Bijlage 2 Herstelbesluit Bestemmingsplan ‘Verzamelplan Zuidplas 2023’ – Regels (aangepast) Z25.003413
Tekst van het document
28
8.5.2 Advies Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting wordt voorafgaande aan het verlenen van de omgevingsvergunning advies ingewonnen bij Omgevingsdienst Midden-Holland.
29
Artikel 9 Maatschappelijk 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
maatschappelijke voorzieningen en bijbehorende nutsvoorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - begeleid wonen': tevens begeleid wonen met bijbehorende ondersteunende voorzieningen zoals ondergeschikte gemeenschapsruimten;
met de daarbij behorende: c. d. e. f. g.
tuinen en groenvoorzieningen; parkeer- en stallingsvoorzieningen; wegen, voet- en fietspaden waterlopen en waterpartijen; kunstwerken.
9.2 Bouwregels 9.2.1 Algemeen Op of in de gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming.
9.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c.
deze mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; voor gebouwen geldt de maximum bouwhoogte, zoals aangeduid op de verbeelding.
9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b. c.
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m; de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 9 m; de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.
9.3 Specifieke gebruiksregels 9.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. b.
c.
seksinrichtingen; het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
30
Artikel 10 Recreatie 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
recreatieve voorzieningen; extensieve dagrecreatie; ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeerterrein': tevens een parkeerterrein;
met de daarbij behorende: d. e. f. g. h. i.
wegen en fiets- en voetpaden; onverharde paden; speelvoorzieningen; waterlopen en waterpartijen; groenvoorzieningen; kunstwerken.
10.2 Bouwregels 10.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd ten dienste van de bestemming.
10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b. c.
de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 9 m; de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m; de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.
31
Artikel 11 Tuin 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, met dien verstande dat deze gronden niet als erf dienen te worden beschouwd in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidde op 31 december 2023.
11.2 Bouwregels 11.2.1 Algemeen a. b.
c.
Ter plaatse van de bestemming ‘Tuin’ mogen geen bijbehorende bouwwerken, waaronder mantelzorgwoningen, aan- uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gerealiseerd. In afwijking van het bepaalde onder a.: 1. mogen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bestaande bijbehorende bouwwerken in stand worden gehouden, maar niet worden vergroot; 2. mag ter plaatse van de aanduiding 'silo' een bestaande silo, behorende bij het aangrenzende agrarische bedrijf, in stand worden gehouden, maar niet worden vergroot; 3. met dien verstande dat het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van deze bouwwerken is toegestaan mits de afwijking in oppervlakte, goot- en bouwhoogte niet wordt vergroot. Tevens is vervangende nieuwbouw van deze bouwwerken toegestaan, mits dit plaatsvindt op dezelfde locatie én de afwijking in oppervlakte, goot- en bouwhoogte niet wordt vergroot. In afwijking van het bepaalde onder a. zijn in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals pergola's, erfafscheidingen en speeltoestellen toegelaten, alsmede bijbehorende bouwwerken uitsluitend bedoeld voor berging en opslag ten dienste van de woonfunctie en niet gepaard gaande met enige vorm van langdurig verblijf van personen, met dien verstande dat 1. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, inclusief de onder b bedoelde bijbehorende bouwwerken, niet meer mag bedragen dan: i.
bij gronden met de bestemming 'Tuin' kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van deze gronden; ii. bij gronden met de bestemming 'Tuin' groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van deze gronden dat groter is dan 100 m²; iii. bij gronden met de bestemming 'Tuin' groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van deze gronden dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m². 2. de maximum goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan i. bij aangebouwde bijbehorende bouwwerken; de eerste volledige bouwlaag vermeerderd met 0,25 meter, tot een maximum van 4 meter; ii. bij vrijstaande bijbehorende bouwwerken: resp. 3 en 5,5 meter.
11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m; de hoogte van pergola's bedraagt maximaal 3 m; de hoogte van speeltoestellen bedraagt maximaal 3 meter; de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 m.
