bk instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Evenwicht

e toedeling van functies aan locaties

Om het omgevingsplan te wijzigen moet worden aangetoond dat er met de wijziging sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf wordt een conclusie getrokken ten aanzien

van de integrale weging van de aspecten die bij een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (uit hoofdstuk 4) en een goede omgevingskwaliteit (uit hoofdstuk 5) van toepassing zijn. Immers, één omgevingswaarde of —norm voor gezondheid en/of veiligheid bestaat er niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling

van deze sectorale aspecten van belang is. Uit voorgaande hoofstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste

ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geur, triling, luchtkwaliteiten bodem worden geen normen overschreden

Voor het aspect geluid geldt dat de ligging van het plangebied ten opzichte van de rondweg leidt tot een overschrijding van de grenswaarde ter plaatse van het geplande, grotere appartementencomplex. Het geluid op de gevels van de nieuwbouw past voor het overgrote deel binnen de waarden uit het BkI. Het verplaatsen

van deze nieuwbouw om wel te voldoen aan de grenswaarde is onderzocht, maar niet mogelijk. Geluidmaatregelen stuiten op bezwaren.

Daar waar het geluid hoger is dan de grenswaarde, zijn

niet-geluidgevoelige gevels nodig. Het gezamenlijke geluid is maximaal 64 dB. Cumulatie van geluid met

andere bronnen is niet aanwezig. Door het nieuwbouwplan treedt geen indirect akoestisch effect van veranderd verkeer op.

Het gemeentelijk geluidbeleid heeft als voorwaarde dat iedere woning een geluidluwe

zijde en een geluidluwe buitenruimte (geluid <=53 dB) moet hebben.

De geluidwering van de gevels zorgt

ervoor dat het geluid in de woningen voldoet aan de nieuwbouweisen van het Bbl en komt overeen met de voorwaarde uit het geluidbeleid.

Bij het ontwerp van de appartementen die zijn gelegen nabij de rondweg en

waar de belasting boven de grenswaarde is, moet middels maatregelen aan de gevel het binnenniveau worden

bereikt. Aangezien dit technische en bouwkundige maatregelen zijn, zijn deze ook goed toe te passen. In de planregels is hierin voorzien zodat er een waarborg is dat hier een gezond en veilig woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd. Voor het aspect omgevingsveiligheid geldt dat de ligging van de gasleidingen met bijbehorende risico's wettelijk acceptabe! zijn. De zorg voor een voldoende veilige en gezonde fysieke leefomgeving gaat in deze om

het voorkomen of beperken van slachtoffers en/of schade. De locatie en de opgave van en voor dit plangebied (waaronder woningbouw in verschillende woningbouwcategorieën, parkeren, klimaat, water, groen, ecologie, kabels en leidingen) hebben geleid tot een stedenbouwkundige en landschappelijke invulling die het

benodigde programma en de opgave voor dit gebied op een wenselijke manier invult. Door op een goede manier vluchtroutes, informatievoorziening en blusvoorzieningen te realiseren wordt het risico op slachtoffers

46

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

zoveel als mogelijk beperkt. Dit gebeurtop een zelfde manier als de naastgelegen delen van Leesten-Oost waar ook de ligging van de gasleiding vanuit omgevingsveiligheid een risico met zich mee kan brengen. Er zijn geen belemmeringen vanuit een goede omgevingskwaliteit waarbij onevenredig waarden aangetast worden. Wel geldt voor ecologie en soortenbescherming dat maatregelen getroffen moeten worden. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd

dat met de ontwikkeling bijgedragen wordt aan de

beleidsdoelen van de gemeente ten aanzien van woningbouw. Dit is een zwaarwegend belang waarbij met de

nodige maatregelen en aandachtspunten in de uitvoering en realisatie van de woonwijk een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

47

Hoofdstuk 7 71

Juridische toelichting

Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten

die in de

beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in

STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onderde Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2

Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, van de Omgevingswet.

