GEW Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 versie 2 A25.004344
Tekst van het document
Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026
1
Inleiding en leeswijzer Inleiding De gemeente hecht er belang aan dat de hulpvraag van de inwoner zo volledig mogelijk wordt behandeld. Dit komt tot uiting in de integrale verordening, met als vertrekpunt: ‘één gezin, één plan, één regisseur’. De vraag van de inwoner staat centraal, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het sociale domein. Daar waar het praktisch mogelijk is, wordt de wijze van toegang en behandeling van de hulpvraag in het kader van de Jeugdwet en Wmo identiek. Voor de hulpvragen waarbij de toegang en het werkproces apart zijn georganiseerd (bijv. Leerlingenvervoer) wordt er gewerkt vanuit de gedachte om de inwoner zoveel mogelijk integraal te ondersteunen. Inwoners die zich met hulpvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Ongeacht de hulpvraag en waar deze in de organisatie terecht komt, kijken we breder naar de andere leefdomeinen als daar aanleiding voor is. Leeswijzer De verordening start met het integrale deel voor Jeugd, Wmo en het Leerlingenvervoer. Dit zijn de hoofdstukken 1 en 2. Hierna volgen de specifieke bepalingen voor Jeugd en Wmo (hoofdstuk 3), het persoonsgebonden budget (hoofdstuk 4) en Leerlingenvervoer (hoofdstuk 5).
Aansluitend op hoofdstuk 5 volgen er nog drie hoofdstukken die weer integraal voor zowel Jeugd, Wmo als Leerlingenvervoer gelden.
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen .............................................................................................. 7 Artikel 1. Begrippen en afkortingen .................................................................................................... 7 Hoofdstuk 2: Integrale benadering ................................................................................................ 9 Artikel 2. Toegang tot ondersteuning ................................................................................................. 9 Artikel 3. Melding hulpvraag ............................................................................................................... 9 Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning .............................................................................................. 9 Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon ..................................................................... 9 Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding/aanvraag ..................... 10 Artikel 7. Tolkkosten .......................................................................................................................... 11 Artikel 8. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen .............................. 11 Artikel 9.
Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek .................................................. 12 Artikel 10: Verstrekken van een maatwerkvoorziening .................................................................... 12 Artikel 11. Weigeringsgronden.......................................................................................................... 13 Artikel 12. Aanvraag van een maatwerkvoorziening ........................................................................ 15 Artikel 13. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp .................................................................... 15 Artikel 14. Beschikking maatwerkvoorziening .................................................................................. 15 Hoofdstuk 3: Voorzieningen:....................................................................................................... 16 Artikel 15. Algemene voorzieningen jeugd ....................................................................................... 16 Artikel 16. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs ............................................................... 16 Artikel 17. Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg ............................................................... 17 Artikel 18. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet ...................................................................
17 Artikel 19. Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning ........................................ 18 Artikel 20. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen ............................................................. 18 Artikel 21. Maatwerkvoorzieningen jeugd ........................................................................................ 18 Artikel 22. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding .................................... 20 Artikel 22a. Kinderopvang en buitenschoolse opvang .......................................................................... 20 Artikel 22b. Meerkosten zwemles ......................................................................................................... 20 Artikel 22c. Huiswerkbegeleiding .......................................................................................................... 20 Artikel 23. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling .................................. 20 Artikel 23a. Dyslexie .............................................................................................................................. 20 Artikel 23b. Vaktherapie........................................................................................................................ 21 Artikel 24.
Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding ............... 21 Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding .. 21 Artikel 26. Vervoer bij jeugdhulp ...................................................................................................... 21 3
Artikel 27. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren .......................................... 23 Artikel 28. Zestienjarige en voortzetting hulp na achttien jaar......................................................... 23 Artikel 29. Algemene voorzieningen Wmo ....................................................................................... 23 Artikel 30. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo ............................................................. 24 Artikel 31. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden ................ 25 Artikel 32. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding .................................... 25 Artikel 33. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding ................................. 25 Artikel 34. Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding.................................... 26 Artikel 35. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren .......................................... 26 Artikel 36. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang ................................................................................................................................................... 26 Artikel 37.
Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen ........................................... 26 Artikel 38. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel ....................................................... 26 Artikel 39. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen....................................................... 26 Artikel 40. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen .......................................................................................................................... 27 Artikel 41. Aanvullende criteria maatwerk sportvoorzieningen ....................................................... 28 Artikel 42. Afschrijvingsperioden ...................................................................................................... 28 Artikel 43. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 28 Artikel 44. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen......................................................... 29 Artikel 45. Blijk van waardering voor mantelzorgers ........................................................................ 30 Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget (pgb) ............................................................................ 30 Artikel 46.
Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb ................................................... 30 Artikel 47. Regels voor pgb vertegenwoordiging .............................................................................. 31 Artikel 48. Regels voor pgb professional (formele hulp) ................................................................... 32 Artikel 49. Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp) .......................................................... 32 Artikel 50. Hoogte van het pgb.......................................................................................................... 33 Artikel 51. Besteding en verantwoording van het pgb...................................................................... 34 Hoofdstuk 5: Specifieke bepalingen leerlingenvervoer................................................................. 34 Artikel 52. Definities .......................................................................................................................... 34 Artikel 53. Doelstelling ...................................................................................................................... 35 Artikel 54. Aanvraag ......................................................................................................................... 35 Artikel 55.
Onderzoek ........................................................................................................................ 36 Artikel 56. Inzet deskundige .............................................................................................................. 36 Artikel 57. Beslistermijn.............................................................................................................. 36 Artikel 58. Ingangsdatum voorziening ......................................................................................... 36 4
Artikel 59. Besluit ............................................................................................................................. 36 Artikel 60. Algemene bepalingen beoordelingscriteria..................................................................... 36 Artikel 61. Afwijzingsgronden ........................................................................................................... 37 Artikel 62. Andere oplossing ............................................................................................................. 37 Artikel 63. Aanwijzing opstapplaats .................................................................................................. 37 Artikel 64. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school ............................... 38 Artikel 65. Peildatum leeftijd leerling................................................................................................ 38 Artikel 66. Schooltijden en wachttijden ............................................................................................ 38 Artikel 67. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente ............................................................................... 38 Artikel 68.
Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat ............................................................................................................................................................... 39 Artikel 69. Vervoersvoorziening naar stageadres ............................................................................. 39 Artikel 70. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets ........... 40 Artikel 71. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider ................................................................................................................. 40 Artikel 72. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer ............................................................................................................................................................... 40 Artikel 73. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer ................................................ 41 Artikel 74. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening......................................................... 42 Artikel 75. Drempelbedrag ................................................................................................................ 42 Artikel 76.
Draagkrachtafhankelijke bijdrage .................................................................................... 42 Hoofdstuk 6: Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten ............................................ 43 Artikel 77. Kwaliteitseisen ................................................................................................................. 43 Artikel 78. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder.......................................................................... 43 Artikel 79. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering .............. 44 Artikel 80. Klachtenregeling .............................................................................................................. 45 Artikel 81. Medezeggenschap bij aanbieders ................................................................................... 45 Artikel 82. Incidenten, calamiteiten en geweld ................................................................................ 45 Artikel 83. Doel- en rechtmatigheid .................................................................................................. 45 Hoofdstuk 7: Participatie in het Sociaal Domein .......................................................................... 46 Artikel 84.
Begripsbepalingen participatie sociaal domein ............................................................... 46 Artikel 85. Doelstelling ...................................................................................................................... 46 Artikel 86. Taken van de adviesraad ................................................................................................. 47 Artikel 87. Werkwijze van de adviesraad .......................................................................................... 47 Artikel 88. Werkwijze van het college ............................................................................................... 48 Artikel 89. Overlegstructuur van de adviesraad................................................................................ 48 Artikel 90. Overleg met de gemeente ............................................................................................... 48 5
Artikel 91. Faciliteren en verantwoording......................................................................................... 49 Artikel 92. Samenstelling van de adviesraad..................................................................................... 49 Artikel 93. Voorzitter ......................................................................................................................... 49 Artikel 94. Secretaris/ Penningmeester ............................................................................................ 50 Artikel 95. Beëindiging lidmaatschap ................................................................................................ 50 Artikel 96. Evaluatie........................................................................................................................... 50 Hoofdstuk 8: Slotbepalingen ....................................................................................................... 50 Artikel 97. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet ............................. 50 Artikel 98. Intrekking oude verordening en overgangsrecht ............................................................ 50 Artikel 99. Inwerkingtreding en citeertitel ........................................................................................
51 Toelichting op de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 ....................................... 52
6
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen en afkortingen a. Algemeen gebruikelijke voorziening: zaak of dienst die normaal in de handel te krijgen is; niet speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen; niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; b. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo 2015), zelfredzaamheid en participatie of opvang; c. Beperking: objectief vastgestelde stoornis of conditie in lichamelijke, zintuiglijke, psychische of verstandelijke zin, die een normaal maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert en/of nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt; d. Cliënt: cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 of de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; e.
Dienstverlening: jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; f. Eigen bijdrage: financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015. Cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelen, een woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige en voorzieningen op grond van de Jeugdwet; g. Gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse zorg, toezicht, begeleiding en stimulering die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat zij samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar; h. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; i. Inwoner: iemand die in de gemeente Zuidplas staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp), dan wel in de gemeente Zuidplas zijn hoofdverblijf heeft. j.
Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, door het college verstrekt in natura of bij pgb. k. Jeugdwet; l. Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015 en Jeugdwet; m. Machtiging gesloten jeugdhulp: een door de kinderrechter genomen beslissing (beschikking) om een jeugdige in een gesloten instelling te plaatsen;
7
n.
o.
p.
q.
r.
s.
t.
u.
v. w. x.
y. z.
Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw), die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015, of de aanvraag voor jeugdhulp; Onafhankelijk cliëntondersteuning: gratis en onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen/de diverse levensdomeinen van personen; Ondersteuningsplan: het onderdeel van het ondersteuningsverslag dat de weergave bevat van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding op grond van de Wmo 2015 of het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet dat door het college is gemaakt naar aanleiding van het onderzoek, waaronder tevens wordt verstaan het niet inhoudelijk gevulde ondersteuningsplan in geval van weigering van de ondersteuning; Onderzoek: het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar aanleiding van een hulpvraag om te bekijken wat de situatie is van
degene die hulp vraagt en te bepalen welke ondersteuningsbehoefte hieruit voortvloeit; Persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat deze in staat stelt de geïndiceerde hulp van derden te betrekken; Sociaal netwerk: een groep van mensen waarmee de cliënt duurzame banden onderhoudt en waarbij sprake is van verbondenheid. Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger): persoon of rechtspersoon die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de verleende hulp/zorgverlening; Vervoersdiensten: Wmo vervoer geregeld door de gemeente, zoals het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer.
Vervoersvoorzieningen: hulpmiddelen voor het verplaatsen, te denken aan scootmobiel, driewielfiets etc Voorliggende voorziening: een algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor het toekennen van een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven, omdat de cliënt de ondervonden problemen met die voorziening op eigen kracht kan oplossen; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Zorg in Natura (ZIN): een voorziening in de vorm van goederen in (bruik)leen, in eigendom, persoonlijke dienstverlening, beschermd wonen of opvang om de zelfredzaamheid of participatie van een ingezetene te verbeteren of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang.
NB: waar in de verordening gebruik wordt gemaakt van hij/zijn, wordt ook bedoeld zij/haar/hen.
8
Hoofdstuk 2: Integrale benadering Artikel 2. Toegang tot ondersteuning 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners die daar om verzoeken: a. kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b. kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: 1°. het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en 2°. hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; c. worden doorverwezen en –geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en d. dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 2. In het kader van de uitvoering van het eerste lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld. Artikel 3. Melding hulpvraag 1. Eenieder kan zich met een hulpvraag voor zichzelf of voor een ander, telefonisch of met een schriftelijke aanmelding/verwijzing richten tot het college, mits de hulpvraag een inwoner van Zuidplas betreft. 2.
Het college maakt met de inwoner een afspraak voor een gesprek, zoals bedoeld in artikel 6 en bevestigt deze schriftelijk. 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Als de hulpvraag een minderjarige betreft informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders. 4. Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan / familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet op te stellen en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 5. Lid 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op een aanvraag leerlingenvervoer. Een aanvraag hiervoor loopt volgens de procedure genoemd in hoofdstuk 5. Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 6 of de aanvraag van cliënt.
Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende (tijdelijke) voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet. Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet. 3. Het college of de uitvoerende organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
9
Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding/aanvraag 1. Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt, en/of diens vertegenwoordiger/gemachtigde, mantelzorger en indien de client dit wenst, familie of iemand uit het eigen netwerk van de cliënt. 2. Het college stelt de identiteit vast van alle bij het gesprek aanwezigen aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 3. In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: a. de behoefte, persoonskenmerken, beperkingen, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie, het probleem of hulpvraag en de voorkeuren van de cliënt; b. in het kader van jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. c. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan hulp en ondersteuning, beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt. e.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn: de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende-, algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, alsmede partijen op bijvoorbeeld het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid; g. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken. h. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waarbij de cliënt wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. i. welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. 4. Naast het gesprek kan gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de volgende onderzoeksmethoden: a. Dossieronderzoek; b. Een aanvullend gesprek; c. Telefonisch onderzoek; d. Inschakelen externe deskundige; e.
Inwinnen van informatie met toestemming van de cliënt bij behandelaars, zorgverleners, familie en/of overige externe partijen; f. Overige onderzoeksmethoden waartoe het college wettelijk bevoegd is. 5. De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 6. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 7. Binnen 10 dagen na het gesprek verstrekt het college de cliënt een bondig gespreksverslag met daarin een weergave van de zorgvraag en gemaakte afspraken . Feitelijke onjuistheden in het verslag worden op verzoek van de inwoner gecorrigeerd.
10
Artikel 7. Tolkkosten 1. Indien bij de inzet van hulp sprake is van een onoverbrugbare taalbarrière, wordt van de client en/of het betrokken netwerk verwacht dat zij zelf zorgdragen voor adequate communicatie. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van personen uit het eigen netwerk, zoals familieleden, vrienden of andere bekenden die kunnen tolken. Minderjarigen worden hierbij niet geacht te tolken voor hun ouder(s). 2. Indien aantoonbaar geen tolk uit het eigen netwerk beschikbaar is én de inzet van een professionele tolk noodzakelijk is voor het kunnen verlenen van passende hulp, kan het college gemotiveerd besluiten af te wijken van het eerste lid. Vergoeding van de kosten voor een professionele tolk is uitsluitend mogelijk in de volgende situaties: a. bij intakegesprekken en diagnostiek; b. in crisissituaties waarin directe inzet van een tolk noodzakelijk is; c. in situaties waarin het ontbreken van een tolk leidt tot aantoonbare risico’s voor de veiligheid. 3. Indien de client verblijft in een opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en beschikt over een geldig zorgnummer, worden de kosten voor inzet van een tolk niet door het college vergoed. In deze gevallen vindt vergoeding plaats via het COA. Artikel 8. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.
Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag. 2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen, bekenden die van betekenis zijn voor en kunnen bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de inwoner. 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ten aanzien van jeugdigen, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW, als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden, waar nodig met inzet van het eigen netwerk. 5.
Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten tekortschiet, omdat sprake is van: a. Geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. Een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. Overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden geboden totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 6. Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de partner, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de partner/ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. De behoefte en mogelijkheden van de inwoner; b. De mate van hulp die de inwoner nodig heeft; c. De aard en de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; d. De planbaarheid van de hulp;
11
e. De benodigde ondersteuningsintensiteit f. De samenstelling van het gezin en de woonsituatie; g. De noodzaak van de partner/ouder(s)/inwonende kinderen om in een inkomen te voorzien en/of onderwijs te volgen. Artikel 9. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek 1. Het college stelt na het onderzoek in overleg met de inwoner een ondersteuningsplan op, vanuit het principe één gezin, één plan, één regisseur. 2. Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten naar aanleiding van het onderzoek, waarin het college: a. de hulpvraag vaststelt; b. heeft vastgesteld welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; c. in het kader van jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. d. heeft vastgesteld welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; e.
onderzocht heeft of en in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; f. slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, een maatwerkvoorziening dient te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. 3. De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 4. Als de inwoner van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan. 5. Indien een client op basis van het opgestelde ondersteuningsplan daadwerkelijk een aanvraag wil indienen, dan dient het ondersteuningsplan ondertekend te worden teruggestuurd. Client kan daarbij kiezen om: a. akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en daarvoor een aanvraag in te dienen, of b. niet akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en een daarvan afwijkende aanvraag in te dienen. Hetgeen client wenst aan te vragen dient dan in het teruggestuurde ondersteuningsplan concreet te worden omschreven. Artikel 10: Verstrekken van een maatwerkvoorziening 1.
Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat de inwoner: a. op eigen kracht met gebruikelijke hulp, of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en b. geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening, en c. met deze voorziening naar het oordeel van het college zelfredzaam wordt of kan participeren, en d. geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk of voorliggend is.
12
2.
3. 4.
5. 6.
Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner. Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en (waar beschikbaar) wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Voor bepaalde voorzieningen kunnen aanvullende criteria van kracht zijn. Deze staan genoemd in hoofdstuk 3 van deze verordening. De maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget.
Artikel 11. Weigeringsgronden 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: a. cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Zuidplas of volgens de in artikel 1.1 van de Jeugdwet genoemde woonplaats niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Zuidplas valt; b. de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; c. hulp of ondersteuning aan een jeugdige niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan gelden de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de beleidsregels indicatiestelling Wlz (zie toelichting bij de verordening); d. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is. Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3 jaar.
Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk; e. indien gebrek aan financiële draagkracht de reden is voor het doen van een aanvraag voor reguliere voorliggende voorzieningen, voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport.; f. indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 en zoals bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet; g. in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo 2015; h. in de gevallen, bedoeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid, en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet; i. indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven j.
voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die de belanghebbende vóór de melding heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij achteraf nog valt vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst adequate voorziening aan te merken valt; of voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale
13
2.
3. 4.
5. 6. 7.
afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. k. Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit. Het college verstrekt geen woonvoorziening: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. in of aan Wlz-instellingen, ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. voor zover het voorzieningen betreft in openbare en publieke gebouwen en in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen; d.
voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; e. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; f. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. g. voor zover het een voorziening betreft in het kader van de toegankelijkheid van de buitenruimte (tuin, balkon) als de buitenruimte voor cliënt reeds toegankelijk is via een andere toegang. Voor beschermd- en beschut wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer van huiselijk geweld. Voor maatschappelijke opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: a. een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; b. een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; c.
een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; d. er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; e. een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; f. de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt; g. er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in hoofdstuk 4 artikelen 46 t/m 51. Het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) wordt niet verstrekt als vervoersmogelijkheid van en naar de dagbestedingslocatie. In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij de aanvraag voor een vergoeding van ziekenvervoer vanuit de Zvw wordt afgewezen door zorgverzekeraar.
