108480RH 2021_BW_00169
Tekst van het document
Maatregelen wegverkeer Hieronder zijn maatregelen beschreven om de geluidbelasting ten gevolge van de IJsselkade op de geluidbelaste woningen zo mogelijk tot de voorkeursgrenswaarde te doen afnemen. Maatregelen aan de bron: stil asfalt De IJsselkade is voorzien van elementen in keperverband. Dit wegdektype leidt tot een ca. 2 dB hogere geluidbelasting dan het referentiewegdek DAB. Door het toepassen van een stil wegdek zou de geluidbelasting met ca. 6 dB (dunne deklaag 2) afnemen. Gezien het monumentale karakter van de IJsselkade is het vervangen van het wegdek door een stiller asfalt niet haalbaar. Maatregelen aan de bron: verlagen van de maximumsnelheid De maximumsnelheid op de IJsselkade bedraagt 50 km/uur. Het terugbrengen van de snelheid op deze weg ten behoeve van het terugbrengen van de geluidbelasting op vier woningen is niet haalbaar nocht wenselijk, gezien de functie van deze doorgaande weg. Afscherming van de woningen geluidscherm Het afschermen van de woningen met een geluidscherm zou de geluidbelasting omlaag kunnen brengen. De aanleg van een verdiepinghoog geluidscherm ten behoeve van het terugbrengen van de geluidbelasting is op deze locatie fysiek niet mogelijk vanwege het ontbreken van de benodigde ruimte. Bovendien is de maatregel stedenbouwkundig niet haalbaar gezien het monumentale karakter van de IJsselkade en de Kattenhavenstraat.
Hogere waarde wegverkeer Het verlagen van de geluidbelasting door het aanbrengen van een stiller wegdek is niet haalbaar. Het verlagen van de maximum snelheid om de geluidbelasting op de woningen terug te brengen is niet mogelijk noch wenselijk. Afscherming van de woningen is op deze locatie eveneens niet haalbaar. De gemeente dient een hogere waarde vast te stellen van 56 dB op de noordgevels van de woningen en van 55 dB op de westgevel als gevolg van wegverkeer op de IJsselkade. Toetsing hogere waarden aan geluidbeleid In de Nota hogere waarden geluid 2015-2025 heeft de gemeente vastgelegd onder welke voorwaarden zij een hogere waarde verleent voor geluidbelastingen vanwege wegverkeer, railverkeer en industrielawaai die de voorkeursgrenswaarde uit de Wet Geluidhinder te boven 3 Akoestisch onderzoek Kattenhavestraat te Zutphen, Adviesbureau van der Boom BV, Kenmerk 17-099,
datum 2 mei 2017. Zie bijlage 3
21
55/234
gaan. De gemeente geeft in haar geluidbeleid aan dat ten minste één geluidluwe gevel en buitenruimte aanwezig moet zijn om te komen tot het verlenen van een hogere waarde. De oostgevel en de zuidgevels zijn geluidluw (rekenpunt 4 - 7). Daardoor is tevens sprake van een geluidluwe buitenruimte achter de woningen. Eis geluidwering Vastgesteld, hogere waardenbesluit de zgn. karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning in geval van wegverkeerslawaai of spoorweglawaai ten minste gelijk zijn aan de hoogst toelaatbare vastgestelde geluidbelasting verminderd met 33; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;k. Voor de woningen moet een hogere waardenbesluit worden vastgesteld. Bij een geluidbelasting zonder aftrek van 61 dB is dan een geluidwering GA;k nodig van 28 dB. Voor de woningen zijn krachtens het Bouwbesluit aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig om aan deze eis te voldoen. Conclusie: Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Voor realisatie van het plan moet wel een procedure Hogere waarde worden doorlopen. Ook dienen geluidwerende voorzieningen te worden getroffen bij de bouw van de woningen. Deze bouwtechnische maatregelen zijn onderdeel van het plan in de uitwerking tijdens het traject van de omgevingsvergunning. 4.1.3
-
-
-
Bedrijven en milieuzonering Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Voorliggend plan betreft de realisatie van maximaal 5 wooneenheden in gemend gebied. Woningen zorgen niet voor hinder, maar kunnen mogelijk wel hinder ervaren van de omgeving. In de directe nabijheid van het plangebied zijn echter met name woningen gelegen. Ook zijn er diverse panden in de directe omgeving bestemd als kantoor. Deze brengen echter geen hinder met zich mee. Op de IJsselkade 24 zit een pand met de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’. Hierin zit café Beuker gevestigd. Conform de VNG-bedrijvenlijst valt deze functie binnen de activiteit ‘cafés’, ‘bars’ (SBI2008-code 563). Hier geldt een indicatieve zone van 10 meter voor het aspect geluid (milieucategorie 1). Het plan bevindt zich buiten deze indicatieve zone en vormt geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het gevestigde bedrijf. Op de Kuiperstraat 72 zit een pand met de bestemming ‘Detailhandel’. Hierin zit een tatoeagezaak gevestigd, genaamd ‘Sideburn Tattoo’.
