GEW Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 versie 2 A25.004344
Tekst van het document
een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen. 3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en b. aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel 65.
Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft, bepalend. Artikel 66. Schooltijden en wachttijden 1. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd van één of meerdere (les)uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 67. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.
de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; en b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijk verblijf buiten de gemeente, is een
38
2.
3.
vervoervoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.
Artikel 68. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat 1. Met inachtneming van de artikelen 55 en 57 kent het college op aanvraag een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het eerste lid bedoelde schoolvakanties. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of adres van het pleeggezin naar de woning van de ouders, eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.
Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. 5. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken. 6. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer: a. openbaar vervoer geheel ontbreekt; of b. het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of pleeggezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Artikel 69. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract; b.
de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. 3. De in het tweede lid, onder d, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is. In dat geval kan het stageadres gelegen zijn binnen een
39
4.
5.
door college te bepalen maximale aantal kilometers van de woning dan wel opstapplaats of de school. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. Het college kan het stagecontract opvragen.
Artikel 70. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens, verstrekt het college aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer 2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt € 0,11. Artikel 71. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar vergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider als: a.
voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling jonger dan twaalf jaar is en een basisschool, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of b. voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling jonger is dan twaalf jaar en een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bezoekt, of c. de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. 3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden. 4. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt € 0,11. Artikel 72. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. 2.
Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren. 3. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,11 per kilometer. b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of
40
c.
4.
5.
6.
een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de eigen auto (kortste route), als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. Deze vergoeding is op basis van het belastingvrije bedrag per kilometer (€ 0,23), gebaseerd op twee retourreizen per dag. d. een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto per rit en niet per leerling. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die reeds voor dit vervoer vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt. Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
Artikel 73. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd en de leerling onder de 9 jaar is; b. voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling tussen 9 en 12 jaar is en clusteronderwijs bezoekt; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een basisschool of terug rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is; d. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan een uur onderweg is; e. het een school voor voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft en de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; f.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71, de leerling een school voor regulier voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs cluster 4 bezoekt en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan drie kwartier onderweg; g. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; h. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of i. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken. j. dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief. 2. In het geval van een toekenning aangepast vervoer kan een vervoersvoorziening verstrekt worden voor vervoer naar één ander adres dan de woning van de leerling indien: a. dit een adres betreft waar kinderopvang wordt geboden, omdat beide ouders werken; b.
het adres van de opvanglocatie binnen een straal van 500 meter van de school van de leerling ligt of in de dorpskern waar de leerling woont, ligt, en
41
c.
er sprake is van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres op vaste dag(en) per week, dat bij de aanvraag is opgegeven. d. dit geen hulpverlening in het kader van de Jeugdwet betreft. Artikel 74. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Paragraaf 5.4 Bijdrage in de kosten Artikel 75. Drempelbedrag 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 31.500,- , de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 61 bepaalde afstand van 6 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht. 2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. 3.
Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. In aansluiting op artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt onder de terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar. 4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen. Artikel 76. Draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouders verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijke van de hoogte van het inkomen van de ouders.
De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per inkomenscategorie bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0 – 42.000 Nihil 42.000 – 50.000 185 50.000 – 58.000 820 58.000 – 65.000 1.520 65.000 – 74.500 2.230 74.500 – 81.500 2.990 81.500 en verder 2.990 plus voor elke extra € 5.000,-: € 715,- erbij 3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari 2026 aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. 4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
42
5. 6. 7.
huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. Het drempelbedrag genoemd in artikel 75 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid, opgelegd worden aan het gezin. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
Hoofdstuk 6: Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten Artikel 77. Kwaliteitseisen 1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders. 2. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4. De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5. Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 6. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. 7. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning. Artikel 78. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.11, tweede lid van de Jeugdwet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast: a. een vaste prijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. een reële prijs of tarief, geldend als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast: a.
overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015 en 12.4, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst of jeugdhulp wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht;
43
b. c. d.
4.
de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis en opleidingskosten; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs of tarief voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
Artikel 79. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura, pgb of bekostiging leerlingenvervoer zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 doet een cliënt of ouder van een leerling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een voorziening. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een besluit aangaande een voorziening of vergoeding in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de vergoeding is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening, het pgb of de vergoeding niet meer toereikend of passend is; d.
de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of vergoeding, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is; f. ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 75 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; g. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 76 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan; h. Sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder gedurende het verblijf in aangepast vervoer; i. Het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer. 4. Indien het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, het ten onrechte genoten pgb of de ten onrechte genoten bekostiging. 5. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 6.
Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd. 7. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
44
8. 9.
10.
Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (waaronder pgb’s) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 80. Klachtenregeling 1. Het college handelt klachten af overeenkomstig de in de gemeente geldende klachtenregeling. 2. Het college neemt in de contracten met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt 3. In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 81. Medezeggenschap bij aanbieders 1. De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet. 3. De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de cliënten van zijn organisatie. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een cliëntenraad moet voldoen. Artikel 82. Incidenten, calamiteiten en geweld 1.
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthouder aan als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo. 2. Aanbieders melden calamiteiten en geweld dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthouder. 3. De toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 83. Doel- en rechtmatigheid 1. Het college wijst een toezichthouder rechtmatigheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015. 2. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties 3. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.
45
Hoofdstuk 7: Participatie in het Sociaal Domein Artikel 84. Begripsbepalingen participatie sociaal domein In deze verordening wordt verstaan onder: a. adviesraad: het door het college ingestelde orgaan dat het college adviseert over beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein van de gemeente Zuidplas; b. representatieve organisatie: organisatie die de belangen van een of meerdere specifieke cliёntgroepen/doelgroepen behartigt zoals deze omschreven worden binnen de Wmo 2015 en Jeugdwet; c. belanghebbenden: inwoners die aanspraak kunnen maken op ondersteuning door de gemeente binnen het sociaal domein en hun mantelzorgers of vertegenwoordigers; d. lid: een lid van de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas; e. achterban: het bestuur en/of de leden van de representatieve organisaties en inwoners van de gemeente Zuidplas; f. cliёntparticipatie: de wijze waarop cliënten van zorg- en ondersteuningsvoorzieningen en hun mantelzorgers en/of vertegenwoordigers op het terrein van de Wmo en Jeugdwet geraadpleegd worden over de uitvoering van het (gemeentelijk) beleid en over de ervaren kwaliteit van zorg en ondersteuning op deze terreinen; g. beleidsparticipatie: de gestructureerde wijze waarop de gemeente belanghebbende inwoners van de gemeente Zuidplas betrekt bij de voorbereiding, ontwikkeling en evaluatie van het gemeentelijk beleid op het sociaal domein; h.
sociaal domein: het integrale gemeentelijke beleid voortvloeiend uit Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet; i. vergadering: een vergadering van de leden van de adviesraad; j. ambtelijk vertegenwoordiger: ambtenaar die namens de gemeente als contactpersoon optreedt naar de adviesraad; k. voorzitter: de voorzitter van de adviesraad; l. secretaris: de secretaris van de adviesraad; m. penningmeester: de penningmeester van de adviesraad. Artikel 85. Doelstelling Met het hoofdstuk Participatie Sociaal Domein Zuidplas geeft de gemeente Zuidplas invulling aan de wettelijke verplichtingen op grond van: A
De Wmo, Jeugdwet en Participatiewet waarbij het college inwoners dient te betrekken bij het opstellen van beleid voordat zij dat beleid ter besluitvorming voorlegt aan de gemeenteraad;
B
De Wmo, Jeugdwet en Participatiewet waarbij cliënten of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van het gemeentelijk beleid Sociaal Domein, op basis van de genoemde wetgeving.
A. Beleidsparticipatie Via beleidsparticipatie betrekt de gemeente inwoners bij het opstellen en evalueren van beleid. De gemeente Zuidplas geeft invulling aan de beleidsparticipatie door: 1. Het betrekken van inwoners en belanghebbenden (cliënten, hun mantelzorgers of andere vertegenwoordigers, Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas, zorgaanbieders en andere partijen) bij de start van nieuw op te stellen beleid of projecten. 2. Het laten adviseren over beleidsvoorstellen en de evaluatie van beleid binnen het sociaal domein via de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Wmo en Jeugdwet indien het deze wetten uit het sociaal domein wel raakt.
