CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Bestemmingsplan 't Lage, Moordrecht, vaststelling Toelichting A21.002022

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 't Lage, Moordrecht19.638 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Om te bepalen of de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoet aan de eisen voor het beoogde gebruik (wonen) is een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest-, asfalt- en puinfunderingsonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 28 mei 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Verkennend bodemonderzoek Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:

• • •

De bodem onder het oostelijke puinpad is niet verontreinigd. Het zand en veen onder de aanwezige puinverharding onder het asfalt en rond de kleedkamers/kantine is licht verontreinigd met diverse zware metalen. In het zwak baksteenhoudende zand bij boring 213 (0,3 – 0,5 m-mv) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Bij de uitgevoerde boringen (301 t/m 330) ter bepaling van de ligging van en opbouw van de slootdempingen is geen afwijkende bodemopbouw waargenomen, wat kan duiden op (potentieel verontreinigd) dempingsmateriaal.

• • •

Het matig puinhoudende veen bij boring 401 (0,5 – 1,0 m-mv) is licht verontreinigd met PAK.

•

In alle grondwatermonsters zijn licht verhoogde concentraties barium vastgesteld; deze worden echter beschouwd als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. In het grondwater uit peilbuis

Het veen onder de kunstgrasvelden is licht verontreinigd met enkele zware metalen. Bij het onderzoek van de algemene bodemkwaliteit / overig terrein zijn in de bovengrond lichte verontreinigingen met enkele zware metalen aangetoond, respectievelijk geen verontreinigingen. In de ondergrond zijn eveneens plaatselijk lichte verontreinigingen met zware metalen aangetoond, respectievelijk geen verontreinigingen.

25

402 aan de zuidzijde van de kunstgrasvelden is tevens sprake van matig tot sterk verhoogde concentraties van enkele PAK. Aan de noordzijde (peilbuis 401) is sprake van een licht verhoogde concentratie van fenanthreen. Op basis van de onderzoeksresultaten is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) bevestigd vanwege de aangetoonde verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. De matig tot sterk verhoogde concentraties aan PAK in het grondwater uit peilbuis 402 vormen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader onderzoek. De aangetoonde verhoogde gehalten van de overige stoffen zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Het aanvullende onderzoek naar de verhoogde concentraties aan PAK in het grondwater dient voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling uitgevoerd te worden. Verkennend asbestonderzoek In inspectiegat 208 is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen in de fractie > 20 mm, wat na analyse asbesthoudend blijkt. In de fijne fractie (<20 mm) is geen asbest aangetoond. Uit de berekening van het totale asbestgehalte blijkt dat het totale gewogen asbestgehalte ca. 64 mg/kgds bedraagt.

Dit is lager dan de interventiewaarde, maar hoger dan de waarde van 50 mg/kgds waarboven de uitvoering van een nader onderzoek noodzakelijk is. Echter omdat bij het onderzoek in de andere graafgaten geen asbestverdachtmateriaal is aangetroffen in de grove fractie, heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland aangegeven dat nader onderzoek naar asbest in puin niet noodzakelijk is. Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is voor het overige zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. Asfalt- en puinfunderingsonderzoek Uit het uitgevoerde asfaltonderzoek blijkt dat het asfalt niet-teerhoudend is en derhalve geschikt is voor recycling. Uit het indicatieve onderzoek van het puin blijkt dat het puin voldoet aan de eisen voor nietvormgegeven bouwstoffen en dus geschikt is voor hergebruik. Conclusie Voorafgaand aan de ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar de verhoogde concentraties aan PAK in het grondwater uitgevoerd te worden. Aanvullend onderzoek naar asbest wordt niet noodzakelijk geacht. In het kader van het bestemmingsplan is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende onderzocht. De bodemkwaliteit vormt op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaren voor de bestemmingsplanwijziging.

4.3 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de

26

minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van 85 woningen. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De omgeving van het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een mix van functies, zoals wonen, sport, maatschappelijk. Echter wordt met de voorgenomen ontwikkeling de sportfunctie weggenomen. De maatschappelijke functie ten oosten van het plangebied is reeds gewijzigd naar een woonfunctie. Daarmee heeft de omgeving in de toekomstige situatie voornamelijk een woonfunctie. Volgens de VNGpublicatie kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als een 'rustige woonwijk'. In de navolgende tabel staat een overzicht van de milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied weergegeven. Activiteit

SBI2008

Adres

Milieucategorie (maximaal toegestaan)

Richtafstand 'rustige woonwijk'

Autobedrijf gericht op de reparatie en onderhoud

451, 452, 454

Meester Lallemanstraat 131

2

30 m

Minimale afstand tot de woningen (m) 100 m

Autobedrijf Op het perceel Meester Lallemanstraat 131 geldt de bestemming 'Gemengd', waar bedrijven binnen de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten. Ter plaatse is een onderhoudsbedrijf gevestigd, passend binnen categorie 2. Met een afstand van ca. 100 m tot de beoogde woningen wordt er ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand. Verder moet worden nagegaan of de beoogde ontwikkeling milieubelastende activiteiten omvat. In onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van uitsluitend een woonfunctie en worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

27

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 85 woningen. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een gevoelige functie. Voor het toevoegen van een dergelijke functie binnen de onderzoekszone van een weg, spoorweg of geluidsgezoneerd industrieterrein moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Het plangebied is niet gelegen in de buurt van het spoor of een geluidsgezoneerd industrieterrein. Op ca. 1,75 km van het plangebied ligt de snelweg A20, die een onderzoekszone van 600 m heeft en op een afstand van ca. 1,4 km ligt een spoorlijn. De aangrenzende wegen betreffen 30 km/uur-wegen: deze zijn niet onderzoeksplichtig. Ook zijn er, gelet op de relatief lage intensiteiten, geen aanwijzingen dat een goed woon- en leefklimaat hier in het geding is Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeer-, spoorweg- of industrielawaai is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Externe veiligheid Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10 -6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich

28

binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. In de ‘Visie Externe Veiligheid’ van de gemeente Zuidplas (maart 2011) is per gebiedstype aangegeven hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen. Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op) Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2021) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd? Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen:

• • • • • •

afstand houden tot de risicobron; risicocommunicatie; beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe ‘zeer kwetsbare gebouwen’, zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz..).

De kern is dat het bevoegd gezag veiligheid, veel meer dan nu het geval is, meeneemt als ontwerpvariabele in de planvorming. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart (globale ligging plangebied: zwarte cirkel)

29

Transportroutes voor gevaarlijke stoffen De A20 en het spoor Rotterdam – Gouda zijn hoofdtransportroutes en vallen onder het landelijke Basisnet weg en spoor. Over deze routes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De afstand bedraagt voor beiden meer dan 1.500 meter. Het explosieaandachtsgebied voor weg en spoor is 200 meter. Het plangebied is dus ruim buiten deze aandachtsgebieden gelegen. Op deze afstand is alleen het scenario relevant waarbij er giftige stoffen vrijkomen bij een incident op de weg of spoor. Onder de juiste (weers)omstandigheden kan dit effect hebben op het plangebied. In dit kader is het relevant dat de woningen worden uitgevoerd met de mogelijkheid om de mechanische ventilatie handmatig uit te zetten, zodat wordt voorkomen dat bij een incident giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit wordt ook een verplichting vanuit het ‘Besluit bouwwerken leefomgeving’ (vierde lid van artikel 4.124 Bbl) onder de Omgevingswet. Risicovolle inrichtingen Op grote afstand van het plangebied zijn meerdere propaantanks gelegen. Gezien de afstand tot het plangebied leveren deze propaantanks geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich zwembad de Baan op een afstand van ca. 1 km. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied of aandachtsgebied van deze inrichting. Buisleidingen Op een afstand van ca.

340 m van het plangebied liggen twee hogedruk aardgasleidingen van de Gasunie. Daarmee is het plangebied gesitueerd in het brandaandachtsgebied (1% letaliteitszone) van de volgende hogedruk aardgasleidingen:

• •

A-803: diameter 48 inch, 80 bar druk A-553: diameter 36 inch, 66 bar druk

Binnen het aandachtsgebied moet rekening worden gehouden met externe veiligheid voor nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen (art. 5.15 ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’) in 3 stappen: 1. 2. 3.

Afstand houden van het aandachtsgebied Waarderen al bestaande bescherming Overwegen aanvullende bescherming

In dit geval gaat het om nieuwbouw van 85 woningen. Dit zijn ‘kwetsbare gebouwen’ conform de definitie van het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’ (bijlage VI). Hieronder worden de 3 stappen behandeld aan de hand van het ingewonnen advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden. 1. Afstand houden van het aandachtsgebied Het plangebied is volledig gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de hoge druk gasleidingen. Bij het ontstaan van een breuk in een hogedruk aardgasleiding kan een fakkelbrand ontstaan. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Echter is de kans op een dergelijk incident zeer klein en zijn er preventieve maatregelen genomen. Op een grotere afstand van de buisleiding bouwen is in onderhavig geval niet mogelijk. 2. Waarderen al bestaande bescherming De kans op een breuk van een hogedruk aardgasleiding is afhankelijk van diameter, wanddikte, druk, type materiaal en kerfslagwaarde. De kans op een breuk van de aardgasleiding is vanwege de al getroffen maatregelen klein. 3. Overwegen aanvullende bescherming Bij stap 3 zijn er een aantal substappen:

30

3a. Binnen aandachtsgebied afstand houden Het plangebied is volledig gelegen binnen het brandaandachtsgebied. Meer afstand tot de buisleiding is niet mogelijk. 3b. Aanvullende risicocommunicatie De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Daarom is het nodig dat binnen aandachtsgebieden aanvullende risico- en crisiscommunicatie wordt georganiseerd. Het plangebied ligt binnen het brandaandachtsgebied maar de kans op een incident is klein. Ondanks dat gegeven kunnen de bewoners aanvullend worden geïnformeerd over het scenario van een fakkelbrand bij de gasleiding en de verschillende handelingsperspectieven. Voor een snelle en effectieve waarschuwing tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen is het van belang dat een waarschuwingssysteem de mensen in het effectgebied kan bereiken (NL-Alert, WAS palen). Er wordt geadviseerd om de rookmeldersdichtheid in de woningen te verhogen. Tevens wordt geadviseerd om de woningen te voorzien van een mechanische ventilatie die met één druk op de knop uitgeschakeld kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van een schakelaar of een stekker op een goed bereikbare plek. 3c. Beperken aantal aanwezige personen Met de ontwikkeling worden 85 nieuwe woningen mogelijk gemaakt.

Inperking van het aantal woningen is gelet op de omvang van het plangebied niet wenselijk en geen optie. 3d. Voldoende vlucht- en schuilmogelijkheden Er worden geen woningen gerealiseerd voor kwetsbare personen. Uitgaande van zelfredzame personen is de ontvluchting vanuit het plangebied naar de openbare weg voldoende mogelijk. 3e. Omgevingsmaatregelen Ondanks dat het plangebied binnen het brandaandachtsgebied gelegen is worden er, gelet op de aanzienlijke afstand en de mogelijkheden tot ontvluchting, geen omgevingsmaatregelen genomen. 3f. Meerwaarde aanvullende bouwmaterialen Er wordt geadviseerd om geen brandgevaarlijke daken of brandbare isolatiematerialen te gebruiken. Bij het gebruik van mechanische ventilatie voor de woningen of appartementen wordt geadviseerd dat deze met één druk op de knop uitgeschakeld kan worden. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen worden beperkt. Daarnaast worden rookmelders geadviseerd voor een tijdige alarmering. Op 14 april 2020 heeft de Veiligheidsregio Holland Midden een advies gegeven op het aspect externe veiligheid. Dit advies in als bijlage bij dit bestemmingsplan toegevoegd (Veiligheidsregio Hollands Midden, 14 april 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). In het kader van de omgevingsvergunning zal het advies van de Veiligheidsregio Holland Midden gevolgd worden.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er voldoende mogelijkheden zijn voor het schuilen binnen de woningen of het ontvluchten van het plangebied bij een mogelijk incident. Daarnaast is de kans op een incident zeer klein. Gesteld kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

31

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen.

Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De ontwikkeling van 85 woningen kan gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBMproject. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.

32

Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 19 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Tevens worden de advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) niet overschreden. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie B.V., 27 april 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.

Gelet op de aard van de ingreep, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden middels een AERIUS-calculatie. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

33

Aanvullend onderzoek vleermuizen Uit de quickscan flora en fauna is gebleken dat de planlocatie mogelijk geschikt is voor vleermuizen. Om die reden is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (Regelink ecologie & landschap, 4 november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit het aanvullende onderzoek blijkt dat het beoogde project niet leidt tot een verlies van essentieel leefgebied en verblijven van vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen zijn uitgesloten. Om lichtverstoring voor overvliegende en/of foeragerende vleermuizen te voorkomen kan de volgende maatregel genomen worden:

•

Richt in de periode maart t/m oktober geen continue lichtbron op de werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst.

Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Voor de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Buro SRO, 23 oktober 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). In deze berekening zijn zowel de gebruiksfase als de bouwfase meegenomen. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er voor de gebruiksfase en bouwfase geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden is.

Een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologische beleidsadvieskaart Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologie beleid opgesteld. De archeologische beleidsadvies kaart is afgeleid uit de archeologische verwachtingskaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en uitgevoerde onderzoeken is deze kaart aan verandering onderhevig en hebben diverse actualisaties plaatsgevonden.

Het meest recente geactualiseerde archeologiebeleid is vastgelegd in de in juni 2017 opgestelde nota “Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Zuidplas”, dat als aanvulling op de in 2010

34

vastgestelde beleidsnota gezien dient te worden. In januari 2018 zijn nog enkele redactionele wijzigingen aan deze nota aangebracht. Op 6 maart 2018 is het paraplubestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie' vastgesteld. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid, waarbij de vastgestelde archeologische beleidskaart de basis vormt voor de bij deze parapluherziening behorende verbeelding. Aan de hand van de archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Het gemeentelijk archeologisch beleid voorziet in vier categorieën, met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria. Planspecifiek Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie'. De gronden van het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij werkzaamheden groter dan 1000 m² en dieper dan 3 m -Mv. Gezien de bestemmingsplanwijziging is een waardestelling van het terrein noodzakelijk en is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, 1 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6).

Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van resten uit het Laat-Mesolithicum – Vroeg-Neolithicum. Dit is gebaseerd op het vermoedelijk voorkomen van oever- of crevasse-afzettingen van de Gouderak en Zuidplas stroomgordels. Na het inactief worden van deze stroomgordels (vanaf circa 4450 v. Chr.) heeft onafgebroken veengroei plaatsgevonden in het gebied. Gedurende de Nieuwe Tijd is het veen tot onder het grondwater afgegraven voor turfwinning, waarna de Zuidplas is ontstaan. Deze is tussen 1825 en 1840 drooggemaakt en ingepolderd. Sindsdien maakt het plangebied deel uit van de Zuidplaspolder. Gezien de ligging in een veengebied en veenplas en het ontbreken van bebouwing op historisch kaartmateriaal vanaf de drooglegging van de polder geldt een lage verwachting op het aantreffen van resten uit het Midden-Neolithicum – Nieuwe Tijd. Op basis van het booronderzoek kan de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld. Er zijn geul- en beddingafzettingen van de Gouderak en Zuidplas stroomrug aangetroffen tussen 290 en 370 cm Mv (8,3 – 9,2 m -NAP). Deze zijn afgezet onder invloed van stromend water en worden daarom niet bewoonbaar geacht. Bewoonbare oever- of crevasse-afzettingen ontbreken. De geulafzettingen zijn afgedekt met een pakket veen en recent opgebracht zand en grind.

Op basis van het ontbreken van bewoonbare (archeologisch relevante) niveaus kan de verwachting voor de periode Laat-Mesolithicum – VroegNeolithicum naar beneden worden bijgesteld. De lage verwachting voor het Midden-Neolithicum – Nieuwe Tijd kan worden gehandhaafd. Conclusie Op basis van het archeologisch vooronderzoek geldt een lage archeologische verwachting. Om die reden wordt in dit bestemmingsplan geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet artikel 5.10 bij de gemeente dienen te worden gemeld.

4.9 Waterparagraaf 4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen,

35

voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterplan Zuidplas Het waterplan, een gezamenlijk project van de gemeente Zuidplas en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, is opgesteld om maatregelen te nemen die zorgen voor droge voeten en een goede waterkwaliteit in de gemeente Zuidplas. Dat laatste is belangrijk voor de in en om het water levende planten en dieren, de landbouw en het recreatief medegebruik. Het waterplan heeft als resultaat een gezamenlijke visie en de uitwerking van de visie tot een concreet maatregelenprogramma met hierin een tijdsplanning, kostenraming en kostenverdeling. Ook de ruimtelijke consequenties van het waterbeleid worden aangegeven in het waterplan. In het waterplan wordt ingegaan op de bouwstenen: waterkwantiteit, waterveiligheid, waterketen en riolering, grondwater, oppervlaktewater en ecologie, beheer en onderhoud stedelijk water, waterbeleving en recreatie en water en Ruimtelijke Ordening. Watertoets De watertoets omvat het afstemmingproces tussen de planontwikkelaar en de waterbeheerder. Het doel van deze afstemming is het element water een volwaardige plek te geven bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Dit is nodig om eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding te voorkomen en kansen voor een betere waterhuishouding te benutten. De meest belangrijke onderdelen van de watertoets zijn: een advies van de waterbeheerder bij ruimtelijke ontwikkelingen en een waterparagraaf.

4.9.2 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 'Met mensen en water' Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is waterbeheerder in het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer, Gouda en Schoonhoven. In het waterbeheerplan worden de ambities en doelen voor de periode 2016-2021 weergeven. Het streven is het watersysteem zo goed mogelijk geschikt te

36

houden voor alle functies. Daarnaast is er aandacht voor de aantrekkelijkheid van het woon- en leefgebied voor alle gebruikers. De hoofddoelen van het beheer zijn:

• •

•

•

Waterveiligheid: beschermen van burgers en bedrijven tegen overstromingen middels stevige dijken. Watersysteem: het duurzaam en slim besturen, beheren en onderhouden van het samenhangende systeem van watergangen en kunstwerken. Een optimaal waterpeil, voldoende water van goede kwaliteit en goed onderhouden sloten, vaarten en plassen zijn hierbij van belang. Geanticipeerd dient te worden op klimaatverandering en bodemdaling en ruimtelijke ontwikkelingen. Op gebiedsniveau wordt samengewerkt met andere partijen aan integrale oplossingen voor de verschillende wateropgaven. Afvalwaterketen en emissies: efficiënt en gebruiken van afvalwaterzuiveringsinstallaties en transportsystemen ten behoeve van maatschappelijke winst in de vorm van energieterugwinning en kostenbesparing. Met optimalisatie en innovatie van de zuiveringsprocessen wordt ingezet op duurzaamheid. Wegen: bijdragen aan een betrouwbaar netwerk binnen de regio Midden-Holland middels veilige, doelmatig onderhouden wegen.

Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoename is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. 2. 3.

Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak

Keur en Beleidsregels Op grond van de Waterwet is van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;

Maar ook aan:

• •

Onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning

37

aanvragen bij hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Planspecifiek Watercompensatie Het voorliggende plan valt onder de categorie 'Middelgrote plannen'. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Door middel van de volgende berekening kan de benodigde watercompensatie bepaald worden: Netto norm (%) = bruto norm (%) * oppervlakte plangebied (m²) / oppervlakte verhardingstoename (m²). Om de toename van de verharding en de benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld. De navolgende tabel toont de verhardingsbalans voor het project.

Verhardingsbalans (bron: Adcim)

In totaal wordt er 7.252 m² aan verharding toegevoegd. Daarvan dient 15% gecompenseerd te worden, wat neerkomt op 1.088 m² aan oppervlaktewater. Naast het toevoegen van verharding dient er ook rekening gehouden te worden met het graven en/of dempen van water. De navolgende tabel toont het wateroppervlak in de bestaande en nieuwe situatie. Water Bestaande situatie Nieuwe situatie Toename

788 m² 1.142 m² 354 m²

38

Met de ontwikkeling wordt 354 m² aan nieuw oppervlaktewater toegevoegd. Dit is niet genoeg om te voldoen aan de benodigde watercompensatie. Er dient nog eens (1.088 - 354 m²) 734 m² waterberging plaats te vinden. De overige watercompensatie vindt plaats door middel van alternatieve berging zoals wadi's. Er wordt gerekend met een maximale hoogte van 40 cm, gelijk aan de maximale peilsteiging en is 294 m³ aan waterberging nodig. De navolgende tabel toont de benodigde afmetingen van de wadi's.

Afmetingen wadi's (bron: Adcim)

Het aanpassen van de maximale stijfhoogte in de wadi's zal samen met het vergroten van enkele wadi's en watergangen leiden tot voldoende berging om aan de watercompensatie te voldoen. Daarnaast is er een vrijstelling van 500 m² aan toename van verharding. Er komt een totale berging van 316 m³ beschikbaar, waardoor er een 'overschot' van 22 m³ is. Waterafvoer Het voornemen is om de nieuwe woningen aan te sluiten op een gescheiden rioleringsstelsel, waarbij het afvalwater aangesloten wordt op het gemeentelijk rioolstelsel. De hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem en afgevoerd naar de naastgelegen watergangen. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard blijkt dat er binnen en in de directe omgeving geen regionale en/of primaire waterkeringen aanwezig zijn. Conclusie Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan

39

de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt Planspecifiek Voor het aspect verkeer is door de gemeente Zuidplas een memo opgesteld met de bestaande en nieuwe verkeerssituatie in Moordrecht (Gemeente Zuidplas, 6 april 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Binnen de gemeente Zuidplas staat verkeersveiligheid hoog op de agenda, zowel bij bestaande situaties als bij nieuwe ontwikkelingen. Hierin staat de gemeente niet alleen. Er wordt nauw samengewerkt met de politie, de lokale afdeling van Veilig Verkeer Nederland en bewoners om het veiliger te maken op de weg. Door goede wegen aan te leggen, maar bijvoorbeeld ook door educatie. Kwetsbare weggebruikers, denk aan scholieren, senioren en fietsers, worden beschermd.

De gemeente pakt mensen die zich asociaal gedragen in het verkeer uiteraard aan en daarbij wordt gestreefd naar minder verkeersslachtoffers. Momenteel spelen er veel ontwikkelingen binnen de dorpen van Zuidplas. Uiteraard moeten de ontwikkelingen goed op elkaar worden afgestemd en hierbij moet er aandacht zijn voor de leefbaarheid en verkeersveiligheid binnen de bestaande wijken en infrastructuur. Het lastige bij nieuwe ontwikkelingen is dat verkeer zich moeilijk laat geleiden en dat het daarmee ook altijd een inschatting blijft van de gevolgen van een ontwikkeling. Bestaande verkeerssituaties worden echter structureel gemonitord. Er worden tellingen verzameld om inzicht te krijgen in de hoeveelheid, samenstelling en snelheid van het verkeer. Op basis van deze uitkomsten wordt ingeschat hoe de verkeerssituatie functioneert en of maatregelen benodigd zijn. Deze informatie wordt ook gebruikt als input voor een onderbouwing van een eventuele nieuwe ontwikkeling. Huidige situatie Moordrecht Het verkeersmodel 2030 (zie navolgende afbeelding) laat zien dat er geen straten zijn waar problemen op gaan treden. De Middelweg richting de A20 is relatief druk met 6500 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm), dit is logisch aangezien dit de enige ontsluitingsweg is vanuit het dorp richting de snelweg.

40

Verkeersmodel 2030 Moordrecht (bron: gemeente Zuidplas)

't Lage Door de verplaatsing van VV Moordrecht komt er ruimte beschikbaar voor een ontwikkeling met woningen. In het voorgenomen plan worden 85 woningen gerealiseerd. De navolgende tabel geeft de bijbehorende verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-publicatie 381. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk'. Programma Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis, twee-onder-éénkap Koop, huis, vrijstaand Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) Huur, huis, sociale huur Totaal

Aantal woningen 40 6

Gemiddelde verkeersgeneratie per woning 7,2 7,8

Totale verkeersgeneratie 288,0 46,8

2 27

8,2 3,6

16,4 97,2

10 85

4,9 -

49,0 497,4

De totale verkeersgeneratie die de ontwikkeling van de 85 woningen met zich meebrengt bedraagt ca. 500 voertuigbewegingen per etmaal. In het drukste spitsuur betekent dit een toename van ca. 50 voertuigbewegingen dat zich via de wijk ontsluit op de Middelweg. De ontsluiting van de nieuwe woonwijk is voorzien via de huidige infrastructuur op de Sportlaan en Stevenstraat richting de Middelweg (en dan vervolgens linksaf richting A20 of rechtsaf richting dorp). Daarnaast zal een beperkt aandeel zal via de Mr Lallemanstraat richting de West Ringdijk rijden.

41

Naast de ontwikkeling op ‘t Lage zijn er nog een aantal kleinschalige ontwikkelingen in Moordrecht. De oude scoutinglocatie wordt ontwikkeld, hier worden 12 appartementen gerealiseerd. De verkeersgeneratie voor deze ontwikkeling bedraagt circa 72 voertuigbewegingen per etmaal. Een andere ontwikkeling is de realisatie van vier woningen op de Sjaloomlocatie. De verkeersgeneratie voor deze ontwikkeling bedraagt circa 24 voertuigbewegingen per etmaal. De ontsluiting van deze woningen is rechtstreeks op de 4e Tochtweg. Conclusie De verkeersintensiteiten in Moordrecht blijven ook met de extra verkeersgeneratie van de ontwikkelingen acceptabel. Ook tijdens de spits ontstaan er geen problemen, de verkeerstoename in de spits is dermate laag (ca. 500 voertuigbewegingen per etmaal = ca. 50 voertuigbewegingen per etmaal in het drukste spitsuur), dat deze toename verwaarloosbaar is ten opzichte van huidige situatie. De verkeersintensiteiten, incl. de extra verkeerstoename als gevolg van de reeds bekende ontwikkelingen, blijven ruim binnen de normen die gelden voor een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Zuidplas heeft op 5 november 2019 de 'Nota Parkeernormen 2019' vastgesteld. Deze nota vervangt de Beleidsnota Parkeernormen uit 2013. Er is rekening gehouden met de nieuwe parkeerkencijfers van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW).

Bovendien zet de nieuwe nota in op meer flexibiliteit in de toepassing van kencijfers en parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroep specifieke normen. Planspecifiek In verband met de beoogde ontwikkeling van de woonwijk is een parkeeronderzoek uitgevoerd (Datacount, 23 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). In dit onderzoek is een in januari 2021 uitgevoerd parkeeronderzoek aangevuld. Het betreft een tweetal ontwikkelingen: 1. 2.

uithuizing Voetbalvereniging Moordrecht en de Duivenvereniging; Hier wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd (‘t Lage) met 85 woningen. uithuizing scouting (Stevensstraat) en het realiseren van een appartementencomplex met 12 kleine appartementen.

In de huidige situatie zijn in het gebied de voetbalvereniging Moordrecht en de Duivenvereniging aanwezig. Bij de voetbalvereniging zijn 36 plaatsen aanwezig, welke bij de ontwikkeling van de woonwijk zullen vervallen. Doordat de voetbalvereniging en duivenvereniging echter ook verdwijnen, heeft dit geen consequenties voor de vraag rondom ’t Lage. Met de ontwikkeling van 't Lage worden 37 huurwoningen, 40 koopwoningen in rijvorm en 8 koopwoningen in andere vorm (6 twee-onder-één-kap en 2 vrijstaand) gerealiseerd. Voor deze woningtypes zijn respectievelijk de normen van 2,0, 2,6 en 2,6 parkeerplaats per woning van toepassing, welke uiteenvallen

42

in respectievelijk 1,7, 2,3 en 2,3 voor het bewonersaandeel en 0,3 voor het bezoekersaandeel. In de navolgende tabel staat de parkeerbehoefte weergegeven. Type woning Woningen, bewoners Woningen, bezoekers Woningen, bewoners Woningen, bezoekers Woningen, bewoners Woningen, bezoekers Totaal, bewoners Totaal, bezoekers Subtotaal

Toelichting Huur

Norm p.e 1,7

Aantal 37

Uitgangswaarde 62,9

Huur

0,3

37

11,1

Koop, rij

2,3

40

92

Koop, rij

0,3

40

12

Koop, 2/1 en 1

2,3

8

18,4

Koop, 2/1 en 1

0,3

8

2,4

-

-

-

173,3 25,5 198,8

De ontwikkeling van 't Lage zorgt voor een parkeervraag van 199 parkeerplaatsen. Met de ontwikkeling worden in totaal 199 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er worden 22 parkeerplaatsen op het eigen terrein, 38 op ter plaatse van het schaatsbaantje en de resterende 139 parkeerplaatsen worden in de openbare ruimte binnen het plangebied gerealiseerd. De navolgende afbeelding toont de parkeerplaatsen in het plangebied.

Beoogde parkeerplaatsen (bron: IMOSS)

Naast het bepalen van de parkeerbehoefte vanwege de ontwikkeling is met het parkeeronderzoek de parkeerdruk in de omgeving bepaald. De navolgende afbeelding toont de afbakening van het onderzoek naar de parkeerdruk in de omgeving, waarbij 'appartementencomplex' betrekking heeft op de geplande woningbouw ter plaatse van Scouting Moordrecht aan de Stevensstraat.

43

Afbakening onderzoek parkeerdruk in de omgeving (bron: DataCount, 23-09-2021)

In theorie bestaat bij ontwikkelingen de mogelijkheid om gebruik te maken van al aanwezige parkeercapaciteit in de omgeving van de ontwikkeling. In dit geval is dit niet nodig, gezien de parkeervraag al volledig opgelost wordt in het plan. Om echter alsnog vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen in de huidige situatie gebruikt zouden kunnen worden rondom de ontwikkelingen, vóórdat de toegestane grenswaarde van 85% bezetting bereikt wordt, is de volgende navolgende tabel opgesteld, waarin het drukste moment is afgezet tegen de maximale toegestane druk.

44

Tabel parkeerdruk (bron: DataCount, 23-09-2021)

Het onderzoek wijst uit dat voor het totale gebied, op het drukste moment, nog 84 vrije parkeerplaatsen beschikbaar zouden zijn om te gebruiken, voordat de drempelwaarde wordt bereikt. Voor de losse gebieden zijn dat respectievelijk 63 plaatsen voor de woonwijk en 47 plaatsen voor het appartementencomplex aan de Stevensstraat. Aangezien deze echter in een overlappend gebied vallen, zijn gezamenlijk in totaal nog 84 plaatsen beschikbaar. Het totale gebied bevat momenteel de ruimte voor 84 extra parkeerders, zonder dat de grenswaarde van 85% bezetting bereikt wordt. In de nieuwe situatie dient het huidige aanbod van parkeerplaatsen echter verrekend te worden, omdat deze plaatsen verdwijnen/vervangen worden door nieuwe/andere plaatsen. In onderstaande overzicht wordt de situatie samengevat met de bijbehorende mogelijkheden:

•

De nieuwe ontwikkelingen creëren samen een vraag van 223 plaatsen in een grotendeels overlappend gebied. Hiervoor zijn momenteel 218 plaatsen gepland.

•

Het huidige gebied heeft volgens alle metingen een maximale vraag van 365 plaatsen, terwijl er 529 plaatsen aanwezig zijn.

• • •

Na ontwikkeling zijn er in het huidige gebied 529 – 36 + 218 = 711 plaatsen beschikbaar.

•

In theorie zouden er daarmee 16 plaatsen minder gerealiseerd kunnen worden in de ontwikkelingen.

De drempelwaarde ligt daarmee op 604 bezette plaatsen, om onder de 85% bezetting te blijven. De verwachte maximale vraag is 223 + 365 = 588 plaatsen. Dit levert een bezettingspercentage van 83% op. Hiermee is in theorie alsnog een aanvullende belasting van 16 bezette plaatsen mogelijk zonder de grens van 85% te overschrijden.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling van de 85 woningen.

4.11 Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit de WOll-tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is dan ook niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Uit onderzoek naar NGE blijkt dat er geen belemmering is voor het voorgenomen initiatief.

45

4.12 Duurzaamheid Het belangrijkste doel uit het Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderd ten opzicht van 1990. In 2050 is de uitstoot van broeikasgassen zelfs met 95% afgenomen. Om de klimaatdoelen voor 2030 te behalen moet het tempo van verduurzaming omhoog. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10872207/1