Conform de VNG-bedrijvenlijst valt deze functie binnen de activiteit ‘detailhandel voor zover n.e.g.’ (SBI2008-code 47). Hier geldt een indicatieve zone van 10 meter voor het aspect geluid en gevaar (milieucategorie 1). Het plan bevindt zich buiten deze indicatieve zone en vormt geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het gevestigde bedrijf. Ten slotte is op het adres Kuiperstraat 70 een pand met de bestemming ‘Bedrijf’. Hierin zitten twee bedrijven gevestigd met alleen een kantoorfunctie, genaamd ‘Triple C au pair’ en ‘CVJO Zutphen’. Conform de VNG-bedrijvenlijst vallen deze functies binnen de activiteit ‘Overige zakelijke dienstverlening: kantoren’ (SBI2008-code 63, 69t/m71, 73, 74, 77, 78 en 80 t/m 82). Hier geldt een indicatieve zone van 10 meter voor het aspect geluid (milieucategorie 1). Het plan bevindt zich buiten deze indicatieve zone en vormt geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het gevestigde bedrijf. Al deze bedrijven worden door de herontwikkeling niet gehinderd in de eigen bedrijfsvoering. Andersom geredeneerd zal geen hinder optreden naar de nieuw te ontwikkelen woningen. Conclusie:
22
56/234
Vanuit bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.1.4
-
-
Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer gegeven in de fn-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitsgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft een betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 /jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen. Voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een dergelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Op inrichtingen en transport is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Daarnaast kan er sprake zijn van gemeentelijk beleid op het gebied van externe veiligheid. Op de relevante wet- en regelgeving wordt hierna kort ingegaan. Besluit transportroutes externe veiligheid Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) bevat informatie met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor. Informatie uit de wet basisnet en bijbehorende regeling wijzen uit dat in de Achterhoek over het algemeen sprake is van een laag risiconiveau langs transportroutes. Toch kan soms een nadere beoordeling van met name het groepsrisico nodig zijn.
In het Bevt is bepaald dat het groepsrisico niet hoeft te worden verantwoord als er onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde wordt gebleven. Dit betekent in de praktijk dat gemeenten langs groene vaarwegen het groepsrisico niet hoeven te verantwoorden. Gemeenten langs zwarte vaarwegen moeten het groepsrisico verantwoorden indien het aantal inwoners de 1500 per hectare bij dubbelzijdige bebouwing overschrijdt. Bij enkelzijdige bebouwing geldt 2500 inwoners per ha. Langs rode vaarwegen is de verantwoording altijd noodzakelijk. De IJssel betreft een zwarte vaarweg met ter hoogte van de planlocatie enkelzijdige bebouwing. De bevolkingsdichtheid overschrijdt de 2.500 inwoners per hectare niet. Dit betekent dat het groepsrisico niet hoeft te worden verantwoord. Tenslotte moeten gemeenten langs rode en zwarte vaarwegen rekening gaan houden met de effecten van een ongeluk met brandbare vloeistoffen7. Bij een ongeluk met een schip met brandbare vloeistoffen kan zo’n stof uitstromen en in brand vliegen (plasbrand). Dat kan in een gebied van 25 tot 40 meter langs de vaarweg tot slachtoffers leiden. Daarom zijn er langs
23
57/234
de rode en zwarte vaarwegen zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden (PAG) van 40 tot 25 meter vanaf de oeverlijn gedefinieerd. Dit onderscheid in afstanden is gebaseerd op de gevolgen van een aanvaring tussen binnenvaartschepen onderling of tussen een zeevaartschip en een binnenvaartschip. Langs groene vaarwegen worden geen plasbrandaandachtsgebieden aangewezen omdat de hoeveelheid vervoerde brandbare vloeistoffen daarvoor te gering is. De gemeente moet bij bouwplannen in die gebieden beargumenteren waarom op deze locatie wordt gebouwd. Bouwen binnen een plasbrandaandachtsgebied wordt dus een afweging die door de gemeente wordt gemaakt op basis van de lokale situatie. Naast de risicobenadering biedt dit nieuwe effectbeleid extra veiligheid. Het plasbrandaandachtsgebied wordt gerekend vanaf de oeverlijn. Omdat de gehele uiterwaard kan onderlopen, geldt deze in zijn geheel als plasbrandaandachtsgebied. De IJssel betreft een zwarte vaarweg waarvoor een plasbrandaandachtsgebied van 25 meter geldt. De planlocatie is op circa 55 meter van de oeverlijn gelegen en dus buiten het plasbrandaandachtsgebied. Daarnaast geldt er geen aan te houden veiligheidszone (PR 10-6), er mag alleen niet gebouwd worden in of op het water. Risicoscan omgeving Met behulp van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inschatting gemaakt van de aanwezige risico’s in de omgeving van het plangebied.
Voor het plangebied geldt dat dit binnen het invloedsgebied van het spoor ligt. Dit invloedsgebied beslaat een gebied van 4 kilometer aan weerszijde van de spoorbaan, omdat over deze spoorlijn toxische stoffen worden getransporteerd. Voor het spoor geldt een gebied van 200 meter aan weerszijde waarvoor uitgebreid moet worden ingegaan op alle risico’s volgens artikel 8 van het Besluit transportroutes externe veiligheid. Buiten dit gebied hoeft alleen te worden ingegaan op de mogelijkheid tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp, en de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen in het geval van een calamiteit. In dit geval ligt het plangebied op meer dan 200 meter van het spoor verwijderd. De afstand tot het spoor bedraagt minimaal ca. 400 meter. Het plangebied ligt daarentegen wel binnen de 200 meter zone (effectgebied) van de IJssel. Naast deze risicobronnen bevinden zich in de directe omgeving geen risicobronnen of transportroutes waarvan de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied over het plangebied valt.
-
Groepsrisicoverantwoording spoor: Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Maatgevende scenario’s Het maatgevende scenario voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen/gassen is een toxische wolk. Onderstaand is vanuit dit scenario ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De
24
58/234
brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit met toxische stoffen is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid voor de modaliteit spoor. Groepsrisicoverantwoording water: In de wet basisnet en bijbehorende regeling is per transportmodaliteit aangegeven met welke afstanden rond deze transportroute rekening moet worden gehouden met de risico’s van deze transportroute. Dit wordt gedaan aan de hand van het opstellen van een risicoplafond voor de transportroute.
Volgens de regeling basisnet ligt het risicoplafond voor vervoer van gevaarlijke stoffen voor De IJssel op 810 transporten van vloeibare brandbare stoffen LF1 (bijvoorbeeld Diesel) en 810 transporten van vloeibare brandbare stoffen LF2 (bijvoorbeeld Benzine) op 347 transporten per jaar. Voor de overige stofcategorieën staat het risicoplafond op 0. In de Handreiking risicoanalyse transport (HART) zijn afstanden opgenomen voor het invloedsgebied per modaliteit en vervoerde stofcategorie. Voor de stofcategorieën LF1 en LF2 bedraagt deze afstand 35 meter vanaf het hart van de vaarweg. Binnen het invloedsgebied van de vaarweg (1% letaliteit) moet de bevolkingsdichtheid voor de QRA worden geïnventariseerd. Het plangebied bevindt zich op ongeveer 65 meter van de begrenzing van de rivier en ongeveer 115 meter vanaf het hart van de vaarweg. In dit geval bevindt het plangebied zich weliswaar binnen de 200 meter van de vaarweg maar buiten het invloedsgebied.
Gelderse signaleringskaart Externe veiligheid met aandachtsgebied IJssel, hart van de vaarweg (doorgetrokken lijn) en aanduiding plangebied (zwarte cirkel).
25
59/234
In dit geval is er dus sprake van een ontwikkeling binnen 200 meter van de rivier De IJssel, maar buiten de 10-6 contour, het plasbrandaandachtsgebied en het invloedsgebied. De ontwikkeling heeft nauwelijks invloed op de hoogte van het groepsrisico en daarmee op het al dan niet overschrijden van de oriëntatiewaarde. Toch wordt onder de aandacht gebracht dat er in dit geval sprake is van een toename van de populatie binnen het planinitiatief, nu er een vier wooneenheden worden gerealiseerd op de plaats van een tijdelijke parkeerplaats af. Voor woningen mag worden uitgegaan van een bezetting van 2,4 personen per woning. Voor een openbare parkeergelegenheid geeft de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico geen kengetal, omdat parkeerplaatsen in het Bevi niet aangemerkt worden aangemerkt als kwetsbaar object. Omdat de parkeerplaatsen bij het centrum veelvuldig gebruikt worden en er continue personen aanwezig zijn is wel een inschatting gemaakt van de aanwezige personen. Om een realistische inschatting te maken is hiervoor aangesloten bij het kengetal voor een drukke woonwijk waarbij 100% aanwezig is in de dag en 50% in de nacht.
-
Volgens artikel 7 van het besluit transportroutes externe veiligheid dient in ieder geval te worden ingegaan: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te kunnen brengen over de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De Veiligheidsregio heeft op 29 april 2015 per brief geadviseerd met betrekking tot bovengenoemde onderwerpen. Het advies van de brandweer wordt als aanvulling over deze motivatie gezien, en maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Maatgevende scenario’s Het maatgevend scenario in dit geval is de plasbrand. Voor de IJssel geldt een plasbrandaandachtsgebied van 25 meter aan weerszijde van de rivier, gemeten vanaf de begrenzing van de rivier. In dit geval ligt de ontwikkeling ruim buiten deze ring van 25 meter. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen.
Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolk-brandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er
26
60/234
geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid voor de transportmodaliteit water. Algehele conclusie: Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Flora en fauna Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Nederlandse wetgeving maakt voor bescherming van natuur onderscheid in de bescherming van gebieden in de Natuurbeschermingswet en de soortbescherming in de Floraen faunawet. Gebiedsbescherming In het kader van de Natuurbeschermingswet dient te worden getoetst of de beoogde ontwikkeling een eventuele negatieve invloed heeft op beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde gebied dat in het kader van de Natuurbeschermingswet is aangewezen, ligt op ongeveer 160 meter afstand en is het Natura2000-gebied IJsseluiterwaarden, tevens Ecologische Hoofdstructuur. Verwacht wordt dat de activiteiten in het plangebied, gezien hun ligging en omvang, geen negatieve invloed hebben op het functioneren van dit Natura2000-gebied en de Ecologische Hoofdstructuur.
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 gebied “Rijntakken”, deelgebied Uiterwaarden IJssel.
De Kattenhavestraat kenmerkt zich door relatief veel stedelijke elementen die tevens van belang zijn voor het behoud van de biodiversiteit van de leefomgeving, Deze elementen betreffen de aanwezigheid van de uitloop van de Berkel, de aangrenzende natuurlijke begroeide oevers met daarlangs een redelijk volgroeide boomstructuur, het sluizencomplex met haar versteende kades, de type bebouwing en de directe ligging aan het IJsselfront. De aanwezigheid van oude kademuren nabij het sluizencomplex maken de aanwezigheid van beschermde muurbeplanting in de omgeving in potentie mogelijk. Ook is het plangebied (in potentie) ge-
27
61/234
schikt als foerageergebied en vliegroute voor gebouw- en boom bewonende vleermuizen. De aanwezigheid van de Berkel (waterstructuur), de relatief natuurlijke oevers en de aangrenzende boomstructuur de IJssel en de relatief oude bebouwing maken het plangebied aantrekkelijk voor vleermuizen. Soortbescherming De Flora- en faunawet draagt zorg voor een duurzame instandhouding van alle inheemse flora en fauna. In dit kader dient te worden onderzocht of er geen schade aan soorten wordt toegebracht. Afhankelijk van de kwetsbaarheid van de soort zijn er verschillende beschermingsregimes van toepassing. Door Hella Helsdingen is in 2017 onderzocht4 of er in potentie beschermde soorten aanwezig zijn. Onderstaand een korte samenvatting van de onderzoeksresultaten. Binnen de wet ‘Vogelrichtlijn’ zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van de nestgelegenheden binnen het broedseizoen. Deze nestgelegenheden bevinden zich met name in de bomen langs de Berkel. Daarnaast zijn er ook van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, ook als deze niet als broedlocatie worden gebruikt. Binnen het plangebied gaat het om de Huiszwaluw, Gierzwaluw, Huismus en de Grote Gele Kwikstaart. Bij voorgenomen ontwikkeling wordt aangenomen dat er geen van bovengenoemde beschermde planten- of diersoorten worden aangetast/bedreigd.
-
-
Algemene voorwaarden Op grond van het onderzoek is aangegeven wat de resultaten ter plaatse zijn. Dat neemt niet weg dat een tweetal voorwaarden volgend uit de Flora- en faunawet altijd van toepassing zijn: In het broedseizoen van vogels (half maart tot half juli) mogen de vegetatie, en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zou leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd. Er is geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Flora- en faunawet voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen zouden kunnen verstoren. Op basis van de zorgplicht volgens artikel 2 van de Flora- en faunawet dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.
Dit kan door: o Voortijdig maaien van het plangebied, zodat dieren wegtrekken; o Het beperken van verlichting tijdens de avonduren in de zomer, voorjaar en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren; o Het slopen en rooien starten buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen, zodat het plangebied ongeschikt is voor dieren. Conclusie: Op grond van het bovenstaande bestaan er vanuit flora en fauna geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het dit bestemmingsplan.
4.3
Water In artikel 3.1.6 (Bro) is aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan is beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema’s worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven.
4 Quickscan flora en fauna Kattenhavestraat te Zutphen, datum 6 april 2017. Zie bijlage 4.
28
62/234
Ten behoeve van de watertoets is onderhavig plan getoetst aan een elftal thema’s die het Waterschap Rijn en IJssel van belang acht ten behoeve van het waarborgen van een gunstige waterhuishoudkundige situatie nu en in de toekomst. Het resultaat van deze toets volgt hieronder. Thema Toelichting Relevant Veiligheid 1. Ligt in of nabij het plangebied primaire of seJa cundaire waterkeringen? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade? Ja Riolering en Afvalwaterke- 1. Is er toename van het afvalwater ( DWA)? Nee ten 2. Ligt in het plangebied een persleiding van Nee WRIJ? Nee 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van WRIJ? Wateroverlast 1. Is er sprake van toename van verhard opperNee vlak? 2. Is er sprake van afkoppelen van verhard opNee pervlak? 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte Nee en laag gelegen gebieden? Grondwateroverlast 1. In het plangebied is sprake van slecht doorla- ja tende lagen in de ondergrond. 2. Het plangebied bevindt zich in de invloedzone Ja van Rijn en IJssel. 3. Is in het plangebied sprake van kwel? Nee 4. Beoogt het plan het dempen van slootjes of Nee andere wateren? Watervoorziening 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone Nee van drinkwateronttrekking? Volksgezondheid 1. Bevinden zich overstorten van het rioolstelsel Nee in of nabij het plangebied? 2.
Nieuwe functies die milieuhygiënische of ver- Nee drinkingsrisico’s hebben? Oppervlaktewaterkwaliteit 1. Wordt vanuit het plangebied water op opper- Nee vlaktewater geloosd? 2. Ligt het plangebied nabij een Hen of Sed waNee ter of Strategisch actiegebied Verdroging 1. Het plangebied bevindt zich in een hydroloNee gisch gebied voor natte natuur. Natte natuur 1.In of nabij het plangebied bevindt zich de EHS. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beNee schermingszones voor natte natuur? Inrichting en beheer 1. In of nabij het plangebied bevinden zich waJa teren die in beheer zijn bij het waterschap. 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen Nee tot doel? Cultuurhistorie 1. Er zijn cultuurhistorische waterobjecten in Nee het plangebied aanwezig. Toelichting Veiligheid: Het plangebied wordt aan de noordzijde deels begrensd door De Berkel, die tevens langs de westelijke zijde uitmondt in de IJssel. Het plangebied ligt op ongeveer 60 meter van de IJssel en 10 meter van de Berkel. Het gebied wordt beschermd door middel van een waterkering in de vorm van een kade. Het plan ligt binnen de buitenbeschermingszone van de waterkering. Dit betekent dat er voor werkzaamheden in de ondergrond (graafwerkzaamheden, sonderingen, fundering, etc) mogelijk een watervergunning nodig is, afhankelijk van de diepte waarop
29
63/234
de werkzaamheden plaatsvinden. Voor deze werkzaamheden geldt dat deze de stabiliteit en veiligheid van de waterkering niet mogen aantasten. Dit betekent dat er voorwaarden en restricties kunnen gelden als een concrete aanvraag voor (bouw)werkzaamheden wordt ingediend. Grondwateroverlast: De grondwatersituatie wijzigt niet door de voorgestane ontwikkeling. Er vindt geen uitbreiding van verharding plaats. Infiltratie van hemelwater is in de toekomstige situatie niet mogelijk, omdat hiervoor geen ruimte aanwezig is en dit onwenselijk is vanwege de bekende grondwatersituatie. De woningen zullen dan ook moeten worden aangesloten op het gemeentelijk hemelwaterriool. De toename van afval- en hemelwater van 4 woningen is dermate klein dat het bestaande riool dit aan kan. -
Inrichting en beheer: De wateren in de directe omgeving van het plangebied zijn in eigendom en beheer van Rijkswaterstaat (IJssel) en Waterschap Rijn IJssel (Berkel). Conclusie: Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Sinds 2007 beschikt de gemeente over een door de raad vastgestelde gemeentelijke archeologische waardenkaart. Hierop staat aangegeven waar zich archeologische waarden bevinden (bekende waarden) of zouden kunnen bevinden (verwachtingswaarden). Aan de waarderingen zijn voorschriften gekoppeld bij welke omvang en diepte van bodemingrepen archeologisch onderzoek verplicht wordt gesteld.
-
Volgens de gemeentelijke archeologische waarde kaart bevindt zich op het perceel één archeologische waarde: een middelhoge bekende archeologische waarde binnenstad (bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 m zijn onderzoek plichtig); Dit correspondeert met de archeologische bestemming die in hoofdzaak op grond van het geldende bestemming van toepassing is (zie paragraaf 1.3.). De locatie is ook gelegen binnen een zogenaamd “AMK-terrein”. Dit houdt in dat de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed in de procedure van waardering en selectie om advies zal worden gevraagd.
30
64/234
Uitsnede gemeentelijke archeologische waardenkaart met aanduiding plangebied (rode cirkel) Conclusie: Op grond van het archeologiebeleid is er geen archeologisch onderzoek nodig aangezien er niet de diepte in wordt gebouwd. Het kan zijn dat bewoners van de woningen in de toekomst een kelder willen realiseren. Wanneer dit voorkomt dient er wel archeologisch onderzoek plaats te vinden. Om archeologische waarden ook in de toekomst te beschermen, is de van toepassing zijnde archeologische bestemming uit het vigerende bestemmingsplan één op één overgenomen in de regeling van dit bestemmingsplan (zie verder hoofdstuk 6). Cultuurhistorie In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische monumenten rekening is gehouden. Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangewezen als “Waarde – Beschermd Stadsgezicht en zijn primair bestemd voor bescherming en het respecteren van de cultuurhistorische waarden zoals die worden omschreven in de aanwijzing van het plangebied als beschermd stadsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet, 1988. Er is geen sprake van een bestaand rijksmonument en daarom hoeft er ook geen bouwhistorisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Algehele conclusie: De aspecten archeologie & cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Bij de uitwerking van de plannen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de bestaande cultuurhistorische waarden in de directe omgeving.
4.5
Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten door de Kattenhavestraat, de IJsselkade en de Kuiperstraat.
31
65/234
Parkeren Ten aanzien van parkeren wordt als uitgangspunt gehanteerd dat op maaiveld wordt geparkeerd. Per woning zal 1 parkeerplaats op eigen terrein worden gerealiseerd, vier in totaal. Op basis van de landelijk toepasbare parkeernormen uit de CROW-uitgave 317 geldt voor het plan, uitgaande van de ligging in het centrum en een matig stedelijk gebied, een parkeernorm van minimaal 1,1 en maximaal 1,9 parkeerplaatsen. Voor de historische binnenstad van Zutphen wordt tenminste 1 parkeerplaats per woning aangehouden. Per woning wordt 1 parkeerplaats op eigen terrein gerealiseerd. Het is acceptabel dat in de toekomst de parkeervraag voor bezoek wordt opgevangen in het openbare gebied. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Duurzaamheid In het beleidsplan Zutphen Energieneutraal is opgenomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een onderzoek naar gebruik van duurzame energie, energiebesparing, restwarmte en duurzaam bouwen verplicht is. Bij nieuwbouw van utiliteit moet gestreefd worden naar een 10% scherpere EPC en dat 100% van het dak belegd is met zonnepanelen. Bij voorliggend plan wordt uitgegaan van een duurzame, kwalitatief hoogwaardige invulling de locatie Kattenhavestraat met als doel het versterken van de identiteit van de stad Zutphen. De nieuwbouw moet duurzaam zijn in termen van energieverbruik volgens het principe “cradle to cradle”. Niet alleen moet energieverbruik tijden het gebruik van de nieuwbouw geminimaliseerd worden, ook de benodigde energie om de nieuwbouw te realiseren moet tot het minimum beperkt worden. Dit betekent dat bij de ontwikkeling in een zeer vroegtijdig stadium een installatie- en duurzaamheidsadviseur betrokken zullen worden waarbij de Trias Energetica het uitgangspunt vormt. Ook zal er gestreefd worden naar een optimale multifunctionaliteit om te kunnen anticiperen op veranderende omstandigheden, zoals de manier van leven, gezinsuitbreiding en/of als er zorg verleend moet worden.
4.7
Economische uitvoerbaarheid Voorliggend plan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en is een initiatief van TRIGONIUM Vastgoed Ontwikkeling B.V. De kosten voor de realisatie van het plan komen voor rekening van deze partij. De kosten van planvorming komen op rekening van de gemeente Zutphen en worden betaald uit het budget voor het opstellen van bestemmingsplannen.
32
66/234
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang).
-
-
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
1.
2.
5.1.3 1.
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels staan aangegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (of zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de plankaart. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ’iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit is gedaan om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).
33
67/234
2.
3.
4.
Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, zijn deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van wat is geregeld en dus van toepassing is. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels. Overgangs- en slotregels.
In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.1.4
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling in één procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in één besluit, de omgevingsvergunning. Ook de vergunning en afwijkingen genoemd in de Wet ruimtelijke ordening vallen onder de Wabo. Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. Termen als ‘bouwvergunning’, ‘aanlegvergunning’, ’sloopvergunning’ en ‘ontheffing’ zijn vervangen door ‘omgevingsvergunning ten behoeve van…’.
5.2
Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn regels betreffende het gebruik en bouwregels gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.2.1
Bijzonderheden in dit plan Dit bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘wonen’, ‘waarde – middelhoog bekende archeologische waarde’ en ‘waarde – beschermd stadsgezicht’. Wonen. Het perceel is voorzien van een woonbestemming met daarbinnen een bouwvlak. Verder is het maximaal aantal wooneenheden opgenomen. De goot- en bouwhoogte zijn Opgenomen in de verbeelding door middel van een aanduiding. Waarde – Middelhoog Bekende Archeologische Waarde. De gronden met de bestemming Waarde – Middelhoog Bekende Archeologische Waarde zijn mede bestemd voor het behoud, de versterking en de bescherming van de bekende archeologische waarden in de bodem. In principe geldt dat alleen gebouwd mag worden (met een omgevingsvergunning om af te wijken van de bouwregels) als aangetoond is dat bekende ar-
34
68/234
cheologische waarden niet onevenredig worden geschaad. Dit moet worden aangetoond door archeologisch onderzoek. Deze onderzoeksplicht geldt voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en grondbewerkingen dieper dan 2 m. Waarde – Beschermd Stadsgezicht. De voor Waarde - Beschermd Stadsgezicht aangewezen gronden zijn primair bestemd voor bescherming van de cultuurhistorische waarden zoals die worden omschreven in de aanwijzing van het plangebied als beschermd stadsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet, 1988. De regeling is geheel overeenkomstig de vigerende regeling in het bestemmingsplan ‘Oude Stad / IJsselkade’. 5.2.2
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht
35
69/234
6
Procedure In dit hoofdstuk worden te zijner tijd de resultaten van de procedure opgenomen.
36
70/234
-
Bijlagen: Verkennend bodemonderzoek Kattenhavestraat, Zutphen Evaluatierapport bodemonderzoek Kattenhavestraat, Zutphen Akoestisch onderzoek Kattenhavestraat, Zutphen Quickscan flora en fauna Kattenhavestraat, Zutphen Voortoets stikstofdepositie Kattenhavestraat, Zutphen. Incl. bijlagen Stedenbouwkundig advies Kattenhavestraat, Zutphen
37
71/234
72/234
73/234
74/234
75/234
76/234
77/234
78/234
79/234
80/234
81/234
82/234
83/234
84/234
85/234
86/234
87/234
88/234
89/234
90/234
91/234
92/234
93/234
94/234
95/234
96/234
97/234
98/234
99/234
100/234