46
B. Cliëntenparticipatie De gemeente geeft invulling aan cliёntparticipatie en biedt daarmee cliënten (degenen die zorg- en ondersteuning ontvangen) en hun vertegenwoordigers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de uitvoering van het beleid op de volgende manieren: 1. Via de medezeggenschap bij zorgaanbieders van Wmo en Jeugdwet: a. de gemeente legt via de inkoop van zorgvoorzieningen van de Wmo en de Jeugdwet vast dat de zorgaanbieders een regeling voor medezeggenschap hanteren; b. de gemeente monitort de uitvoering van deze medezeggenschap binnen zorgaanbieders via de accountgesprekken en de jaarlijkse verantwoording van zorgaanbieders; c. Zorgvoorzieningen Wmo 2015 die een regeling voor medezeggenschap dienen te hanteren zijn: i. Voorzieningen voor Dagbesteding ii. Voorzieningen voor Begeleiding iii. Voorzieningen Beschermd wonen en Beschut wonen iv. Voorzieningen Respijtzorg en Kort verblijf v. Voorzieningen Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang 2. Via het raadplegen van cliënten bij het monitoren van beleid via in te richten cliёntenpanels 3. Via jaarlijks uit te voeren cliёnttevredenheidsonderzoek onder cliënten en hun mantelzorgers/ vertegenwoordigers van de Wmo en Jeugdwet. De gemeente kan dit onderzoek zelf uitvoeren en/of zorgaanbieders en/of een derde partij opdragen deze onderzoeken uit te voeren. Artikel 86. Taken van de adviesraad 1.
De adviesraad adviseert het college gevraagd of ongevraagd over: a. de voorbereiding, ontwikkeling, en evaluatie van beleid binnen het sociaal domein, bestaande uit de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015 indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt; b. beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein die door de gemeente in regionaal verband ontwikkeld zijn. Daartoe onderhoudt de adviesraad contacten met de adviesraden uit de regio om de advisering hierover af te stemmen. 2. De adviesraad is een van de partijen die door de gemeente betrokken worden bij het opstellen van nieuw beleid binnen het sociaal domein. 3. De adviesraad signaleert relevante trends en ontwikkelingen en/of knelpunten op het gebied van het beleid binnen het sociaal domein. 4. De adviesraad houdt zich niet bezig met en is niet bevoegd om te adviseren of te handelen naar aanleiding van individuele klachten of problemen tenzij er duidelijke gevolgen zijn voor het algemeen beleid. Artikel 87. Werkwijze van de adviesraad 1. De adviesraad ontvangt de adviesvraag van de gemeente en heeft dan zes weken de tijd om een advies te geven aan het college. 2.
De adviesraad adviseert schriftelijk en gemotiveerd aan het college en de adviezen zijn ondertekend door de voorzitter en/of secretaris van de adviesraad. 3. De adviestermijn kan bij uitzondering in overleg worden aangepast wanneer het college of de adviesraad dit noodzakelijk acht. 4. Ongevraagde adviezen worden ook aan het college gericht. 5. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan het college wordt voorgelegd. In het huishoudelijk reglement wordt in ieder geval opgenomen: a. een regeling voor aan- en aftreden van leden; er wordt een rooster van aftreden opgesteld waarbij de continuïteit van kennis en ervaring zoveel mogelijk wordt gewaarborgd;
47
6.
b. wanneer een lid door de adviesraad geschorst kan worden; c. de werkwijze van de adviesraad; d. regels voor declaratie van onkosten door leden; e. de afvaardiging naar het ambtelijk en het bestuurlijke overleg met de gemeente Zuidplas. Leden van de adviesraad zijn verplicht tot geheimhouding van alle informatie die zij in de hoedanigheid van lid van de adviesraad vernemen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden. De geheimhoudingplicht blijft bestaan na het einde van het lidmaatschap van de adviesraad.
Artikel 88. Werkwijze van het college 1. Het college vraagt tijdig advies aan de adviesraad bij beleidsvoorstellen betrekking hebbend op het sociaal domein. 2. Dit geldt zowel voor voorstellen die lokaal zijn opgesteld als bij regionaal voorbereide voorstellen waar lokale besluitvorming voor nodig is. 3. Het college stuurt met de adviesvraag de noodzakelijke stukken mee. 4. Het college reageert schriftelijk en gemotiveerd naar de adviesraad op het advies van de adviesraad. 5. Het advies van de adviesraad en de reactie van het college op het advies worden met het raadsvoorstel waarop het advies betrekking heeft meegezonden naar de raadscommissie en de gemeenteraad. 6. Het vierde en vijfde lid gelden voor gevraagd en ongevraagd advies. Artikel 89. Overlegstructuur van de adviesraad 1. De adviesraad neemt in haar huishoudelijk reglement haar wijze van vergaderen op. 2. De adviesraad draagt zorg voor verslaglegging van haar vergaderingen en doet jaarlijks verslag naar inwoners van haar werkzaamheden en uitgebrachte adviezen. 3. De vergaderingen zijn openbaar tenzij door het college is verzocht om een onderwerp vertrouwelijk te behandelen of wanneer dit door een meerderheid van de adviesraad wenselijk wordt geacht. 4. Ten aanzien van de besluitvorming in de adviesraad geldt het volgende: a. alle aanwezige leden van de adviesraad hebben stemrecht tijdens de vergadering; b.
indien de besluitvorming niet unaniem is, wordt hiervan melding gemaakt in de advisering aan het college; c. besluitvorming vindt plaats op basis van meerderheid van stemmen van de op de vergadering aanwezige leden; d. wanneer er bij stemming evenveel voor- als tegenstanders zijn, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Artikel 90. Overleg met de gemeente 1. Er is een periodiek bestuurlijk overleg met de wethouders van Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet met een afvaardiging van de adviesraad. Dit overleg vindt driemaal per jaar plaats of zoveel vaker als nodig is. a. dit overleg heeft als doel om elkaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en om van gedachten te wisselen over de hoofdlijnen van beleid. In de vergadering vindt derhalve geen besluitvorming plaats; b. wanneer een onderwerp andere portefeuilles raakt dan kan de betreffende wethouder uitgenodigd worden om aan te sluiten; c. de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging. 2. Er is periodiek ambtelijk overleg met een afvaardiging van de adviesraad. a. een afvaardiging van de adviesraad overlegt zesmaal per jaar/ eenmaal in de zes weken met een ambtelijke vertegenwoordiging van de gemeente;
48
b. c. d.
in de vergadering worden relevante ontwikkelingen besproken op het gebied van het sociaal domein; in het overleg wordt afstemming gezocht op inhoud en procedure over de onderwerpen die voor advisering zullen worden aangeboden aan de adviesraad; de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging.
Artikel 91. Faciliteren en verantwoording 1. Voor de activiteiten van de adviesraad wordt een budget beschikbaar gesteld. 2. De regels voor de besteding van dit budget worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de adviesraad. 3. In het huishoudelijk reglement wordt ook het declaratiebesluit voor de leden opgenomen. 4. Voor kosten of verplichtingen die de adviesraad wil aangaan die buiten dit budget vallen is vooraf instemming van de gemeente nodig. 5. De adviesraad stelt jaarlijks, uiterlijk 3 maanden voor de aanvang van het boekjaar, een begroting vast die wordt ingediend bij het college. 6. Het college stelt het budget vast voor zover dat binnen het door de raad beschikbaar gesteld budget valt. 7. De adviesraad stelt jaarlijks binnen drie maanden na afloop van het boekjaar een financieel en inhoudelijk jaarverslag op. 8. Het financieel en inhoudelijk jaarverslag wordt aan het college gezonden voor de verantwoording van de werkzaamheden en afrekening van het boekjaar. 9. Het college stuurt het financieel en inhoudelijk jaarverslag aan de gemeenteraad ter informatie. Artikel 92. Samenstelling van de adviesraad 1. De adviesraad bestaat uit minimaal 7 en maximaal 15 leden inclusief de voorzitter. 2. De leden worden geworven op basis van een profiel via een door de adviesraad in te stellen selectiecommissie.