32
11.3 Specifieke gebruiksregels 11.3.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. b.
c.
d.
het wonen in vrijstaande bijbehorende bouwwerken; het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met: 1. het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; 2. voor wat betreft de aangeduide 'silo' het op de aangrenzende agrarische bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met: 1. het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; 2. voor wat betreft de aangeduide 'silo' het op de aangrenzende agrarische bestemming gerichte gebruik van de grond; het gebruik van bouwwerken voor huisvesting in verband met mantelzorg en het gebruiken van bouwwerken voor geluidsgevoelige functies.
33
Artikel 12 Verkeer 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
wegen, straten en paden; parkeervoorzieningen;
met de daarbij behorende: c. d. e. f. g. h.
voet- en fietspaden; groen- en speelvoorzieningen; straatmeubilair; water en kunstwerken; voorzieningen van openbaar nut; ondergrondse afvalinzameling.
12.2 Bouwregels 12.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming.
12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d.
de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 12 m; de hoogte van terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m; de hoogte van kunstwerken bedraagt maximaal 5 m; de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 6 m.
12.3 Specifieke gebruiksregels 12.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a.
b.
c.
het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het stallen/parkeren van onderkomens.
34
Artikel 13 Water 13.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
watergangen met natuurlijke oevers, oeverbeschoeiingen en waterpartijen;
met de daarbij behorende: b. c. d.
voorzieningen ten behoeve van waterafvoer en waterberging; bermen en groenvoorzieningen; bruggen en kunstwerken.
13.2 Bouwregels 13.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming.
13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b.
de hoogte van kunstwerken bedraagt maximaal 5 m; de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 m.
13.3 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 25 lid 1 wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a.
b.
c.
opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; woonschepen en drijvende woningen als ligplaats.
35
Artikel 14 Wonen 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
wonen; aan-huis-verbonden beroepen en aan-huis-verbonden bedrijven; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - carport': tevens voor een carport; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - paardenbak': voor een paardenbak met bijbehorende hekwerken;
met de daarbij behorende: e. f. g. h. i. j.
tuinen; ontsluiting en parkeervoorzieningen; fiets- en voetpaden; groenvoorzieningen; water; kunstwerken.
14.2 Bouwregels 14.2.1 Algemeen Op of in de gronden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming.
14.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' mogen uitsluitend twee-aaneengebouwde woningen worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen uitsluitend aaneengebouwde woningen worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd; het aantal woningen binnen een bouwvlak bedraagt, ten hoogste het aantal aangegeven wooneenheden binnen het desbetreffende bouwvlak; de maximum goothoogte en maximum bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding; de inhoud bedraagt maximaal 750 m³; in afwijking van het bepaalde onder h. geldt ter plaatse van het op de verbeelding aangegeven 'maximum volume (m³), het aangeven maximum volume; de afstand van vrijstaande woningen en van de niet-aangebouwde zijde van tweeaaneengebouwde woningen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 meter; in afwijking van het bepaalde onder j. mag, indien de bestaande onderlinge afstand minder bedraagt, de bestaande onderlinge afstand worden gehandhaafd.
36
14.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c.
d.
e.
f.
g.
h. i. j. k.
bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd; de afstand tot de voorgevellijn mag niet minder dan 1 meter bedragen; in afwijking van het bepaalde onder b zijn erkers voor de voorgevel toegestaan, waarbij de volgende bepalingen gelden: 1. de breedte van een erker bedraagt maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw; 2. de diepte van een erker bedraagt maximaal 25% van de diepte van de gronden voor de woning met de bestemming 'Wonen', met een maximum van 1 meter. in afwijking van het bepaalde onder b. is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - carport' een carport toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 m, waarbij het tevens is toegestaan aan de achterzijde van de carport een berging aan te bouwen met een maximale bouwhoogte van 3 m; de gronden mogen voor maximaal 50% bebouwd worden met een maximum van 50 m². Voor bouwpercelen met een oppervlakte van meer dan 500 m² mag de oppervlakte van 50 m² vermeerderd worden met 10% van de oppervlakte dat het bouwperceel groter is dan 500 m², tot een maximum van 120 m²; voor zover door de aanwezigheid van bestaande legale bijbehorende bouwwerken wordt afgeweken van het bepaalde onder b, c, d en e, zijn die desbetreffende afwijkende afstands- en oppervlaktematen toegestaan.
in geval van doortrekken van het dakvlak van het hoofdgebouw, gelden de bestaande goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw als maximum goot- en bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk; in alle andere gevallen mag de maximale goot- en bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedragen dan de eerste volledige bouwlaag vermeerderd met 0,25 meter, tot een maximum van 4 meter; de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 meter bedragen; de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 5,5 meter bedragen; in afwijking van het bepaalde onder b en e zijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' eveneens bijgebouwen toegestaan; in afwijking van het bepaalde onder i is ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' op het perceel West Ringdijk 43b Moordrecht een bouwhoogte van 7,5 m toegestaan.
14.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f.
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 1 m ; de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn bedraagt maximaal 2 m; de hoogte van pergola's en carports bedraagt maximaal 3 m; de hoogte van speeltoestellen bedraagt maximaal 3 meter; de hoogte van hekwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen paardenbak': maximaal 1,5 meter; de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 m.
37
14.3 Specifieke gebruiksregels 14.3.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 25 lid 1, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. b. c. d.
e.
het wonen in vrijstaande bijbehorende bouwwerken; horeca; seksinrichtingen; het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
14.3.2 Aan-huis-gebonden beroep en aan-huis-gebonden bedrijf Binnen deze bestemming is de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep en aan-huis-gebonden bedrijf toegestaan van een hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerken als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn: a. b. c. d. e.
de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de gebouwen, met een maximum van 50 m²; de woning er als woning uit blijft zien (reclame-uitingen aan onder andere de gevel en dakrand zijn niet toegestaan); het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; detailhandel (behalve als ondergeschikt onderdeel van de beroeps-/bedrijfsactiviteiten) en seksinrichtingen zijn niet toegestaan; de activiteit moet uitgevoerd worden door een bewoner.
38
Artikel 15 Leiding - Hoogspanning 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a.
de aanleg, het beheer en instandhouding van een hoogspanningsleiding met de daarbij behorende belemmerde strook en voorzieningen;
en de daarbij behorende: b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
15.2 Bouwregels 15.2.1 Algemeen Op of in de in artikel 15 lid 1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
15.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.
de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m.
15.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 15 lid 2 en toestaan dat bouwwerken worden gebouwd, welke toelaatbaar zijn op grond van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 13, indien: a. b.
geen aantasting plaats vindt van het doelmatig en hoogspanningsverbinding; vooraf schriftelijk advies is ingewonnen van de netbeheerder.
veilig
functioneren
van
de
15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f.
het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplanting en bomen, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; het aanbrengen van andere ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen;
39
g. h.
het wijzigen van maaiveld door ophoging of afgraving; opslag van (brandbaar) materiaal of goederen.
15.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 15 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c.
van ondergeschikte betekenis zijn dan wel die toebehoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
15.4.3 Voorwaarden De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 15 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. b.
geen onevenredige aantasting plaats vindt van de belangen van de in artikel 15 lid 1 genoemde bestemmingsomschrijving; vooraf schriftelijk advies is ingewonnen van de netbeheerder.
40
Artikel 16 Leiding - Hoogspanningsverbinding 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a.
het bovengrondse transport van elektrische energie door een hoogspanningsleiding met de daarbij behorende belemmerde strook en voorzieningen;
en de daarbij behorende: b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.
16.2 Bouwregels 16.2.1 Algemeen Op of in de in artikel 16 lid 1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a.
b.
de bouwhoogte van hoogspanningsmasten bedraagt maximaal 55 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de maximale bouwhoogte geldt, zoals aangeduid; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.
16.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 16 lid 2 en toestaan dat bouwwerken worden gebouwd, welke toelaatbaar zijn op grond van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 13, indien: a. b.
geen aantasting plaats vindt van het doelmatig en hoogspanningsverbinding; vooraf schriftelijk advies is ingewonnen van de netbeheerder.
veilig
functioneren
van
de
16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. b.
c.
het aanbrengen en/of rooien van hoog opgroeiende beplantingen en bomen; het aanbrengen van andere boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
41
d. e. f. g.
het plaatsen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander hoog straatmeubilair; het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen; het wijzigen van maaiveld door ophoging of afgraving; opslag van (brandbaar) materiaal of goederen.
16.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 16 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c.
van ondergeschikte betekenis zijn dan wel die toebehoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
16.4.3 Voorwaarden De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 16 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. b.
geen onevenredige aantasting plaats vindt van de belangen van de in artikel 16 lid 1 genoemde bestemmingsomschrijving; vooraf schriftelijk advies is ingewonnen van de netbeheerder.
42
Artikel 17 Leiding - Rivierwatertransport 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Rivierwatertransport' aangeduide gronden zijn – bij wijze van dubbelbestemming - naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor de aanleg, het herstel en de instandhouding van een ondergrondse rivierwaterleiding ten behoeve van het transport van rivierwater. Waar een basisbestemming samenvalt met een dubbelbestemming, zoals aangegeven, geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. De bepalingen met betrekking tot de basisbestemming zijn uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.
17.2 Bouwregels Op de tot 'Leiding - Rivierwatertransport' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de leidingen met een maximale hoogte van 3 meter.
17.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 2 en toestaan dat in de andere bestemming bouwwerken worden gebouwd, mits: a. b.
door de bouwwerken geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Rivierwatertransport' zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.
f. g. h.
het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het aanleggen van andere kabels en leidingen anders dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, watergangen, vijvers en andere wateren; het aanleggen van geluidswallen; het opslaan van zaken (waaronder mede begrepen afvalstoffen).
17.4.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 17 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c.
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning;
43
d.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een afwijking is toegestaan, zoals bedoeld in artikel 17 lid 3.
17.4.3 Advies De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 17 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a.
b.
door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct of indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
17.5 Wijzigingsbevoegdheid 17.5.1 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Rivierwatertransport' te wijzigen door het bestemmingsvlak met de dubbelbestemming 'Leiding - Rivierwatertransport' aan te passen, toe te voegen of te verwijderen met inachtneming van het bepaalde in artikel 17 lid 5.2.
17.5.2 Voorwaarden De wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast: a. b.
c. d.
voor verwijdering: als de leiding definitief is verwijderd; voor aanpassing: als de leiding niet is verwijderd, mits: 1. geen onevenredige afbreuk zal worden gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leiding; 2. na voorafgaand advies van de betreffende leidingbeheerder; voor het toevoegen van nieuwe leidingen: na voorafgaand advies van de betreffende leidingbeheerder.
44
Artikel 18 Leiding - Water 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor a.
het ondergrondse transport van water door een hoofdwaterleiding;
met daarbij behorende: b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
18.2 Bouwregels Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming 'Leiding - Water' worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2,5 m.
18.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 18 lid 2 voor het toestaan dat er gebouwd wordt, mits: a. b.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; vooraf schriftelijk toestemming is verkregen van de beheerder van de leidingen.
18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Water' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het aanbrengen of verwijderen van bomen of andere beplantingen, welke diep wortelen; het afgraven of ophogen van gronden; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen.
18.4.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 18 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c.
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
18.4.3 Voorwaarden De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 18 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. b.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; vooraf schriftelijk toestemming is verkregen van de leidingbeheerder.
45
Artikel 19 Waarde - Archeologie - 2 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
19.2 Bouwregels Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: a.
b. c.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van niet meer dan 100 m²; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 30 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
19.3 Afwijken van de bouwregels Bouwwerken in andere bestemmingen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19 lid 4.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen bouwwerken worden gebouwd, mits wordt voldaan aan één van onderstaande voorwaarden: a. b.
c.
d.
de aanvrager aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waaruit blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden die gericht zijn op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; op basis van een archeologische onderbouwing van het bevoegd gezag geconcludeerd kan worden dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.4.1 Verbod Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op of in gronden ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a.
b. c. d.
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 centimeter beneden maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
46
e.
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructie, installaties of apparatuur.
19.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 19 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d. e.
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; een oppervlakte beslaan van niet meer dan 100 m²; reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals bedoeld in artikel 19 lid 2; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
19.4.3 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning De in artikel 19 lid 4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits wordt voldaan aan één van onderstaande voorwaarden: a. b.
c.
d.
de aanvrager aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waaruit blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden die gericht zijn op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; op basis van een archeologische onderbouwing van het bevoegd gezag geconcludeerd kan worden dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
19.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde Archeologie - 2' geheel of gedeeltelijk van de verbeelding wordt verwijderd, indien: a. b.
uit archeologisch onderzoek is gebleken, dat ter plaatse géén archeologische waarden aanwezig zijn en de gronden daarom géén bescherming behoeven; de archeologische waarden in voldoende mate zijn opgegraven en/of gedocumenteerd.
47
Artikel 20 Waarde - Archeologie - 3 20.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
20.2 Bouwregels Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: a.
b. c.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van niet meer dan 1.000 m²; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 3 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
20.3 Afwijken van de bouwregels Bouwwerken in andere bestemmingen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 4.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen bouwwerken worden gebouwd, mits wordt voldaan aan één van onderstaande voorwaarden: a. b.
c.
d.
de aanvrager aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waaruit blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden die gericht zijn op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; op basis van een archeologische onderbouwing van het bevoegd gezag geconcludeerd kan worden dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.4.1 Verbod Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op of in gronden ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a.
b. c. d.
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 3 m beneden maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
48
e.
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructie, installaties of apparatuur.
20.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 20 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d. e.
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; een oppervlakte beslaan van niet meer dan 1.000 m²; reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals bedoeld in artikel 20 lid 2; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
20.4.3 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning De in artikel 20 lid 4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits wordt voldaan aan één van onderstaande voorwaarden: a. b.
c.
d.
de aanvrager aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waaruit blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden die gericht zijn op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; op basis van een archeologische onderbouwing van het bevoegd gezag geconcludeerd kan worden dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
20.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde Archeologie - 3' geheel of gedeeltelijk van de verbeelding wordt verwijderd, indien: a. b.
uit archeologisch onderzoek is gebleken, dat ter plaatse géén archeologische waarden aanwezig zijn en de gronden daarom géén bescherming behoeven; de archeologische waarden in voldoende mate zijn opgegraven en/of gedocumenteerd.
49
Artikel 21 Waarde - Archeologie - 4 21.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
21.2 Bouwregels Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: a.
b. c.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van niet meer dan 1.000 m²; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 7 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
21.3 Afwijken van de bouwregels Bouwwerken in andere bestemmingen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21 lid 4.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen bouwwerken worden gebouwd, mits wordt voldaan aan één van onderstaande voorwaarden: a. b.
c.
d.
de aanvrager aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waaruit blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden die gericht zijn op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; op basis van een archeologische onderbouwing van het bevoegd gezag geconcludeerd kan worden dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.4.1 Verbod Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op of in gronden ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren: a.
b. c. d.
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 7 m beneden maaiveld, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
50
e.
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructie, installaties of apparatuur.
21.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 21 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d. e.
het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; een oppervlakte beslaan van niet meer dan 1.000 m²; reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals bedoeld in artikel 21 lid 2; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
21.4.3 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning De in artikel 21 lid 4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits wordt voldaan aan één van onderstaande voorwaarden: a. b.
c.
d.
de aanvrager aan de hand van archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd, waaruit blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad, of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden die gericht zijn op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige; op basis van een archeologische onderbouwing van het bevoegd gezag geconcludeerd kan worden dat de archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
21.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde Archeologie - 4' geheel of gedeeltelijk van de verbeelding wordt verwijderd, indien: a. b.
uit archeologisch onderzoek is gebleken, dat ter plaatse géén archeologische waarden aanwezig zijn en de gronden daarom géén bescherming behoeven; de archeologische waarden in voldoende mate zijn opgegraven en/of gedocumenteerd.
51
Artikel 22 Waterstaat - Waterkering 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. b. c. d.
waterkeringen; waterstaatkundige voorzieningen; het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering; watersystemen als fysiek systeem van waterlopen en andere met de waterhuishouding samenhangende voorzieningen.
Waar een basisbestemming samenvalt met een dubbelbestemming, zoals aangegeven, geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. De bepalingen met betrekking tot de basisbestemming zijn uitsluitend van toepassing/toelaatbaar voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming en het voor zover zulks, gehoord de beheerder van de waterkering, verenigbaar is met het belang van de waterkering/het waterstaatsbelang.
22.2 Bouwregels 22.2.1 Algemeen Op of in de in artikel 22 lid 1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
22.2.2 Uitzondering Ten behoeve van andere voor deze gronden geldende bestemmingen mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
22.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22 lid 2.1 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, mits: a. b. c.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering; het waterstaatsbelang niet onevenredig wordt geschaad; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerders van de betreffende waterkering.
22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c.
het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
52
d. e.
het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
22.4.2 Uitzondering Het verbod van artikel 22 lid 4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c.
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
22.4.3 Advies De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 22 lid 4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. b.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering/het waterstaatsbelang; vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende beheerders van de waterkering.
53
hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 23 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 24 Algemene bouwregels 24.1 Toegestane overschrijding Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, stoeptreden, dorpels, kozijnen, gevelversieringen, (verhoogde) entreepartijen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftopbouwen, antennes, zonnepanelen, airco-units, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 meter bedraagt.
Artikel 25 Algemene gebruiksregels 25.1 Verboden gebruik 25.1.1 Algemeen Het is verboden de in de bestemmingsregels bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de doeleinden.
25.1.2 Flitsbezorging Het gebruik van gronden waar -al dan niet ondergeschikt- detailhandel of opslag/distributie is toegestaan ten behoeve van een flitsbezorgdienst en/of het gebruik van een pand ten behoeve van een dark store, wordt aangemerkt als een gebruik in strijd met de bestemming.
25.2 Afwijking Burgemeester en Wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 25 lid 1.1 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
Artikel 26 Algemene afwijkingsregels 26.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. b.
de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
54
c.
de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvangen/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 50 m;
mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de ruimtelijke kwaliteit, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
26.2 Waterstaatkundige objecten Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels in de bestemmingsregels voor het aanbrengen, plaatsen, wijzigen of vervangen van waterstaatkundige objecten in of bij hoofdwatergangen, overige watergangen, peilscheidingen, stuwen, inlaten, kleine gemalen en voor het plaatsen van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde. Voor maatvoering en onderhoud dient te worden voldaan aan de Keur en Legger van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Artikel 27 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ten aanzien van het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan met dien verstande dat de afwijking ten hoogste 3 m mag bedragen, mits het wijzigingen betreft waarbij geen belangen van derden worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden op de verbeelding.
Artikel 28 Overige regels 28.1 Parkeren en laden en lossen 28.1.1 Parkeren Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de op 5 november 2019 vastgestelde 'Nota Parkeernormen 2019'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.
28.1.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij wordt uitgegaan van de ASVV 2012 van het CROW. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.
28.1.3 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 28 lid 1.1 is niet van toepassing indien ten tijde voorafgaand aan de vaststelling van deze parapluherziening in afwijking van de op 5 november 2019 vastgestelde 'Nota Parkeernormen 2019' reeds andere parkeernormen zijn afgesproken, zoals blijkend uit een raadsbesluit, collegebesluit of contractuele overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelende partij. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.
55
28.1.4 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 28 lid 1.1: a. b.
indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.
28.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen: a. b.
c. d.
e.
bestaande ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan; in afwijking van het bepaalde onder a, zijn nieuwe afvalinzamelpunten en randvoorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding buiten bouwvlakken toegestaan binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer'; in afwijking van het bepaalde onder a, zijn ondergrondse parkeervoorzieningen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage'; de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 m onder peil, met dien verstande dat een randvoorziening ten behoeve van de waterhuishouding (bergbassins) tot maximaal 6 m onder peil gebouwd mag worden; bij het berekenen van de bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen voor zover deze buiten de buitenwerkse gevelvlakken van een bovengronds gebouw gelegen zijn.
28.3 Afwijking ondergronds bouwen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 28 lid 2, voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 m onder peil onder de voorwaarde dat: a. b. c.
de waterhuishouding niet wordt verstoord; positief advies is ontvangen van de waterbeheerder in casu het Hoogheemraadschap; geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
28.4 Ondergrondse werken Voor het uitvoeren van ondergrondse werken -geen bouwwerken zijnde- en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
28.5 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
28.6 Geluidzone - spoor 28.6.1 Regelgeving Binnen de gebiedsaanduiding 'geluidszone - spoor' dienen bij de uitvoering van het plan voor het bouwen van woningen (nieuwbouw of herbouw) en de aanleg van geluidgevoelige terreinen de voorkeursgrenswaarden van 55 dB en voor de realisering van andere geluidgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarden van 53 dB vanwege het spoorwegverkeer te worden gerespecteerd.
56
28.6.2 Afwijken In afwijking van het bepaalde in artikel 28 lid 6.1 mogen woningen en andere geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, indien geheel of gedeeltelijk op de woningen of andere geluidsgevoelige objecten geen grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder van toepassing zijn (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de z.g. 'dove gevel') dan wel een hogere grenswaarde is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag. 28.7 Geluidzone - weg 28.7.1 Regelgeving Binnen de gebiedsaanduiding 'geluidszone - weg' dienen bij de uitvoering van het plan voor het bouwen van woningen (nieuwbouw of herbouw) of andere geluidsgevoelige objecten de voorkeursgrenswaarde vanwege het wegverkeer, volgens het bepaalde in de Wet geluidhinder te worden gerespecteerd.
28.7.2 Afwijken In afwijking van het bepaalde in artikel 28 lid 7.1 mogen woningen en andere geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, indien geheel of gedeeltelijk op de woningen of andere geluidsgevoelige objecten geen grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder van toepassing zijn (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de z.g. 'dove gevel') dan wel een hogere grenswaarde is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag.
28.8 Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen 28.8.1 Bouwregels Op de gronden gelegen binnen de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' is binnen de bestemming 'Wonen' de vestiging van functies of objecten voor een zeer kwetsbare groepen niet toegestaan, behoudens waar het betreft bestaande vestigingen van functies of objecten voor zeer kwetsbare groepen.
28.8.2 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 28 lid 8.1 voor de vestiging van 'zeer kwetsbare groepen' binnen de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen', indien: a. b. c. d. e.
voorzien wordt in voldoende bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voor de brandweer; voorzien wordt in verschillende aanrijdroutes (keuze route is afhankelijk van windrichting); voorzien wordt in voldoende mogelijkheden voor ontvluchting van objecten; voorzien wordt in een goede ontvluchting door optimale inrichting/ontsluiting van de openbare ruimte; in het bouwplan voorzien wordt in een centrale afgrendeling van het circulatiesysteem of andere maatregelen aan nieuwe gebouwen of specifieke bestaande gebouwen die veel mensen huisvesten om de schuilmogelijkheden in geval van een toxisch gas te vergroten;
met dien verstande dat: f. g.
voldoende aandacht is voor risicocommunicatie en het voorbereiden/oefenen van bewoners/werknemers op het handelen bij een calamiteit. een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dan nadat een advies van de brandweer is verkregen.
57
28.9 Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen - weg 28.9.1 Aanduidingsomschrijving De gronden binnen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen - weg' zijn, naast de voor die gronden van toepassing zijnde basisbestemming en andere dubbelbestemmingen – tevens aangewezen om de vestiging van functies ten behoeve van minder zelfredzame personen tegen te gaan.