1097018 – bijlage 2 – motivering (mtv) en regels (rgls)
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan 21.3
Leesten
Hoofdstuk 21, Titel
Schouwbroek
Wijziging omgevingsplan - gemeente Zutphen
COLOFON
Gegevens over het plan: Plannaam:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
Identificatienummer:
NL.IMRO.0301.TAMOP3-vs01
Status:
Vastgesteld
Datum:
13 oktober 2025
Projectnummer Buro SRO:
65.10.30
Gegevens projectbetrokkenen:
Opdrachtgever:
Gemeente Zutphen
Gegevens Buro SRO:
Projectleider Buro SRO:
(geanonimiseerd)
Bezoekadres vestiging Arnhem:
Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem
Telefoon:
(geanonimiseerd)
E-mail:
arnhem@buro-sro.nl
Internet:
www.buro-sro.nl
$Ro TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
Inhoudsopgave
Motivering
21
Huidige situatie
22
Toekomstige situatie
auo
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
12
31
Rijksbeleid en rijksregels
12
32
Provinciaal beleid en provinciale regels
13
33
Regionaal beleid
18
34
Gemeentelijk beleid
19
Hoofdstuk
1
Inleiding
11
Aanleiding voor het initiatief
12
Ligging plangebied
13
Leeswijzer
Hoofdstuk 2
Voorgenomen ontwikkeling
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
25
41
Weging van het waterbelang
25
42
Activiteiten en milieuzonering
26
43
Bodem
27
44
Luchtkwaliteit
27
45
Geur
29
46
Geluid
30
47
Omgevingsveiligheid
33
48
Triling
36
49
Kabels en leidingen
36
4.10
M.e.r-beoordeling
37
41
Explosieven
37
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
39
51
Zorgvuldig ruimtegebruik
39
52
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
40
53
Ecologie
42
54
Verkeer en parkeren
43
55
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
44
Hoofdstuk 6
Conclusie
46
Hoofdstuk 7
Juridische toelichting
71
Inleiding
48
7.2
Juridische systematiek
48
73
Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan
48
74
Beschrijving per functie
48
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
52
81
Participatie
52
82
Kostenverhaal
52
83
Vooroverleg
52
Bijlagen bij de motivering
54
Bijlage 1
55
Bijlage 2
Voorlopig stedenbouwkundig ontwerp le watertoets
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
56
Bijlage 3
Waterhuishoudkundige analyse
57
Bijlage 4
Waterhuishoudkundig plan
58
Bijlage 5
Advies
lichthinder
59
Bijlage 6
Bodemonderzoek
60
Bijlage 7
Advies geur
61
Bijlage 8
Akoestisch
Bijlage 9
Vooradvies Omgevingsvei
63
Bijlage 10
Advies
64
Bijlage 11
Onderzoek externe veiligheid
65
Bijlage 12
Magneetveldonderzoek
66
Bijlage 13
Tekening magneetveldzone
67
Bijlage 14
M.e.r.-beoordelingsnotitie
68
Bijlage 15
Analyse houtwal
69
Bijlage 16
Archeologisch onderzoek
70
Bijlage 17
Quickscan Flora en Fauna
71
Bijlage 18
Nader
Fauna
72
Bijlage 19
Ecologische beoordeling stikstof
73
Bijlage 20
Verkeerskundig onderzoek
74
Bijlage 21
Participatieplan
75
Bijlage 22
Overzicht participatieproces
76
onderzoek
62
VNOG
onderzoek
Flora en
Regels Hoofdstuk
77 1
Inleidende regels
78
Artikel
1
Toepassingsbereik
78
Artikel
2
Begripsbepalingen
78
Artikel3
Meet- en rekenbepalingen
82
Hoofdstuk 2
Functies
84
Artikel
4
Bedrijf
84
Artikel 5
Groen
84
Artikel
&
Leiding - Gas
87
Artikel
7
Leiding - Hoogspanningsverbinding
88
Artikel 8
Tuin
89
Artikel
9
Verkeer
90
Artikel
10
Water
90
Artikel
11
Wonen
91
Artikel
12
Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde
96
en activiteiten
Hoofdstuk 3
Algemene regels
98
Artikel
13
Aanvraagvereisten
98
Artikel
14
Algemeen gebruiksverbod
98
Artikel
15
Anti-dubbeltelregel
98
Artikel
16
Maatwerkvoorschriften
98
Artikel
17
Welstand
98
Hoofdstuk 4
Overgangsregels
99
Artikel
Overgangsrecht
99
18
Bijlagen bij de regels
100
Bijlage 1
Voorlopig stedenbouwkundig ontwerp
101
Bijlage 2
Beeldkwaliteitsplan
102
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
Motivering
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
Hoofdstuk 1 11
Inleiding
Aanleiding voor het initiatief
De vraag naar woningbouw is de afgelopen jaren flink toegenomen, zo ook in de gemeente Zutphen. Om een bijdrage te leveren aan het invullen van de woonbehoefte en de woningbouwopgave vanuit het rijk en de provincie wil de gemeente het gebied Leesten Schouwbroek ontwikkelen tot woongebied. Het voornemen is om hier maximaal 420 woningen te realiseren. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Zutphen, maar dit initiatief wel wenselijk en noodzakelijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de oostkant van Zutphen, tussen de Vordenseweg, Kerkhofweg, N314 en het bebouwde gebied van Leesten-Oost. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Giobale ligging plangebied i omgeving (bron: OpenStreetMap)}
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Títel 21.3 Leesten Schouwbroek
13
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk getoetst in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 de
omgevingskwaliteit aan bod komt. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 8 behandelt de aspecten participatie en kostenverhaal.