wordt juridisch wel voldaan aan de regels

De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld

conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

*

Preambule;

* _ Hoofdstuk 1: Inleidende regels;

* _ Hoofdstuk 2: Functieregels; * _ Hoofdstuk 3: Algemene regels; *

7.3

Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat in hoofdstuk 21 van het omgevingsplan een titel met nummer voor dit plan wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 21 van het omgevingsplan Zutphen. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de

rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is

een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

74

Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies: * _ Bedrijf op de locaties voor de te realiseren nutsvoorzieningen;

* _ Groen op de locaties waar openbaar groen aanwezig is of wordt aangelegd; * _ Tuin aan de voorzijden van de woningen; *

Verkeer op de locaties waar de verkeersfunctie komt, zoals de wegen, fietspaden die de

verkeersafwikkeling in de wijk mogelijk moeten maken; + _ Wonen op de locaties waar woningen zijn beoogd; * _ Leidig - Gas op de locaties waar de huidige gasleidingen liggen;

* _ Leiding - Hoogspanningsverbinding op de locatie waar nu de hoogspanningsleiding is gelegen;

48

TAM-omgevingsplan

Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek

+ _ Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde.

Bedrijf De te realiseren nutsvoorzieningen hebben deze functie gekregen. De bijbehorende bouwregels bepalen de afmetingen van de te realiseren nutsvoorziening. Groen

Deze bestemming is gegeven aan de belangrijke groenelementen in het plangebied, dat wil zeggen de

parkstroken langs de waterpartijen, plantsoenen, boomgroepen, de houtwal en bermen langs wegen en vrij liggende wandel- en fietspaden. Om de waterbergende functie in de parkzone te behouden, zijn delen daarvan aangeduid ten behoeve van waterberging. Kleine groenelementen die deel uitmaken van de bestaande

infrastructuur van wegen en parkeervoorzieningen zijn opgenomen in de functie 'Verkeer’. In de regels van deze bestemming is een beperkte bebouwingsregeling opgenomen voor bouwwerken, niet-zijnde gebouwen, ten behoeve van deze bestemming. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. Tuin

De gronden vóór de voorgevelrooilijn en/of grenzend aan het openbaar gebied van de woningen hebben de functie Tuin gekregen. Op deze gronden mogen in principe geen gebouwen worden gebouwd. Met behulp van een omgevingsplanactiviteit kan hiervan worden afgeweken om wel de mogelijkheid te bieden voor het bouwen van kleine uitbouwen aan de woningen in de vorm van erkers, balkons, entreeportalen et cetera,

waarvan de diepte niet meer bedraagt dan 1,5 meter gemeten vanafde voorgevel en er nog minimaal 2 meter vooruit over blijft. De functie Tuin is tevens gegeven aan zijtuinen die grenzen aan de openbare weg. Dat betekent dat in deze

zijtuinen geen aan- of bijgebouwen mogen worden gebouwd. Reden hiervoor is de wens om het ruimtelijk beeld en het huidige straatprofiel te bewaren. De grens van de functie Tuin ligt in het algemeen in het verlengde van de voorgevel van de woningen die daar haaks op staan. Met behulp van een

omgevingsplanactiviteit kan hiervan worden afgeweken om bijbehorende bouwwerken op te richten, als dit ook vanuit het beeldkwaliteitsplan kan. Indien nodig worden met behulp van maatwerkvoorschriften nadere eisen gesteld aan de positionering en afmetingen van bijbehorende bouwwerken in deze functie Tuin. Verkeer

Binnen deze functie liggen de wegen en straten die een afwikkelende functie van doorgaand verkeer hebben.

Verder is deze functie gegeven aan de vrij liggende wandel- en fietspaden. Binnen de functie zijn infiltratievoorzieningen voor het hemelwater en kleine groenelementen toegelaten.

