Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Middelweg 32 - MRD A24.001413
Tekst van het document
OMGEVINGSVERGUNNING MIDDELWEG concept
ruimte voor ideeën
Middelweg
Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Leeswijzer
5 5 5 6
Hoofdstuk 2 Vigerend bestemmingsplan 2.1 Vigerend bestemmingsplan 2.2 Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan
7 7 7
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Huidige situatie 3.2 Toekomstige situatie
9 9 9
Hoofdstuk 4 Beleid 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
11 11 11 15
Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1 Archeologie 5.2 Akoestisch onderzoek (weg- en railverkeer) 5.3 Bedrijven en milieuzonering 5.4 Bodem 5.5 Ecologie 5.6 Externe veiligheid 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 M.e.r. 5.9 Stikstof 5.10 Verkeer en parkeren 5.11 Water
17 17 17 18 19 21 23 24 24 25 25 26
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Jurdische planopzet 6.2 Economische uitvoerbaarheid 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
27 27 27 27
Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing
29
Bijlage 1
Ladder voor duurzame verstedelijking
30
Bijlage 2
Archeologisch onderzoek
41
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
108
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
170
Bijlage 5
Nader bodemonderzoek
245
Bijlage 6
Quickscan Flora en Fauna
289
Bijlage 7
Aanmeldnotitie m.e.r.
330
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
2 - 417
Bijlage 8
Onderzoek stikstofdepositie
337
Bijlage 9
Onderzoek Externe veiligheid
365
Bijlage 10
Watercompensatie
410
Bijlage 11
Participatiebijeenkomst
412
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
3 - 417
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
4 - 417
Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel De Stichting van Drost-IJserman is voornemens om in het plangebied nieuwbouw van een zorgvoorziening te realiseren voor 36 clïënten. Deze zorg zal worden verleend door zorgverlener Gemiva, de beoogd huurder van de zorgvoorziening. Het gaat om herhuisvesting van cliënten in bestaande zorgvoorzieningen in Moordrecht. De doelgroep betreft mensen met een (matige) verstandelijke beperking (in de leeftijd variërend van 15 jaar t/m mobiele ouderwordende cliënten) aan wie huisvesting en woonbegeleiding wordt geboden. Dit gebeurt in een vijftal woongroepen. Zij kunnen beperkingen ervaren door autisme, ADHD, hechtingsproblemen of als gevolg van het ouder worden. Het inwonen van partners komt niet voor en van zorg zoals in een verpleeghuis is geen sprake. De ontwikkeling draagt bij aan goede huisvesting voor deze groep lokale zorgbehoevenden. Faciliteiten voor fysio, huisarts of apotheek zijn niet voorzien. Mensen kunnen uitstromen naar vormen van meer zelfstandig wonen. De populatie is verdeeld in woongroepen waarbinnen men een eigen studio heeft en waarin men samen een huishouden vormt (zorgclusterwoningen). Voor dagbesteding gaan bewoners naar school, naar dagcentra of naar werk. Zij beschikken niet over een eigen auto maar gaan te voet, met de fiets, maken gebruik van groepsvervoer of maken gebruik van openbaar vervoer.
Ook zal er een wisselwerking zijn tussen de zorgvoorziening en kinderboerderij In de Krom, waar Het plangebied ligt in bestemmingsplan 'Restveen en Groene Waterparel' en is bestemd als 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is het planvoornemen van een zorgvoorziening niet toegestaan. In het kader van de uitgebreide Wabo-procedure is desalniettemin vergunning aangevraagd voor het planvoornemen. Het nu voorliggende stuk dient als ruimtelijke onderbouwing bij de uitgebreide Wabo-procedure.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied aan de Middelweg ligt in het buitengebied van Moordrecht en maakt onderdeel uit van de kinderboerderij In De Krom. Dit perceel is kadastraal bekend als D3519. De locatie heeft een landelijke sfeer met een groots en vrij uitzicht, met name naar het noorden en westen toe. In de directe omgeving zijn naast, de kinderboerderij een kleine paardenstal en een begraafplaats te vinden. Het plangebied wordt ontsloten op de Middelweg. In onderstaande afbeeling is de ligging van het plangebied weergegeven.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
5 - 417
1.3 Leeswijzer In Hoofdstuk 2 wordt het vigerende bestemmingsplan beschreven. In Hoofdstuk 3 wordt de planbeschrijving toegelicht. In Hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid toegelicht. In Hoofdstuk 5 worden de beoordelingen en/of onderzoeken van omgevingsaspecten behandeld. Tot slot wordt in Hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan besproken.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
6 - 417
Hoofdstuk 2
Vigerend bestemmingsplan
2.1 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan "Restveen en Groene Waterparel", vastgesteld op 16 december 2008. Het plangebied is bestemd met de enkelbestemming Recreactie-Dagrecreatie en Agrarisch. Binnen deze bestemmingen is het realieren van 36 zorgwoningen (maatschappelijke functie) niet mogelijk. Ter plaatse van het plangebied geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarden - archeologische waarden'. Onder andere sloop- en graafwerkzaamheden (dieper dan 0,3m en een oppervalkte van 100m2) zijn niet toegestaan zonder vergunning.
2.2 Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Het bouwplan is niet passend in vigerend bestemmingsplan omdat het niet mogelijk is om zorgwoningen te realiseren in de bestemming Agrarisch of Recreactie-Dagrecreatie. Daarbij wordt er ook buiten het bouwvlak gebouwd en wordt niet voldaan aan de verder gestelde maatvoeringen. Derhalve is de aanvraag omgevingsvergunning buitenplans afwijken ingediend en is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld om het bouwplan van 36 zorgwoningen planologisch mogelijk te maken.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
7 - 417
De gemeente heeft op 8 augustus 2023 aangegeven in principe medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
8 - 417
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
3.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit twee 'eilanden' omgeven door sloten. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als onderdeel van kinderboerderij In De Krom. Er is sprake van (omheind) grasland voor de dieren van de kinderboerderij met paden, bruggen en zitgelegenheden voor bezoekers en enkele kleinschalige bergingen. Ook is er een kleinschalige paardenbak en staan er enkele bomen en een rijtje knotwilgen. Het plangebied wordt voornamelijk bereikt vanuit de kinderboerderij, maar er is een ontsluiting direct op de Middelweg.
3.2 Toekomstige situatie Op één van de 'eilanden' van het plangebied is het voornemen om het zorggebouw te realiseren. Het gaat om een gebouw met een rechthoekige plattegrond met in het midden een verspringen of 'bajonet'. Het gebouw bestaat uit één bouwlaag plus een kap. Zowel op de begane grond als in de kap zijn de individuele wooneenheden en de gemeenschappelijke woonkamers te vinden. Rondom het gebouw zijn, gekoppeld aan de woonkamers, de buitenruimtes te vinden. Dit eiland wordt verbonden met het andere eiland, zowel voor langzaam verkeer als voor de auto, en met het fietspad langs Wethouder Visweg voor fietsers en voetgangers. Via het andere 'eiland' wordt het plangebied ontsloten op de Middelweg. Op dit eiland wordt ook voorzien in de benodigde parkeerplaatsen en een (fietsen)berging.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
9 - 417
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
10 - 417
Hoofdstuk 4
Beleid
Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is verschillend beleid, zoals het Besluit ruimtelijke ordening en de Omgevingsverordening Zuid-Holland, komen te vervallen. Echter is de omgevingsvergunning ingediende voor 1 januari 2024 en geldt voor dit bouwplan nog de oude wetgeving.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) / Ladder voor duurzame verstedelijking De omgevingsvergunning is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en als verder aangevuld in artikel 6.10 Instructieregel Stedelijke ontwikkeling van de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Op grond van het artikel 3.1.6, tweede lid, moet in de toelichting van een omgevingsvergunning, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd. Deze Ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. De Ladder schrijft niet voor wanneer en waar wel of niet gebouwd mag worden, maar vraagt om een goede afweging van belangen, zodat onder andere voorkomen wordt dat er voor leegstand wordt gebouwd. Doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De omgevingsvergunning voorziet in een verplaatsing van een ruimtelijke functie, voor de volledigheid is er getoetst is aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zie hiervoor Bijlage 1.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen. 1. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden: het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie. In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
11 - 417
sturingsprincipes: opgavegericht, netwerkaanpak en maatwerk. De provincie heeft zeven richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities: Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. 3. Omgevingskwaliteit Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. 4. Beleidskeuzes De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid-Holland). De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. De voor onderhavig plan relevante beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie worden hierna behandeld. Planspecifiek De omgevingsvisie ziet op grootschalige ambities waar onderhavig bouwplan geen afbreuk aan doet. Het plan is dan ook in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsvisie Zuid-Holland is uitgewerkt in concrete regels ten aanzien van (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen. Deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland, geconsolideerd op 1 april 2023. De volgende regels zijn van toepassing: Artikel 6.9: Ruimtelijke kwaliteit Artikel 6.9a: Beschermingscategorie 3 Buitengebied Artikel 6.9d: Beschermingscategorie 2 Groene Buffers Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
12 - 417
4.
Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als opgenomen in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d, 6.9e, 6.9f en 6.9g, zijn van toepassing, tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 6.9e, in de weg staat. 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d.
andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. 8. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. 9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d. 10.
Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f of 6.9g. 11. Transformatie is mogelijk in de beschermingscategorieën bedoeld in het negende en tiende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties bedoeld in artikel 6.10. De voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 12. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
13 - 417
moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Planspecifiek Het planvoornemen zorgt voor een kwaliteitsverbetering omdat het bouwplan voorziet in samenvoeging van de maatschappelijke zorgfunctie. Door de verplaatsing en het samenvoegen van verschillende locaties wordt er een kwaliteitsimpuls gegeven aan de zorgwoningen. Ter plaatse van de herontwikkeling worden kwalitatief hoogwaardige zorgappartementen in een groene omgeving gerealiseerd. Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied & Artikel 6.9d Beschermingscategorie 2 Groene buffers Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c.
het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 6.10. Artikel 6.9d Beschermingscategorie 2 Groene buffers 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Planspecifiek De provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland heeft de planlocatie aangeduid als 'Ruimtelijke kwaliteit beschermingscategorie 2: Groene buffer' en beschermingscategorie 3: Buitengebied.
Ontwikkelingen binnen deze aanduidingen mogen de bufferfunctie niet verstoren. Doordat de planlocatie door de ligging gezien kan worden als onderdeel van de bebouwde kom van Moordrecht, en de beoogde bebouwing tussen het dorp en bestaande bebouwing wordt geplaatst, kan gesteld worden dat het planvoornemen geen afbreuk doet aan de openheid van het landschap en de bufferfunctie zoals genoemd in het gemeentelijk en provinciaal beleid. Dit is afgestemd met de provincie Zuid-Holland. Ook wordt bij de realisatie van het gebouw rekening gehouden met vorm. Bij de uitwerking wordt gekeken welk vorm van een gebouw het meest passend is in het polderlandschap. Hierbij worden ook de watergangen behouden om de openheid van het polderlandschap te conserveren. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.
Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
14 - 417
3.
4.
voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen, mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale omgevingsvisie genoemde doelstellingen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.
Planspecifiek Voor het bouwplan is een ladder van duurzame verstedelijking opgesteld. Deze is verder toegelichting in paragraaf 4.1.1.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Zuidplas De gemeenteraad van de gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 voor het grootste deel van de gemeente de 'Omgevingsvisie Zuidplas' vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie. In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal: Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt op het bouwen van inbreidingslocaties binnen de dorpen. Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit willen breiden kan dat, maar alleen als een bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen. Duurzaam Zuidplas: Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande gebouwen wordt ook hierop ingezet, hoewel dit niet overal haalbaar zal zijn. Naast de energiedoelstellingen wordt gewerkt aan een klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie, onder andere het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast, heeft daarbij nadrukkelijk aandacht.
Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers en ervoor zorgen dat er voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio. Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners. De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk, duurzaam, ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema, voor heel Zuidplas en per deelgebied en per dorp ambities, opgaven, kansen en te maken keuzes weer. Planspecifiek Voor de gemeente Zuidplas geldt dat er voor de positionering van de dorpen primair ingezet wordt op het realiseren van inbreidingslocaties binnen de bestaande dorpen. Echter is de gemeente bereid om mee te werken aan de realisatie van het bouwplan, net buiten het bebouwde gebied maar in een zone met functies ten behoeve van Moordrecht zoals een kinderboerderij en begraafplaats. Verder wordt in de omgevingsvisie ingezet op een gezond en aantrekkelijk Zuidplas waarbij ingezet wordt op aanpassingen van de woningvoorraad waarbij iedereen kan wonen en werken in de gemeente.
Met de realisatie van het bouwplan wordt het voor zorgbehoefenden mogelijk gemaakt om te wonen en dicht bij te werken in de gemeente.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
15 - 417
4.3.2 Woonvisie 2025 De 'Woonvisie 2025 - Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst' is op 23 januari 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie wordt een doorkijk naar het wonen in Zuidplas rond het jaar 2025 gegeven en is richtinggevend van karakter. De woonvisie is tevens het programmatische toetsingskader voor nieuwbouwlocaties. In de woonvisie wordt gekozen voor de volgende strategie: Sociale huursector op peil. Identiteit vasthouden. Langer thuis wonen. Duurzaam wonen en leven. Innovatieve woonvormen. Om de visie te realiseren zijn de stappen verwoord in drie speerpunten: 1. Een divers en betaalbaar woningaanbod voor alle doelgroepen. 2. Duurzaam wonen. 3. Experimenten in wonen en ontmoeten. Met het eerste speerpunt wordt de visie van een evenwichtige bevolkingsopbouw verwezenlijkt. De andere twee dragen bij aan het realiseren van dat divers en betaalbaar woningaanbod. Bewoners die niet zelfstandig kunnen wonen vinden in Zuidplas ook onderdak. Zuidplas is een inclusieve samenleving waar iedereen kan meedoen en waar nodig wordt ondersteund. Zuidplas wil een bijdrage leveren aan huisvesting van bijzondere doelgroepen. Planspecifiek Het bouwplan is in lijn met de woonvisie. Door het verplaatsen van de cliënten blijft het aantal beschikbare zorgwoningen gelijk maar draagt het plan bij aan een inclusieve samenleving, waar iedereen mee kan doen.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
16 - 417
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
5.1 Archeologie Door Econsultancy is er een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het rapport is als bijlage Bijlage 2 bijgevoegd.
5.1.1 Onderzoek Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens het bureauonderzoek worden er in het plangebied resten uit het Neolithicum verwacht in de top van beddingen oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel, wanneer er in de top een bodem is gevormd of deze is gerijpt. Er is geen of een lage verwachting voor resten uit de overige periodes. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het veldonderzoek blijkt dat er in het plangebied bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel aanwezig zijn in de vorm van grof zand en matig tot sterk siltige klei met de top tussen 310 en 365 cm -mv (-8,95 en -9,4 m NAP). In de top van de oeverafzettingen zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen en de klei is niet gerijpt. Op de oeverafzettingen is een pakket komklei aangetroffen, behorend tot het Laagpakket van Echteld met de top tussen 265 en 295 cm -mv (-8,45 en -8,7 m NAP). Op de komafzettingen is een dik pakket veen gevormd (265 tot 295 cm) waarvan de top, die aan het maaiveld ligt, is veraard. In boring 1, 2, 3 en 4 is boven in het veenpakket een sterk humeuze kleilaag afgezet, vermoedelijk van voor de bedijking van de Hollandse IJssel.
Conclusie Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de verwachting voor resten uit het Neolithicum in de top van de bedding- en oeverafzettingen naar laag kan worden bijgesteld door het ontbreken van gerijpte klei en bodemvorming. Voor de overige periodes heeft het plangebied geen of een lage archeologische verwachting. Advies Econsultancy adviseert om het plangebied vrij te geven voor de geplande en toekomstige werkzaamheden. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Zuidplas), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Zuidplas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Het is verder raadzaam om ook de gemeente Zuidplas op de hoogte te stellen.
5.1.2 Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect archeologie gerealiseerd worden.
5.2 Akoestisch onderzoek (weg- en railverkeer) Door Econsultancy is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 3 bijgevoegd.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
17 - 417
5.2.1 Onderzoek Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Wethouder Visweg en Middelweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Zwanendreef en Zwaluwhof) in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie en indeling van het zorgcomplex. Voor elke zijde van het gebouw zijn toetspunten ten behoeve van 2 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2023.3. Alleen als gevolg van de Wethouder Visweg en Middelweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Ook wordt als gevolg van beide wegen plaatselijk de maximaal te ontheffen waarde overschreden. De bewoners van de woongroepen 3 en 4 beschikken zonder het treffen van aanvullende maatregelen niet over een geluidluwe gevel en/of buitenruimte. Daarom wordt gezocht naar maatregelen waarmee alsnog aan deze voorwaarde uit het gemeentelijk beleid kan worden voldaan.
Hierbij worden achtereenvolgens bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen overwogen. De geluidsbelasting op het woon-zorgcentrum als gevolg van individuele wegen is hoger dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting en op de kopgevels bovendien hoger dan de maximaal te ontheffen waarde. In het laatste geval dienen de betreffende geveldelen doof te worden uitgevoerd. Na het treffen van aanvullende maatregelen in de vorm van schermen en absorberende wanden kan worden geborgd dat elke bewoner beschikt over een geluidluwe gevel en/of buitenruimte. Daarmee kan worden voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid inzake het vaststellen van een hogere waarde, die moet worden aangevraagd voor de geluidsbelasting als gevolg van de Middelweg en de Wethouder Visweg. Voor de betreffende wooneenheden dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van het complex is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.
5.2.2 Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect akoestiek gerealiseerd worden mits er maatregelen en nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd worden. Ook dient er een besluit met betrekking hogere waarden genomen te worden.
5.3 Bedrijven en milieuzonering 5.3.1 Onderzoek Het plangebied wordt getypeerd als 'gemengd gebied'. In de omgeving van het plangebied bevinden zich hoofdzakelijk agrarische functies en ligt langs de hoofdinfrastructuur van Moordrecht waardoor het gebied getypeerd wordt als 'gemengd gebied'. In de onderstaande afbeelding en tabel zijn de nabij gelegen milieuhinderlijke functies weergegeven.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
18 - 417
Nr. Functie 1 Kinderboerderij In de Krom 2 Algemene begraafplaats & uitvaartcentrum 3 Agrarische functies, weiland
Milieucategorie 2 1
Richtafstand 10 0
Werkelijke afstand 0 20
3.1
30
30
Uit bovenstaande afbeelding en tabel blijkt dat bij de locaties 2 en 3 wordt voldaan aan de richtafstand tussen de het plangebied en de aanwezige milieuhinderlijke functies. Bij locatie 1 wordt niet voldaan aan de richtafstand. De kinderboederij grenst direct aan het plangebied van het bouwplan. Echter wordt het te realiseren gebouw op ongeveer 50 meter afstand van de kinderboederij gerealiseerd, waardoor er ruim voldoende aan de richtafstand wordt voldaan.
5.3.2 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor het bouwplan.
5.4 Bodem Door Econsultancy is er een verkennend bodemoderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 4 bijgevoegd.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
19 - 417
5.4.1 Verkennend onderzoek Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem concludeert Econsultancy, dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de onderzoekslocatie is. Van atmosferische depositie is bekend, dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water kan leiden. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien matig tot sterk humeus. De ondergrond bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk zandig veen. De bovengrond is plaatselijk zwak tot sterk baksteenhoudend. De ondergrond is plaatselijk zwak baksteenhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met molybdeen. Bovendien is de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd met kobalt, kwik, lood en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met molybdeen.
Tevens is de ondergrond plaatselijk licht verontreinigd met nikkel Ter plaatse van boring 07 is de toplaag van de bodem (traject 0,00 - 0,10 m -mv) matig verontreinigd met nikkel. De toplaag ter plaatse van boring 09 (traject 0,00 - 0,10 m -mv) is sterk verontreinigd met nikkel Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte tot sterke verontreinigingen, verworpen. Econsultancy adviseert om een nader onderzoek te laten uitvoeren naar de aard en de omvang van de geconstateerde verontreiniging met nikkel, ter plaatse van boring 07 en boring 09.
5.4.2 Nader bodemonderzoek Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd door Econsultancy. Het rapport is als Bijlage 5 bijgevoegd. Uit het nadere bodemonderzoek blijkt dat tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van boringen 07c, 09a en 09d een stabilisatielaag (volledig betongranulaat) is aangetroffen behorend bij het aangrenzend gelegen geasfalteerde pad. In deze stabilisatielaag zijn géén asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Gezien het geasfalteerde pad voor de toekomstige plannen gehanteerd zal blijven, en er geen contactmogelijkheden zijn, is op basis hiervan besloten, dat aanvullend onderzoek naar de parameter asbest vooralsnog niet noodzakelijk is. De uiteindelijk beslissing hierover ligt bij het bevoegd gezag. Op basis van analyseresultaten wordt de sterke nikkelverontreiniging in de grond als afgeperkt beschouwd. De sterke nikkelverontreiniging in de grond bevindt zich in de kern van de verontreiniging ter plaatse van boring 09 vanaf 0,0 m -mv tot maximaal circa 0,1 m -mv. De oppervlakte van de verontreiniging betreft circa 1 m2. Hieruit blijkt dat de totale omvang van de sterke verontreiniging met nikkel ter plaatse van boring 09 circa 0,1 m³ bedraagt. De matige nikkelverontreiniging in de grond bevindt zich ter plaatse van boring 07 vanaf 0,0 m -mv tot maximaal circa 0,1 m -mv.
Ten opzichte van de kernboring is in horizontale richting geen verontreiniging met nikkel aangetoond, met
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
20 - 417
uitzondering van een lichte verontreiniging met nikkel ter plaatse van boring 07a. Op basis van analyseresultaten is geen sprake van een sterke verontreiniging met nikkel ter plaatse van boring 07. De verontreiniging is naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door het afspoelen van (dierlijke)mest in de bodem. Dit wegens de aanwezigheid van boerderijdieren in de omgeving. Tevens heeft de locatie vroeger een agrarische bestemming gehad, waarbij mogelijk meststoffen zijn toegepast. De bron van de grondverontreiniging bevindt zich op het perceel kadastraal bekend gemeente Moordrecht, sectie D, nummer 3519 (ged.). Gezien het feit dat de locatie vrijwel altijd een agrarische bestemming heeft gehad, wordt gesteld dat het hier een bestaand geval van bodemverontreiniging betreft (ontstaan vóór 1 januari 1987). Uitgaande van het voorgaande, alsmede van de mate en het volume van de geconstateerde verontreinigingen ter plaatse van boring 09 (minder dan 25 m³ sterk verontreinigde grond), wordt gesteld dat het hier, in het kader van de Wet bodembescherming, een geval van niet ernstige bodemverontreiniging betreft. Conclusie Aangezien de sterke verontreiniging met nikkel een bestaand geval van niet ernstige bodemverontreiniging betreft is er geen noodzaak tot sanering.
Econsultancy adviseert de sterke nikkelverontreiniging, indien gewenst, op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden) onder milieukundige begeleiding te laten ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker.
5.4.3 Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect bodem gerealiseerd worden.
5.5 Ecologie Econsultancy heeft een quickscan Wet natuurbescherming uitge-voerd aan de Middelweg te Moordrecht. Het rapport is als Bijlage 6.
5.5.1 Onderzoek De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de on-derzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwe-zig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die moge-lijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in de onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
21 - 417
Algemene broedvogelsoorten Voor de algemene broedvogelsoorten geldt dat er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Er wordt in de Wet natuurbescherming geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, dient voorafgaand een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Vleermuizen Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen, kan er gebruik gemaakt worden van vleermuisvriendelijke verlichting. Geadviseerd wordt om verlich-tings-armaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht veroorzaken of andere vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig) toe te passen. Algemene soorten Voor de te verwachten algemene soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd.
Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Overige adviezen Er wordt geadviseerd om bij de inrichting van de nieuwe situatie rekening te houden met de biodiveristeit door nestkasten in te bouwen, verbindende groenstructuren en ruigte te creëren, gebruik te maken van inheemse soorten of bijvoorbeeld
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
22 - 417
een natuurlijke wadi aan te leggen.
5.5.2 Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect bodem gerealiseerd worden.als de voorwaarde van de bovenstaande adviezen met betrekking tot de algemene broedvogelsoorten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibiën in acht worden genomen.
5.6 Externe veiligheid Het onderzoek externe veiligheid is uitgevoerd door Econsultancy. Het rapport is als Bijlage 9.
5.6.1 Onderzoek Het Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR), een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden in dit kader twee normstellingen gehanteerd, te weten: het plaatsgebonden risico: richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het groepsrisico: stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Aardgastransportleiding Het plangebied ligt binnen het aandachtsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding. Deze leiding heeft een inventarisatieafstand van 70 meter. Het plangebied ligt hierbinnen waardoor een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk is. Uit de kwantitatieve risicoanalyse blijkt dat na de realisatie van het plan geen sprake is van een relevante toename van het groepsrisico. Ook het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied.
Het gebouw ligt buiten de 100% letaliteitszone, maar ligt nog wel binnen het invloedsgebied (1% letaliteitszone). Het gebouw ligt wel in het invloedsgebied van de leiding waarvoor de kleur 'groen' geldt. Hiervoor volstaat een standaard verantwoording van het groepsrisico volgens het gemeentelijk beleid. Transport Op circa 800 meter afstand ten noordwesten van het plangebied ligt het spoortraject Rotterdam Blijdorp - Gouda en op ruim 975 meter ten noordwesten van het plangebied ligt rijksweg A20. Via deze transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In onderstaande tabel zijn de stofcategorieën, invloedsgebieden en transporten per jaar weergegeven. Her plangebied ligt in het invloedsgebied van de in de tabel grijs gearceerde stofcategorieën.
De basisnetroute rijksweg A12 ligt binnen een straal van 4 kilometer van het plangebied (ruim 3,2 kilometer). Over deze
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
23 - 417
weg worden geen stofcategorieën vervoerd met een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer waardoor er geen belemmeringen gelden. Het plangebied ligt ook niet binnen 200 meter van een basisnetroute, waardoor een kwantitatieve risicoanalyse niet noodzakelijk is. Het transport van gevaarlijke stoffen kan ook over gemeentelijke en provinciale wegen plaatsvinden. Het plangebied ligt echter niet binnen een invloedsgebied hiervan. Er gelden dus geen belemmeringen. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van het spoor, waarbij de kleur 'groen' geldt volgens het gemeentelijk beleid. Er kan worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico. Inrichtingen Het plangebied ligt buiten invloedsgebieden van nabije inrichtingen. De risicovolle inrichitngen vormen geen belemmeringen voor het plangebied, een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.
5.6.2 Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect externe veilgheid gerealiseerd worden. Verder staat de beperkte verantwoording van het groepsrisico in hoofdstuk 5 van Bijlage 9.
5.7 Luchtkwaliteit 5.7.1 Onderzoek Met behulp van de Monitoringstool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK (versie 2022)) zijn de totale concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) en ultra fijn stof (PM2,5) langs de wegen rondom de planlocatie bepaald. De wegen rondom het plangebied zijn de Middelweg en Wethouder Visweg. Uit de beoordeling volgt dat de achtergrondconcentratie NO2 rondom het plangebied maximaal 18,5 ug/m3 bedraagt. De achtergrondconcentraties stikstofdioxide voldoen langs alle wegen aan de geldende wettelijke norm van maximaal 40 ug/m3. De planlocatie voldoet daarmee zowel in de huidige situatie als in de plansituatie aan de wettelijke norm. Uit de beoordeling volgt dat de achtergrondconcentratie PM10 rond het plangebied maximaal 17,1 ug/m3 is. Dit voldoet (ruim) aan de wettelijke norm van maximaal 40 ug/m3. Daarmee voldoet de planlocatie zowel in de huidige situatie als in de plansituatie ruim aan de wettelijke norm voor fijn stof. Uit de beoordeling volgt dat de achtergrondconcentratie PM2,5 rondom het plangebied maximaal 9,0 ug/m3 is. Dit voldoet (ruim) aan de wettelijke norm van maximaal 25 ug/m3. De planlocatie voldoet daarmee zowel in de huidige situatie als in de plansituatie ruim aan de wettelijke norm voor ultra fijn stof.
5.7.2 Conclusie Uit de monitoringtool van het CIMLK blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de gewenste ontwikkeling.
5.8 M.e.r. Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld, zie Bijlage 7. Daaruit volgt dat het plan niet plan m.e.r.-plichtig is. Voor het plan is wel een vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld waarbij is getoetst aan de drie selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet het bevoegd gezag in staat stellen te besluiten of er sprake is van belangrijke nadelige
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
24 - 417
milieugevolgen die het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk maakt. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus geen beoordeling van de milieueffecten die in het kader van een omgevingsvergunning noodzakelijk is, maar (uitsluitend) een beoordeling van de vraag of een MER noodzakelijk is. Daarvoor wordt in beeld gebracht of 'belangrijke nadelige milieugevolgen' kunnen worden uitgesloten. Als wordt geconcludeerd dat geen MER noodzakelijk is, dan blijft vanzelfsprekend de normale verplichting tot het beschouwen van milieueffecten ten behoeve van het ruimtelijk plan aanwezig.
5.8.1 Conclusie De uitkomst van de m.e.r.- beoordeling is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en de locatie van het project die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in de directe omgeving.
5.9 Stikstof Het stikstof onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy. Het rapport is als Bijlage 8 bijgevoegd. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De (verschil)berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2023). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is in vergelijking tot de referentiesituatie kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect Stikstof gerealiseerd worden
5.10 Verkeer en parkeren 5.10.1 Verkeer Het plangebied is voor autoverkeer ontsloten op de Middelweg. Deze weg is één van de ontsluitingswegen van Moordrecht. Via deze weg kunnen het dorp en de snelweg A20 goed bereikt worden. De gemeentelijke nota parkeernormen geeft geen verkeersgeneratie-cijfers. Gebaseerd op de CROW voor kamerverhuur aan niet-zelfstandigen geldt in het buitengebied een verkeersgeneratie van tussen de 0,8 en 1,2 vervoersbewegingen per etmaal. Voor de 36 wooneenheden betekent dit een verkeersgeneratie van tussen de 28,8 en 43,2 vervoersbewegingen per etmaal. Dat is een klein aantal extra bewegingen en heeft verwaarloosbare invloed op de verkeersafwikkeling op de Middelweg.
5.10.2 Parkeren De woonheden zijn voor zorgbehoevenden. De gemeente heeft op die basis aangegeven dat gebruik gemaakt kan worden van de parkeernormen voor kamerverhuur. Die normen zijn te vinden in de gemeentelijke Nota Parkeernormen van 2019. Per wooneenheid moet worden voorzien in 0,3 parkeerplaats, waarvan 0,2 voor bezoekers. Voor de 36 wooneenheden moet zodanig voorzien worden in 10,8 parkeerplaats om te voldoen aan de norm. Op het terrein zijn 11 parkeerplaatsen ingetekend en zijn daar bovenop opstelplaatsen voor diensten ingetekend. Dat betekent dat wordt voldaan aan de gestelde norm.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
25 - 417
Afbeelding situatietekening met parkeerplaatsen Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect Verkeer en parkeren gerealiseerd worden
5.11 Water Om het initiatief te realiseren, wordt er verharding in het plangebied toegevoegd. Op het terrein is in de huidige situatie 698 m2 verharding aanwezig. In de nieuwe situatie wordt dat 2520 m2. Dat betekent een toename van 1822 m2. Uitgaande van een compensatie van 15% van de toegevoegde verharding (gebruikelijk percentage), dient 273 m2 aan nieuw water gegraven te worden om aan de compensatie-eis te voldoen. Er wordt in het plan rekening gehouden met het verbreden van het water aan de noordoost zijde van het plangebied. Door het verbreden van de watergang wordt er 283 m2 aan water toegevoegd, zie voor de exacte locatie van de waterberging in Bijlage 10. Daarmee wordt voorzien in voldoende watercompensatie. Conclusie Het bouwplan kan gezien vanuit het aspect Water gerealiseerd worden
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
26 - 417
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1 Jurdische planopzet Het bouwplan wordt mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning voor buitenplans afwijken van het bestemmingsplan. Er wordt afgeweken van de bouw en gebruiksregels. Ten behoeve van deze afwijking is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld als zijnde motivatiedocument.
6.2 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeente verplicht bij een procedure waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.12 Besluit ruimtelijke ordening, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld doordat een anterieure overeenkomst is gesloten met de initiatiefnemer. In artikel 3.1.6 sub i van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgesteld dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met het bouwplan moet (economisch) uitvoerbaar zijn en kunnen worden gerealiseerd. De realisatie van het bouwplan komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Er zijn geen gemeentelijke investeringen mee gemoeid. Dit wordt vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Het kostenverhaal wordt hierin geregeld. De kosten zijn hierdoor anderszins verzekerd. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Bij de verlening van de vergunning besluit het bevoegd gezag geen exploitatieplan vast te stellen zoals geregeld in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening, omdat de plankosten anderszins verzekerd zijn.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Op 27 september 2023 heeft er een participatie-bijeenkomst rondom het initiatief plaatsgevonden. De reacties waren zonder uitzondering positief t.a.v. het initiatief. Het verslag is toegevoegd als Bijlage 11. Ter visie legging De ontwerp omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing wordt ter visie gelegd. Gedurende deze periode liggen de stukken tevens ter visie op het gemeentehuis en kunnen door een ieder zienswijzen worden ingediend. Eventueel ontvangen zienswijzen worden samengevat en beantwoord in een nota zienswijzen. De nota wordt toegelicht in deze paragraaf.
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
27 - 417
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
28 - 417
Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
29 - 417
Bijlage 1 Ladder voor duurzame verstedelijking
(concept) Middelweg NL.IMRO.1892.PM-0001
30 - 417
Ladderonderbouwing Zorgstede Middelweg Gemeente Zuidplas Versie 01
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Wissing Ruimtelijke Denkers Middenbaan 108 2991 CT Barendrecht Postbus 37 2990 AA Barendrecht +31[0]180 61 31 44 www.wissing.nl
Project Titel document Projectnummer
Zorgstede Middelweg Ladderonderbouwing Zorgstede Middelweg 1400
Auteur(s)
Anouk Peek Daniëlle Best
Versie
Datum
Status
Concept
25 maart 2024
afgerond
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Wissing B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Wissing B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat.
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Uitgangspunten ................................................................................................................... 6 2.1 Beleid en relevante beleidskaders ................................................................................................ 6 2.2 Onderzoeksgebied ........................................................................................................................ 7 Hoofdstuk 3 Onderbouwing behoefte ..................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4 onderbouwing locatie buiten BSD ...................................................................................... 9 Hoofdstuk 5 Conclusie .......................................................................................................................... 10
_ Ladderonderbouwing Middelweg Moordrecht v01
Hoofdstuk 1 Inleiding Aanleiding Het project Zorgstede Middelweg in Moordrecht voorziet in de realisatie van een zorgvoorziening voor 36 cliënten. Daarbij is sprake van het verplaatsen van enkele bestaande zorgvoorzieningen voor deze cliënten in Moordrecht. Het beoogde locatie is in de huidige situatie in gebruik als onderdeel van kinderboerderij In De Krom, waar ook de dagbesteding van de desbetreffende cliënten is gevestigd. De zorgfunctie heeft betrekking op het bieden van huisvesting en woonbegeleiding aan een groep bewoners die een (matig) verstandelijke beperking (in de leeftijd variërend van 15 jaar t/m mobiele ouderwordende cliënten) heeft. De bewoners wonen in woongroepen waarbinnen men een eigen studio heeft en waarin men samen een “huishouden” vormt (zorgclusterwoningen). De bewoners kunnen uiteindelijk doorstromen naar vormen van meer zelfstandig wonen. Met de realisatie van deze zorgfunctie is geen sprake van zorg, zoals in een verpleeghuis. En andere maatschappelijke faciliteiten voor fysio, huisarts of apotheek zijn niet voorzien. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen.