Bijlage 2 Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving 2023 Omgevingswet A23.001397
Tekst van het document
Ten denken valt hierbij dat nabij scholen en sportverenigingen en andere gevoelige objecten bepaalt soort reclame ongewenst is. Tevens dienen aangewezen plaatsen van dien aard te zijn dat er geen verkeersonveilige situaties ontstaan. Doordat de straatreclame alleen geplaatst kan worden op de door het college aangewezen middelen wordt voorkomen dat er allerlei soorten borden worden geplaatst en bestaat de mogelijkheid voor het college om het beheer van de straatreclame uit te besteden aan een externe partij. Het is van belang dat er een rustig straatbeeld wordt gecreëerd en dat de middelen duurzaam zijn. Vierde lid Aangezien een spandoek altijd in het bezit van de degene is die de reclame wil plaatsen, is dit een middel wat het college niet beschikbaar kan stellen. Daarom is in dit lid voor spandoeken een uitzondering gemaakt, het college wijst hiervoor alleen de plaatsen aan. Vijfde lid Bij nadere regels kan gedacht worden aan regels omtrent het ophangen van spandoeken, hoe lang reclame geplaatst mag worden en dergelijke zaken. Artikel 3.43 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Toelichting Deze bepaling bevat een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.
De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden. Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de Omgevingswet van toepassing. Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder g, van deze verordening als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel
32
belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. § 3.2.8. Ambulante handel Omdat standplaats onder de Algemene plaatselijke verordening een andere betekenis heeft als onder de Marktverordening is er voor gekozen om standplaats zoals bedoeld in de Marktverordening te hernoemen naar marktstandplaats. Artikel 3.44 Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats Toelichting Vergunning voor innemen marktstandplaats. De vergunning geeft het recht om een marktstandplaats op de markt in te nemen. De vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden (artikel 1.6). De vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar. De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen aan wie door het college vergunning daarvoor heeft verleend. Iedere andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke voorzien. Het toezicht op de naleving van de gestelde regels en vaste voorwaarden bij de vergunningen is bovendien hoog en makkelijk wegens vaste tijden en plaats van de markten. Lid 2 wordt verwijderd.
In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen. Artikel 3.45 Toewijzing marktstandplaatsen Toelichting Een marktstandplaats wordt toegewezen als vaste plaats, dagplaats of standwerkerplaats Artikel 3.46 Vereisten omgevingsvergunningaanvraag Toelichting De genoemde publiekrechtelijke verplichtingen zijn de vestigingsvergunning (indien van toepassing), de inschrijving in het handelsregister en de registratiekaart van het Centraal registratiekantoor (CRK). Indien de aanvrager niet voldoet aan de genoemde eisen, kan dit reden zijn de vergunning te weigeren (of in te trekken op grond van artikel 2.4). Het is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden toegelaten. Hiermee wordt voorkomen dat de rechtspersonen een overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle marktplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon.
Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen Artikel 3.47 Intrekking omgevingsvergunning Toelichting Tot intrekking van de vergunning wordt altijd op de in het eerste lid genoemde gronden overgegaan. Het eerste lid betreft alleen de vast plaatsen. In het tweede lid worden intrekkingbevoegdheden genoemd ten aanzien van de vergunning in het algemeen. Intrekking ligt uiteraard minder voor de hand bij niet-vaste plaatsen, maar het kan onder omstandigheden toch gewenst zijn een dag- of standwerkerplaats in te trekken. In de regel zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddelijke verwijdering. Artikel 3.48 Opzeggen omgevingsvergunning Toelichting Dit artikel zorgt ervoor dat als iemand zijn vaste standplaats vanaf een bepaalde tijd niet meer wil innemen de marktmeester dit tijdig weet. Op deze manier kan er tijdig worden geadverteerd met de lege standplaats. Dit voorkomt dat er een vaste standplaats leeg staat, terwijl er over het algemeen genoeg gegadigde zijn om de vaste standplaatsen in te nemen.
33
Artikel 3.49 Overschrijven omgevingsvergunning Toelichting Komt en vergunninghouder te overlijden of wordt hij blijvend arbeidsongeschikt, dan moet het op sociale overwegingen gerechtvaardigd worden geacht, dat zijn vergunning voor een vaste plaats op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner kan worden overgeschreven. In het eerste lid is vastgelegd dat de echtgenoot en de daarmee gelijkgestelde partners recht hebben op de vaste plaats van de vergunninghouder. Een kind van de vergunninghouders dat voldoet in het tweede lid gestelde eisen heeft recht op een vaste plaats op de markt. Het kind is immers, in vergelijking met de echtgenoot of de daarmee gelijkgestelde partner, minder direct in zijn inkomensvoorziening geschaad door het overlijden van de vergunninghouder. Als bewijs van arbeidsongeschiktheid dient een verklaring van een arts te worden overgelegd. Het gaat hier uiteraard om arbeidsongeschiktheid voor de markthandel. Het vijfde lid maakt het mogelijk dat in speciale gevallen het toch mogelijk is om de vergunning over te schrijven op een kind van de vergunninghouder terwijl hij niet aan de voorwaarde voldoet die in artikel 3.49 zijn terug te vinden. Gedacht kan worden aan een zoon, die in bijzondere omstandigheden verkeert, die toch het bedrijf van de vader over wil nemen maar niet drie jaar werkzaam is in dat bedrijf.
Per geval dient het college een belangenafweging te maken. Artikel 3.50 Persoonlijk innemen marktstandplaats Toelichting In dit artikel is bepaald dat vergunninghouder in principe verplicht is zelf op zijn standplaats aanwezig te zijn. Aangezien in artikel 3.46 is bepaald dat de vergunninghouder een natuurlijk persoon moet zijn, betekent dit dat de standplaats niet door bijvoorbeeld een medevennoot van de vergunninghouder kan worden ingenomen. De vergunninghouder kan zich doen bijstaan op grond van het tweede en derde lid. Artikel 3.51 Aantal keren innemen marktstandplaats Toelichting De plicht om de standplaats het minimum aantal vastgestelde keren in te nemen, geldt uiteraard alleen voor de vaste standplaatshouder en niet voor de dagplaatshouders of standwerker. Dit is noodzakelijk om de continuïteit in de bezetting te waarborgen. Artikel 3.52 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden Toelichting In dit artikel worden de uitzonderingen gegeven op het uitgangspunt dat de vergunninghouder zelf op de standplaats aanwezig dient te zijn. Het is wel noodzakelijk dat het college of de marktmeester van elke verhindering tot marktbezoek zo tijdig mogelijk op de hoogte wordt gesteld. Het college kan bepalen dat kortstondig afwezigheid zonder mededeling of ontheffing is toegestaan.
Dit is van belang voor vergunninghouders, bijvoorbeeld voor veilingbezoek, inkoop, bezoek aan vergaderingen en overige bedrijfs- en sociale verplichtingen. Omdat de vergunning voor een vaste standplaats voor een onbepaalde tijd wordt verleend is het mogelijk dat, als de vergunninghouder ziek is en hij elke drie maanden een geneeskundige verklaring overlegd aan het college, de vaste standplaats een aantal jaar niet wordt ingenomen. Om dit te voorkomen wordt aan het college de mogelijkheid gegeven om af te wijken van het bepaalde in artikel 3.52. Artikel 3.53 Ontheffing en vervanging Toelichting In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college de vergunninghouder van een vaste plaats toestaan zich op zijn plaats te laten vervangen. Een maximumtermijn van zes weken is voor vakantie gebruikelijk. Het college kan (bij langdurige vervanging) als voorwaarde stellen dat de vervanger aan de vereisten van artikel 3.46 voldoet. Artikel 3.54 Intrekken en vervallen marktstandplaatsvergunning Toelichting In artikel 3.54 worden de gronden genoemd waarop een vergunning voor aan vaste plaats kan worden ingetrokken of geschorst. Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. Indien het bestuursorgaan overweegt om de
34
vergunning in te trekken of te schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.55 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Toelichting Intrekking of schorsing ligt minder voor de hand bij niet-vaste plaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering ook een vergunninghouder van een dagplaats of standwerkerplaats langduriger van de markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een vergunninghouder voor een vaste plaats op de vuist gaat met een dagplaatshouder of standwerker. Artikel 3.56 Onmiddellijke verwijdering Toelichting In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde voorschriften. Artikel 3.57 Tijdstip innemen marktstandplaats/aan- en afvoer goederen Toelichting Het marktterrein behoort tot de openbare weg. Teneinde het marktterrein tijdens de markt vrij te maken van alle verkeer dient het college een verkeersbesluit te nemen.
Ten onrechte geparkeerde auto’s kunnen met toepassing van bestuursdwang, op kosten van eigenaars, van het marktterrein worden verwijderd nog voor de eigenlijke opbouw van de markt. Voorwaarde is wel dat de tijden waarop het terrein beschikbaar moet zijn ten behoeve van de markt, duidelijk worden medegedeeld. Het tweede lid maakt duidelijk dat het in het algemeen, in het belang van de orde op de markt, de vergunninghouder niet kan worden toegestaan de markt op willekeurige, voor de sluitingstijd gelegen, momenten te verlaten. Het college dient invulling te geven aan de bijzondere omstandigheden die ontheffing mogelijk maken. Op grond van het derde lid is het mogelijk dat over een vaste plaats beschikt kan worden ten gunste van een andere koopman, indien de vergunninghouder de markt op een bepaalde niet bezoekt. Daartoe is bepaald dat de vaste plaats voor een bepaald uur ingenomen moet zijn. Indien bekend is dat de rechthebbende later op de markt verschijnt, zal de plaats uiteraard open moeten blijven. Het vierde lid bevat hiervoor een regeling. Artikel 3.58 Dag, tijd en plaats van de markt Toelichting In dit artikel wordt de dag, tijd en plaats van de markt geregeld. De in het tweede lid genoemde dringende redenen dienen het doorgang laten vinden van de markt (op de vaste dag, tijd en plaats) praktisch onmogelijk te maken.
Te denken valt bijvoorbeeld aan het verrichten van bestratings- en rioleringswerkzaamheden op het marktterrein. Het is niet de bedoeling dat het begrip dringende redenen zo ruim wordt opgevat dat de warenmarkt veelvuldig kan worden verplaatst. De ervaring heeft geleerd, dat marktverplaatsingen de kooplieden sterk in hun omzet benadelen. De verplaatsing van de markt voor bijzondere evenementen moet vroegtijdig met de marktcommissie en omwonenden worden overlegd. De plaatsvervangende locatie moet voor de marktondernemers een goed alternatief zijn (zelfde toeloop etc.). De markt mag niet verplaatst worden voor elk evenement. Onder een bijzonder evenement kan o.a. worden verstaan een oud en nieuw feest en een kermis. Het derde lid De verplaatsing van de markt voor bijzondere evenementen moet vroegtijdig met de marktcommissie en omwonenden worden overlegd. De plaatsvervangende locatie moet voor de marktondernemers een goed alternatief zijn (zelfde toeloop etc.). De markt mag niet verplaatst worden voor elk evenement. Onder een bijzonder evenement kan o.a. worden verstaan een oud en nieuw feest en een kermis. f geeft het college de bevoegdheid de markt op een andere dag te laten plaatsvinden indien sprake is van een feestdag waarop het ingevolge de Winkeltijdenwet verboden is om markthandel te bedrijven.
De markt kan uiteraard gewoon op de normale dag plaatsvinden, indien op grond van artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet vrijstelling is verleend.
35
Artikel 3.59 Indeling van de markt; branche-indeling Toelichting Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het gaat om een gespecialiseerde markt. Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de markt in het van belang te bepalen welke materialen worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld. Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de CVAH bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare kraam, de afzetcontainer, de verkoopwagens en de parasol. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen. Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke gedeelten van het marktterrein kunnen worden aangewezen. Het tweede lid schept de mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel kooplieden van een branche op de markt optreden.
Hierdoor wordt de markt aantrekkelijker voor de consument. De regels ten behoeve van een brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is bezwaar en beroep hiertegen uitgesloten. Artikel 3.60 De marktcommissie Toelichting Deze bepaling is facultatief bedoeld. Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in marktaangelegenheden. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te werken. Dit is geregeld in het marktreglement. Artikel 3.61 Inhoud marktstandplaatsvergunningen Toelichting Om aan de houders van vaste plaatsen de nodige rechtszekerheid te verschaffen, is het gewenst hun een vergunning voor die plaats te verstrekken, waaruit blijkt dat zij hun plaats rechtsgeldig bezetten. Onder een duidelijke omschrijving, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt bij voorkeur gedacht aan een tekening of plattegrond waarop de afmetingen van de plaatsen en de nummering daarvan zijn aangegeven. Ingevolge het vermelde onder c worden in de vergunning de verkoopmaterialen (kramen, tafels, wagens en dergelijke) opgesomd die de vergunninghouder bij het innemen van de plaats mag gebruiken.
Artikel 3.62 Inschrijving op de anciënniteitlijst Toelichting Vergunninghouders van vaste standplaatsen worden met vermelding van en in volgorde van de datum, waarop aan hen voor het eerst een vaste standplaats is toegewezen, op een doorlopend te nummeren lijst ingeschreven. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld welke artikelen de vergunninghouder mag verhandelen. Artikel 3.63 Volgorde toewijzing vaste plaatsen Toelichting In dit artikel is volgorde van toewijzing van vaste standplaatsen op de markt geregeld. Aangezien niet alle standplaatsen dezelfde mogelijkheden bieden, is het redelijk dat in eerste aanleg aan vergunninghouders van een vaste standplaats de gelegenheid wordt geboden een naar hun oordeel betere standplaats te verkrijgen. Na het bieden van gelegenheid aan de vergunninghouders wordt een selectieprocedure gestart. De voordracht van de marktcommissie (die de selectie uitvoert) wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het college. Het college, indien zij instemt met de voordracht, verleent de vergunning. Artikel 3.64 Selectie door marktcommissie Toelichting De marktcommissie geeft haar werving vorm door het zetten van advertenties in de vakbladen. Zij selecteert uit de gegadigden een geschikte kandidaat, hierbij rekening houdend met het branchepatroon. Deze selectie kan middels een gesprek gaan (lid 1). De selectie wordt gedaan door
36
de marktcommissie. Het gaat in de gemeente Zuidplas om een kleine markten, er zijn niet genoeg kandidaten om en een marktcommissie en een selectiecommissie te vormen. Dit is de reden dat de marktcommissie tevens de selectie doet Deze bepaling is opgenomen om belangenverstrengeling zoveel als mogelijk is te voorkomen (lid 2). De kan-bepaling is opgenomen om het college de mogelijkheid te geven op gegronde redenen af te wijken van de voordracht van de marktcommissie (lid 3). Artikel 3.65 Toewijzing dagplaats Toelichting De in het eerste lid vereiste vergunning wordt veelal mondeling verleend, doch het verdient aanbeveling dat marktmeester in mandaat een schriftelijke vergunning te laten afgeven waarop hij het nummer van de standplaats invult. Bij het toewijzen van de dagplaats moet rekening worden gehouden met de branche-indeling. Dagplaatsen zullen worden toegewezen aan degene die zich als eerst meld voor 08:30 uur. Zijn er meerder aanmeldingen zal een loting plaatsvinden. Bij dit alles moet het branchepatroon in acht worden genomen. Het moet worden voorkomen dat vaste standplaatshouders in de weg worden gezeten door een dagplaatshouder. Artikel 3.66 Toewijzing standwerkplaats Toelichting Wanneer standwerkerplaatsen worden toegewezen, is het gewenst dat dit zo objectief mogelijk gebeurt om de bekende en de minder bekende standwerkers een gelijke kans te geven.
Daarom is in het eerste lid bepaald dat de toewijzing geschiedt door loting. Artikel 3.67 Plaats voertuigen Toelichting Het tijdens de markt op het marktterrein rijden met wagens, karren auto’s e.d. is uiterst hinderlijk, zowel voor het publiek als voor de kooplieden wier bedrijf in volle gang is. Artikel 3.68 Verzorging marktstandplaats Toelichting Dit artikel is opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat de markt wordt vervuild door zakjes en servetjes, waarin kleine eetwaren, die ter plaatse plegen te worden genuttigd, op de markt worden verkocht. Artikel 3.69 Afvalbakken Toelichting Dit artikel is opgenomen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat de markt wordt vervuild door zakjes en servetjes, waarin kleine eetwaren, die ter plaatse plegen te worden genuttigd, op de markt worden verkocht. Artikel 3.70 Standplaatsvergunningen en weigeringsgronden Toelichting Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 6.2). Tweede lid De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 6.8. Nadere uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel. Redelijke eisen van welstand De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.
Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas om advies te vragen. Redelijk verzorgingsniveau In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de
37
Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing. Bij lid 3 worden de termen uit de Wet ruimtelijke ordening aangepast aan de terminologie uit de Omgevingswet. Bestemmingsplannen, beheersverordening en een voorbereidingsbesluit zijn verandert in omgevingsplan. Lid 4 wordt verwijderd.
In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen Artikel 3.71 Locaties en tijden Toelichting Locaties op grond toebehorende aan de gemeente Zuidplas Het is niet mogelijk om voor andere locaties op grond in eigendom van de gemeente Zuidplas een vergunning aan te vragen, tenzij het gaat om standplaatsen op eigen grond. Bij het aanwijzen van de locaties is een afweging gemaakt met betrekking tot een aanvaardbare omvang van mogelijk te verwachten overlast voor omwonenden, voetgangers en ander verkeer. Daarbij is ondermeer gekeken naar de verkeersaantrekkende werking van standplaatsen, lawaai, geuroverlast (bijv. bak- en braadlucht, vislucht) en het in beslag nemen van parkeerruimte. Ook de afstand tot woningen is meegewogen. Tenslotte is rekening gehouden met de toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten, kabels/leidingen, rioolputten en ongewenste groepsvorming bij de standplaatsen (bijv. groepen jongeren bij snackwagens). Standplaatsen mogen nooit verkeersgevaarlijke situaties opleveren doordat zij bijvoorbeeld het zicht op naderend verkeer ontnemen. Op de J.A.
Beijerinkstraat mag slechts één kraam met geurverspreidende waren staan, gezien de stankoverlast die daar ervaren wordt. Bij geurverspreidende waren moet gedacht worden aan vis, loempia’s, oliebollen, snack en dergelijke. Standplaatsen op grond toebehorende aan particulieren Standplaatsen kunnen ook worden ingenomen op grond toebehorende aan particulieren. Indien een standplaatsvergunning voor een standplaats op grond van particulieren wordt aangevraagd, dient er eerst toestemming te zijn verkregen van de eigenaar van de grond, dat op de grond een standplaats mag worden ingenomen. Andersom is het ook zo dat als er een standplaats op grond van een particulier wordt genomen deze eerst moet nagaan of daar wel een vergunning voor is verleend. Voor het verlenen van deze vergunning wordt een afweging gemaakt aan de hand van de weigeringsgronden genoemd in artikel 6.8 en artikel 3.70, lid 2. Grootte standplaats De locaties zoals opgenomen in lid 1 bestrijken een maximumoppervlakte van 20m2, inclusief de ruimte die het publiek inneemt en/of die door de uitgestalde koopwaar wordt ingenomen. De frontbreedte kan niet meer bedragen dan 8 meter. Aanvrager dient dan ook bij de aanvraag de benodigde gegevens te overleggen zodat dit beoordeeld kan worden.
Onvoorziene omstandigheden van de tijdelijke aard Bij onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard kan gedacht worden aan wegwerkzaamheden, calamiteiten, onderhouds- en nieuwbouwactiviteiten.
38
Bijzondere omstandigheden Bij bijzondere omstandigheden kan gedacht worden aan een bus voor borstkankeronderzoek die drie maanden een standplaats in wil nemen. Het moet gaan om het innemen van een standplaats voor maatschappelijke doeleinden. Tijden Een standplaats kan worden ingenomen van 8:00 uur tot 20:00 uur gelijk aan de reguliere openingstijden van de winkels. Na 20:00 uur dient de standplaats leeg gemaakt te worden en schoon achter gelaten te worden. De vergunning kan ook voor dagdelen worden verleend. Op de dagen dat de weekmarkt plaats vindt in de betreffende dorpen mag daar geen standplaatsvergunning worden verleend. Dit houdt in dat op woensdag in Moordrecht, op donderdag in Zevenhuizen en op vrijdag in Nieuwerkerk aan den IJssel geen standplaatsvergunningen worden verleend. Dit om te voorkomen dat de weekmarkt en de standplaatsen de inkomsten van elkaar afnemen. Artikel 3.72 Standplaatsen in winkelcentra Toelichting Voor winkelcentra is geen standplaatsvergunning nodig (het betreft hier de Reigerhof en Dorrestein). De standplaatshouder dient een melding bij het college te doen waarin hij aangeeft op welke plaats in het winkelcentrum hij de standplaats inneemt en welke activiteiten er plaats vinden op de standplaats. Tevens dient hij aan te geven of er toestemming is van het winkelcentrum.
Vervolgens toetst het college de melding aan de brandveiligheidseisen zoals deze door brandweer voor de winkelcentra zijn gesteld en stelt de eigenaar van het winkelcentrum en de melder in kennis van de melding. Artikel 3.73 Gronden voor intrekking Toelichting In artikel 6.6 staan de algemene gronden om een vergunning in te trekken deze zijn ook van toepassing op de standplaatsvergunning. Hiernaast zijn de gronden zoals genoemd in lid 1 van dit artikel van belang. Onder een geldige reden genoemd in lid 1, onder c kan onder andere worden verstaan ziekte en vakantie (dit naar alle redelijkheid). Bij optreden van een geldige reden om de standplaats niet in te nemen stelt de standplaatshouder het college daarvan in kennis, ook bij plotselinge verhindering. Ingeval van langdurige verhindering wegens ziekte wordt elke drie maanden een geneeskundige verklaring overlegd. Artikel 3.74 Rechtsopvolging Toelichting In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om in afwijking van artikel 6.2 een vergunning over te schrijven op nabestaanden van de vergunninghouder. Dit omdat in sommige gevallen de nabestaanden het bedrijf van de standplaatshouder zullen voortzetten en dan afhankelijk zijn van de inkomsten van de standplaats. § 3.2.9.
Naamgeving en nummering Artikel 3.75 Namen en nummerdragers aanbrengen Toelichting Dit artikel regelt dat naamdragers (naamborden) overeenkomstig de wens van het college zal worden aangebracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de gemeente. In het tweede lid is vastgelegd dat een object een door het college toegekend adres ook feitelijk moet dragen. Daarmee wordt het college de mogelijkheid geboden om toe te zien op de naleving van het aanbrengen van nummers en objecten. Nummers die zijn toegekend moeten met het oog op de dienstverlening ook ter plaatse terug te vinden en duidelijk leesbaar zijn. De burger is gerechtigd een eigen variant van de nummerdrager op de gevel te bevestigen, mits deze het nummer draagt dat aan het object is toegekend, de drager leesbaar is en op een duidelijk leesbare plaats op de gevel bevestigd is. De kosten van een eigen nummerdrager komen hierbij voor rekening van de burger. Het derde en vierde lid verbiedt eenieder die daartoe niet gerechtigd is, namen of nummerdragers toe te kennen door deze namen of nummerdragers aan te brengen. Overtreding van het derde en vierde lid is strafbaar gesteld conform artikel 7.1.
39
Artikel 3.76 Nummerdragers aanbrengen Toelichting Het aanbrengen van nummerbordjes is per gemeente verschillend geregeld. Sommige gemeenten brengen de nummers zelf aan. Het aanbrengen van de nummers wordt in bepaalde gevallen echter ook uitbesteed of overgelaten aan de aannemer, als onderdeel van het uitvoeren van een bouwwerk. Ten slotte kan het ook aan de eigenaar worden overgelaten om de nummers, conform de nadere gemeentelijke voorschriften, aan te brengen. In deze verordening is gekozen voor een formulering waarbij de eigenaar het nummer zelf dient aan te brengen, tenzij het college anders besluit. Het laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij nieuwbouwprojecten, waarbij een uniform uitgevoerde nummering wenselijk wordt geacht. De verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van een nummeraanduiding is in de tekst van de nummerbeschikking geregeld. In het tweede lid is bepaald dat het door het college toegekende nummer binnen een bepaalde termijn moet zijn aangebracht. Voor gevallen waarin het object nog niet is voltooid, is in het derde lid een andere termijn gesteld. Het vierde lid geeft het college de mogelijkheid de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen te verlengen.
Artikel 3.77 Uitvoeringsvoorschriften Toelichting In het eerste lid is vastgesteld dat de wijze van toekennen, het plaatsen van de nummerdragers alsmede de voorschriften voor de afmetingen, vormgeving en materiaalkeuze van de nummerdragers dienen te geschieden conform de in bijlage A (technische uitvoeringsvoorschriften) benoemde NEN normen. In het tweede lid is vastgesteld dat het college de mogelijkheid heeft nadere uitvoeringsvoorschriften vast te stellen. Er kan in dit verband worden gedacht aan algemene eisen aan het te gebruiken materiaal (bestand tegen weersinvloeden), alsmede aan andere technische zaken, zoals de methode van nummering en maatvoering van de borden. Ook kunnen de uitvoeringsvoorschriften een bepaling omvatten dat naast een zelfvervaardigde nummerdrager – van geschilderde dakpannen tot ceramische tegels en van zuiltjes tot deurschilderingen – het voorgeschreven nummerbordje altijd aanwezig moet zijn op de bij verordening voorgeschreven plaats. Naast meer technische uitvoeringsvoorschriften kan om verschillende redenen ook worden gedacht aan uitvoeringsvoorschriften van administratieve aard. In de eerste plaats vervullen naam- en nummergegevens een zeer wezenlijke functie in het maatschappelijk verkeer. De dienstverlening (brandbestrijding, ambulancevervoer, postbezorging etc.) kan niet zonder een goed sluitende registratie van namen en nummers (adres).
In de tweede plaats zijn tal van gemeentelijke registraties geordend naar volgorde van naam en nummer (adres). In de derde plaats is een systematische en eenduidige verstrekking van naam- en nummergegevens aan instanties noodzakelijk. Zo bestaan er verplichtingen tot levering van adresgegevens aan afnemers en derden in de zin van de Wet BRP en aan bijvoorbeeld waterschappen en de Rijksbelastingdienst voor hun belastingheffing. In de vierde plaats is een goede registratie van adressen noodzakelijk om gemeentelijke bestanden te kunnen raadplegen en op elkaar af te stemmen. Ten slotte vervullen de adresgegevens een belangrijke rol bij de uitkering uit het gemeentefonds. Redenen genoeg om ook administratieve uitvoeringsvoorschriften te formuleren. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten § 3.3.1. Festiviteiten Artikel 3.78 Collectieve festiviteiten Toelichting De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland. Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit.
Dit artikel van het Besluit voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.
40
In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Besluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het college kan worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de verordening zelf. Tweede lid Volgens artikel 4.148, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.148, tweede lid, onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie.
Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid. Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het grondgebied van de gemeente bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Algemene wet bestuursrecht mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties. Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen.
Zesde en zevende lid Het Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. Er is voor gekozen om een aantal voorwaarden met betrekking tot geluidniveaus in de Algemene plaatselijke verordening op te nemen. In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm. Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continu-bedrijven.
Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode. Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet toegestaan.
41
In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan. In het gehele artikel wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit voor verschillende normen, voorwaarden en definities. Het Activiteitenbesluit komt te vervallen met de invoering van de Omgevingswet. Vanwege een ander stelsel rondom deze activiteiten worden de artikelen niet 1 op 1 overgenomen in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het omgevingsplan zal de gemeente hier zelf regels voor moeten gaan stellen. Echter deze verordening blijft wel geldig tijdens de overgangsfase. Vandaar dat er bij verwijzingen naar het Activiteitenbesluit de zin opgenomen is ‘zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. Dit zorgt ervoor dat de definities, normen en andere verwijzingen tijdens de overgangsfase hetzelfde blijven, totdat deze vervangen zijn door normen in het omgevingsplan. Artikel 3.79 Incidentele festiviteiten Inhoudelijk zijn de volgende wijzigingen aangebracht: • Lid 1: Het aantal incidentele festiviteiten is niet aangepast. Wel is de mogelijkheid toegevoegd om ten hoogste 4 festiviteiten buiten te organiseren. In de praktijk gebeurde dit al, maar was dit officieel nog niet geregeld binnen de Algemene plaatselijke verordening.
• Lid 6: geluidsniveau LCeq (basstonen) zijn toegevoegd. In de praktijk werd hier al mee gemeten maar dit lag nog niet vast in de Algemene plaatselijke verordening. • Lid 7: de uiterlijke beëindigingstijden hebben hun eigen lid gekregen. Inhoudelijk is het lid niet aangepast. • Lid 8: de uiteindelijke beëindigingstijd voor buitenfestiviteiten is toegevoegd. • Lid 9: de toeslag voor muziekgeluid 10 dB(A) is toegevoegd. In de praktijk gold dit al. Inhoudelijk is het lid hiermee niet veranderd. • Lid 10: in het bebouwde gedeelte is toegevoegd om het lid te verduidelijken. Toelichting De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland. Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 3.148 van het Activiteitenbesluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is.
Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. De raad heeft geen gebruik maakt van de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, dit aantal te verlagen. De regeling geldt voor festiviteiten bij alle type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektrobedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw). Tweede lid Volgens artikel 3:148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3:148 kan hiervan worden afgeweken.
Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.
42
Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113 tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duister voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag. Zesde tot en met het tiende lid Het Activiteitenbesluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b, van het Activiteitenbesluit. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij artikel 4:2 Algemene plaatselijke verordening, zesde tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Activiteitenbesluit. In het achtste en negende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking.
Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij geldt de regeling voor alle type A- en B-inrichtingen, wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. In het gehele artikel wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit voor verschillende normen, voorwaarden en definities. Het Activiteitenbesluit komt te vervallen met de invoering van de Omgevingswet. Vanwege een ander stelsel rondom deze activiteiten worden de artikelen niet 1 op 1 overgenomen in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het omgevingsplan zal de gemeente hier zelf regels voor moeten gaan stellen. Echter deze verordening blijft wel nog geldig tijdens de overgangsfase. Vandaar dat er bij verwijzingen naar het Activiteitenbesluit de zin opgenomen is ‘zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. Dit zorgt ervoor dat de definities, normen en andere verwijzingen tijdens de overgangsfase het zelfde blijven, totdat deze vervangen zijn door normen in het omgevingsplan. § 3.3.2. Geluidhinder Artikel 3.80 onversterkte muziek Toelichting De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.
Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Activiteitenbesluit. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f en het vijfde lid van het Activiteitenbesluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene plaatselijke verordening. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. Om de geluidsnormen van versterkte muziek gelijk te maken aan onversterkte muziek is dit artikel opgenomen. Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2 een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is. De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel c zijn niet van toepassing op; a.
het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en
43
lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; b. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen; c. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen. In het gehele artikel wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit voor verschillende normen, voorwaarden en definities. Het Activiteitenbesluit komt te vervallen met de invoering van de Omgevingswet. Vanwege een ander stelsel rondom deze activiteiten worden de artikelen niet 1 op 1 overgenomen in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het omgevingsplan zal de gemeente hier zelf regels voor moeten gaan stellen. Echter deze verordening blijft wel nog geldig tijdens de overgangsfase. Vandaar dat er bij verwijzingen naar het Activiteitenbesluit de zin opgenomen is ‘zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’. Dit zorgt ervoor dat de definities, normen en andere verwijzingen tijdens de overgangsfase hetzelfde blijven, totdat deze vervangen zijn door normen in het omgevingsplan.
Dezelfde zin is toegevoegd bij de verwijzing naar de Wetgeluidshinder en verblijfsruimtes en het Besluit geluidshinder. Hiervoor geldt dezelfde systematiek bij het Activiteitenbesluit. Artikel 3.81 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht Toelichting Artikel 3.81 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: - een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; - het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; - het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; - het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; - het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; - het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. - overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektroakoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen.
Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Bedacht moet worden bedacht dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken. Bij lid 7 worden de termen uit de Wet ruimtelijke ordening aangepast aan de terminologie uit de Omgevingswet. Lid 8 wordt verwijderd. In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen.
Artikel 3.82 Overige geluidshinder Toelichting In dit artikel worden regels gesteld voor activiteiten die waarbij mogelijk geluidsoverlast kan voorkomen die nog niet gespecifieerd zijn in andere artikelen. Denk bijvoorbeeld aan speelplaatsen,
44
recreatieplassen of andere activiteiten die geluid kunnen produceren. Het college kan met door een omgevingsvergunning te verlenen af wijken van dit verbod. Verder kan het college ook terreinen of wateren aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is. Daarbij kan het college ook voorschriften op leggen bij bepaalde gebieden, zoals bijvoorbeeld het maximale geluidsniveau, eisen aan de inrichting van het terrein zodat de geluidsbron het minst overlast geef en het college kan de frequentie en tijden van het gebruik van dit terrein. In het laatste artikel wordt geregeld dat dit artikelen niet geldt voor onderwerpen waar al regels voor worden voorzien in de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het vuurwerkbesluit, besluiten waar specifieke regels over maximale geluidsbelasting of de Provinciale omgevingsverordening. § 3.3.3. Overige milieubelaste activiteiten Artikel 3.83 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Toelichting Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiteninrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer (zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet), of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid.
In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet onder het verbod. Daarnaast mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. Het college kan van het in het eerste lid omschreven verbod ontheffing verlenen. Daarbij kan worden gedacht aan (veelal georganiseerde) vreugdevuren, kampvuren en oudejaarsvuren. Een ontheffing voor dergelijke vuren kan voorschriften bevatten betreffende het te stoken materiaal, de afstand tot het mogelijk toeschouwende publiek, de aanwezigheid van eerstehulpmaterialen en -deskundigen, de aanwezigheid van blusmaterialen, het verwijderen van en het afvoeren van as en andere verbrandingsresten en het herstel van de ondergrond van de vuurplaats. Ook kan ontheffing worden verleend voor verbranding van landbouwreststoffen op het land of van akkermaalshout, als andere verwerkingsmethoden als volledig onbruikbaar en ondoelmatig zijn aan te merken. Aan de bovengenoemde ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden.
Gedacht kan worden aan het voorschrift dat: - het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving; - in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout, besmet en niet besmet snoeihout zoveel mogelijk moeten worden gescheiden; - de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig dient te zijn en deze dient zorg te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo minmogelijk rookontwikkeling plaatsvindt; - de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang en zonsopgang; - verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot bouwwerken; In het vijfde lid, van artikel 3.83 zijn van de werkingssfeer van deze bepaling uitgezonderd die situaties waarop artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, te weten het aanleggen van vuur of het onderhouden daarvan op zo korte afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet, indien de provinciale milieuverordening van toepassing is. In de provinciale milieuverordening kunnen inzake dit onderwerp evenzeer regels worden gesteld. Een afbakening tussen deze verordening en de provinciale verordening is dus noodzakelijk. Lid 6 wordt verwijderd.
In dit lid staat dat de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) niet van toepassing is bij beslissingen uit dit artikel. Onder de Omgevingswet wordt de positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen vervangen door de mogelijkheid om een dwangsom te vragen. Artikel 3.84 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Toelichting Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en
45
caravans e.d., en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is. Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften. De in de afdeling 1 “Parkeerexcessen” van de Algemene plaatselijke verordening opgenomen artikelen bevatten onder meer bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van nietrijklare voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d. Bij het eerste lid is de zin ‘zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet’ toegevoegd na het begrip buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer. Het begrip inrichting komt te vervallen met de invoering van de Omgevingswet. Echter tijdens de overgangsperiode kan het voorkomen dat er nog oude bepalingen zijn die gebruik maken van het concept inrichting.
Vandaar dat er nog wel wordt verwezen naar de oude bepaling van een inrichting, zolang de Verordening Fysieke Leefomgeving niet helemaal geïntrigeerd is in het nieuwe omgevingsplan. Bij het laatste lid is de verwijzing vaan de Wet ruimtelijke ordening vervangen door de Omgevingswet en de verwijzing naar de Omgevingsverordening Zuid-Holland door de Provinciale omgevingsverordening. Artikel 3.85 Vervoer van gevaarlijke stoffen Dit artikel spreekt voor zichzelf. Afdeling 3.4 Bouwactiviteiten § 3.4.1. Algemene bepalingen Met de invoering van de Omgevingswet komt de Woningwet te vervallen. Met het vervallen van de Woningwet komt ook de juridische basis te vervalen voor het hebben van een aparte gemeentelijke Bouwverordening. De bouwverordening is met het vaststellen van de VFLO vervallen. § 3.4.3. Bodemverontreiniging Artikel 3.86 Bodemonderzoek De verwijzingen naar het artikel in de Regeling omgevingsrecht is aangepast naar de huidige, geldende versie. De jaartallen bij de NEN en NTA-normen zijn verwijderd. We gaan altijd uit van de meest recente versie. Hier is een apart artikel voor opgenomen. Inhoudelijk is het artikel niet aangepast. In de door de gemeente vastgestelde “Nota bodemkwaliteit” zijn voorwaarden opgenomen waaraan de onderzoeken moeten voldoen en daarin is voldoende vastgelegd wat een recent onderzoek is.
Het nader definiëren in tijd van het woord recent in de verordening is dan ook niet nodig. Het woord vooronderzoek in het zesde lid is vervangen door het woord onderzoek Toelichting De artikelen over het bodemonderzoek hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 3.87 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 3.87. Beide toelichtingen moeten in combinatie met elkaar worden gelezen. Eerste lid Uit de systematiek van de NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens de NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel
46
historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707 ontwikkeld. Derde lid De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden door het Besluit activiteiten leefomgeving. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Omgevingswet is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Vierde lid Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. Vijfde lid De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.