14
Artikel 12. Aanvraag van een maatwerkvoorziening 1. Een inwoner kan een aanvraag van een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan aan als aanvraag, als dit in het ondersteuningsplan door de cliënt is aangegeven. 3. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 kan ook via een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 4. In afwijking van het eerste t/m het derde lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Artikel 13. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb-verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. Het college kan in geval van een aanvraag in het kader van de jeugdwet afwijken van bovengenoemd artikel, in situaties waarin het reguliere regionaal gecontracteerde zorgaanbod niet toereikend en/of passend is, of de toepassing van de inkoopkaders leidt tot onredelijke of niet-beoogde gevolgen voor de inwoner of diens huisgenoten, naaste familieleden en directe naaste omgeving. Deze afwijking is slechts mogelijk indien sprake is van een aantoonbaar noodzakelijke ondersteuning die binnen het regionaal gecontracteerde aanbod onvoldoende beschikbaar of passend is. Afwijking is slechts toegestaan wanneer de inzet van zorg voldoet aan de volgende inhoudelijke vereisten: a. Perspectief: De duur van de geboden hulp is afgestemd op de individuele ondersteuningsbehoefte van de inwoner en diens directe omgeving/netwerk en is afhankelijk van de voortgang richting de gestelde doelen.
De doorlooptijd is proportioneel en doelgericht. De ondersteuning draagt aantoonbaar bij aan het perspectief van de inwoner. Dit perspectief is duidelijk omschreven. b. Kwaliteit: De aanbieder voldoet ten minste aan de regionale kwaliteitseisen zoals gesteld aan gecontracteerde aanbieders. De aanbieder toont dit aan met relevante documentatie, zoals geldige certificeringen (bijvoorbeeld HKZ of ISO), resultaten uit regionale contractmonitoring of inspectierapporten van de IGJ. 4. Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die: a. de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of b. de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 5.. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 14. Artikel 14. Beschikking maatwerkvoorziening 1. Het college maakt door middel van een beschikking zijn besluit kenbaar. Dit kan zowel een toewijzing als een afwijzing zijn.
15
2.
3.
4.
Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. wat de te verstrekken voorziening is; b. wat het beoogde resultaat daarvan is; c. wat de ingangsdatum en duur van de voorziening is; d. welke gecontracteerde aanbieder de voorziening verstrekt; e. wat het tarief is van beoogde voorziening per minuut/dagdeel/etmaal; f. de mogelijkheid tot beroep en bezwaar. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. waarom er voor het verstrekken van een pgb is gekozen en; b. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend en; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb en; d. wat de hoogte van het pgb is en; e. wat de duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
Hoofdstuk 3: Voorzieningen: Paragraaf 3.1 Jeugd Artikel 15. Algemene voorzieningen jeugd 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op jeugdhulpvoorzieningen. 2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3. In ieder geval zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: Informatie/advies voor jeugdige en ouder Opvoedondersteuning Algemeen Jeugd- en Jongerenwerk Jeugdgezondheidszorg Veilig Thuis Integrale crisisdienst Vertrouwenspersoon Kindertelefoon Schoolmaatschappelijk werk Kinderombudsman 4. Het college kan nadere regels vaststellen over welke andere, naast die in lid 3 genoemde, algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Artikel 16. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld: 1. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. 2.
Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet.
16
3.
4.
Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht vanuit de Jeugdwet. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs te komen tot een duidelijke analyse van het probleem met een daarbij passende oplossing voor de hulpvraag.
Artikel 17. Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld: 1. Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft: a. Ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige of; b. Omdat jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen door fysieke problemen of door zware regieproblemen. 2. Ondersteuning die gezien het voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de jeugdwet valt, betreft: a. Logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; b. Verblijf in een instelling op basis van een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; c. Vervoer naar en van een locatie voor Wet langdurige zorg. 3.
Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet. 4. Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een voorziening voor jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg. Artikel 18. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld: 1. Indien jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn: a. Hulpmiddelenzorg; b. Ziekenvervoer; c. Zintuiglijke gehandicaptenzorg. 2.
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, kent het college een maatwerkvoorziening toe. 3. Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.
17
4.
5.
Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als het onderdeel is van een integraal behandelplan en het een bewezen effectieve methodiek betreft.
Artikel 19. Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning is als volgt geregeld: als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dan is deze voorliggend op het verlenen van een voorziening op grond van de Jeugdwet. Artikel 20. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld: 1. Het college ziet erop toe dat de gemeentelijke toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële problematiek voor het slagen van preventie, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering vroegtijdig signaleren. 2. Het college ziet er daarnaast op toe dat jeugdigen en hun ouder(s) waar nodig de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. 3.
Het college ziet erop toe dat er voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie voor jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. Artikel 21. Maatwerkvoorzieningen jeugd 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht/eigen mogelijkheden; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg; d. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; e. met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; f. met gebruikmaking van een algemene voorziening; of g. met gebruikmaking van een andere voorziening dan in het kader van de Jeugdwet. De individuele voorziening stelt de jeugdige in staat gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Jeugdzorg plus; b. Jeugdbescherming; c. Jeugdreclassering; d. Forensische GGZ; e. Crisisdienst Jeugd; f.
Hoogspecialistische jeugdhulp g. Verblijf h. Ambulante hulp jeugd i. Dagbesteding jeugd
18
3.
4.
5.
6.
De volgende individuele voorzieningen worden zo kort als mogelijk ingezet en hebben in beginsel de volgende maximale duur en/of frequentie 1: a. Crisis verblijf: maximaal 3 maanden b. Jeugd-GGZ verblijf licht: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week c. Jeugd-GGZ verblijf zwaar: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week d. Jeugd-GGZ verblijf zonder overnachting: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week e. Groepsbehandeling plus: maximaal 12 maanden f. Logeeropvang regulier jeugd: maximaal 3 etmalen per week g. Logeeropvang intensief jeugd: maximaal 3 etmalen per week h. Deeltijd pleegzorg: maximaal 156 etmalen per jaar i. Individuele behandeling regulier: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week j. Individuele behandeling specialistisch: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week k. Onderwijs Opvang Voorziening: maximaal 6 maanden l. Multi-dimensionele Familie Therapie (MDFT): maximaal 18 maanden m. Groepsbehandeling regulier: maximaal 9 maanden n. Groepsbehandeling specialistisch: maximaal 9 maanden o. Specialistische GGZ: maximaal 24 maanden en maximaal 16.200 minuten p. Jeugd GGZ diagnostiek Ernstige Dyslexie: maximaal 15 sessies van 50 minuten q. Jeugd GGZ behandeling Ernstige Dyslexie: maximaal 60 sessies van 50 minuten r.
Dagbesteding doorlopend-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is. s. Dagbesteding doorlopend specialistisch-Jeugd: maximaal 1 jaar en maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is t. Dagbesteding ontwikkelgericht-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is. u. Onderwijsarrangement stage en dagbesteding jeugd: maximaal voor 2 jaar en maximaal 4 dagdelen, waarvan de gemeente Zuidplas maximaal 2 dagdelen per week bekostigt. De overige 2 dagdelen worden bekostigd door het samenwerkingsverband. Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a. Doelgroepen; b. Activiteiten; c. Perspectief; d. Intensiteit; e. Kwaliteit; f. Beoogd resultaat; en g. Vermelding productcode iJw.
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in het kader van de Jeugdwet, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening in het kader van de jeugdwet. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin
1
Maximale duur en/of frequentie volgen uit het handboek inzet zorg en ondersteuning van de GR&JW. Deze kan gewijzigd worden.
19
Artikel 22. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders en/of het sociale netwerk hier niet in kan voorzien: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; f. het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel 22a. Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vorm van jeugdhulp. 2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. Artikel 22b.