GEW Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 versie 2 A25.004344
Tekst van het document
Bij de schriftelijke bevestiging worden in ieder de volgende bijlagen gevoegd: De mogelijkheden van gratis cliëntondersteuning; Informatie over privacy (conform de AVG); De gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure; De mogelijkheid voor een inwoner om een eigen plan op te stellen; infographic over het proces en de besluitvorming van de hulpvraag; In lid 3 is een specifieke bepaling opgenomen als de hulpvraag een minderjarige betreft. In dat geval informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. Lid 4 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet. In lid 5 is de mogelijkheid opgenomen voor de cliënt om een eigen plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Deze verplichting is in de Wmo 2015 en Jeugdwet opgenomen. Het eigen plan is vormvrij.
In lid 6 staat omschreven dat de aanvraagprocedure voor het leerlingenvervoer niet gelijk is aan de Jeugdwet en de Wmo 2015. Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. Dit is bijvoorbeeld het geval als er een spoedmachtiging door de rechter (of andere instantie) is afgegeven, omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden. De Wmo 2015 noemt de inzet van maatschappelijke ondersteuning in spoedeisende gevallen in artikel 2.3.3. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en de aanvraag van de cliënt. Als er sprake is van een tijdelijke maatregel, wordt tegelijkertijd met de inzet van deze maatregel het gesprek gevoerd om te werken aan een duurzame oplossing van de hulpvraag.
57
Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Het bieden van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning aan inwoners met een hulpvraag is een wettelijke verplichting van het college. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering, alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.
Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk. Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van de melding In lid 1 wordt aangegeven dat, in het kader van zorgvuldig onderzoek, het onderzoek start met een gesprek. Dit staat ook zo expliciet benoemd in de Wmo 2015, maar is ook mogelijk voor Jeugd. Daar waar cliënt of diens vertegenwoordiger zich tot het college wendt met een melding, kan in eerste instantie een gesprek gevoerd worden met een medewerker van Stichting Zo!. Samen met cliënt (eventueel met aanwezige mantelzorger(s)) wordt geïnventariseerd waar cliënt en zijn mantelzorger(s) beperkingen ondervinden in de zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt onderzocht welke oplossingen de effecten van de beperkingen weg kunnen nemen en in hoeverre cliënt zelf of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Lid 2 gaat in op de identificatieplicht. In het kader van rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven.
Deze verplichting geldt niet op grond van de jeugdwet. In lid 3 wordt weergegeven welke aspecten het college, daar waar noodzakelijk, onderzoekt. De Centrale Raad van Beroep heeft twee duidelijke uitspraken gedaan, waarin vermeld staat hoe het college onderzoek moet doen: ECLI:NL:CRVB:2018:819 (Jeugdwet) en ECLI:NL:CRVB:2017:1477 (Wmo). De essentie van het onderzoek is te achterhalen: - Wat de vraag/behoefte van de cliënt is en hoe de vraag/behoefte ontstaan is. - Welke beperkingen worden ondervonden - In hoeverre de cliënt zelf, of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Hierbij wordt de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger, meegenomen. - Welke oplossingen passend zijn, hoe deze oplossingen afgestemd kunnen worden op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, en/of werk en inkomen, en wie de oplossingen inzet. De onderdelen die in lid 3 staan genoemd zijn niet uitputtend. Daar waar het college van mening is dat er aanvullende aspecten van belang zijn voor het onderzoek, worden aanvullende onderdelen in het onderzoek meegenomen. Welke aspecten onderwerp van onderzoek zijn of in het onderzoek worden uitgediept, hangt af van de vraag van cliënt en zijn/haar persoonlijke situatie. Het betreft altijd maatwerk.
Indien de cliënt al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal onderdelen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen worden gevraagd of er nog nieuwe
58
ontwikkelingen zijn. Komt de cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het onderzoek dienen om een totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie te krijgen. Lid 4 gaat in op de onderzoeksmethoden van het college om de in het vorige lid van dit artikel genoemde aspecten te onderzoeken. De onderzoeksmethodieken worden in samenspraak met cliënt gehanteerd. De onderzoeksmethoden kunnen in combinatie met elkaar worden ingezet. Daarnaast kunnen er andere wettelijk toegestane onderzoeksmethodieken worden gebruikt. Hierbij geldt dat de grenzen van de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in acht worden genomen. In geval ten behoeve van het onderzoek een deskundige wordt ingezet, betreft dit t.b.v. jeugdigen een deskundige die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Voor de volledigheid een schematische weergave van de wettelijke doorlooptijden.
