CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Herstelbesluit Bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1–Waterstructuurplan A24.002081

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Herstelbesluit Bestemmingsplan Middengebied21.003 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tabel 2.4 Invoer waterkwaliteitsgegevens

verhard

Ptot (mg/l)

Chloride (mg/l)

Bron

0,3

40

landelijk gemiddelde (Regenwaterdatabase)

kwel

2,0

250

gemiddelde van metingen diep grondwater ter hoogte van Westergouwe. Voor Chloride hoger ingeschat (was bij Westergouwe 100) 1

uitspoeling (+afstroming)

0,5

50

tabel 2 van Alterra 2008: natte kleibodem, uitgaande van landbouwgrond

ringvaart (zomergemiddelde)

0,18

175

https://www.schielandendekrimpenerwaard.nl/kaart/ ActueleMetingen/ MP S_0060 (zgm)

westelijk agrarisch gebied

0,70

105

https://www.schielandendekrimpenerwaard.nl/kaart/ ActueleMetingen/ MP S_0639 (jgm)

De meetpunten voor de waterkwaliteit zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

1

De gemeente Zuidplas heeft het onderzoek in gang gezet om de waterkwaliteit van diep grondwater te meten in het plangebied. De parameters die onder andere worden gemeten zijn chloride en fosfor.

30 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 2.8 Meetpunten waterkwaliteit die zijn gebruikt als input voor de waterbalans

Invoer gegevens PCDitch PCDitch berekent de kritische belasting voor een watersysteem op basis van de systeemkenmerken bodemtype, waterdiepte en debiet. Als debiet is het langjarig gemiddelde debiet dat door de waterbalans is berekend gebruikt. Voor alle peilgebieden is in deze analyse uitgegaan van een kleibodem. De kritische grens is berekend voor een gemiddelde waterdiepte van zowel 50 cm als 70 cm. Dit omdat de kritische grens erg gevoelig is voor de waterdiepte, en de gemiddelde waterdiepte niet precies bekend is en deze in de verdere uitwerking nog kan worden bepaald. Een gemiddelde waterdiepte van 50 cm leidt tot een stabielere waterkwaliteit dan een diepte van 70 cm1. De waterdiepte is medebepalend voor de hoeveelheid licht die doordringt tot de waterbodem en daarmee de ontwikkeling van waterplanten Voor deze studie is het metamodel van PCDitch gebruikt2. Het metamodel gaat uit van een situatie waarin fosfor het limiterende nutriënt is (stikstof N : fosfor P ratio van 34).

1

Hierbij is het van belang te realiseren dat het gaat om gemiddelde waterdiepte. In het midden zijn watergangen dieper en aan de oevers ondieper.

2

Online beschikbaar op: https://digitalsolutions.witteveenbos.com/kwaliteit-van-leven/schoon-water/pcditch-metamodel.

31 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

3 RESULTATEN VARIANTENSTUDIE

3.1

Water- en stoffenbalans

In deze paragraaf zijn de resultaten van de water- en stoffenbalans weergegeven voor de onderzochte varianten. Eerst wordt een toelichting gegeven over de waterkwantiteit, aan de hand de berekende waterpeilen en in- en uitstroming. Daarna worden de inzichten wat betreft de waterkwaliteit (nutriëntenbelasting) toegelicht.

3.1.1

Waterkwantiteit

Fluctuatie waterpeil in het Energielandschap (en Vierde Tocht) Op het gebied van waterkwantiteit is in het Energielandschap een verschil te zien tussen variant 1 en varianten 2A-B-C (afbeelding 3.1 en 3.2). Hierin is het belangrijk te realiseren dat de Vierde Tocht in variant 1 onderdeel is van hetzelfde peilgebied als het Energielandschap, maar in varianten 2-A-B-C niet. Ondanks een iets hoger streefpeil in variant 1, is de kwelflux in variant 1 iets hoger dan in varianten 2-A-B-C. Dit wordt veroorzaakt door de wellen in de Vierde Tocht. Daarbij ontvangt het Energielandschap in variant 1 het wateroverschot uit de Watertuinen en het Dorp, evenals de incidentele afvoer uit het noordwestelijk gebied. In variant 2 wordt dit water niet op het Energielandschap ingelaten, waardoor het peil af en toe uitzakt. De bijdrage van de verschillende inlaatbronnen bij 30 cm flexibel peilbeheer is weergeven in afbeelding 3.4. Omdat het peil in beide varianten weinig uitzakt, is er in het energielandschap weinig inlaat nodig. Tussen flexibel peilbeheer van 30 cm (afbeelding 3.1) en flexibel peilbeheer van 50 cm (afbeelding 3.2) is in het Energielandschap dan ook weinig verschil zichtbaar.

Afbeelding 3.1 Het berekende waterpeil in het Energielandschap in variant 1 (links) en in varianten 2-A-B-C (rechts) bij flexibel peilbeheer van 30 cm. In variant 1 is het peil constant en is alleen een kleine verandering te zien in de droge zomer van 2018. In varianten 2-A-B-C zakt het peil gedurende droge periodes uit

32 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.2 Het berekende waterpeil in het Energielandschap in variant 1 (links) en in varianten 2-A-B-C (rechts) bij flexibel peilbeheer van 50 cm. Alleen in de zomer van 2018 zakt het peil in varianten 2-A-B-C iets verder uit vergeleken met de situatie bij 30 cm flexibel peil

Bij variant 1 moet wel de kanttekening worden geplaatst dat er via het gemaal een constante aanvoer van water is. In werkelijkheid is dit incidenteel. Daarmee geeft deze variant een onderschatting van de peilfluctuatie. Echter uit simulaties zonder inlaat blijkt dat door de kwel bij variant 1 ook nauwelijks inlaat nodig is indien er geen afvoer via het gemaal plaats vindt. Wel is de variatie in waterstanden dan groter. Het resultaat van deze simulatie is weergeven in afbeelding 3.3.

Afbeelding 3.3 Waterstandfluctuatie Energielandschap bij Variant 1 indien geen afvoer uit het noordwestelijk gebied plaatsvindt

33 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

In de onderstaande afbeeldingen is de herkomst van het water weergegeven. Hier is een duidelijk verschil te zien tussen varianten 1 en 2-A-B-C. Bij variant 1 is door de afvoer uit het Dorp en het noordwestelijk gebied sprake van aanzienlijk hogere wateraanvoeren.

Afbeelding 3.4 De bijdrage van de verschillende bronnen aan inkomende debieten in het Energielandschap + Vierde Tocht in variant 1 (boven) en het energielandschap in varianten 2-A-B-C (onder) bij flexibel peilbeheer van 30 cm. De grootste bijdrage in variant 1 is het wateroverschot uit de Watertuinen en het Dorp (oranje), gevolgd door de afvoer uit Waddinxveen (roze), en uitspoeling (felgroen). Voor varianten 2-A-B-C levert uitspoeling (felgroen) de belangrijkste bron aan het ingaande debiet. Omdat de afvoer uit het noordwestelijk gebied en uit de Watertuinen in varianten 2-A-B-C niet via het Energielandschap lopen, zijn de totale debieten veel lager

In afbeelding 3.5 is de herkomst van het water voor een gemiddelde situatie vergeleken. In variant 1 is het meeste water afkomstig uit het Dorp. In varianten 2-A-B-C is afvoer van onverhard terrein de belangrijkste bron. Inlaat van water wordt alleen voor varianten 2-A-B-C berekend. De inlaat hoeveelheid is minimaal (minder dan 1 %).

34 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.5 Herkomst water Energie landschap (links variant 1, rechts variant 2-A-B-C)

Fluctuatie waterpeil in Watertuinen en het Dorp Het peilverloop in de Watertuinen en het Dorp varieert in variant 1 en varianten 2-A-B-C niet veel van elkaar bij flexibel peilbeheer van 30 cm (afbeelding 3.6). Bij 50 cm flexibel peil (

35 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

afbeelding 3.7) is er wel verschil zichtbaar. In beide varianten zakt het peil in drogere jaren uit tot het minimum peil, en stijgt het in natte perioden tot het maximum peil.

Afbeelding 3.6 Het berekende waterpeil in de Watertuinen en het Dorp in variant 1 (links) en varianten 2-A-B-C (rechts) bij flexibel peilbeheer van 30 cm.

36 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.7 Het berekende waterpeil in de Watertuinen en het Dorp in variant 1 (links) en varianten 2-A-B-C (rechts) bij flexibel peilbeheer van 50 cm. In zowel variant 1 als varianten 2-A-B-C zakt het peil in droge periodes uit tot het minimumpeil, terwijl in natte periodes het maximumpeil bereikt wordt

De herkomst van het water is weergegeven in de afbeeldingen 3.8 tot en met 3.11.

Afbeelding 3.8 De bijdrage van de verschillende bronnen aan inkomende debieten in de Watertuinen en het Dorp in variant 1 (boven) en de Watertuinen en het Dorp + Vierde Tocht in varianten 2-A-B-C (onder) bij flexibel peilbeheer van 30 cm. De grootste bijdrage in beide varianten

37 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.9 De bijdrage van de verschillende bronnen aan inkomende debieten in de Watertuinen en het Dorp in variant 1 (boven) en de Watertuinen en het Dorp + Vierde Tocht in varianten 2-A-B-C (onder) bij flexibel peilbeheer van 50 cm. De grootste bijdrage in beide varianten

De herkomst van het water is ook in een gemiddeld overzicht gegeven. Voor het Dorp is de herkomst van het water nagenoeg gelijk. De verschillen in waterpeilen in combinatie met de gehanteerde schematisatie zorgen er voor dat in variant 1 nog een minimale hoeveelheid kwel wordt berekend.

Afbeelding 3.10 Herkomst water Watertuinen en het Dorp bij 30 cm peilfluctuatie (links variant 1, rechts varianten 2-A-B-C)

38 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.11 Herkomst water Watertuinen en het Dorp bij 50 cm peilfluctuatie (links variant 1, rechts varianten 2-A-B-C)

De inlaatdebieten bij flexibel peilbeheer van 30 cm (afbeelding 3.10) zijn ongeveer 6 % van de waterbalans. Door een grotere peilvariantie toe te staan (50 cm) neemt dit af tot 3 % (variant 1) of 2 % (varianten 2-A-BC). Groene Waterparel De afbeeldingen van de berekende waterstandsvariatie, een overzicht van de debieten en de herkomst van het water is weergegeven in afbeelding 3.12 tot en met 3.14. Voor de Groene Waterparel is er in de waterbalans geen verschil tussen variant 1 en varianten 2-A-B-C. In de berekeningen is aangenomen dat waterinlaat start nadat de waterstand 5 cm is gedaald.

Afbeelding 3.12 Waterstandsvariantie Groene Waterparel (berekend met de waterbalans)

39 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.13 De bijdrage van de verschillende bronnen aan inkomende debieten in de Groene Waterparel

Afbeelding 3.14 Herkomst water Groene Waterparel

Het uitgangspunt voor de waterbalans is dat de aan- en afvoer en de waterpeilen van de Groene Waterparel hetzelfde zijn in de toekomstige situatie. Dit biedt de mogelijkheid om de waterbalans te verifiëren aan de hand van metingen en ervaringen van het hoogheemraadschap. De eerste indruk is dat de totale waterafvoer in de juiste orde van grootte ligt maar dat in de praktijk meer inlaat nodig is, of plaats vindt dan nu berekend. In de huidige balans maakt inlaat water 9 % van het totaal uit. In de nadere uitwerking van de watersysteemanalyse in de volgende fase, is een verdiepingsslag op dit punt noodzakelijk.

40 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

3.1.2

Waterkwaliteit - fosfor

De met de waterbalans berekende externe P-belasting geeft een indicatie voor de waterkwaliteit in het toekomstig watersysteem: als de externe nutriëntenbelasting onder de kritische grenswaarde blijft, dan geeft dit een goede uitgangssituatie voor een helder, plantenrijk water met een goede waterkwaliteit. Onderstaande grafieken tonen voor ieder deelgebied de externe belasting ten opzichte van de kritische belasting afbeelding 3.15 t/m afbeelding 3.17. De stippellijn en de zwarte aaneengesloten lijn geven de kritische belasting weer voor een waterdiepte bij 50 cm (d=50) en een waterdiepte bij 70 cm (d=70). De verschillende kleuren geven de herkomst van de externe belasting aan: vanuit neerslag, verhard oppervlak, uitspoeling (grondwater naar oppervlaktewater), incidente afvoer vanuit het noordwestelijk gebied, inlaat (voor peilbeheer), afvoer vanuit een ander peilgebied en kwel.

41 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.15 Externe nutriëntenbelasting Energielandschap

De verschillen tussen de varianten zijn hoofdzakelijk te vinden voor het deelgebied Energielandschap, bij variant 1 inclusief de Vierde Tocht. In variant 1 is een duidelijk hogere belasting te zien die in deze variant ook de kritische belasting overtreft. De belangrijkste bronnen in de belasting zijn: - de aanvoer vanuit het Dorp. De waterkwaliteit van het water is hier niet de belangrijkste oorzaak, maar vooral de hoeveelheden water (zie ook afbeelding 3.5). Hierbij wordt opgemerkt dat uit is gegaan van standaard waarden voor afstromend hemelwater in het Dorp omdat uit studies nog geen duidelijk inzicht is gekomen uit de invloed van berm- en bodemfiltratie hier op. Ook is geen rekening gehouden met waterkwaliteitsprocessen (retentie) in het oppervlaktewatersysteem van het Dorp; - de aanvoer van water uit het noordwestelijk gebied. Zowel de hoeveelheid water die wordt aangevoerd als de kwaliteit daarvan zijn nog niet volledig inzichtelijk. De orde van grootte van deze bijdrage is echter

42 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

-

wel correct. Daaruit kan worden geconcludeerd dat deze aanvoer een belangrijke bijdrage levert aan de belasting; de uitspoeling van de bodem; tenslotte de kwel. Ook hier is de precieze hoeveelheid (kwelflux in mm/d) en kwaliteit (in mg P/l) onzeker. De grafiek geeft een indicatie. Echter is het advies de invloed van de kwel op de nutriëntenbelasting nader te specificeren door waterkwaliteitsmetingen te doen van het diepe grondwater. Zo kan de invloed van de kwel op de waterkwaliteit beter worden ingeschat. Inmiddels is het veldonderzoek in gang gezet, en wordt deze binnenkort gestart. De resultaten worden nader uitgewerkt in de watersysteemanalyse.

Afbeelding 3.15 laat voor deze variant een aanzienlijke overschrijding zien. Door de aanname en onzekerheden geeft de grafiek geen volledige zekerheid. Gezien de mate van overschrijding is bij variant 1 echter geen helder watersysteem te verwachten. Voor het Energielandschap bij varianten 2-A-B-C nadert de belasting de kritische belasting. Hier is te zien dat de waterdiepte een behoorlijke invloed heeft op de hoogte van de kritische belasting. Dit toont het belang aan van een goede inrichting van het watersysteem met voldoende ondiepe plekken voor de ontwikkeling van vegetatie. Voor varianten 2-A-B-C is de uitspoeling van onverhard terrein de belangrijkste bron. In het Energielandschap zal de huidige bodem grotendeels behouden blijven. Voor de watersysteemanalyse in waterhuishoudingsplan fase 2, wordt daarom aanbevolen de uitspoeling van de bodem beter in beeld te brengen en waar nodig maatregelen te definiëren om de uitspoeling te beperken. Voor de andere beschouwde gebieden is de berekende belasting steeds lager dan de kritische belasting. Dit betekent dat er goede mogelijkheden zijn voor een helder watersysteem. In de Groene Waterparel is dit nu al het geval maar voor het gebied van het Dorp betekent dit een aanzienlijke verbetering. Voor het Dorp is afvoer afkomstig van verhard gebied de belangrijkste bron.

Het toepassen van berm- of bodemfiltratie zijn mogelijkheden om deze invloed te beperken.

43 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.16 Externe nutriëntenbelasting Watertuinen en Vijfde Dorp

44 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 3.17 Externe nutriëntenbelasting Groene Waterparel. Hierbij is het inlaatwater afkomstig van de Watertuinen en het Dorp

45 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Aanvullende gevoeligheidsanalyses Aanvullend zijn er gevoeligheidsanalyses gedaan om inzicht te krijgen in bepaalde ‘draaiknoppen’ om het waterpeil en de waterkwaliteit te beïnvloeden. De bijbehorende belastinggrafieken van deze analyses zijn bijgevoegd in bijlage III. Samengevat zijn de conclusies van deze analyses als volgt: - aandacht voor inrichting met bodempassages (de P-concentratie vanuit Watertuinen/Dorp 0.26 mg/L in plaats van 0,31 mg/L). Resultaten: · lagere nutriëntenbelasting afkomstig van verhard oppervlak; · in variant 1 is in het Energielandschap en de Vierde Tocht de nutriëntenbelasting nog steeds hoog, doordat de concentratie wel minder wordt door bodempassages, maar het debiet is significant hoog waardoor er nog steeds een hoge nutriëntenbelasting richting het Energielandschap wordt afgevoerd; · in varianten 2-A-B-C leidt de mindere belasting via afstromend hemelwater tot een beperkte verbetering.

3.1.3

Waterkwaliteit - chloride

Voor de verschillende deelgebieden is ook een stoffenbalans voor chloride opgesteld. In tegenstelling tot fosfor is er voor chloride geen invloed van waterkwaliteitsprocessen op de concentraties. Daarom kan deze balans goed worden gebruikt voor verificatie van de balans. Dit is hier goed mogelijk voor de Groene Waterparel omdat daar de situatie nauwelijks veranderd. Afbeelding 3.18 geeft voor de Groene Waterparel de berekende en gemeten chloride concentraties. In de afbeelding is ook de herkomst van het water te zien.

Afbeelding 3.18 Resultaten chloride balans Groene Waterparel

Uit de afbeelding volgt dat de concentraties in de winter redelijk kloppen maar dat de pieken gedurende de zomer in de berekeningen veel lager zijn dan de metingen. Mogelijke oorzaken hiervan zijn: - de concentraties chloride in het inlaatwater worden onderschat. Er zijn geen continu metingen beschikbaar. Daarom is uitgegaan van zomergemiddelde waarden. Mogelijk bevat het inlaatwater tijdens pieken meer chloride;

46 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

-

-

-

de concentratie chloride in het kwelwater wordt onderzocht. Hier is met simulaties naar gekeken, maar aanpassing daarvan leidt niet tot een betere fit. De gemeente heeft een grondwatermonitoring in gang gezet om ook meer inzicht te krijgen in de chloride en fosfor gehaltes in het grondwater; de dynamiek van de kwel wordt ook nader onderzocht door de grondwatermonitoring die is gestart. Dit is van belang omdat in de zomer met dalende grondwaterstanden de kwel toeneemt. Het model dat nu gebruikt is, is niet geschikt om dit te simuleren. Voor de watersysteemanalyse is deze dynamiek wel van belang; de gemiddelde waterdiepte die is aangehouden (50 cm) is groter dan de werkelijkheid. Hierdoor is de dynamiek in het model te gering. Ook dit aspect kan de inde watersysteemanalyse nader worden onderzocht.

3.2

Beoordelingsmatrix

In onderstaande tabel zijn de varianten beoordeeld op basis van de beoordelingscriteria zoals genoemd in hoofdstuk 2.1. De beoordeling is gebaseerd ten opzichte van elkaar, en ten opzichte van de ‘nulsituatie’ indien er geen ingrepen in het watersysteem zouden plaatsvinden.

47 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Tabel 3.1 Beoordelingsmatrix Beoordelingscriteria

Variant 1 - Vierde Tocht

Variant 2A - Gedeeltelijk langs Dorp/Watertuinen

Variant 2B - Derde Tocht

Variant 2C - 2½ Tocht

0/+ fosforbelasting blijft onder de kritische grenswaarde in het Dorp/Watertuinen. Dit is een indicatie voor helder water

+ kritische belasting wordt niet overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. Bij een grotere waterdiepte wordt de kritische situatie eerder bereikt en de berekende belasting is ongeveer gelijk aan de kritische belasting bij een waterdiepte van 70 cm

+ kritische belasting wordt niet overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. De berekende belasting is ongeveer gelijk aan de kritische belasting bij een waterdiepte van 70 cm

+ kritische belasting wordt niet overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. De berekende belasting is ongeveer gelijk aan de kritische belasting bij een waterdiepte van 70 cm

vermindering van de externe nutriënten aanvoer in Dorp/Watertuinen en de Vierde Tocht en Energielandschap ten opzichte van als er niets veranderd zou worden in het huidige watersysteem. De externe nutriëntenbelasting moet echter wel via de nieuwe afvoerroute worden afgevoerd, met een extra belasting de Derde Tocht als gevolg

vermindering van de externe nutriënten aanvoer in Dorp/Watertuinen en de Vierde Tocht en Energielandschap ten opzichte van als er niets veranderd zou worden in het huidige watersysteem. De externe nutriëntenbelasting moet echter wel via de nieuwe afvoerroute worden afgevoerd, met een extra belasting voor de nieuwe tocht

Toelichting / Uitgangspunten

1. waterkwaliteit a. belasting van het watersysteem met Fosfor

kritische grensbelasting wordt overschreden in het Energielandschap en de Vierde Tocht. Hierdoor zijn woekering van onwenselijke waterplanten, algen en/of kroos te verwachten

b. kwel

vermindering van de externe nutriënten aanvoer in Dorp/Watertuinen en de Vierde Tocht en Energielandschap ten opzichte van als er niets veranderd zou worden in het huidige watersysteem. De externe nutriëntenbelasting moet echter wel via de nieuwe afvoerroute worden afgevoerd, met een extra belasting voor de nieuwe afvoerroute langs het Dorp/Watertuinen en de Derde Tocht als gevolg

+ aanzienlijk minder kwel. Het Energielandschap en Vierde Tocht houden wel kwel (maar minder ten opzichte van het huidig watersysteem)

+ aanzienlijk minder kwel met uitzondering van het Energielandschap en de nieuwe watergang

++ aanzienlijk minder kwel met uitzondering van het Energielandschap

++ aanzienlijk minder kwel met uitzondering van het Energielandschap en de nieuwe watergang

stijghoogte kwel: NAP -6,00 tot -5,90 m

a. aanvoer

++ minimale inlaat nodig ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem en vergeleken met de andere varianten

+ afname inlaat ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem. De afname van de benodigde inlaat is minder dan variant 1, doordat er minder wateraanvoer is vanuit de Watertuinen/Dorp

+ afname inlaat ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem. De afname van de benodigde inlaat is minder dan variant 1, doordat er minder wateraanvoer is vanuit de Watertuinen/Dorp

+ afname inlaat ten opzichte als er niets veranderd zou worden in het watersysteem. De afname van de benodigde inlaat is minder dan variant 1, doordat er minder wateraanvoer is vanuit de Watertuinen/Dorp

aandeel inlaat water circa 6 % in het Vijfde Dorp bij 30 cm peilfluctuatie. Nog 2 of 3 % bij 50 cm peilfluctuatie

b. afvoer

+ robuust afvoersysteem

derde Tocht heeft beperkte capaciteit. Knelpunten blijven deels bestaan

-veel knelpunten Derde Tocht

knelpunten ter plaatse van waterverbinding bij kruising Derde tocht/N219

Hydraulische toets met als uitgangspunten: 88 ha afvoer naar Derde Tocht max capaciteit incidentele afvoer: 90 m3/min

-een waterpeil van NAP -5,75 m in de Vierde Tocht conflicteert met de leidingen die nu al aanwezig zijn in de Buisleidingenstraat. Het maaiveldhoogte varieert

de gemiddelde maaiveldhoogte is NAP -5,8 m (AHN4) en lokaal lager, tot NAP -6,80 m

2. waterkwantiteit

de afvoer vanuit het Dorp en de Watertuinen wordt onder vrij verval afgevoerd naar het Energielandschap. Vanuit het Energielandschap voert het onder vrij verval af naar de Vierde Tocht;

vier bruggen met minimale doorstroombreedte van 4 m

zeventien duikers in de Derde Tocht hebben een kleinere diameter dan 1 m. Deze duikers moeten worden vervangen om de incidentele afvoer aan te kunnen. vier bruggen met minimale doorstroombreedte van 4 m

de incidentele afvoer vanuit het westelijk agrarisch gebied wordt via een gemaal opgepompt naar de Vierde Tocht;

aanpassing van waterpeil in deel van de Derde Tocht nodig (van NAP -6,24 m naar NAP -6,62 m)

de afvoercapaciteit van de Vierde Tocht voldoet aan de maximale afvoer capaciteit van 90 m3/min. 3. obstakels/conflicten buisleidingenstraat

48 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

0/de buisleidingenstraat behoudt grotendeels voldoende drooglegging

-een waterpeil van NAP -5,75 m in de Vierde Tocht conflicteert met de leidingen die nu al aanwezig zijn in de Buisleidingenstraat. Het maaiveldhoogte varieert

-een waterpeil van NAP -5,75 m in de Vierde Tocht conflicteert met de leidingen die nu al aanwezig zijn in de Buisleidingenstraat. Het maaiveldhoogte varieert

Beoordelingscriteria

Variant 1 - Vierde Tocht

Variant 2A - Gedeeltelijk langs Dorp/Watertuinen

Variant 2B - Derde Tocht

Variant 2C - 2½ Tocht

Toelichting / Uitgangspunten

b. eigendomssituatie

de oplossingsrichtingen zijn te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente

de oplossingsrichtingen zijn niet te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente. Er zijn aanpassingen nodig aan de zuidoostelijke deel van Derde Tocht, zoals het verbreden van de Derde Tocht met circa 2 m en verdiepen met circa 0,2 m

-de oplossingsrichtingen zijn niet te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente. Er zijn aanpassingen nodig aan de Derde Tocht, zoals het vervangen van circa 17 duikers, het verbreden van de Derde Tocht met circa 2 m en verdiepen met circa 0,2 m

-de oplossingsrichtingen zijn niet te realiseren in de huidige eigendomssituatie van de gemeente.

hydraulische berekening laat zien dat er opstuwing plaatsvindt in de Derde Tocht wanneer de incidentele afvoer vanuit het agrarisch gebied wordt afgevoerd; Bij een verbreding van 1 tot 2 m, en een verdieping van de watergang van 0,2 m is de opstuwing verholpen. Dit betekent dat de Derde Tocht verbreed moet worden in varianten 2A en 2B

bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant;

bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant

0 bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant

bebouwde percelen in relatie tot verbreding Derde tocht

bebouwde percelen in relatie tot verbreding Derde Tocht

krappe verbinding (Derde Tocht) geen ruimte voor toekomstige verbreding

-

Groene Schakel nog niet in eigendom

4. inpassing bestaande bebouwing en infra 0 bestaande lintbebouwing kan worden ingepast door de percelen te isoleren van het waterpeil door een sloot achter de woningen. Dit geldt voor iedere variant

inpassing bestaande bebouwing en infra 5. toekomstbestendig a. flexibiliteit

0 door watergangen nu ruim te dimensioneren ontstaat een systeem dat ook in de toekomst robuust is

krappe verbinding (Derde Tocht) geen ruimte voor toekomstige verbreding

0 /door watergangen nu ruim te dimensioneren ontstaat een systeem dat ook in de toekomst robuust is. de nieuwe watergang doorsnijdt de Groene Schakel en legt daarmee wel randvoorwaarden op aan de inrichting van dit gebied

b. klimaatrobuust in elke fase

+ huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen, ook in tussentijdse situaties. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

+ huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

+ huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

+ huidige wateroppervlakken bieden voldoende ruimte om maalstop op te vangen. Het flexibel peilbeheer maakt het systeem minder afhankelijk van inlaat. Door 50 cm peilfluctuatie toe te staan bij flexibel peilbeheer wordt inlaatbehoefte nog kleiner en kan een extra’+’ worden gescoord

+ realiseerbaar direct na fase 1

-

--

--

--

aanpassingen bij Derde Tocht vragen verwerving. Hiervoor enkele jaren beschikbaar

Veel aanpassingen Derde Tocht nodig. Deze delen moeten nog verworven worden. Hiervoor zijn enkele jaren beschikbaar maar aanleg vraagt veel eigendom en grootschalige ingreep

gebied moet nog verworven worden. Hiervoor zijn enkele jaren beschikbaar maar aanleg vraagt veel eigendom en grootschalige ingreep

niet realiseerbaar direct na fase 1 door eigendomssituatie

7. financiële haalbaarheid

-

--

--

--

kostenposten

aanpassingen nodig aan toegangswegen en onderhoudsgebouw gasleiding (ophogen) op lokale lage plekken

aanpassingen aan gasleiding, toegangsweg en onderhoudsgebouw benodigd bij hoge peil in Vierde Tocht (ophogen/verleggen)een deel ‘extra’ tocht

aanpassingen aan gasleiding, toegangsweg en onderhoudsgebouw benodigd bij hoge peil in Vierde Tocht (ophogen/verleggen);

aanpassingen aan gasleiding, toegangsweg en onderhoudsgebouw benodigd bij hoge peil in Vierde Tocht;

een deel ‘extra’ tocht aanleggen achter bestaande lintbebouwing;

een nieuwe Tocht aanleggen tussen de Tweede en Derde Tocht;

6. fasering realiseerbaar direct na fase 1

aanleggen 1 grote stuw en kleine stuw aanleggen achter bestaande lintbebouwing; extra kunstwerk onder N219 verbreding Derdee Tocht

vervangen van 17 duikers in de Derde Tocht (huidige diameter < 1 m); verbreding Derde Tocht’

grondeigendom locatie tussen Tweede en Derde Tocht nu niet van de gemeente, dus aankoop nodig; complexe waterverbinding bij kruising N219/Knibbelweg

49 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

kunstwerken binnen het Dorp buiten beschouwing Deze zijn voor varianten min of meer gelijk en het betreft geen complexe kunstwerken

Beoordelingscriteria

Variant 1 - Vierde Tocht

Variant 2A - Gedeeltelijk langs Dorp/Watertuinen

Variant 2B - Derde Tocht

complexe waterverbinding bij kruising N219/Knibbelweg

50 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Variant 2C - 2½ Tocht

Toelichting / Uitgangspunten

3.2.1

Vergelijking varianten

1. Waterkwaliteit Zoals eerder genoemd, wordt de waterkwaliteit in alle varianten beter ten opzichte van de huidige situatie. Dit vanwege de vermindering van landbouwfuncties in het Middengebied Zuidplas (minder nutriëntenbelasting voert af richting het watersysteem), en het tegendrukken van de kwel door het verhogen van de waterpeilen. Als we inzoomen op de varianten, is de verwachting dat bij variant 1 de kritische grensbelasting van fosfor wordt overschreden in het Energielandschap en de Vierde Tocht. Dit geldt zowel bij een waterdiepte van 50 cm als 70 cm. Door de Vierde Tocht hydrologisch te isoleren gedurende ‘incidentele afvoer’ wanneer de externe nutriëntenbelasting het hoogst is, worden nadelige effecten voorkomen in de nabijgelegen gebieden, de Groene Waterparel en het Dorp/Watertuinen. In de varianten 2A, 2B en 2C is de verwachting dat de kritische fosforbelasting niet wordt overschreden bij een waterdiepte van 50 cm. Bij een waterdiepte van 70 cm is de kritische belasting lager. Daarmee wordt de de kans groter dat de kritische belasting wordt overschreden. Echter is deze overschrijding lager dan in variant 1. Voor de waterkwaliteit in het Energielandschap en de Vierde Tocht zijn de varianten 2A, 2B en 2C dus een betere optie dan variant 1.

De externe nutriëntenbelasting moet in de varianten 2A, 2B en 2C elders worden afgevoerd, en brengt dus een extra belasting op de omliggende gebieden (Derde Tocht, gedeeltelijk langs het Dorp en de 2½ Tocht). Het effect op deze watersystemen is niet onderzocht in dit onderzoek en blijft dus een aandachtspunt voor de nadere uitwerking van deze varianten. Het is in elk geval ongewenst dat dit water een groot deel van het watersysteem belast. Directe afvoer naar gemaal Abraham Kroes is dus wenselijk. Een kanttekening bij alle varianten is dat er in de nadere uitwerkingsfase aandacht moet zijn voor de Ecologische Sleutelfactoren om daadwerkelijk een helder watersysteem te realiseren. Een goede waterkwaliteit is namelijk niet alleen afhankelijk van de externe nutriëntenbelasting, maar ook van bijvoorbeeld het lichtklimaat (zie ook ESF2 [ref. 5]). Zo hanteert HHSK als voorwaarden voor de wijk dat alle passende verbetermaatregelen moeten worden genomen die nodig zijn voor een Goed Ecologische Potentieel (GEP). In het vervolg op het waterstructuurplan, wordt de invulling van passende maatregelen nader uitgewerkt. 2. Waterkwantiteit De te verwachten benodigde inlaat wordt in alle varianten minder dan als er niets zou worden veranderd in het watersysteem. Dit vanwege het basisprincipe dat het gebied water moet vasthouden en het instellen van flexibel peilbeheer.

In variant 1 is er minder waterinlaat nodig in droge zomers ten opzichte van de andere varianten, door de aanvoer vanuit de Watertuinen/Dorp. In de varianten 2 is dit niet het geval waardoor het water in het Energielandschap meer uitzakt gedurende droge periodes. Een optimalisatie op de varianten 2A, 2B en 2C zou kunnen zijn om, net zoals in variant 1, de Watertuinen/Dorp (deels) af te laten wateren op het Energielandschap, waardoor het peil in het Energielandschap minder uitzakt en er dus minder inlaat nodig is. Aanvullend is er gekeken naar de benodigde en beschikbare afvoercapaciteit per variant. In variant 1 blijft de huidige afvoercapaciteit behouden in de Vierde Tocht (gemaal 90 m3/s). In variant 1 is een automatische stuw nodig om de afvoer uit het gebied te reguleren. Verder zijn twee kleine stuwen nodig in variant 1 voor het peilbeheer in de twee delen van het Dorp en om de afvoer richting de Vierde Tocht te regelen. Bij varianten 2A, 2B en 2C moeten er diverse ingrepen worden gedaan om de benodigde afvoercapaciteit te realiseren.

51 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Door het opzetten van het waterpeil in de Vierde Tocht gaat in theorie waterberging verloren. Echter dit wordt gecompenseerd omdat incidentele inundatie van laag gelegen groen langs de Vierde Tocht en in het Energielandschap wordt geaccepteerd. 3. Obstakels/conflicten Buisleidingenstraat De buisleidingenstraat is een 70 m strook grenzend aan de Vierde Tocht, waarin nutsbedrijven hoofdtransportleidingen hebben die van groot belang zijn voor de energievoorziening. De gemiddelde maaiveldhoogte in deze strook is NAP -5,8 m (AHN4) en lokaal lager, tot NAP -6,80 m. Indien het waterpeil in de Vierde Tocht wordt verhoogd, is er (plaatselijke) verhoging van het maaiveld nodig om het terrein begaanbaar te houden en inspectie mogelijk te maken. Echter, moet de initiatiefnemer aantonen dat ophogingen geen gevolgen hebben (zie ook richtlijnen van de Gasunie, [ref. 7]). De verwachting is dat er weinig speelruimte is om van deze eis af te wijken. Dit omdat het over grote infrastructuur gaat van nationaal belang, en de leidingenbeheerders van de huidige leidingen die er al liggen (Gasunie) deze vereisten ook hebben aangegeven in eerdere overleggen met de gemeente. Eigendomssituatie De ingrepen die nodig zijn in het watersysteem voor variant 1 kunnen worden gerealiseerd binnen de eigendomsgrenzen van de gemeente.

Varianten 2A en 2B kunnen wegens de benodigde aanpassingen in de Derde Tocht niet volledig worden gerealiseerd binnen de eigendomsgrenzen. Bij variant 2C is dit ook het geval, vanwege de nieuw te aanleggen watergang in de Groene Schakel die niet in eigendom is van de gemeente. Varianten 2A, 2B en 2C kunnen gezien de huidige eigendomssituatie niet worden uitgevoerd op de korte termijn (fase 1). 4. Inpassing bestaande bebouwing en infra Voor de realisatie van het Middengebied Zuidplas is het inpassen van de bestaande bebouwing en infrastructuur een belangrijk aandachtspunt. Zo heeft in alle varianten het verhogen van het waterpeil ter plaatse van de Watertuinen en het Dorp, mogelijk effect op de bestaande infrastructuur en bestaande bebouwing als hier geen rekening mee wordt gehouden. Wat betreft de lintbebouwing, zijn de meeste lintbebouwingen hydrologisch aangesloten op het peilvak achter de woning. Dit is het plangebied van de Watertuinen en het Dorp. Door een sloot aan te leggen achter de woningen, op een lager peil dan het Dorp en de Watertuinen, kan de lintbebouwing hydrologisch worden geïsoleerd waar nodig, zodat het verhogen van het waterpeil geen invloed heeft op de lintbebouwing. Deze ingreep is van toepassing op alle varianten en kan in variant 2A worden gecombineerd met de waterafvoer.

Bij de varianten 2A, 2B en 2C moeten er nog aanvullende ingrepen worden gedaan om de bestaande bebouwing en infrastructuur in te passen. Aanvullend ligt de benodigde verbreding van de Derde Tocht (variant 2A en 2B) langs bebouwde percelen. 5. Toekomstbestendigheid Flexibiliteit De varianten 2A en 2B maken gebruik van de Derde Tocht. Deze zal verbreed moeten worden om voldoende capaciteit te hebben. Dan blijft de watergang echter krap en is aanpassing moeilijk indien in de toekomst tocht meer capaciteit gewenst is. In variant 1 heeft de Vierde Tocht voldoende capaciteit en in Variant 2C kan de nieuwe watergang ruim worden gedimensioneerd. Een nadeel van Variant 2C is dat deze de Groene Waterparel doorsnijdt en water van relatief slechte waterkwaliteit aanvoert. Daarmee legt variant 2C randvoorwaarden op aan de inrichting van de Groene Schakel. Klimaatrobuust systeem in elke fase De criteria voor het waarborgen van een klimaatrobuust systeem in elke fase van de ontwikkeling, is beschouwd als niet onderscheidend voor de varianten. De reden hiervoor is dat dit een uitgangspunt is. In het volgende hoofdstuk is de waterberging van 200 mm getoetst.

52 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Fasering nieuwbouwontwikkeling De fasering wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5, een vooruitblik van de fasering. Echter geldt in algemene zin dat in variant 1 de oplossingsrichting direct te realiseren is. Voor varianten 2 is dit niet mogelijk direct na fase 1, vanwege de eigendomssituatie rondom Derde Tocht en de Groene Schakel, en het kunstwerk die nodig is onder de N219. De verwachting is dat de werving van de gronden en het mogelijk maken van het kunstwerk onder de N219 een langjarig proces is. 7. Financiële haalbaarheid De financiële haalbaarheid is met name beoordeeld op de ingrepen die aanvullend nodig zijn ten opzichte van de varianten onderling. In elke variant is een nieuw gemaal nodig. Dit is dus niet onderscheidend. In variant 1 is een automatische stuw nodig om de afvoer uit het gebied te reguleren. Verder zijn twee kleine stuwen nodig in variant 1 voor het peilbeheer in de twee delen van het Dorp en om de afvoer richting de Vierde Tocht te regelen. In de varianten 2A en 2B is gekeken naar het profiel van de Derde Tocht. De bodembreedte varieert volgens de legger tussen 2 en 5 m en de waterdiepte tussen 0,6 en 0,8 m, Het talud is overal 1:2. Hiermee is het profiel op veel plaatsen te krap en een afvoer van 100 m3/minuut (opgebouwd uit 90 voor de gemaalcapaciteit en 10 m3/min voor de percelen die afwateren op de tocht) te verwerken.