Binnen de functie mogen

geen gebouwen worden gebouwd, alleen bouwwerken, niet-zijnde gebouwen. Water

Deze gronden zijn bedoeld voor de waterhuishouding, meer in het bijzonder de aanwezige waterpartijen, inclusief oevers en taluds.

Wonen

De functie Wonen omvat alle percelen waarop woningen en bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten. Door middel van een aanduiding op de verbeelding wordt onderscheid gemaakt tussen de onderstaande verschillende bebouwingsklassen: * _ vrijstaande woningen; + _ twee-aaneen woningen (halfvrijstaande en geschakelde woningen); * _ aaneengebouwde woningen (rijenwoningen);

* _ gestapelde woningen; *

rug-aan-rugwoningen;

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek

49

* _ levensloopbestendige woningen; + _ woonwagenstandplaatsen. In de planregels i bepaald dat voor betaalbare woningen een bepaald percentage moet worden opgericht. Dit is overeenkomstig het gemeentelijk beleid. Er kan zich een situatie voordoen dat het wenselijk i om deze

percentages anders in te vullen. Met een omgevingsplanactiviteit is het mogelijk om de percentages voor de betaalbare woningen anders in te vullen. Dit kan en mag alleen als dit vanuit volkshuisvestelijk beleid nodig i

en als daarbij de sociale samenhang van de buurt/ wijk niet in het gedrang komt. Binnen de functie Wonen kunnen in beginsel twee vlakken worden onderscheiden: * _ het bouwvlak waarbinnen het hoofdgebouw (de woning zelf of de gestapelde woningen)

wordt gebouwd;

* _ het gedeelte achter het hoofdgebouw (achtererf). Hier mogen uitbreidingen van het hoofdgebouw worden gebouwd in de vorm van aangebouwde of vrijstaande bijbehorende bouwwerken. De hoofdgebouwen dienen binnen in het bouwvlak te worden gebouwd. De diepte van het bouwvlak i op de

verbeelding aangegeven. In de regels is daarnaast bepaald hoe hoog mag worden gebouwd. Voor bijbehorende bouwwerken gelden eveneens bouwregels.

Daarnaast is er een aanduiding opgenomen voor het realiseren van woonwagens. Ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats' zijn uitsluitend woonwagens toegestaan. De bouwvlakken van de woonwagens zijn minimaal 5 m uit elkaar gelegen

in verband met brandveiligheid. De bouwregels bepalen wat

er gebouwd mag worden. Voor het appartementencomplex in het zuiden van het plangebied is bepaald dat voor de aangeduide gevel

die is gelegen aan de zijde van de rondweg een niet-geluidgevoelige gevel moet worden gerealiseerd (doelvoorschrift). Hier moeten dan ook bouwkundige, geluidbeperkende maatregelen getroffen worden om te voldoen aan het wettelijk bepaalde binnenniveau. Dit houdt verband met de gevelbelasting op deze gevel die

boven de grenswaarde uitkomt. Aangezien dit een ontwerpopgave van het appartementencomplex is, wordt niet voorgeschreven welke maatregelen dit moeten zijn.

Aan huis verbonden beroep en consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten In een woning en/of bijbehorende bouwwerken mogen beroepsmatige activiteiten worden uitgevoerd alsmede consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten, tot een oppervlakte van maximaal 33,3 % van de woning

met een maximum van 50 m2?. Het wonen moet de hoofdfunctie blijven. De oppervlakte die voor de genoemde activiteiten gebruikt wordt is altijd kleiner dan het woonoppervlak, inclusief aan- en bijgebouwen. Onder beroepsmatige activiteiten worden verstaan beroepen op het gebied van onder meer administratieve,

juridische, (para-)medische of therapeutische dienstverlening of kunstzinnig of ontwerptechnisch gebied. Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten betreffen het als eenmanszaak beroepsmatig uitoefenen van dienstverlenende bedrijvigheid gerichtop consumentenverzorging, dan wel ambachtelijke bedrijvigheid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=ce64963d-27f7-4765-b1de-222e219a0c55