Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Middelweg 32 - MRD A24.001413
Tekst van het document
Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen, of bij ontwikkeling van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m 2. Onderhavige herontwikkeling bestaat uit de verplaatsing van 36 zorgwoningen in een nieuw te realiseren gebouw buiten bestaand stad- en dorpsgebied. Voor deze ontwikkeling moet een ladderonderbouwing worden geschreven om aan te tonen dat er behoefte is aan deze ontwikkeling. Ligging Het plangebied ligt aan de Middelweg in het buitengebied van Moordrecht (gemeente Zuidplas) en maakt onderdeel uit van het terrein van kinderboerderij In De Krom. Het plangebied is momenteel in gebruik als buitenbak voor paarden en geiten. De locatie heeft een landelijke sfeer met een groots en vrij uitzicht, met name naar het noorden en westen toe. In de directe omgeving zijn naast, de kinderboerderij een kleine paardenstal en een begraafplaats te vinden. De locatie is goed bereikbaar. De bushalte van de buslijn tussen Gouda en Rotterdam- Alexander is op 0,5 km.
De dorpskern van Moordrecht is binnen loopafstand van 1 km. Hier zijn voorzieningen te vinden als een winkelgebied, onderwijs en sportlocaties en de buslijn tussen Gouda en Rotterdam Alexander. Op de fiets zijn ook het centrum van Gouda, Nesselande, Nieuwerkerk a/d IJssel bereikbaar en ook het omliggende waterrijke gebied met uitgestrekte Hollandse polderlandschappen. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk (2) zijn de uitgangspunten voor de ladderonderbouwing beschreven. In hoofdstuk 3 wordt de onderbouwing van de behoefte toegelicht. In hoofdstuk 4 wordt de motivering van de ligging van de locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied (in het vervolg BSD) toegelicht. De conclusies zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Hoofdstuk 2 Uitgangspunten 2.1 Beleid en relevante beleidskaders Rijksbeleid De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft zorgvuldig ruimtegebruik als doel en geeft invulling aan het zorgvuldig en transparant afwegen van besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. De ladder is verankerd in artikel 3.1.6. lid 2 Besluit ruimtelijk ordening (hierna Bro) en luidt als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. Provinciaal beleid Vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland geldt artikel 6.10 Stedelijke ontwikkeling inzake de laddertoets.. Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is verschillend beleid, zoals het Besluit ruimtelijke ordening en de Omgevingsverordening Zuid-Holland, komen te vervallen. Echter is de omgevingsvergunning ingediende voor 1 januari 2024 en geldt voor dit bouwplan nog de oude wetgeving. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen, mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale omgevingsvisie genoemde doelstellingen.
In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Stedelijke ontwikkeling Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak1 dat: 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De ontwikkeling betreft de verplaatsing en clustering van 36 woonzorgeenheden, er worden geen nieuwe woonzorgeenheden toegevoegd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de realisatie van deze functie geen stedelijke ontwikkeling betreft. Wel is
1 ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
sprake van een ruimtelijke ontwikkeling die in het kader van een zorgvuldige afweging gemotiveerd dient worden. Het plangebied is echter wel gesitueerd buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In het vigerende bestemmingsplan zijn stedelijke ontwikkelingen / functies niet toegestaan. Derhalve is een ladderonderbouwing nodig waarom deze functie: 1. Voorziet in de behoefte op grond van een zorgvuldige afweging van de ruimtelijke ontwikkeling. 2. Buiten bestaand- en dorpsgebied gerealiseerd moet worden. Relevante beleidskaders Onderstaand is beknopt uiteengezet welke beleidskaders als uitgangspunten dienen voor deze ladderonderbouwing: Type overheid Beleidskaders Datum Provincie Zuid-Holland Omgevingsvisie en in werking per 1 april 2023 Omgevingsverordening Gemeente Zuidplas Omgevingsvisie 13 juli 2021 Gemeente Zuidplas Woonvisie 23 januari 2019
2.2 Onderzoeksgebied Bij de bepaling van de behoefte voor het plan moet eerst de afbakening van het onderzoeksgebied worden bepaald. Het planvoornemen is geïnitieerd vanuit de lokale zorgaanbieder om verschillende huisvestingslocaties voor zorg samen te voegen tot 1 locatie. Het gaat om inpassing van een bestaande zorgfunctie en niet om reguliere woningen. Vanuit hier is de vraag om een nieuwe en kwalitatief betere locatie te realiseren voor de huisvesting van cliënten. Hiervoor is een locatie net buiten het bestaande stads- en dorpsgebied aangewezen als potentieel geschikte locatie (door de zorgaanbieder). Deze locatie is eveneens gelegen naast de dagbesteding (kinderboerderij). Hierdoor heeft het planvoornemen betrekking op het invullen van een lokale behoefte. Het is daarbij niet benodigd om de behoefte uitgebreid (regionaal) te onderbouwen.
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Hoofdstuk 3 Onderbouwing behoefte Op de grond van de uitgangspunten in hoofdstuk 2 wordt de behoefte aan de ontwikkeling onderbouwd. De regio Midden-Holland huisvest iets meer dan 200 bewoners van instellingen voor beschermd wonen en minimaal 120 bewoners van de maatschappelijke opvang. Dit is exclusief de bestaande (maar beperkte) wachtlijsten. Door veranderend beleid stromen steeds meer bewoners uit deze woonsituatie uit om weer zelfstandig te gaan wonen. Rigo Research en Advies2 heeft in een onderzoek in de regio Midden Holland aangetoond dat ongeveer 58% van de bewoners van beschermd wonen instellingen klaar is om uit te stromen. 42% kan niet zelfstandig wonen en blijft aangewezen op het wonen in een beschermd wonen instelling. Een deel kan van de inwoners die uitstromen kan zelfstandig wonen met 24-uurs begeleiding op afroep en een op maat samengesteld zorgpakket. Dit is de groep ‘Gewoon Thuis’. Een ander deel van de uitstromers kan naar een tussenvorm van zelfstandig wonen: ‘Beschut Wonen’. Hierbij woont de cliënt zelfstandig, maar kan op afroep acute zorg inschakelen die zich fysiek in de nabijheid bevindt. Daarbij is ook de mogelijkheid om gebruik te maken van een gemeenschappelijk voorziening in een nabije zorginstelling. Wat betreft de maatschappelijke opvang is nog niet duidelijk hoe groot de uitstroom zal worden.
Die is ook afhankelijk van de preventieve maatregelen ter voorkoming van instroom naar die maatschappelijke opvang. In de omgevingsvisie3 van de gemeente wordt ingezet op een gezond en aantrekkelijk Zuidplas waarbij ingezet wordt op aanpassingen van de woningvoorraad waarbij iedereen kan wonen en werken in de gemeente. In de woonvisie van de gemeente wordt uitgebreider ingegaan op bijzondere doelgroepen zoals inwoners die niet zelfstandig kunnen wonen. Bewoners die niet zelfstandig kunnen wonen vinden in Zuidplas ook onderdak. Zuidplas is een inclusieve samenleving waar iedereen kan meedoen en waar nodig wordt ondersteund. Zuidplas wil een bijdrage leveren aan huisvesting van bijzondere doelgroepen. Er zijn op grond van het beleid geen duidelijke cijfers herleidbaar aangaande de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Het betreft in dit specifieke geval ook een ontwikkeling die gericht is op het herhuisvesten van een bestaande zorgfunctie. Waarbij er sprake is van een clustering en verplaatsen van meerdere bestaande locaties voor het aanbieden van deze zorg. Door het verplaatsen van de functies blijft het aantal beschikbare zorgwoningen gelijk. Vanuit het beleid blijkt niet dat er een tekort en / of een overschot aanwezig is.
Door het realiseren van een nieuwe locatie wordt er een kwaliteitsimpuls gerealiseerd waardoor de zorgwoningen beter zullen passen bij de vraag en behoefte van de bewoners. Derhalve wordt geconcludeerd dat deze ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een lokale zorg behoefte.
2 3
Rapport Van bescherm tot zelfstandig wonen, RIGO Research en Advies, d.d. 7 november 2017 Omgevingsvisie Zuidplas, gemeente Zuidplas, d.d. 13 juli 2021
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Hoofdstuk 4 Onderbouwing locatie buiten BSD In voorgaand hoofdstuk is toegelicht dat het plan voorziet in de behoefte van een lokale zorgaanbieder. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied (hierna BSD). Onderbouwing Zoals in de voorgaande paragrafen is aangegeven betreft de ontwikkeling een verplaatsing en clustering van de zorgfunctie nabij de rotonde van de Middelweg met de Wethouder Visweg, waar reeds een bestaand maatschappelijk woongebouw is gevestigd voor soortgelijke doeleinden. Met het planvoornemen wordt aansluiting gezocht bij deze bestaande invulling. De planlocatie is gelegen tussen de bestaande locatie van de kinderboerderij en het dorp Moordrecht en in de nabijheid van andere functies voor het dorp, zoals een begraafplaats. Door de inklemming tussen de Middelweg en de Wethouder Visweg kan de planlocatie worden gezien als onderdeel van de bebouwde kom van Moordrecht, wat ook door de gemeente middels een principebesluit wordt beaamd. Op grond van de Omgevingsvisie Zuidplas is de planlocatie onderdeel van het Restveengebied, een open polderlandschap waarbij het beschermen van deze openheid van belang is. De provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland heeft de planlocatie aangeduid als ‘Ruimtelijke kwaliteit beschermingscategorie 2: Groene buffer’ en beschermingscategorie 3: Buitengebied.
Ontwikkelingen binnen deze aanduidingen mogen de bufferfunctie niet verstoren. Doordat de planlocatie door de ligging gezien kan worden als onderdeel van de bebouwde kom van Moordrecht, en de beoogde bebouwing tussen het dorp en bestaande bebouwing wordt geplaatst, kan gesteld worden dat het planvoornemen geen afbreuk doet aan de openheid van het landschap en de bufferfunctie zoals genoemd in het gemeentelijk en provinciaal beleid. Dit is afgestemd met de provincie Zuid-Holland. Ook wordt bij de realisatie van het gebouw rekening gehouden met een passende vorm en massa. Er is gekozen voor een langgerekt ‘schuur’-volume met een verspringing halverwege de langste gevel. Een dergelijk volume is passend in het landschap en de verspringing helpt ook bij de maat en schaal van het gebouw. Hierbij worden ook de watergangen behouden om de openheid van het polderlandschap te conserveren. Door het realiseren van een nieuwe locatie wordt er een kwaliteitsimpuls gerealiseerd waardoor de zorgwoningen beter zullen passen bij de vraag en behoefte van de bewoners. Waarbij ook een wisselwerking is tussen de zorgvoorziening die gerealiseerd wordt en de bestaande kinderboerderij waar ook de bewoners van de zorgwoningen naar toe kunnen gaan voor de dagbesteding.
Daarnaast zijn de bewoners van het plan ook gebaad bij deze locatie omdat deze minder prikkels heeft dan een locatie midden in de kern van Moordrecht. Op deze locatie wordt de kans op overlast van het planvoornemen op de omgeving minder geacht. Conclusie Gezien het voorgaande is sprake van een behoefte die de beoogde locatie gerealiseerd kan worden. Een verdere motivering op dit punt is niet benodigd.
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Hoofdstuk 5 Conclusie Op basis van de ladderonderbouwing wordt gesteld dat: - Het plan voorziet in een lokale behoefte aan zorgwoningen binnen het onderzoeksgebied; - Het plan in lijn is met de verschillende relevante beleidskaders, de vraag en wensen vanuit de markt; - Het plan is voorzien op een locatie buiten BSD en zorgvuldig wordt ingepast. De algehele conclusie van deze laddertoets is dat voor het planvoornemen de ladder afdoende is onderbouwd ten aanzien van behoefte en locatie.
