Bijlage 2 Toelichting Verordening fysieke leefomgeving A21.000237
Tekst van het document
Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de Verordening fysieke leefomgeving besloten. § 3.2.5. Schade aan groenvoorzieningen Artikel 3.34 Crossterreinen Gebaseerd op artikel 5:32 Algemene plaatselijke verordening. Het aanwijsbesluit zoals weergegeven in lid twee is conform de nieuwe Omgevingswet verhuisd naar hoofdstuk 2 artikel 2:15 van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en Algemene plaatselijke verordening Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving.
Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1 van de Algemene plaatselijke verordening. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is. Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of
37
daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd. Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld. Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet meer aan de orde. Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de weg Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing (art. 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.
Wet milieubeheer en Algemene plaatselijke verordening Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en (ii) overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerstbedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33 van deze Algemene plaatselijke verordening. (i) In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden.
In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder dit besluit valt. Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg). Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer zijn het college bevoegd om op een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2).
(ii) De regeling in de Algemene plaatselijke verordening is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.
38
Artikel 3.35 Beperking verkeer in natuurgebieden Gebaseerd op artikel 5:33 Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. De verwijzingen naar andere wetten en verordeningen zijn aangepast naar de huidige, geldende versies. Het aanwijsbesluit zoals weergegeven in lid twee is conform de nieuwe Omgevingswet verhuisd naar hoofdstuk 2 van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna. Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen. Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:32(?) van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing.
Maatregelen Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren? Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de wegenverkeerswetgeving. Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994). De WVW 1994 geeft mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994. Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een natuurgebied is een regeling opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening.
Verordening stiltegebieden Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder. Volgens de PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten. Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan.
39
Artikel 3.36 Rookverbod in bossen en natuurgebieden Gebaseerd op artikel 2:18 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. Dat zou teveel ingrijpen in de particuliere sfeer van burgers. De periode waarin het rookverbod geldt, wordt door het college bepaald. Desgewenst kan het college op ad-hoc basis (bijvoorbeeld bij grote droogte) een periode aanwijzen. In het derde lid wordt verwezen naar artikel 429, aanhef en onder 3 , van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald: "Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bosheide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan." Deze bepaling verbiedt het roken niet, mits dat maar met de nodige omzichtigheid en voorzorg geschiedt. Aangezien een dergelijke regeling niet of nauwelijks handhaafbaar is, is gekozen voor een stringent rookverbod als aanvulling op artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde geldt min of meer voor het tweede lid van artikel 2:18.
Het enkele wegwerpen van bijvoorbeeld een brandende peuk is ingevolge dit tweede lid reeds strafbaar. Het is daarbij niet van belang of zulks al dan niet "met de nodige omzichtigheid en voorzorg" geschiedde. Was de nodige omzichtigheid en voorzorg i.e. niet aanwezig, dan is niet de Algemene plaatselijke verordening, maar het Wetboek van Strafrecht van toepassing. § 3.2.6. Parkeren Artikel 3.37 Belanghebbendenplaatsen Gebaseerd op artikel 3 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Lid 4 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Artikel 3.38 Beslistermijn Gebaseerd op artikel 4 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Dit artikel kan niet samenvallen met de algemene bepalingen over beslistermijnen omdat hier andere termijnen aangehouden worden.
Toelichting Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht ) is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de Parkeerverordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan.
40
Artikel 3.39 Geldigheidsduur Gebaseerd op artikel 5 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Dit artikel kan niet samenvallen met de algemene bepalingen over de geldigheidsduur van vergunningen. Toelichting Er is bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b: Uit Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.
Maar wanneer het aantal vergunning logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige "herverdeling" van de schaarse vergunningen worden georganiseerd. Artikel 3.40 Intrekking omgevingsvergunning parkeren Gebaseerd op artikel 6 van de Parkeerverordening. De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Dit artikel kan niet samenvallen met de algemene bepalingen over het intrekken van vergunningen. Toelichting De genoemde intrekkingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Artikel 3.41 Verbodsbepaling Gebaseerd op artikelen 7 en 8 van de Parkeerverordening.
De verwijzing naar “het college van burgemeester en wethouders” is veranderd in “het college” om zo de verschillende verordeningen op elkaar af te stemmen. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning parkeren. Inhoudelijk zijn de artikelen niet aangepast. Toelichting Vergunningstelsels zijn in de parkeerverordening als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. In het artikel zijn de algemene gronden voor het weigeren van een vergunning opgenomen § 3.2.7. Reclame Artikel 3.42 Straatreclame Gebaseerd op artikel 2:10a Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.
41
Toelichting Het straatbeeld verrommelt als gevolg van het ontbreken van een eenduidig beleid op het gebied van straatreclame. Met dit artikel wordt beoogd deze verrommeling tegen te gaan. Eerste lid Artikel 2:10 regelt het gebruik van een openbare plaats anders dan de publieke functie daarvan. Straatreclame valt hier ook onder. Gebleken is echter dat het straatbeeld verrommelt omdat concrete bepalingen over straatreclame in artikel 2:10 ontbreken. Daarom is het van belang om naast artikel 2:10 ook een bepaling over straatreclame te hebben, waarin duidelijke regels worden gesteld. Derde lid Alle straatreclame wordt verboden tenzij dit wordt geplaatst op door het college aangewezen plaatsen. Bij het aanwijzen van de plaatsen kan het college rekening houden met het soort reclame dat geplaatst wordt. Ten denken valt hierbij dat nabij scholen en sportverenigingen en andere gevoelige objecten bepaalt soort reclame ongewenst is. Tevens dienen aangewezen plaatsen van dien aard te zijn dat er geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Doordat de straatreclame alleen geplaatst kan worden op de door het college aangewezen middelen wordt voorkomen dat er allerlei soorten borden worden geplaatst en bestaat de mogelijkheid voor het college om het beheer van de straatreclame uit te besteden aan een externe partij.
Het is van belang dat er een rustig straatbeeld wordt gecreëerd en dat de middelen duurzaam zijn. Vierde lid Aangezien een spandoek altijd in het bezit van de degene is die de reclame wil plaatsen, is dit een middel wat het college niet beschikbaar kan stellen. Daarom is in dit lid voor spandoeken een uitzondering gemaakt, het college wijst hiervoor alleen de plaatsen aan. Vijfde lid Bij nadere regels kan gedacht worden aan regels omtrent het ophangen van spandoeken, hoe lang reclame geplaatst mag worden en dergelijke zaken. Artikel 3.43 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Gebaseerd op artikel 4:15 Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Deze bepaling bevat een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden. De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden.
Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-Algemene plaatselijke verordening geschrapt is, is daarvoor geen regeling opgenomen.
42
Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder g, van de Algemene plaatselijke verordening als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. § 3.2.8. Ambulante handel Omdat standplaats onder de Algemene plaatselijke verordening een andere betekenis heeft als onder de Marktverordening is er voor gekozen om standplaats zoals bedoeld in de Marktverordening te hernoemen naar marktstandplaats.
Artikel 3.44 Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats Gebaseerd op artikel 2.1 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 2 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Standplaats is marktstandplaats geworden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Vergunning voor innemen marktstandplaats. De vergunning geeft het recht om een marktstandplaats op de markt in te nemen. De vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden (artikel 1.6). De vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar. De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen aan wie door het college vergunning daarvoor heeft verleend. Iedere andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke voorzien. De lex silencio positivo is op dit vergunningstelsel van toepassing. Deze wordt voor langere tijd verleend. Het toezicht op de naleving van de gestelde regels en vaste voorwaarden bij de vergunningen is bovendien hoog en makkelijk wegens vaste tijden en plaats van de markten. Artikel 3.45 Toewijzing marktstandplaatsen Gebaseerd op artikel 2.2 van de Marktverordening.
Standplaats is marktstandplaats geworden. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Een marktstandplaats wordt toegewezen als vaste plaats, dagplaats of standwerkerplaats Artikel 3.46 Vereisten omgevingsvergunningaanvraag Gebaseerd op artikel 2.3 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting De genoemde publiekrechtelijke verplichtingen zijn de vestigingsvergunning (indien van toepassing), de inschrijving in het handelsregister en de registratiekaart van het Centraal registratiekantoor (CRK). Indien de aanvrager niet voldoet aan de genoemde eisen, kan dit reden zijn de vergunning te weigeren (of in te trekken op grond van artikel 2.4). Het is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden toegelaten. Hiermee wordt voorkomen dat de rechtspersonen een overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle marktplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm
43
van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.
Artikel 3.47 Intrekking omgevingsvergunning Gebaseerd op artikel 2.4 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 2 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Tot intrekking van de vergunning wordt altijd op de in het eerste lid genoemde gronden overgegaan. Het eerste lid betreft alleen de vast plaatsen. In het tweede lid worden intrekkingbevoegdheden genoemd ten aanzien van de vergunning in het algemeen. Intrekking ligt uiteraard minder voor de hand bij niet-vaste plaatsen, maar het kan onder omstandigheden toch gewenst zijn een dag- of standwerkerplaats in te trekken. In de regel zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddelijke verwijdering op grond van artikel 4.4.
Artikel 3.48 Opzeggen omgevingsvergunning Gebaseerd op artikel 2.4a van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Dit artikel zorgt ervoor dat als iemand zijn vaste standplaats vanaf een bepaalde tijd niet meer wil innemen de marktmeester dit tijdig weet. Op deze manier kan er tijdig worden geadverteerd met de lege standplaats. Dit voorkomt dat er een vaste standplaats leeg staat, terwijl er over het algemeen genoeg gegadigde zijn om de vaste standplaatsen in te nemen.
Artikel 3.49 Overschrijven omgevingsvergunning Gebaseerd op artikel 2.9 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Lid 2 is aangepast zodat alle artikelen met deze zinsnede gelijk luiden. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Komt en vergunninghouder te overlijden of wordt hij blijvend arbeidsongeschikt, dan moet het op sociale overwegingen gerechtvaardigd worden geacht, dat zijn vergunning voor een vaste plaats op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner kan worden overgeschreven. In het eerste lid is vastgelegd dat de echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde partners recht hebben op de vaste plaats van de vergunninghouder. Een kind van de vergunninghouders dat voldoet in het tweede lid gestelde eisen heeft recht op een vaste plaats op de markt. Het kind is immers, in vergelijking met de echtgenoot of de daarmee gelijkgestelde partner, minder direct in zijn inkomensvoorziening geschaad door het overlijden van de vergunninghouder. Als bewijs van arbeidsongeschiktheid dient een verklaring van een arts te worden overgelegd. Het gaat hier uiteraard om arbeidsongeschiktheid voor de markthandel. Het vijfde lid maakt het mogelijk dat in speciale gevallen het toch mogelijk is om de vergunning over te schrijven
44
op een kind van de vergunninghouder terwijl hij niet aan de voorwaarde voldoet die in artikel 2.9 zijn terug te vinden. Gedacht kan worden aan een zoon, die in bijzondere omstandigheden verkeert, die toch het bedrijf van de vader over wil nemen maar niet drie jaar werkzaam is in dat bedrijf. Per geval dient het college een belangenafweging te maken.
Artikel 3.50 Persoonlijk innemen marktstandplaats Gebaseerd op artikel 3.1 van de Marktverordening. De verwijzingen naar andere artikelen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In dit artikel is bepaald dat vergunninghouder in principe verplicht is zelf op zijn standplaats aanwezig te zijn. Aangezien in artikel 2.3 is bepaald dat de vergunninghouder een natuurlijk persoon moet zijn, betekent dit dat de standplaats niet door bijvoorbeeld een medevennoot van de vergunninghouder kan worden ingenomen. De vergunninghouder kan zich doen bijstaan op grond van het tweede en derde lid.
Artikel 3.51 Aantal keren innemen marktstandplaats Gebaseerd op artikel 3.2 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting De plicht om de standplaats het minimum aantal vastgestelde keren in te nemen, geldt uiteraard alleen voor de vaste standplaatshouder en niet voor de dagplaatshouders of standwerker. Dit is noodzakelijk om de continuïteit in de bezetting te waarborgen.
Artikel 3.52 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden Gebaseerd op artikel 3.3 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In dit artikel worden de uitzonderingen gegeven op het uitgangspunt dat de vergunninghouder zelf op de standplaats aanwezig dient te zijn. Het is wel noodzakelijk dat het college of de marktmeester van elke verhindering tot marktbezoek zo tijdig mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Het college kan bepalen dat kortstondig afwezigheid zonder mededeling of ontheffing is toegestaan. Dit is van belang voor vergunninghouders, bijvoorbeeld voor veilingbezoek, inkoop, bezoek aan vergaderingen en overige bedrijfs- en sociale verplichtingen. Omdat de vergunning voor een vaste standplaats voor een onbepaalde tijd wordt verleend is het mogelijk dat, als de vergunninghouder ziek is en hij elke drie maanden een geneeskundige verklaring overlegd aan het college, de vaste standplaats een aantal jaar niet wordt ingenomen. Om dit te voorkomen wordt aan het college de mogelijkheid gegeven om af te wijken van het bepaalde in artikel 3.3. Artikel 3.53 Ontheffing en vervanging Gebaseerd op artikel 3.4 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast.
Toelichting In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college de vergunninghouder van een vaste plaats toestaan zich op zijn plaats te laten vervangen. Een maximumtermijn van zes weken
45
is voor vakantie gebruikelijk. Het college kan (bij langdurige vervanging) als voorwaarde stellen dat de vervanger aan de vereisten van artikel 2.3 voldoet.
Artikel 3.54 Intrekken en vervallen marktstandplaatsvergunning Gebaseerd op artikel 5.2 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In artikel 5.2 worden de gronden genoemd waarop een vergunning voor aan vaste plaats kan worden ingetrokken of geschorst. Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.55 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Gebaseerd op artikel 5.3 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Intrekking of schorsing ligt minder voor de hand bij niet-vaste plaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering ook een vergunninghouder van een dagplaats of standwerkerplaats langduriger van de markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een vergunninghouder voor een vaste plaats op de vuist gaat met een dagplaatshouder of standwerker.
Artikel 3.56 Onmiddellijke verwijdering Gebaseerd op artikel 5.4 van de Marktverordening. Vergunning is in dit artikel, in lijn met de Omgevingswet, omgezet in omgevingsvergunning. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde voorschriften. Artikel 3.57 Tijdstip innemen marktstandplaats/aan- en afvoer goederen Gebaseerd op artikel 3.6 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Het marktterrein behoort tot de openbare weg. Teneinde het marktterrein tijdens de markt vrij te maken van alle verkeer dient het college een verkeersbesluit te nemen. Ten onrechte geparkeerde auto’s kunnen met toepassing van bestuursdwang, op kosten van eigenaars, van het marktterrein worden verwijderd nog voor de eigenlijke opbouw van de markt. Voorwaarde is wel dat de tijden waarop het terrein beschikbaar moet zijn ten behoeve van de markt, duidelijk worden medegedeeld.
Het tweede lid maakt duidelijk dat het in het algemeen, in het belang van de orde op de markt, de vergunninghouder niet kan worden toegestaan de markt op willekeurige, voor de sluitingstijd gelegen, momenten te verlaten. Het college dient invulling te geven aan de bijzondere
46
omstandigheden die ontheffing mogelijk maken. Op grond van het derde lid is het mogelijk dat over een vaste plaats beschikt kan worden ten gunste van een andere koopman, indien de vergunninghouder de markt op een bepaalde niet bezoekt. Daartoe is bepaald dat de vaste plaats voor een bepaald uur ingenomen moet zijn. Indien bekend is dat de rechthebbende later op de markt verschijnt, zal de plaats uiteraard open moeten blijven. Het vierde lid bevat hiervoor een regeling.
Artikel 3.58 Dag, tijd en plaats van de markt Gebaseerd op artikel 1.2 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In dit artikel wordt de dag, tijd en plaats van de markt geregeld. De in het tweede lid genoemde dringende redenen dienen het doorgang laten vinden van de markt (op de vaste dag, tijd en plaats) praktisch onmogelijk te maken. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verrichten van bestratings- en rioleringswerkzaamheden op het marktterrein. Het is niet de bedoeling dat het begrip dringende redenen zo ruim wordt opgevat dat de warenmarkt veelvuldig kan worden verplaatst. De ervaring heeft geleerd, dat marktverplaatsingen de kooplieden sterk in hun omzet benadelen. De verplaatsing van de markt voor bijzondere evenementen moet vroegtijdig met de marktcommissie en omwonenden worden overlegd. De plaatsvervangende locatie moet voor de marktondernemers een goed alternatief zijn (zelfde toeloop etc.). De markt mag niet verplaatst worden voor elk evenement. Onder een bijzonder evenement kan o.a. worden verstaan een oud en nieuw feest en een kermis. Het derde lid De verplaatsing van de markt voor bijzondere evenementen moet vroegtijdig met de marktcommissie en omwonenden worden overlegd. De plaatsvervangende locatie moet voor de marktondernemers een goed alternatief zijn (zelfde toeloop etc.).
De markt mag niet verplaatst worden voor elk evenement. Onder een bijzonder evenement kan o.a. worden verstaan een oud en nieuw feest en een kermis. f geeft het college de bevoegdheid de markt op een andere dag te laten plaatsvinden indien sprake is van een feestdag waarop het ingevolge de Winkeltijdenwet verboden is om markthandel te bedrijven. De markt kan uiteraard gewoon op de normale dag plaatsvinden, indien op grond van artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet vrijstelling is verleend.
Artikel 3.59 Indeling van de markt; branche-indeling Gebaseerd op artikel 1.3 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. De titel is aangepast om verwarring te voorkomen met het begrip “inrichting”. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het gaat om een gespecialiseerde markt. Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de markt in het van belang te bepalen welke materialen worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de CVAH bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam, de afzetcontainer, de verkoopwagens en de parasol. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen. Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke gedeelten van het marktterrein kunnen worden aangewezen. Het tweede lid schept de mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten.
Hierdoor
47
wordt bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel kooplieden van een branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de markt aantrekkelijker voor de consument. De regels ten behoeve van een brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is bezwaar en beroep hiertegen uitgesloten. Artikel 3.60 De marktcommissie Gebaseerd op artikel 1.4 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Deze bepaling is facultatief bedoeld. Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in marktaangelegenheden. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te werken. Dit is geregeld in het marktreglement. Artikel 3.61 Inhoud marktstandplaatsvergunningen Gebaseerd op artikel 2.5 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Om aan de houders van vaste plaatsen de nodige rechtszekerheid te verschaffen, is het gewenst hun een vergunning voor die plaats te verstrekken, waaruit blijkt dat zij hun plaats rechtsgeldig bezetten.
Onder een duidelijke omschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bij voorkeur gedacht aan een tekening of plattegrond waarop de afmetingen van de plaatsen en de nummering daarvan zijn aangegeven. Ingevolge het vermelde onder c worden in de vergunning de verkoopmaterialen (kramen, tafels, wagens en dergelijke) opgesomd die de vergunninghouder bij het innemen van de plaats mag gebruiken. Artikel 3.62 Inschrijving op de anciënniteitlijst Gebaseerd op artikel 2.6 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Artikel 3.63 Volgorde toewijzing vaste plaatsen Gebaseerd op artikel 2.7 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Selectiecommissie is aangepast naar marktcommissie. Toelichting In dit artikel is volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen op de markt geregeld. Aangezien niet alle standplaatsen dezelfde mogelijkheden bieden, is het redelijk dat in eerste aanleg aan vergunninghouders van een vaste standplaats de gelegenheid wordt geboden een naar hun oordeel betere standplaats te verkrijgen. Na het bieden van gelegenheid aan de vergunninghouders wordt een selectieprocedure gestart. De voordracht van de marktcommissie (die de selectie uitvoert) wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het college.
Het college, indien zij instemt met de voordracht, verleent de vergunning.
Artikel 3.64 Selectie door marktcommisie Gebaseerd op artikel 2.8 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting
48
De marktcommissie geeft haar werving vorm door het zetten van advertenties in de vakbladen. Zij selecteert uit de gegadigden een geschikte kandidaat, hierbij rekening houdend met het branchepatroon. Deze selectie kan middels een gesprek gaan (lid 1). De selectie wordt gedaan door de marktcommissie. Het gaat in de gemeente Zuidplas om een kleine markten, er zijn niet genoeg kandidaten om en een marktcommissie en een selectiecommissie te vormen. Dit is de reden dat de marktcommissie tevens de selectie doet Deze bepaling is opgenomen om belangenverstrengeling zoveel als mogelijk is te voorkomen (lid 2). De kan-bepaling is opgenomen om het college de mogelijkheid te geven op gegronde redenen af te wijken van de voordracht van de marktcommissie(lid 3). Artikel 3.65 Toewijzing dagplaats Gebaseerd op artikel 2.10 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting De in het eerste lid vereiste vergunning wordt veelal mondeling verleend, doch het verdient aanbeveling dat marktmeester in mandaat een schriftelijke vergunning te laten afgeven waarop hij het nummer van de standplaats invult. Bij het toewijzen van de dagplaats moet rekening worden gehouden met de branche-indeling. Dagplaatsen zullen worden toegewezen aan degene die zich als eerst meld voor 08:30 uur.
Zijn er meerder aanmeldingen zal een loting plaatsvinden. Bij dit alles moet het branchepatroon in acht worden genomen. Het moet worden voorkomen dat vaste standplaatshouders in de weg worden gezeten door een dagplaatshouder.
Artikel 3.66 Toewijzing standwerkplaats Gebaseerd op artikel 2.11 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Wanneer standwerkerplaatsen worden toegewezen, is het gewenst dat dit zo objectief mogelijk gebeurt om de bekende en de minder bekende standwerkers een gelijke kans te geven. Daarom is in het eerste lid bepaald dat de toewijzing geschiedt door loting.
Artikel 3.67 Plaats voertuigen Gebaseerd op artikel 4.1 van de Marktverordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Het tijdens de markt op het marktterrein rijden met wagens, karren auto’s e.d. is uiterst hinderlijk, zowel voor het publiek als voor de kooplieden wier bedrijf in volle gang is. Artikel 3.68 Verzorging marktstandplaats Gebaseerd op artikel 4.6 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Dit artikel is opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat de markt wordt vervuild door zakjes en servetjes, waarin kleine eetwaren, die ter plaatse plegen te worden genuttigd, op de markt worden verkocht.
49
Artikel 3.69 Afvalbakken Gebaseerd op artikel 4.7 van de Marktverordening. Standplaats is aangepast naar marktstandplaats. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Dit artikel is opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat de markt wordt vervuild door zakjes en servetjes, waarin kleine eetwaren, die ter plaatse plegen te worden genuttigd, op de markt worden verkocht. Artikel 3.70 Standplaatsvergunningen en weigeringsgronden Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:18 van de Algemene plaatselijke verordening. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 6.2). Tweede lid De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 6.8. Nadere uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel. Redelijke eisen van welstand De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond.
Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen. Redelijk verzorgingsniveau In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing. Artikel 3.71 Locaties en tijden Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:18a van de Algemene plaatselijke verordening. Dit artikel wordt op verschillende vlakken gewijzigd. Allereerst worden twee locaties zoals benoemd in lid 1 gewijzigd, namelijk het Dorpsplein gemeentehuis te Zevenhuizen en het Raadhuisplein (ingang raadhuis) in Nieuwekerk aan den IJssel. Eerstgenoemde wijzigt in verband met de herstructurering van het Dorpsplein. Laatstgenoemde is opgeheven vanwege de bouw van het nieuwe gemeentehuis. Daarnaast worden de openingstijden zoals benoemd in lid 4 in zijn geheel geschrapt. De
50
Winkeltijdenwet in combinatie met de Winkeltijdenverordening is namelijk van toepassing op standplaatsen. Op grond hiervan is bepaald dat op maandag t/m zaterdag, de werkdagen, openstelling van winkels toegestaan is tussen 06.00 en 22.00 uur. Hierdoor zijn de uitzonderingen zoals benoemd in de Winkeltijdenverordening, waaronder de openstelling op zondag, ook van toepassing. Bij verordening mogen gedurende deze uren geen (verdere) beperkingen worden opgelegd aan de openstelling van standplaatsen Toelichting Locaties op grond toebehorende aan de gemeente Zuidplas Het is niet mogelijk om voor andere locaties op grond in eigendom van de gemeente Zuidplas een vergunning aan te vragen, tenzij het gaat om standplaatsen op eigen grond. Bij het aanwijzen van de locaties is een afweging gemaakt met betrekking tot een aanvaardbare omvang van mogelijk te verwachten overlast voor omwonenden, voetgangers en ander verkeer. Daarbij is ondermeer gekeken naar de verkeersaantrekkende werking van standplaatsen, lawaai, geuroverlast (bijv. bak- en braadlucht, vislucht) en het in beslag nemen van parkeerruimte. Ook de afstand tot woningen is meegewogen. Tenslotte is rekening gehouden met de toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten, kabels/leidingen, rioolputten en ongewenste groepsvorming bij de standplaatsen (bijv. groepen jongeren bij snackwagens).
Standplaatsen mogen nooit verkeersgevaarlijke situaties opleveren doordat zij bijvoorbeeld het zicht op naderend verkeer ontnemen. Op de J.A. Beijerinkstraat mag slechts één kraam met geurverspreidende waren staan, gezien de stankoverlast die daar ervaren wordt. Bij geurverspreidende waren moet gedacht worden aan vis, loempia’s, oliebollen, snack en dergelijke. Standplaatsen op grond toebehorende aan particulieren Standplaatsen kunnen ook worden ingenomen op grond toebehorende aan particulieren. Indien een standplaatsvergunning voor een standplaats op grond van particulieren wordt aangevraagd, dient er eerst toestemming te zijn verkregen van de eigenaar van de grond, dat op de grond een standplaats mag worden ingenomen. Andersom is het ook zo dat als er een standplaats op grond van een particulier wordt genomen deze eerst moet nagaan of daar wel een vergunning voor is verleend. Voor het verlenen van deze vergunning wordt een afweging gemaakt aan de hand van de weigeringsgronden genoemd in artikel 6.8 en artikel 3.69, lid 2. Grootte standplaats De locaties zoals opgenomen in lid 1 bestrijken een maximumoppervlakte van 20m2, inclusief de ruimte die het publiek inneemt en/of die door de uitgestalde koopwaar wordt ingenomen. De frontbreedte kan niet meer bedragen dan 8 meter.
Aanvrager dient dan ook bij de aanvraag de benodigde gegevens te overleggen zodat dit beoordeeld kan worden. Onvoorziene omstandigheden van de tijdelijke aard Bij onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard kan gedacht worden aan wegwerkzaamheden, calamiteiten, onderhouds- en nieuwbouwactiviteiten. Bijzondere omstandigheden Bij bijzondere omstandigheden kan gedacht worden aan een bus voor borstkankeronderzoek die drie maanden een standplaats in wil nemen. Het moet gaan om het innemen van een standplaats voor maatschappelijke doeleinden. Tijden Een standplaats kan worden ingenomen van 8:00 uur tot 20:00 uur gelijk aan de reguliere openingstijden van de winkels. Na 20:00 uur dient de standplaats leeg gemaakt te worden en schoon achter gelaten te worden. De vergunning kan ook voor dagdelen worden verleend.
51
Op de dagen dat de weekmarkt plaats vindt in de betreffende dorpen mag daar geen standplaatsvergunning worden verleend. Dit houdt in dat op woensdag in Moordrecht, op donderdag in Zevenhuizen en op vrijdag in Nieuwerkerk aan den IJssel geen standplaatsvergunningen worden verleend. Dit om te voorkomen dat de weekmarkt en de standplaatsen de inkomsten van elkaar afnemen. Artikel 3.72 Standplaatsen in winkelcentra Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:19 van de Algemene plaatselijke verordening. Vergunning is aangepast naar omgevingsvergunning Toelichting Voor winkelcentra is geen standplaatsvergunning nodig (het betreft hier de Reigerhof en Dorrestein). De standplaatshouder dient een melding bij het college te doen waarin hij aangeeft op welke plaats in het winkelcentrum hij de standplaats inneemt en welke activiteiten er plaats vinden op de standplaats. Tevens dient hij aan te geven of er toestemming is van het winkelcentrum. Vervolgens toetst het college de melding aan de brandveiligheidseisen zoals deze door brandweer voor de winkelcentra zijn gesteld en stelt de eigenaar van het winkelcentrum en de melder in kennis van de melding. Artikel 3.73 Gronden voor intrekking Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:20 van de Algemene plaatselijke verordening. Standplaatsvergunning is aangepast naar omgevingsvergunning voor een standplaats.
Toelichting In artikel 6.6 staan de algemene gronden om een vergunning in te trekken deze zijn ook van toepassing op de standplaatsvergunning. Hiernaast zijn de gronden zoals genoemd in lid 1 van dit artikel van belang. Onder een geldige reden genoemd in lid 1, onder c kan onder andere worden verstaan ziekte en vakantie (dit naar alle redelijkheid). Bij optreden van een geldige reden om de standplaats niet in te nemen stelt de standplaatshouder het college daarvan in kennis, ook bij plotselinge verhindering. Ingeval van langdurige verhindering wegens ziekte wordt elke drie maanden een geneeskundige verklaring overlegd. Artikel 3.74 Rechtsopvolging Dit artikel is gebaseerd op artikel 5:20a van de Algemene plaatselijke verordening. Standplaatsvergunning is aangepast naar omgevingsvergunning voor een standplaats. Toelichting In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om in afwijking van artikel 6.2 een vergunning over te schrijven op nabestaanden van de vergunninghouder. Dit omdat in sommige gevallen de nabestaanden het bedrijf van de standplaatshouder zullen voortzetten en dan afhankelijk zijn van de inkomsten van de standplaats.
52
§ 3.2.9. Naamgeving en nummering Artikel 3.75 Namen en nummerdragers aanbrengen Dit artikel is gebaseerd op artikel 4 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Dit artikel regelt dat naamdragers (naamborden) overeenkomstig de wens van het college zal worden aangebracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de gemeente. In het tweede lid is vastgelegd dat een object een door het college toegekend adres ook feitelijk moet dragen. Daarmee wordt het college de mogelijkheid geboden om toe te zien op de naleving van het aanbrengen van nummers en objecten. Nummers die zijn toegekend moeten met het oog op de dienstverlening ook ter plaatse terug te vinden en duidelijk leesbaar zijn. De burger is gerechtigd een eigen variant van de nummerdrager op de gevel te bevestigen, mits deze het nummer draagt dat aan het object is toegekend, de drager leesbaar is en op een duidelijk leesbare plaats op de gevel bevestigd is. De kosten van een eigen nummerdrager komen hierbij voor rekening van de burger. Het derde en vierde lid verbiedt een ieder die daartoe niet gerechtigd is, namen of nummerdragers toe te kennen door deze namen of nummerdragers aan te brengen. Overtreding van het derde en vierde lid is strafbaar gesteld conform artikel 8.
Artikel 3.76 Nummerdragers aanbrengen Dit artikel is gebaseerd op artikel 6 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting Het aanbrengen van nummerbordjes is per gemeente verschillend geregeld. Sommige gemeenten brengen de nummers zelf aan. Het aanbrengen van de nummers wordt in bepaalde gevallen echter ook uitbesteed of overgelaten aan de aannemer, als onderdeel van het uitvoeren van een bouwwerk. Ten slotte kan het ook aan de eigenaar worden overgelaten om de nummers, conform de nadere gemeentelijke voorschriften, aan te brengen. In deze verordening is gekozen voor een formulering waarbij de eigenaar het nummer zelf dient aan te brengen, tenzij het college anders besluit. Het laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij nieuwbouwprojecten, waarbij een uniform uitgevoerde nummering wenselijk wordt geacht. De verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van een nummeraanduiding is in de tekst van de nummerbeschikking geregeld. In het tweede lid is bepaald dat het door het college toegekende nummer binnen een bepaalde termijn moet zijn aangebracht. Voor gevallen waarin het object nog niet is voltooid, is in het derde lid een andere termijn gesteld.
Het vierde lid geeft het college de mogelijkheid de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen te verlengen.
Artikel 3.77 Uitvoeringsvoorschriften Dit artikel is gebaseerd op artikel 7 van de verordening Naamgeving en nummering Zuidplas. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. Toelichting In het eerste lid is vastgesteld dat de wijze van toekennen, het plaatsen van de nummerdragers alsmede de voorschriften voor de afmetingen, vormgeving en materiaalkeuze van de nummerdragers
53
dienen te geschieden conform de in bijlage A (technische uitvoeringsvoorschriften) benoemde NEN normen. In het tweede lid is vastgesteld dat het college de mogelijkheid heeft nadere uitvoeringsvoorschriften vast te stellen. Er kan in dit verband worden gedacht aan algemene eisen aan het te gebruiken materiaal (bestand tegen weersinvloeden), alsmede aan andere technische zaken, zoals de methode van nummering en maatvoering van de borden. Ook kunnen de uitvoeringsvoorschriften een bepaling omvatten dat naast een zelfvervaardigde nummerdrager – van geschilderde dakpannen tot ceramische tegels en van zuiltjes tot deurschilderingen – het voorgeschreven nummerbordje altijd aanwezig moet zijn op de bij verordening voorgeschreven plaats. Naast meer technische uitvoeringsvoorschriften kan om verschillende redenen ook worden gedacht aan uitvoeringsvoorschriften van administratieve aard. In de eerste plaats vervullen naam- en nummergegevens een zeer wezenlijke functie in het maatschappelijk verkeer. De dienstverlening (brandbestrijding, ambulancevervoer, postbezorging etc.) kan niet zonder een goed sluitende registratie van namen en nummers (adres). In de tweede plaats zijn tal van gemeentelijke registraties geordend naar volgorde van naam en nummer (adres). In de derde plaats is een systematische en eenduidige verstrekking van naam- en nummergegevens aan instanties noodzakelijk.
Zo bestaan er verplichtingen tot levering van adresgegevens aan afnemers en derden in de zin van de Wet GBA en aan bijvoorbeeld waterschappen en de Rijksbelastingdienst voor hun belastingheffing. In de vierde plaats is een goede registratie van adressen noodzakelijk om gemeentelijke bestanden te kunnen raadplegen en op elkaar af te stemmen. Ten slotte vervullen de adresgegevens een belangrijke rol bij de uitkering uit het gemeentefonds. Redenen genoeg om ook administratieve uitvoeringsvoorschriften te formuleren.
Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten § 3.3.1. Festiviteiten Artikel 3.78 Collectieve festiviteiten Dit artikel is gebaseerd op artikel 4:2 van de Algemene plaatselijke verordening. De verwijzingen naar andere artikelen en bijlagen zijn geactualiseerd op basis van de VFLO. Het woord Besluit is veranderd in Activiteitenbesluit. Inhoudelijk zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
Lid 1: in het bebouwde gedeelte van de inrichting is toegevoegd aan het artikel. Lid 5: de uiterlijke beëindigingstijden hebben hun eigen lid gekregen. Inhoudelijk is het lid niet aangepast. Lid 6: geluidsniveau LCeq (basstonen) zijn toegevoegd. In de praktijk werd hier al mee gemeten maar dit lag nog niet vast in de verordening.
Toelichting De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland. Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Dit artikel van het Besluit voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.
54
In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Besluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college kan worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de verordening zelf. Tweede lid Volgens artikel 4.148, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.148, tweede lid, onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie.
Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het grondgebied van de gemeente bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Algemene wet bestuursrecht mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties. Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen.
Zesde en zevende lid Het Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. Er is voor gekozen om een aantal voorwaarden met betrekking tot geluidniveaus in de Algemene plaatselijke verordening op te nemen. In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm.