CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting Verordening fysieke leefomgeving A21.000237

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Vaststellen verordening fysieke leefomgeving40.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Artikel 2.8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit beeldbepalend erfgoed Toelichting Op grond van dit artikel wordt de beslistermijn bepaald en de inhoud van het aanwijzingsbesluit voor beeldbepalend erfgoed. Artikel 2.9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister Toelichting Op grond van dit artikel wordt de bekendmaking bepaald en de inschrijving in het erfgoedregister. Artikel 2.10 Wijziging, intrekking en vervallen van de registratie als beeldbepalend erfgoed Toelichting Op grond van dit artikel wordt geregeld hoe de registratie kan worden gewijzigd, ingetrokken of kan komen te vervallen. Afdeling 2.2 Overige aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Algemeen Daar waar de verschillende verordeningen aanwijzigingsregels in de fysieke leefomgeving bevatten binnen de losse artikelen, zijn deze samengebracht per onderwerp binnen deze afdeling conform de nieuwe denkwijze binnen de Omgevingswet. § 2.2.1 Interferentiegebieden bodemenergiesystemen Artikel 2.11 Aanwijzing interferentiegebieden Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de verordening bodemenergiesystemen Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Interferentiegebieden kunnen zowel bij gemeentelijke als provinciale verordening worden aangewezen.

In het Besluit bodemenergiesystemen is ervoor gekozen dat interferentiegebieden in beginsel worden aangewezen bij gemeentelijke verordening. Dit is geregeld in artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht.

19

Een belangrijke reden waarom de gemeente in het Besluit bodemenergiesystemen het initiatief heeft bij de aanwijzing van interferentiegebieden, is dat de aanwijzing van een interferentiegebied vooral gevolgen voor de gemeente heeft. Hierdoor wordt namelijk voor de installatie van kleine gesloten bodemenergiesystemen met een vermogen van minder dan 70 kW een omgevingsvergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht. Het college is hiervoor het bevoegd gezag. Daarnaast is de gemeente de lokale regisseur, zeker indien het gaat om de afstemming van lokaal gebruik van schaarse (onder)grond. De aanwijzing van een interferentiegebied leunt sterk aan tegen de taken van de gemeente in het kader van de ruimtelijke ordening, vooral het opstellen van een bestemmingsplan of een structuurvisie, en moet daarop worden afgestemd. De in deze Verordening aangewezen gebieden hebben gemeen dat er de komende jaren een grote vraag naar bodemenergie bestaat of wordt verwacht en dat het daarom wenselijk is dat regie wordt gevoerd om vraag en aanbod van ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. Het rechtsgevolg van de aanwijzing van een interferentiegebied is dat voor het installeren van een klein gesloten bodemenergiesysteem toestemming is vereist. Dit is een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Buiten interferentiegebieden geldt voor de plaatsing van een klein gesloten bodemenergiesysteem een meldingsplicht. Grote bodemenergiesystemen (70 kW) hebben ook buiten interferentiegebieden een vergunningplicht. Buiten interferentiegebied

Vergunningplichtig (GS)

Binnen interferentiegebied

Vergunningplichtig (GS)

Kleiner dan 70 kW meldingsplichtig. Groter dan of gelijk aan 70 kW wel vergunningplichtig (B&W). Vergunningplichtig (B&W).

§ 2.2.2 Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte Artikel 2.12 Naamgeving van woonplaatsen en van delen van de openbare ruimte Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. Oorspronkelijke toelichting In de verordening is het geven van een naam aan de gemeente niet meegenomen, omdat dit is geregeld in de Gemeentewet. Verwezen wordt naar artikel 158 van de Gemeentewet dat onder andere bepaalt dat de raad de naam van de gemeente kan wijzigen. Over de woonplaats en woonplaatsgrens bestond veel onduidelijkheid. Woonplaatsbegrenzingen werden tot het invoeren van de BAG wetgeving niet formeel door gemeenteraden vastgesteld. Tot aan de invoering van de BAG werd hiervoor de komgrens, zoals vervat in de Wegenwet, en de TPG postcode grens gebruikt als woonplaatsgrens. De overeengekomen woonplaatsgrens heeft gevolgen voor de gemeente. Gemeenten moeten bij het toekennen van namen aan delen van de openbare ruimte en het toekennen van nummers aan objecten namelijk rekening houden met deze woonplaatsgrenzen. Indien een nummerbeschikking leidt tot wijziging van de postcoderegistratie – hiervan is sprake als de nummering van een ene woonplaats doorloopt op het gebied van een andere woonplaats – worden de kosten daarvan bij de gemeente in rekening gebracht.

Er zijn overigens door TPG Post en de VNG afspraken gemaakt over wijzigingen waarop de kostenverrekening al dan niet van toepassing is (zie hiervoor het convenant tussen de VNG en PTT Post BV in hoofdstuk 6, paragraaf 9 van de VNGpublicatie ‘Benoemen, nummeren en begrenzen’). Het streven van de gemeente moet er op zijn gericht om wijzigingen van woonplaatsgrenzen waar mogelijk te voorkomen of tot een minimum te beperken. Het toekennen van namen aan woonplaatsen wijkt niet af van het proces van naamgeving van de openbare ruimte. Het is ook wenselijk om dezelfde procedure te volgen. Het benoemen van woonplaatsen komt relatief zeer weinig voor, maar juist hier geldt dat de naam met zorg moet

20

worden gekozen. De naam moet veelal generaties lang mee. In het kader van de Volkstelling 1971 is tussen gemeenten, de provinciale planologische diensten en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een gebiedsindeling overeengekomen, die wordt aangeduid met de term ‘CBS-wijk- en buurtindeling’. Deze indeling werd noodzakelijk geacht, omdat op provinciaal en landelijk niveau behoefte bestond aan inzicht in de onderverdeling van het gemeentelijk grondgebied. Sinds 1971 heeft het echter ontbroken aan systematisch interbestuurlijk overleg over dit onderwerp, waardoor onduidelijkheid kon ontstaan over de te hanteren wijk- en buurtindeling. Zo is gebleken dat tal van veranderingen in de wijk- en buurtindeling die door gemeenten zijn doorgevoerd, niet bekend zijn bij het CBS. Ook is gebleken dat veel van de veranderingen in de wijken buurtindeling wel bij het CBS bekend zijn, maar door het CBS zelf zijn afgeleid uit de sinds 1980 ingevoerde jaarlijkse opgave van gemeenten. Op provinciaal en landelijk niveau heeft een en ander geleid tot het ontstaan van onzekerheid over de actualiteitswaarde en vergelijkbaarheid van aan wijk- en buurtindelingen gerelateerde gegevens van verschillende gemeenten.

Dit heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) voor de ruimtelijke ordening ertoe aangezet de minister van Economische Zaken te vragen om het CBS te verzoeken zijn coördinerende rol qua wijk- en buurtindeling te reactiveren. De minister heeft dit verzoek ingewilligd. Dit heeft echter tot op heden nog niet geleid tot nadere bijhoudingsregels voor de wijk- en buurtindeling. Ten behoeven van het nieuw vormen van de gemeente Zuidplas is een nieuwe geactualiseerde CBS wijk- en buurtindeling vervaardigd en aan het CBS aangeboden. In de verordening komt derhalve het benoemen van de wijken en buurten terug, wat tot de bevoegdheid van het college wordt gerekend. In het tweede lid is het benoemen van delen van de openbare ruimte geregeld. De openbare ruimte omvat meer dan alleen straten, plantsoenen en wegen. Zo worden bijvoorbeeld ook waterlopen, sierwateren, bruggen, viaducten, metrostations, dijken, meren en plassen veelal van een naam voorzien. Het benoemen van de openbare ruimte is een bevoegdheid van het college. Zij benoemt delen van de openbare ruimte indien dat naar haar oordeel nodig is, maar de meeste gemeenten streven ernaar om de totale openbare ruimte van namen te voorzien. De in het tweede lid gehanteerde formulering sluit niet uit dat burgers een aanvraag tot het benoemen van de openbare ruimte bij het college indienen.

Zo’n aanvraag kan in de regel worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht . Op de afwikkeling van de aanvraag zijn in ieder geval hoofdstuk 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (algemene en bijzondere bepalingen over besluiten). Het derde lid bepaalt dat onder vaststellen, toekennen en verdelen, zoals vervat in het eerste en tweede lid, tevens het wijzigen en intrekken wordt bedoeld. Naar de huidige opvattingen impliceert vaststellen, toekennen en verdelen dat men ook kan wijzigen en intrekken. Bij de behandeling van beroep- en bezwaarschriften is dat echter vaak een punt van discussie. Vandaar dat ervoor is gekozen om over de bevoegdheid tot wijzigen en intrekken een afzonderlijk lid op te nemen.

Artikel 2.13 Nummering van adresseerbare objecten Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Dit artikel regelt het toekennen van adressen aan adresseerbare objecten, zoals verblijfsobjecten en stand- of ligplaatsen door het college. Hier is niet voor de term ‘huisnummer’ gekozen omdat bij een ligplaatsen en standplaats niet kan worden gesproken van het nummeren van een huis. Veelal bestaat een gebouw uit verschillende zelfstandige delen. Voor een goede bereikbaarheid qua dienstverlening (postbezorging, brandbestrijding, politiehulp, ambulancediensten etc.) is het noodzakelijk deze zelfstandige delen van een afzonderlijk nummer te voorzien. De registratie van

21

woonadressen in de GBA noodzaakt in de meeste gevallen al tot het afzonderlijk nummeren van deze delen. Uitgangspunt daarbij is wel dat achter de voordeur door de gemeente niet wordt genummerd. Kamers in verpleeghuizen, bejaardenhuizen, verpleegstershuizen en dergelijke worden in principe niet van gemeentewege genummerd. De in het eerste lid gehanteerde formulering sluit niet uit dat burgers een aanvraag tot nummertoekenning bij het college kunnen indienen. Ook deze aanvraag kan in de regel worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht . Op de afwikkeling van de aanvraag zijn dan ook opnieuw in ieder geval hoofdstuk 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (algemene en bijzondere bepalingen over besluiten). Het derde lid bepaalt dat onder toekennen, zoals vervat in het eerste lid, tevens wijzigen en intrekken moet worden verstaan. Naar de huidige opvattingen impliceert toekennen dat men ook kan wijzigen en intrekken. Desondanks is dat bij de behandeling van beroep- en bezwaarschriften vaak een punt van discussie. Vandaar dat ervoor is gekozen om over de bevoegdheid tot wijzigen en intrekken een afzonderlijk lid op te nemen. Het wijzigen van de nummering wordt vaak aangeduid als ‘vernummering’.

Uit jurisprudentie komt naar voren dat diverse rechters hebben uitgesproken dat het wijzigen van een (straat-)naam en/of (huis-) nummer moet worden beschouwd als een algemeen aanvaard maatschappelijk risico dat ten laste dient te komen van de betrokken bedrijven en burgers. Vanzelfsprekend moet bij wijzigingen zorgvuldig te werk worden gegaan. § 2.2.3 Houtopstanden Artikel 2.14 Aanwijzing bebouwde kom Dit is een nieuw artikel. Volgens artikel 4.1 onder a Wet natuurbescherming dient de raad de bebouwde kom vast te stellen. Een dergelijke bepaling ontbrak in de huidige Algemene plaatselijke verordening. § 2.2.4 Ligplaatsen Artikel 2.15 Aanwijzingen ligplaatsen Gebaseerd op artikel 5.25 lid 1 Algemene plaatselijke verordening en artikel 5.26 Algemene plaatselijke verordening. Voor de leesbaarheid zijn beide artikelen samengevoegd. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting 5.25 Op grond van het eerste lid kan het college gedeelten van het openbaar water aanbieden waar het verboden is een ligplaats in te nemen. Artikel 88 van de Huisvestingswet bepaalt dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet.

Toelichting 5.26 Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:25, tweede lid, kunnen worden uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:26 van de Algemene plaatselijke verordening.

22

§ 2.2.5 Parkeren Artikel 2.16 Aanwijzingen belanghebbenden parkeren Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van de parkeerverordening Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. We gaan altijd uit van de meest recente versie van de nota. § 2.2.6 Crossterreinen en natuurgebieden Artikel 2.17 Aanwijzingen crossterreinen Gebaseerd op artikel 5:32 lid 2 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld. Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet meer aan de orde. Artikel 2.18 Aanwijzingen natuurgebieden Gebaseerd op artikel 5:33 lid 2 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Wet milieubeheer en Algemene plaatselijke verordening Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d.

buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en (ii) overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerstbedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33 van deze Algemene plaatselijke verordening. § 2.2.7 Vervoer gevaarlijke stoffen Artikel 2.19 Aanwijzingen route vervoer gevaarlijke stoffen Gebaseerd op artikel 4:20 lid 2 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Oorspronkelijke toelichting Het college wijst een route aan voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. § 2.2.8 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Artikel 2.20 Aanwijzingen plaatsen buiten inrichtingen Gebaseerd op artikel 4.13 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het niet artikel niet aangepast. Toelichting Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.

23

Hoofdstuk 3 Activiteiten Afdeling 3.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed § 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Oogmerken Dit is een nieuw artikel waarin de oogmerken van deze afdeling ter introductie worden benoemd. Oogmerken komen namelijk ook regelmatig terug in de Omgevingswet. In de Erfgoedverordening waren deze oogmerken opgenomen als beoordelingsgronden voor de verlening van de omgevingsvergunning. Dit artikel is toegevoegd om de intentie van deze afdeling kort samen te vatten. Alle navolgende regels zijn gericht op dit doel. Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is voor al het onroerende en roerende cultuurgoed. Deze afdeling heeft echter alleen betrekking op onroerend cultureel erfgoed omdat alleen dit erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving onder de reikwijdte van de Omgevingswet valt. De Erfgoedverordening en nu deze afdeling ziet daarmee dus ook op de bescherming van deze belangen. Artikel 3.2 Toepassingsbereik gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed, beeldbepalende structuur en dorpsgezicht Dit is een nieuw artikel waarin wordt aangegeven wat het toepassingsbereik is van dit artikel. Het derde lid is afkomstig uit artikel 2.7 (vierde lid) van de Erfgoedverordening. Het eerste lid onder b en het tweede lid zijn gebaseerd op artikel 2.3 en 3.4 van de Erfgoedverordening.

Deze artikelen zijn samengevoegd aangezien de artikelen inhoudelijk identiek waren. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Artikel 3.3 Zorgplicht voor onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed. Dit is een nieuw artikel dat het toepassingsbereik van deze afdeling regelt voor archeologische waarden. Dit is gedaan om beter aan te sluiten op de VFLO en de Omgevingswet. § 3.1.2. Instandhouden, vernielen, slopen, ontsieren van cultureel erfgoed Artikel 3.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 10 van de Erfgoedverordening 2010. Toelichting Tweede lid Dit artikel is toegevoegd aan dit artikel om een uitzondering te maken voor de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit betreft voornamelijk onderhoudswerkzaamheden en werkzaamheden aan niet monumentale waarden.

Zowel de betekenis van onderhoud als de inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarden worden in het BOR toegelicht: ‘met gewoon onderhoud worden werkzaamheden bedoeld die erop gericht zijn om te behouden wat er is’, ‘zoals het herstel van een beperkt deel van het voegwerk of het schilderen in dezelfde kleur’, Inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarde: in veel gevallen gaat het hierbij om recente toevoegingen, zoals bijvoorbeeld onderdelen die ten tijde van de aanwijzing als beschermd monument nog niet bestonden in de vorm van recente badkamers en keuken of interieurafwerking uit de jaren 70 van de vorige eeuw. Indien er twijfel bestaat over de monumentale waarden van een onderdeel kan het college vragen om een onderzoek.

24

Voor al deze vergunningsvrije activiteiten geldt dat ze zonder hak- en breekwerk in het casco worden uitgevoerd. Anders is toch een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument nodig. Derde lid Dit artikel regelt de mogelijkheid om aanvullend onderzoek uit te laten voeren door een eigenaar ten behoeve van het op juiste wijze kunnen beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierbij valt te denken aan een bouwhistorisch onderzoek om de ouderdom, verschillende bouwfases en de waardering van de afzonderlijke gebouwonderdelen in beeld te krijgen. Maar het kan ook gaan om een cultuurhistorisch gebiedsonderzoek of een kleurhistorisch onderzoek. Dit artikel moet slechts gebruikt worden bij ingrijpender wijzigingen, zoals bijvoorbeeld het geheel verwijderen van elementen of een transformatie en als dit in het belang van de instandhouding van het erfgoed is. Het artikel is gebaseerd op de Erfgoedwet, waarin ook voor rijksmonumenten een dergelijke regeling is opgenomen. Artikel 3.5 Termijnen advies Dit artikel is gebaseerd op artikel 12 van de Erfgoedverordening 2010. Toelichting Tweede lid De termijnen van advies zijn met een week verkort om de vergunningprocedure binnen de geldende zes weken termijn te kunnen doorlopen. Dit sluit aan op de vergaderfrequentie van de adviescommissie Ruimtelijk Kwaliteit.

Artikel 3.6 Omgevingsvergunning binnen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Dit artikel is toegevoegd. Dit betreffende artikel is ingericht voor het in stand houden van de beeldkwaliteit van het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht, waarbij aandacht is voor voorkomen van gaten in het beschermde gebied als gevolg van sloop en het zorgvuldig in kaart brengen van effecten van wijzigingen. § 3.1.3 Bescherming beeldbepalend erfgoed Deze paragraaf is toegevoegd, zie voor de aanleiding toelichting bij artikel 6.18. Dit betreffende artikel is ingericht voor het in stand houden van de beeldkwaliteit van beeldbepalend erfgoed. Het beeldbepalend erfgoed heeft in tegenstelling tot de gemeentelijke monumenten nu geen aanvullende vergunninsgplicht ten opzichte van de ‘normale’ wettelijk geregelde omgevingsvergunningplicht. Artikel 3.7 tot en met 3.9 regelt de normale vergunningsplicht voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed. Artikel 3.7 Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed Artikel 3.7 regelt de normale vergunningsplicht voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed. Artikel 3.8 Termijnen advies beeldbepalend erfgoed Artikel 3.8 regelt de termijnen van advies voor beeldbepalend erfgoed.

Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed. Artikel 3.9 Weigeringsgronden Artikel 3.9 regelt de weigeringsgronden voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed.

25

§ 3.1.4 Bescherming van archeologische monumenten en terreinen Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden Dit artikel is toegevoegd om de procedure tot het benoemen van de archeologische bepalingen in het bestemmingsplan te regelen en het tevens de instandhouding van het archeologisch erfgoed, inof ex-situ, binnen de regels op te nemen. Artikel 3.11 Vangnet archeologie Dit artikel is gebaseerd op artikel 16 van de Erfgoedverordening 2010. Toelichting Tweede lid In het tweede lid van dit artikel worden drie uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. In afwijking van de erfgoedverordening 2010 is hier niet meer specifiek aangegeven welke waarderingsgebieden welke uitzonderingen kennen. Deze wijziging is doorgevoerd omdat de regels zijn opgenomen in het vigerende paraplubestemmingsplan Archeologie. Wanneer er wijzigingen in het beleid en het bestemmingsplan zouden optreden, betekent dit dat deze verordening ook gewijzigd zal moeten worden. Aangezien het bestemmingsplan leidend is, is het niet noodzakelijk ook in deze verordening de regels op te nemen. Het volstaat hier te verwijzen naar de regels in het bestemmingsplan. Artikel 3.12 Archeologisch onderzoek Dit artikel is gebaseerd op artikel 17 lid 1 en 2 van de Erfgoedverordening 2010 en aangevuld.

Toelichting De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend geregeld. Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b).

Ook hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te laten vallen. Op grond van de overige leden kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.

26

Artikel 3.13 Advisering Dit artikel komt voort uit artikel 17 derde lid van de Erfgoedverordening 2010. In deze verordening is dit lid tot een apart artikel gemaakt omdat deze niet alleen betrekking heeft op het archeologisch onderzoek, maar ook op het vangnet archeologie. Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte § 3.2.1. Gebruik van een openbare plaats Artikel 3.14 Het plaatsen van voorwerpen Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.10 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Lid 7 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Dit artikel geeft de burgemeester en het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van containers, billboards, reclame-uitingen of inboedels op de weg, maar ook materialen, machines en afzettingen ten behoeve van bouw-, verbouw-, onderhouds-, reinigings, en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in gebouwen.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangemerkt als een omgevingsgvergunning.

Daarom is een nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde bestuursorgaan (i.e. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke. Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project - bijvoorbeeld een grootscheepse restauratie van monumentale panden - zowel een ontheffing van het bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als een omgevingsvergunning (vierde lid) nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen zijn. Het vijfde lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende categorieën: a. Evenementen Indien een evenement wordt gehouden, waarvoor een vergunning is verleend op basis van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening, dan hoeft geen

27

vergunning verleend te worden op basis van artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de bescherming van de met artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening te dienen belangen worden. b. Standplaatsen Hier wordt een uitzondering gemaakt op standplaatsen waarop afdeling 5.4 van toepassing is. c. Terrassen Het in artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening bedoelde verboden gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor de burgemeester op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening een exploitatievergunning heeft verleend. Voor de duidelijkheid: het gaat hierom een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw (openbare inrichting). Artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening is niet van toepassing op straatreclame. Daarvoor kent de Algemene plaatselijke verordening een afzonderlijke bepaling artikel 2:10a. Artikel 3.15 Verbod objecten onder hoogspanningslijn Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.22 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen. Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het opnemen van dit artikel achterwege blijven. Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld de hoogte van toe te laten gebouwen, i.e. twee meter, uit bestemmingsplan en Algemene plaatselijke verordening op elkaar afgestemd zijn. Artikel 3.16 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Gebaseerd op artikel 2:60 van de Algemene plaatselijke verordening.

Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De zinsnede ‘in de zin van de Wet Milieubeheer’ na “inrichting” is geschrapt. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen

28

worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd zijn verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren. Artikel 3.17 Bijen Gebaseerd op artikel 2:64 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 6 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de "aanvliegbanen" hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht.

Het zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn. Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand "op de openbare weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats" valt aan te wijzen, kan men toch van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op "openbare belangen". Artikel 3.18 Verstrooiing van as Gebaseerd op artikelen 5.36 en 5.37 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Verboden plaatsen Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg.

Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden. Als het college een vergunning heeft verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.

29

Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien. Artikel 5:37 Hinder of overlast Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten. Alvorens de nabestaanden tot asverstrooiing overgaan, zullen zij zich er daarom steeds van moeten vergewissen dat er door de asverstrooiing geen hinder of overlast ontstaat. Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op. Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen.

Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek. Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.

Artikel 3.19 Straatvegen Gebaseerd op artikel 4:7 van de Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Deze verkeersbeperkende bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren. Het effectueren van de onderhavige maatregel zal plaatselijk verschillend al dan niet problematisch zijn, al naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is of niet. Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken van eigen borden. Gebruikmaking van verkeersborden in de zin van bijlage II van het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus.

Artikel 3.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Gebaseerd op artikel 4:18 van de Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

30

Toelichting Uitgangspunt is dat als het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit niet expliciet toestaat dat een bepaald terrein als kampeerterrein mag worden gebruikt, het terrein niet structureel dan wel incidenteel zal worden gebruikt als kampeerterrein. Dit algemene verbod is de essentie van deze afdeling. Voor de gebieden die in het bestemmingsplan etc. zijn aangewezen als kampeerterrein kunnen algemeen geldende voorschriften worden opgesteld. Overtreding hiervan zal dan worden gesanctioneerd door het opleggen van een dwangsom of het toepassen van bestuursdwang. De woorden ‘eigen gebruik’ zijn niet nader ingevuld, maar het eigen gebruik zal wel redelijk moeten zijn. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat burgers overlast ondervinden van een structureel tentenkamp op het eigenterrein van een rechthebbende. Het college kan, op grond van het derde lid, ontheffing van het verbod verlenen. De ontheffing kan geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 1:8, maar ook in het belang van de bescherming van een dorpsgezicht of de bescherming van natuur en landschap Of de bescherming van natuur en landschap dan wel het dorpsgezicht in het geding is, ligt ter beoordeling van het college.

Artikel 3.21 Oplaten van ballonnen Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op. Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts). § 3.2.2. Veranderen van een openbare plaats Artikel 3.22 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Gebaseerd op artikel 2:11 van Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en andere regelgeving zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.

31

In artikel 2:18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar. Eerste lid Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Tweede lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip "weg" uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde "eigen wegen" die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging "alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen" opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.

Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonden de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Vierde lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ''onderwerp'' in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van

32

leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening. Artikel 3.23 Maken, veranderen van een uitweg Gebaseerd op artikel 2:12 van Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en regelgeving zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. De indiener van een aanvraag moet bij zijn aanvraag een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken over het maken van de gewenste uitweg kan worden vergund. De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen. Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. § 3.2.3. Activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden Artikel 3.24 Toepassingsbereik Gebaseerd op artikel 2 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Hiermee wordt deze afdeling van toepassing verklaard op activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden binnen en buiten de bebouwde kom. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting In artikel 2 is voor wat betreft de toepassing aangesloten bij de definitie van bebouwde kom uit de Wet Natuurbescherming. In dit verband geldt dat de Wet Natuurbescherming hoger recht betreft en deze wet is gelet daarop van belang voor de reikwijdte van de verordening. De Wet Natuurbescherming, hoofdstuk 4, heeft tot doel om bossen te beschermen. Onder de Wet Natuurbescherming vallen bossen die gelegen zijn buiten de bebouwde kom, zoals vastgesteld op grond van de Wet Natuurbescherming. Daarbij gaat het om alle beplantingen van bomen die als geheel groter zijn dan 10 are en bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan twintig bomen bestaat. Op grond van artikel 4.6 is de gemeenteraad niet bevoegd regels te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden buiten de bebouwde kom, tenzij het gaat om de bewaring van

33

houtopstanden op erven en in tuinen en beplantingen van bomen die als geheel kleiner zijn dan 10 are en bomen in een rijbeplanting, minder dan twintig bomen, of bestaand uit populieren of wilgen. Voor de laatste houtopstanden kunnen in beginsel dus wel regels worden gesteld. Dat doet de gemeenteraad van Zuidplas via artikel 2, lid 1, onderdeel b van deze verordening. Artikel 3.25 Verbod vellen waardevolle houtopstanden Gebaseerd op artikel 4 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Voor de houtopstanden die zijn opgenomen op de lijst met waardevolle houtopstanden geldt dat een ontheffing van het college noodzakelijk is voor het kandelaberen, kappen, knotten, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Alleen in uitzonderlijke gevallen Omdat er sprake is van een ‘nee, tenzij’-regime voor wat betreft het vellen van beschermingswaardige houtopstanden, is gekozen voor een ontheffingsstelsel. Slechts in uitzonderlijke gevallen geldt dat het mogelijk is om een waardevolle houtopstand te kappen.

Hierbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegende maatschappelijke reden of een situatie dat instandhouding niet langer verantwoord is. 46 Bomenbeleidsplan 2016 Voor waardevolle houtopstanden geldt dus dat voor kappen niet zomaar toestemming wordt gegeven en dat een bepaalde mate van overlast dient te worden geaccepteerd. Overlast door vruchten en luizen of opdrukkende wortels kunnen in beginsel geen reden zijn voor het verlenen van een ontheffing. Indien plannen voor nieuwbouw of de aanleg van infrastructuur ter plaatse van een beschermde houtopstand reden is tot een ontheffingsaanvraag is, moet allereerst duidelijk zijn dat met de realisatie een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Individuele particuliere belangen of kleine maatschappelijke belangen kunnen dus niet tot velling van een waardevolle houtopstand leiden. Wel zou verplanting hoe dan ook een mogelijkheid kunnen zijn. Advies boomtechnisch deskundige Om te beoordelen of instandhouding niet langer verantwoord is danwel dat verplaatsing van een houtopstand mag plaatsvinden, dient de aanvrager van de ontheffing een advies te overleggen van een boomtechnisch deskundige. Artikel 3.26 Verval Gebaseerd op artikel 5 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.

Toelichting Een verleende omgevingsvergunning vervalt indien hier niet binnen een jaar gebruik van is gemaakt. Artikel 3.27 Herplantplicht en overige voorschriften Gebaseerd op artikel 6 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen “in natura” wordt gecompenseerd. Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een ontheffing verbonden. Alleen als herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan ervan worden afgezien een herplantplicht op te leggen. Met het tweede lid van de genoemde artikelen wordt beoogd om bij herplant zo veel mogelijk te streven naar herplant met vergelijkbare bomen voor wat betreft leeftijd, soort en dikte. Herplant dient

34

zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Heeft dit laatste geen resultaat, dan bepaalt het derde lid dat een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in de Voorziening Groen gestort dient te worden. Deze voorziening wordt door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van zowel bomen als ander openbaar groen van gemeente Zuidplas. Artikel 8 lid 2 bevat de regel dat de aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente bestaande houtopstanden, maar investering in ander gemeentelijk groen is dus ook mogelijk. Artikel 3.28 Herplantplicht bij overtreding verbod Gebaseerd op artikel 7 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen “in natura” wordt gecompenseerd. Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een ontheffing verbonden. Alleen als herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan ervan worden afgezien een herplantplicht op te leggen.

Met het tweede lid van de genoemde artikelen wordt beoogd om bij herplant zo veel mogelijk te streven naar herplant met vergelijkbare bomen voor wat betreft leeftijd, soort en dikte. Herplant dient zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Heeft dit laatste geen resultaat, dan bepaalt het derde lid dat een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in de Voorziening Groen gestort dient te worden. Deze voorziening wordt door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van zowel bomen als ander openbaar groen van gemeente Zuidplas. Artikel 8 lid 2 bevat de regel dat de aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente bestaande houtopstanden, maar investering in ander gemeentelijk groen is dus ook mogelijk. Artikel 3.29 Bestrijding van boomziekten Deels gebaseerd op artikel 10 bijlage B van het Bomenbeleidsplan. Omdat er meerdere boomziekten kunnen voorkomen is het artikel aangepast naar een algemeen artikel over boomziekten in plaats van alleen iepziekte. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning.

Toelichting De gemeenteraad neemt geen bevoegdheid op voor het college om toestemming te geven tot direct vellen in het belang van de openbare orde of veiligheid. De burgemeester beschikt terzake over toereikende bevoegdheden. Het algemene kapverbod geldt bij gebruikmaking daarvan op grond van de verordening niet. § 3.2.4. Openbaar water Artikel 3.30 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Gebaseerd op artikel 5:24 Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting

35

Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement). Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening, het plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een vergunning vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de gemeente nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:10, waar het veelal gaat om tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit artikel anders dan bij artikel 2:10 een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is.

Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien. Artikel 3.31 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Gebaseerd op artikel 5:25 Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Op grond van het eerste lid kan het college gedeelten van het openbaar water aanbieden waar het verboden is een ligplaats in te nemen. Artikel 88 van de Huisvestingswet bepaalt dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet. Tweede lid Het tweede lid, onder a, van artikel 5:25 van de Algemene plaatselijke verordening biedt het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc.

Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn. Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid “welstandseisen” aan woonschepen worden gesteld. Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:26 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.

36

Pleziervaartuigen Uit artikel 5:25 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van openbaar water gelimiteerd worden. Artikel 3.32 Beschadigen van waterstaatswerken Gebaseerd op artikel 5:28 Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting De Vaarwegenverordening Zuid-Holland kent dergelijke bepalingen voor waterstaatswerken die bij de provincie in beheer zijn. Artikel 5:28 vormt dan het sluitstuk, namelijk voor de waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op. Artikel 3.33 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Gebaseerd op artikel 4:9 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Dit artikel betreft een onderwerp dat voorheen in de bouwverordening was geregeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9826470/1