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
Hoofdstuk 2
Voorgenomen ontwikkeling
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
21
Huidige situatie
De locatie Leesten Schouwbroek is gelegen aan de oostkant van Zutphen, op de rand met het buitengebied en de wijk Leesten Oost. Het plangebied bevindt zich tussen de Vordenseweg, Kerkhofweg, de N314 en de bestaande houtwal. Ten westen van het plangebied bevindt zich de uitbreiding van Leesten-Oost en iets
noordelijker het terrein van GGNet. Ten noorden van de Kerkhofweg bevindt zich de begraafplaats die wordt omringd door bos. Aan de oostkant van het plangebied loopt een watergang, de hoogspanningsverbinding, liggen er twee gasleidingen en bevindt zich de rondweg. Deze vormen de harde grens als overgang naar het
landelijk gebied. In de huidige situatie is het plangebied voornamelijk als agrarische grond in gebruik en het gebied is circa 22
hectare groot. Op het centraal-westelijke deel van het plangebied bevindt zich een bestaand erf met daarop twee woningen (Kerkhofweg 1 en Kerkhofweg 3) en enkele schuren. De gronden ten zuiden van het erf betreffen bestaand struweel. Aan de zuidkant van het plangebied bevindt zich ruderaal terrein met
grondhopen als zijnde tijdelijk gronddepot. Op de navolgende luchtfoto is de huidige situatie weergegeven.
Luentfoto van het plangebied waarbi et langebied rood I omkaderd (bron: Pdok)
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
2.2
_ Toekomstige situatie
Het plan voorziet in het mogelijk maken van de nieuwe woonwijk Leesten Schouwbroek, waarbij ter plaatse van het plangebied maximaal 420 nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd. Het ontwerp is toegevoegd in bijlage 1. In het ontwerp zijn ook 5 waterwoningen in het zuiden van het plangebied opgenomen. Die zijn na overleg met het Waterschap niet meer aan de orde en niet geregeld in de regels en de verbeelding behorend bij dit wijzigingsbesluit. Navolgend wordt het plan op hoofdijnen toegelicht.
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
Woningen - programma De 420 woningen worden toegevoegd in meerdere bebouwingsblokken waarbij de woningen in verschillende
stijlen en typologieën (waaronder ook woonwagens) worden gerealiseerd. De bebouwing varieert van grondgebonden woningen tot appartementengebouwen van 3 tot maximaal 5 bouwlagen.
Op deze manier
wordt aansluiting gezocht bij de naastgelegen nieuwbouw van Leesten - Oost en de overgang naar het landelijk
gebied.
In het bijbehorende beeidkwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van de regels is aangeven hoe de
beeldkwaliteit van de verschillende buurten vorm krijgt.
De 420 woningen worden onderverdeeld naar de volgende woningcategorieën: * _ 100 sociale huurwoningen (gestapeld]; *
5 woonwagenstandplaatsen;
* _ 102 betaalbare koopwoningen hoog (grondgebonden en gestapeld); * _ 44 betaalbare koopwoningen laag (grondgebonden en gestapeld); *
51 goedkope koopwoningen (gestapeld);
*
118 vrije sectorwoningen (25 vrijstaand, 30 twee-onder-één kap, 63 rijwoningen incl. hoekwoningen).
In onderstaande tabel is aangegeven hoe de 420 woningen zijn verdeeld over de verschillende
woningbouwcategorieën. In paragraaf 3.4.3 wordt hier verder op ingegaan.
Woningcategorie
Percentage op grond van beleid
Percentage in de planontwikkeling
'Sociale huurwoning,
Afgerond 25-40%
|24,7%
_
|Afgerond 15-30%
|22,4%
_
|Afgerond 10-40%
[2a%
Maximaal 30%
|28,9%
inclusief
‘woonwagenstandplaatsen
Goedkope koopwoning, middenhuurwoning, betaalbare koopwoning
laag Betaalbare koopwoning hoog Vrije sector Totaal
Groen en
100%
water
Aan de oostkant, ter plaatse van de hoogspanningsmasten en aangrenzend aan de bestaande watergang, komt een groene parkzone langs de wijk het Laakpark.
Dit park heeft als eerste een recreatieve functie voor de
bewoners van de wijk en wordt daarnaast zo ingericht dat dit plangebied ook toekomstbestendig is door een inrichting die slim inspeelt op veranderingen in het klimaat en gericht is op een hoge biodiversiteit. Daarnaast blijft met het plan de bestaande, historische houtwal aan de westkant van het plangebied behouden. Door de
groen-blauwe structuren van oost naar west ontstaan natuurlijke verbindingen tussen de houtwal en het park. Verkeeren parkeren
De hoofdontsluiting van de woonwijk vindt plaats aan de noordkant van het plangebied, via een aan te leggen ontsluiting op de Kerkhofweg. De ontsluiting is van begin af aan al beoogd in het noorden van het plangebied. De keuze voor de ontsluiting is nu mogelijk en haalbaar op de Kerkhofweg. Mocht dit in de toekomst anders
moeten dan is daar in voorliggend plan ruimte voor. Op onderstaande afbeelding zijn de drie varianten voor de ontsluiting opgenomen. Alle drie de varianten zijn onderzocht vanuit verkeersafwikkeling en daarmee verkeersveiligheid en vanuit geluid vanwege wegverkeerslawaai. Alle drie de varianten zijn vanuit deze
aspecten uitvoerbaar.
10
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
©
.…
p
‘*.
Variant rotonde
@
Variant Kerkhofweg
Variant Vordenseweg
Naastde hoofdontsluiting aan de noordzijde, komt aan de zuidkant van het plangebied een tweede ontsluitingsweg die enkel bedoeld is voor hulpdiensten. Aan de westzijde van het plangebied worden verbindingen voor fietsers en wandelaars aangelegd, waarmee de naastgelegen woonwijk te bereiken is.
Voor het parkeren wordt gekozen voor verschillende varianten als parkeren op eigen terrein en in parkeerhoven.
Bij elk woningtype hoort een eigen parkeernorm waar in het voorlopig ontwerp rekening mee is gehouden. Uitgangspunt hierbij is dat bij de vrijstaande en twee-onder-één kapwoningen in ieder geval geparkeerd wordt op eigen terrein. Voor de rijwoningen en appartementen is ruimte gecreëerd in parkeerhoven en middels
langsparkeren aan de openbare weg. Op deze manier kan in de parkeerbehoefte worden voorzien. Voor de toetsing aan de parkeernorm wordt verwezen naar paragraaf 5.4.
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
1
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst. 31
ijksbeleid en rijksregels
3.1.1
_ Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een
langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame
energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw: Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met
provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is.
De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van
deze
wet.
Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de
waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het
hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. 3.1.2
_ Besluit
kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In het Besluit kwaliteit Ieefomgeving (BKl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels,
beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bk! geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden. Het gaat hierbij over de instructieregels met het 008 op: 1.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
2.
Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
3.
Natuurbescherming.
Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden 4.
Veiligheid primaire waterkeringen;
S.
Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
6.
Kwaliteit van de buitenlucht;
7.
Waterkwaliteit;
2
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
8.
Kwaliteit van
de zwemlocatie.
Artikel 51296 van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende
substantieel
is.
Artikel 51296 Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de sted
ontwikkeling ‘nieuw'is. 3.1.3
_ Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid
In het Bkl i een gedeelte van het plangebied aangewezen met de gebiedsaanwijzingen 'Loca
hoogspanningslijn met een spanning van ten minste 220kV' en 'Zoekgebieden buisleidingen'. Hoogspanningslijn
Onderhavig initiatief heeft geen effecten op (het tracé) van de hoogspanningslijn. Het Bkl voorziet niet in specifieke regelgeving met gevolgen voor het plan
Buisleidingen Onderhavig plangebied s gelegen binnen een zoekgebied voor buisleidingen. Het echte reserveringsgebied is echter gelegen ten oosten van het plangebied. Ten aanzien van zoekgebieden vloeien vanuit het Bk! geen
belemmeringen voort ten aanzien van het initiatief. Ladder
Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Overig De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4. Conclusie
Het initiatiefis passend binnen het rijksbeleid.
32 3.2.1
Provinciaal beleid en provinciale regels _ Provinciale omgevingsvisie
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid.
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke
leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en
vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd.
De Omgevingsverordening is
een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.
De provincie wil de focus Ieggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland.
Door
daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.
Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
13
* _ Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
* _ Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; * _ Een voortvarend en innovatief circulair beleid; * _ Een stimulerend en beschermend
beleid voor biodiversiteit;
* _ Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; * _ Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
* _ Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden.
Het gaat om de aanwijzing
van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming
behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden. 3.2.2
_ Omgevingsverordening Gelderland
De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus
beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om
uitvoering te geven aan wettelijke
verplichtingen uit het Bk!. Klimaatadaptatie
De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of
voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatveranderingte voorkomen of te beperken en de afweging die daarbijis gemaakt.
In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden
betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 s invulling gegeven aan de wijze
waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering. Wonen
De provincie zet in op drie doelen: voldoende, passende en toekomstbestendige woningen. Woningen moeten passen bij de behoefte van de toekomst. De provincie heeft aandacht voor meer betaalbare woningen, specifiek sociale huur, en woningen voor ouderen en kleine huishoudens. Hierover worden per regio afspraken
gemaakt. Nieuwe woonlocaties en daarte bouwen woningen moeten passen binnen deze afspraken. Provinciale wegen
De provincie vindt een goede doorstroming van de provinciale wegen en verkeersveilige wegen en aansluitingen belangrijk. Nieuwe ontwikkelingen dienen in beginsel eerst via het gemeentelijk weggennet ontsloten te worden.
Daarnaast wordt het gebruik van openbaar
vervoer, de fiets en mobiliteitte voet gestimuleerd. Dit draagt bij
aan minder autogebruik en daarmee een hoger niveau van leefbaarheid van de omgeving.
Landschap - Gelderse streek Achterhoek Het plangebied is gelegen binnen de Gelderse streek 'Achterhoek. Op grond van de verordening (art. 5.34) dient rekening gehouden te worden met de voor deze streek vastgestelde kernkwaliteiten en
ontwikkelingsdoelen. In de verordening is onderstaande tabel opgenomen met de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen voor de Achterhoek.
14
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
1 Achterhoek
Een karaktenistieke en identiteitsrijke |
Ruimtelijke ontwikkelingen houden
streek n Oost Gelderland. Met het _ | rekening met en dragen vanzo mogelijk bij OostNederlandsPlateaualseen aande kernkwalteten de
bijzonder en hoger gelegen
Achterhoek en de te onderscheiden
deelgebied (met een duidelijke
terrasrand in het westen). 1s grens met Liemers 2
deelgebieden.
Oude IJssel
Een aanééngesloten en zacht glootend | Zoveel mogelijk het microrelief
dekzandlandschap (microrehef) respecteren. De regionale doorsneden doortarike van oost _ | waterhuishouding vormt de bass voor maar weststromende.aldanniet
_
| verdere ruimelijke ontwikkeling.
gekanaliseerde, beken. De Berkelen | Herstel van dynamisch rivier- en de Oude IJssel zijn markante rivieren | beekdallandschappen met metlangs gelegen, min of meer open | landschapsbouw en het
rivierweiden. Aanwezigheid van rivierduinen langs de Oude IJssel.
klimaatbestendig maken van het watersysteem om droogte en
wateroverlast te voorkomen. Dit heeft een
nauwe
relatie met de transitie
naar
duurzame (kringloop)landbouw. 7
| Kikeafwisseling van grondgebruik
_ | Behouden en versterken van de
resuleer n een half-open kdeinschaligheid en bijdragen coulisselandschap: weide en herstelen onderhoud van aan akkergronden, oudebouwlanden _ | structurerende en bijzondere groene (groteen kieine open essen), landschapselementen. Biinplaatsen houtwallen, hagen en singels, van nieuwe functies, bijvoorbeeid voor landgoederen en energietransitie,het coultsselandschap bos- en natuurterreinen, beken, laken
| versterken.
en weteringen.
7
| EenlandschapvandorpenKieine
kernen en buurtschappen. Doetinchem als centrumplaats.
_ | B stedelijke opgaven 1 het behoud
Zutphen en Doesburg zijn historische Manzesteden met het gezicht naar de
Ijssel
vandorpenlandschap het karakteristieke van belang, met
‚aandacht voor
de ruimtelijke kwaliteit
van de stadsranden. Het monumentaal
karakter van Doesburg en Zutphen bewaren, herstellen en beleefbaar maken.
3
_ | Talrijke andgoederen als
samenhangende ruimtelijke eenheden bestaande uit en statig
Behouden en versterken van de
Buis. (oprij
economische basis en de recreatieve
lanen, historische win,
landgoederen en landgoederen-
structuren. Op gepaste wijze de
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
15
Ecologische waarden met name Dngs nviertjes en beken,in andgoederen. Andere Natura 2000 gebieden zijn
02 Korenburgerveen, Bekendelle Wilinks Weust, Wooldse Veen (alle
rond Winterswijk} en Stelkampsveid (mabij Barchem)
Greumvalanelnie Mstorsche
verdedigingstinie rond Groenlo uitde 17e eeuw. T
Narkante Scholteboerderljen. beeld-
Karaktersteke
bepalende herenboerderijen n de
‘behouden, restaureren en ontwikkelen
streekarchitecuur
omgeving van Winterswij n bosrijke |02 door nieuwe functies, passend bij seting, T
de omgeving.
Drager van een sterke socaal-
Raimtelijke en economische dynamiek
culturele identiteit met een geheel
| dragen op passende wijze bij 2an een levendige identitent van de Achterhoek. Mandhaven van de stitegebieden.
eigen waarde voor recreatieen
toerisme. Ligging in de relatieve luwte
van de Geldersen
Nederlandse dynamiek. In noordoosten stlle gebieden.
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 213 Leesten Schouwbroek
3.2.3
_ Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid
Navolgend worden de relevante thema's uit het provinciale beleid toegelicht: Wonen
Voorde motivering en onderbouwing wordt hiervoor verwezen
naar paragraaf 3.3.2 waarin het
woningbouwinitiatief wordt getoetst aan de regionale aanspraken en paragraaf 5.1 waar het initiatief getoetst wordt aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Provinciale wegen De ontsluiting van Leesten Schouwbroek is voorzien op de gemeentelijke Kerkhofweg. Dat komt overeen met het uitgangspunt om te ontsluiten op een gemeentelijke weg. Mocht in de toekomst de Vordenseweg worden
overgenomen door de gemeente, dan kan dit ook een ontsluitingsmogelijkheid vormen indien nodig of wenselijk. De verbindingen voor langzaam verkeer binnen het plangebied naar andere delen van Leesten en het uitgangspunt van gemeentelijk beleid (STOMP-principe) zorgt voor het stimuleren van wandelen en fietsen
en het verminderen van autogebruik. Landschap - Gelderse streek Achterhoek
Voor het plangebied zijn de kernkwaliteiten genoemd onder 2 en 3 van toepassing.
Het gebied rondom het
plangebied kenmerkt zich door een dekzandlandschap en wordt doorsneden door watergangen. Er is sprake van een afwisselend grondgebruik in een coulissenlandschap.
In de huidige situatie betreft het plangebied in gebruik zijnde agrarische percelen, ingeklemd tussen reeds bestaande stedelijke functies. In het Omgevingsplan landelijk gebied (zie ook paragraaf 3.4.4) is een verdere uitwerking gegeven aan het voorkomende landschap en de karakteristieken daarbij. Het plangebied is gelegen
binnen het landschapstype Bos en Landgoederen. Daarnaast kenmerkt het gebied zich als een natter gedeelte van een broekgebied. Hier is duidelijk dat het plangebied op de overgang ligt van het stedelijk gebied naar het landelijk gebied en op de overgang van hoger gelegen bos en landgoederen naar het lager gelegen
broekgebied. De kernkwaliteiten van het landschap (overgangsgebied met nattere delen) zijn dan ook duidelijk te zien met ten oosten en noorden een meer besloten gebied door de aanwezige landschapselementen naar lager gelegen gebied in het oosten en zuiden naast de aanwezige watergang. Deze gegevens zijn dan ook
leidend geweest voor het opgestelde Voorlopig stedenbouwkundig Ontwerp (VO). Deze uitgangspunten, in combinatie met de specifieke kenmerken van het plangebied (de harde barrières van rondweg, gasleidingen en hoogspanningsverbinding) leiden ertoe dat de kernkwaliteiten van dit landschap ingeweven zijn in het VO.
Het behoud van de belangrijke (cultuurhistorisch waardevolle) landschapselementen, de ruime opzet en de forse groenstructuren met voldoende mogelijkheden voor waterberging zorgen
ervoor dat de kernkwaliteiten
worden versterkt en dat wordt bijgedragen aan de ontwikkeldoelen. Dit uit zich eveneens in de gekozen
lanenstructuur met bijbehorende plantsoorten en de rationelere verkaveling die kenmerkend zijn in broekgebieden. Daarmee is de ontwikkeling passend binnen het landschappelijk raamwerk en is er geen sprake van aantasting van de kernkwaliteiten zoals aangegeven door de provincie. Oude bosgroeiplaats Aan de westkant van het plangebied bevindt zich een Oude bosgroeiplaats. Deze bestaande houtwal blijft met
het planvoornemen volledig intact. Onderhavig initiatief heeft geen betrekking op herplanting op een andere locatie, waarmee regels ten aanzien van de Oude bosgroeiplaats geen doorwerking hebben.
De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
17
3.3
_ Regionaal beleid
3.3.1
_ Woondeal
Stedendriehoek
In de 'Regionale woondeal 2022-2030' van de Regio Stedendriehoek en de provincie Gelderland, zijn voor de komende 8 jaar afspraken vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering. Er is een
gezamenlijke opgave om het huidige woningtekort aan te pakken. Daarvoor is het noodzakelijk de komende jaren versneld meer woningen te bouwen. Met het programma Woningbouw zet de minister voor VRO nationaal in op de bouw van in totaal 900.000 woningen tot en met 2030. De gemeenten van de regio zetten
zich, samen met provincie en ministerie, tot en met 2030 in voor de realisatie van in totaal 12.400 woningen in het betaalbare segment, dat is 72% van de regionale woningbouwopgave. tweederde van alle nieuwbouwwoningen
betaalbaar
Het streven is dat ten minste
zijn. Deze evenwichtige verdeling is gericht op het
streven naar op termijn 30% sociale huurwoningen in de totale woningvoorraad, zowel n regionaal verband als per gemeente, waarbij 008 is voor specifieke situaties in gemeenten of in de regio. Om te zorgen dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen zijn tot en met 2030 nationaal
350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen nodig. In het beleidsprogramma 'Betaalbaar wonen' daarom opgenomen dat circa 40% van de nieuwbouw
is
dient plaats te vinden in deze segmenten.
De Woondeals zijn n juni 2025 geactualiseerd op aantallen. De gemeente Zutphen heeft zich in de nieuwe
Woondeal gecommitteerd om tot 2030 1465 woningen te realiseren en in de periode 2032 - 2034 985 woningen.
3.3.2
_ Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid
Binnen de woondeal is voor de gemeente Zutphen afgesproken om tot 2030 1465 woningen te realiseren en in de periode 2032 - 2034 985 woningen. De gemeente Zutphen heeft op dit moment een sociale huurvoorraad van afgerond 30%. De gemeente Zutphen stuurt met haar woonbeleid via het Afwegingskader Woningbouw (raadsbesluit d.d 18 november 2024) op het toevoegen van 25% tot 40% sociale huurwoningen in planvormingen. Dit maakt het mogelijk om meer, dan wel minder sociale huurwoningen toe te voegen binnen ontwikkelingen en dus flexibel. Hierdoor kan de sociale voorraad worden opgeschaald of afgeschaald per |ocatie. Dit is in de lijn met het gemeentelijk woonbeleid voor evenwichtige wijken/ wijken in balans. Een belangrijk uitgangspunt binnen de woningprogrammering per locatie is het woningbouwprogramma van de gehele gemeente Zutphen, di in lijn is met de afspraken n de Woondeal 2022 - 2030 als ook de geactualiseerde Woondeal 2025-2034. Binnen deze gehele woningbouwprogrammering stuurt de gemeente Zutphen op het borgen van een gehele sociale
huurvoorraad van minimaal 30%. Binnen de gemeentelijke woningbouwprogrammering worden ook de plannen in ogenschouw genomen waar overwegend of een volledig sociaal programma wordt gerealiseerd. Door in het afwegingskader woningbouw te werken met een flexibel percentage lukt het de gemeente om te
sturen op de afspraken die gemaakt zijn n de Woondeal. Een aandeel van 25% sociale huur in voorliggend plan is passend binnen de realisatie van de afspraken die zijn vastgelegd in de Woondeal. Van de te realiseren 2.340 woningen tot 2030 minimaal: *
26% sociale huur
* _ 43% betaalbare koop en middenhuur (tot NHG-grens)
*
Derest in het vrije segment, gericht op doorstroming
De 420 woningen in Leesten Schouwbroek zijn hierop afgestemd. Het voorgenomen programma bestaat (in procenten) afgerond uit:
*
24,7% sociale huurwoningen;
*
22,4% betaalbare koop voor kleine huishoudens zoals rug aan rug, beneden bovenwoningen, appartementen en kleine rijwoningen vallend in de middenhuur of betaalbare koop tot €355.000%);
18
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
* _ 24% woningen en appartementen in de categorie betaalbaar hoog; *
28,9%
vrije sector woningen.
Hiermee wordt niet alleen de kwantitatieve woningbehoefte bediend, maar ook een bijdrage geleverd aan een evenwichtig en inclusief woonmilieu. Dit sluit
aan bij de demografische opbouw van Zutphen (vergrijzing,
toenemende eenpersoonshuishoudens) en bij het streven om jongeren en starters in de stad te houden. Het initiatiefis passend binnen het regionale beleid. Uit paragraaf 3.4.3 kan daarmee worden afgeleid dat het
initiatief tevens passend is binnen de Woondeal.
3.4
_ Gemeentelijk beleid
3.4.1
_ Omgevingsvisie Zutphen 2040
Om de vraag te beantwoorden hoe Zutphen en Warnsveld er in 2040 uitzien, heeft de gemeente Zutphen een omgevingsvisie opgesteld. Hierin schetstde gemeente het toekomstverhaal
voor Zutphen en de doelen die
daarbij horen. Dit doet het aan de hand van 3 ambities en 6 deelgebieden. Centraal staan de ambities: 1.
Zutphen bloeit;
2.
Zutphen onderneemt;
3.
Beleven in Zutphen.
Binnen de ambitie 'Zutphen bloeit' voorzietde gemeente een groei van het aantal inwoners van 55.000 tot
60.000 inwoners in 2040. Zutphen zet in op een schaalsprong. Om het huidig, sterke voorzieningenniveau te behouden, zijn ook in de toekomst voldoende gebruikers van deze voorzieningen nodig. Een groei van het aantal gebruikers en daarmee het aantal inwoners van de gemeente (middels een schaalsprong)
wordt dan
ook als randvoorwaardelijk gezien om het voorzieningenniveau in de toekomst te behouden. Dit wordt bewerkstelligd door een forse toevoeging van het aantal woningen voor diverse doelgroepen, met aandacht voor betaalbaarheid en specifieke doelgroepen: jongvolwassenen en ouderen.
Planspecifiek Met onderhavig initiatief wordt een stevige bijdrage geleverd aan het aantal woningen in de gemeente
Zutphen. Daarnaast past het initiatief binnen de ambities op het gebied van betaalbaarheid (ca. 70% van de te realiseren woningen voorliggend plan voldoet hieraan) en het mogelijk maken van woningen voor diverse doelgroepen. Er wordt toegewerkt naar een toekomstbestendige woningvoorraad door het toevoegen van
nieuwbouw, welke voldoet aan de actuele normen op het gebied van duurzaamheid. Gebiedsgericht
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de omgevingsvisiekaart. Hierop is te zien dat de westkant van het projectgebied is aangewezen voor het 'toekomstbestendig maken bestaande woningvoorraad’. Ter plaatse van deze zone zijn de woningen beoogd. Het toevoegen van voldoende nieuwe woningen past binnen deze
ambitie, aangezien deze woningen eveneens voldoen aan de actuele normen op het gebied van duurzaamheid.
Met de ontwikkeling blijft de oostkant van het plangebied, onderde hoogspanningsleiding,
behouden ten behoeve van groen en water.
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
19
Warnsveld
Leesten
Uitsnede omgevingswsekaart(bron:
gemeente Zutphen}
Conclusie
Het initiatief is passend binnen de Omgevingsv 34.2
_ Woonvisie ‘Zutphen: daar wil ik wonen’
De woonvisie ‘Zutphen: daar wil k wonen’ gemeente Zutphen 2019-2024 s een actualisatie van de vorige woonvisie 'Ik woon in Zutphen' gemeente Zutphen 2013-2017. Er is bewust gekozen voor actualiseren in plaats van een geheel nieuwe woonvisie op te stellen. De woonthema's uit de vorige woonvisie zijn nog steeds actueel maar zijn verscherpt en nader uitgewerkt. Op basis daarvan zijn drie woonambities geformuleerd en worden zestien strategische acties beschreven om de ambities te realiseren. De drie woonambities zijn: Ambitie 1 Sterke positie als centrumgemeente De gemeente behoudt en versterkt de brede waaier aan woonmilieus voor alle typen huishoudens. Daarvoor wordt een strategisch woningbouwprogramma gehanteerd waarin plannen staan en/of worden toegevoegd die bijdragen aan de door de gemeente gewenste kwaliteitsslag. Ambitie 2 Ambitieus in energietransitie en verlaging van woonlasten Zutphen heeft de ambitie om in 2030 energieneutraal te zijn. Als onderdeel van de aanpak van de bebouwde omgeving krijgt wonen een prominente plek in het Zutphens Energieakkoord. Nieuwbouw wordt (zoveel) mogelijk energieneutraal.
Ambitie 3 Sociaal economisch evenwicht in woonwijken De gemeente streeft naar gebalanceerde wijken met een mix van inkomensgroepen en leefstijlen. We
verbeteren het evenwicht tussen de primaire doelgroep en de kernvoorraad. Er worden eisen gesteld aan gezonde en groene woonwijken.
2o
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 213 Leesten Schouwbroek
De integrale woonambities en strategische acties vragen om inzet en investering van alle partijen binnen de gemeente. De ambities uit deze woonvisie worden meer dan voorheen gebiedsgericht uitgewerkt. Er wordt
samengewerkt met de natuurlijke partners (bewoners, woningcorporaties, overige verhuurders, welzijnswerk en marktpartijen). Er worden conform de Woningwet 2015 lokale prestatieafspraken met de woningcorporaties gemaakt. Planspecifiek In paragraaf 3.4.3 is toegelicht dat het plan past binnen het Afwegingskader woningbouw. Daaruit kan
geconcludeerd worden dat het initiatief aansluit bij de ambities die de gemeente heeft op het gebied van de centrumfunctie en het sociaaleconomisch evenwicht in woonwijken. Tevens levert het initiatief een bijdrage aan ambitie 2 door te voldoen aan de huidige eisen op het gebeid van duurzaamheid. Het initiatiefis passend binnen de Woonvisie. 3.4.3
_ Afwegingskader woningbouw en Beleidsregel betaalbare woningbouw en doelgroepenbeleid
gemeente Zutphen 2024 De gemeente Zutphen heeft de ambitie om versneld tot 2030 in ieder geval nog zo'n 1.700 woningen te
bouwen, waarvan 2/3 betaalbaar. Om meer sturingte krijgen op de woningbouwproductie en het behalen van deze ambitie heeft de gemeente het Afwegingskader woningbouw opgesteld. Daarnaast wordt met dit beleidsstuk een kader gecreëerd voor initiatiefnemers.
Uitgangspunt van het Afwegingskader is dat het bestaande beleid leidend blijft. Het kader is daarmee in lijn met de afgesloten woondeal, het coalitieakkoord en het concept van de omgevingsvisie.
Ook i er in de
gemeente Zutphen een woningbehoefteonderzoek uitgevoerd. Al het voorstaande is uitgewerkt in het
kwalitatief toetsingskader voor woningbouwinitiatieven. Bij dit Afwegingskader is de Beleidsregel betaalbare woningbouw en doelgroepenbeleid
gemeente Zutphen
2024 vastgesteld. Hiermee is geregeld voor welke doelgroepen betaalbare woningen bedoeld zijn en hoe lang deze in stand moeten worden gehouden
Planspecifiek Met initiatief worden er tot 420 woningen mogelijk gemaakt, waarmee een grote bijdrage geleverd wordt aan het
behalen
van de
kwantitatieve
woonambities.
Daarnaast voorziet
het initiatief in een
ruim
aandeel
betaalbare woningen (70%), waarmee eveneens een bijdrage geleverd wordt aan het behalen van de doelen op het gebied van het juiste woonaanbod in de gemeente. Hiervoor wordt verwezen naar onderstaande tabel
De gemeente Zutphen heeft op dit moment een sociale huurvoorraad van afgerond 30%. De gemeente Zutphen stuurt met het woonbeleid via het Afwegingskader Woningbouw (raadsbesluit d.d 18 november 2024) op het toevoegen van 25% tot 40% sociale huurwoningen in planvormingen. Dit maakt het mogelijk om
meer dan wel minder sociale huurwoningen toe te voegen binnen ontwikkelingen en dus flexibel. Hierdoor kan de sociale voorraad worden opgeschaald of afgeschaald per locatie. Dit is in de lijn met het woonbeleid voor
evenwichtige wijken/ wijken in balans. Binnen deze gehele woningbouwprogrammering stuurt de gemeente Zutphen op het borgen van een gehele sociale huurvoorraad van minimaal 30%. Binnen de gemeentelijke woningbouwprogrammering worden ook de plannen in ogenschouw genomen waar overwegend of een volledig sociaal programma wordt gerealiseerd. Door in het Afwegingskader woningbouwte werken met een
flexibel percentage lukt het de gemeente om te sturen op de afspraken die gemaakt zijn in de Woondeal. Een aandeel van 25% sociale huur n het woningbouwprogramma
Leesten-Schouwbroek is passend binnen de
realisatie van de afspraken die zijn vastgelegd n de Woondeal.
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
21
In de uitwerking worden de exacte aantallen bepaald, waarbij de opgenomen percentages in de planregels leidend zijn. Hiermee wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave die er speelt in Zutphen en in de regio. Op
grond van het Afwegingskader woningbouw
en de Beleidsregel betaalbare woningbouw en doelgroepenbeleid
gemeente Zutphen 2024 zijn de regels in de voorliggende wijziging omgevingsplan opgesteld. Op die manier wordt gewaarborgd dat ook daadwerkelijk het aandeel betaalbare woningen beschikbaar blijft voor de
doelgroep en instand wordt gehouden conform de beleidsregel. Voor sociale huurwoningen geldt een instandhouding van tenminste 25 jaar na eerste ingebruikname en voor middenhuurwoningen, goedkope koopwoningen en betaalbare koopwoningen laag geldt een instandhouding van tenminste 10 jaar na eerste
ingebruikname.
Woningcategorie
Percentage op grond van [Percentage in de beleid planontwikkeling
Sociale huurwoning,
Afgerond 25-40%
inclusief
24,7%
|Aantal woningen in de planontwikkeling
(afgerond25%)
_
‘woonwagenstandplaatsen
|ca 100 sociale
huurwoningen 5
|woonwagenstandplaatsen Goedkope koopwoning,
middenhuurwoning,
_
|Afgerond 15-30%
22,4%(afgerond22%)
_
betaalbare koopwoning
|ca51 goedkope
koopwoningen
\ca 44 betaalbare
laag
koopwoningen laag
Betaalbare koopwoning
_
/Afgerond 10-40%
24%
\ca 102 betaalbare
hoog
koopwoningen hoog
\rije sector
Maximaal 30%
28,9%(afgerond29%)
_
|ca 118 vrije sector \woningen
Totaal
100%
Het initiatiefis passend binnen het Afwegingskader woningbouw
|a20 woningen en de Beleidsregel betaalbare woningbouw
en doelgroepenbeleid gemeente Zutphen 2024. 344
Omgevingsplan
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14 Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat.
Hierna wordt per aspect de ontwikkeling
getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen n het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de volgende functies: *
Agrarisch
*
Bos
*
Wonen
*
Woongebied -1
*
Verkeer
*
Water
Ook het gedeelte waar de waterwoningen komen heeft de functie Water.
2
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
Tevens gelden de volgende dubbelbestemmingen: Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde
Waarde - Bos en landgoederen Leiding - Buisleidingstrook Leiding - Hoogspanningsverbinding
Leiding - Gas Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.
+
+
+
+
+
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
+
+
+
+
+
23
Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: omgevingswet overheid.n}
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan Ter plaatse van het plangebied zijn zowel de gebruiks- als bouwmogelijkheden niet afgestemd op de
ontwikkeling van een woonwijk en de daarbij behorende voorzieningen. Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt dit bouw- en gebruiksrecht toegevoegd. 3.4.5
_ Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid
De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.
24
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 213 Leesten Schouwbroek
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
Voor de uitgevoerde onderzoeken
is het VO als basis gebruikt waarin 425 woningen zijn
opgenomen.
41
Weging van het waterbelang
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die
samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bk! stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bk! over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het
beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:
* _ Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire
waterkeringen en (4 de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow); + _ Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere
dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer
zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per
jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met 008 op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
* _ Gemeente:
gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan
sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden
betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen
voor de
ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.
Planspecifiek Algemeen Ten aanzien van de ontwikkeling is wateradvies opgevraagd bij het waterschap middels hetwateradvies.nl. Het
resultaat hiervan is opgenomen in bijlage 2. Wateranalyse en -huishoudingsplan
Om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is voor het planvoornemen een waterhuishoudkundige analyse (bijlage 3) opgesteld, waarbij kansen en knelpunten voor het initiatiefin kaart zijn gebracht. Naar aanleiding van de analyse is een waterhuishoudingsplan, inclusief rioolplan, opgesteld. Dit
plan is opgenomen in bijlage 4 Uit het plan volgt dat het “klimaatrobuust” is waarmee bedoeld wordt dat het goed kan inspelen op perioden van veel (regen)water als ook droogte door het gebiedseigen regenwater op te kunnen vangen en lang vast te houden.
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
25
Wateradvies
Ten aanzien van de ontwikkeling heeft intensief overleg met het waterschap plaatsgevonden. Het waterschap
heeft bij het opstellen van het Voorlopig stedenbouwkundig Ontwerp (VO) geadviseerd over de wateropgave op deze locatie. Het waterschap kan zich vinden in de opzet van dit plan, met uitzondering van de waterwoningen. Om de waterbergende functie
van het gebied te behouden, de planlocatie is immers laag
gelegen, is de parkzone langs de watergang op een aantal plekken mede bedoeld voor waterberging. In dat gebied zijn dan ook geen woningen en bijbehorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen voorzien. Op de verbeelding en in de planregels is deze waterbergende functie aangeduid. Bij de atere uitwerking en realisatie
in het veld vindt binnen de reguliere overlegstructuren verdere afstemming plaats met het waterschap. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen
42
in hoofdstuk 6.
Activiteiten en milieuzonering
Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.
Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven:
Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen in plaats van milieucategorieën. Deze nieuwe publicatie is nog niet beschikbaar. Daarom wordt
tot dat moment nog gewerkt met de brochure Bedrijven en Milieuzonering om een eerste inschattingte maken van de milieugevolgen van en voor omliggende bedrijven bij een ruimtelijke ontwikkeling waar gevoelige functies worden opgericht..
Planspecifiek De nieuwe woningen betreffen nieuwe milieugevoelige objecten. In de onderstaande tabel zijn de omliggende
milieubelastende activiteiten en de bijbehorende richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering’ weergegeven. Geurhinder n relatie tot veehouderijen blijft in deze paragraaf buiten beschouwing. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.5. Functie (adres)
Milieucategorie
Grootsterichtafstand
_
|Feitelijke afstand tot
(maatgevend aspect)
plangebied
Psychiatrisch centrum
_1
10m
|ca.25m
/Opslag provinciale
2
30m
|ca. 110m
Scouting
2
30m
|ca. 30m
Begraafplaats
1
10m
|ca. 20m
waterstaat
Uit voorgaande tabel blijkt dat aan de relevante richtafstanden wordt voldaan. Daarbij worden de toekomstige
woningen op een grotere afstand van de bedrijven/inrichtingen gerealiseerd dan de kleinste afstand van het
26
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
bedrijf tot het plangebied. Tevens is ten aanzien van lichthinder advies opgevraagd bij de Omgevingsdienst Achterhoek (bijlage 5). Hieruit volgt dat de realisatie van woningen op voldoende afstand van de omliggende
lichtbronnen geschiedt.
De lichtbronnen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Gelet op het voorgaande kan hinder als een gevolg van de in de omgeving aanwezige activiteiten worden
uitgesloten. Tevens leidt het initiatief niet tot belemmeringen voor deze bedrijven/inrichtingen. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen 43
in hoofdstuk 6.
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels
opgenomen in het Bk!. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
* _ de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; * _ te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
* _ de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatigte beheren. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bk!). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Planspecifiek Ten aanzien van de ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). In het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld en is nagegaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan n relatie tot het beoogde gebruik. Uit het onderzoek komen geen resultaten naar voren die aanleiding bieden tot het treffen van nader onderzoek. Dit geldt voor het gehele plangebied tot aan het gronddepot, als
ook de gedempte watergang en de voormalige boerderij. Voor het gedeelte van het gronddepot geldt dat de bodem onder geheel Leesten grond betreft met de kwaliteit AW2000
(schone grond). Er s geen aanwijzing dat
dit gedeelte niet van voldoende kwaliteit is voor de beoogde woonfunctie.
Daarmee levert het aspect bodem
geen belemmeringen op ten aanzien van het initiatief. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen 44
_
in hoofdstuk 6.
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels
opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bk!. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden
voor onder andere de in de
buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: *
eris geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
* _ het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
27
+ _ het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
Niet in betekenende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing
aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en
PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM! vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel
onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatiefde 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen
met de NIBM-tool op een eenvoudige en
snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn
detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bk!. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38
(aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: * _ bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
* _ bijde aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigten daar!
j minimaal
100 meter
toeneemt;
* _ bijde aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 51468751_15570029 (gelegen aan de N314). In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.
INO:
PMio
PM; (fijnere fractie
(stikstofdioxide)
(fijnstof]
\van fijnstof)
|Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (ug/m3)
14,1 ug/m?
15,9 ug/m?
8,7 ug/m3
iGrenswaarde concentratie
|40 ug/m*
|40 ug/m*
25 ug/m3
(ug/m3)
28
TAM-omgevingsplan
Hoofdstuk 21, Tite! 21.3 Leesten Schouwbroek
De concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden.
Met betrekking tot
de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van een beperkte omvang ten opzichte van de
benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de
rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen 45
in hoofdstuk 6.
Geur
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteitop een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bklis de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: e
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS).
Voor
geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels
waar de gemeente
zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee
typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onderde gestelde grenswaarden blijft.
[Geurgevoelig gebouw
[standaardwaarde
[srenswaarde
[Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en
12,0 ouE/m?
8,0 ouE/m?
3,0 ouE/m?
14,0 ouE/m?
8,0 ouE/m?
120,0 ouE/m?
114,0 ouE/m?
135,0 ouE/m?
buiten een concentratiegebied
IGelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
IGelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied
IGelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied
Tabel Standaardwaarde en grenswaardetoelaatbare geur(ouE/m3als 98- percentil) door houden landbouwhuiscieren met geuremisiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden
TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 21, Titel 21.3 Leesten Schouwbroek
29
valt terug te voeren op een verschil n de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur
gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Voor
dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee,
vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden