Bijlage 22 Bijlage 19 MER Deelrapport Water Bodem Klimaat A24.000186
Tekst van het document
Figuur 4-17 Bodemkwaliteit bovengrond bij ontgraving (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022)
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
33/189
Figuur 4-18 Bodemkwaliteit ondergrond bij ontgraving (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022)
Op basis van de toepassingskaart (kwaliteit ontvangende grond) voldoet een groot deel aan de klasse ‘landbouw/natuur’. Uitzondering hierop zijn de wegen, die voldoen aan de ‘klasse wonen’ en een klein deel in het zuidwestelijk deel die is ingedeeld als wonen/industrie (zie Figuur 4-19)
Figuur 4-19 Bodemkwaliteit boven en ondergrond bij toepassing (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022)
Te verwachte verontreinigingen-WBB (grond) In het bodemloket zijn meerdere reeds uitgevoerde bodemonderzoeken geregistreerd (zie figuur 4-15). Op basis van deze gegevens is gebleken dat een deel van het terrein is onderzocht. De in paars aangegeven delen zijn voldoende onderzocht en is de verwachting dat hier conform de WBB geen aanvullende gegevens nodig zijn. Ter plaatse van de delen aangeduid als historie bekend en onderzoek uitvoeren in Figuur 4-20 bestaat het vermoeden dat bodemverontreinigingen aanwezig zou kunnen. Binnen de projectlocatie zijn meerdere bedrijvenactiviteiten geregistreerd (figuur 4-16) vooral t.b.v.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
34/189
agrarische doeleinden. Aanvullend zijn een (voormalige) vijftal stortplaatsen (zie Figuur 4-21) aanwezig binnen het projectgebied. De kans bestaat dat de bodem is beïnvloed ten gevolge van deze activiteiten.
Figuur 4-20 - status beschikbare bodemonderzoeken (Rijkswaterstaat, 2022)
Figuur 4-21 - Situering bedrijfsactiviteiten weergegeven in blauwe markering (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022)
PFAS in grond-THK In de afgelopen jaren is veel aandacht besteed aan de ‘nieuwe verontreiniging’ PFAS. PFAS typeert zich als een stof die persistent, bioaccumulatief en toxisch is en daarmee schade kan opleveren voor het de mens en het milieu. PFAS
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
35/189
worden al decennia gebruikt in industriële- en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies, incidenten en de stofeigenschappen worden PFAS niet alleen bij puntbronnen, maar ook als diffuse verontreinigingen in grond, grondwater en oppervlaktewater aangetroffen. Tevens kan het toepassen van grond en het opbrengen van baggerspecie mogelijk bijdragen aan de verspreiding van PFAS in de bodem. Momenteel is onderzoek gaande over de effecten en het gedrag van PFAS in het milieu. Dit betekent o.a. dat vigerende wet- en regelgeving continue in ontwikkeling is en saneringstechnieken voor zowel grond als grondwater beperkt zijn en vooral nog in ontwikkeling zijn. Met behulp van de PFAS-bronnenkaart van Sweco zijn enkel PFAS-bronnen nabij het onderzoekgebied te vinden (zie Figuur 4-22). Vanwege de mobiliteit van de stoffen en het feit dat deze stoffen niet of nauwelijks afbreken, valt het echter niet te sluiten dat de bodem in het gebied verontreinigd is geraakt met PFAS. Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) is een stofgroep van ruim 6000 stoffen die bestaan uit fluor- en alkylverbindingen. Hieronder vallen o.a. PFOS en PFOA.
Op basis van de beschikbare gegevens bij de Omgevingsdienst MiddenHolland wordt de bovengrond (0,0-0,5 m -mv) van de projectlocatie ingedeeld in de klasse ‘wonen/industrie’. Dat betekent dat voor PFOS een gehalte van ca. 3,0 μg/kg d.s., voor PFOA 7 μg/kg d.s en voor de overige PFAS een gehalte van 3,0 μg/kg d.s. wordt verwacht (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022). Op de kruising van de Knibbelweg en de Derde Tochtweg is een meetlocatie van de achtergrondwaarden van PFAS aanwezig. Uit de meting in de bovengrond blijkt dat de concentratie van PFOA 4,7 µg/kg d.s, van PFOS <1,0 µg/kg d.s en van de overige PFAS 0,27 µg/kg d.s. is (Rijkswaterstaat, 2022). Vergelijkbare gehalten worden in de omgeving verwacht.
Figuur 4-22 - Mogelijke PFAS-bronnen in het gebied (Sweco, 2022)
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
36/189
Aandachtsgebieden verontreinigingen- WBB (grond) Uit de gegevens van de Omgevingsdienst Midden-Holland is gebleken dat de onderstaande verontreinigingscontouren aanwezig zijn (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022): • Tegenover Knibbelweg 85: sterke verontreiniging met nikkel. • Knibbelweg 48: sterke verontreiniging met zware metalen en PAK. In het systeem is een BUS melding geregistreerd. Onbekend is als deze verontreiniging reeds is verwijderd of niet. • Zuidelijke dwarsweg 4a: sterke verontreiniging met minerale olie in het bodemtraject 0,7 tot 1,2 m -mv (omvang 25 m3). • locatie MY-P 13 Julianaweg te Moerkapelle: matige verontreiniging met barium in de bovengrond (0,0 -0,5 m -mv). • Derde Tochtweg 6 Moordrecht: sterke verontreiniging met PAK. Onbekend is tot welke diepte deze verontreiniging aanwezig. In het systeem is een BUS melding geregistreerd. Onduidelijk is als deze verontreiniging reeds is verwijderd of niet. • Bredeweg ter hoogte van de spoortunnel: sterke verontreiniging met zware metalen, minerale olie en PAK in de zandige bodem meteen onder het asfalt van het fietspad. • Spoorwegovergang Vijfde Tochtweg Moordrecht: sterke restverontreiniging aanwezig met koper en PAK tot ca. 1,0 m -mv. Aandachtsgebieden diffuus lood in grond Lood is een zware metaal die door veelvuldig gebruik bij o.a.
industriële processen en ophooglagen met afval in de bodem is terecht gekomen. Lood kan vooral bij jonge kinderen schadelijke gezondheidsgevolgen hebben. Om deze effecten weg te nemen vraagt de overheid om speciaal aandacht voor diffuus lood vooral in (speel)tuinen en kinderspeelplaatsen. De Omgevingsdienst Midden-Holland waaronder het huidig projectgebied valt heeft in de regio middels onderzoek vastgesteld waar verhoogde loodgehaltes verwacht kan worden. Uit Figuur 4-23 blijkt dat op een deel van het projectgebied een verhoogd gehalte van lood kan worden verwacht.
Figuur 4-23 - Situering aandachtsgebieden diffuus lood (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022)
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
37/189
Milieu hygiënische grondwaterkwaliteit In de atlas van de Omgevingsdienst Midden-Holland zijn verschillende onderzoeken opgenomen die de grondwaterkwaliteit beschrijven. Uit deze gegevens blijkt over het algemeen dat het freatische grondwater overwegend lokaal licht verontreinigd kan zijn met zware metalen, vluchtige aromaten en/of PAK. Binnen het projectgebied zijn eveneens lokaal sterke verontreinigingen geconstateerd in het grondwater met minerale olie, vluchtige aromaten, PAK en zware metalen (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022). Onderstaande verontreinigingscontouren zijn aanwezig binnen het projectgebied (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2022): • Zuidelijke dwarsweg 4a: sterke verontreiniging met minerale olie in het grondwater tot een diepte van ca. 2,0-2,5 m -mv (omvang 250 m3). • Perceelgrens met Bredeweg 180: sterke verontreiniging met PAK tot een diepte van ca. 1,5-2,5 m -mv in het grondwater (omvang 1.140 m3) • Knibbelweg 60: sterke verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten tot een diepte van ca. 1-3 m-mv en 5,5-6,5 m-mv. Omvang is onbekend. • NAVOS locatie Knibbelweg (voormalige stortplaats): sterke verontreiniging met vluchtige aromaten en zware metalen op een diepte van ca. 3,0 - 4,0 m-mv en 5,2 - 7,2 m-mv. • Bredeweg 180: sterke verontreiniging met PAK en minerale olie (lokaal) met een omvang van 4.870 m3 tot een diepte van ca. 2,0 m-mv.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
38/189
4.2 Autonome ontwikkeling In deze paragraaf wordt beschreven welke autonome ontwikkelingen worden verwacht. Daarbij wordt alleen ingegaan op de thema’s waar autonome ontwikkelingen te verwachten zijn.