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
41 - 417
RAPPORT Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Middelweg 32 Moordrecht, gemeente Zuidplas
Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Middelweg 32 in Moordrecht, gemeente Zuidplas Opdrachtgever
Wissing Ruimtelijke Denkers Middenbaan 108 2991 CT Barendrecht
1
Rapportnummer
23224.002
Versienummer1
1
Datum
20 november 2023
Opsteller2
R.S. Verheij, MSc
Kwaliteitscontrole
Drs. A.J. Wullink
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld
door de bevoegde overheid. 2
AVG
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwartgelakt te worden.
Econsultancy Archeologisch Rapport
KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNAprotocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 3 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 17 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 3 Methoden ...................................................................................................................................... 3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 4 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 5 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 5 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................................ 9 Archeologische waarden .............................................................................................................. 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 14 Conclusie bureauonderzoek......................................................................................................... 16
Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 17 Methoden .................................................................................................................................... 17 Resultaten .................................................................................................................................... 18 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 19
CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 20
BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN
TABELLEN Tabel 1. Tabel 2.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Gespecificeerde archeologische verwachting
FIGUREN Figuur 1.
Ligging van het plangebied
KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15.
Het plangebied op de topografische kaart Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op paleogeografische kaarten Het plangebied op de geologische kaart Het plangebied op de stroomgordelkaart Het plangebied op de geomorfologische kaart Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op historische kaarten Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de archeolandschappelijke eenhedenkaart Het plangebied op de archeologische verwachtingskaart Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6.
AMZ-cyclus Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Planontwerp Boring in DINOloket ten noordwesten van het plangebied Onderzoeksmeldingen Boorstaten
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode
22340.002
Opdrachtgever
Wissing Ruimtelijke Denkers
Toponiem
Middelweg 32
Plaats
Moordrecht
Gemeente
Zuidplas
Provincie
Zuid-Holland
Kadastrale gegevens
Gemeente Moordrecht, sectie D, perceel 3519 (deels)
Omvang plangebied
Circa 7.900 m2
Centrumcoördinaten (X/Y)
105.050 / 445.150
Archeoregio NOaA
12: Hollands veen- en kleigebied
Bevoegde overheid
Gemeente Zuidplas Raadhuisplein 1 2914 KM Nieuwerkerk aan den IJssel
T: 0180-330300 E: Gemeente@zuidplas.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst Midden-Holland Drs. J. Noordervliet–van Zwienen Thorbeckelaan 5 2805 CA Gouda
T: 088-5450000/ 088-5450226 E: info@odmh.nl/ jnoordervliet@odmh.nl
Uitvoeringsperiode
oktober en november 2023
Uitvoerder
Econsultancy, R.S. Verheij, MSc (KNA Prospector)
Onderzoeksmelding ARCHIS3
5473254100
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy en op termijn het provinciaal depot
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Wissing Ruimtelijke Denkers in oktober en november 2023 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Middelweg 32 in Moordrecht in de gemeente Zuidplas. In het plangebied zullen 36 zorgappartementen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens het bureauonderzoek worden er in het plangebied resten uit het Neolithicum verwacht in de top van bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel, wanneer er in de top een bodem is gevormd of deze is gerijpt. Er is geen of een lage verwachting voor resten uit de overige periodes.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het veldonderzoek blijkt dat er in het plangebied bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel aanwezig zijn in de vorm van grof zand en matig tot sterk siltige klei met de top tussen 310 en 365 cm -mv (-8,95 en -9,4 m NAP). In de top van de oeverafzettingen zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen en de klei is niet gerijpt. Op de oeverafzettingen is een pakket komklei aangetroffen, behorend tot het Laagpakket van Echteld met de top tussen 265 en 295 cm -mv (-8,45 en -8,7 m NAP). Op de komafzettingen is een dik pakket veen gevormd (265 tot 295 cm) waarvan de top, die aan het maaiveld ligt, is veraard. In boring 1, 2, 3 en 4 is boven in het veenpakket een sterk humeuze kleilaag afgezet, vermoedelijk van voor de bedijking van de Hollandse IJssel. Conclusie Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de verwachting voor resten uit het Neolithicum in de top van de bedding- en oeverafzettingen naar laag kan worden bijgesteld door het ontbreken van gerijpte klei en bodemvorming. Voor de overige periodes heeft het plangebied geen of een lage archeologische verwachting. Advies Econsultancy adviseert om het plangebied vrij te geven voor de geplande en toekomstige werkzaamheden.
22104.001 versie 1
Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Zuidplas), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Zuidplas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Zuidplas op de hoogte te stellen.
22104.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Wissing Ruimtelijke Denkers een archeologisch onderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Middelweg 32 in Moordrecht, gemeente Zuidplas (figuur 1). De initiatiefnemer heeft het voornemen de bouw van 36 zorgappartementen binnen het plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in oktober en november 2023 door R.S. Verheij, MSc (KNA Prospector Ma). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.J. Wullink (Senior KNA Prospector).
22104.001 versie 1
1 / 20
Figuur 1.
3
Ligging van het plangebied3
Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT)
22104.001 versie 1
2 / 20
2
BUREAUONDERZOEK
2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
2.2 Methoden Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 40024, volgens specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. Ook zijn de richtlijnen voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Zuidplas gevolgd. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische, ondergrondse bouwhistorische en aardwetenschappelijke waarden (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05); opstellen van een standaardrapport (LS06).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; recente topografische kaarten, kadastrale kaarten en luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Zuidplas; de Atlas ODMH; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
4
BRL SIKB 4000 Archeologie; versie 4.1, 2018
22104.001 versie 1
3 / 20
2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld, dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Middelweg 32, in het buitengebied ten noordwesten van Moordrecht, in de gemeente Zuidplas (kaart 1). Ten zuidwesten van het plangebied ligt de Middelweg en de noordoostzijde van het plangebied grenst aan de Wethouder Visweg. Pal ten noordoosten van het plangebied ligt de Boerderij In de Krom, een activiteitencentrum en woonlocatie van de Gemiva-SVG Groep. Ten zuidoosten van het plangebied ligt de Vogelwijk van Moordrecht en ten noordoosten en zuidwesten van het plangebied bevinden zich weilanden. Het plangebied heeft een oppervlak van circa 7.900 m2 en is kadastraal bekend als gemeente Moordrecht, sectie D en beslaat een deel van perceel 3519 (kaart 2). De centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 105050 en Y: 445150. Huidige situatie Het plangebied is deels ingericht als kinderboerderij met schapen en alpaca’s, er is een paardenbox aanwezig met paarden en bestaat voor de rest uit grasland.
Het plangebied is omringd door sloten en het plangebied wordt in het midden (noordoost-zuidwest georiënteerd) door een sloot opgedeeld in twee delen. De huidige situatie is weergegeven op kaart 3. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het archeologiebeleid van de gemeente Zuidplas is vastgelegd in een beleidsnota en een beleidskaart met toelichting.5 Volgens de beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting en valt onder een zone met Waarde Archeologie 3 (WA3). De beleidsregels zijn overgenomen in het bestemmingsplan Parapluherziening Archeologie uit 2018. Op deze kaart is de hoge verwachting vertaald naar een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’.
Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 3 m -mv.6
5
Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Zuidplas, 2010; Buesink e.a., 2010; Thanos, 2018
6
Parapluherziening Archeologie
22104.001 versie 1
4 / 20
Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van het archeologisch veldonderzoek, is de bodematlas van de Omgevingsdienst Midden-Holland geraadpleegd.7 Binnen het plangebied zijn geen bodemonderzoeken uitgevoerd, wel is er pal ten noordwesten van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bodemopbouw bestaat uit veen beginnend vanaf 50 tot 100 cm -mv tot een diepte van 400 cm -mv. Boven op het veen is zand aangetroffen tot aan het maaiveld.8
2.4 Toekomstige situatie In het plangebied zullen 36 zorgappartementen worden gerealiseerd. De oppervlakte van de bebouwing zal circa 1.500 m2 bedragen. De diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is nog onbekend (bijlage 3). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
2.5 Aardwetenschappelijke gegevens De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 1.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie9
Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk
Geomorfologie10
Vlakte van getij-afzettingen en veenrestvlakte
Bodem11
Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of moerige tussenlaag op nietgerijpte zavel of klei en vlierveengronden op rietveen of zeggerietveen
Grondwatertrap
Ib
7
Atlas | ODMH
8
Lexmond Milieu-Adviezen B.V., 1999
9
De Mulder e.a., 2003
10
NGR/Wageningen Environmental Research (2019)
11
NGR/Wageningen Environmental Research (2018)
22104.001 versie 1
5 / 20
Landschappelijke ontwikkeling De landschappelijke ontwikkeling van het gebied zal worden beschreven aan de hand van enkele standaardwerken.12 Het plangebied ligt in het Hollands veen- en kleigebied. De ontwikkeling van het huidige landschap begint in de laatste IJstijd, het Weichselien (115.000 - 10.000 jaar geleden). Tijdens het koudste deel van deze ijstijd, het Laat-Pleniglaciaal (26.000 – 13.000 jaar geleden), ligt het plangebied in de brede riviervlakte van een vlechtende Rijn en Maas. In deze periode wordt het zogenaamde Laagterras gevormd. In het Laat-Glaciaal (13.000 – 10.000 jaar geleden) verbetert het klimaat. In het eerste deel, het warme deel van het Laat-Glaciaal, het BøllingAllerød-interstadiaal (13.000 – 11.000 jaar geleden) veranderen de Rijn en Maas in zich insnijdende meanderende rivieren. Op het hoger gelegen Laagterras worden overstromingskleien afgezet. In de laatste (koude) fase, de Jonge Dryas (11.000 - 10.000 jaar geleden), gaan de rivieren weer vlechten en ontstaat het zogenaamde Terras X. Langs de randen van het Terras X, op de oudere terrassen en meandergordels, ontstaan rivierduincomplexen. Het plangebied ligt op dat moment ten noorden van meerdere rivierduinen. In de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) gaan de rivieren wederom meanderen. In het eerste deel van het Holoceen snijden de rivieren zich nog in.
Buiten de rivierdalen, op de oudere, pleistocene rivierafzettingen, worden wederom overstromingskleien afgezet. De pleistocene rivierafzettingen worden tot de Formatie van Kreftenheye gerekend. De overstromingskleien uit het Bølling-Allerød-interstadiaal en het Vroeg-Holoceen vormen de Laag van Wijchen binnen deze formatie. De rivierduinen uit de Jonge Dryas vormen het Laagpakket van Delwijnen binnen de Formatie van Boxtel. In het eerste deel van het Holoceen ontstaat in West-Nederland een getijdengebied, met kwelders en kreken. Het getijdengebied wordt aan de zeezijde begrensd door een opensysteem van strandwallen en aan de landzijde door een veenmoeras. In de pleistocene dalen van de Rijn en Maas ontstaan estuaria, waarin, landinwaarts, rivierafzettingen onder invloed van het getij worden afgezet. Doordat de zeespiegel steeds verder stijgt, schuift de kustlijn verder oostwaarts. Ook het veenmoeras schuift steeds verder op en ouder veen wordt afgedekt door mariene en fluviatiele afzettingen. Het veen dat op de pleistocene afzettingen wordt gevormd, is de Basisveen Laag binnen de Formatie van Nieuwkoop. De mariene afzettingen in het getijdengebied behoren tot het Laagpakket van Wormer binnen de Formatie van Naaldwijk. De fluviatiele afzettingen die in een zoet- of brakwatermilieu in de estuaria worden afgezet behoren tot de Formatie van Echteld. Rond 5500 v. Chr.
ligt het plangebied aan de rand van het fluviatiele bereik, in een komgebied, op de overgang naar een veenmoeras (kaart 5B). In de periode erna ligt het plangebied in een veenmoeras doorsneden met anastomoserende rivieren. De hoofdstroom van de Rijn (de Gouderak-stroomgordel) ligt ten noorden van het plangebied en verschuift later in noordelijke richting (de Oude Rijn-stroomgordel; kaart 5C en D).
12
Cohen & Stouthamer, 2012; de Mulder e.a., 2003; Stouthamer e.a., 2015
22104.001 versie 1
6 / 20
Veenstroompjes die zich vormen in het veengebied zorgen voor de ontwatering van het veengebied, zoals de Vlist en de Loet. Deze veenstroompjes voeren het overtollige water uit de centrale delen van de veengebieden af naar de wat lager gelegen grote rivieren.13 Vanaf 250 v. Chr. krijgen de rivieren meer invloed in het veengebied en rond 100 n. Chr. groeit één van de veenstroompjes uit tot een voorloper van de Hollandse IJssel, onder invloed van getijdenwerking. Het plangebied ligt op dat moment net ten noordwesten van de stroomgordel van de Hollandse IJssel (kaart 5H). De Vlist watert bij Haastrecht af in de Hollandse IJssel. In de 11e eeuw worden de rivieren de Lek, Hollandsche IJssel en Vlist bedijkt, waarna het gebied stelstelmatig wordt ontgonnen.14 Geologie, geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geologische kaart van Nederland, die de geologische opbouw van de bovenste meters vanaf het maaiveld weergeeft, worden in het plangebied oudere getijdenafzettingen (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk) verwacht (kaart 6). Dit beeld wordt deels bevestigd door een boring in het DINOloket, ten noordwesten van het plangebied (bijlage 4).15 Volgens deze boring komen in het plangebied geulafzettingen van de Rijn voor, behorend tot de Formatie van Echteld tot 320 cm -mv (-8,8 m NAP).
Deze rivierafzettingen worden afgedekt door getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer tot 230 cm -mv (-7,9 m NAP). Op de getijdenafzettingen is een 230 cm dik veenpakket gevormd tot -5,6 m NAP. Ook andere boringen in de omgeving laten hetzelfde beeld zien.16 Volgens de stroomgordelkaart van Cohen e.a. (kaart 7) ligt het plangebied op de Zuidplas-stroomgordel, die actief is in het Neolithicum (van 5150 tot 4450 v. Chr.) de Zuidplas-stroomgordel doorsnijdt ter plaatse van het plangebied de oudere Gouderak-stroomgordel (actief van 6070 tot 5150 v. Chr.). Ten zuidoosten van het plangebied ligt de Hollandse IJssel, die actief is geweest van 50 n. Chr. tot de afdamming bij IJsselstein in 1285 n. Chr. De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het grootste gedeelte van het plangebied op een vlakte van getijdenafzettingen en het oostelijke deel van het plangebied op een veenrestvlakte (kaart 8). Ten noordwesten van het plangebied komt een getij-inversierug voor. Op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) zijn verschillende stroomgordels zichtbaar, deze liggen hoger in het landschap dan de rest van de omgeving (kaart 9). Ook het plangebied lijkt op een deel van een stroomgordel te liggen.
Daarnaast is te zien dat het perceel pal ten noordwesten van het plangebied, waar de boerderij op ligt, is opgehoogd. Ook de bebouwing van Moordrecht is opgehoogd ten opzichte van de weilanden eromheen. Het maaiveld van de stroomgordels ligt tussen circa -5,9 en -5,25 m NAP en van de omgeving tussen circa -6,2 en -6 m NAP. Het maaiveld van het plangebied ligt tussen -6,6 en -5,18 m NAP, waarbij het maaiveld het laagst ligt in de sloten rond het plangebied. Verder lijkt het maaiveld van het noordwestelijke deel van het plangebied hoger te liggen dan het zuidoostelijke deel. Het verschil is circa 0,15 tot 0,35 m.
13
Haartsen, 2009
14
Wink & Schute, 2016
15
Boring B38A1375, GeoTOP-model in DINOloket
16
Boring B38A1245 en B38A1376, GeoTOP-model in DINOloket
22104.001 versie 1
7 / 20
Bodem Volgens de bodemkaart van Nederland komen er in het grootste deel van het plangebied moerige eerdgronden met een moerige bovengrond of moerige tussenlaag op niet-gerijpte zavel of klei (code Wo), ook wel plaseerdgronden, voor en in het oostelijke deel van het plangebied komen vlierveengronden op rietveen of zeggerietveen (code Vr) voor (kaart 10). Ten noordwesten van het plangebied komen kalkarme leek-/woudeerdgronden (code pMn86C) en tochteerdgronden (code pMo80) voor. Ten zuidwesten van het plangebied komen koopveengronden op (meestal niet-gerijpte) zavel- of klei, beginnend ondieper dan 120 cm (code hVk) voor. Vlierveengronden (code Vr) zijn rauwveengronden waarbij een moerige eerdlaag, een zavel- of kleidek, een zanddek en een veenkoloniaal dek ontbreken en waarbij niet-gerijpt materiaal dieper dan 20 cm begint. Kalkarme leek-/woudeerdgronden (code pMn86C) zijn zeekleigronden met een minerale eerdlaag en met roest en grijze vlekken beginnend binnen 50 cm. Daarnaast hebben deze gronden een tussenlaag of ondergrond van niet-kalkrijke zware klei. De bouwvoor bestaat uit klei. Tochteerdgronden (code pMo80) zijn zeekleigronden met een minerale eerdlaag en een niet-gerijpte ondergrond. De bouwvoor bestaat uit klei. Koopveengronden (code hVk) zijn eerdveengronden met een kleiige moerige eerdlaag die 15 tot 50 cm dik is.
De ondergrond bestaat uit zavel of klei.17 Grondwater De grondwaterstand in het plangebied heeft invloed op de conservering van archeologische resten, met name organisch materiaal en metaal. Boven de laagste grondwaterstand zijn deze resten slecht geconserveerd of verdwenen. Volgens het BRO Grondwaterspiegeldiepte-model18 heeft het plangebied grondwatertrap (Gt) Ib. Dit betekent volgens de bijbehorende toelichting19 dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) dieper dan 25 cm -mv ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ondieper dan 50 cm -mv. Dit betekent dat organische resten dieper dan 50 cm -mv goed bewaard zijn gebleven.
17
Bodemkaart legenda
18
BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021
19
Basisregistratie Ondergrond Catalogus Model grondwaterspiegeldiepte, 2022
22104.001 versie 1
8 / 20
Synthese Verschillende bronnen laten een verschillend beeld van de bodemopbouw zien. Volgens de geologische kaart, de geomorfologische kaart en de bodemkaart worden in het plangebied getijdengeulafzettingen van het laagpakket van Wormer verwacht, met daarop, in een deel van het plangebied, nog restveen van het Hollandveen Laagpakket. Volgens feitelijke boorgegevens worden echter beddingafzettingen van de Formatie van Echteld verwacht, met daarop een laag getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer en daarop een dik pakket veen van het Hollandveen Laagpakket. Verder valt op dat de getijdengeulafzettingen van de geologische kaart overeenkomen met de Gouderak- en Zuidplas-stroomgordels. De vraag is hier dus of de afzettingen van de Gouderak- en Zuidplas-stroomgordels in dit gebied vanuit zee zijn aangevoerd en dus tot de mariene Formatie van Naaldwijk worden gerekend of dat ze vanuit het oosten zijn aangevoerd en tot de fluviatiele Formatie van Echteld worden gerekend. Vooralsnog wordt uitgegaan van de opbouw zoals die uit omliggende boringen blijkt, namelijk beddingafzettingen die over gaan in getijdenafzettingen en worden afgedekt door een dik pakket restveen.
2.6 Beschrijving van het historische gebruik Bewoningsgeschiedenis van Zuidplas en Moordrecht De oudste bewoningssporen uit de gemeente Zuidplas dateren uit het Mesolithicum en bevinden zich op de stroomgordels van de Gouderak en Zuidplas. Op de oevers van dichtgeslibde geulen bevinden zich tijdelijke (jacht)kampementen. Indicatoren in de vorm van houtskool, botmateriaal, vissenschubben en vuursteen zijn gevonden in de omgeving van Zevenhuizen en Moordrecht. In het Neolithicum vindt (tijdelijke) bewoning plaats van hoger gelegen rivierduinen. Ook zijn resten gevonden in het getijdengebied, ter hoogte van de Gouderak-stroomgordel. In de Bronstijd vindt er mogelijk bewoning plaats op het veen, echter zijn deze sporen verdwenen door het grootschalig afgraven van het veengebied. Vanaf de IJzertijd vindt bewoning plaats langs veenstroompjes (de Rotte en de Hollandse IJssel), waar enkele vindplaatsen bekend zijn. Dit betreffen nederzettingen met agrarische activiteiten gecombineerd met jacht en visserij. Uit de Romeinse tijd is weinig bekend over eventuele bewoning in het gebied. Echter, is er wel een aantal resten gevonden tussen Zevenhuizen en Moordrecht, nabij het voormalige veenstroompje de Slinger. Eventuele vindplaatsen zouden enkel verwacht worden langs de rivier de Rotte op plaatsen waar het veen niet is afgegraven.
In de Vroege Middeleeuwen maakt de Zuidplas deel uit van het gebied Schieland, dat tot de 10e eeuw onontgonnen blijft. Bewoning vindt daarom in deze periode alleen plaats in kleine nederzettingen, waarvan de meeste resten waarschijnlijk verdwenen zijn bij de ontginning van het veen. Vanaf de 10e eeuw worden de eerste percelen uitgegeven voor ontginning door de bisschop van Utrecht, waar het gebied onder valt. Ontginning vindt plaats langs de oeverzones van rivieren. In deze gebieden bevindt zich de eerste bebouwing en er kunnen daarom archeologische resten verwacht worden vanaf de Middeleeuwen. Verschillende ambachten beheren in die tijd de veenontginning binnen de huidige gemeente Zuidplas.
22104.001 versie 1
9 / 20
In de 12e eeuw valt het gebied onder de graaf van Holland. Door toenemende vraag naar turf vindt er intensieve veenontginning plaats vanaf het begin van de 16e eeuw en ontstaan er in de 17e eeuw grote waterplassen. In 1839 is de Zuidplaspolder ingepolderd, deze inpoldering heeft drie jaar geduurd.20 In 1223 wordt het dorp Moordrecht voor het eerst schriftelijk vermeld. Deze vermelding heeft betrekking op een tolhuis dat de graven van Holland vermoedelijk aan de Hollandse IJssel hebben gehad. Uit archeologisch onderzoek blijkt echter dat het dijkdorp reeds in de 11e eeuw ontstaan is nabij een oversteekplaats van de IJssel. Het drop heeft meerdere keren te maken gekregen met oorlogsgeweld. In 1489 vindt er tussen de Hoeken en Kabeljauwen in de nabijgelegen Moordrechtse vennen een veldslag plaatsen en in 1574 wordt er in het dorp gevochten tussen de Watergeuzen en de Spanjaarden. In het dorp wordt voornamelijk geld verdiend door het winnen van turf, maar ook ambachten zoals touw maken, wolkammen en het bleken van linnen wordt hier uitgevoerd. Na de drooglegging van de waterplassen in de omgeving wordt boeren in de omgeving weer uitgevoerd. Tussen 1836 en 1839 is de Zuidplaspolder drooggelegd.
Historisch kaartmateriaal Op een kaart van het Hoogheemraadschap Schieland uit 1765 is het plangebied afgebeeld in de veenderij onder Moordrecht, aan de Kerck Laan en bestaat nog volledig uit water (kaart 11A). Moordrecht ligt ten zuidoosten van het plangebied. Ten noorden en zuiden van het plangebied staan twee drietrapssystemen van windmolens. Volgens de kadastrale minuut uit 1811 – 1832 ligt het plangebied nog steeds ter plaatse van water (kaart 11B). Pal ten noordwesten van het plangebied liggen de percelen 372 t/m 374. De oorspronkelijk aanwijzende tafels (OAT) gaan niet verder dan perceel 257. Op de percelen ten noordwesten van het plangebied staan vier gebouwen aangegeven. Het gaat vermoedelijk om een boerenerf met meerdere bijgebouwen. Op de kaart van de rivier de Hollandsche IJssel van Gouda tot IJsselmonde uit 1860 is te zien dat het plangebied is ingepolderd en maakt onderdeel uit van de Zuidplaspolder (kaart 11C). De polder bestaat uit langwerpige percelen, noordoost-zuidwest georiënteerd. De zuidwestzijde van het plangebied grenst aan de Middelweg. Pal ten noordwesten van het plangebied is het erf met bebouwing zichtbaar. De gebouwen lijken te zijn aangepast ten opzichte van de kadastrale minuut. Ten zuidoosten van het plangebied ligt Moordrecht en ten oosten ligt de Ring Vaart met de Ring Dijk.
Op de topografische kaart uit 1880 is de situatie hetzelfde als de situatie op de kaart van de Hollandsche IJssel (kaart 11D). Ten noordwesten van het plangebied is een spoorlijn tussen Gouda en Nieuwerkerk met station aangelegd. Rond 1937 lijkt de bebouwing pal ten noordwesten van het plangebied te zijn aangepast, er staan twee gebouwen en aan de westzijde van de weg zijn twee gebouwen bijgekomen (kaart 11E). Het peil van de polder staat aangegeven op -5,6 m NAP en van de weg op 4,5 m NAP. Het plangebied beslaat een deel van twee langwerpige percelen.
20
Buesink et al., 2010; Hoekwater, 1898 - 1903
22104.001 versie 1
10 / 20
Rond 1990 is er ten noordwesten van het plangebied een extra weg bijgekomen en ten zuidoosten van het plangebied is een sloot gegraven (kaart 11F). Ten noordwesten lijkt de bebouwing te zijn aangepast, er lijken vijf gebouwen op het perceel te staan. Moordrecht is verder uitgebreid. De Ring Vaart staat afgebeeld als de Ringvaart van de Zuidplaspolder. Rond 1995 is de situatie rond het plangebied veranderd (kaart 11G). Ten noordwesten van het plangebied lijken er kleine gebouwen te zijn bijgekomen en ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de Middelweg, is een waterbassin en een weg bijgekomen en er is een gebied bouw klaar gemaakt. Dit blijkt op de kaart van 1999 een begraafplaats te zijn. Rond 2004 is er langs de noordoostzijde van het plangebied een weg aangelegd, met ten noorden van het plangebied een rotonde die ook aansluit op de Middelweg (kaart 11H). Pal ten noordwesten van het plangebied bestaat de bebouwing uit drie gebouwen. Moordrecht is flink uitgebreid, ten zuidoosten van het plangebied. Rond 2012 zijn er in het noordwestelijke deel van het plangebied twee gebouwen komen te staan (kaart 11I). Tot op heden blijft de situatie in en rond het plangebied nagenoeg ongewijzigd (kaart 11J).
Bouwhistorische gegevens Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat deze dateert uit 2000.21 Het gaat hierbij om de twee kleine gebouwen binnen het plangebied. Bij de gemeente Zuidplas is het gemeentelijk archief geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat er een vergunning is verleend in 2000 voor een kinderboerderij en in 2003 voor de bouw van twee overkapping aan de Middelweg 32. De twee overkappingen komen overeen met de twee kleine gebouwen die zichtbaar zijn op het historisch kaartmateriaal uit 2012. Rijks- en gemeentelijke monumenten Rond het plangebied, in een straal van 50 m, komt één gemeentelijk monument voor. Het betreft de boerderij aan de Middelweg 32.22 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.23 Het plangebied ligt op een linie, de zogenoemde Vordere Wasserstellung, die in de Tweede Wereldoorlog als een Duitse verdedigingslinie diende en lag ten oosten van het Neue Landfront. Deze linie moest een invasie vanuit de kuststreek vertragen. Volgens de ruimingskaart van BeoBOM heeft er ten zuiden van het plangebied een luchtaanval plaatsgevonden.
21
Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG).
22
Middelweg 32, Moordrecht | Monumenten.nl, 2023
23
BeoBOM ruimingskaart; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME); TracesOfWar.nl; Wageningen University & Research - Geoportal
22104.001 versie 1
11 / 20
Op een luchtfoto van het Geoportal van de Universiteit van Wageningen is het plangebied zichtbaar (vlucht 081, run 05, foto 4028, datum 13 april 1945, piloot Johnston) en beslaat weilanden. Ten noordwesten is het perceel met bebouwing te zien en de Middelweg. Ten zuidoosten van het plangebied liggen aan weerzijden aan de Middelweg erven met woonhuizen. Op het eerste gezicht zijn er geen oorlog gerelateerde fenomenen zichtbaar. Het raadplegen van de bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Historische Vereniging Moordrecht Op 19 oktober 2023 is er contactgezocht met de Historische Vereniging Moordrecht. Dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.
2.7 Archeologische waarden AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied, is Archis3, geraadpleegd, de database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. Archeologische monumenten (AMK-terreinen) zijn terreinen waar op basis van historische gegevens of vondsten archeologische resten worden vermoed of aanwezig zijn. Archeologische onderzoeksmeldingen zijn meldingen van onderzoeken die vanaf de jaren 1990 zijn uitgevoerd op basis van artikel 46 van de Monumentenwet uit 1989. Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden: bureauonderzoeken, booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en definitieve opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Vondstmeldingen zijn meldingen van vondsten die bij toeval zijn gedaan of bij archeologisch onderzoek dat niet op basis van de Monumentenwet is uitgevoerd. Het gaat hierbij veelal om onderzoeken die voor de jaren 1990 zijn uitgevoerd. Bij elke vondstmelding hoort één vondstlocatie.
Vaak is de locatie van toevalsvondsten niet nauwkeurig vastgelegd en is de ligging van de vindplaats bij benadering aangegeven. Op kaart 12 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weergegeven (bijlage 5). Voor het onderzoek wordt gekeken naar de waarden binnen een straal van 550 m rondom het plangebied. In dit gebied liggen geen AMK-terreinen, zijn geen vondstmeldingen gedaan en zijn vier onderzoeken uitgevoerd.
22104.001 versie 1
12 / 20
2.7.1
Onderzoeksmeldingen
Binnen het onderzoeksgebied is in 2013 door Archeopro een verkennend booronderzoek uitgevoerd, circa 130 m ten zuiden van het plangebied, waaruit is gebleken dat binnen 400 cm -mv beddingafzettingen bestaande uit grof zand is aangetroffen (zaakid. 2393675100).24 De beddingafzettingen gaan over naar matig grof zand onder zandige klei, waarvan de zandigheid naar boven toe afneemt. Op deze klei ligt venige klei en matig veraard veen. Het veenpakket is circa 200 cm dik. Op het matig veraard veen ligt een pakket kleiig veen met een halve meter sterk veraard veen. In de top van het sterk veraarde veen ligt de huidige zodelaag. De aangetroffen stroomgordelafzettingen bestaan uit ongeoxideerd zand en/of ongerijpte (slappe) klei zonder sporen van bodemvorming. De stroomgordelafzettingen zijn daarmee niet geschikt geweest voor bewoning. Ook voor de andere niveaus geldt geen archeologische verwachting. Er zijn geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Circa 180 m ten zuiden van het plangebied is in 2008 een booronderzoek uitgevoerd door Becker en Van de Graaf aan de Weidezoom (zaakid. 2217572100). Van dit onderzoek is geen rapport beschikbaar via DANS of Archis3.
Ten zuidoosten van het plangebied, circa 230 m, is aan de Middelweg 49 in 2011 een booronderzoek uitgevoerd door De Steekproef, waaruit is gebleken dat de stroomgordelafzettingen van de Goudrak-stroomgordel zich op 500 cm -mv (tussen -9,8 en -11 m NAP) bevinden (zaakid. 2350200100).25 Op deze afzettingen is een halve meter zware klei met zandlagen en lagen zandige klei aangetroffen, dit betreffen oeverwalafzettingen. De klei gaat naar boven toe over in zeer zware klei van een halve tot anderhalve meter dik. Deze klei is afgezet op het moment dat de Gouderak-stroomgordel niet langer actief was. Op de zeer zware klei, op circa -8,6 m NAP, is een veenpakket gevormd en bestaat uit bruin onveraard veen tot -5,3 m NAP. In de bovenkant van het veenpakket zijn twee kleilagen aangetroffen op -6,5 en -5,8 m NAP. Beide kleilagen zijn gevormd in fases waarin geulen door het veenmoeras tot bij het onderzochte gebied zijn komen. De geroerde bovenlaag bestaat uit zandig veen. Het zand zal zijn aangevoerd ter versteviging en ophoging van het erf. Op de Gouderak-afzettingen is geen cultuurlaag of zijn geen indicatoren gevonden. Er is geadviseerd geen naderonderzoek te laten uitvoeren. Circa 525 m ten zuidoosten van het plangebied is in 2009 aan de Stevensstraat door Steekproef een booronderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat er twee potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn (zaakid.
2233083100).26 Het onderste niveau betreft een stroomgordel die actief is geweest van circa 7600 tot 6335 14Cjaren voor heden. De afzettingen hiervan zijn aangetroffen op bijna 500 cm -mv. Door deze relatief grote diepte wordt een eventuele archeologische vindplaats erop niet direct bedreigd door woningbouw. Archeologische indicatoren zoals bewerkt vuursteen of houtskool zijn in of op de stroomgordel niet gevonden. Het tweede potentiële archeologische niveau is de bovenkant van het veenpakket waarop archeologische waarden aanwezig kunnen zijn uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Echter door erosie, vervening en graafwerkzaamheden zullen eventuele vindplaatsen in het veen verloren zijn gegaan. In het veen zijn evenmin archeologische vondsten gedaan. Er is geadviseerd geen nader archeologisch onderzoek uit te laten voeren.
24
Exaltus & Orbons, 2013
25
Feest & Bongers, 2011
26
Bongers, 2009
22104.001 versie 1
13 / 20
Archeologische verwachting Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Zuidplas heeft het plangebied een hoge verwachting (kaart 14). De verwachtingskaart komt overeen met de stroomgordelkaart. De hoge archeologische verwachting geldt voor de stroomgordelafzettingen van de Gouderak-stroomgordel en voor de Zuidplas-stroomgordel. De hoge verwachting is vertaald naar een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ (WA3) met vrijstellingsgrenzen van >3 m -mv en > 1.000 m2.27
2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Het plangebied ligt in de Krimpenerwaard. Bewoning vindt in het Paleolithicum en Vroeg-Mesolithicum plaats op de hoger gelegen rivierterrassen. Vanaf het Mesolithicum ligt het plangebied aan de rand van het fluviatiele bereik, in een komgebied. Binnen het plangebied worden in het Neolithicum rivierafzettingen van de Zuidplasstroomgordel (actief tussen 5150 – 4450 v. Chr.), die de dieper gelegen afzettingen uit het Mesolithicum – Neolithicum van het Gouderak-stroomgordel (actief tussen 6070 – 5150 v. Chr.) hebben doorsneden. De rivierafzettingen worden op een diepte van binnen 400 en rond 500 cm -mv verwacht, in de vorm van beddings- en oeverafzettingen.28 De rivierafzettingen zijn in eerder uitgevoerde onderzoeken geïnterpreteerd als Gouderak-afzettingen, in het plangebied zijn deze afzettingen echter (deels) opgeruimd door de Zuidplas-stroomgordel. Binnen het plangebied worden daarom enkel de Zuidplas-afzettingen verwacht. Op deze rivierafzettingen is veen gevormd. Het veenpakket wordt vanaf het ontstaan van de IJssel in de Vroeg-Romeinse tijd ontwaterd en is daarmee geschikt voor bewoning. Het plangebied ligt buiten het bereik van de IJssel, waardoor het veen waarschijnlijk niet is afgedekt door een kleipakket. Vanaf de 11e eeuw wordt het gebied ontgonnen.