CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

108480RH 2021_BW_00169

Raadsvergadering 26 april 2021, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Kattenhavestraat, Zutphen24.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 9.1 Bevoegdheid Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:

a. b.

c.

de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat deze afwijking niet geldt voor bijbehorende bouwwerken. de bestemmingsbepalingen met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de afstand tussen een bebouwingsgrens en de weggrens niet wordt verkleind, de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de ontheffing gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot: 1. ten behoeve van de bouw van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 5 meter; 2. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 6 meter; 30/234

3.

ten behoeve van de bouw van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 6 meter

9.2. Afweging Een in lid 9.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. e. f. g.

het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid; de externe veiligheid; cultuurhistorische waarden.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen indien de wijziging betrekking heeft op: a.

b.

c.

De bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van het openbaar nut, zoals wachthuisjes, ambulanceposten, telefooncellen, gemaalgebouwtjes en nutsgebouwtjes, waarbij de inhoud niet meer dan 100 m³, de goothoogte niet meer dan 3.50 m en de bouwhoogte niet meer dan 4.50 m mag bedragen; Het wijzigen van de voorgeschreven maatvoering voor bouwwerken, zoals opgenomen in deze regels, met niet meer dan 20%, indien in verband met ingekomen bouwaanvragen waarvan de realisering ruimtelijk wenselijk of noodzakelijk is, deze wijzigingen nodig zijn, mits hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit; Het wijzigen op de verbeelding van de situering en/of de vorm van bouwvlakken en bestemmingsgrenzen van de bestemmingen zoals genoemd in hoofdstuk 2 indien in verband met ingediende aanvragen voor een omgevingsvergunning zulks ruimtelijk wenselijk of noodzakelijk is, mits 1. het totale bouwvlak niet wordt vergroot; 2. geen afbreuk wordt gedaan aan de ter plaatse aanwezige beeldkwaliteit; 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige archeologische- of cultuurhistorische waarden.

3. Overgangs- en slotregels. Artikel 11 Overgangsrecht 11. 1 Overgangsrecht bouwwerken 11.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

31/234

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

11.1.2. afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van artikel 11.1.1, door een omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 11.1.3. Uitzondering Artikel 11.1.1, is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik 11.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

11.2.2. Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 11.2.3. Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in artikel 11.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 11.2.4. Uitzondering Artikel 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Kattenhavestraat, Zutphen.

32/234

Bestemmingsplan Kattenhavestraat, Zutphen

gemeente Zutphen Team Ruimte, Economie en Duurzaamheid

ID: NL.IMRO.0301.bp0508Kattenhave-on01 september 2020

33/234

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 3 4

2

Het plangebied en de ontwikkeling

5

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

5 6

3

Haalbaarheid - beleid

8

3.1

Rijksbeleid

8

3.1.1 3.1.2 3.1.3

8 8 9

3.2

3.3 3.4 3.5

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Besluit Ruimtelijke Ordening (Bro) Nationaal Waterplan

Provinciaal beleid

9

3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4

9 11 13 13

Omgevingsvisie provincie Gelderland Omgevingsverordening provincie Gelderland Kwalitatief woonprogramma Gelderland Waterplan Gelderland 2010-2015

Regionaal beleid

14

3.3.1

14

Structuurvisie Stedendriehoek 2030

Beleid Waterschap

14

3.4.1

14

Afvalwaterketenplan Lochem-WRIJ-Zutphen 2016-2020

Beleid gemeente

15

3.5.1 3.5.2 3.5.3 3.5.4 3.5.5 3.5.6

Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 Binnenstadsvisie Zutphen Structuurvisie binnenstad Zutphen Welstandsnota Woonvisie 2019-2023 Visie Mobiliteit in de Binnenstad 2018

15 15 16 17 18 19

4

Haalbaarheid - ruimtelijk relevante aspecten

20

4.1

Milieu

20

4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4

Bodem Geluid Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid

20 20 22 23

4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Flora en fauna Water Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren Duurzaamheid Economische uitvoerbaarheid

27 28 30 31 32 32

5

Wijze van bestemmen

33 34/234

5.1

Algemeen 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4

5.2

6

33 Wat is een bestemmingsplan? Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Hoofdstukindeling van de regels Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

33 33 33 34

Dit bestemmingsplan

34

5.2.1 5.2.2

34 35

Bijzonderheden in dit plan Algemene regels

Procedure

SAB

36

3

35/234

1

Inleiding

1.1

Aanleiding TRIGONIUM Vastgoed Ontwikkeling B.V. is voornemens om het onbebouwde perceel aan de Kattenhavestraat te Zutphen te ontwikkelen en ter plaatse 4 nieuwe stadswoningen te bouwen. Het plan is niet mogelijk volgens het vigerende bestemmingsplan “Oude Stad / IJsselkade”. In dit plan heeft het perceel de bestemming ‘Wonen - gestapeld’, maar het bestaande aantal woningen, dat nu nul is, mag niet worden vergroot. Dit voorliggende bestemmingsplan regelt dat onder voorwaarden 4 nieuwe stadswoningen op deze locatie mogen worden gebouwd. In de navolgende paragrafen wordt dit bestemmingsplan toegelicht.

1.2

Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Kattenhavestraat in de binnenstad van Zutphen. Het betreffende hoekperceel ligt in het beschermde stadsgezicht van Zutphen en is onderdeel van een bouwblok dat begrenst is door de IJsselkade, Kuiperstraat en Kattenhavenstraat. De locatie grenst aan de laatstgenoemde straat die bestaat uit twee delen: een besloten/stenig deel dat aansluit op de Kuiperstraat en een open/groen deel langs de Berkel. De Kattenhavenstraat richting de IJsselkade kenmerkt zich door de groene inbedding van het water van de Berkel dat via een sluis aansluit op de IJssel. De bebouwing richting deze sluis bestaat uit de zijgevels van de kenmerkende witte panden aan de IJsselkade. In de huidige situatie bestaat het bouwvlak uit diverse panden met verschillende functies: Wonen, kantoor, detailhandel, cultuur en bedrijf. Op onderstaande afbeeldingen is de locatie aangeduid.

Topografische kaart met aanduiding plangebied

1.3

Luchtfoto met aanduiding plangebied

Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan “Oude stad / IJsselkade” is voor dit perceel van toepassing. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juli 2013. Hierin heeft het perceel de bestemming ‘Wonen – gestapeld’. De regels zijn echter gericht op de bestaande situatie, zonder bebouwing, zodat er feitelijk geen mogelijkheid is woningen te bouwen.

3

37/234

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding plangebied. (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

-

-

1.4

Hiernaast zijn 2 dubbelbestemmingen van toepassing: ‘Waarde – Beschermd stadsgezicht’: Deze dubbelbestemming betreft de aanwijzing van het plangebied als onderdeel van het beschermde stadsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet van 1988. De regeling is gericht op de bescherming van de cultuurhistorische waarden en karakteristiek van de Zutphense binnenstad. De bebouwing wordt afgestemd op de bestaande bebouwing van het gehele bouwblok. Het bebouwen van het perceel past binnen het doel voor het aanhelen van dit ‘gat’ in het bebouwing. ‘Waarde – Archeologie – middelhoog bekende waarde’: op de verbeelding aangeduid als ‘Waarde – Archeologie 4’: Deze archeologische dubbelbestemming geldt voor het gehele plangebied. De gronden binnen deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor behoud, versterking en bescherming van archeologische waarden. Uit de regeling blijkt dat bij bouwplannen archeologisch onderzoek dient te worden gedaan. Een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is nodig bij activiteiten groter dan 100 m2 en het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,50 meter.

Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plangebied en de ontwikkeling aangegeven. De bestaande situatie en de gewenste toekomstige situatie van het plangebied worden beschreven. In de hoofdstukken 3 en 4 wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond voor wat betreft het overheidsbeleid, milieuaspecten, water, archeologie, flora en fauna en economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 5 volgt de wijze van bestemmen, waarin het plan juridisch uiteen gezet wordt. Ten slotte komen in het laatste hoofdstuk de resultaten uit de procedure aan de orde.

4

38/234

2

Het plangebied en de ontwikkeling

2.1

Huidige situatie Een van de meest beeldbepalende aanzichten van de gemeente Zutphen, is de IJsselkade gezien van De Hoven. Een waardevol aanzicht van een Hanzestad in al haar glorie. De statige bebouwing van de IJsselkade tussen de “Oude IJsselbrug” en de Vispoorthaven wordt door enkele straten doorbroken. Aan de noordelijke zijde door de Brugstraat en de Marspoortstraat en aan de zuidelijke zijde door de Kattenhaveen Kuiperstraat. De doorbraak ter plaatse van de Brugstraat, de Marspoortstraat en de Kuiperstraat, wordt vormgegeven door straatwanden waarin de statige en historische bebouwing van de IJsselkade zich in de richting van de binnenstad voortzet. De doorbraak ter plaatse van de monding van de Berkel in de IJssel, betreft de grootste (breedste) doorbraak. Deze doorbraak wordt voornamelijk vorm gegeven door de Berkel met aan weerszijden een groenstructuur met royale bomen. Van dichtbij bekeken wordt deze doorbraak ontsiert door een parkeerterrein dat direct achter de frontbebouwing van de IJsselkade ligt. Het hierdoor ontstane straatbeeld doet afbreuk aan de Satellietbeeld IJsselkade Zutphen met plangebeeldkwaliteit van het IJsselfront van Zutphen. bied (rode cirkel)

Entree Brugstraat

Entree Kattenhavestraat

Entree Marspoortstraat

Entree Kuiperstraat

Het plangebied is gelegen aan de Kattenhavestraat en ligt aan de westzijde, op circa 5 minuten afstand lopen, van de historische binnenstad van Zutphen. De Kattenhavestraat is direct achter de frontbebouwing van de IJsselkade gelegen. Hiermee is de locatie centraal gelegen in Zutphen. De directe omgeving laat zich in functioneel opzicht omschrijven als een buurt met een gemengde bestemmingen waaronder kantoren, dienstverlening, detailhandel, woningbouw en bedrijvigheid van ten hoogste de tweede categorie. De bestaande bebouwing kenmerkt zich met name door historische bebouwing. Ten oosten van het plangebied ligt echter ook bebouwing uit de jaren 80 van de vorige eeuw. Het plangebied zelf is tijdelijk in gebruik als openbare parkeerplaats. De oppervlakte van het plangebied is circa 525 m2.

5

39/234

-

De locatie valt binnen het van Rijkswege beschermde stadsgezicht. Dit wil zeggen dat de bestaande historische en cultuurhistorische waarden gerespecteerd moeten worden, waaronder: De ruimtelijke structuur van hoofdstraten, secundaire straten, stegen en binnenterreinen; Open ruimten als buffer tussen de hoofdstructuren gelegen bebouwing; Groenstructuren; Gesloten dakenlandschap; Kleinschaligheid; Diversiteit in gevelopbouw.

Sfeerimpressie IJsselkade en Kattenhavestraat

2.2

Toekomstige situatie In de nieuwe/toekomstige situatie wordt het plangebied bebouwd met vier grondgebonden stadswoningen. Ten hoogste 13,5 meter bouwhoogte met kap zijn toegestaan en een stedelijke uitstraling zoals deze past binnen de historische binnenstad van Zutphen wordt nagestreefd. Vanwege het karakteristieke dakenlandschap is de kap zodanig vormgegeven dat deze aansluit bij deze karakteristiek. De voorgevels zijn gekeerd naar de Berkel. Het is de bedoeling dat voor de buitenruimte van de toekomstige bewoners aan de achterzijde een dakterras wordt gerealiseerd. Voor de toekomstige bewoners wordt 1 parkeerplaats per woning gerealiseerd op eigen terrein. Bezoekers kunnen parkeren in de openbare ruimte of op 1 van de centrale parkeerplekken rond de binnenstad. Deze nieuwbouw die hier wordt gerealiseerd, moet daadwerkelijk toegevoegde waarde hebben en extra kwaliteit toevoegen aan Zutphen. Leefbaarheid, Duurzaamheid, veiligheid, waardeontwikkeling en wonen zijn hierin de belangrijkste thema’s. Ook moet de nieuwbouw naadloos passen binnen de bestaande stedenbouwkundige en architectonische structuren. Het uitgangspunt hierin is dat het de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit, het historische karakter en de identiteit van Zutphen en de IJsselkade in het bijzonder dient te versterken. De toegevoegde waarde van de toekomstige ontwikkeling zal zich laten zien doordat:

6

40/234

-

Het historisch karakter en de identiteit van Zutphen wordt versterkt en in het bijzonder de IJsselkade; De aanwezige en kwalitatief hoogwaardige groen- en blauwstructuur langs de Berkel worden versterkt; De Beeldkwaliteit en de beleving van Zutphen als historische stad wordt versterkt door hoogwaardige architectonische kwaliteit. De leefbaarheid, sociale veiligheid en het gevoel van welbevinden wordt vergroot in de directe omgeving; Er kwalitatief hoogwaardige en duurzame woningen in het luxe segment worden toegevoegd; Er op een stedenbouwkundige en architectonisch hoogwaardige wijze invulling wordt gegeven aan een ontbrekende straathoek en straatwanden. Op onderstaande afbeeldingen wordt een indruk gegeven van de toekomstige situatie.

Handreiking voor een hoekoplossing. Bron: Binnenstadsvisie Zutphen (2012) met locatie (rode cirkel)

Invulling op perceel niveau met vier grondgebonden woningen

Projectie van de voor- en zijaanzicht van de nieuwbouw

7

41/234

3

Haalbaarheid - beleid

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De visie is vernieuwend in de zin dat ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden worden. De structuurvisie vervangt daarvoor de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak, de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn). De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar & veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelstellingen zijn:

1.

Concurrerend: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland.

2.

Bereikbaar: Het verbeteren, in standhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.

3.

Leefbaar & veilig: Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Conclusie: Voorliggend plan raakt de doelstelling, die in de SVIR zijn verwoord, niet. Het bestemmingsplan heeft geen nationaal belang.

3.1.2

Besluit Ruimtelijke Ordening (Bro) Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormings-mogelijkheden op lokaal niveau. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit Ruimtelijke Ordening (Bro) vastgesteld. Het Bro stelt vanuit de rijks verantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafwegingen besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder van duurzame verstedelijking is per 1 juli 2017 gewijzigd en is opgenomen in het Bro. De Ladder gaat tot nu toe nog uit van 1 stap, waar de vorige nog uitging van 3 stappen. Deze Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting.

De Ladder voor Duurzame verstedelijking ziet er nu als volgt uit: Een beschrijving van de behoefte van de stedelijke ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

8

42/234

-

-

3.1.3

Conclusie: Voor voorliggend plan is het van belang om verder in te gaan op de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Er is specifiek getoetst of bij onderhavig plan de Ladder dient te worden doorlopen. Hiervoor dient allereerst te worden bepaald of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit is gedefinieerd als ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onderhavig plan betreft de realisatie van vier nieuwe woningen op een perceel waar nu een tijdelijke parkeerplaats is voorzien, maar wel een woonbestemming heeft. In diverse uitspraken van de Raad van State is te lezen dat wanneer er geen sprake is van nieuw beslag op de ruimte er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Juridisch gezien is het daarom niet noodzakelijk om de ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen. Verder blijkt uit jurisprudentie dat bij kleinschalige projecten, zoals de bouw van enkele woningen, geen toetsing aan de Ladder vereist wordt. Op basis van de huidige jurisprudentie geldt dat projecten met negen woningen of minder aangemerkt worden als kleinschalig. Bij onderhavig project betreft het maximaal vier wooneenheden; verdere toetsing aan de ladder is daarom niet van toepassing.

Wel wordt in het verdere van dit plan een aantal aspecten van de ladder behandeld vanuit het belang van een goede ruimtelijke ordening. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen het beleid van het Rijk voor de periode 2016 2021 voor duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het plangebied ligt in het gebied ‘Stedelijk gebied’. Bij de invulling van de stedelijke wateropgave moet rekening worden gehouden met verdergaande verstedelijking en klimaatverandering. Bij de aanpak van de stedelijke wateropgave wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de dynamiek van de stad en wordt de uitvoering van maatregelen gecombineerd met herstructurering van bestaand bebouwd gebied en de realisatie van groen in en om de stad. Groen in de stad, in de openbare ruimte en in tuinen van individuele burgers, kan een belangrijke rol spelen in het voorkomen van wateroverlast. Water op straat wordt deels geaccepteerd mits dit niet tot onaanvaardbare schade of overlast leidt.

De combinatie van water en groen biedt volop kansen om het stedelijk watersysteem robuuster en klimaatbestendiger te maken. Goede verbindingen tussen het stedelijk watersysteem en het ommeland dragen bij aan een goede kwaliteit van water en landschap. Water biedt kansen voor verbetering van de leefomgeving in bestaand (groot)stedelijke gebied. Conclusie In voorliggend plan is geen sprake van een oppervlaktereductie van bebouwing in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen aan een groene zone waarbinnen water ook een plek heeft. Voldaan wordt aan de uitgangspunten van het waterbeleid van de rijksoverheid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie provincie Gelderland De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

1.

een duurzame economische structuur; een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Het verbeteren van de economische structuur is een belangrijke opgave voor de Gelderse samenleving. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van 'groei' en meer in termen van 'beheer en

9

43/234

-

2.

-

-

-

-

-

-

ontwikkeling van het bestaande'. De versterking van de economie vergt een andere aanpak. Dat betekent vooral dat de provincie zich met haar partners richt op: kansen bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven; het creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio's; het creëren van een goede bereikbaarheid van de stedelijke gebieden en de economische kerngebieden met fiets, openbaar vervoer en auto maar ook digitaal; het versterken van ruimtelijke randvoorwaarden voor de sterke (top)sectoren en het verbeteren van de kennisinfrastructuur; een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor cultuurbeleving; een adequaat beheer (kwaliteit en kwantiteit) van bestaande en eventueel nieuwe woongebieden, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel in Gelderland. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving; een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland.

De realisatie van deze tweede centrale doelstelling betekent vooral: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek; zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap; een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed; een gezonde en veilige leefomgeving; een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap. Bij ruimtelijke initiatieven is de uitdaging de match te maken tussen de kwaliteiten van het betreffende initiatief en de kwaliteiten van de plek of het gebied waar het initiatief speelt. De Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik wordt gebruikt als afwegingskader voor de vestigingsplek van stedelijke ontwikkelingen en gaat uit van twee essentiële vragen: Past de ontwikkeling bij de doelen in Gelderland? Zo ja: hoe voegt de ontwikkeling extra kwaliteit toe aan een gebied? De provincie en haar partners streven in de regio Achterhoek naar de inzet van gemeenten, maatschappelijke organisaties, ondernemers en provincie. Die is nodig om in te kunnen spelen op de opgaven in de Achterhoek.

De gezamenlijke inspanningen richten zich op vier speerpunten: Kansrijk platteland o ruimtelijke kwaliteit o landbouw Duurzame en innovatieve economie o 16 Omgevingsvisie Gelderland o maakindustrie verbinden met TOP-sectoren o hernieuwbare energie (in relatie tot het PlanMER: Optimale locatiekeuze mest(co)vergisters) Vitale leefomgeving o wonen o voorzieningen Slim en snel verbinden o Bereikbaarheid De provincie en haar partners streven in de regio Stedendriehoek naar de inzet van de gemeenten, maatschappelijke organisaties, ondernemers in beide provincies (Gelderland en Overijssel). Die is nodig om invulling te geven aan de opgaven in de Stedendriehoek. De gezamenlijke inspanningen richten zich met name op de speerpunten: Innovatie krachtig maken o vermarkten van een goed ondernemersklimaat;

10

44/234

-

-

-

o innovaties in de maakindustrie stimuleren; o 20 Omgevingsvisie Gelderland o eigen innovaties verbinden aan Topsectoren en -regio's; o opschalen innovaties in duurzame energie. Sociaal kapitaal beter benutten o betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt; o anticiperen op ontgroening en vergrijzing; o maatschappelijke participatie in arbeid stimuleren. Blijven werken aan bereikbaarheid o de regio ontwikkelen als scharnierpunt van Oost-Nederland; o doorstroming van en naar stads- en dorpscentra verbeteren; o werk maken van duurzaam mobiliteitsmanagement; o faciliteren van basismobiliteit en de fiets. Leefomgeving met kwaliteit versterken o afstemmen van wonen, werken en voorzieningen; o landschappen en cultuurhistorische identiteit beter ontsluiten en beleven; o kwaliteit van de leefbaarheid vasthouden. De provincie en haar partners streven naar een gezonde en veilige leefomgeving. De opgaven hierbij zijn het signaleren, informeren en juist handelen om de omgevingskwaliteit en veiligheid van mensen in Gelderland te waarborgen. De provincie wil dat het in Gelderland prettig wonen, werken, recreëren - kortom prettig leven - is én blijft.

Een gezonde en veilige leefomgeving wil de provincie op de eerste plaats voor de mensen, maar ook voor de regionale economie; het is een van de randvoorwaarden voor een goed vestigingsklimaat en het is van belang voor recreatie en toerisme. Kortom: een gezonde en veilige leefomgeving draagt bij aan een goed verblijf en vestigingsklimaat. Dit vraagt om een goede milieukwaliteit en veilige ruimtelijke keuzes, waarbij gezondheidsschade, onacceptabele risico's en hinder door milieubelastende activiteiten voorkomen worden. Daarnaast is het van belang om op toekomstige ontwikkelingen te anticiperen zoals klimaatverandering. Vooral in het stedelijk gebied kunnen de gevolgen hiervan onder invloed zijn op de gezondheid en veiligheid. Dit vereist dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling het milieubelang volwaardig in de afwegingen wordt meegenomen. Bij locatiekeuzen, de (her)inrichting van locaties of de aanleg van wegen is het van belang rekening te houden met de leefomgevingskwaliteit voor de bestaande functies. Veiligheids-, luchtkwaliteits-, geur- of geluidscontouren moeten toegepast worden om een noodzakelijke afstand tussen bronnen en functies aan te houden. Conclusie Eén van de doelstellingen uit de Omgevingsvisie betreft het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving.

Daarbij wordt gericht op het ontwikkelen met kwaliteit, waarbij recht wordt gedaan aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten van een plek. Er wordt rekening gehouden met het feit dat het plangebied binnen het beschermd stadsgezicht valt en een aanvulling doet op de historische structuur van de omgeving. Omdat de Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik dezelfde uitgangspunten heeft als de Ladder voor Duurzame Verstedelijking die het Rijk heeft, blijft verdere toetsing op dit onderdeel ook achterwege. Gezien bovenstaande is het plan passend binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie van Gelderland.

3.2.2

Omgevingsverordening provincie Gelderland De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om

11

45/234

regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. 3.2.2.1

a. b. c.

Water en ondergrond Grondwater In de Omgevingsvisie Gelderland is aangegeven dat het grondwater de bron voor de productie van drinkwater is. Het doel van het beschermingsbeleid is ervoor te zorgen dat grondwater zonder ingrijpende en kostbare zuivering, duurzaam gebruikt kan worden. Voor een effectieve en duurzame bescherming van drinkwaterwinning uit grondwater maakt het beleid gebruik van drie, elkaar versterkende, elementen, te weten: de ruimtelijke ordening: toestaan van functies die goed te combineren zijn met waterwinning en conflicterende functies weren; regelgeving en vergunningverlening; bovenwettelijke stimulerende en beschermingsmaatregelen. Er wordt een onderscheid gemaakt in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Voor de waterwingebieden geldt dat alleen bestemmingen worden toegestaan die geen negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het grondwater. Voor de grondwaterbeschermingsgebieden geldt dat alleen bestemmingen worden toegestaan die geen hoger bodem- en/of grondwaterrisico met zich brengen dan de vigerende bestemming (stand-stillprincipe) dan wel bestemmingen die een verbetering ten opzichte van de bestaande bestemming betekenen (step forward-principe). Bij de beoordeling of aan het stand still/step forward-principe wordt voldaan, wordt uitsluitend een ruimtelijke afweging gemaakt.

Of een risico kan afnemen door het treffen van milieu hygiënische maatregelen wordt niet in de afweging meegenomen. Daarnaast geldt in intrekgebieden dat geen bestemming mag worden toegestaan die de winning van fossiele energie als aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas mogelijk maakt. Hiermee wordt de bescherming van de kwaliteit van het grondwater beoogd. Bodemgebruik In de Omgevingsverordening is afgezien van het opnemen van voorschriften die het 'normale', toegestane gebruik van de bodem (bijvoorbeeld bewoning) reguleren. Dit gebruik vormt een verwaarloosbaar risico, mits gebruikers 'met gezond verstand' en volgens de algemeen geldende regels met de bodem omgaan. De bijzondere zorgplicht van artikel 3.3.1.4 biedt voldoende mogelijkheden om eventuele uitwassen en de gevolgen daarvan aan te pakken. Generieke regelgeving en de bijzondere zorgplicht zijn voldoende. Dit houdt ook in dat het bevoegde gezag bij vergunningverlening de initiatiefnemers op de risico's en de bijzondere zorgplicht wijst en zo nodig (aanvullende) voorschriften stelt zodat adequate bodem beschermende maatregelen worden getroffen. Boorputten en grond- of funderingswerken Bij het uitvoeren van boringen kunnen in de bodem aanwezige afsluitende lagen worden verstoord. Verontreinigingen kunnen door middel van lekstromen in het diepere grondwater komen.

Het uitvoeren van boringen is dusdanig risicovol dat het verboden is een boring uit te voeren. Bij het roeren van de grond (tweede lid) gaat het om het uitvoeren of doen uitvoeren van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht-doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken, boringen, gronden funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden, folies en heipalen. Het roeren van de grond in de eerste twee meter heeft weinig invloed op de kwaliteit van het grondwater en zal doorgaans geen gevaar opleveren. Daarom heeft het verbod alleen betrekking op activiteiten die twee meter of meer onder het maaiveld plaatsvinden. Op basis van deze algemene voorschriften moet na graafwerkzaamheden het bodemprofiel worden aangevuld tot tenminste 2 meter onder het oude maaiveld. Aanvulling van grond moet gebeuren volgens het oorspronkelijke bodemprofiel en aansluiten op eventuele kunstwerken die zijn aangebracht (riolering, kelder e.d.). Gladde geprefabriceerde palen en in de grond gevormde palen, zonder verbrede voet, zijn funderingstechnieken die het minste risico opleveren voor de kwaliteit van het grondwater.

12

46/234

3.2.3

Kwalitatief woonprogramma Gelderland Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben op 12 januari 2010 het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 (KWP3) vastgesteld. De provincie, de woningcorporaties, de gemeenten en de regio's in Gelderland hebben met elkaar afspraken gemaakt over de woningbouw en bestaande woningvoorraad voor de komende tien jaar. De partijen willen ervoor zorgen dat het woningaanbod in iedere regio van Gelderland ook in de toekomst goed aansluit bij de behoefte van de inwoners. In het programma zijn de afspraken vastgelegd. Deze afspraken zijn tot stand gekomen door een goede en intensieve samenwerking met de regio's, de gemeenten en de woningcorporaties. Om het woningaanbod zo goed mogelijk af te stemmen op de vraag is in het KWP3 rekening gehouden met de ontwikkelingen in de bevolkingsopbouw en in de woningmarkt. In de praktijk betekent dit dat op regionaal niveau meer huurwoningen en meer betaalbare woningen in het woningbouwprogramma moeten worden opgenomen, bij voorkeur op binnenstedelijke locaties. Bouwen op grote nieuwbouwlocaties buiten een stad of dorp (zoals VINEX-locaties) is steeds minder nodig. In het Kwalitatief Woonprogramma zijn bovendien afspraken gemaakt over de aantallen betaalbare woningen. Verder zijn afspraken gemaakt over de verhouding koop-huur.

3.2.4

Waterplan Gelderland 2010-2015 Het Waterplan 2010-2015 bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is op 1 januari 2010 in werking getreden. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. Zowel in nieuw als in bestaand stedelijk gebied streeft de provincie naar een duurzaam watersysteem. Nadelige effecten op de waterhuishouding moeten in beginsel voorkomen worden. Hierbij wordt het water in de stad met het omringende watersysteem als een geheel beschouwd. Het plangebied heeft op grond van het Waterplan de basisfunctie ‘stedelijk gebied’. De functie ‘stedelijk gebied’ geldt voor alle bebouwde kommen in Gelderland.

De inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundige systeem zijn in stedelijk gebied gericht op: - het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van wateroverlast; - de ontwikkeling en het behoud van de natuur in het stedelijk gebied; - het voorkomen van zettingen; - het herbenutten van ontwateringswater voor drink- en industriewatervoorziening of voor herstel van verdroogde natuur; - het weren van de riolering van (diepe) drainage en instromend grond- en oppervlaktewater; - het beperken van de vuilbelasting door riooloverstorten en hemelwateruitlaten; - het beperken van de invloed van bronbemaling; - het realiseren van de basiskwaliteit voor oppervlaktewater. Conclusie Voorliggend plan is een binnenstedelijke inbreiding die voorziet in de realisatie van vier stadwoningen. Van provinciaal belang is in die zin geen sprake. Het plangebied valt buiten waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en intrekgebied “Vierakker” en is geen belemmering en/of belasting voor water en ondergrond. Wel is bekend dat ter plaatse een vaste bodemverontreiniging aanwezig is in het plangebied. Het betreft een verontreiniging door een voormalige gasfabriek die hier vroeger functioneerde. Het gaat hier om benzeen, cyaniden en PAK. Het terrein is deels gesaneerd en de gevaren zijn verwaarloosbaar.

Desalniettemin zullen de werkzaamheden in de bodem zoveel mogelijk tot een minimum worden beperkt door kruipruimte-loos te bouwen. Werkzaamheden die in de bodem plaats vinden zijn

13

47/234

louter de aanleg van de fundering, het aanbrengen van de riolering en nutsleidingen en het geschikt maken van de bovenlaag van de grond voor tuin en bestrating. Hiermee past het plan binnen de uitgangspunten het provinciaal beleid. Voorliggend plan zorgt voor een toename van het bebouwd oppervlak binnen het plangebied. De totale verharding zal nagenoeg hetzelfde zijn en de natuur in de omgeving blijft behouden. Het plangebied is gelegen aan een groene zone waarbinnen water ook een plek heeft. Voldaan wordt aan de uitgangspunten van het waterbeleid van de provincie.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Structuurvisie Stedendriehoek 2030 De regionale Structuurvisie 2030 is in mei 2007 vastgesteld door de gemeenteraden van Zutphen, Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem en Voorst. In deze visie staan de gemeenschappelijke ambities voor de lange termijn tot 2030. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ruimtelijke ontwikkeling van de Stedendriehoek als geheel. Behoud en versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met een gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw, staat centraal. Om deze centrale doelstelling concreet te maken, zijn de volgende vijf strategische keuzen geformuleerd: duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling; natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties; regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer; stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen; toevoegen van centrumstedelijk en landelijke woonmilieus. De structuurvisie omvat een duurzaam ruimtelijk structuurbeeld voor de lange termijn 2030. Dit beeld laat zien hoe de betrokken partners van de Stedendriehoek willen omgaan met de ruimtelijke ontwikkeling van het bundelingsgebied Stedendriehoek.

-

Conclusie Voorliggend plan past binnen de kaders van de structuurvisie Stedendriehoek. Het betreft echter een dusdanig kleine lokale ontwikkeling dat het ruimtelijk beleid van de Stedendriehoek hier nauwelijks invloed op heeft.

3.4

Beleid Waterschap

3.4.1

Afvalwaterketenplan Lochem-WRIJ-Zutphen 2016-2020 Dit Afvalwaterketenplan is het resultaat van een gezamenlijk planvormingsproces van de gemeente Lochem, Waterschap Rijn en IJssel en de gemeente Zutphen. De gezamenlijk doorlopen planvorming is een onderdeel van een bredere samenwerking tussen gemeenten en waterschap als partners in het Afvalwaterteam Zutphen (AWTZ), zoals vastgesteld in het Afvalwaterakkoord Lochem-Zutphen (28 november 2012). Met dit plan is beoogd de gezamenlijke integrale visie op de afvalwaterketen zoveel mogelijk te vertalen naar concrete beleidskeuzes voor zowel de riolering als de zuivering technische werken. Voor de gemeenten Lochem en Zutphen vormt dit plan daarmee het Verbrede Gemeentelijke Rioleringsplan, ieder met een eigen individuele vastgestelde financiële paragraaf. Voor het waterschap is het beleidsplan voor de zuivering. Daarnaast zijn de ambities ten aanzien van het stedelijk water verwoord. In de gemeente Zutphen wordt grondwater niet of nauwelijks als probleem ervaren. De gemeente Zutphen heeft wel gebieden nabij de IJssel waar het grondwater afhankelijk van de rivierstanden ook tijdelijk erg hoog kan zijn. Dit is een natuurlijke situatie. Ook is er in de gemeente Zutphen sprake van lokale klachten over grondwater. Dit betreft individuele woningen en geen hele straten. Conclusie

14

48/234

Voorliggend plan past binnen de kaders van het Afvalwaterketenplan Lochem-WRIJ-Zutphen 2016-2020. De locatie valt niet onder de zogenoemde risicolocaties voor wateroverlast. Wel wordt er in paragraaf 0 aandacht besteed aan de watertoets op grond van het Besluit ruimtelijke ordening waarin concreet wordt ingegaan op de relevante waterthema’s en het effect van het plan daarop.

3.5

Beleid gemeente

3.5.1

Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 De ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 van 2001 geeft de gemeentelijke ambities in een ruimtelijk functioneel perspectief tot 2020. Gesteld wordt dat Zutphen zijn bestaande identiteit wil behouden en versterken, maar zich tegelijkertijd verder wil ontwikkelen als een moderne stad, waarin historie en dynamiek hand in hand gaan. De gemeente wil zich profileren als een duurzame gemeente met een sterke sociale en economische structuur in een prettig woonen leefklimaat. In de ontwikkelingsvisie 2020 staat Kattenhavestraat aangeduid als een inbreidingslocatie voor 10 nieuwe woningen. Daarbij worden nieuwe parkeervoorzieningen ten behoeve van deze woningen ondergronds gerealiseerd in lijn met vervallen van de mogelijkheid om te kunnen parkeren aan de IJsselkade. Wat ten gunste is van de verblijfskwaliteit. Conclusie De realisatie van nieuwe woningen op deze locatie is reeds in Ontwikkelingsvisie 2020 opgenomen. De parkeerplaats zou komen te vervallen en er zouden ten hoogste 10 appartementen gebouwd mogen worden. In samenhang met de binnenstadsvisie is de ontwikkeling genuanceerd. De mogelijkheid voor ontwikkeling van woningen en het laten vervallen van de parkeerfunctie op deze locatie was in ieder geval wel een duidelijk aangegeven ontwikkelingsrichting. Dit bestemmingsplan geeft daaraan uitvoering.

3.5.2

-

-

Binnenstadsvisie Zutphen In januari 2012 heeft de gemeenteraad van Zutphen de Binnenstadvisie vastgesteld. Met deze Binnenstadvisie beschikt de gemeente over een beeldend en wervend integratie- en investeringskader voor toekomstig handelen in en rond de binnenstad van Zutphen. In de Binnenstadvisie zijn doelen en ambities voor de binnenstad geformuleerd aan de hand van: Drie centrale thema’s; Gewenste structuren; Ontwikkeling van zeven interventiegebieden. Voor onderhavig plan zijn interventiegebieden 1 (‘Oude Stad’) en 2 (‘Nieuw gezicht aan de IJssel’) van belang. Deze 2 interventiegebieden hebben als doelstelling: Interventiegebied 1: Aantrekkelijkste historische binnenstad van Nederland. Het benutten van de verborgen kwaliteiten van de binnenstad. Interventiegebied 2: Versterken van de IJsselkade als boulevard en entree naar binnenstad. Sterke relatie leggen met de Berkel en de hoven. Door een goede afstemming van bestaande en nieuwe initiatieven in de binnenstad met de Binnenstadvisie Zutphen kan een verbeterslag in de Zutphense binnenstad plaatsvinden. Nieuwe ontwikkelingen, hetzij publiek, hetzij privaat kunnen geïnitieerd worden vanuit, getoetst worden aan of geïnspireerd worden door de Binnenstadvisie. Hierdoor kan de Binnenstadvisie, ook in tijden van beperkte middelen, een instrument zijn dat de koers voor de binnenstad van Zutphen vast helpt te houden.

Voldoende woningaanbod in de gehele stad en in de omliggende regio zorgt voor blijvend draagvlak voor voorzieningen. Wonen in de binnenstad zelf zorgt bovendien voor levendigheid en sociale veiligheid van het centrum, ook buiten openingstijden. De ‘Oude Stad’ heeft

15

49/234

grote historische kwaliteiten. Deze kwaliteiten dragen er aan bij dat de bewoners van Zutphen gehecht zijn aan hun binnenstad. In het interventiegebied ‘Oude Stad’ wordt de hoek Kattenhavestraat specifiek genoemd als opgave. Deze opgave houdt in het aanhelen van een ontbrekende straathoek als gevolg van sloopbeleid; in casu de sloop van de gasfabriek. Schetsmatig is hiervoor een oplossing gegeven in de visie.

Kaart binnenstad Zutphen met aanduiding plangebied (zwarte cirkel)

Handreiking voor het invullen van de ‘ontbrekende straathoek’ Kattenhave. Bron: Binnenstadsvisie Zutphen (2012) met locatie (rode cirkel)

Conclusie: Voorliggend plan is de uitvoering van de gestelde opgaven en doelen genoemd in de binnenstadsvisie Zutphen. 3.5.3

1. 2. 3.

Structuurvisie binnenstad Zutphen Deze structuurvisie is opgesteld om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen inzake structuurvisies wat betreft het opnemen van een uitvoeringsparagraaf en het digitaal uitwisselen en is die zin complementair aan de Binnenstadsvisie van 2012. Deze structuurvisie heeft verder tot doel een door de gemeente gevestigd voorkeursrecht te bestendigen. In de structuurvisie wordt de Binnenstadsvisie op hoofdlijnen toegelicht. De leidende thema’s zijn hetzelfde als in de Binnenstadsvisie: Historische schatkist Rivier(en)stad Stedelijke dynamiek

16

50/234

Deze laatste doelstelling is het meest relevant bij voorliggend plan. Centraal bij deze doelstelling staat dat de stad zich in de wisselwerking tussen historisch decor en stedelijke dynamiek ontwikkelt. Het historisch stedelijke uiterlijk leent zich uitstekend voor een rijke variatie aan stedelijke activiteiten. Stedelijk leven houdt een rijke diversiteit van activiteiten in handelen, wonen, recreëren, werken; maar ook bewegen en pauzeren, uitrusten en aanschouwen. Het is juist een gezonde mengeling van deze activiteiten die maakt dat Zutphen een bloeiende stad wordt. De activiteiten worden voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van de openbare ruimte. Het weefsel van straten, pleinen en markten wordt verder ondersteund en uitgebouwd. Historische straatpatronen en bouwstructuren worden bij ontwikkelingen zoveel mogelijk teruggebracht. Materialisering wordt consequent ondersteunend gemaakt aan de bouwhistorische kwaliteiten. De entrees naar de historische binnenstad (de overgangsgebieden) moeten herkenbaar, veilig en aantrekkelijk zijn. De structuurvisie binnenstad gaat ook uit van verkeer en parkeren. Parkeren moet zoveel mogelijk uit het stadsbeeld worden gehaald. Daarvoor moet extra parkeercapaciteit worden toegevoegd in één of meerdere bestaande en nog te realiseren centrale voorzieningen.

Deze parkeerlocaties moeten op loopafstand van het kernwinkelgebied zijn gelegen en worden verspreid rondom het kern-winkelgebied ter voorkoming van eenzijdige looproutes. Stedelijke herontwikkeling, onder andere ter plaatse van de IJsselkade wordt in dat licht gecombineerd met de realisatie van parkeervoorzieningen die meerdere doelgroepen bedient. Na vaststelling van deze structuurvisie is de IJsselkade heringericht en is de parkeervoorziening zoals beoogd gerealiseerd achter het station. In het ruimtelijk programma van interventiegebied 2 wordt expliciet herinvulling van de kattenhaven genoemd in het kader van herstel van het stedelijk weefsel in casu het compleet maken van het bouwblok waarin de hoek Kattenhave is gelegen. Conclusie: Het plan is onderdeel van de doelstellingen uit de Structuurvisie waarin de herontwikkeling tot een intensief stedelijk gebied centraal staat. Ook zorgt het plan voor herinrichting van de kattenhavestraat en daarmee het herstel van een historische straathoek. 3.5.4

Welstandsnota De welstandsnota geeft uitgangspunten en criteria voor de uiterlijke vertoning van gebouwen in de stad en is digitaal raadpleegbaar via http://www.welstandsnotas.nl/zutphen/. Het doel van welstand is een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Zutphen. Door het opstellen van welstandsbeleid kan de gemeente in alle openheid een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht inrichten en opdrachtgevers en ontwerpers in een vroeg stadium informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen. Het welstandsbeleid is gebiedsgericht op thema. Voor voorliggend plangebied geldt thema 3: ‘Gesloten bouwblokken (eind 19e begin 20e eeuw)’. Het streven is gericht op het behoud van de kenmerkende kwaliteiten. Dit vergt zowel op stedenbouwkundig als op architectonisch niveau een zorgvuldig beleid. Ingrepen in de stedenbouwkundige opzet dienen daarom zeer weloverwogen plaats te vinden. Het beleid is vooral gericht op het behoud van het gesloten karakter van de straatwanden met de krachtige architectonische ritmiek. Daarbij hoort ook de aandacht voor de duidelijk uitgesproken horizontale en verticale opbouw en de zorgvuldige uitwerking van de detaillering van de gevels. Toevoegingen als dakopbouwen, hekjes, naamborden e.d. ondersteunen de individualiteit van de panden en de levendigheid van het straatbeeld.

Per architectonische eenheid is enige variatie in detaillering wenselijk, mits deze variatie per woningblok wordt doorgevoerd. Bij renovatie of nieuwbouw zijn moderne interpretaties van het architectonische karakter mogelijk.

17

51/234

Uitsnede van de welstandskaart voor de binnenstad van Zutphen met aanduiding plangebied (zwarte cirkel)

Naast gebiedsgerichte criteria gelden verschillende niveaus van welstandstoezicht. Voor het plangebied geldt een zware toetsing (welstandsniveau 1). Hierbij is het welstandsbeleid gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en op de samenhang binnen het gebied of object. Conclusie: Bij de aanvraag omgevingsvergunning speelt het welstandsbeleid een grote rol. Vooralsnog geeft de nota niet direct een concrete handreiking over volume en massa en uitstraling van nieuwbouw. Uit het niveau voor welstand (1) valt wel op te maken dat herstel van de ruimtelijke karakteristiek en samenhang binnen een gebied aansluit bij het invullen van de deze ontbrekende straathoek conform de Binnenstadsvisie en de aanwijzing als beschermd Rijksgezicht. Voorafgaand aan deze partiële herziening is een stedenbouwkundige studie voor een goede invulling van deze hoek verricht. Deze studie is onderdeel van de principe toezegging voor verdere uitwerking van het plan. In deze studie is gekeken naar massa, volume en uitstraling en is als referentie bijgevoegd als bijlage. 3.5.5

Woonvisie 2019-2023 De gemeenteraad van Zutphen heeft op 8 juli 2019 de Woonvisie ‘Zutphen: daar wil ik wonen’ voor de periode 2019-2023 vastgesteld. De visie geeft stelt dat op de lange termijn bewoners er trots op zijn om in Zutphen te wonen vanwege de aantrekkelijke historische en levendige binnenstad, de eigenheid van de wijken en het karaktervolle dorp Warnsveld, waarbij alle stedelijke voorzieningen aanwezig zijn en de natuur toch dichtbij is. De nadruk in de woonvisie ligt op het vergroten van de aantrekkelijkheid van de bestaande woningvoorraad en woonomgeving voor de bewoners en nieuwe inwoners. De volgende ambities moeten dit waarmaken: - Behoud van de sterke positie als centrumgemeente - Een hoge ambitie in energietransitie en verlaging van woonlasten - Evenwicht bereiken in sociaal economisch opzicht in woonwijken Met name het herstel van de balans in sociaal economisch opzicht is een belangrijke ambitie voor de gemeenten. Zutphen kent een relatief hoog aantal goedkope woningen. Van de totale

18

52/234

woningvoorraad (21.504 woningen op 1 januari 2017) is ongeveer 8.550 een sociale huurwoning. Van de koopwoningen heeft ongeveer eenvijfde een WOZ-waarde van minder dan € 153.000 (circa 2.220 woningen, peildatum 1 januari 2017). De Zutphense kernvoorraad bestaat daarmee in totaal uit 10.770 woningen, iets meer dan de helft van de totale woningvoorraad. Dit aandeel is in vergelijking met andere gemeenten binnen de Cleantech Regio, De Achterhoek en elders in het land relatief zeer hoog. Deze scheve verhouding zorgt voor meerdere dillema’s in sociaal economisch opzicht en moet voor een belangrijk deel hersteld worden door nieuwbouw van woningen in het duurdere segment. Conclusie Voorliggend plan om vier nieuwe stadswoningen te realiseren in het luxesegment in de binnenstad van Zutphen, kan bijdragen aan de beoogde levendigheid en herstel van de sociaal economische balans van Zutphen. 3.5.6

Visie Mobiliteit in de Binnenstad 2018 De visie mobiliteit in de Binnenstad is opgesteld om op een manier naar de toekomst de bereikbaarheid van de binnenstad van Zutphen te garanderen. Omdat ontmoeten, ondernemen en verblijven centraal staan in de binnenstad is het STOP (Stappen, Trappen, OV en Personenwagens) principe als uitgangspunt gekozen. Het autoverkeer wordt zoveel mogelijk direct naar parkeerterreinen rond de historische binnenstad geleid. Goede fietsroutes naar de binnenstad zijn een belangrijke tweede aandachtspunt. Het fietsverkeer wordt vooral gefaciliteerd rond de winkelstraten. In de winkelstraten ligt het primaat bij de voetgangers. Nieuwe locaties voor fietsparkeren moeten bijdragen aan deze doelstelling. Parkeren is nooit een doel op zich. Het is een handeling in een verplaatsingsketen waarbij een voertuig langdurig of kortstondig wordt geparkeerd. Daarnaast kan parkeren heel nadrukkelijk een middel zijn om zowel autoverkeer als loopstromen te beïnvloeden. Want grote parkeervoorzieningen en -garages fungeren als magneten voor het autoverkeer en hebben daarmee een grote invloed op de verkeersstromen naar een binnenstad. Maar ook fungeren deze voorzieningen als ‘bronpunten’ voor (winkelend) publiek en zijn ze aldus een middel om bepaalde delen van het centrum te versterken dan wel te ontlasten.

De wijze waarop het parkeren is geregeld, heeft grote invloed op de kwaliteit en uitstraling van een binnenstad. Er is vanuit de omgeving vrijwel altijd druk aanwezig om het parkeren ruim voldoende te faciliteren. Maar ruimte is schaars en kostbaar. Om de aantrekkelijkheid van de binnenstad te verbeteren kan overwogen worden het parkeren in en rondom de binnenstad te herverdelen. Dit heeft overigens alleen kans van slagen als de huidige parkeervoorzieningen in de oude binnenstad ook echt een andere functie krijgen, waardoor het voor iedereen vanzelfsprekend wordt dat er niet geparkeerd wordt. Conclusie Het opheffen van de tijdelijke parkeerplaats is nodig om het doel van de visie op mobiliteit in de binnenstad na te streven. Enerzijds wordt hiermee de binnenstad autovrij gemaakt. Anderzijds wordt de aantrekkelijkheid van de binnenstad verhoogd. Het opheffen van de tijdelijke parkeerplek draagt direct bij aan het streven naar de herverdeling van parkeerplaatsen rond de binnenstad aan de Houtwal, het Vispoortplein en de nieuwe parkeergarage achter het station. Het bebouwen van het perceel zorgt ervoor dat in de toekomst deze locatie ook echt niet meer gebruikt wordt als parkeerterrein wat volgens deze visie nadrukkelijk moet worden voorkomen.

19

53/234

4

Haalbaarheid - ruimtelijk relevante aspecten

4.1

Milieu

4.1.1

Bodem Voordat een bestemmingsplan kan worden vastgesteld, dient te worden aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiervoor is door Hofstede c.s. in 2008 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.1 In 2017 heeft Tauw een eindevaluatierapport opgesteld van de grondwatermonitoring.2 Voorliggend plan betreft de realisatie van stadswoningen op een voormalig gasfabrieksterrein waar op dit moment een tijdelijke parkeerplaats is gevestigd. De bestemming van de grond is echter ‘wonen’. Juridisch verandert het gebruik niet, maar in feitelijke zin wel. Een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek is vanwege gezondheidsaspecten en gezien het voormalige werkelijke gebruik wel uitgevoerd. Aan de hand van het onderzoek is nagegaan of op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen in de grond of in het freatisch grondwater boven de streef- of achtergrondwaarden aanwezig zijn. Op basis van de beschikbare gegevens is hierbij uitgegaan van de hypothese ‘verdacht’. Op de onderzoekslocatie zijn in een eerder bodemonderzoek enkele waarnemingen op de locatie gedaan. De bovengrond is tot op 1,5 meter diepte sterk puinhoudend en licht belast met PAK. Er zijn geen verhoogde waarden van cyaniden, aromaten, fenolen en cresolen in de bovengrond gemeten.

Van de grond dieper dan 1,5 meter zijn geen gegevens bekend, omdat de provincie Gelderlands beperkingen stelt aan grondonderzoek dieper dan 2 meter (zie onder 4.2.4.). Het grondwater is niet of hooguit licht belast met vluchtige aromaten, cyaniden, cresolen en fenolen. De provincie Gelderland heeft in 2005 bij beschikking MW2005.3027 vastgesteld dat de bodemverontreiniging op het voormalige gasfabrieksterrein een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging is, waarvan sanering niet urgent is’. Conclusie Op de locatie is na het verkennend bodemonderzoek tot en met de verkende diepte geen ernstige bodemverontreiniging vastgesteld. De vastgestelde milieu hygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de locatie. Dieper dan 2 meter mogen geen werken in de grond plaats vinden. Om die reden zal kruipruimteloos worden gebouwd en grondroering dieper dan 2 meter niet mogelijk zijn (zonder vergunning in afwijking). Uit de monitoringsgegevens van Tauw staat dat de concentraties cyanide-vrij de signaalwaarde niet overschrijden. Hiermee is voldaan aan de eerdere saneringsdoelstelling. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2

Geluid Wanneer in een plan nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen worden gerealiseerd, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van omliggende wegen. Deze geluidsbelasting mag de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek, maar soms is het toch wenselijk / noodzakelijk akoestisch onderzoek uit te voeren in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend plan betreft de realisatie van een geluidsgevoelige bestemming. Hiervoor is door

1 Verkennend bodemonderzoek kattenhavestraat te Zutphen, Adviesbureau Hofstede c.s., kenmerk

lbs.zpn.08005.r01, datum 24 januari 2008. Zie bijlage 1. 2 Eindevaluatierapport bodemonderzoek Kattenhavestraat te Zutphen, Tauw, kenmerk 1242308, datum

17 januari 2017. Zie bijlage 2.

20

54/234

Adviesbureau van der Boom in mei 2017 een akoestisch onderzoek uitgevoerd 3. In 2017 was het uitgangspunt dat op deze locatie 5 woningen zouden worden gerealiseerd. Het bouwvlak was hetzelfde en ook de massa van het bouwwerk is in het onderzoek niet anders dan wat nu wordt voorgesteld met vier woningen. Ondanks dat in het onderzoek over 5 woningen wordt gesproken blijven de resultaten hetzelfde voor vier woningen. In de bijlage mag men derhalve ‘vier’ lezen in plaats van ‘vijf’ woningen. Toetsing wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op de IJsselkade bedraagt ten hoogste 56 dB na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh op de noordgevels. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt echter niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de overige wegen ligt onder de grenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt door deze wegen niet overschreden. Een hogere waarde kan slechts worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=265f141b-a6b5-4ff4-a4eb-e7099edba809