4.2.1
Oppervlaktewatersysteem
Sinds 1973 heeft HHSK waterpeilen niet meer geïndexeerd. Wanneer landgebruik zoals landbouw wenselijk is in de toekomst zullen peilen wel weer moeten worden verlaagd, dit is op dit moment niet het beleid van HHSK. Door de verlaging in peil zal de bodem sneller dalen en zal steeds meer kwel worden aangetrokken. Dit betekent voor de lage peilvakken dat de gemalen iets meer water moeten afvoeren en ook neemt de kans op wateroverlast iets toe. Daarnaast zal door de bodemdaling de inundatiediepte toenemen.
4.2.2
Klimaatverandering
Door klimaatverandering zal de intensiteit en de frequentie van hevige neerslag toenemen en zullen periodes van extreme hitte en/of droogte vaker voorkomen en stijgt de zeespiegel (KNMI, 2021). Voor het MER zijn de KNMI’14 scenario’s (KNMI, 2015) en het klimaatsignaal 2021 (KNMI, 2021) als vertrekpunt genomen. Voor hitte en droogte wordt scenario WH voor het jaar 2050 gebruikt. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven naar de effecten in 2085 en 2100. Hierin wordt uitgegaan van een hoge wereldwijde temperatuurstijging in combinatie met een verandering van luchtstromingen boven Nederland. Het Deltaprogramma houdt op dit moment rekening met zeespiegelstijging tussen de 0,4 meter en 1 meter in 2100, recente rapportages tonen aan dat een grotere zeespiegelstijging niet ondenkbaar is (Deltacommissaris, 2022). Neerslag Figuur 4-24 laat de waterdiepte zien bij een bui die met het huidige klimaat kan voorkomen met een kans van T = 1001 (70 mm in 2 uur). Met name het westelijke en centrale deel van het Middengebied zijn kwetsbaar. De wegen en bebouwing blijven in het algemeen droog maar op de lagere percelen ontstaat wateroverlast. In het 2050 WL scenario zal een bui van deze omvang vaker voorkomen en een herhalingstijd hebben van ongeveer 50 jaar (T = 50), waardoor de kans op wateroverlast toeneemt. Daarnaast neemt de hoeveelheid neerslag bij het 2050 WL scenario toe met ca. 8%.
In scenario 2085 WH zal de neerslag naar verwachting toenemen met ca. 30% ten opzichte van de huidige situatie. Door de toename van kwel door zeespiegelstijging, in combinatie met meer extreme neerslaggebeurtenissen, zouden pompen in lage peilvakken meer water moeten kunnen afvoeren wanneer landgebruik en normen hetzelfde blijven. Hittestress De verwachting volgens het KNMI is dat in 2085 de gemiddelde temperatuur met +1,3 tot +3,7°C stijgt in de zomer, en de warmste dagen met +2,0 - +4,9°C. Daar komt bij dat het aantal zomerse (>25°C) en tropische (>30°C) dagen naar verwachting 30-130% toenemen (KNMI, 2015). Omdat het gebied in de 1 T = 100 betekent dat een dergelijke bui gemiddeld één keer per 100 jaar optreedt.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
39/189
autonome situatie niet als stedelijk gebied ingericht wordt zal de gemiddelde temperatuur toenemen op basis van de gemiddelde stijging. Droogte Ook droge periodes komen naar verwachting vaker voor als gevolg van klimaatverandering. In de huidige situatie worden peilen sinds 1973 niet meer geïndexeerd. Hiermee is bodemdaling verminderd en de kans op bodemopbarsting verkleind. Wanneer huidige functies in het gebied behouden blijven (bedrijven, landbouw, woningen) dan zal in de toekomst mogelijk peilindexatie weer nodig zijn. Het verlagen van peilen kan bodemdaling versterken. Het dalen van de bodem en verlagen van peilen kan er bij oudere bebouwing op palen voor zorgen dat de houten paalkoppen droog komen te staan. Dit kan voor paalrot zorgen en daarmee verzakking van woningen. Door bodemdaling kan ook schade optreden aan wegen en andere infrastructuur, zoals riolering, waardoor beheer en onderhoudskosten stijgen. Bij lagere grondwaterstanden kunnen bomen onvoldoende water krijgen en blad verliezen (Stowa, 2022). Het kan ook zijn dat boomwortels op zoek gaan naar water op grotere diepte wat kan leiden tot schade aan ondergrondse infrastructuur. Bodemdaling en de gevolgen daarvan wordt beschouwd in paragraaf 4.2.4. Zeespiegelstijging Als gevolg van zeespiegelstijging nemen zonder aanvullende maatregelen waterstanden in het hoofdsysteem toe.
Ook neemt op lange termijn de kweldruk toe in de ondergrond. Precieze duiding van de effecten van zeespiegelstijging zijn onbekend. Naar verwachting zal het effect op stijghoogten maximaal 5-10% van de hoogte van zeespiegelstijging toenemen. In gebieden waar de waterpeilen extra hoog worden gehouden om droogval en schade aan houten funderingspalen te voorkomen is de buffercapaciteit van de bodem beperkt (minder ontwateringsdiepte) en het risico op wateroverlast groter (Witteveen+Bos, 2021). In droge perioden is meer wateraanvoer nodig om waterpeilen hoog te houden.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
40/189
Figuur 4-24 - Waterdiepte bij huidige T=100 bui (70 mm in 2 uur) (Climate Adaptation Services, 2022)
4.2.3
Water aan- en afvoer
De wateraanvulling van sloten als gevolg van kwel zal toenemen als gevolg van zeespiegelstijging en bodemdaling. In geval van droogte zal (meer) water ingelaten worden vanuit de Ringvaart om uitzakken van waterpeilen te voorkomen. Beide vormen van wateraanvoer, kwel en ingelaten water, zijn tijdens langdurige droogte (lage rivierafvoeren) van een andere waterkwaliteit dan water uit het plangebied (gebiedsvreemd water). In tijden van (extreme) droogte zal de Hollandse IJssel, en daarmee ook de Ringvaart, licht verzilten door de invloed vanuit zee. Om te blijven voldoen aan de NBW-normen2 zal bij toenemende natte perioden en perioden van extreme neerslag meer water moeten worden afgevoerd. Afvoer zal zo veel mogelijk plaatsvinden via gemaal Abraham-Kroes en gemaal Zuidplaspolder maar zal bij vaker voorkomende extremen waarschijnlijk ook vaker via Gemaal 4e tocht plaatsvinden. Dit kan een negatief effect hebben op de Groene Waterparel.
2 NBW-normen: De wateropgave in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het areaal in een gebied dat
mag inunderen bij een bepaalde bui, zoals vastgelegd in datzelfde NBW en de verschillende klimaatscenario's. Voor verschillende functies gelden specifieke normen. Waterschappen zijn verantwoordelijk om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat inundatie binnen de NBW-normen blijft. De maatregelen kunnen worden gezocht in vasthouden, bergen of afvoeren uit het gebied (in die voorkeursvolgorde). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: (1) de historische wateropgave (ook wel de NBW-opgave 2015 genoemd) en (2) de NBWwateropgave 2050. Een specificatie van de areaal die mogen inunderen volgens de NBW-normen kan worden gevonden in de beleidsnota waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen (2012, https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR273133#d91196019e659)
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
41/189
4.2.4
Bodembeweging
Er zijn twee oorzaken van bodemdaling: natuurlijke (historische belasting door sedimentatie, beweging aardplaten) en als gevolg van menselijk ingrijpen (belasting door menselijke activiteit, peilbeheer, belasting door menselijke activiteiten, grondwateronttrekking, gaswinning). Bodemdaling als gevolg van veenoxidatie (landelijk gebied) De bodemdaling als gevolg van veenoxidatie in de autonome ontwikkeling is niet exact te kwantificeren. Aan de hand van de ondergrondgegevens zijn twee scenario’s uitgewerkt voor de Klimaateffectenatlas waarin zowel het peilbeheer als de ontwikkeling van het klimaat zijn meegenomen. Figuur 4-23 laat de verwachte bodemdaling zien in en rondom het plangebied in een laag bodemdalingsscenario tot 2050. In dit scenario een laag klimaatscenario gebruikt, GL, in plaats van het meest extreme scenario WH en gaat men uit van peilfixatie. In dit geval is de verwachte bodemdaling 10-20cm tot 2050. Dit komt neer op <1mm daling per jaar.
Figuur 4-25 - Autonome bodemdaling, laag scenario zichtjaar 2050 (Klimaateffectenatlas)
Figuur 4-26 laat de verwachte bodemdaling vanuit de Klimaateffectatlas zien in het hoge scenario voor het Middengebied tot 2050. Hierin is bij het maken van de klimaateffectatlas aangenomen dat het waterpeil regelmatig wordt geïndexeerd om de drooglegging gelijk te houden met het oog op de dalende bodem, en dat de temperatuur verder zal stijgen met meer droogte en veenoxidatie als gevolg. In werkelijkheid is het waterpeil al sinds 1973 niet meer geïndexeerd. Afhankelijk van de bodemopbouw kan de bodem lokaal sneller of minder snel dalen, tussen de 1 en 5mm.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
42/189
Figuur 4-26 - Autonome bodemdaling hoog scenario zichtjaar 2050 (Klimaateffectenatlas)
Autonome bodemdaling (landelijk en stedelijk gebied) Autonome bodemdaling wordt veroorzaakt door natuurlijke processen als historische belasting door sedimentatie (autocompactie), droogte en belasting door natuurlijke sedimentatie. De autonome bodemdaling is zeer lastig te bepalen. Dit komt door de gebrekkige informatie die beschikbaar is voor het gebied en de complexiteit om überhaupt autonome bodemdaling te meten. Op basis van de bodemdalingskaart 2.0, bodemopbouw (klei en veen) en expert judgement (o.a. op basis van geotechnische ervaring en ervaringen van actieve deelnemers van het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling waaronder gemeente Woerden en Capelle aan den IJssel) wordt ingeschat dat de autonome bodemdaling varieert tussen de 2 en 5 mm per jaar. 2mm is te verwachten op de Kreekrug waar sprake is van een meer stevige ondergrond. 5mm is te verwachten in de gebieden waar de ondergrond uit dikke samendrukbare lagen veen en klei bestaat (meer de randen van het gebied). Op sommige locaties waar de bodem uit zeer zettingsgevoelige bodemlagen bestaat kan sprake zijn van meer dan 5mm per jaar. Bodemdaling als gevolg van zetting (stedelijk gebied) In de autonome ontwikkelingen worden binnen het plangebied geen noemenswaardige verzwaringen en of ophogingen uitgevoerd, waardoor bodemdaling als gevolg van zetting niet plaats zal vinden.
4.2.5
Waterveiligheid
Door klimaatverandering zal de zeespiegel naar verwachting versneld stijgen na 2050. Het klimaatsignaal van het KNMI (2021) gaat uit van een stijging van de zeespiegel van 0,15-0,41 meter in 2050 en 0,54-1,21 meter in 2100 (KNMI, 2021). Het kennisprogramma zeespiegelstijging (MinIenW) houdt daarnaast rekening met een zeespiegelstijging van 2 meter in 2100. Ten behoeve van
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
43/189
deze MER studie heeft HKV overstromingsstimulaties gemaakt voor de Zuidplaspolder en specifiek het Middengebied. In deze studie is ook een simulatie gemaakt voor 2 meter zeespiegelstijging (HKV, 2022). Door hogere zeewaterstanden sluiten primaire keringen vaker. In de overstromingssimulaties is rekening gehouden met extreme situaties met zowel een open als gesloten Europoortkering en Hollandse IJsselkering (HKV, 2022). Een stijgende zeespiegel leidt tot hogere overstromingsdiepten bij een dijkdoorbraak. Daarnaast vergroot bodemdaling vergroot effect verder doordat de afstand tussen bodem en waterpeil groter wordt. In de overstromingssimulaties voor de Zuidplaspolder is geconcludeerd dat een overstroming vanuit de Hollandse IJssel, met een open Hollandse IJsselkering maatgevend is met een doorbaak bij Nieuwerkerk Noord. In deze situatie, ondanks zijn zeer kleine kans, treden de hoogste waterstanden op. Overstromingsdiepten tot -2,1m NAP treden in deze situatie op in 2050. Voor breslocaties, Gouda Sluisdijk en Nieuwerkerk Noord, zijn ook zichtjaar 2100 (0,75m zeespiegelstijging) en 2 meter zeespiegelstijging gesimuleerd. Voor Gouda Sluisdijk treden waterstanden op tot respectievelijk -2,2m NAP en -1,5m NAP en voor Nieuwerkerk Noord respectievelijk -1,9m NAP en -1,1m NAP (HKV, 2022). Met maaiveldhoogten variërend rond de -6m NAP komt dit neer op een waterdiepte van ca.
3,1 – 3,9 meter diep. Opgemerkt wordt dat uiteraard maatregelen worden getroffen door HHSK zoals bijvoorbeeld zorgen dat de keringen gesloten worden. Als gevolg van aanpassingen in de ruimtelijke inrichting en het watersysteem kunnen daarnaast de gevolgen van overstromingen veranderen. Een verbreding van de A20 en de onderdoorgangen kan de overstroming onder de weg door versnellen waardoor water sneller bij de Zuidplaspolder aankomt. Naar verwachting heeft dit echter geen enorme impact op de overstromingsdiepten ten opzichte van de huidige situatie.
4.2.6
Figuur 4-27 Relatieve zeespiegelstijging = absolute zeespiegelstijging + bodemdaling
Grondwaterkwantiteit
Door toename van stijghoogten in de ondergrond als gevolg van zeespiegelstijging en door een afnemende dikte van de deklaag (in geval van het plangebied met name door compactering van de ondergrond) neemt de kans op opbarsten en welvorming verder toe, omdat de tegendruk van grond en oppervlaktewater afneemt. Stijghoogten hoger dan het huidig maaiveld zijn niet ongewoon in Nederland. In bijvoorbeeld de Haarlemmermeerpolder ligt de stijghoogte 1 tot 2 meter boven het maaiveld (Goudriaan, de Louw, & Kramer, 2011). Het is afhankelijk van de bodemopbouw en dikte van de deklaag of opbarsting en wellen hiermee een direct probleem vormen. Door deze verandering neemt kwel toe.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
44/189
De Groene Waterparel zal, gezien het beleid van het waterschap en de provincie, op hetzelfde waterpeil blijven waardoor in dit gebied meer tegendruk blijft op de kweldruk.
4.2.7
Grondwaterkwaliteit
Door het stijgen van de zeespiegel kan het zijn dat het grondwater zouter wordt. De combinatie van maaivelddaling, hogere stijghoogten in het diepe grondwater en potentieel hoger zoutgehaltes leiden tot een toename van zoute kwel. Dit is negatief voor de waterkwaliteit in de polder. Milieu hygiënische grondwaterkwaliteit Voor de milieu hygiënische grondwaterkwaliteit en aanwezige verontreiniging, zie hoofdstuk 4.2.9.
4.2.8
Oppervlaktewaterkwaliteit
Inlaatwater kan in de autonome situatie dan meer zout bevatten, wat een negatief effect heeft op de waterkwaliteit. Kwel in het gebied is zoals eerder beschreven zilt-, ijzer- en nutriëntenrijk, wat een (negatief) effect heeft op de waterkwaliteit in het gebied. De waterkwaliteit kan op de langere termijn in droge perioden verslechteren, onder andere door de toename van kwel (zie 4.2.6) en mogelijk inlaten van water. Door het in de toekomst mogelijk weer indexeren van het waterpeil zal meer kwel worden aangetrokken in de laagste peilvakken, omdat verder verlagen van waterpeilen op dit moment niet het beleid is van HHSK is de verwachting dat dit niet gebeurd. De Groene Waterparel zal, gezien het beleid van HHSK, op hetzelfde waterpeil blijven en geen achteruitgang in waterkwaliteit ondergaan. Wanneer peilen in de toekomst worden geïndexeerd kan dit voor veenoxidatie zorgen in de ondergrond (op basis van gegevens klimaateffectatlas). Dit heeft bodemdaling en uitstoot van CO2 tot gevolg. Bovendien komen bij het proces nutriënten vrij die de waterkwaliteit verslechteren. Daarnaast wordt bij verlaging van het waterpeil meer zilte kwel (eveneens hoger gehalte aan nutriënten) aangetrokken, dit leidt tot een verslechtering van de waterkwaliteit. De kans op eutrofiëring neemt toe.
Zoals te lezen in hoofdstuk 4.1.8 is er voor het beheergebied van HHSK een studie gedaan naar herkomst van stoffen, de precieze verhouding stoffen voor het plangebied en in welke mate kwel een bijdrage levert aan de verslechtering van de waterkwaliteit is niet 1-op-1 over te nemen, dit is zeer gebiedsafhankelijk. Dat kwel een aanzienlijke bijdrage levert blijft wel staan gezien de lokale omstandigheden. KRW waterlichamen Het is onzeker of de KRW-waterlichamen Zuidplaspolder Noord, Zuidplaspolder Zuid en Ringvaart qua biologische toestand het KRW-doel bereikt in 2027. Over het algemeen is de verwachting dat de chemische en ecologische toestand verbetert of dat de huidige toestand niet verslechtert in de referentiesituatie. Zilte kwel heeft een negatieve invloed op de ecologische toestand van het water. Daarnaast heeft zilte kwel vaak ook hogere nutriënten concentraties wat voor een grotere kans op algenbloei zorgt. Het is onduidelijk of verzilting meegenomen is in het afleiden van de KRW doelen.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
45/189
4.2.9
Bodemkwaliteit (milieu hygiënisch onderzoek)
In de autonome situatie wordt de bestaande bedrijvigheid in het plangebied voortgezet. Er zijn geen autonome ontwikkelingen bekend die van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Wanneer landgebruik niet wijzigt zal de verontreinigingssituatie niet veranderen. Deze stoffen blijven aanwezig in de bodem. Op basis van de huidige kennis komen er geen ontwikkelingen bij in de autonome situatie die verontreinigingen versterken.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
46/189
5. Functioneren systeem: ecohydrologische beschouwing In hoofdstuk 4 is een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen voor de verschillende thema’s voor water, bodem en klimaat. Zoals uit die beschrijving blijkt hebben veel thema’s invloed op elkaar. Vanuit de Commissie m.e.r. is geadviseerd om een samenhangend onderzoek uit te voeren naar de waterhuishouding waarbij inzichtelijk wordt hoe de waterhuishouding en de ecohydrologie van het plangebied in elkaar zitten. Ecohydrologie gaat in op drie belangrijke componenten: het functioneren van de bodem, het watersysteem en het reageren van de ecologie daar op. In dit hoofdstuk geven we hier een beschrijving van en geven een beschouwing op de ecohydrologische effecten van maatregelen genomen in de alternatieven. We nemen in deze analyse mee wat het effect van de ontwikkeling op het grotere geheel van de polder is en hoe deze systemen als onderlegger gebruikt worden voor de stedenbouw en de groenontwikkeling. Daarnaast beschouwen we de effecten van klimaatverandering op het planvoornemen. Figuur 5-1 geeft de relaties tussen verschillende milieucompartimenten weer. Het figuur laat zien dat verschillende milieucompartimenten invloed hebben op de werking van het ecohydrologische systeem.
De diepere ondergrond heeft invloed op hoogteverschillen en reliëf door bodemopbouw, dit heeft invloed op de dynamiek en samenstelling van grondwater en daarmee het oppervlaktewater. De samenstelling en hydrologische eigenschappen van de bodem hebben invloed op ecologische indicatoren en uiteindelijk het landgebruik.
Figuur 5-1 relaties tussen milieucompartimenten volgens het Rangordemodel (Stowa, 2017)
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
47/189
5.1.1
Algemene beschrijving ecohydrologisch systeem
Het grondwater in de Zuidplaspolder en in het Middengebied is ijzerrijk, nutriëntenrijk en zuurstofarm (Witteveen+Bos, 2021). Het water uit de bodem is gemiddeld genomen licht brak met chloridegehaltes tussen de 100 en 200mg/l, in sommige gevallen laten meetgegevens ook waarden zien tot 400mg/l. De kwaliteit van de (diepere) bodem heeft door grondwaterstroming, neerslag en kwel (en opbarsting) invloed op de waterkwaliteit in het gebied. Dit komt doordat er in dit gebied in het algemeen sprake is van kwel. Met deze kwel wordt water aangevoerd dat onder invloed staat van de zee. Dit resulteert in de beschreven grondwaterkwaliteit. Fosfaat Het grondgebruik in de huidige situatie in de Zuidplaspolder en het Middengebied is overwegend bedrijven, kassenbouw en agrarisch gebied. Planten hebben nutriënten nodig om te kunnen groeien, daarom worden landbouwgronden bemest en kan er een overschot aan fosfaat ontstaan in de ondergrond. Wanneer water uit de ondergrond omhoog komt (kwel) kunnen stoffen uit de ondergrond mobiliseren. Ook van het oppervlak kunnen stoffen mobiliseren door nalevering uit de bodem bij het verhogen van waterpeilen. Uit waterkwaliteitsmetingen komt naar voren dat er veel fosfaat in het oppervlaktewater zit. Een deel hiervan komt uit kwel, een deel uit landbouwgrond (nalevering) en van actuele bemesting.
Voedselrijk water met nutriënten zoals fosfaat en stikstof zorgen voor een hogere kans op algenbloei of een kroosdek. Macrofyten (in het water levende planten) concurreren onder voedselarme omstandigheden met andere soorten waardoor algen en kroos geen kans krijgen. Wanneer de voedselrijkdom (lees nutriënten) toeneemt vormt deze geen beperkende factor meer en verschuift de concurrentiefactor naar licht. Waterplanten zullen naar het oppervlakte toegroeien. De onderlaag raakt beschaduwd waardoor ondergedoken planten afsterven. Waterplanten zijn niet meer in staat alle nutriënten op te nemen. Kroos en algen kunnen zich onder deze omstandigheden juist goed ontwikkelen. Daarnaast gebruiken algen veel zuurstof wat kan leiden tot zuurstofloosheid waar andere planten en dieren eveneens onder te lijden hebben. Dit gebeurt vooral in open water, ondiepe wateren en geïsoleerde niet stromende wateren. Een andere mogelijkheid is dat langs het water natte nutriëntminnende natuur ontwikkelt, bijvoorbeeld in de vorm van voedselrijk moeras zoals riet en ruigten. Deze (water)planten zorgen voor schaduw waardoor algen juist minder de kans krijgen. Algenbloei en kroos zijn in een stedelijke omgeving onwenselijk, daarom het verminderen van nalevering van fosfaat in de bodem belangrijk.
Het voor een groot deel verwijderen van landbouw uit het gebied zal niet direct leiden tot de vermindering van fosfaat. Een andere mogelijkheid is een laag zand toevoegen aan de grond, of natuurlijke peilfluctuatie toe te staan waardoor fosfaat afbreekt. Het uitspoelen en afbreken van de reeds aanwezige fosfaat uit de ondergrond kan tientallen jaren duren. Het duurt daardoor lang voordat fosfaatgehaltes tot een acceptabel gehalte zijn gedaald. Hoe lang dit effect duurt is onduidelijk. IJzer Het water in het plangebied is ijzerrijk. IJzer (wat resulteert in bruin water) zorgt voor minder doorzicht, wat leidt tot weinig of geen waterplanten. Dit kan leiden tot een ongunstig lichtklimaat voor algen en daarmee minder algen. IJzer heeft
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
48/189
daarnaast een immobiliserend effect op fosfaat. Over het algemeen leidt dit tot minder problemen met fosfaat in Nederland dan wanneer er geen sprake was van ijzerhoudend grondwater. Echter, wanneer water zuurstofloos wordt (bijvoorbeeld door veel algen) laat het ijzer het fosfaat weer los (Deltares, 2017). Katteklei en klei Het Middengebied kent speciale omstandigheden. De bodem is overwegend opgebouwd uit klei en katteklei met in het zuidelijkste puntje nog wat veen, zie figuur 5-20. Katteklei is een bijzonder soort klei. Door het chemische proces dat ontstaat wanneer pyriet uit de katteklei in aanraking komt met zuurstof en water wordt fosfaat vastgelegd. Het zure water dat ontstaat als gevolg van deze reactie is over het algemeen niet geschikt als habitat voor veel plant- en diersoorten. Er zijn echter specifieke oeverkruid-klassen die hier goed op groeien. Deze oeverkruid-klasse zijn beperkt aanwezig in Nederland maar zijn internationaal belangrijk om in stand te houden. De Groene Waterparel heeft door de combinatie van waterhuishouding en deze bodemopbouw bijzondere natuurwaarden. Onderstaande figuur (5-20) is indicatief. Hoeveel katteklei er precies aanwezig is en waar is onzeker, een eerdere studie laat zien waar katteklei verwacht wordt en wat het bindend vermogen voor fosfaat is (HaskoningDHV, 2016).
Figuur 5-2 Aanwezige katteklei in gebied, in rood omlijnd plangebied
5.1.2
Ingreep-effect relaties
Referentiesituatie In de referentiesituatie is op plekken sprake van bruin oppervlaktewater vanwege de ijzerrijke kwel, in andere gevallen is er sprake van helder en plantenrijk water. Daarnaast geven waterkwaliteitsmetingen aan dat er veel
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
49/189
fosfaat in het water zit. Fosfaat kan uit de diepere ondergrond komen maar kan ook afspoelen van landbouwgronden in het gebied.
Figuur 5-3 -Globale weergave effecten wanneer peilindexaties weer zouden worden toegepast in het gebied
Sinds 1973 zijn waterpeilen niet meer geïndexeerd, hiermee is het dalen van de bodem verminderd. Als gevolg van zeespiegelstijging of peilindexatie in de toekomst om het huidig landgebruik mogelijk te maken, kan kwel toenemen. Deze kwel is ijzzerrijk. Bruin, ijzerrijk water heeft effect op het doorzicht, weinig doorzicht zorgt voor weinig tot geen waterplanten. Minder waterplanten heeft effect op macrofauna en vis, en daarmee een lage biodiversiteit. Daarnaast wordt het bruinige water als onaantrekkelijk ervaren. De toename van kwel zorgt er voor dat er meer water uit de ondergrond in het oppervlaktewater terecht komt. Dit zorgt er voor dat er continu meer water uit het gebied moet worden gepompt. Het systeem is daarmee minder robuust.
Effecten ingreep van alternatieven In de verschillende alternatieven wordt het peil opgezet, hierin is variatie tussen een gemiddeld peil van -6,2m NAP (tussen bandbreedte van -6,05 en -6,35m NAP) en een gemiddeld peil van -5,8m NAP (opzetten tot maximaal -5,3m NAP). Dit zorgt er voor dat gebieden de Watertuinen, het Energielandschap en de Groene Schakel met gemiddelde peilen 0,1m tot 0,7m water op het maaiveld hebben staan. De gemiddeld nattere omstandigheden zorgen er voor dat het huidig landgebruik niet meer mogelijk is. Ook voor wonen zijn dit uitdagende omstandigheden, hiervoor zijn alternatieve woonvormen getoetst. De natte omstandigheden bieden kansen voor het ontwikkelen van natuur en recreatiegebied. Door het opzetten van het peil wordt een groot deel van de kwel in het gebied weggedrukt. Dit heeft een positief effect op de waterkwaliteit doordat minder ijzerrijke kwel uit de ondergrond naar boven komt, het doorzicht wordt beter en waterplanten krijgen meer de kans. Het opzetten van het peil leidt echter tot uitspoeling van fosfaat uit de bovengrond (voormalig agrarisch gebruik) wat weer voor een verslechtering van de waterkwaliteit kan zorgen. De uitspoeling van fosfaat, en daarmee grotere fosfaatbeschikbaarheid, kan leiden tot een toename van algenbloei in de wateren.
Afgraven, afdekken en verbeteren van de grond kan zorgen voor minder voedingswaarden en daarmee minder invloed
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
50/189
van fosfaat. Let op, het is ook mogelijk dat er hoge concentraties nutriënten in te ondergrond aanwezig zijn welke vrij kunnen komen. Een andere mogelijkheid is in te zetten op ontwikkeling van natte natuur die nutriënt minnend is. Denk bijvoorbeeld aan het creëren van voedselrijk moeras zoals riet en ruigten. Deze waterplanten zorgen voor schaduw waardoor algen minder de kans krijgen, met periodiek snoeien en afvoeren worden nutriënten versneld afgevoerd. Hoe lang dit duurt is sterk afhankelijk van de hoeveelheid nutriënten in de bodem. Als gevolg van de peilopzet ontstaat met regelmaat ondiep water op plekken. Ondiep water warmt makkelijk op, warm water (>25°C) kan in combinatie met een voedselrijke omgeving leiden tot botulisme en algenbloei. Daarnaast kan een vochtige omgeving zorgen voor meer insecten, wat voor mensen die wonen in de Watertuinen onaantrekkelijk kan zijn. Een goede visstand, kikkers en voldoende vogels die larven opeten zorgen voor het verminderen van insecten zoals muggen. Een goede ecologische situatie is bevorderlijk voor de leefkwaliteit. Het creëren van schaduw, bijvoorbeeld met riet en waterplanten zorgt voor minder opwarming. Daarnaast helpt het verdiepen van waterpartijen om opwarming te voorkomen. Met hoge voorgestelde peilen is de kans op opbarsting kleiner.
5.1.3
Ecohydrologie in deelgebieden: huidig en beschrijving van effecten van wijzigingen
Het Middengebied is gelegen in de Zuidplaspolder. Aanpassingen aan het watersysteem in het Middengebied kunnen effect hebben op het ecohydrologisch systeem van de totale polder. De relatie tussen het Middengebied en de rest van de Zuidplaspolder is beschreven. Daarna is een korte omschrijving van de ecohydrologische effecten in de verschillende deelgebieden omschreven.
Relatie Middengebied – rest van de Zuidplaspolder Het Middengebied ligt middenin de Zuidplaspolder. Het watersysteem van het Middengebied is nauw verbonden met de rest van de Zuidplaspolder. Vanuit de Ringvaart wordt water ingelaten in de Zuidplaspolder komt via twee aanvoerroutes in het Middengebied. Het water wordt door het Middengebied gevoerd en uiteindelijk via gemaal 4e tocht langs de Groene Schakel richting het Abraham Kroes gemaal afgevoerd. Door het huidige landgebruik in de polder is het water dat wordt afgevoerd rijk aan nutriënten. Een verandering van functie naar stedelijk gebied in het Middengebied leidt zal, op basis van de gestelde ambities, naar verwachting verbeteren ten opzichte van de waterkwaliteit in de rest van de Zuidplaspolder. Het verhogen van peilen in het Middengebied zorgt voor afname van (ijzerrijke)kwel. Daarvoor zijn verschillende ingrepen nodig in het watersysteem, zoals verplaatsing van pompen/gemalen om het waterpeil in het Middengebied te beheersen. Bij een waterpeil >-6m NAP zal er beperkt grondwater opwellen. In theorie kan het zo zijn dat het veranderen van het waterpeil van invloed is op de rondom het Middengebied gelegen gebieden, kwel van slechte kwaliteit kan daar toenemen. De effecten hiervan op de rest van de Zuidplaspolder zijn naar verwachting minimaal.
Een 2D/3D grondwatermodellering zal hier meer duidelijkheid over geven, de beschikbaarheid van data over kwel en bodemopbouw dragen bij aan de kwaliteit van de modellering (zie hoofdstuk 6.3).
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
51/189
Middengebied - deelgebieden In de huidige situatie is het Middengebied met name grasland met daarop boerderijen en bedrijven. De verschillende gebieden hebben op dit moment beperkte ecohydrologische waarden, met uitzondering van de Groene Waterparel. Het watersysteem is met name ingericht op het faciliteren van aanwezige functies. Hieronder zijn per gebied de waarden en de effecten als gevolg van verandering aan peilen en inrichting omschreven. Groene Waterparel De Groene Waterparel is een voor een groot deel hydrologisch afgesloten gebied in het Middengebied. Door de unieke omstandigheden met katteklei in de ondergrond (zie boven) ontstaan zure omstandigheden. Hierdoor groeit in dit gebied de oeverkruid-klasse goed, een belangrijke soortgroep om internationaal in stand te houden. Ondanks de gunstige omstandigheden neemt de bijzondere vegetatie in het gebied toch af (van Diggelen, Verstijnen, Roelofs, & Smolders, 2020). Mogelijk is dit een effect van het inlaten van gebiedsvreemd water of verandering van beheer. Precieze details zijn hierover onbekend. Randvoorwaarde om de omstandigheden voor oeverkruid-klasse en andere typische soorten goed genoeg te houden is om tenminste 2 maanden aan het begin van het groeiseizoen geen gebiedsvreemd water in te laten (van Diggelen, Verstijnen, Roelofs, & Smolders, 2020). De Groene Waterparel wordt gezien als een belangrijk stukje natuur.
Het is belangrijk dat dit gebied geïsoleerd blijft. Daarnaast zal het huidige peil in dit gebied (diverse peilgebieden tussen de ca. -5,8 en -6,6m NAP) gehandhaafd moeten blijven om de huidige vegetatie in stand te houden. In de alternatieven en het planvoornemen zijn geen ingrepen aan de Groene Waterparel voorzien. De effecten van verstedelijking, opzetten van waterpeil en klimaatverandering kunnen echter wel effect hebben op de Groene Waterparel. Door het verhogen van het waterpeil in de Watertuinen en de Kreekrug kan kwel licht toenemen richting de Groene Waterparel. Uit berekeningen is gebleken dat dit neer komt op een gemiddelde kweltoename van ca. 0,05mm/dag richting de Groene Waterparel. Afhankelijk van de verandering van de kwaliteit van het kwelwater heeft dit in meerdere of mindere mate effect op de ecologische toestand van de Groene Waterparel. Maatregelen zoals een bufferzone (tot 120m met een aangepast peil -6,3m NAP en -6,9m NAP) of buffersloot (met een aangepast peil -6,6m NAP) hebben een minimaal effect, zie analyse en bijlage IV in dit rapport. Een uitspraak over het effect van de toename van kwel op de Groene Waterparel is op dit moment niet te maken op basis van beschikbare gegevens en onzekerheid van de gegevens.
De inrichting van het watersysteem is er in de toekomst op gericht dat meer water kan worden vastgehouden (berging) ten tijden van extreme neerslag. Hierdoor neemt de kans dat water in calamiteiten wordt afgevoerd door de 4e tocht en langs de Groene Waterparel als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Kreekrug De Kreekrug wordt in alle alternatieven opgehoogd volgens meer traditionele methoden zoals ophogen met zand. Door het verhogen van de waterpeilen wordt kwel uit de ondergrond verminderd. Deze twee factoren samen zorgen voor een vermindering tot volledige reductie van uitspoeling van stoffen uit de
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
52/189
ondergrond naar het oppervlaktewater. Wat een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit. De kans op helder plantenrijk water met een gezonde visstand en ecologie wordt daarmee groter. Op de Kreekrug wordt het deel van het dorp gebouwd met hogere woningdichtheid. Afhankelijk van de precieze inrichting kan het zo zijn dat er daardoor meer auto’s rijden waardoor afstromend regenwater eerder vervuild raakt (fosfaatrijk, metalen, PAK). Het afstromend water kan voor verslechtering van de waterkwaliteit zorgen wanneer geen aanvullende maatregelen genomen worden. Mogelijkheden om water te zuiveren zijn bijvoorbeeld bodempassages, bijvoorbeeld via bermpassage of middels Wadi’s (Stowa, n.d.), daarnaast is zorgvuldig afkoppelen van belang. De verwachte toename van verharding zorgt er voor dat het gebied in warme periodes verder opwarmt. Het waterrijke landschap in combinatie met bomen kan voor de vermindering van het hitte effect zorgen. Bomen en planten zullen bestand moeten zijn tegen natte en drogere omstandigheden. Daarnaast zal rekening gehouden moeten worden met bladafval van bomen, bladafval kan zorgen voor baggeraanwas en aanvoer van organisch materiaal in het water wat van negatieve invloed kan hebben op de waterkwaliteit. Watertuinen Ook in het gebied dat ontwikkeld wordt als de Watertuinen is het landgebruik op dit moment met name grasland met agrarisch gebruik.
De bodem is dus rijk aan nutriënten. In de verschillende alternatieven wordt gesproken over bouwen op terpen, bouwen op palen en drijvend bouwen. In geval van bouwen op palen en drijvend bouwen kan natuur gecreëerd worden om en onder woningen. Uit onderzoek is gebleken dat drijvende wijken geen tot nauwelijks negatieve effecten hebben op de ecologie (Pedrosa de Lima, de Graafvan Dinther, & Boogaard, Legenda 2022). Dit zorgt voor minder Groenblauw raamwerk: peil tov maaiveld [m] 0.0 - 0.25 grondverzet en meer 0.26 - 0.5 waterbergingsmogelijkheden 0.51 - 0.75 en kansen voor 0.76 - 1 1.1 - 1.3 natuurontwikkeling. Wanneer 1.4 - 1.5 geen grondverbetering wordt toegepast kan de Figuur 5-4 - Effect van het hoogste peil (-5,3m NAP) in Alternatief Groen-blauw voedselrijke grond leiden tot raamwerk. Het huidige maaiveld komt onder water te staan met waterdiepten algenbloei.
¯
Esri
tussen de 0,0 en 0,5m met op sommige plekken diepten tot 1,5m.
Een vochtig moeraslandschap in een woongebied kan leiden tot meer insecten zoals muggen, dit wordt als een belangrijk risico gezien. Echter bij een gezond
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
53/189
ecosysteem met vissen, kikkers en vogels is dit risico niet groter dan in andere poldergebieden. Zoals in Figuur 5-4Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. te zien is, ontstaan bij een maximaal peil van -5,3m NAP bij Alternatief Groenblauw raamwerk waterdiepten tot ca.1,5 meter in het Watertuinen gebied. Dieper water in combinatie met een lage belasting van nutriënten zorgt voor verminderde kans op eutrofiëring en opwarming en daardoor botulisme en blauwalgenbloei. Een zo laag mogelijke belasting met nutriënten is de belangrijkste maatregel. Met lagere waterstanden kunnen drassige omstandigheden ontstaan en daarmee een grotere kans op opwarming en botulisme, (blauw)algenbloei en insecten. Het verdiepen van waterpartijen door de toplaag af te graven (verminderen belasting) kan hier een oplossing voor zijn. Hiermee zal een deel van de nutriëntenlast ook direct afnemen. Met hoge waterpeilen zal de kans op opbarsting verkleinen. De afgegraven grond kan mogelijk in andere delen van het gebied gebruikt worden voor ophogen. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de kwaliteit van de grond. Groene Schakel In dit gebied is in de huidige situatie met name sprake van agrarisch gebruik en enkele kassen. Dit landgebruik is met het oog op bodemdaling, kwel, opbarsting en klimaatverandering op termijn niet goed meer houdbaar.
Dit landgebruik kan er in de toekomst om vragen om peilen toch weer te verlagen om grond droog te houden. HHSK heeft waterpeilen al sinds 1973 niet meer geïndexeerd en verdere indexatie is op dit moment niet het beleid van HHSK. Verlaging van peilen zorgt voor een toename van kwel, een vergrote kans op opbarsting en noodzaak voor meer pompen. Daarnaast blijft de bodem verder dalen. Er wordt daarom gekeken om het gebied als transformatiegebied in de loop van de tijd te vernatten. Dit biedt kansen voor de ontwikkeling van natuur. Ook in dit gebied is naar verwachting sprake van katteklei in de ondergrond, wat kansen biedt voor natuurontwikkeling zoals in de Groene Waterparel. Verder onderzoek zal de kansen hierop verder in beeld moeten brengen. De Provincie Zuid-Holland heeft in haar recente wijziging van het omgevingsbeleid een Ecologische Verbindingszone (EVZ) door het gebied aangewezen3. De EVZ zal ongeveer 50-100 meter breed worden. Deze EVZ is in dit MER meegenomen in alle alternatieven als autonome ontwikkeling. In alternatief Groen-blauw raamwerk wordt een uitgebreidere versie van de EVZ meegenomen: binnen de Groene Schakel wordt deze breder dan 100m. Verder worden ecologische verbindingen niet beperkt tot één corridor, maar dooradert grote biodiversiteit het hele plangebied, bijvoorbeeld de kabel/leidingenstrook langs de 4e tocht.
Voor de Groene Schakel zijn er twee ontwikkelmogelijkheden voor natuur. Er kan natuur ontwikkeld worden die past bij de nu aanwezige nutriëntrijke omstandigheden. Voedselrijk moeras is bijvoorbeeld kansrijk in dit gebied, zoals riet en ruigten. Een andere mogelijkheid is om de nutriëntrijke grond af te graven, verbeterde armere grond terug te brengen en zo andere natuurtypen te ontwikkelen. In geval van afgraving zal altijd grond teruggebracht moeten worden om de kans op opbarsten niet groter te maken.
3 Deze EVZ was tot de herziening van het omgevingsbeleid over de buisleidingenzone ter hoogte van de Vierde
Tocht geprojecteerd. Na herziening van het omgevingsbeleid ligt de EVZ in het deelgebied de Groene Schakel.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
54/189
Energielandschap Het Energielandschap wordt vanuit het basisprincipe ingericht met zonnepanelen. In de alternatieven worden mogelijkheden omschreven om het Energielandschap te combineren met een waterberging en/of buffer. Door de ligging langs de 4e tocht en het lage maaiveldniveau loopt water als eerste naar het Energielandschap afhankelijk van de inrichting met peilvakken en kunstwerken. Het Energielandschap kan bij deze functiecombinatie bijvoorbeeld worden ingericht met drijvende of verhoogde zonnepanelen. Een andere mogelijkheid is het plaatsen van windmolens, waardoor in het Energielandschap geen of minder zonnepalen nodig zijn. Windmolens en zonnepanelen hebben een levensduur van ca. 30 jaar, voor de eerste periode kan rekening gehouden worden met de klimaatsituatie tot 2050. Met een waterbuffer in het Energielandschap kan regenwater vastgehouden worden om bijvoorbeeld de EVZ in de Groene Schakel langer te kunnen voeden in droge perioden en om zo natuurwaarden te beschermen. Een kanttekening is dat water dat langdurig verblijft onder zonnepanelen (zeker in het geval van grote aaneengesloten oppervlaktes) zuurstofloos wordt, hier zal rekening mee gehouden moeten worden in de inrichting. Voor deze functiecombinatie is bodemverbetering (afgraven van nutriëntrijke grond en aanvullen met schone grond) waarschijnlijk noodzakelijk.
Een belangrijk voordeel is dat het plangebied zo veel mogelijk zelfvoorzienend is in de waterbehoefte en er minder noodzaak is voor wateraanvoer vanuit het regionale systeem. Het Energielandschap kan ook fungeren als waterbergingsgebied ten tijde van extreme neerslag. Uit een analyse moet blijken of dit noodzakelijk is. Uit de overstromings- en wateroverlast analyse is gebleken dat het Energielandschap als één van de eerste gebieden in het Middengebied onder water komt te staan (HKV, 2022). Om schade te voorkomen, te verminderen en herstel te bevorderen kunnen vitale elektrische onderdelen van zonnepanelen hoger geplaats worden. Koning Willem I bos Onderdeel van het plan is het ontwikkelen van het Koning Willem I bos. Om te voorkomen dat veel extra beheer nodig is in het gebied zou een moeras of wilgenbos goed passen bij het bodem- en watersysteem. Er wordt gesproken over het lokaal gebruiken van hout vanuit het bos voor het bouwen van woningen. Een productiebos vraagt lagere waterpeilen om bomen om mee te bouwen te laten groeien. Bedrijventerrein Het bedrijventerrein wordt in de alternatieven, vergelijkbaar met de Kreekrug bouwrijp gemaakt door ophoging. Met deze ophoging wordt de huidige ondergrond afgedekt. In combinatie met het opzetten van peilen zal dit leiden tot minder uitspoeling van nutriënten naar het oppervlaktewater.
De aanleg van bedrijventerreinen zorgt voor afstroming van vervuild water via het verhard oppervlak, wat voor een verslechtering van de waterkwaliteit kan zorgen. Bodempassages kunnen voor een groot deel afspoelende vervuiling afvangen. Afhankelijk van het type bedrijven zijn bodempassages toereikend of ontoereikend (en moeten extra maatregelen op het bedrijfsperceel worden getroffen). Wanneer meer bekend is over de type bedrijven is een verdiepende analyse nodig.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
55/189
5.1.4
Effecten van klimaatverandering op de ecohydrologie
Klimaatverandering zorgt op termijn voor effecten op het gebied en daarmee op de ecohydrologische situatie. Hieronder zijn de effecten van klimaatverandering kort omschreven. Hitte Klimaatverandering leidt naar verwachting tot gemiddeld hogere temperaturen en het vaker voorkomen van zomerse en tropische dagen. Dit kan er voor zorgen dat oppervlaktewater opwarmt. Wanneer water opwarmt tot temperaturen >25°C kan botulisme ontstaan. Dit gebeurt sneller als het water ondieper is. Botulisme is een ziekte waardoor watervogels en vissen verlamd raken en verdrinken. Daarnaast kan met name in ondiepe en nutriëntrijke waterpartijen (blauw)algengroei ontstaan. Blauwalg kan zorgen voor ziekteverschijnselen bij mensen zoals huid en oogklachten maar ook maag- en darmklachten, koorts en hoofdpijn. Het is dus een uitgangspunt om de nutriëntenbelasting zo laag mogelijk te houden zodat het water helder blijft. Bij waterdiepten van >50-80cm is de kans op botulisme als gevolg van de toename van hete dagen kleiner. Om algengroei te verminderen en onderwaterplanten een kans te geven is het terugdringen van voedingsstoffen, zoals fosfaat noodzakelijk. Een andere mogelijkheid is zorgen voor voldoende stroming. Droogte De waterpeilen in het plangebied gaan in de verschillende alternatieven omhoog ten opzichte van de huidige situatie.
Het belangrijkste doel is het verminderen van kwel uit de ondergrond. In perioden van droogte kan het echter zo zijn dat er meer water verdampt dan er in het gebied aanwezig is. Om het gebied in droge perioden van voldoende water te voorzien en/of verslechtering van de waterkwaliteit tegen te gaan is het worden maatregelen genomen om regenwater zo lang mogelijk vast te houden in het gebied. Hiervoor wordt een flexibel peil gehanteerd met gemiddeld hogere waterpeilen zodat ook in de toekomst een toename van kwel wordt voorkomen. Tot slot is ook extra inlaat van water uit de Ringvaart mogelijk, maar gezien de toenemende waterschaarste in ook de omliggende gebieden zou dit moeten worden voorkomen. Bovendien is het water uit de Ringvaart gebiedsvreemd. Over het algemeen is gebiedsvreemd water onwenselijk in het gebied. Daarnaast kan bij het planten van vegetatie en het ontwikkelen van natuur rekening gehouden worden met de veranderende omstandigheden. Zo kunnen op hogere plekken meer droogtebestendige bomen worden geplant en op de nattere plekken juist meer vegetatie die past bij natte en vochtige omstandigheden. Wateroverlast In de toekomst is de verwachting dat extreme neerslag vaker voorkomt. Dit heeft als gevolg dat het gebied vaker nat is. In de Watertuinen zorgt dit er voor dat op het maaiveld vaker een laag water staat.
Dit is afhankelijk van de maaiveldhoogten in het gebied en de gekozen peilen in peilgebieden. Wanneer vaker zomerse hoosbuien optreden ontstaan periodiek natte omstandigheden in de zomer. In de winter zullen peilen overwegend hoger staan gedurende een grote periode in het seizoen. Wonen op terpen, palen of drijvend (bij voldoende diepgang) kan voor een wateroverlast vrije leefomgeving zorgen.
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
56/189
6. Effectenbeoordeling water In dit hoofdstuk worden de te beoordelen thema’s voor het onderwerp water verder uitgewerkt. Voor ieder thema wordt de huidige situatie omschreven, worden de belangrijkste factoren die invloed hebben op de beoordeling van de effecten beschouwd en worden de effecten per alternatief beschreven en beoordeeld.
6.1 Oppervlaktewaterkwantiteit 6.1.1
Beoordelingscriteria
In het thema oppervlaktewaterkwantiteit wordt ingegaan op benodigde waterberging in tijden van (extreme) neerslag. Op basis van het watersysteem en inrichtingskeuzes op hoofdlijnen bij verschillende alternatieven is het effect van verschillende buien getoetst. Hierbij is rekening gehouden met extreme neerslag, ook in 2100. Beoordelingscriteria oppervlaktewaterkwantiteit ++ Het watersysteem is toereikend of aanpasbaar om, rekening houdend met klimaatverandering, in het jaar 2100 nog te voldoen aan de norm voor wateroverlast en is eenvoudig en robuust ingericht. Er mag geen schade ontstaan aan bebouwing, infrastructuur en vitale voorzieningen bij neerslag van 143 mm/24u (T=100) in 2050. Bij extreme neerslag (200 mm/48 uur) blijven vitale voorzieningen en kwetsbare objecten functioneren. De inrichting van het gebied is aanpasbaar aan verdere klimaatverandering. + Het waterafvoersysteem is toereikend voor de in het jaar 2100 geldende norm voor wateroverlast en is eenvoudig en robuust ingericht. Er mag geen schade ontstaan aan bebouwing, infrastructuur en vitale voorzieningen bij neerslag van 90 mm/uur (T=250) in 2050. Er is genoeg ruimte om water te bergen tijdens periodes van extreme neerslag (143 mm/24 uur) waardoor vitale voorzieningen blijven functioneren. De inrichting van het gebied is aanpasbaar aan verdere klimaatverandering.
0/+ Er treedt geen schade op aan bebouwing, infrastructuur en vitale voorzieningen, en vitale voorzieningen blijven functioneren bij neerslag van 90 mm/uur (T=250) in 2050. 0 Er verandert weinig t.o.v. de referentiesituatie. 0/-
De waterstructuur wordt kwantitatief aangetast. Er is niet genoeg ruimte om water te bergen tijdens periodes van extreme neerslag
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
57/189
-
--
6.1.2
(143 mm/24 uur), waardoor schade ontstaat aan infrastructuur, bebouwing. Het watersysteem is ontoereikend in het jaar 2050. Er is niet genoeg ruimte om water te bergen tijdens periodes van extreme neerslag (143 mm/24 uur), waardoor schade ontstaat aan infrastructuur en woningen. Ook vitale functies blijven niet functioneren. Er ontstaat schade aan bebouwing en voorzieningen bij neerslag van tenminste 90 mm/uur (T=250) in 2050. En er is minder ruimte om water te bergen dan in de referentie situatie.
Uitwerking op thema’s
De alternatieven worden binnen het thema oppervlaktewaterkwantiteit beoordeeld op het ontstaan van wateroverlast. De waterpeilen die optreden bij extreme neerslagscenario’s worden bepaald door de inrichting van het gebied en de hoeveelheid beschikbare waterberging, het landgebruik, de hoogteligging en het peilbeheer. De keuze voor de hoogte van de weg- en vloerpeilen van de (nieuwe) woningen/bebouwing/infrastructuur bepaalt vervolgens de kans op schade aan de bebouwing, infrastructuur en vitale voorzieningen als gevolg van extreme neerslag. De kans op overstroming door een dijkdoorbraak en de gevolgen hiervan worden beschreven in paragraaf 4.9.
Figuur 6-1 - Deelgebieden in het Middengebied
Sweco | Rapportage water, bodem en klimaat Projectnummer: 51007971 Datum: 7 juli 2023 Versie: D0.0
58/189
Om de maximale waterstanden als gevolg van extreme neerslag te bepalen is een oppervlaktewaterbalans opgesteld uitgaande van de indeling van de deelgebieden en de peilgebieden zoals beschreven in Bijlage 4 van het MER Alternatieven en weergegeven in Figuur 6-1. Alle factoren gebruikt voor de oppervlaktewaterbalans zijn opgesteld op basis van de beschrijvingen voor de alternatieven in het Masterplan (KuiperCompagnons, maart 2021), op basis van informatie van en gesprekken met gemeente en HHSK en met informatie uit de andere analyses in dit rapport. Zo is voor de referentiesituatie en voor ieder alternatief per deelgebied bepaald hoeveel verhard oppervlak er is, het natte oppervlak, de hoeveelheid groen, welke delen worden opgehoogd en welke peilen worden gehanteerd. De volgende stapsgewijze aanpak is gevolgd: 1. Bepalen oppervlakten: binnen de deelgebieden zijn er grote verschillen in verhard en onverhard oppervlak en daarnaast in op te hogen oppervlaktes; 2. Neerslagscenario’s: er wordt getoetst aan drie maatgevende extreme neerslagscenario’s; 3. Bepalen waterstandsstijgingen en inundatieoppervlakten: op basis van het gegeven peilbeheer behorende bij ieder alternatief worden de uiteindelijke waterpeilen bij de maatgevende neerslagscenario’s bepaald; 4. Effectbeoordeling: toetsing van de waterpeilen aan mogelijke schade. Hieronder zijn deze stappen verder toegelicht.
Landgebruik en verhard oppervlak Voor deze eerste analyse wordt voor alle alternatieven uitgegaan van een onderverdeling van het oppervlak in verhard, onverhard en nat conform Een eis van het waterschap is dat extra verhard oppervlakte in het plangebied wordt gecompenseerd door aanleg van extra nat oppervlak. Bij grote plannen, zoals de ontwikkeling van het middengebied, ligt de compensatie-eis tussen 5 en 20% van het extra verhard oppervlak. In navolging van het Masterplan is voor deze analyse uitgegaan van een compensatie-eis van 15% voor elke m² extra verhard oppervlak, in ontwikkelingen zoals deze is de compensatie-eis maatwerk voor HHSK. Een belangrijke eis van HHSK is daarnaast dat geen wateroverlast ontstaat, ook dit is als uitgangspunt meegenomen in de analyse en effectbeoordeling. In de deelgebieden Kreekrug en Watertuin is een groter deel waterberging opgenomen dan in de huidige situatie. In de huidige situatie in 5% van deze gebieden water, in de alternatieven is 20% opgenomen voor berging, waarvan ongeveer de helft wateroppervlak en de helft droge berging. Om opbarsting te voorkomen, kan de bodem van deze berging net boven het bovenpeil liggen, waardoor dit bij een extreme bui direct onderloopt en dus compleet als droge waterberging functioneert. Tabel 6-1. Deze percentages bepalen hoeveel water in welk tijdsbestek in het oppervlaktewater terecht komt.