Bijlage 2 Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving 2023 Omgevingswet A23.001397
Tekst van het document
Uit jurisprudentie komt naar voren dat diverse rechters hebben uitgesproken dat het wijzigen van een (straat-)naam en/of (huis-) nummer moet worden beschouwd als een algemeen aanvaard maatschappelijk risico dat ten laste dient te komen van de betrokken bedrijven en burgers. Vanzelfsprekend moet bij wijzigingen zorgvuldig te werk worden gegaan. § 2.2.3 Houtopstanden Artikel 2.14 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap Volgens artikel 4.1 onder a Wet natuurbescherming diende de raad de bebouwde kom vast te stellen Dit is inmiddels gebeurd in de eerste versie van de Verordening Fysieke Leefomgeving. Onder de Omgevingswet krijgt de term bebouwde kom een andere functie. In de wet is geregeld dat de gemeente een bebouwingscontour houtkap moet benoemen. § 2.2.4 Ligplaatsen Artikel 2.15 Aanwijzingen ligplaatsen Geen toelichting nodig. § 2.2.5 Parkeren Artikel 2.16 Aanwijzingen belanghebbenden parkeren Geen toelichting nodig. § 2.2.6 Crossterreinen en natuurgebieden Artikel 2.17 Aanwijzingen crossterreinen Toelichting Artikel 2.17 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college.
Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld. Indien artikel 3.34 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 Algemene plaatselijke verordening niet meer aan de orde. Artikel 2.18 Aanwijzingen natuurgebieden Toelichting Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en (ii) overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerstbedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 3.34 en 3.35 van deze verordening.
16
§ 2.2.7 Vervoer gevaarlijke stoffen Artikel 2.19 Aanwijzingen route vervoer gevaarlijke stoffen Toelichting Het college wijst een route aan voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. § 2.2.8 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Artikel 2.20 Aanwijzingen plaatsen buiten inrichtingen Toelichting Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. Voor het begrip inrichting wordt verwezen naar de Wet Milieubeheer zoals deze luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
17
Hoofdstuk 3 Activiteiten Afdeling 3.1 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed § 3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Oogmerken Dit is een nieuw artikel waarin de oogmerken van deze afdeling ter introductie worden benoemd. Oogmerken komen namelijk ook regelmatig terug in de Omgevingswet. In de Erfgoedverordening waren deze oogmerken opgenomen als beoordelingsgronden voor de verlening van de omgevingsvergunning. Dit artikel is toegevoegd om de intentie van deze afdeling kort samen te vatten. Alle navolgende regels zijn gericht op dit doel. Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is voor al het onroerende en roerende cultuurgoed. Deze afdeling heeft echter alleen betrekking op onroerend cultureel erfgoed omdat alleen dit erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving onder de reikwijdte van de Omgevingswet valt. Deze afdeling ziet daarmee dus ook op de bescherming van deze belangen. Artikel 3.2 Toepassingsbereik gemeentelijk monument, beeldbepalend erfgoed, beeldbepalende structuur en dorpsgezicht Dit is een nieuw artikel waarin wordt aangegeven wat het toepassingsbereik is van dit artikel. Artikel 3.3 Zorgplicht voor onroerend gemeentelijk cultureel erfgoed. Dit is een nieuw artikel dat het toepassingsbereik van deze afdeling regelt voor archeologische waarden. Dit is gedaan om beter aan te sluiten op de VFLO en de Omgevingswet.
§ 3.1.2. Instandhouden, vernielen, slopen, ontsieren van cultureel erfgoed Artikel 3.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Toelichting Tweede lid Dit artikel is toegevoegd aan dit artikel om een uitzondering te maken voor de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Dit betreft voornamelijk onderhoudswerkzaamheden en werkzaamheden aan niet monumentale waarden. Zowel de betekenis van onderhoud als de inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarden worden in het Besluit activiteiten leefomgevingtoegelicht: ‘met gewoon onderhoud worden werkzaamheden bedoeld die erop gericht zijn om te behouden wat er is’, ‘zoals het herstel van een beperkt deel van het voegwerk of het schilderen in dezelfde kleur’, Inpandige wijzigingen van onderdelen zonder monumentale waarde: in veel gevallen gaat het hierbij om recente toevoegingen, zoals bijvoorbeeld onderdelen die ten tijde van de aanwijzing als beschermd monument nog niet bestonden in de vorm van recente badkamers en keuken of interieurafwerking uit de jaren 70 van de vorige eeuw. Indien er twijfel bestaat over de monumentale waarden van een onderdeel kan het college vragen om een onderzoek. Voor al deze vergunningsvrije activiteiten geldt dat ze zonder hak- en breekwerk in het casco worden uitgevoerd. Anders is toch een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument nodig.
Derde lid Dit artikel regelt de mogelijkheid om aanvullend onderzoek uit te laten voeren door een eigenaar ten behoeve van het op juiste wijze kunnen beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierbij valt te denken aan een bouwhistorisch onderzoek om de ouderdom, verschillende bouwfases en de waardering van de afzonderlijke gebouwonderdelen in beeld te krijgen. Maar het kan ook gaan om een cultuurhistorisch gebiedsonderzoek of een kleurhistorisch onderzoek. Dit artikel moet slechts gebruikt worden bij ingrijpender wijzigingen, zoals bijvoorbeeld het geheel verwijderen van elementen of een transformatie en als dit in het belang van de instandhouding van het erfgoed is.
18
Artikel 3.5 Termijnen advies Toelichting Tweede lid De termijnen van advies zijn met een week verkort om de vergunningprocedure binnen de geldende zes weken termijn te kunnen doorlopen. Dit sluit aan op de vergaderfrequentie van de adviescommissie Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas. Artikel 3.6 Omgevingsvergunning binnen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht Dit artikel is toegevoegd. Dit betreffende artikel is ingericht voor het in stand houden van de beeldkwaliteit van het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht, waarbij aandacht is voor voorkomen van gaten in het beschermde gebied als gevolg van sloop en het zorgvuldig in kaart brengen van effecten van wijzigingen. § 3.1.3 Bescherming beeldbepalend erfgoed Deze paragraaf is toegevoegd, zie voor de aanleiding toelichting bij artikel 6.18. Dit betreffende artikel is ingericht voor het in stand houden van de beeldkwaliteit van beeldbepalend erfgoed. Het beeldbepalend erfgoed heeft in tegenstelling tot de gemeentelijke monumenten nu geen aanvullende vergunninsgplicht ten opzichte van de ‘normale’ wettelijk geregelde omgevingsvergunningplicht. Artikel 3.7 tot en met 3.9 regelt de normale vergunningsplicht voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed.
Artikel 3.7 Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed Artikel 3.7 regelt de normale vergunningsplicht voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed. Artikel 3.8 Termijnen advies beeldbepalend erfgoed Artikel 3.8 regelt de termijnen van advies voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed. Artikel 3.9 Weigeringsgronden Artikel 3.9 regelt de weigeringsgronden voor beeldbepalend erfgoed. Het doel van dit artikel is het helder stellen van de procedure bij omgevingsvergunningen voor dit type erfgoed. § 3.1.4 Bescherming van archeologische monumenten en terreinen Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden Dit artikel is toegevoegd om de procedure tot het benoemen van de archeologische bepalingen in het omgevingsplan te regelen en het tevens de instandhouding van het archeologisch erfgoed, in- of exsitu, binnen de regels op te nemen. Artikel 3.11 Vangnet archeologie Toelichting Tweede lid In het tweede lid van dit artikel worden drie uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. In afwijking van de erfgoedverordening 2010 is hier niet meer specifiek aangegeven welke waarderingsgebieden welke uitzonderingen kennen.
Deze wijziging is doorgevoerd omdat de regels zijn opgenomen in het vigerende omgevingsplan Archeologie. Wanneer er wijzigingen in het beleid en het omgevingsplan zouden optreden, betekent dit dat deze verordening ook gewijzigd zal moeten worden. Aangezien het omgevingsplan leidend is, is het niet noodzakelijk ook in deze verordening de regels op te nemen. Het volstaat hier te verwijzen naar de regels in het omgevingsplan. Artikel 3.12 Archeologisch onderzoek Toelichting De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet
19
uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend geregeld. Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Omgevingswet te laten vallen. Op grond van de overige leden kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.
Artikel 3.13 Advisering Dit artikel heeft betrekking op het archeologisch onderzoek, maar ook op het vangnet archeologie. Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte § 3.2.1. Gebruik van een openbare plaats Artikel 3.14 Het plaatsen van voorwerpen Toelichting Dit artikel geeft de burgemeester en het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van containers, billboards, reclame-uitingen of inboedels op de weg, maar ook materialen, machines en afzettingen ten behoeve van bouw-, verbouw-, onderhouds-, reinigings-, en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan of in gebouwen. Omgevingswet Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Omgevingswet vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken.
Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Een ontheffing wordt op grond van 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde bestuursorgaan (i.e. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de weg, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke. Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project - bijvoorbeeld een grootscheepse restauratie van monumentale panden - zowel een ontheffing van het bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als een omgevingsvergunning (vierde lid) nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen zijn.
Het vijfde lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende categorieën: a. Evenementen Indien een evenement wordt gehouden, waarvoor een vergunning is verleend op basis van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening, dan hoeft geen vergunning verleend te worden op basis van artikel 3.14 van deze verordening. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor
20
een evenement kan immers ook de bescherming van de met artikel 3.14 van deze verordening te dienen belangen worden. b. Standplaatsen Hier wordt een uitzondering gemaakt op standplaatsen waarop § 3.2.8. van toepassing is. c. Terrassen Het in artikel 3.14 van deze verordening bedoelde verboden gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor de burgemeester op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening een exploitatievergunning heeft verleend. Voor de duidelijkheid: het gaat hierom een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw (openbare inrichting). Artikel 3.14 van de Algemene plaatselijke verordening is niet van toepassing op straatreclame. Daarvoor kent de Algemene plaatselijke verordening een afzonderlijke bepaling artikel 3.42. Lid 7 wordt verwijderd. In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen.
Artikel 3.15 Verbod objecten onder hoogspanningslijn Toelichting Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in het omgevingsplan een strook grond als zodanig aangeduid en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze activiteit voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen. Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het opnemen van dit artikel achterwege blijven. Indien een omgevingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 3.15 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld de hoogte van toe te laten gebouwen, i.e. twee meter, uit omgevingsplan en Verordening fysieke leefomgeving op elkaar afgestemd zijn.
Artikel 3.16 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Toelichting Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd zijn verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren. Artikel 3.17 Bijen Toelichting
21
Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de "aanvliegbanen" hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn. Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand "op de openbare weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats" valt aan te wijzen, kan men toch van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op "openbare belangen". Lid 4 wordt verwijderd. In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen. Artikel 3.18 Verstrooiing van as Toelichting Verboden plaatsen Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden. Als het college een vergunning heeft verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken. Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor het college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien. Hinder of overlast Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten. Alvorens de nabestaanden tot asverstrooiing overgaan, zullen zij zich er daarom steeds van moeten vergewissen dat er door de asverstrooiing geen hinder of overlast ontstaat. Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op. Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.
22
Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing. Artikel 3.19 Straatvegen Toelichting Deze verkeersbeperkende bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 3.19 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren. Het effectueren van de onderhavige maatregel zal plaatselijk verschillend al dan niet problematisch zijn, al naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is of niet.
Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken van eigen borden. Gebruikmaking van verkeersborden in de zin van bijlage II van het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus. Artikel 3.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Toelichting Uitgangspunt is dat als het omgevingsplan niet expliciet toestaat dat een bepaald terrein als kampeerterrein mag worden gebruikt, het terrein niet structureel dan wel incidenteel zal worden gebruikt als kampeerterrein. Dit algemene verbod is de essentie van deze afdeling. Voor de gebieden die in het bestemmingsplan etc. zijn aangewezen als kampeerterrein kunnen algemeen geldende voorschriften worden opgesteld. Overtreding hiervan zal dan worden gesanctioneerd door het opleggen van een dwangsom of het toepassen van bestuursdwang. De woorden ‘eigen gebruik’ zijn niet nader ingevuld, maar het eigen gebruik zal wel redelijk moeten zijn. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat burgers overlast ondervinden van een structureel tentenkamp op het eigenterrein van een rechthebbende. Het college kan, op grond van het derde lid, ontheffing van het verbod verlenen.
De ontheffing kan geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 6.8, maar ook in het belang van de bescherming van een dorpsgezicht of de bescherming van natuur en landschap Of de bescherming van natuur en landschap dan wel het dorpsgezicht in het geding is, ligt ter beoordeling van het college. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen. Lid 5 is geschrapt. Artikel 3.21 Oplaten van ballonnen Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op. Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts).
23
Tevens is het verboden om buitenshuis en/of in de openbare ruimte plastic confetti en serpentines te strooien. Confetti en serpentines van biologisch afbreekbaar materiaal zijn wel toegestaan. § 3.2.2. Veranderen van een openbare plaats Artikel 3.22 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Toelichting Op het aanleggen of veranderen van een weg is de Omgevingswet van toepassing als de activiteit verboden is in een omgevingsplan. Dat betekent dat de termijnen genoemd in de Omgevingswet van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Deze indieningsvereisten staan onder andere in de Algemene wet bestuursrecht (Awb, artikel 4:2), in de Omgevingsregeling (artikel 7.3 en 7.4) en afdeling 22.5.2 van de bruidsschat. Indien de activiteit niet is verboden in een omgevingsplan is dan is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar. Eerste lid Aan artikel 3.22 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.
Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. Tweede lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip "weg" uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde "eigen wegen" die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d.
voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging "alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen" opgenomen. De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening. Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonden de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Vierde lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien. De term ''onderwerp'' in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d.
in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.
24
Lid 4 wordt verandert. Hierboven wordt besproken hoe het zit met de afbakening in verband met hogere wetgeving. Delen van de hogere wetgeving komt te vervallen met de invoering van de Omgevingswet. In dit artikel wordt de nieuwe situatie omgezet, zoals bijvoorbeeld de relatie met de provinciale omgevingsverordening, waterschapsverordening en de Omgevingswet. Daarnaast blijven de wetten zoals de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht en de Tellecommunicatiewet, en daarmee ook de afbakening, geldig. Het nieuwe middel van een beperkingengebiedactiviteiten toegevoegd waar dit verbod niet van toepassing is. Artikel 3.23 Maken, veranderen van een uitweg Toelichting Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.
Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft. De indiener van een aanvraag moet bij zijn aanvraag een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken over het maken van de gewenste uitweg kan worden vergund. De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen. Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet. Het college baseert de afweging voor het verlenen van de omgevingsvergunning op het vastgestelde beleid Nota Uitwegen 2023 of zijn rechtsopvolger ervan. De afbakening met hogere wetgeving is aangepast, aangevuld met de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening, waterschapsverordening toegevoegd.
Het nieuwe middel van een beperkingengebiedactiviteit is toegevoegd waar dit verbod niet van toepassing is. Dit is een nieuw begrip binnen de Omgevingsweg § 3.2.3. Activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden Artikel 3.24 Toepassingsbereik Toelichting In artikel 2 is voor wat betreft de toepassing aangesloten bij de definitie van bebouwde kom uit de Wet Natuurbescherming. Onder de Omgevingswet wordt de bebouwde kom vervangen door een bebouwingscontour houtkap. De grenzen hiervan blijven wel gelijk. In dit verband geldt dat de Wet Natuurbescherming hoger recht betreft en deze wet is gelet daarop van belang voor de reikwijdte van de verordening. De Wet Natuurbescherming, hoofdstuk 4, heeft tot doel om bossen te beschermen. Onder de Wet Natuurbescherming vallen bossen die gelegen zijn buiten de bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde kom), zoals vastgesteld op grond van de Wet Natuurbescherming. Daarbij gaat het om alle beplantingen van bomen die als geheel groter zijn dan 10 are en bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan twintig bomen bestaat.
Op grond van artikel 4.6 is de gemeenteraad niet bevoegd regels te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde kom), tenzij het gaat om de bewaring van houtopstanden op erven en in tuinen en beplantingen van bomen die als geheel kleiner zijn dan 10 are en bomen in een rijbeplanting, minder dan twintig bomen, of bestaand uit populieren of wilgen.
25
Voor de laatste houtopstanden kunnen in beginsel dus wel regels worden gesteld. Dat doet de gemeenteraad van Zuidplas via artikel 2, lid 1, onderdeel b van deze verordening. Verwijzingen naar de Wet natuurbescherming zijn omgeschreven naar de corresponderende artikelen in de Omgevingswet omdat de Wet natuurbescherming op gaat in de Omgevingswet. Artikel 3.25 Verbod vellen waardevolle houtopstanden Toelichting Voor de houtopstanden die zijn opgenomen op de lijst met waardevolle houtopstanden geldt dat een ontheffing van het college noodzakelijk is voor het kandelaberen, kappen, knotten, rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben. Alleen in uitzonderlijke gevallen Omdat er sprake is van een ‘nee, tenzij’-regime voor wat betreft het vellen van beschermingswaardige houtopstanden, is gekozen voor een ontheffingsstelsel. Slechts in uitzonderlijke gevallen geldt dat het mogelijk is om een waardevolle houtopstand te kappen. Hierbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegende maatschappelijke reden of een situatie dat instandhouding niet langer verantwoord is.
46 Bomenbeleidsplan 2016 Voor waardevolle houtopstanden geldt dus dat voor kappen niet zomaar toestemming wordt gegeven en dat een bepaalde mate van overlast dient te worden geaccepteerd. Overlast door vruchten en luizen of opdrukkende wortels kunnen in beginsel geen reden zijn voor het verlenen van een ontheffing. Indien plannen voor nieuwbouw of de aanleg van infrastructuur ter plaatse van een beschermde houtopstand reden is tot een ontheffingsaanvraag is, moet allereerst duidelijk zijn dat met de realisatie een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Individuele particuliere belangen of kleine maatschappelijke belangen kunnen dus niet tot velling van een waardevolle houtopstand leiden. Wel zou verplanting hoe dan ook een mogelijkheid kunnen zijn. Advies boomtechnisch deskundige Om te beoordelen of instandhouding niet langer verantwoord is danwel dat verplaatsing van een houtopstand mag plaatsvinden, dient de aanvrager van de ontheffing een advies te overleggen van een boomtechnisch deskundige. Artikel 3.26 Verval Toelichting Een verleende omgevingsvergunning vervalt indien hier niet binnen een jaar gebruik van is gemaakt. Artikel 3.27 Herplantplicht en overige voorschriften Toelichting In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen “in natura” wordt gecompenseerd.
Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een ontheffing verbonden. Alleen als herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan ervan worden afgezien een herplantplicht op te leggen. Met het tweede lid van de genoemde artikelen wordt beoogd om bij herplant zo veel mogelijk te streven naar herplant met vergelijkbare bomen voor wat betreft leeftijd, soort en dikte. Herplant dient zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Heeft dit laatste geen resultaat, dan bepaalt het derde lid dat een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in de Voorziening Groen gestort dient te worden. Deze voorziening wordt door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van zowel bomen als ander openbaar groen van gemeente Zuidplas. Artikel 8 lid 2 bevat de regel dat de aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente bestaande houtopstanden, maar investering in ander gemeentelijk groen is dus ook mogelijk. Artikel 3.28 Herplantplicht bij overtreding verbod Toelichting In de artikelen 6 en 7 is onder meer een herplantplicht opgenomen om ervoor te zorgen dat het vellen
26
“in natura” wordt gecompenseerd. Een herplantplicht wordt in beginsel altijd als voorschrift aan een ontheffing verbonden. Alleen als herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan ervan worden afgezien een herplantplicht op te leggen. Met het tweede lid van de genoemde artikelen wordt beoogd om bij herplant zo veel mogelijk te streven naar herplant met vergelijkbare bomen voor wat betreft leeftijd, soort en dikte. Herplant dient zoveel mogelijk ter plaatse te gebeuren en indien dat niet mogelijk is, moet worden gezocht naar mogelijkheden om bomen in de directe omgeving te herplanten. Heeft dit laatste geen resultaat, dan bepaalt het derde lid dat een bedrag gelijk aan de waarde van de herplant in de Voorziening Groen gestort dient te worden. Deze voorziening wordt door het college in het leven geroepen en bevat gelden ten behoeve van zowel bomen als ander openbaar groen van gemeente Zuidplas. Artikel 8 lid 2 bevat de regel dat de aan bomen gelieerde gelden in de Voorziening Groen mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente bestaande houtopstanden, maar investering in ander gemeentelijk groen is dus ook mogelijk.
Artikel 3.29 Bestrijding van boomziekten Toelichting De gemeenteraad neemt geen bevoegdheid op voor het college om toestemming te geven tot direct vellen in het belang van de openbare orde of veiligheid. De burgemeester beschikt terzake over toereikende bevoegdheden. Het algemene kapverbod geldt bij gebruikmaking daarvan op grond van de verordening niet. § 3.2.4. Openbaar water Artikel 3.30 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Toelichting Artikel 3.30 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement). Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 3.14 van deze verordening, het plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een vergunning vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de gemeente nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud.
Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 3.14, waar het veelal gaat om tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit artikel anders dan bij artikel 3.14 een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien. Lid 4 wordt verandert. Hierboven wordt besproken hoe het zit met de afbakening in verband met hogere wetgeving. Delen van de hogere wetgeving komt te vervallen met de invoering van de Omgevingswet. In dit artikel wordt de nieuwe situatie omgezet, zoals bijvoorbeeld de relatie met de provinciale omgevingsverordening, waterschapsverordening en de Omgevingswet. Daarnaast blijven de wetten zoals het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitieregelement en de Telecommunicatiewet, en daarmee ook de afbakening, geldig. Het nieuwe middel van een beperkingengebiedactiviteit is toegevoegd waar dit verbod niet van toepassing is. Dit is een nieuw begrip onder de Omgevingswet. Artikel 3.31 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Toelichting Op grond van het eerste lid kan het college gedeelten van het openbaar water aanbieden waar het verboden is een ligplaats in te nemen.
Artikel 88 van de Huisvestingswet bepaalt dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet.
27
Tweede lid Het tweede lid, onder a, biedt het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn. Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid “eisen ten aanzien van de omgevingskwaliteit” aan woonschepen worden gesteld. Krachtens het tweede lid, onder b, heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden.
Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden. Pleziervaartuigen Uit het artikel volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van openbaar water gelimiteerd worden. Lid 3 wordt verandert. Hierboven wordt besproken hoe het zit met de afbakening in verband met hogere wetgeving. Delen van de hogere wetgeving komt te vervallen met de invoering van de Omgevingswet. In dit artikel wordt de nieuwe situatie omgezet, zoals bijvoorbeeld de relatie met de provinciale omgevingsverordening, waterschapsverordening en de Omgevingswet. Daarnaast blijven de wetten zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Wet Milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. Het nieuwe middel van een beperkingengebiedactiviteit is toegevoegd waar dit verbod niet van toepassing is.
Artikel 3.32 Beschadigen van waterstaatswerken Toelichting De Vaarwegenverordening Zuid-Holland kent dergelijke bepalingen voor waterstaatswerken die bij de provincie in beheer zijn. Artikel 3.32 vormt dan het sluitstuk, namelijk voor de waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op. Artikel 3.33 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Toelichting Dit artikel betreft een onderwerp dat voorheen in de bouwverordening was geregeld. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de Verordening fysieke leefomgeving besloten. § 3.2.5. Schade aan groenvoorzieningen Artikel 3.34 Crossterreinen Toelichting Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en Verordening fysieke leefomgeving Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het Reglement rijbewijzen mogen
28
bromfietsen slechts worden bestuurd door personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1 van deze verordening. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is. Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd. Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 3.34 van toepassing zijn. Artikel 3.34 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college.
Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld. Indien artikel 3.34 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening niet meer aan de orde. Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de weg Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing (art. 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d. Wet milieubeheer en de Verordening fysieke leefomgeving Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en (ii) overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen.
De eerstbedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 2.17 en 2.18alsmede artikelen 3.34 en 3.35 van deze verordening. (i) In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer (zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) een vergunning vereist is. De regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van: bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden. In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder dit besluit valt.
Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg). Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer (zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) zijn het college bevoegd om op een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19 te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten (categorie 19.2).
29
(ii) De regeling in de Algemene plaatselijke verordening is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. Het artikel is aangepast door hierin de verwijzingen naar de Wet milieubeheer aan te passen naar afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Door de invoering van de Omgevingswet komt de Wet milieubeheer te vervallen. De benodigde juridische basis voor dit artikel komt na de invoering van de Omgevingswet uit afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.35 Beperking verkeer in natuurgebieden Toelichting Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.
Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen. Op het crossen op motorterreinen is artikel 3.34 van deze verordening van toepassing. Maatregelen Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren? Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de wegenverkeerswetgeving. Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994). De WVW 1994 geeft mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.
Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een natuurgebied is een regeling opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening. Verordening stiltegebieden Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer (zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) een verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder. Volgens de PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten. Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van de WVW 1994 zijn niet toegestaan. Artikel 3.36 Rookverbod in bossen en natuurgebieden Toelichting Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is.
Dat zou te veel ingrijpen in de particuliere sfeer van burgers. De periode waarin het rookverbod geldt, wordt door het college bepaald. Desgewenst kan het college op ad-hoc basis (bijvoorbeeld bij grote droogte) een periode aanwijzen.
30
In het derde lid wordt verwezen naar artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald: "Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bosheide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan." Deze bepaling verbiedt het roken niet, mits dat maar met de nodige omzichtigheid en voorzorg geschiedt. Aangezien een dergelijke regeling niet of nauwelijks handhaafbaar is, is gekozen voor een stringent rookverbod als aanvulling op artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde geldt min of meer voor het tweede lid van artikel 2:18. Het enkele wegwerpen van bijvoorbeeld een brandende peuk is ingevolge dit tweede lid reeds strafbaar. Het is daarbij niet van belang of zulks al dan niet "met de nodige omzichtigheid en voorzorg" geschiedde. Was de nodige omzichtigheid en voorzorg i.e. niet aanwezig, dan is niet de Algemene plaatselijke verordening, maar het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Lid 5 wordt verwijderd. In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel.
Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen. § 3.2.6. Parkeren Artikel 3.37 Belanghebbendenplaatsen Lid 4 wordt gewijzigd. In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen. De mogelijkheid bestaat dat deze wel van toepassing is bij het besluit of verlenen van de vergunningen als deze niet op basis is van de Omgevingswet. Vandaar de zinsnede ‘de aanvraag om een vergunning, niet zijn de omgevingsvergunning’ Artikel 3.38 Beslistermijn Toelichting Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht ) is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de Parkeerverordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Artikel 3.39 Geldigheidsduur Toelichting Er is bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.
Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b: Uit Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunning logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige "herverdeling" van de schaarse vergunningen worden georganiseerd. Artikel 3.40 Intrekking omgevingsvergunning parkeren Toelichting De genoemde intrekkingsgronden hebben een facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming
31
van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheidsen het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Artikel 3.41 Verbodsbepaling Toelichting Vergunningstelsels zijn in de parkeerverordening als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. In het artikel zijn de algemene gronden voor het weigeren van een vergunning opgenomen § 3.2.7. Reclame Artikel 3.42 Straatreclame Toelichting Het straatbeeld verrommelt als gevolg van het ontbreken van een eenduidig beleid op het gebied van straatreclame. Met dit artikel wordt beoogd deze verrommeling tegen te gaan. Eerste lid Artikel 3.14 regelt het gebruik van een openbare plaats anders dan de publieke functie daarvan. Straatreclame valt hier ook onder. Gebleken is echter dat het straatbeeld verrommelt omdat concrete bepalingen over straatreclame in artikel 3.14 ontbreken. Daarom is het van belang om naast artikel 3.14 ook een bepaling over straatreclame te hebben, waarin duidelijke regels worden gesteld. Derde lid Alle straatreclame wordt verboden tenzij dit wordt geplaatst op door het college aangewezen plaatsen. Bij het aanwijzen van de plaatsen kan het college rekening houden met het soort reclame dat geplaatst wordt.