Om de stroomsnelheid te beperken tot 0,2 m/s is verbreding van 1 tot 2 m nodig. Het verhang is dan circa 0,1 m/km. In het noordelijke deel van de Derde Tocht zijn duikers aanwezig die vervangen moeten worden. De eerste inschatting is dat de bruggen in het zuidelijke deel (4 m breed) net voldoende capaciteit hebben. In de varianten 2A en 2B is er daarnaast een knelpunt op te lossen bij de kruising van de Knibbelweg en de N219. Om de waterverbindingen te maken zijn ruime duikers onder bestaande wegen nodig. Voor variant 2C zijn er minder knelpunten met bestaande infrastructuur. Wel zal de gehele watergang moeten worden gegraven en moeten de benodigde gronden worden aangekocht. Naar verwachting zullen vanwege de bereikbaarheid van percelen ook enkele bruggen nodig zijn. Voor alle varianten 2 geldt dat de gehele buisleidingen straat onder water komt te staan. Om deze bereikbaar en inspecteerbaar te houden is een ophoging nodig. Dit brengt kosten mee waarbij nadrukkelijk wordt opgemerkt dat ophoging niet is toegestaan volgens de standaard omschrijving Dubbelbestemming ‘leiding-Gas’ zoals de Gasunie deze voor bestemmingsplannen hanteert. Tenslotte is een controle berekening uitgevoerd voor variant 1 waar de Vierde Tocht met een lager waterpeil het Dorp doorsnijdt.

Dit heeft als potentieel risico dat water uit het Vijfde Dorp wegzijgt naar de Vierde Tocht waardoor extra inlaat nodig zou zijn. Hiervoor is een berekeningen van de wegzijging vanuit het Dorp naar de Vierde Tocht gemaakt op basis van de volgende uitgangspunten: - waterstandsverschil: 0,6 m; - afstand tussen watergang in het Dorp en de Vierde Tocht: 50 m; - dikte ophooglaag 2 tot 2,5 m, grondwaterstand 1 m maaiveld zodat afvoer plaats kan vinden via een 1 m dik zandpakket; - doorlatendheid ophoogzand 5 m/dag; - lengte waarover kwel kan plaatsvinden: 2 km (zijde van de leidingen straat niet meegerekend omdat daar een extra brede bufferstrook is; - er is geen rekening gehouden met een intree weerstand van de waterbodem. Dit betekent dat het oppervlaktewater bij de gehanteerde schematisering in direct contact staat met de ophooglaag. Daarmee is sprake van een overschatting in de berekening; - het huidige pakket klei- en veenlagen onder de waterbodem wordt niet afgegraven. Daarmee is er geen direct contact met het watervoerende pakket.

53 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

De horizontale lekverliezen worden daarmee maximaal 120 m3/dag. Het verlies door (vertikale) inzijging naar diepere zandlagen is circa 20 m3/dag. Deze hoeveelheden zijn klein ten opzichte van overige posten in de waterbalans. Het verschil in waterstand tussen het Dorp en de Vierde Tocht zorgt er dus niet voor dat het watersysteem van het Dorp wordt ‘leeggetrokken’. De invloed op de waterstanden in het Dorp is beperkt. Op basis hiervan worden geen maatregelen tegen wegzijging nodig geacht tenzij bij de plan uitwerking watergangen van het Dorp relatief dichtbij de Vierde Tocht worden gepland (minder dan 20 m afstand).

54 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

4 TOETSING WATERBERGING (OP STRUCTUURPLAN NIVEAU) De waterbalansen in de vorige hoofdstukken gaan vooral in op het functioneren in gemiddelde situaties (‘dagelijkse ontwerpnorm’). Voor het Vijfde Dorp zijn hoge ambities ten aanzien van klimaatadaptatie. Belangrijk daarin is de aanwezigheid van voldoende waterberging om een extreme bui te kunnen verwerken. Niet alleen in de reguliere situaties, maar ook in een situatie waarbij gedurende 48 uur een maalstop geldt. Dit is vertaald naar toetsing op de beschikbaarheid van voldoende waterberging om 200 mm tijdelijk te kunnen opslaan. Met een stationaire berekening is getoetst of het systeem voldoende waterberging bevat. In dit hoofdstuk is een verkennende berekening opgenomen voor de systemen: - Dorp en Watertuinen; - Energielandschap en Vierde Tocht. Daarbij is uitgegaan dat een eventueel tekort in het Dorp kan worden gevonden in het Energielandschap. Omdat de plannen nog maar beperkt zijn uitgewerkt, betreft dit een verkennende berekening. Benodigde waterberging Dorp, Watertuinen en Energielandschap Als eerste zijn de hoeveelheden te bergen water bepaald: - Dorp en Watertuinen: Oppervlak verharding en water: 177 ha (138+39). Met een bergingsopgave van 200 mm betekent dit 354.000 m3 waterberging; - energielandschap en Vierde Tocht: 43 ha (30+12) Hier betekent 200 mm een bergingsopgave van afgerond 84.000 m3.

Voor het onverhard terrein (groen oppervlak) wordt uitgegaan van berging in de bodem en plassen op het maaiveld. Beschikbare waterberging De beschikbare waterberging is als volgt op structuurplanniveau benaderd: - watergangen in Dorp en Watertuinen: De drooglegging is 1,0 m. Bij deze berekening is uitgegaan van 0,9 m peilstijging. Dit levert een beschikbare waterberging van 349.000 m3 op. Theoretisch is dit net niet voldoende (verschil van 5.000 m³). Een kleine hoeveelheid water kan op laaggelegen groen in het Dorp worden geborgen of wordt afgevoerd naar het Energielandschap. In onderstaande tabel is voor een extreme situatie uitgegaan van 50 mm waterberging op groen. Dit is te realiseren door het groen iets lager (circa 0,1 m) dan de wegen aan te leggen. Daarmee is er een overschot in waterberging (zie tabel 4.1); - energielandschap en Vierde Tocht: De drooglegging verschilt hier sterk omdat de maaiveldhoogte varieert. In een eerste benadering wordt uitgegaan van 0,4 m peilstijging. Dit levert 48.000 m3 waterberging op. De resterende berging kan onder deze extreme situaties plaatsvinden op groen, onverhard oppervlak. Het oppervlak onverhard in dit gebied is 48 ha. De resterende wateropgave is 36.000 m3 inclusief het water uit het Dorp. Dit betekent dat tijdelijk gemiddeld 8 cm water op het groen oppervlak staat.

In onderstaande tabel is een waterberging van 0,1 m voor het groen gehanteerd.

55 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Tabel 4.1 Overzicht benodigde en beschikbare waterberging (stationair Energielandschap en 4e Tocht

Dorp en Watertuinen verharding

groen

water

Oppervlak (ha)

138

117

bergingsopgave (mm)

200

200

bergingsopgave (m3)

276.000

78.000

39

beschikbare berging (mm)

50

900

beschikbare berging (m3)

58.500

351.000

bergingsoverschot (m3)

totaal 295

354.000

409.500

55.500

verharding 30

groen

water

48

12

200

200

60.000

24.000

100

400

48.000

48.000

totaal 90

84.000

96.000

12.000

Daarmee leveren de nu gehanteerde oppervlakken een basis om tot een robuust watersysteem te komen. Tijdens een maalstop kan de benodigde waterberging in het systeem worden gevonden (zie tabel 4.1). Ook voor een situatie zonder maalstop, waarbij 148 mm waterberging nodig is, zal het systeem dus voldoen. In deze benadering is het gebied geheel zelfvoorzienend. In periode van een maalstop wordt geen rekening gehouden met afvoer van het noordwestelijk gebied op de Vierde Tocht. In deze situatie kan de doorvoer van water naar het gemaal namelijk niet plaatsvinden. Daarmee is er in de bepaling van de beschikbare waterberging op structuurplanniveau geen groot verschil tussen de varianten 1 en 2A-B-C.

Bedrijventerrein Voor het bedrijventerrein zijn nog geen gegevens beschikbaar om een vergelijkbare berekening uit te voeren. Vanwege het hoge percentage verharding is de eerste inschatting dat minimaal 15 % open water op of in de directe nabijheid van het bedrijventerrein (in het Koning Willem I bos) noodzakelijk zal zijn.

56 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

5 VOORUITBLIK FASERING In afbeelding 5.1 is in een overzichtskaart weergegeven welke delen als eerste worden ontwikkeld.

Afbeelding 5.1 Eerste ontwikkelingen Middengebied (zwarte omkadering; rood: verkeersontsluiting) bron: presentatie Werkatelier Zuidplas Middengebied d.d. 24 januari 2023

De delen die het eerst ontwikkeld worden zijn het Energielandschap ten zuidwesten van de Vierde Tocht, het Dorp voor het deel ten noordoosten van de Vierde Tocht en de benodigde ontsluiting (rood aangegeven) om het Dorp richting de N219 te verbinden. Bij het ontwikkelen van de eerste fase van het Dorp zal ook de waterhuishouding op orde moeten worden gebracht. Dit betekent dat de nieuwe waterstructuur, de benodigde ophoging van het gebied en de toekomstige waterpeilen moeten worden ingesteld. Door bij het bouwrijp maken de waterstructuur direct aan te brengen is steeds voldoende waterberging beschikbaar op het moment dat verharding (wegen, woningen) in het gebied worden aangebracht. In deze eerste fase houden de percelen rond de Vierde Tocht hun huidige functie en zijn daarom grootschalige aanpassingen in de waterhuishouding nog niet mogelijk. Dit betekent dat tijdelijke voorzieningen (bijvoorbeeld stuwtjes) nodig zijn om de afwatering naar de omgeving te reguleren.

57 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Om de afwatering in de tijdelijke situatie mogelijk te maken zal vanuit de te ontwikkelen gebied steeds afwatering richting de Vierde Tocht nodig zijn. Om efficiënt te werken is het daarbij wenselijk om de afwatering zo min mogelijk te hoeven omleggen en vanuit energiegebruik en duurzaamheid is het om water in het hoge pand van de Vierde Tocht af te wateren. Hiermee is het namelijk niet nodig het water binnen de Vierde Tocht te verpompen. Hoe de ontwikkelingen binnen de contour uit afbeelding 5.1 worden gerealiseerd is niet (volledig) bekend. Een mogelijkheid om flexibiliteit toe te voegen is om een watergang langs de randweg van het Kreekdorp aan te leggen. Elk te ontwikkelen gebied krijgt zijn eigen waterhuishoudkundig systeem dat afwatert op deze watergang. Bij het afvoer op de Vierde Tocht wordt een stuw geplaatst om het waterpeil in het Dorp te reguleren en water vast te houden. De afvoer vindt aan de zuidoost zijdeplaats (dus niet in het Energielandschap) om onnodig pompen te voorkomen (zie afbeelding 5.2). Voor de eerste fase van het Energielandschap wordt tussen het Energielandschap en de Vierde Tocht een tijdelijke stuw geplaatst om het waterpeil in het Energielandschap te reguleren. Wanneer een groter deel van de ontwikkeling heeft plaatsgevonden, wordt het peil in de Vierde Tocht aangepast.

Bij deze wijze van aanleg zijn weinig tijdelijke watergangen of kunstwerken nodig en is er flexibiliteit in de fasering en kan deze eventueel tussentijds worden aangepast. In hoofdstuk 3 zijn eerste berekeningen uitgevoerd aan de wegzijging van opzetten van het waterpeil. Uit deze berekeningen blijkt dat geen voorzieningen (kwelschermen, kleidam) nodig is om groot waterverlies door wegzijging te voorkomen. Een uitzondering geldt voor watergangen die op korte afstand langs een peilgrens worden gelegd (circa 20 m afstand). Verdere fasering Hoe de fasering verder verloopt is nu nog onduidelijk. Op het moment dat een groot deel van het gebied rondom de Vierde Tocht een andere functie heeft gekregen, kan het waterpeil worden aangepast. Op dat moment zal het nieuwe gemaal gereed moeten zijn en zal afhankelijk van de gekozen variant ook de afwateringsroute voor het Westelijk agrarisch gebied beschikbaar moeten zijn. Dit betekent dat in de planning een aantal jaren vooruit moet worden gekeken om tijdig de juist voorzieningen aan te leggen.

58 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afbeelding 5.2 Schets tijdelijke afwatering (grote versie zie bijlage V)

59 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

6 ADVIES WATERSTRUCTUUR In dit hoofdstuk wordt het eindbeeld geschetst dat wordt geadviseerd op basis van dit onderzoek. In de eerste paragraaf wordt het eindbeeld geschetst. In paragraaf 6.3 worden de discussiepunten uit het onderzoek toegelicht en wat dit betekent voor het eindbeeld. Op basis van het geadviseerde eindbeeld en de discussiepunten wordt een routekaart naar een toekomstgericht en robuust watersysteem voorgesteld in paragraaf 6.4.

6.1

Eindbeeld

Op basis van het onderzoek, is het advies voor het watersysteem hieronder toegelicht. In het algemeen geldt dat het advies voor de ontwerpkeuzes bestaat uit een combinatie van de varianten.

Afbeelding 6.1 Advies waterstructuur (zie voor grote versie bijlage VI)

60 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Afvoerroute noordwestelijk gebied Het advies is om de route voor de afvoer vanuit het noordwestelijk gebied, om te leiden langs het Dorp/Watertuinen. De belangrijkste reden is dat varianten 2A, 2B en 2C aanzienlijk beter scoren op de waterkwaliteit dan variant 1, als we kijken naar de waterkwaliteit in het Energielandschap en de Vierde Tocht. In de varianten 2-A-B-C ligt de belasting significant lager dat in variant 1, ook wanneer we rekening houden met alle onzekerheden in de berekeningen. Daarbij komt dat de incidentele afvoer via de 4e Tocht leidt tot een structureel mindere waterkwaliteit en niet alleen incidenteel voor problemen kan zorgen. Dit betekent dat het effect niet allen na een piekafvoer merkbaar is maar in meer of mindere mate continu. Voor de varianten 2-A-B-Cgeldt dat varianten 2B (afvoer westelijk agrarisch gebied via Derde Tocht) en 2C (afvoer westelijk agrarisch gebied via 2½ Tocht) als moeilijk te realiseren varianten worden beschouwd, vanwege aanwezige knelpunten en de benodigde aankoop van een aanzienlijk oppervlakte grond. De afvoer viadeze afvoerroute (varianten 2A, 2B en 2C) betekent dat er een extra nutriëntenbelasting wordt afgevoerd op de Derde Tocht. Het onderzoeken van het effect van de extra nutriëntenbelasting is geen onderdeel geweest van de scope in dit onderzoek.

In een nadere uitwerking moet worden uitgewerkt hoe om te gaan met de extra nutriëntenbelasting op de Derde Tocht. Mocht deze extra nutriëntenbelasting leiden tot ongewenste effecten op de waterkwaliteit of indien de verbinding vanwege andere redenen in de praktijk niet te realiseren is, dan bestaat er een alternatief om de afvoer via de Vierde Tocht en het Energielandschap te laten afvoeren (variant 1) met een optimalisatie daarin. De waterbalans laat zien dat een groot aandeel van de extra nutriëntenbelasting op het Energielandschap en de Vierde Tocht afkomstig is van de afvoer vanuit het Dorp en de Watertuinen. In de optimalisatie kan de externe nutriëntenbelasting worden verlaagd door de reguliere afvoer van de Watertuinen en het Dorp te laten afwateren op de Vierde Tocht, aan de zuidoostelijke grens van het plangebied. Dit is ook mogelijk indien rekening wanneer rekening wordt gehouden met de waterberging, want de berekening laat zien dat voor het Dorp en de Watertuinen de waterberging in het Energielandschap niet of maar zeer beperkt nodig is. Dit kan praktisch worden ingevuld door aan de kant van het Energielandschap een (nood)uitlaat op te nemen. Dit heeft als bijkomend voordeel dat de waterafvoerrichting in de toekomst ook gestuurd kan worden.

Toekomstperspectief waterkwaliteit afvoer westelijk agrarisch gebied Voor de afvoer van het westelijk agrarisch gebied is te zien dat deze in variant 1 substantieel bijdraagt aan de fosfor belasting. Ook voor microverontreinigingen zoals bestrijdingsmiddelen zorgt deze afvoer voor een belasting. De meest gewenste optie is dat de verontreiniging bij de bron wordt opgelost. Dit is van belang omdat ook bij loskoppeling van de Vierde Tocht de afvoer nog steeds, maar dan elders, zorgt voor ongewenste belasting van de waterkwaliteit. Het hoogheemraadschap is reeds bezig om dit te stimuleren, echter is vooruitzicht op de korte termijn dat dit nog niet de gewenste resultaat oplevert (zie ook [ref. 9]).

6.2

Waterpeilen

Het advies voor de waterpeilen is weergegeven in tabel 6.1. Variant 1 geniet de voorkeur voor de waterpeilen in het Energielandschap en de Vierde Tocht. In deze variant wordt ten opzichte van de huidige situatie het waterpeil in de Vierde Tocht verhoogd maar niet tot het niveau van het Dorp. Vanwege het belang van de buisleidingenstraat en de investering die daaraan gekoppeld is, wordt variant 1 voor de in te stellen waterpeilen als realistische optie gezien. Dit resulteert al in een aanzienlijke verbetering van de waterkwaliteit en het robuust inrichten van het watersysteem. Op dit moment wordt het waterpeil van varianten 2A-B-C vanwege de buisleidingenstraat niet als haalbare optie gezien. Waarbij overigens wel wordt aanbevolen om met de beheerders en eigenaren van de leiding te bespreken welke waterhuishoudingkundige aanpassingen exact mogelijk zijn.

61 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

Flexibel peilbeheer en droogvallende delen watersysteem Eén van de kenmerken van een robuust watersysteem is dat het niet of minder afhankelijk is van de inlaat van water. Om dat te bereiken wordt in natte perioden water opgeslagen om dit vervolgens te benutten voor de droge perioden. Dit ‘opslaan van water’ vindt zowel in het oppervlaktewatersysteem als in de bodem plaats. In diverse nieuwbouwwijken in Nederland is al ervaring met een flexibel peilbeheer, ook in lagere delen zoals de Haarlemmermeerpolder of het boezemsysteem van Friesland. Vaak wordt daarbij als bandbreedte tussen maximum en minimum 0,3 m verschil aangehouden. In het huidige klimaat is dit meestal voldoende om droge zomers op te vangen binnen het bestaande watersysteem. Uit de analyses in hoofdstuk 3 blijkt al dat hiermee een aanzienlijke besparing op inlaatwater mogelijk is. Een verdergaande optie is om een waterstandsvariatie van 0,5 m toe te staan. Voor zover bekend zijn voor woonwijken in Nederlandse polders nog geen ervaringen met dergelijke peilvariaties. De afstemming van het ontwerp op deze peilvariatie vraagt een aanzienlijke inspanning met als belangrijke aandachtspunten: - bij een lage waterstand vallen grote delen van de oevers droog, zeker bij toepassing van een flauw talud. Welk beeld levert dit op voor bewoners van het Dorp? - bij een lage waterstand zal de resterende waterdiepte beperkt zijn.

Bijvoorbeeld wanneer bij de maximale waterstand 1,2 m waterdiepte aanwezig is, zal in een droge situatie nog 0,7 m overblijven; Wat zijn hiervan de gevolgen voor vissen, waterplanten en ook onderhoud (verlanden); - om waterverbindingen te blijven behouden zijn ruimere duikers nodig, bijvoorbeeld minimaal 800 mm in plaats van 600 mm. Een deel wordt opgelost door sloten en greppels toe te passen die droog mogen vallen, zie de schetsen hieronder. In bijlage V is een tekening opgenomen waarin de waterstandsfluctuatie is weergegeven in smalle en brede watergangen maar ook in greppels en sloten die droog kunnen vallen. Een consequentie van de keuze is bijvoorbeeld dat grotere duikers nodig kunnen zijn. Waar normaalgesproken een diameter van 600 mm vereist zou zijn, wordt dat nu 800 mm. Zoals uit bovenstaande blijkt, zijn de uitdagingen bij een grote marge in het flexibel peilbeheer aanzienlijk. Een peilfluctuatie van 50 cm kan daarom niet als harde eis worden genomen. Om te verkennen wat maximaal mogelijk is, wordt voorgesteld om bij de uitwerking van de eerste plannen de maximale peilfluctuatie van 50 cm als voorlopig uitgangspunt te hanteren en na te gaan of en hoe dit vertaald kan worden naar een inpasbaar en beheersbaar ontwerp, rekening houdend met de oeverinrichting, het ecologisch functioneren bij minimale waterstanden, de benodigde investeringen en onderhoudsaspecten.

Hiermee kan maximaal invulling worden gegeven aan klimaatrobuustheid, Het watersysteem wordt meer veerkrachtig en robuuster tijdens droogte, dan bij een flexibel peil van 30 cm, omdat het minder afhankelijk wordt van de inlaat. Vanwege de hiervoor genoemde punten is niet met zekerheid te zeggen dat 50 cm peilfluctuatie in de uitwerking gerealiseerd kan worden, maar door vooraf hoge ambities te hanteren, wordt ingezet op het maximaal haalbare. In de uitwerking kan bijvoorbeeld ook blijken de in de woongebied 30 of 40 cm peilvariatie te realiseren is maar dat bepaalde delen van het bosgebied wel 50 cm peilfluctuatie kunnen krijgen. Afhankelijk van de resultaten van de detailuitwerking, kan flexibel peilbeheer in de eerste plannen worden ingevoerd. Door wel (beperkte) voorzieningen voor de inlaat van water aan te brengen, kan in de praktijk zo nodig worden bijgestuurd indien een lage waterstand leidt tot problemen of overlast. Uit de waterbalansen in hoofdstuk 3 blijkt overigens dat de minimale waterstanden maar incidenteel worden bereikt. Alleen kortdurend gedurende de droogste zomers zakt de waterstand echt onderuit. In gemiddelde jaren blijft de ‘natuurlijke’ waterstandsvariatie binnen een marge van 30 cm.

Om op gemiddeld dezelfde waterstand uit te komen, kunnen de peilmarges bij 30 cm peilfluctuatie niet automatisch met zowel aan de boven- als onderkant met 10 cm worden uitgebreid. Om gemiddeld ongeveer op een gelijke waterstand uit te komen, wordt voorgesteld om in het voorlopige peilvoorstel de marges aan de bovenkant met 5 cm te verhogen en aan de onderzijde met 15 cm te verlagen. Uitgaande van de maximale waterstand binnen de bandbreedte is de drooglegging in het Dorp en de Watertuinen 0,95 m. Bij de toetsing van de beschikbare waterberging in hoofdstuk 4 is uitgegaan van 0,9 m

62 | 68

Witteveen+Bos | 136828/23-015.003 | Concept 03

drooglegging. Dit betekent dat bij deze marges van het flexibel peilbeheer voldoende waterberging beschikbaar is.

Tabel 6.1 Eigenschappen watersysteem - advies eindsituatie Deelgebied

Waterpeil [m NAP]

Functies

Aanvoer

Afvoer

Dorp en Watertuinen

-6,10 / -5,60

stedelijk gebied vasthouden afvoer stedelijk gebied

ringvaart

Vierde Tocht (benedenstrooms) en/of Energielandschap

Energielandschap

-6,45 / -5,95

waterberging voor extreme situaties (T=100 bui en bij maalstop)

Dorp en Watertuinen of Vierde Tocht

Vierde Tocht → gemaal Abraham Kroes

Vierde Tocht

-6,45 / -5,95

afvoer en waterbergende functie Watertuinen en Dorp

ringvaart

gemaal Abraham Kroes

behouden zoals huidige situatie. Meerdere waterpeilen variërend van -5,90 tot -6,48

agrarisch gebied en ecologische zone

deels uit het Dorp/Watertuinen

gemaal Abraham Kroes

Groene waterparel

Koning Willem I bos en bedrijventerreinen

minimaal -6,32/6,42 gebieden isoleren en waterpeil ophogen waar mogelijk, rekening houdend met definitieve functies en mogelijke inpassing infrastructuur/te behouden bebouwen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16164858/1