CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Middelweg 32 - MRD A24.001413

Gemeenteraad 8 oktober 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Ontwerp VVGB Middelweg 32 Moordrecht – realisatie van een woon-zorgcomplex met 36 units22.008 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Door de ontginning is in het zuidwestelijke deel van het plangebied een veenrestvlakte ontstaan en in de rest van het plangebied zijn de getijdenafzettingen wederom aan het maaiveld komen te liggen. Op de veenrestvlakte is een vliereergrond ontstaan en op de getijdenafzettingen een moerige eerdgronden. Er kan daarom nog veen in de ondergrond aanwezig zijn, bestaande uit restveen. Dit is ook af te leiden aan de moerige eerdgronden. Op de AHN is te zien dat het plangebied op een deel van een stroomgordel ligt. In de 12e eeuw ontstaat Moordrecht langs de IJssel, het plangebied ligt ten noordwesten van dit dorp. Vanaf de 16e eeuw vindt er door de grote vraag naar turf intensieve veenontginning plaats en ontstaan er in de 17e eeuw grote waterplassen. Volgens de kadastrale kaart uit 1811 – 1832 maakt het plangebied deel uit van de Veenderij onder Moordrecht, onderdeel van de Zuidplas. In 1839 is de Zuidplaspolder ingepolderd, deze inpoldering heeft drie jaar geduurd. Volgens het historisch kaartmateriaal is het plangebied tot 2009 niet bebouwd geweest. Vanaf 2009 staan er enkele kleine gebouwtjes binnen het plangebied. (tabel 2). Laat-Paleolithicum - Mesolithicum In de top van het Jonge Dryas-terras of vroegholocene rivierafzettingen zouden resten van jacht- en extractiekampen van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum aanwezig kunnen zijn.

Deze vindplaatsen kenmerken zich voornamelijk door een vondstlaag met strooiing van houtskool en vuursteen en grondsporen worden verwacht in de vorm van haardkuilen. De verwachting voor dit niveau is laag, omdat de Gouderak- en Zuidplas-stroomgordel zich in dit niveau hebben ingesneden. 27

Atlas | ODMH

28

Bongers, 2009; Feest & Bongers, 2011; Exaltus & Orbons, 2013

22104.001 versie 1

14 / 20

Neolithicum In de top van de bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel worden archeologische resten uit het Neolithicum verwacht in de vorm van kleine nederzettingsresten, te herkennen aan een vondstverspreiding van vuursteen en grondsporen van haardplaatsen. Deze resten worden alleen verwacht wanneer er in de top van de afzettingen een duidelijke bodem wordt aangetroffen of wanneer er gerijpte klei wordt aangetroffen in de top. De verwachting voor dit niveau is hoog wanneer er bedding- en/of oeverafzettingen worden aangetroffen en lag wanneer er komafzettingen aanwezig zijn. Een kom gebied is door het natte karakter ongeschikt voor bewoning. Bronstijd – Vroege Middeleeuwen In de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen ligt het plangebied in een ontoegankelijk veenmoeras. Dit veen is bovendien voor een deel afgegraven. Archeologische resten uit deze periode worden daarom niet verwacht. Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Vanaf de 11e eeuw wordt de Zuidplas stelselmatig ontgonnen. Eventuele archeologische resten uit de periode na de ontginning zijn te verwachten in de top van het veen, maar het veen is grotendeels afgegraven, waarna de Zuidplas aan het begin van de 19e eeuw is drooggemalen. Het plangebied is hierna niet bebouwd geweest. Het plangebied heeft voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd tot de 19e eeuw geen archeologische verwachting.

Nieuwe tijd Na de drooglegging van de Zuidplas in de 19e eeuw is het plangebied gebruikt als weiland. De archeologische verwachting voor de 19e en 20e eeuw is laag. Tabel 2.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

Laag; kampementen

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

In de top van het Jonge Dryas-terras of vroegholocene rivierafzettingen

Hoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel

Laag

-

In de top van komafzettingen

Bronstijd – Vroege Middeleeuwen

-

-

In het veen (verdwenen)

Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd (tot 1839)

-

-

In het ontgonnen veen (verdwenen)

Laag; sporen van landgebruik

Akkerlagen; sloten en greppels

In en direct aan het maaiveld in de top van het veen, mits deze is veraard

Laat-Paleolithicum – Mesolithicum Neolithicum

Nieuwe tijd (vanaf 1839)

22104.001 versie 1

15 / 20

Bodemverstoring Door de turfwinning is de oorspronkelijke top van het veen vermoedelijk verdwenen en daarmee de eventueel aanwezige archeologische resten. Daarnaast zouden sporen vanaf het maaiveld verstoord kunnen zijn geraakt door verploeging of ander landgebruik.

2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied resten uit het Neolithicum worden verwacht in de top van de bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel en resten uit de Nieuwe tijd vanaf het maaiveld. Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring voor het plangebied vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen. In dit specifieke geval kan met het verkennend booronderzoek worden vastgesteld of de bodem in het plangebied nog intact is en tot hoe diep eventueel bodemverstoring heeft plaatsgevonden.

22104.001 versie 1

16 / 20

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400329, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Halderberge. Het veldonderzoek is op 26 juli 2023 uitgevoerd door R.S. Verheij, MSc en A.J. Wullink (Senior KNA Prospector). Voorafgaand aan het veldwerk is het Plan van Aanpak (PvA) goedgekeurd door Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). In totaal zijn er vijf boringen tot maximaal 390 cm -mv geplaatst. De boringen zijn verspreid in het plangebied gezet. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van GPS. De maaiveldhoogte is bepaald aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is te zien op kaart 15. Voor de boringen is gebruikgemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.30 De boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 6.

29

SIKB, 2018

30

Bosch, 2005

22104.001 versie 1

17 / 20

3.3 Resultaten Geologie en bodem De bodemopbouw in het plangebied is vrij uniform en zal van beneden naar boven beschreven worden. Het onderste pakket bestaat in alle boringen uit zwak siltig, matig grof zand met een dikte van minimaal 10 tot 30 cm. Het zand is niet goed in de guts blijven zitten, desalniettemin wel voldoende om te kunnen beschrijven. De top van het pakket ligt tussen 320 en 375 cm -mv (-9,05 en -9,5 m NAP). Dit pakket betreft beddingafzettingen van de Zuidplas- of Gouderak-stroomgordel, behorend tot de Formatie van Echteld. De beddingafzettingen gaan over in matig tot uiterst siltige klei tot matig grof, sterk siltig zand, al dan niet met plantenresten en zandlagen. Het pakket heeft een dikte van 10 tot 15 cm. De top van dit pakket ligt tussen 310 en 365 cm -mv (-8,95 en -9,4 m NAP). In boring 2 is dit pakket niet waargenomen doordat het monster is verrommeld in de guts met bovenliggende lagen. In boring 3 is aan de basis van dit pakket een grind fragment aangetroffen. Er is geen bodem binnen dit pakket gevormd en de klei is niet gerijpt. Dit pakket betreft oeverafzettingen van de Zuidplas- of Gouderak-stroomgordel, behorend tot de Formatie van Echteld. De oeverafzettingen gaan over in matig siltige klei, al dan niet met hout- en rietresten. Dit pakket heeft een dikte van 30 tot 70 cm. De top van dit pakket ligt tussen 265 en 295 cm -mv (-8,45 en -8,7 m NAP).

In boring 4 en 5 is de bovenste 45 cm sterk humeus met venige lagen en resten van hout en riet. Dit pakket betreft komafzettingen, behorend tot de Formatie van Echteld, afgezet wanneer de Zuidplas-stroomgordel actief is geweest. In boring 4 en 5 laat de humeuze top van dit pakket een overgang zien naar het bovenliggende veen. De komafzettingen gaan over in een veenpakket met riet-, zegge- en houtresten. Dit pakket heeft een dikte van 200 tot 215 cm. De top van het veen ligt tussen 35 en 70 cm -mv (-6,2 en -6,45 m NAP). De houtresten komen voor onder in het veenpakket en de zegge- en rietresten boven in het pakket. In boring 2 en 4 is de onderste 30 tot 110 cm van het veen amorf en in boring 2 en 3 aan de basis kleiig. Dit veenpakket laat een overgang zien van een broekveen naar zeggeveen naar rietveen. Dit betekent dat er vernatting heeft plaatsgevonden door de tijd heen, waarbij het broekveen wordt gevormd in een minder nat milieu dan het zegge- en rietveen. In boring 1, 2, 3 en 4 komt op het veen een laag matig siltig, sterk humeuze klei voor met een dikte van 5 tot 20 cm. De top van deze kleilaag ligt tussen 20 en 50 cm -mv (-6,05 en -6,35 m NAP). Deze kleilaag is vermoedelijk afgezet wanneer de Hollandse IJssel sediment heeft aangevoerd richting het veenmoeras, waarbij een humeuze kleilaag is afgezet of wanneer er binnen het plangebied een veengeul is ontstaan.

Ook deze kleilaag bewijst dat het milieu binnen het plangebied steeds natter is geworden. Het bovenste pakket bestaat in alle boringen uit veraard veen, al dan niet met sporen van wortels, baksteen en zand. Het veen heeft een dikte van 20 tot 70 cm. In boring 1 is de onderste 20 cm van dit veen meermolm, wat afgeslagen veen betreft dat is bezonken in een meer (de Veenderij onder Moordrecht/Zuidplas). Dit veenpakket is vermoedelijk afgezet na de bedijking van de Hollandse IJssel, waardoor het milieu binnen het plangebied minder nat is geworden en het plangebied deel uitmaakt van de Veenderij onder Moordrecht/Zuidplas. De top van het veen is veraard doordat het aan de oppervlakte ligt en daardoor in aanraking is gekomen met zuurstof, waardoor het veen is geoxideerd.

22104.001 versie 1

18 / 20

Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier echter om een verkennend booronderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Volgens het bureauonderzoek worden er in het plangebied resten uit het Neolithicum verwacht in de top van bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel, wanneer er in de top een bodem is gevormd of deze is gerijpt. Er is geen of een lage verwachting voor resten uit de overige periodes. Uit het veldonderzoek blijkt dat er in het plangebied bedding- en oeverafzettingen van de Zuidplas-stroomgordel aanwezig zijn in de vorm van grof zand en matig tot sterk siltige klei met de top tussen 310 en 365 cm -mv (-8,95 en -9,4 m NAP). In de top van de oeverafzettingen zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen en de klei is niet gerijpt. Op de oeverafzettingen is een pakket komklei aangetroffen, behorend tot het Laagpakket van Echteld met de top tussen 265 en 295 cm -mv (-8,45 en -8,7 m NAP). Op de komafzettingen is een dik pakket veen gevormd (265 tot 295 cm) waarvan de top, die aan het maaiveld ligt, is veraard. In boring 1, 2, 3 en 4 is boven in het veenpakket een sterk humeuze kleilaag afgezet, vermoedelijk van voor de bedijking van de Hollandse IJssel.

Geconcludeerd kan worden dat de verwachting voor resten uit het Neolithicum in de top van de bedding- en oeverafzettingen naar laag kan worden bijgesteld door het ontbreken van gerijpte klei en bodemvorming. De verwachting voor de overige periodes blijft ongewijzigd. Hiermee heeft het plangebied dus geen of een lage verwachting voor alle periodes.

22104.001 versie 1

19 / 20

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de verwachting voor resten uit het Neolithicum in de top van de bedding- en oeverafzettingen naar laag kan worden bijgesteld door het ontbreken van gerijpte klei en bodemvorming. Voor de overige periodes heeft het plangebied geen of een lage archeologische verwachting. Econsultancy adviseert om het plangebied vrij te geven voor de geplande en toekomstige werkzaamheden. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Zuidplas), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Zuidplas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het is verder raadzaam om ook de gemeente Zuidplas op de hoogte te stellen.

22104.001 versie 1

20 / 20

BRONNEN Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Zuidplas (Versie 1.1). (2010). [Map]. BAAC. Atlas | ODMH. (z.d.). Geraadpleegd oktober 2023, van https://atlas.odmh.nl/html5viewer/index.html?viewer=Atlas.Atlas&layerTheme=Bodem Basisregistratie Ondergrond Catalogus Model grondwaterspiegeldiepte. (2022). https://docs.geostandaarden.nl/bro/wdm/#karakteristieken-van-de-grondwaterspiegeldiepte BeoBOM ruimingskaart. (z.d.). Geraadpleegd oktober 2023, van https://beobom.maps.arcgis.com/apps/instant/sidebar/index.html?appid=355df8af501d46659f35c8c26e8f7231 Bodemkaart legenda. (z.d.). Geraadpleegd oktober 2022, van https://legenda-bodemkaart.bodemdata.nl/bodemclassificatie Bongers, J. M. G. (2009). Moordrecht, Stevensstraat (gemeente Moordrecht, ZH) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (2009-03/01). Bosch,

J.

(2005).

Archeologische

Standaard

Boorbeschrijvingsmethode,

Versie

5.2.

NITG-TNO.

https://www.sikb.nl/doc/archeo/leidraden/Leidraad%20ASB%20versie%205_2%20geactualiseerd%20september%202008.pdf BRL SIKB 4000 Archeologie; versie 4.1. (2018, mei 24). SIKB. https://sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-sikb-4000 BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid). (2021). [dataset]. NGR/Wageningen Environmental

Research.

https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/cata-

log.search#/metadata/757a7c50-540d-4105-9135-73f09f700743 Buesink, A., Mostert, M., Willems, J. M. J., & Kalisvaart, C. C. (2010). Gemeentelijk beleidsnota gemeente Zuidplas (BAAC rapport V-10.0038; p. 153). BAAC. Cohen, K. M., & Stouthamer, E. (2012). Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. RhineMeuse Delta Studies, Dept. Fysische Geografie, Universiteit Utrecht. https://easy.dans.knaw.nl/ui/datasets/id/easy-dataset:52125 de Mulder, E., Geluk, M., Ritsema, I., Westerhof, W., & Wong, T. (2003). De ondergrond van Nederland (Houten). Exaltus, R., & Orbons, J. (2013). Vijf Akkers Noord, Moordrecht Gemeente Zuidplas Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Quickscan en verkennend booronderzoek (12124). ArcheoPro. Feest, N. J. W., van der, & Bongers, J. M. G. (2011). Moordrecht, Middelweg 49 (Gemeente Zuidplas, ZH) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (2011-11/04). De Steekproef. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME). (z.d.). Geraadpleegd oktober 2023, van http://www.ikme.nl/ikmekaart.html

22104.001 versie 1

1/2

Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT). (s.d.). TOP10NL [Map]. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/29d5310f-dd0d-45ba-abad-b4ffc6b8785f Lexmond Milieu-Adviezen B.V. (1999). Verkennend Milieukundig Bodemonderzoek. Middelweg 32 in Moordrecht. (99.19008/GB). Middelweg 32, Moordrecht | Monumenten.nl. (2023, juni 5). https://www.monumenten.nl/monument/1003995600 Parapluherziening Archeologie. (z.d.). Geraadpleegd oktober 2023, van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1892.BpArcheologie-Va01/r_NL.IMRO.1892.BpArcheologieVa01.html#NL.IMRO.PT.bea4980adbfc4fbfa5e3a069b612dbde SIKB. (2018). BRL SIKB 4000. Beoordelingsrichtlijn Archeologie (Versie 4.1, 24 mei 2018 ed.). SIKB. Stouthamer, E., Cohen, K. M., & Hoek, W. Z. (2015). De vorming van het land geologie en geomorfologie (7de dr.). Perspectief Uitgevers. Thanos, C. (2018). Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Zuidplas. Een actualisatie op basis van archeologische overwegingen Concept: Versie 3.0 15-01-2018 (2017062518 Versienummer 3). Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH). TracesOfWar.nl. (z.d.). Geraadpleegd oktober 2023, van https://www.tracesofwar.nl/default.asp Wageningen University & Research—Geoportal. (z.d.). Geraadpleegd oktober 2023, van https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf#1 Wink, K., & Schute, I. A. (2016). Archeologienota Krimpenerwaard.

Naar een realistische en duurzame omgang met het archeologisch erfgoed in de gemeente Krimpenerwaard (16-0032991). RAAP.

22104.001 versie 1

2/2

KAARTEN

Kaart 1.

Het plangebied op de topografische kaart

Kaart 2.

Het plangebied op de kadastrale kaart

Kaart 3.

Het plangebied op een luchtfoto uit 2022

Kaart 4.

Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart

Kaart 5.

Het plangebied op paleogeografische kaarten

Kaart 6.

Het plangebied op de geologische kaart

Kaart 7.

Het plangebied op de stroomgordelkaart

Gouderak

Zuidplas

Hollandse IJssel

Kaart 8.

Het plangebied op de geomorfologische kaart

Kaart 9.

Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3)

Kaart 10.

Het plangebied op de bodemkaart

Kaart 11.

Het plangebied op historische kaarten

Kaart 12.

Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied

Kaart 13.

Het plangebied op de archeolandschappelijke eenhedenkaart

Kaart 14.

Het plangebied op de archeologische verwachtingskaart

Kaart 15.

Boorpuntenkaart

BIJLAGEN

Bijlage 1.

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor▼ ▼ den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek zaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie met bouwkundige voorwaarden).

Ook kan besloten wor▼****** den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkWaarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** zaamheden door archeologen.*** (variant begeleiding) ▼ Besluit ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen ▼ ▼ vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardeOpgraven*** Beschermen ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Verwijderen van de arBescherming van de met bouwkundige voorwaarden). cheologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Bijlage 2.

Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen

1

11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

5c 5d 5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eemien (warme periode)

370.000 410.000

5a

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

Vegetatie

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

15.700

35.000

13.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Bijlage 3.

Planontwerp

Inrichtingsschets 1:500 Zorgstede Middelweg, Moordrecht

22 februari 2023

Bijlage 4.

Boring in DINOloket ten noordwesten van het plangebied

Boormonsterprofiel en interpretatie BRO GeoTOP v1.6 Identificatie: Coördinaten: Maaiveld: Hoogte t.o.v NAP:

B38A1375 104936, 445305 (RD) -5.60 m t.o.v. NAP -11.20 m - -5.60 m

Geologische eenheid

Lithoklasse

Lithologie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14529527/1