Daarbij wordt ernaar gestreefd dat de leden afkomstig zijn uit de combinatie van leden van representatieve organisaties, leden met een specifieke kennis of ervaring en leden vanuit doelgroepen dan wel ervaringsdeskundigen. 3. De leden worden benoemd door het college op grond van een ambtelijk advies. Het ambtelijk advies wordt opgesteld op basis van de voordracht van de selectiecommissie van de adviesraad. 4. De leden worden door het college geïnstalleerd waarbij de eed of belofte wordt afgelegd. 5. Leden hebben aantoonbaar een binding met de gemeente Zuidplas. 6. De leden benoemen uit de eigen geleding een dagelijks bestuur dat in ieder geval bestaat uit de voorzitter, een secretaris en penningmeester. 7. De leden van de adviesraad zijn geen wethouder of gemeenteraadslid en bekleden geen functie die onverenigbaar is, vergelijkbaar met de onverenigbaarheid met het wethouderschap als genoemd in artikel 36 b van de Gemeentewet, noch bekleden zij een functie waarbij zij vanuit die functie een direct belang hebben bij de advisering van de adviesraad. 8. De adviesraad is geen politiek orgaan noch een orgaan om zakelijke belangen te behartigen. Artikel 93. Voorzitter 1. Het college benoemt de voorzitter die door een selectiecommissie van de adviesraad wordt geworven op basis van een profiel. 2. De voorzitter representeert de adviesraad en onderhoudt de algemene externe contacten. 3.
De voorzitter draagt zorg voor de naleving van deze verordening, het huishoudelijk reglement en ziet erop toe dat de adviesraad en de individuele leden hun taken naar behoren uitoefenen. 4. De voorzitter heeft stemrecht.
49
Artikel 94. Secretaris/ Penningmeester In het huishoudelijk reglement van de adviesraad worden de functies en taken van een secretaris en een penningmeester geregeld. Artikel 95. Beëindiging lidmaatschap 1. Het lidmaatschap van de adviesraad eindigt: a. indien de representatieve organisatie schriftelijk aan het college aangeeft niet langer vertegenwoordigd te willen zijn in de adviesraad; b. op verzoek van het lid; c. bij overlijden van het lid. 2. De zittingsduur van een lid bedraagt vier jaar met de mogelijkheid om het lidmaatschap met nog één zittingsduur van vier jaar te verlengen. 3. Het college kan een lid ontslaan wanneer: a. een lid onzorgvuldig omgaat met de vertrouwelijke gegevens of anderszins niet-integer handelt, niet naar behoren de adviestaken vervult of anderszins een goede werkwijze van de adviesraad belemmert; b. een lid door de adviesraad is geschorst. 4. Voordat het college een lid ontslaat op grond van het derde lid wordt het lid gehoord door een vertegenwoordiger van het college en de voorzitter van de adviesraad. Van het horen wordt een verslag gemaakt dat met een advies aan het college wordt voorgelegd. 5. Het college informeert het lid en de voorzitter van de adviesraad schriftelijk over het genomen besluit. Artikel 96. Evaluatie 1.
Deze verordening en het functioneren van de adviesraad worden eenmaal in de twee jaar door de adviesraad en de gemeente gezamenlijk geëvalueerd. 2. Bij de evaluatie wordt in ieder geval gelet op de wijze waarop de adviesraad haar taken invult. 3. Indien op basis van de in het eerste lid genoemde evaluatie blijkt dat aanpassing van deze verordening noodzakelijk is, dan zal het college hiervoor in overleg met de adviesraad een voorstel doen aan de gemeenteraad.
Hoofdstuk 8: Slotbepalingen Artikel 97. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 2. Het college kan in aanvulling op lid 1 in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager van het leerlingenvervoer afwijken van het afstandscriterium, wanneer schoolverzuim dreigt. De hieruit volgende toekenning kan slechts op tijdelijke basis worden verstrekt. 3. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 98. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. Op de dag van inwerkingtreding van deze verordening wordt de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 (met ingangsdatum 1 januari 2026) ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in lid 1 genoemde verordening totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de onder lid 1 genoemde verordening maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening. 4.
Voor het toepassen van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp geldt een overgangsrecht van drie maanden als:
50
6.
a. er sprake is van een gewijzigde situatie of verlengingsaanvraag, en b. er nog steeds recht is op huishoudelijke hulp, en c. er door het toepassen van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 sprake is van een verlaging van het aantal minuten per week hulp bij huishouden. Het genoemde overgangsrecht in lid 4 geldt niet bij wijziging woonadres.
Artikel 99. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als “Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026”.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3-2-2026. De griffier,
De voorzitter,
L.J. Ligtenberg
J.F. Weber
51
Toelichting op de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp, de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en het leerlingenvervoer. Deze verantwoordelijkheid biedt kansen voor de gemeente en voor onze inwoners: − Kansen om verbindingen te leggen tussen de verschillende terreinen in het sociaal domein, een integrale benadering staat centraal; − Kansen om maatwerk te bieden bij het zoeken naar oplossingen. Hierbij gaan we uit van de inwoner of het gezin en betrekken we deze in de oplossingen; − Kansen voor: korte lijnen, kleinschalige dienstverlening, dichtbij de inwoners, duurzame oplossingen, snellere signalering en tijdig ingrijpen bij knelpunten of problemen; − Kansen voor vergroting van kwaliteit- en doelmatigheid In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. Leeswijzer De Integrale Verordening Sociaal Domein 2026 bestaat uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4: Hoofdstuk 5: Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8.
Algemene bepalingen Integrale benadering Voorzieningen Persoonsgebonden budget Leerlingenvervoer Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten Participatie in het Sociaal Domein Slotbepalingen
52
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen en afkortingen In dit hoofdstuk zijn de begrippen die verdere toelichting behoeven opgenomen. a. algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijk voorziening voldoet aan de volgende criteria: de voorziening is normaal in de handel te krijgen, en; de voorziening is niet speciaal voor mensen met een beperking ontworpen, en; de voorziening is niet aanzienlijk duurder dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel, en; de voorziening is daadwerkelijk beschikbaar, en; de voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en; de voorziening kan financieel worden gedragen door mensen met een inkomen op minimumniveau; (ECLI:NL:CRVB:2018:2182 en ECLI:NL:RBDHA:2022:5272). b. algemene voorziening Diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk zijn en die gericht zijn op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of opvang. Een algemene voorziening is in beginsel voor iedereen toegankelijk. Om gebruik te maken van een algemene voorziening is geen besluit of indicatie nodig.
Essentieel bij een algemene voorziening is dat een zorgaanbieder zich jegens het college verbindt om een algemene voorziening te leveren (ECLI:NL:CRVB:2016:1404, r.o. 4.5.7). Dit is ook het grote verschil met een algemeen gebruikelijke voorziening, bijvoorbeeld de boodschappendienst van een supermarkt, die geheel een aangelegenheid van de markt is en niet door het college wordt ingekocht. De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wmo 2015. In de Jeugdwet wordt van ‘overige voorziening’ gesproken, maar hiermee wordt hetzelfde bedoeld. In deze verordening zal daarom worden gesproken over algemene voorziening. In de regelgeving omtrent leerlingenvervoer komt een dergelijk begrip niet voor. c. beperking In artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat de maatschappelijke ondersteuning zich onder andere richt op de ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen. Aangezien het begrip “beperking” noch in de Wmo 2015 noch in de Jeugdwet verder is gedefinieerd of toegelicht, is hiervan een eigen definitie geformuleerd, om aan te geven dat het hier gaat om een objectief vastgestelde lichamelijke, zintuigelijke, psychische of verstandelijke stoornis of conditie. g.
gebruikelijke hulp Volgens de regering is het in onze samenleving normaal dat partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het bieden van de normale, dagelijkse zorg en/of opvoeding, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Het gaat om hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Hierbij kan gedacht worden aan: helpen opstaan en naar bed gaan, helpen bij of aansporen tot persoonlijke verzorging, toezicht op het slikken van medicatie, ondersteuning bij maaltijden, het ondernemen van gezamenlijke activiteiten. Hierbij wordt rekening gehouden met de mate waarin er voldoende eigen kracht is om deze gebruikelijke zorg te bieden. (Dreigende) overbelasting is van invloed op de weging.
53
Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind Kinderen van 0 tot 3 jaar • hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; • ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 3 tot 5 jaar • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv.
ouder kan was ophangen in andere kamer); • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; • hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 5 tot 12 jaar • kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv.
kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); • hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; • hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; • zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; • kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; • hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
54
• hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurige situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren ten aanzien van de huisgenoot van wie gevraagd wordt gebruikelijke hulp te bieden: a. De leeftijd van de huisgenoot b. De woonsituatie c. De beschikbaarheid om hulp te bieden d. De kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden e. De lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot f. Of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot (zoals relationele problemen of schulden) g. Welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld door werk en sociale verplichtingen h. Het belang van de huisgenoot om inkomen uit arbeid te krijgen i. De vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp i. inwoner In eerste instantie is een inwoner iemand die woont in de gemeente Zuidplas. Of een inwoner zijn of haar ondersteuningsvraag aan de gemeente Zuidplas of aan een andere gemeente moet stellen, verschilt per wettelijk kader. Binnen de Wmo gaat het om de plaats waar het feitelijke hoofdverblijf is.
In de regel betekent dit dat een inwoner ook daadwerkelijk ingeschreven staat in de Basisregistratie personen (Brp). In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is het begrip woonplaats gedefinieerd. Voor leerlingenvervoer is van belang waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. l. maatwerkvoorziening In de Jeugdwet is de mogelijkheid opgenomen om een individuele voorziening aan te vragen, in de Wmo wordt gesproken over een maatwerkvoorziening. In deze verordening is qua begrip aansluiting gezocht bij de Wmo, omdat het begrip maatwerkvoorziening aangeeft dat het gaat om een oplossing die recht doet aan de ondersteuningsvraag en geen standaardoplossing is. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als er sprake is van een noodzaak en als een cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen en/of voorliggende voorzieningen. Voorafgaand aan de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening. De voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open.
Het besluit op de aanvraag van deze voorziening is afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie. o. melding De melding is noch in de Wmo 2015, noch in de Jeugdwet gedefinieerd. Voor de Jeugdwet bestaat een melding in dusdanige niet, enige vorm van melding wordt gezien als aanvraag. Terwijl het in de Wmo 2015 een belangrijk moment markeert in de toegang. Met de melding maakt een persoon of zijn vertegenwoordiger de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is naar zijn aard geen melding.
55
De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. De Jeugdwet kent een dergelijke in de wet opgenomen onderzoeksfase niet, maar de melding en het onderzoek zijn wel in deze verordening opgenomen. q. ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Het plan geeft een compleet beeld van de ondersteuningsvraag en de oplossingsrichtingen. Het doel van het opstellen van een ondersteuningsplan is, samen met de inwoner, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Het ondersteuningsplan bestaat uit modules, die, afhankelijk van de situatie van de cliënt, wel of niet worden ingevuld. u. vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger): In de Wmo 2015 is in artikel 1.1.1 de vertegenwoordiger gedefinieerd als een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Er zijn diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, bewindvoerder, mentor, ouders en de voogd.
Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de hulp/zorgverlening.
Hoofdstuk 2: Integrale benadering Artikel 2. Toegang tot ondersteuning De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake. Inwoners kunnen op een laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aankloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte. In lid 2 staat omschreven dat het in deze fase (nog) niet noodzakelijk is om persoonsgegevens te registeren. Dat wordt pas nodig als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein een oplossing gevonden kan worden. Het verzamelen van informatie en persoonsgegevens zal dan gebeuren in het kader van het onderzoek of ten behoeve van de beoordeling van een melding, zoals bedoeld in artikel 3.
Omdat het als onnodig belastend kan worden gezien om betrokkene te verplichten meermaals hetzelfde verhaal te vertellen in de verschillende fases aan verschillende vertegenwoordigers van de gemeente, kunnen de relevante bevindingen van de integrale intake op verzoek van de betrokkene ter beschikking worden gesteld. Artikel 3. Melding hulpvraag In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan melden bij de gemeente. De melding is een verzoek van een cliënt of diens vertegenwoordiger om hulp of toekenning van een
56
voorziening in het kader van de Wmo. De melding kan niet worden gezien als een aanvraag voor een voorziening. De melding kan wel resulteren in een aanvraag voor een voorziening. Voor de Jeugdwet geldt dat een melding gelijk staat aan een aanvraag. De melding kan schriftelijk of telefonisch worden gedaan. In artikel 2.15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. In lid 1 staat dat de melding ‘door of namens een inwoner’ kan worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan met toestemming van de inwoner bijvoorbeeld diens ouders/verzorgers, vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, of andere betrokkene de melding doen. In lid 2 is opgenomen dat het college met de inwoner een afspraak maakt voor een gesprek en dat deze afspraak schriftelijk bevestigd wordt. Dit kan een ander persoon zijn dan de melder.