Het vijfde lid bepaalt dat het college met een door de cliënt overhandigd persoonlijk plan rekening moet houden. Jeugdige cliënten hebben dit reeds met ouders, bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, in de zin van artikel 1.1 van de Jeugdwet opgesteld, een zogenoemd ‘familiegroepsplan’. Artikel 7. Tolkkosten Artikel 7 spreekt voor zich en behoeft geen extra uitleg in de toelichting.
59
Artikel 8. Beoordelen eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Lid vijf c stelt dat uit het onderzoek kan blijken dat geen noodzakelijke hulp geboden kan worden, omdat sprake is van overbelasting of dreigende overbelasting, totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt het volgende: Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de inwoner. Als de (over)belasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress), of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de inwoner, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht. Als sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan de inwoner door een huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp.
Lid 6 g stelt dat het college bij de beoordeling van overbelasting of dreigende overbelasting ook rekening houdt met de noodzaak van de partner/ouder(s)/inwonende kinderen om in een inkomen te voorzien en/of onderwijs te volgen. In het kader van deze bepaling moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die een jeugdige behoeft in een concreet geval niet door de ouders geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin, de draaglast aankan, is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de Jeugdwet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Het college houdt hierbij rekening met de noodzaak om tenminste in een minimum inkomen te kunnen voorzien. Artikel 9. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden worden de uitkomsten vastgelegd in een ondersteuningsplan.
Het ondersteuningsplan is geen vaste invuloefening waarbij elk onderdeel ingevuld moet worden, dit is maatwerk en afhankelijk van de ondersteuningsvraag. Zo bevat het ondersteuningsplan niet altijd een volledig afgeronde diagnose. Het stellen van de diagnose kan onderdeel uitmaken van de totale behandeling/ondersteuningsvraag. Het eerste lid geeft aan dat de gemeente Zuidplas zoveel als mogelijk werkt vanuit de gedachte één gezin, één plan, één regisseur. Het ondersteuningsplan is opgebouwd aan de hand van het de door de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819) vastgestelde stappenplan. Daar waar cliënt het ondersteuningsplan ontvangt en feitelijke onjuistheden ontdekt, dan kan cliënt of diens vertegenwoordiger deze onjuistheden corrigeren (lid 3). De correcties worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd, zie ook de mogelijkheid die lid 4 biedt. Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de inhoud van het ondersteuningsplan, wordt de cliënt gevraagd om dit document te tekenen voor: akkoord zoals voorgesteld en aanvragen, akkoord maar anders dan voorgesteld aanvragen, geen aanvraag en aan het college te verstrekken. Het vijfde lid regelt dit.
60
Artikel 10. Verstrekken van een maatwerkvoorziening In lid 1 is bepaald, dat het college een maatwerkvoorziening toekent wanneer er sprake is van een compensatienoodzaak. Op basis van onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van cliënt, moet worden vastgesteld of er sprake is van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, die door middel van maatwerkvoorzieningen gecompenseerd moeten worden. Maatwerkvoorzieningen worden ingezet wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; b. algemene voorzieningen; c. zelfredzaamheid en participatie d. algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen. Eigen kracht Lid 1 onder a bepaalt dat het college alleen maatwerkvoorzieningen treft wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is om, eventueel samen met het sociale netwerk, in eigen oplossingen te voorzien. Hieronder wordt ook de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen verstaan. De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan ECLI:NL:CRVB:2019:772 over de eigen kracht van een cliënt.
In deze uitspraak wordt verwezen naar de memorie van toelichting waarin wordt vermeld dat onder eigen kracht wordt verstaan dat de betrokkene zich in hoge mate moet inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). Verder heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de nota naar aanleiding van het verslag in reactie op de vraag of de financiële kracht onderdeel is van de eigen kracht meegedeeld dat de regering van mening is dat maatschappelijke ondersteuning voor eenieder toegankelijk moet zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het is van belang dat ook financieel daadkrachtige cliënten een beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnen doen, bijvoorbeeld als zij niet in staat zijn maatschappelijke ondersteuning te (doen) organiseren, maar deze wel kunnen betalen. De financiële mogelijkheden van een cliënt kunnen op grond van dit wetsvoorstel wel worden betrokken door een eigen bijdrage te vragen binnen de grenzen die door de regering worden bepaald in een algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 24).
Ten slotte volgt uit de memorie van toelichting dat een aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de eigen bijdrage, niet op die grond mag afwijzen.
61
Gebruikelijke hulp In de Wmo 2015 is bepaald dat de aanwezigheid van gebruikelijke hulp een reden is om geen maatwerkvoorziening te verstrekken (artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015). Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, zo is bepaald in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorziening treft wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval als er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende ouders zijn. Of iemand inwonend is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, met een eigen huisnummer, eigen nutsvoorzieningen, een eigen voordeur e.d. Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden. Vanaf 18 jaar wordt verondersteld dat men een eenpersoonshuishouden moet kunnen voeren.
Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen of het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om taken die kunnen worden uitgesteld. Voor die situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente compenserende maatregelen treft om het resultaat te bereiken. Onder gebruikelijke hulp bij begeleiding wordt enige ondersteuning door partner, ouders, inwonende kinderen vanaf 18 jaar of andere huisgenoten in het sociale verkeer verstaan. Gebruikelijke ondersteuning door partner kan verschillen van gebruikelijke ondersteuning door inwonende kinderen of van andere huisgenoten.
Uitgangspunt is, dat partners samen activiteiten ondernemen zoals: - samen naar een verjaardag gaan; - familie bezoeken; - samen koken; - samen eten; - afspraken maken; - het voeren van een administratie; - het regelen van de bankzaken; - het onderhouden van contacten met en het bezoeken van instanties; - het verschijnen op afspraken; - het openen van post; - wandelingetje maken; Deze lijst is niet limitatief. Hulp van andere personen uit het sociale netwerk Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als belanghebbende met hulp van mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk zelf in eigen oplossingen kan voorzien. Algemene, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen Lid 1 onder b en c bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als algemene-, algemeen gebruikelijke- en/of voorliggende voorzieningen voldoende ondersteuning bieden en leiden tot het te
62
bereiken resultaat. De aanspraak op maatwerkvoorzieningen vervalt bij de aanwezigheid van passende algemene-, algemeen gebruikelijke- of voorliggende voorzieningen. Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening (als bedoeld in artikel 1 van deze verordening) is in principe voor iedereen beschikbaar, daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen mensen die wel of geen beperking hebben. Om deze reden wordt een algemeen gebruikelijke voorziening niet vanuit de Wmo 2015 verstrekt. Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn: - tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem); - fiets met lage instap, ligfiets; - spartamet/tandemmet; - rollator - elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder; - bakfiets, fietskar, aanhangfiets; - personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; - autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak; - eenhendel mengkranen; - thermostatische kranen; - keramische- of inductiekookplaat; - verhoogd toilet of toiletverhoger; - tweede toilet of sanibroyeur; - renovatie van badkamer of keuken; - antislipvloer/coating; - wandbeugels; - zonwering (inclusief elektrische bediening); - ophogen tuin/bestrating bij verzakking.
Tijdens het keukentafelgesprek, het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag zal het begrip algemeen gebruikelijk worden meegenomen. Er moet in individuele situaties beoordeeld worden of een voorziening, die op zichzelf als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, ook voor de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Dat hoeft namelijk niet het geval te zijn. Bijvoorbeeld: - Bij een plotselinge noodzaak om de voorziening aan te schaffen. - Als door de ziekte of het gebrek plotseling vervanging nodig is van zaken die normaal gesproken (nog) niet aan vervanging toe zouden zijn. - Als gelijktijdig meerdere algemeen gebruikelijke zaken moeten worden aangeschaft. - Als door de beperking een duurdere voorziening dan gebruikelijk moet worden gekocht die te belastend is voor het budget van de aanvrager. - Als door de beperking zoveel (aantoonbare) meerkosten ontstaan, dat iemands besteedbaar inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm ligt. Voorliggende voorzieningen Onder voorliggende voorzieningen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gebruik maken van mogelijkheden van behandeling/therapie (Zorgverzekeringswet). Wanneer door behandeling resultaten ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie behaald kunnen en daarmee hulpmiddelen, aanpassingen of inzet van professionele zorg niet nodig zijn, dan wordt de cliënt geacht zich te laten behandelen.
Zich laten opereren wordt niet als voorliggend op maatwerkvoorzieningen beschouwd. Tijdens de behandeling c.q. revalidatie-periode kan, in overleg met de behandelaar, zo nodig tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekt worden.
63
Zelfredzaamheid en participatie Daarnaast moet de maatwerkvoorziening er volgens het college voor zorgen dat de cliënt zelfredzaam wordt of kan participeren. Ook dit zal moeten worden vastgesteld op basis van het onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van de cliënt. Lid 2 bepaalt dat het college bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening moet houden met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van de inwoner. Dit is tenslotte de kern van het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het college gebruikt voor deze bepaling het onderzoek dat is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en dit zal worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. Lid 3 bepaalt dat wanneer meerdere oplossingen voldoende compensatie bieden voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, die voorziening wordt ingezet die als goedkoopst adequaat aan te merken is. Voorzieningen, die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat, als de meest goedkope voorziening te zijn. Eigenschappen, die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. De tijdigheid van een beschikbare voorziening is afhankelijk van de specifieke situatie van de inwoner.
In geval van acute nood, moet hulpverlening direct beschikbaar zijn. Voor het bepalen van tijdigheid van zorg, wordt aangesloten bij de Treeknormen die gehanteerd worden ten behoeve van medische zorg en variëren afhankelijk van het soort zorg. Voor veelvoorkomende zorg geldt een norm van 6 weken. Voor specialistische GGZ (geestelijke gezondheidszorg) is dit 4 weken voor aanmelding en 10 weken voor behandeling en voor hulp in de huishouding is het 6 weken. Lid 4 sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is.
Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). Het college kan in beleid regelen welke vormen van hulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij voor jeugdinterventies gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd. Lid 5 bevat een verwijzing naar andere hoofdstukken van deze verordening. In de hoofdstukken 3 staan aanvullende criteria van de Jeugdwet en van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Lid 6 bepaalt, dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als een voorziening in natura of als een persoonsgebonden budget. Artikel 11. Weigeringsgronden In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien.
64
Lid 1, sub a en b betreffen de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 en artikel 6 en 7 van deze verordening). Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Met lid 1, sub c wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past binnen het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden, vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025: -
-
Een veilige woonomgeving is gebruikelijke zorg, dit betekent dat de lichamelijke en sociale veiligheid van het kind is gewaarborgd, er een bij de leeftijd van het kind passend opvoedkundig klimaat is en het kind de verzorging, begeleiding en stimulans krijgt die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Als ouders dit niet kunnen bieden is verblijf op grond van de jeugdwet aan de orde. 24 uur per dag zorg in de nabijheid is gebruikelijke zorg afhankelijk van leeftijd en zorgbehoefte. Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben voortdurend begeleiding, toezicht en zorg nodig. Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar hebben overdag voortdurend begeleiding, toezicht en zorg nodig. ’s Nachts hebben zij soms nog begeleiding en zorg nodig. Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig. Zij hebben veelal op geplande momenten hulp of enige overname van zelfzorg nodig. Er is geen sprake meer van gebruikelijke zorg bij kinderen met een matige, ernstige of zeer ernstige beperking als er bij hen ook: 1) intensief toezicht nodig is in verband met geobjectiveerde ernstige gedragsproblemen, of 2) een blijvende noodzaak is voor overname van algemene dagelijkse verrichtingen, of 3) sprake is van beperkingen op meerdere terreinen.
Met lid 1, sub d wordt bepaald dat het niet de bedoeling is dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: • is de voorziening gewoon te koop? • is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? • is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? • Is de voorziening financieel haalbaar voor mensen met een inkomen op minimaniveau? (ECLI:NL:CRVB:2019:3535).
65
Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3 jaar (de bijstandsnorm die voor een inwoner geldt, is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie). Daarbij wordt de indexering meegenomen. Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk. Lid 1, sub e: de beoordeling van de vraag naar jeugdhulp staat los van het inkomen. Een laag inkomen kan geen argument zijn voor toekenning van jeugdhulp. Bij een laag inkomen kan het zijn dat reguliere voorliggende voorzieningen slechter bereikbaar zijn voor de jeugdige of het gezin. Een oplossing hiervoor dient niet gezocht te worden in de Jeugdwet, maar in de regelingen voor gezinnen/ kinderen met een laag inkomen. Deze vallen onder het lokale minimabeleid en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport. Lid 1, sub f geeft aan dat alvorens de noodzakelijkheid van een maatwerkvoorziening vast te kunnen stellen er zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden.
Wanneer de cliënt niet meewerkt en daardoor de noodzakelijkheid van een passende maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, dat wordt de gevraagde voorziening afgewezen. Lid 1, sub g betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 2.3.5, zesde lid en artikel 2.3.6, vijfde lid van de Wmo 2015. Het betreft hier de weigeringsgronden met betrekking tot een Wlz indicatie en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura. Lid 1, sub h betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid en artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet. Het betreft hier de weigeringsgronden met betrekking tot een Wlz indicatie, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura. Lid 1, sub i geeft aan dat alleen voorzieningen worden toegekend die een passende bijdrage leveren aan een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Wanneer uit onderzoek is gebleken, dat de cliënt een voorziening wenst die hieraan niet voldoet, dat wordt deze niet verstrekt. Bijvoorbeeld: Een cliënt heeft een vervoersprobleem en wenst alleen in aanmerking te komen voor een scootmobiel. Wanneer uit onderzoek blijkt, dat het rijden op een scootmobiel niet veilig is, dan wordt geconcludeerd dat een scootmobiel voor deze cliënt niet passend is. Een scootmobiel kan dan om deze reden afgewezen worden. Met lid 1, sub j wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een melding doet, maar de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening, waar vroegtijdig mee is begonnen, uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. In de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan, dient de noodzakelijkheid achteraf vastgesteld kunnen worden. Is dit niet het geval, dan wordt de gevraagde voorziening afgewezen.
Lid 1, sub k geeft aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
66
indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment een aanvraag voor een vervangende maatwerkvoorziening worden geweigerd. Door lid 2 zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in lid 2, sub d zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is. Een voorbeeld ter illustratie: een cliënt heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning.
Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken. Door een uitspraak van rechtbank Den Haag (25-4-2022 ECLI:NL:RBDHA:2022:2572) zijn drempelhulpen hierbij uitgezonderd, daar deze als gevolg van de uitspraak als algemeen gebruikelijk bestempeld zijn. Uiteraard wordt er bij het onderzoek wel gekeken of de benodigde soort en hoogte drempelhulp ook daadwerkelijk te dragen zijn met een inkomen op minimumniveau. Lid 2, sub e en f geven aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een – gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht.
Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd. Lid 2, sub g, geeft aan dat de aanvraag voor toegankelijk maken van de buitenruimte geweigerd kan worden in het geval de buitenruimte al toegankelijk is voor aanvrager via een andere weg. Lid 3 bepaalt dat de maatwerkvoorzieningen beschermd- en beschut wonen niet geschikt zijn voor personen die uitsluitend (feitelijk) dak- of thuisloos zijn. De persoon in kwestie dient zich in deze gevallen te melden bij de maatschappelijke opvang in de centrumgemeente Gouda. Lid 4 geeft aan dat de toegang tot maatschappelijke opvang geweigerd kan worden als de cliënt zich niet aan de (huis)regels houdt, onveiligheid of overlast veroorzaakt, niet bereid is om mee te werken aan het een passend ondersteuningstraject, er sprake is van een contra-indicatie waardoor een opvangtraject ongeschikt is, ernstig misdraagt jegens andere, de eigen bijdrage niet betaalt, of wanneer er in het geval van de vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. In lid 5 is bepaald dat het college kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 38 t/m 43 van deze verordening. Het college heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende budgetplan dient als basis voor de
67
beoordeling. Zonder een volledig budgetplan kan het college niet beoordelen of de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Lid 6 en 7 geven weer waarvoor het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) niet is bedoeld. Artikel 12. Aanvraag van een maatwerkvoorziening In de Wmo (artikel 2.3.2, lid 9) is bepaald dat een aanvraag kan worden gedaan nadat er onderzoek is ingesteld naar de melding. Dit geldt alleen wanneer het onderzoek binnen de termijn van zes weken is uitgevoerd of tenzij er sprake is van spoedeisende gevallen. In lid 1 is geregeld dat de aanvraag van een voorziening altijd schriftelijk moet worden gedaan. Het doen van een schriftelijke aanvraag is een verplichting op grond van artikel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat, tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaalt, een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden ingediend. De aanvraag mag, naast de cliënt, ook worden ingediend door een gemachtigd persoon of vertegenwoordiger. In de Awb is de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In lid 2 is geregeld, dat een aanvraag kan worden ingediend door het opsturen van een ondertekend ondersteuningsplan.
Voorwaarde hierbij is wel dat het aanmerken van het ondertekende ondersteuningsplan als aanvraag door de cliënt in het betreffende ondersteuningsplan aangegeven moet zijn. In de Jeugdwet wordt er niet gesproken van een melding en wordt enige vorm van melding direct aangeschreven als een aanvraag en in dusdanige behandeld. Dit houdt in dat een melding binnen 8 weken moet worden afgehandeld. In lid 3 wordt er uitwerking gegeven over het door de gemeente aangeboden aanvraagformulier. Een cliënt kan ook een aanvraag indienen via een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Een dergelijk formulier kan bijvoorbeeld door de cliënt benut worden om voor hem een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking te genereren in de situatie dat hij geen ondersteuningsverslag ter ondertekening krijgt aangeboden omdat in de gespreksfase geen noodzaak tot of recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is gebleken. In het vierde lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening in bijzondere gevallen ook ambtshalve kan worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale (multi)problematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt. Artikel 13.
Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp In lid 1 wordt er gesproken over de directe verwijzing van jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts. In artikel 2.3, lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen. In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de (maatwerkvoorzieningen) jeugdhulp blijft bestaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Het vierde lid gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregelen, als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen volgens artikel 3.5 van de Jeugdwet in het kader van de maatregel besluiten tot inzet van jeugdhulp. In het artikel wordt
68
verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden. Artikel 14. Beschikking maatwerkvoorziening Artikel 14 geeft de bepalingen weer betreffende de beschikking die de cliënt ontvangt bij een maatwerkvoorziening. Lid 1 stelt daarbij dat het college haar besluit altijd kenbaar maakt aan de cliënt door middel van een beschikking. Het besluit is een toekenning of afwijzing van de aanvraag. Ook een gedeeltelijke toekenning is hierbij mogelijk. Dit is bepaald in artikel 1.3 van de Awb, dat stelt dat een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan (in dit geval het college) is, waarbij een beschikking een besluit van niet algemene strekking is, ongeacht of dit een afwijzing of een toekenning is. Met ‘van niet algemene strekking’ wordt bedoeld dat het een besluit betreft dat toegespitst is op de cliënt en de aanvraag. Lid 2 en 3 geven aan welke aspecten in ieder geval in een beschikking moeten worden opgenomen wanneer een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een maatwerkvoorziening in natura en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget. Kern van lid 2 en 3 is dat de cliënt die de beschikking ontvangt, helder heeft wat er precies is toegekend en welke rechten en plichten daarbij horen.
Wat er precies moet worden opgenomen in een beschikking als deze een afwijzing van de aanvraag bevat, is niet opgenomen in de verordening. Dit, omdat dit geregeld is artikel 3.46 en 3.47 van de Awb, waarin gesteld wordt dat een besluit moet berusten op deugdelijke motivering en dat deze motivering vermeld moet worden bij de bekendmaking van het besluit, in dit geval de beschikking. Lid 4 sluit aan bij lid 2 en 3 met de bepaling dat het ook in de beschikking moet worden vermeld als een cliënt een eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 moet betalen. De Jeugdwet kent geen eigen bijdrage.
Hoofdstuk 3: Voorzieningen Paragraaf 3.1 Jeugd De in deze paragraaf genoemde artikelen vallen onder de jeugdwet, gericht op hulpverlening voor jeugdigen tot 18 jaar, met uitzonderingen zoals beschreven in artikel 21 van deze verordening. Artikel 15. Algemene voorzieningen Jeugd Artikel 13 en 14 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet, waarin bepaald is dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de inwoner recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders. Artikel 13 regelt de algemene voorzieningen jeugd. Deze zijn vrij toegankelijk. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een beschikking van de gemeente of verwijzing van een (jeugd)arts of specialist (verwijzer) noodzakelijk is. Lid 4 geeft aan dat het college nadere regels kan vaststellen over welke aanvullende algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikelen 16 tot en met 20 Met de artikelen 16 tot en met 20 wordt afgebakend wanneer hulp op basis van de jeugdwet kan worden ingezet en wanneer een andere wet voorliggend is voor het inzetten van hulp of begeleiding.
69
Artikel 16. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs Lid 1: onder ondersteuning valt ook het doen van diagnostiek in verband met leerproblemen. Indien onduidelijk is of er ook sprake is van problematiek die ondersteuning vanuit de Jeugdwet behoeft, kan wel diagnostiek plaatsvinden op grond van de Jeugdwet. Het deelnemen aan een Plusklas of hoogbegaafdenonderwijs valt onder het verder helpen van jeugdigen in hun onderwijsontwikkeling. Dit valt derhalve niet onder de jeugdwet. Artikel 17. Afbakening Jeugdwet en Wlz Lid 2 sub c: In de Jeugdwet is geregeld dat de Wlz voorrang heeft op de Jeugdwet (artikel 1.2 lid 1 onderdeel a). Dit geldt alleen voor zorg die de Wlz ook daadwerkelijk vergoed. Welke zorg onder de Wlz valt is opgesomd in artikel 3.1.1 lid 1 Wlz. Bepaalde hulp, zoals pleegzorg of ggz, staat hier niet opgesomd en kan daarom niet onder de Wlz vallen. De Jeugdwet zal dus verantwoordelijk blijven voor deze hulp, ook als sprake is van een Wlz-indicatie. Voor vervoersvoorzieningen geldt dat vervoer naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden onder de Jeugdwet blijven vallen (artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet). Dit vergoedt de Wlz niet. Maar vervoer van en naar de locatie waar de verzekerde gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt valt wel onder de Wlz. Dit staat namelijk in artikel 3.1.1 lid 1 onderdeel f Wlz.
Omdat de dagbesteding naar de Wlz is overgegaan, is hier geen sprake meer van vervoer naar een jeugdhulplocatie. Vervoer valt dus niet meer onder de Jeugdwet gelet op de tekst van artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet. Dit vervoer wordt wel vergoed door de Wlz gelet op de bovenstaande bepaling. Dagbesteding is namelijk een vorm van (groeps)begeleiding. Lid 3: Duidelijk dient te blijken dat hier onderzoek naar is gedaan en op welke manier hier onderzoek naar is gedaan. Er dient contact te zijn geweest met een wijkverpleegkundige, zorgverzekeraar etc. Artikel 18. Afbakening Jeugdwet en Zvw Lid 2: Hoofdregel is dat als er zorgaanspraak mogelijk is op grond van de Wlz, Wmo 2015 of Jeugdwet, dan geldt er geen aanspraak op de Zvw-zorg. Artikel 19. Afbakening jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning Wanneer een vraag van een ouder ten behoeve van de jeugdige feitelijk een ondersteuningsvraag van de ouder zelf betreft, wordt een voorziening toegekend op basis van WMO. Wanneer een jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, wordt een afweging gemaakt of de hulpvraag van de jeugdige specifiek jeugdhulp betreft of dat begeleiding in het kader van WMO passend is bij de specifieke hulpvraag Artikel 20. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Op grond van artikel 20 lid 2 heeft de gemeente oog voor problematiek samenhangend met bestaanszekerheid.
Indien nodig of voorliggend aan de jeugdhulpvragen, kan ondersteuning rondom armoede en schulden worden geadviseerd aan ouders. Artikel 21. Maatwerkvoorzieningen Jeugd De maatwerkvoorzieningen jeugd zijn de voorzieningen die onder de specialistische hulp vallen en die alleen beschikbaar zijn als de algemene voorzieningen geen oplossing bieden. Dit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan maatwerkvoorzieningen dat het college als zorg in natura ter beschikking stelt. Deze voorzieningen zijn regionaal ingekocht, maar worden lokaal ingezet. Hierbij schaart het college de voorzieningen in de vorm van ‘specialistische tweedelijns jeugdhulp’. Met de aanbieders van deze ‘zorg in natura’ heeft het college regionaal contracten afgesloten om de cliënten de mogelijkheid te bieden om hun recht op toegekende jeugdhulp te verzilveren. Bij het aanbieden van JeugdzorgPlus is een voorafgaande machtiging gesloten jeugdzorg van de kinderrechter vereist.
70
Derde en vierde lid Artikel 21 lid drie en vier volgen uit de regionale inkoopafspraken. In het kader van het vierde lid wordt van de zorgaanbieders verwacht dat zij de geboden zorg tussentijds, tenminste jaarlijks, evalueren. Wanneer een verlenging van de indicatie wordt gevraagd, levert de zorgaanbieder hierbij een verslag van de tussentijdse evaluatie, met informatie over de geboden activiteiten ten behoeve van de jeugdige, het perspectief van het hulpaanbod, de mate waarin doelen worden bereikt en een inhoudelijke onderbouwing van de beoogde resultaten van de hulp. Vijfde en zesde lid Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet.
Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het zesde lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat als er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht. Artikel 22. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding. In de artikelen 22a, 22b en 22c worden een aantal vormen van begeleiding nader beschreven.
Het betreft begeleiding die in basis niet wordt toegekend als jeugdhulp, maar waarvoor in specifieke situaties wel jeugdhulp toegekend kan worden. Artikel 22a. Kinderopvang en buitenschoolse opvang Artikel 22a. betreft alle vormen van kinderopvang en buitenschoolse opvang, ook kinderopvang+ en buitenschoolse opvang+. Artikel 22b. Meerkosten zwemles Zwemles kan in principe niet vergoed worden vanuit de Jeugdwet. Reguliere zwemles om een zwemdiploma te halen is geen jeugdhulp. Het gaat dan niet om ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders bij alle denkbare opgroei-, opvoedings- en psychiatrische problemen en stoornissen. Indien ouders van mening zijn dat reguliere zwemles niet passend is voor hun kind kunnen zij op eigen kosten kiezen voor privézwemlessen. Ook kunnen ouders met de Sportstichting onderzoeken of zwemles in kleine groep (bijzondere talenten) passend is. In dat geval wordt een jeugdhulpindicatie afgegeven voor de meerkosten. Dit betekent dat ouders zelf de kosten van de reguliere zwemlessen betalen en het college de meerkosten. Mocht de Sportstichting meer intensieve begeleiding adviseren, kan hiervoor een jeugdhulpindicatie voor een op een begeleiding worden geïndiceerd.
71
Artikel 23. Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening behandeling In de artikelen 23a en 23b worden de aanvullende criteria voor dyslexie en vaktherapie gespecificeerd, in aanvulling op de algemene aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening behandeling Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding De artikelen 24 en 25 spreken voor zich en behoeven geen extra uitleg in de toelichting.
Artikel 26. Vervoer bij jeugdhulp Wanneer een jeugdige een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp kan vervoer naar de jeugdhulplocatie worden toegekend als er voldaan wordt aan de criteria zoals deze gesteld zijn in artikel 26. Tevens dient de combinatie van afstand en frequentie dusdanig groot te zijn dat het de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Dit gaat verder dan bijvoorbeeld alleen de zorg voor andere kinderen of werk van ouders. Om dat te kunnen bepalen is er in het vierde lid van dit artikel een berekeningsformule vastgelegd. De aanvraag voor het vervoer hoeft niet perse tegelijk met de aanvraag voor de jeugdhulp zelf gedaan te worden (zevende lid), maar kan niet met terugwerkende kracht toegekend worden (achtste lid). Het tiende lid beschrijft de verschillende vormen van de maatwerkvoorziening vervoer bij jeugdhulp. Hierbij is aangegeven dat een combinatie tussen de verschillende vormen mogelijk is, mits daar een goede onderbouwing voor wordt gegeven. Het elfde lid geeft de volgorde aan waarin de verschillende vormen toegekend kunnen worden. De volgende optie is pas aan de orde als vastgesteld is dat de voorgaande optie niet mogelijk is. Deze volgorde is bepaald op basis van de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van zowel de jeugdige als de ouders.
Het twaalfde lid geeft aan dat, wanneer er een vervoersvoorziening toegekend wordt voor het openbaar vervoer, het voor het openbaar vervoer geldende tarief wordt verstrekt. Tevens heeft het zevende lid aan dat, wanneer een vervoersvoorziening toegekend wordt in de vorm van een kilometervergoeding, de kilometervergoeding € 0,23 bedraagt en dat de kilometervergoeding bij de auto slechts wordt verstrekt voor de kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is. Artikel 27. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf/logeren Kortdurend verblijf wordt ingezet ten behoeve van verzorgenden of mantelzorgers die permanente zorg leveren aan de jeugdige. Ontlasting van pleegouders door het inzetten van kortdurend verblijf wordt ingezet door de pleegzorgaanbieder en is dan ook een uitzondering op artikel 27. Artikel 28. Zestienjarige en voortzetting hulp na achttien jaar Het is van belang dat een jeugdige die ondersteuning ontvangt die hij nodig heeft, maar ook dat er continuïteit is in de ondersteuning vanaf het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt. Enerzijds wordt daarom met de jeugdige, waarvan verwacht wordt dat hij ook na zijn 18e jaar nog ondersteuning nodig zal hebben, gewerkt aan de voorbereiding op het moment dat hij 18 jaar (en dus meerderjarig wordt) en hij daarna in het kader van de Wmo 2015 die vervolgondersteuning ontvangt die hij nog nodig heeft.
De melding voor Wmo hulpverlening zal tijdig voor de leeftijdswisseling door de jeugdige zelf moeten worden ingediend. Eventuele voortzetting van specifieke vormen van jeugdhulp, waarin niet voorzien kan worden in het kader van de Wmo 2015, vindt in principe plaats tot uiterlijk het 23e levensjaar.
72
Paragraaf 3.2 Wmo Artikel 29. Algemene voorzieningen Wmo Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De voorzieningen zijn vrij toegankelijk en kunnen daarom beschikkingsvrij worden aangeboden. Lid 3 sub g: Om het resultaat schone en draagbare kleding te bereiken is de wasservice als algemene voorziening beschikbaar (artikel 29 lid 4). Dit houdt in dat kleding en beddengoed gewassen en gedroogd wordt. Strijken vormt geen onderdeel van deze service, omdat van de inwoner verwacht mag worden dat deze strijkvrije kleding aanschaft. Strijkvrije kleding is namelijk algemeen gebruikelijk en niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking en heeft eenzelfde prijs als andere kleding. Lid 3 sub h: om het resultaat van een veilig thuissituatie te bereiken is de organisatie Veilig Thuis
ingericht zoals die bedoeld is in artikel 4.1.1 van de Wmo 2015; Lid 4: Voor de wasservice geldt een bijdrage. De bijdrage die gevraagd wordt ligt onder de marktconforme prijs. Voor inwoners met een indicatie huishoudelijke hulp geldt een bijdrage van € 6,00 per waszak van maximaal 8 kg, dit bedrag is gebaseerd op de werkelijke waskosten (stroom, water, wasmiddel, afschrijving wasmachine). Voor inwoners zonder indicatie geldt een bijdrage van € 25,00 per waszak van maximaal 8 kg. De was kan ongesorteerd worden ingeleverd. Artikel 30. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo De ondersteuning in de vorm van zorg, hulpmiddelen of aanpassingen kunnen gericht zijn op één of meer van de in het eerste lid genoemde diensten. Binnen deze diensten zijn meerdere niveaus van ondersteuning mogelijk, afhankelijk van de aard en de ernst van de ondersteuningsbehoefte. In het onderzoek wordt bepaald op welk gebied en in welke vorm er ondersteuning noodzakelijk is. Artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, bepaalt dat de raad bij verordening regelt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In het vijfde lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in het artikel 1.2.1 van de Wmo 2015.
In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: • beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; • problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en • een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen. Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.148) is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator).