GEW Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 versie 2 A25.004344
Tekst van het document
Meerkosten zwemles Indien privézwemlessen onvoldoende zijn en de jeugdige extra begeleiding tijdens de zwemles nodig heeft, dan kan vanuit de gemeente jeugdhulp worden ingezet voor de extra begeleiding, niet voor de zwemles of zwemleskosten zelf. Artikel 22c. Huiswerkbegeleiding 1. Ouders zijn de eerst verantwoordelijken om de ontwikkeling van hun kind te stimuleren. Ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs valt dan ook onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en het onderwijs. 2. Jeugdhulp kan aanvullend zijn als er sprake is van opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. 3. Huiswerkbegeleiding is primair gericht op het leerproces en valt onder de zorgplicht van scholen en ouders. Huiswerkbegeleiding valt daarom niet onder jeugdhulp. 4. Als ouders vastlopen in het begeleiden van hun kind bij het maken van huiswerk, is opvoedondersteuning mogelijk vanuit de Jeugdwet. Artikel 23. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening behandeling als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is. a. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; b.
het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; c. het aanleren van vaardigheden en het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jeugdige of binnen het systeem van de jeugdige; d. het verlagen van recidiverisico. Artikel 23a. Dyslexie 1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de jeugdwet. 2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de EDspecialist van het samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het Protocol
20
Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek, dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. Artikel 23b. Vaktherapie 1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: a. Beeldende therapie; b. Dans en bewegingstherapie; c. Dramatherapie; d. Muziektherapie; e. Psychomotore therapie; f. Psychomotorische kindertherapie; g. Speltherapie 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dit is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding. 3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 4. De behandelaar van de jeugdhulpaanbieder of een indicatiemedewerker van Stichting ZO! moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 5.
Vaktherapeutische methodieken kunnen alleen worden geboden als zij onderdeel uitmaken van een bredere behandeling (bijvoorbeeld CGT) waarbij de lijn van de zorgverzekeraars wordt aangehouden. Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; b. de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; b. de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; c.
de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. d. Om de jeugdige beter te kunnen begeleiden is het noodzakelijk om de vaardigheden van ouders/verzorgers en/of netwerk uit te breiden en versterken. Artikel 26. Vervoer bij jeugdhulp 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.
21
2. 3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Dit kan gaan om een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om het vervoer zelf te regelen. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. De vraag om een voorziening vervoer bij jeugdhulp zal meestal tegelijk met een aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in het besluit.
Het is echter ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben. De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag indien het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk. Vervoer dat is ingekocht bij zorgaanbieders is voorliggend. Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het derde lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend, uitgaande van een afstand van meer dan 6 km. De volgende vormen van een maatwerkvoorziening vervoer jeugdwet worden onderscheiden: a. Begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder. b.
Een vergoeding voor openbaar vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8). c. Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien er sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8). d. Een vergoeding voor eigen vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8). e. Aangepast vervoer (taxivervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder of het door het college gecontracteerde taxibedrijf. Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor gekozen wordt. In de volgende volgorde is een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de volgende, daaronder beschreven optie in beeld. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) is pas mogelijk wanneer alle onderstaande opties naar het oordeel van het college niet mogelijk zijn. a. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie. b. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk.
22
c.
11.
De jeugdige heeft de draagkracht en vaardigheden om in afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie begeleid door ouder(s)/verzorger(s), het sociale netwerk, een vrijwilliger of een jeugdprofessional. d. De jeugdige gaat met zijn/haar brommer/scooter naar de jeugdhulplocatie. e. De jeugdige reist zelfstandig met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Er zijn drie redenen waarom openbaar vervoer geen optie is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur tussen woning en uitstaphalte of –station. f. De jeugdige reist onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Deze optie vervalt als de jeugdige niet in staat is om met begeleiding in het openbaar vervoer te reizen, openbaar vervoer ontbreekt, de reistijd meer dan 45 minuten enkele reis (de reistijd tussen woning en uitstaphalte of –station) of ouder(s)/verzorger(s) kunnen aantonen dat begeleiding van de jeugdige door henzelf of anderen onmogelijk is dat wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. g. De ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz).
Voor de opties lid 10 d, e, f en g is een vergoeding mogelijk in de vorm van een kilometervergoeding van € 0,23 per kilometer of een vergoeding op basis van het tarief openbaar vervoer. Indien het college een kilometervergoeding toekent voor een auto, bekostigt het college de kilometervergoeding alleen voor die kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is.
Artikel 27. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Logeren is een vorm van respijtzorg. De zorg wordt tijdelijk overgenomen waardoor de mantelzorger ontlast wordt van de zorgtaak. Het is aanvullend op noodzakelijke zorg en ondersteuning die al in de thuissituatie wordt geboden, het vervangt deze zorg en ondersteuning niet. Logeeropvang wordt alleen toegewezen als het noodzakelijk is dat degene die mantelzorg of gebruikelijke zorg levert tijdelijk wordt ontzien en logeren in het sociale netwerk niet mogelijk is. Artikel 28. Zestienjarige en voortzetting hulp na achttien jaar Zorgaanbieder draagt zorg voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. Zorgaanbieder start, samen met de Jeugdige, op zestienjarige leeftijd met het maken van een toekomstplan waarbij een regisseur wordt benoemd. Netwerkondersteuning maakt onderdeel uit van het toekomstplan.
Paragraaf 3.2 Wmo Artikel 29. Algemene voorzieningen Wmo 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning. 2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3. Een algemene voorziening is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken: a. de inwoner heeft onderdak; b. de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren; c. de inwoner kan deelnemen aan de samenleving; d. de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren; e. de inwoner heeft een structuur/ invulling van de dag;
23
f.
4.
5.
de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit; g. de inwoner beschikt over schone en draagbare kleding h de inwoner heeft een veilige thuissituatie i. de mantelzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast. Om het resultaat zoals beschreven in artikel 29 lid 3 onder g te bereiken is er wasservice beschikbaar a. de eigen bijdrage voor inwoners met een indicatie huishoudelijke hulp is b. € 6,00 euro per waszak van maximaal 8 kg. c. de eigen bijdrage voor inwoners die geen indicatie huishoudelijke hulp hebben, is € 25,00 per waszak van maximaal 8 kg . Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 30. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 1. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer van de volgende diensten of productcategorieën: a. hulp bij het huishouden; b. begeleiding; c. dagbesteding; d. logeren; e. beschermd wonen; f. beschut wonen; g. rolstoelvoorzieningen; h. woonvoorzieningen en woningaanpassingen; i. vervoersvoorzieningen; j. vervoersdiensten; k. sportvoorzieningen. 2. Als onderdeel van dagbesteding kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. 3. Het college stelt de omvang van de dienst of het product vast aansluitend bij de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. 4. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 ontwikkeld door Bureau HHM. 5. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Begeleiding versie 2.0 ontwikkeld door Bureau HHM en Factum Advies. 6. Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar oordeel van het college de cliënt geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of wanneer algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig en/of ontoereikend zijn om: a.
de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of b. de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als er sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 7. Het college kan een maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken.
24
8.
9.
Het college hanteert voor het toekennen van een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria: a. er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn; b. de maatwerkvoorziening is, gelet op de persoon, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee; c. er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening als deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven; d. de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden; e. de cliënt werkt binnen zijn vermogen mee aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan en de afspraken met de aanbieder van de maatwerkvoorziening; f. de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015.
Artikel 31. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: a. het schoon en leefbaar houden van de woning volgens algemeen hygiënische normen; b. het beschikken over schone en draagbare kleding; c. het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden; d. het voeren van regie over het doen van het huishouden. Artikel 32. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van (praktische) vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid; f. het leren omgaan met de beperkingen die de cliënt heeft. Artikel 33. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: a. het noodzakelijk is het ondersteuningssysteem van cliënt te ontlasten; b.
cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken; c. cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrijetijdsbesteding; d. de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen; e. het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten; of f. de cliënt ondersteund moet worden bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden. 2. De dagbesteding vindt plaats op een daartoe bestemde locatie onder begeleiding van de aanbieder.
25
Artikel 34. Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding Een cliënt kan in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Artikel 35. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of logeerverblijf als er naast de algemene voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er is sprake van een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; en b. ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk; en c. de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met toezicht; en d. de cliënt structureel gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen is op deze maatwerkvoorziening. Artikel 36. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1. Op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. 2. De toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. 3.
Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgestelde beleid van centrumgemeente Gouda, de geldende verordening en nadere regels maatschappelijke ondersteuning. Artikel 37. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening beschut wonen als er naast de algemene voorwaarden zoals bedoelt in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er is sprake van belemmeringen in het zelfstandig wonen als gevolg van psychische- of psychiatrische problematiek, een licht verstandelijke beperking, verslaving of een combinatie hiervan; b. is in staat de ondersteuningsvraag te benoemen en kan deze (tijdelijk) uitstellen; c. heeft dag invulling via opleiding, werk of dagbesteding; d. heeft ’s nachts in principe geen begeleiding nodig; e. is aangewezen op begeleiding die door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaarheid heeft en indien nodig op afroep langs komt. 2. Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de huur en woonlasten. Artikel 38. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel 1.
Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een (elektrische) rolstoel, als hij als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning. 2. Er zijn medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan. 3. In het geval van een elektrische rolstoel kan de cliënt veilig deelnemen aan het verkeer. 4. De woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast. Artikel 39. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, in de vorm van een woningaanpassing of in de vorm van hulpmiddelen om zich in en om de woning te
26
2.
3.
4.
5.
verplaatsen, als er sprake is van een aantoonbare beperking bij het normaal gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in de woning, als: a. de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf in Zuidplas heeft, waarbij er geen sprake mag zijn van een tijdelijke huurovereenkomst; en b. de woning geschikt is om het hele jaar door te bewonen; en c. de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen, te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten; en d. de woonruimteaanpassing langdurig noodzakelijk is en verhuizen niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate voorziening is. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling in de gemeente Zuidplas en de cliënt regelmatig een bezoek brengt en zal blijven brengen aan die woning in de gemeente Zuidplas, en het bezoek voor de cliënt noodzakelijk is voor het onderhouden van sociaal contact, en hij deze woning niet op een normale manier kan betreden of bereiken. Wanneer uit onderzoek blijkt dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor de hulpvraag, dan wordt het primaat van verhuizen toegepast.
Het college kan daarbij een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten. In afwijking van het eerste lid, sub c kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als: a. de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en b. er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning. a. De kosten van het verwijderen van woonvoorzieningen, bijvoorbeeld trapliften, zijn voor rekening van de gemeente voor zover deze voorzieningen eigendom zijn van de gemeente. De kosten voor het verwijderen van een woonvoorziening die in eigendom is verstrekt, middels een financiële tegemoetkoming, uit een eigen of huurwoning zijn voor rekening van degene aan wie de verstrekking is toegekend. b. De herstelkosten bij het verwijderen van voorzieningen, bijvoorbeeld het vullen van gaten en herstellen van vloerbedekking, zijn in alle gevallen voor rekening van degene aan wie de verstrekking was toegekend.
In geval van overname van een (huur)woning zijn, na acceptatie van de woning, de kosten voor rekening van de nieuwe huurder/eigenaar en kan geen beroep worden gedaan op de Wmo.
Artikel 40. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een vervoersdienst of vervoersvoorziening als er als gevolg van lichamelijke beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen belemmeringen worden ondervonden bij het (lokaal) verplaatsen met het reguliere openbaar vervoer of eigen vervoer. 2. In afwijking van het eerste lid komen cliënten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, op basis van hun leeftijd in aanmerking voor een CVV indicatie. 3. In aanvulling op het eerste lid verstrekt het college alleen een vervoersdienst of vervoersvoorziening als: a. de beperkingen langdurig (minimaal 6 maanden) van aard zijn; b. de cliënt de voorziening nodig heeft in verband met specifieke verplaatsingsbehoefte, die niet anderszins kan worden opgelost; c. de cliënt in staat wordt geacht om – na instructie – op veilige wijze gebruik kan maken van de voorziening;
27
4. 5.
6.
7.
d. de cliënt in het geval van een open gehandicaptenvoertuig beschikt over een geschikte, brandveilige en overdekte stallingsruimte, die voor voorzieningen met een accu is voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, of gecreëerd kan worden. Het college legt het primaat bij het gebruik van het CVV, als het CVV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van de vervoersvoorzieningen als dit voor zijn participatie of zelfredzaamheid voor zowel de korte als de lange afstand noodzakelijk is. De indicatie voor het CVV vervalt na twee jaar, wanneer de vervoersdienst in die periode niet door de cliënt is gebruikt. Dit zal middels een beschikking aan de cliënt kenbaar worden gemaakt. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor vervoer wanneer het college in aanvulling op het eerste lid van oordeel is dat de cliënt door zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden niet in staat is gebruik te maken van het CVV.
Artikel 41. Aanvullende criteria maatwerk sportvoorzieningen 1. Het college kan ten behoeve van het uitoefenen van een sport een pgb verstrekken voor: a. een cliënt die in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel of een verplaatsingsmiddel; en b. een cliënt die zonder sportvoorziening niet in staat is tot sportbeoefening; en c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk. 2. Het pgb voor de aanschafkosten van een sporthulpmiddel is gelijk aan de feitelijke kosten van de voorziening, aangevuld met de onderhoudskosten. Artikel 42. Afschrijvingsperioden 1. De volgende afschrijvingsperioden worden gehanteerd: a. keuken 15 jaar b. badkamer 25 jaar c. toilet 15 jaar d. hulpmiddelen 7 jaar e. douche- en toiletvoorzieningen 5 jaar f. kindervoorzieningen 5 jaar g. traplift geen afschrijvingsperiode Artikel 43. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.
Voor de verhuiskosten bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.750,77 als deze kosten voorvloeien uit de voorgestelde maatwerkoplossing zoals opgenomen in het ondersteuningsplan. 3. Voor het bezoekbaar maken van een woning (het toe- en doorgankelijk maken en aanpassen van het toilet en/of woonkamer) bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.750,77. 4. De tegemoetkoming vermeldt onder lid 2 en 3 kunnen eenmalig verstrekt worden. 5. Voor de kosten van het gebruik van een taxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 4.748,25 per kalenderjaar. Voor de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 6.196,36 per kalenderjaar.
28
6.
7. 8. 9.
10.
Voor de kosten van de aanpassingen van de eigen auto wordt de vergoeding vastgesteld op basis van offertes, waarbij de technische levensduur van de auto op het moment van aanvragen nog minimaal 10 jaar moet zijn. Voor de kosten ten behoeve van een sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.709,80 per drie jaar. Voor de kosten ten behoeve van onderhoud en reparatie aan de sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 695,19 per kalenderjaar. De toegekende tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 3 t/m 9 worden op declaratiebasis achteraf uitgekeerd aan de aanvrager; de toegekende tegemoetkoming uit lid 2 wordt uitbetaald op basis van de beschikking. De maximale bedragen van de tegemoetkomingen genoemd onder lid 2 t/m 9 worden jaarlijks verhoogd of verlaagd aan de hand van de prijsindex voor gezinsconsumptie zoals bepaald in artikel 3.7 eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Artikel 44. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt of tot wanneer de kostprijs van de maatwerkvoorziening is bereikt. 2. Voor de maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen. 3. In afwijking van het eerste lid is cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen a. rolstoelen; b. woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige cliënt. 4. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo 2015 is de hoogte van de reizigersbijdrage voor de maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer afhankelijk van het aantal gereden zones. Deze reizigersbijdrage is: 2025 Aantal Zones
6.
7.
Geïndiceerde begeleider Nihil
Sociaal begeleider € 2,40
OV- reiziger
1
Van deur naar deur Wmo-pashouder € 2,40
2
€ 3,35
Nihil
€ 3,35
€ 10,05
3
€ 4,30
Nihil
€ 4,30
€ 13,40
4
€ 5,35
Nihil
€ 5,35
€ 16,75
5
€ 6,30
Nihil
€ 6,30
€ 20,10
6
€ 7,45
Nihil
€ 7,45
€ 23,75
€ 6,70
De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2025 en worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van indexatie (NEA). De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015, worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.
29
Artikel 45. Blijk van waardering voor mantelzorgers 1. Mantelzorgers van ingezetenen van de gemeente Zuidplas kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, voor mantelzorgers van ingezetenen van Zuidplas in de vorm van: a. een jaarlijkse dag/activiteit voor mantelzorgers. Deelname hieraan is gratis; b. op maat geboden ondersteuning door het mantelzorgsteunpunt;
Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 46. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. 2. Als een cliënt in aanmerking komt voor een zorg gerelateerde dienst op basis van een pgb, dan is de cliënt verplicht om ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag een budgetplan in te dienen. De cliënt dient daarbij gebruik te maken van een door het college vastgesteld format. In het budgetplan dient gemotiveerd te worden: a. welke zorg er met het pgb wordt ingekocht; b. waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht; c. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp voldoende in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken; d. hoe de zorg wordt vormgegeven; e. hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is.
Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden; f. hoe hij de voorziening volgens een begroting dan wel een offerte wenst te financieren. 3. Voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet wordt het tarief voor formele (professionele zorg) of informele (sociaal netwerk) hulp gehanteerd. 4. Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: a. er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; b. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen moet naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit zijn en in voldoende mate bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. de budgethouder en het college in het ondersteuningsplan afspreken binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd. d.
Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 5. Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren.
30
6.
7.
8. 9.
10. 11.
12.
Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. Het college verplicht de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden. Een pgb bestemd voor besteding in het buitenland, is alleen mogelijk als het college daar expliciet toestemming voor heeft gegeven. Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid; b. de kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie, lidmaatschappen, verlofdagen/feestdagenuitkering of reiskosten komen niet in aanmerking voor een pgb; c. voor de bekostiging van huisvesting/huur.
Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente voor de dan geldende aanbesteding hulpmiddelen en, indien van toepassing, moet worden aangeschaft bij een leverancier die is aangesloten bij het Nationaal keurmerk hulpmiddelen. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 47. Regels voor pgb vertegenwoordiging 1. Een vertegenwoordiger wordt geacht de aan de pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te kunnen voeren. 2. De vertegenwoordiger stelt het belang van de cliënt centraal en moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. 3. De vertegenwoordiger is niet tevens uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of heeft geen financiële relatie met de uitvoerder van de ondersteuning. 4. In afwijking op lid 3 kan gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de verantwoordde besteding van het pgb, naar het oordeel van het college passend worden bevonden; 5. De vertegenwoordiger van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. 6. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, controleren wie er als vertegenwoordiger staat geregistreerd bij de SVB. 7. Indien de vertegenwoordiger iemand is uit het netwerk van cliënt dan dient er te worden aangeven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 8. Kosten voor pgb vertegenwoordiging mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget.
31
Artikel 48. Regels voor pgb professional (formele hulp) 1. Van professionele ondersteuning is sprake als de organisatie of zelfstandig werkende hulpverlener die door de cliënt is ingeschakeld voor de ondersteuning, voldoet aan het geheel van de eisen genoemd in één van de volgende onderdelen: a. Er is sprake van een organisatie die: 1° staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo 2015 en Jeugdwet; 2° biedt een dienstverband aan minimaal twee medewerkers; 3° de organisatie en de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen en beroepscodes die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders en hun medewerkers; 4° de eigenaar en medewerkers zijn geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie ze ondersteuning bieden of van diens vertegenwoordiger; en 5° beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven; of b.
Er is sprake van een zelfstandig werkende hulpverlener die: 1° staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo 2015 en Jeugdwet; 2° de belastingdienst beschouwt de hulpverlener in het kader van de hulpverlening aan de cliënt als ondernemer; 3° de medewerker voldoet aan de kwaliteitseisen die aan een hulpverlener van een gecontracteerde aanbieder worden gesteld en berekent een tarief dat marktconform is; 4° de hulpverlener is geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie hij ondersteuning biedt of van diens vertegenwoordiger; en 5° beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven. 2. De professional die een dienst verleent in het kader van de Wmo 2015 en/of de Jeugdwet: a. dient een ingezetene van Nederland te zijn en te beschikken over een Burgerservicenummer; b. Voor het leveren van professionele ondersteuning is vereist dat de hulpverlener beschikt over een VOG die na of kort voor indiensttreding bij zijn werkgever of de start van de ondersteuning is afgegeven; c.
De professional die een dienst verleent in het kader van de Jeugdwet dient in het bezit te zijn van een SKJ-registratie of voldoet aan de richtlijn verantwoorde werktoedeling; d. hij dient in bezit te zijn van een geldige aansprakelijkheidsverzekering en een geldig lidmaatschap van een klachtencommissie. 3. De organisatie en de hulpverlener mogen geen enkel ander voordeel aan de ondersteuningsrelatie ontlenen dan de betaling vanuit het pgb. 4. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb. Artikel 49. Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp) 1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. 2. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
32
3.
Indien er sprake is van verlening van hulp door een persoon in het sociaal netwerk: a. dient uit het ondersteuningsplan en budgetplan te blijken dat deze in staat is de gevraagde hulp gedurende de afgesproken periode te leveren, dat dit niet leidt tot overbelasting en hoe vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. b. zoekt de persoon uit het sociale netwerk afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. c. als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben. d. overlegt de persoon uit het sociaal netwerk een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving.
Artikel 50. Hoogte van het pgb 1. De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de te verstrekken maatwerkvoorziening zoals bepaald in artikel 8. 2. Een hulpmiddel of een woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. 3. Het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; 4. Uitbetaling van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vindt plaats op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, door de SVB. 5. In afwijking van lid 4 vindt uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing achteraf plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen. 6. Bij de berekening van het tarief van een pgb wordt rekening gehouden met alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verlofdagen, feestdagen, verzekering(en) en reiskosten. 7. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. a.
van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. b. informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. 8. Het tarief voor formele hulp uitgevoerd door een hulpverlener werkzaam bij een professionele instelling bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura. 9. Het tarief voor vervoer van en naar de dagbesteding of locatie waar jeugdhulp wordt geboden bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura en is alleen mogelijk voor een professionele instelling. 10. Het tarief van een zzp‘er bedraagt ten hoogste 75% van het tarief van zorg in natura. 11.
Het tarief voor hulp in natura wordt indien het geen uurtarief is, omgerekend naar een tarief per uur. 12. Het pgb voor hulp uitgevoerd als bedoeld in lid 7 onderdeel b is gelijk aan het tarief hiervoor in de Wet langdurige zorg plus de kosten voor het aanvragen van een Verklaring omtrent het Gedrag. 13. De gemeente volgt voor de indexering bij het tarief voor hulp uit het sociale netwerk de ontwikkeling van het tarief in de Wet langdurige zorg.
33
Artikel 51. Besteding en verantwoording van het pgb 1. De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde budgetplan. 2. De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, ten aanzien van de verantwoording, de zorgovereenkomst en het trekkingsrecht. 3. Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan leiden tot: a. terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en b. de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken. 4. Het is de cliënt niet toegestaan om met de dienstverlener een vast maandloon overeen te komen, dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette ondersteuning.
Hoofdstuk 5: Specifieke bepalingen leerlingenvervoer Paragraaf 5.1 Definities Artikel 52. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer (vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi) b. afstand: afstand tussen de woning en de school, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, gemeten met ANWB routeplanner langs de kortste voor de leerling per fiets voldoende begaanbare en veilige weg; c. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; d. begeleiding: fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer; e. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas; f. deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige; g. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets, dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt; h. gehandicapte leerling: een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; i.
inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; j. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school; k. ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 op de Wet op het voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding, dan wel de commissie van onderzoek; l. openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken; m. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;
34
n. o. p.
q.
r.
s. t. u.
v.
w.
x.
opvangadres: adres naast de woning van de leerling waar de leerling wordt opgevangen, zoals buitenschoolse opvang, gastouder of familielid. ouders: (pleeg)ouders, voogden of verzorgers van de leerling; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids (of het standaard rooster bij voortgezet onderwijs), minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband: 1°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt: Dit is 1°. basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°.
school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 3°. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: 1°. vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; 2°. vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van dienst begeleider; 3°. aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of 4°.
gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Artikel 53. Doelstelling Dit hoofdstuk van de Integrale verordening heeft tot doel om, op basis van een beoordeling op grond van de in deze verordening vastgestelde criteria en een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling, een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug. Paragraaf 5.2 Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 54. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling structureel verblijft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.
35
2. 3.
Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling.
Artikel 55. Onderzoek 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2. Het college kan in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een deskundige aansluiten. 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4. Het college kan in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. Artikel 56. Inzet deskundige 1. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht. 2. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. Artikel 57. Beslistermijn 1.
Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Artikel 58. Ingangsdatum voorziening Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum. Artikel 59. Besluit 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 2. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Paragraaf 5.3 Beoordelingscriteria Artikel 60. Algemene bepalingen beoordelingscriteria 1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kind(eren). 2.
Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.
36
3.
4. 5. 6.
7.
De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is: a. per fiets; b. met openbaar vervoer; c. met eigen vervoer; d. met aangepast vervoer; Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.
Artikel 61. Afwijzingsgronden 1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner dan of gelijk is aan 6 kilometer. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen. 2. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij: a. er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of b. de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Artikel 62. Andere oplossing 1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op basis van deze verordening. 2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt bij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening. Artikel 63.
Aanwijzing opstapplaats Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat: a. het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. b. De opstapplaats zich bevindt op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en voldoende ruimte biedt voor een eventuele begeleider; c. de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. d. het college geen opstapplaats aanwijst als naar oordeel van het college door de ouders voldoende wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. e. het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling.
37
Artikel 64. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt. 2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of b.