CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting, regels en bijlagen bestemmingsplan Julianaweg 10 aangepast A24.000079

Gemeenteraad 12 maart 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Vaststellen bestemmingsplan Julianaweg 1024.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

38/106

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; • overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.3). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 8 km en betreft het gebied 'de Wilck'.

De Wilck vormt tevens het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland.

39/106

Figuur 4.3. Plangebied (rode cirkel) en Natura 2000 gebieden (aerius.nl) In Bijlage 3 is het stikstofonderzoek opgenomen, met in Bijlage 4 de bijbehorende AERIUS-berekening. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen sprake is van stikstofdepositie op beschermd Natura2000-gebied. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Nader onderzoek of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming zijn om die reden niet nodig. Omdat de stikstofregelgeving en de te hanteren AERIUS-calculator in deze tijd regelmatig worden bijgesteld, is door Omgevingsdienst Midden-Holland beoordeeld of de bijgevoegde berekening nog om actualisatie of aanvulling vraagt. Uit het advies van de ODMH blijkt dat daar geen aanleiding toe bestaat, mede gelet op de aard van het project en de resultaten van de berekening. Dit advies is opgenomen als Bijlage 6. Soortenbescherming Om de mogelijke effecten op beschermde soorten te onderzoeken, is ter plaatse van het plangebied een ecologische quickscan uitgevoerd. Met een quickscan wordt een eerste verkenning van het plangebied uitgevoerd om in te schatten of en welke beschermde soorten hier voor kunnen komen, gelet op de kenmerken van het plangebied. De rapportage van deze quickscan is bij de toelichting opgenomen als Bijlage 5.

Voor de volwaardige bevindingen wordt verwezen naar dat rapport. De conclusies daarvan worden hierna beschreven. Uit de quickscan blijkt dat de geplande werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van beschermde functies. Volgens het rapport zou aanvullend onderzoek nodig zijn naar de aanwezigheid de rugstreeppad, ringslang, gierzwaluw, huismus en vleermuizen alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Uit een nadere beoordeling van de ODMH (zie Bijlage 6) blijkt echter dat zij van deze soorten enkel de rugstreeppad en ringslag aanleiding vinden geven tot het uitvoeren van nader onderzoek.

40/106

Onderzoek naar deze soorten vindt nog plaats. Aangezien dit onderzoek aan vaste seizoen is gebonden, zijn de resultaten hiervan nog niet beschikbaar. Om die reden is met artikel 12.1 een bepaling opgenomen dat diverse vergunningen op grond van dit bestemmingsplan pas verleend kunnen worden als dit ecologisch onderzoek is afgerond en - voor zover nodig - te treffen maatregelen of benodigde ontheffingen (Wet natuurbescherming) bekend zijn. Voor zover er (tussen)resultaten bekend zijn van het onderzoek voor de vaststelling van dit bestemmingsplan, worden die aan deze paragraaf toegevoegd. Het is daarnaast aan te bevelen om:  verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats te laten vinden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.  om nachtelijke verlichting tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen. Conclusie Het aspect ecologie vraagt nog om soortenonderzoek om tot een sluitende conclusie te kunnen komen.

4.7

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/uur-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd. De Wgh stelt dat op de gevels van nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals de 2 geprojecteerde woningen, voldaan moet worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In dat verband is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het aspect wegverkeerslawaai. Dit rapport is opgenomen als bijlage 7. De resultaten van het onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. Toetsing De twee nieuwe woningen liggen binnen de geluidzone van de Julianaweg, het Noordeinde, de Bredeweg, de Zuidplasstraat en de Moerkapelse Zijde. De geluidbelasting ten gevolge van deze wegen is getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde bedraagt Lden = 48 dB en de maximale ontheffingswaarde Lden = 53 dB.

41/106

Resultaten Het akoestisch onderzoek laat zien dat alleen ten gevolge van de Julianaweg de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting is 51 dB op de noordelijke woning en 49 dB op de zuidelijke woning. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Omdat maatregelen om de geluidbelasting op beide woningen te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde niet mogelijk zijn om verkeerskundige-, landschappelijke- en financiële redenen, is het laten vaststellen van hogere waarden nodig. Omdat hogere waarden nodig zijn, heeft toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid plaatsgevonden. Uit deze toetsing blijkt dat hieraan wordt voldaan en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De woningen worden derhalve mogelijk gemaakt binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Wel is het vaststellen van hogere waarden voor beide woningen nodig ten gevolge van de Julianaweg. Het gaat om 51 dB voor de noordelijke woning en om 49 dB voor de zuidelijke woning. Conclusie De 2 woningen worden mogelijk gemaakt binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Het laten vaststellen van hogere waarden voor beide woningen ten gevolge van de Julianaweg is nodig. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een gebiedstype dat daarnaast gehanteerd wordt is het gebiedstype 'gemengd gebied', wat toegepast kan worden als er reeds sprake is van matige tot sterke functiemenging. In de handreiking wordt aangegeven dat dit ook op van toepassing kan zijn op lintbebouwing in het buitengebied. In dat geval kunnen de richtafstanden uit de VNG-publicatie met één afstandsstap lager worden toegepast.

42/106

Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie. Gezien de ligging aan een 60km/u weg, de aanwezigheid van glastuinbouw direct achter het perceel en de aanwezigheid van diverse andere bedrijvigheid in de directe omgeving, wordt het gebied aangemerkt als 'gemengd gebied'. Conform de VNG-publicatie kan de bedrijvigheid ten noorden van het plangebied ingeschaald worden als milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand voor 'gemengd gebied' van 10m, zie figuur 4.4. Het bedrijfsperceel omvat een tankstation in het meest noordelijke gedeelte en een bouwbedrijf in het zuidelijke gedeelte. Aan de genoemde richtafstand kan worden voldaan, het dichtstbijzijnde bouwvlak voor de nieuwe woningen ligt op een afstand van circa 36 m. Hiermee wordt voldaan aan de genoemde richtafstand.

Figuur 4.4. Bedrijven en milieuhinder. Rode omlijning geeft plangebied weer. Ten noorden ligt het paarse perceel deze geeft het dichtstbijzijnde bedrijf weer. Er is een bedrijventerrein ten noord oosten van het plangebied, deze wordt geschaald onder milieucategorieën 2 t/m 3.1 met een bijbehorende richtafstand voor 'gemengd gebied' van 10 tot 30m. Het plangebied ligt op een afstand van circa 220 meter. Het betreffende bedrijventerrein staat daardoor de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Quick scan milieucontouren – Peutz In maart 2017 is er een onderzoek 'Quick Scan Milieucontouren Julianaweg 10' uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8. Binnen dit onderzoek is er een groter ontwikkelingsgebied onderzocht dan alleen de twee woningen die nu met dit plan mogelijk worden gemaakt. De twee woningen vallen wel binnen het gebied dat in dat rapport onderzocht is, waardoor de conclusies wel gebruikt kunnen worden. Het onderzoek maakt de bedrijfsactiviteiten in de omgeving inzichtelijk en heeft onderzocht wat de effecten van deze bedrijven zijn op de onderzochte (grotere) ontwikkellocatie. Met name met betrekking tot eventuele geluidsoverlast kan hiermee een beter beeld worden gevormd voor het woonklimaat ter hoogte van de beoogde woningen.

43/106

 Hoveniersbedrijf Scheele Dit hoveniersbedrijf is ten oosten van het plangebied gelegen op een afstand van circa 100 m, het bedrijf valt onder milieucategorie 1. Het onderzoek concludeert dat in de praktijk ter hoogte van de geprojecteerde woningen naar verwachting lager is dan 45 dB(A). Daarmee is de geluidbelasting ten gevolge van hoveniersbedrijf Scheele naar verwachting geen beperking voor de beoogde ontwikkeling. Gezien de ligging en de milieucategorie is hier geen sprake van een beperking voor de ontwikkeling van woningen in het plangebied.  Groothandel Blonk Groothandel Blonk ligt ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 100m. Blonk betreft een bedrijf ten behoeve van de groothandel in agrarische goederen. Ter plaatse van Bredeweg 35 worden agrarische goederen opgeslagen, gesorteerd en verladen. Uit de akoestische berekening van het onderzoek wordt geconcludeerd dat Blonk voldoet aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) in de dagperiode ter hoogte van bestaande woningen (Bredeweg 16a, 18 en 20), binnen het gehele plangebied wordt voldaan wordt aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) in de dagperiode. Dit betekent dat ook Blok naar verwachting geen beperking vormt voor de realisatie van woningen binnen het plangebied.

Veldslakwekerij Behalve de omliggende bedrijven uit het bovengenoemde onderzoeksrapport, is voor de beoogde ontwikkeling van de twee woningen ook de aanwezigheid van het glastuinbouwbedrijf op het eigen perceel relevant. Dit betreft een veldslakwekerij. Voor glastuinbouwbedrijven geldt op basis van de VNG-publicatie bedrijf- en milieuzonering een richtafstand van 10 m. De beoogde woningen komen ter plaatse van het bestaande waterbassin en een bestaande schuur, beide behorende bij het glastuinbouwbedrijf. Daarmee komen ze vrijwel tegen de huidige kas aan te staan, wat zou betekenen dat niet voldaan wordt aan de genoemde richtafstand. Om die reden, en daarnaast ook om praktische redenen, zal de kas gedeeltelijk gesloopt worden waardoor aan de genoemde richtafstand voldaan wordt. Hoewel het de bedoeling is dat de kas op termijn geheel gesloopt wordt met het oog op verdere woningbouwontwikkeling, kan op bovenstaande wijze de bedrijfsvoering voorlopig nog voortgang vinden zonder daarmee de twee woningen uit dit bestemmingsplan te hinderen. Overigens is het in dat kader gebruikelijk om de planologische mogelijkheden voor de betreffende kas ook te beperken. In dit geval is de bestaande kas echter al niet meer als zodanig bestemd. Ter plaatse geldt immers al geruime tijd de uit te werken woonbestemming, die hier geldt met het oog op de grotere gebiedsontwikkeling.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Daarbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande kas voorafgaand aan de bouw of in ieder geval de ingebruikname van de woningen gedeeltelijk gesloopt zal worden zodat deze op tenminste 10 m afstand van de woningen gesitueerd is.

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

44/106

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.

Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

45/106

Onderzoek Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.5). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor of water.

Figuur 4.5

Risicokaart. De groene cirkel geeft het plangebied weer.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten westen van het plangebied lopen een 3-tal buisleidingen: de A-803, A-518 en A-553 (zie figuur 4.5). Deze buisleidingstraat ligt op een afstand van circa 750m. De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van deze leidingen vallen niet buiten de belemmeringsstrook van 5 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van de buisleidingenstraat. Het groepsrisico wordt bepaald door de aanwezige personen binnen 180m vanaf leiding a553 en 160m vanaf leiding A518. Het plangebied is buiten deze zones gelegen. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de A12, wegvak z124 afrit 7 (Zoetermeer) – afrit 9 (Zevenhuizen). De A12 ligt op een afstand van circa 1,3 km. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie LT2 en bedraagt 880m. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Omdat de beoogde ontwikkeling op meer dan 200 meter afstand van de A17 ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Het vigerend bestemmingsplan 'Zuidplas Noord' heeft in de verbeelding een de gebiedsaanduiding 'veiligheidszonevervoer gevaarlijke stoffen – risico zone 2' opgenomen (figuur 4.6).

Deze zonering stelt dat nieuwe milieugevoelige (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden na het verantwoorden van het groepsrisico. De beoogde ontwikkeling van 2 grondgebonden woningen brengt een geringe toename van het aantal personen waardoor het effect op het groepsrisico verwaarloosbaar is. Daarbij zijn er binnen het bestemmingplan 'Zuidplas Noord' geen stofcategorieën en hoeveelheden opgenomen waardoor het berekenen van de het groepsrisico niet mogelijk is. Wel dient het groepsrisico in een beknopte verantwoording inzichtelijk te worden gemaakt.

46/106

Figuur

4.6 Veiligheidszone - risico zone 2. De groene cirkel geeft het plangebied weer.

Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Julianaweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van de omgeving Moerkapelle, de Brede weg richting het noorden en de weg Noordeinde richting het zuiden. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden.

Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water en de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Tegenwoordig wordt tevens gebruik gemaakt van de NL-Alert app. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de 'veiligheidszone- vervoer gevaarlijke stoffen – risico zone 2' waarbinnen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen. Gezien de geringe toename van het aantal personen en de beperkte informatie beschikbaar over de veiligheidszone wordt er voldaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig.

Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

47/106

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1

Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 2 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft Noordeinde, direct ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.

48/106

De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 16,5 µg/m³ voor NO2, 16,0 µg/m³ voor PM10 en 8,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.11 Kabels en leidingen Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

4.12 Milieueffectrapportage en vormvrij m.e.r.-beoordeling Beleid en normstelling Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europese recht geldt. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:  Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten;  Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitvoeren.

Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten er toch een MER moet worden opgesteld. In artikel 7.16, tweede tot en met vierde lid van de Wet milieubeheer, staat welke informatie over de voorgenomen activiteit in de mededeling van de initiatiefnemer moet zijn opgenomen. Bij het opstellen van deze informatie moet ook rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de Europese mer-richtlijn. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D (sectie D 11.2) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarden (2 woningen).

49/106

Alhoewel de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft, is middels een aanmeldingsnotitie onderzocht of sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Uit de informatie in deze notitie blijkt dat de aard en beperkte omvang van het project niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen, zie bijlage 1 . Het plangebied is niet gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Met inachtneming van de in hoofdstuk 3 in de notitie beschreven mitigerende maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.

50/106

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische plantoelichting

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal opgesteld, uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd, zodat deze ook digitaal raadpleegbaar zijn. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. In paragraaf 2.5 is reeds beschreven, waarom voor een (postzegel)bestemmingsplan is gekozen in plaats van voor een uitwerkingsplan. Het vigerende bestemmingsplan kent ter plaatse namelijk een uit te werken bestemming, maar de daarbij behorende uitwerkingsregels bleken onvoldoende toegesneden op de ontwikkeling van twee woningen. Met het voorliggende bestemmingsplan, was het mogelijk daarvoor een meer toegespitst plan met dito regeling op te stellen.

Dit bestemmingsplan betreft een gedetailleerd eindplan, wat inhoudt dat het bestemmingsplan een gedetailleerde bestemmingsregeling kent voor de beoogde situatie en dat het plan na inwerkingtreding direct toepasbaar is voor het toetsen van vergunningaanvragen en het verlenen van omgevingsvergunningen. Bij de inhoud van de bestemmingen is waar mogelijk afstemming gezocht met de corresponderende bestemmingen uit het vigerende bestemmingsplan ' Zuidplas Noord'. In dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op de wijze van bestemmen en de inhoud van de regeling.

5.2

Opbouw van de regels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:  inleidende regels;  bestemmingsregels;  algemene regels;  overgangs- en slotregel. Deze worden in de volgende paragrafen toegelicht.

51/106

5.3

Inleidende regels

In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

5.4

Bestemmingsregels

In het bestemmingsplan kent het plangebied voornamelijk de enkelbestemming 'Wonen'. Daarnaast hebben enkele onderdelen van het plangebied de enkelbestemming 'Tuin', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Water' Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuin bij het op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouw, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, toegangspaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en (civiel-technische) kunstwerken. Verkeer - Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie en de daarbij behorende voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, water en object van beeldende kunst en (civiel-technische) kunstwerken. Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen en waterpartijen, met de daarbij behorende voorzieningen voor waterafvoer en waterberging, bermen en groenvoorzieningen en kunstwerken. Onder dat laatste worden ook verstaan bruggen en dammen ter ontsluiting van de aanliggende bestemming 'Wonen'. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen.

Door de twee afzonderlijke bouwvlakken en de maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding, is per woonperceel vastgelegd waar het hoofdgebouw gesitueerd mag worden en met welke toegestane goot- en bouwhoogte. De overige bepalingen ten aanzien van het bouwen, bijvoorbeeld voor de erfbebouwing, zijn vastgelegd in de bestemmingsregels. Met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeren' is tevens het gebied aangeduid waarbinnen in de parkeerbehoefte moet worden voorzien. Tevens is in het artikel Wonen een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee het gebruik ten behoeve van beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan kunnen worden.

52/106

5.5

Algemene regels

In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald dat bouwgrenzen die in dit bestemmingsplan zijn vastgelegd, onder voorwaarden overschreden mogen worden door ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en andere bouwwerken. Het mag in dat geval gaan om een overschrijding van maximaal 2 m. Het tweede lid legt vast onder welke voorwaarden er ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan en het derde lid bepaalt dat alle wettelijke regeling waar in dit bestemmingsplan naar verwezen wordt, bedoeld zijn zoals ze op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan luiden. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is het verbod opgenomen voor gebruik dat anders is dan wat op grond van dit bestemmingsplan is toegestaan. Algemene afwijkingsregels In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om het afwijken van maten of bouwgrenzen. Daarnaast is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om in afwijking van de overige regels in dit plan waterstaatkundige voorzieningen te kunnen realiseren. Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels is een regeling opgenomen waarmee de opgenomen bestemmingen in dit plan in beperkte mate kunnen worden gewijzigd, indien dat nadien met het oog op de praktische uitvoerbaarheid of vanwege benodigde correcties nodig wordt geacht. Overige regels In dit artikel zijn diverse 'overige' regels opgenomen, die niet onder één van de vorige kopjes geschaard kunnen worden. Het eerste lid heeft betrekking op parkeren en laden en lossen, waarvan voor dit bestemmingsplan het onderdeel over het parkeren het meest relevant is. Met deze regeling legt de gemeente vast dat op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Hier zal bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen aan getoetst worden.

53/106

Ook is een regeling ten aanzien van geluidgevoelige objecten opgenomen, waar de 2 nieuwe woningen onder geschaard worden die met dit plan mogelijk worden gemaakt. De regel houdt in dat nieuwe geluidgevoelige objecten in beginsel niet zijn toegestaan. De uitzonderingen daarop zijn wanneer er wel aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan of als een hogere grenswaarde is vastgesteld en het bouwplan aan die waarde en de bijbehorende voorwaarden voldoet. Bij dit plan is de eerste uitzondering niet van toepassing, dus zal het bouwplan in overeenstemming moeten zijn met het hogere waardenbesluit.

5.6

Overgangs- en slotregels

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het aangehaald.

54/106

bestemmingsplan worden

Hoofdstuk 6 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Inleiding

In artikel 3.1.6, sub i van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkeling die concreet mogelijk wordt gemaakt met dit bouwplan moet (economisch) uitvoerbaar zijn en kunnen worden gerealiseerd. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (artikel 6.12 Wro);  er geen kosten te verhalen zijn (artikel 6.2.1a Bro).

6.2

Kostenverhaal

De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.

55/106

56/106

Hoofdstuk 7

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het ontwerpbestemmingsplan wordt toegestuurd aan de relevante overlegpartners. In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de volgende overlegpartners:  Dunea  Liander  Hoogheemraadschap  Gasunie  Veiligheidsregio Hollands Midden  Tennet  ODMH 7.1.1 Reacties overlegpartners Veiligheidsregio Hollands Midden De Veiligheidsregio heeft met betrekking tot dit bestemmingsplan geen relevante fysieke veiligheidsaspecten geconstateerd. De VHM kan zich vinden in de gestelde maatregelen uit van de toelichting. De VHM adviseert bij deze ontwikkeling zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Hier kan in de uitvoeringsfase rekening mee worden gehouden. Reactie gemeente Ten aanzien van de bluswaterwinning zijn de brandkranen meer dan 100 meter van de nieuw te bouwen woningen gelegen. Het bijplaatsen van een brandkraan is wenselijk (ook voor huisnummers 8 en 8a). Open water kan in de bestaande situatie acceptabel zijn, onduidelijk is echter of de sloten langs de Julianaweg voldoende diep en schoon zijn als ook het gehele jaar voldoende toestroming hebben.

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het Hoogheemraadschap heeft met betrekking tot de waterparagraaf van het bestemmingsplan geen verdere opmerkingen. Reactie gemeente Wij hebben het conceptversie bestemmingsplan Julianaweg 10, Moerkapelle bekeken. In het plan zijn de met het waterbeheer verbonden belangen voldoende gewaarborgd. Wij hebben daarom geen bezwaar tegen het bestemmingsplan Julianaweg 10, Moerkapelle. Dunea In het door u geschetste gebied liggen geen transportleidingen van Dunea, we hebben derhalve geen op- of aanmerkingen op dit plan.

57/106

Reactie gemeente De vooroverlegreactie wordt ter kennis genomen. Liander Geen opmerkingen. Reactie gemeente De vooroverlegreactie wordt ter kennis genomen. Gasunie Het voornoemde plan is door ons getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid. Op grond van deze toetsing komen wij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Reactie gemeente De vooroverlegreactie wordt ter kennis genomen. Tennet Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Wij hebben dan ook geen opmerkingen op genoemd plan en wensen u veel succes bij de verdere uitwerking hiervan. Reactie gemeente De vooroverlegreactie wordt ter kennis genomen. ODMH ODMH kan nog niet volledig instemmen met het concept ontwerpbestemmingsplan in verband met het ontbreken van diverse onderzoeken. Deze zullen voor het ontwerpbestemmingsplan nog aan de ODMH toegezonden moeten worden ter beoordeling voordat we het plan in procedure kunnen brengen. Voor de verdere opmerkingen verwijzen we naar de bijgevoegde beoordeling. Reactie gemeente De onderzoeken die nog ontbraken bij de toegestuurde versie van het plan, worden aan de ODMH voorgelegd zodra beschikbaar.

De overige opmerkingen van de ODMH zijn tekstueel doorgevoerd in het plan.

7.2

Zienswijzen

Voor het ontwerpbestemmingsplan zijn 2 zienswijzen binnen gekomen. De beantwoording is te vinden in bijlage 9 Nota van beantwoording.

58/106

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

JULIANAWEG 10, MOERKAPELLE vormvrije m.e.r.-beoordeling

1/13

DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER

16 oktober 2023 ir. R.A. Sips

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER 20211839 AUTEUR

2/13

Buddy de Groot

INHOUD 1.

2.

3.

4.

3/13

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer

4 4 4

Plaats en kenmerken van het project

5

2.1 2.2

Plaats van het project Kenmerken van het project

5 7

Kenmerken van de milieueffecten

9

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie

9 9 9 10 11 11 12 13

Mitigerende maatregelen en conclusie

13

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Aan de Julianaweg 10 in Moerkapelle bestaat het initiatief om naast de bestaande woning, twee nieuwe woningen te realiseren. Deze gronden maken onderdeel uit van een groter gebied, waar de gemeente in het huidige bestemmingsplan al een uit te werken woonbestemming heeft opgenomen voor toekomstige woningbouw. Omdat dit niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, is voor de twee woningen dit nieuwe (postzegel)bestemmingsplan opgesteld. Hierin wordt de ontwikkeling beschreven, gemotiveerd en juridisch-planologisch geregeld. In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D (sectie D 11.2) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarden (2 woningen). Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Dit document bevat deze beoordeling.

1.2

Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

1.3

Leeswijzer

Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● ● ●

4/13

beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.

2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1

Plaats van het project

Het plangebied ligt naast de bestaande woning aan de Julianaweg 10 in Moerkapelle, aan de zuidkant van de woonkern van Moerkapelle. In figuur 2.1 is de ligging van het plangebied aangegeven.

Figuur 2.1 Ligging plangebied

In de figuur is met de rode pointer de bestaande woning aangeduid. De witte omlijning betreft de bedrijfsgrond die bij deze woning horen en die grotendeels nog met kassen is ingevuld. Aan de voorzijde daarvan, oranje gemarkeerd, bevinden zich de gronden waarop de twee nieuwe woningen met bijbehorend perceel ingericht worden. De begrenzing van deze percelen wordt in grote mate bepaald door de bestaande kassen aan de achterzijde en de Julianaweg aan de voorzijde. Aan de zuidzijde bevindt zich een bestaande watergang (tevens perceelsgrenzen) en aan de noordzijde de bestaande woning. Beschermde gebieden – Milieugevoelige gebieden Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 2.2). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is gelegen op een afstand van circa 8 km en betreft het gebied 'de Wilck'. De Wilck vormt tevens het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland.

5/13

Figuur 2.2 Plangebied en ligging natura 2000 gebied (aerius.nl)

Archeologie De gemeente Zuidplas heeft haar gemeentelijk archeologiebeleid doorvertaald naar het Paraplubestemmingsplan Archeologie, zoals vastgesteld op 6 maart 2018. Met dit bestemmingsplan zijn beschermende regels vastgelegd, voor de uiteenlopende archeologische verwachtingszones. Ter plaatse van het plangebied voor de twee nieuwe woningen aan de Julianaweg, voorziet het Paraplubestemmingsplan Archeologie niet in een beschermende regeling. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen aangewezen monumenten of andere cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Ook is geen sprake van andere beschermde cultuurhistorische waarden, zoals een beschermd stads- of dorpsgezicht of molenbiotoop.

6/13

2.2

Kenmerken van het project

Het waterbassin op de locatie wordt als eerst gesaneerd. Vervolgens is de initiatiefnemer voornemens op deze locatie de eerste woning te realiseren. Tijdens of na realisatie zal ook de tweede woning ter plaatse van het schuurtje worden gebouwd. Na de sloop van de schuur en het waterbassin, ontstaat er tussen de Julianaweg een duidelijk begrensd gebied waarbinnen twee woonpercelen gerealiseerd worden. Zie figuur 2.3.

Figuur 2.3 Beoogde ontwikkeling: bestaand-te slopen- nieuwbouw

In de eerste plaats worden met het bestemmingsplan twee bouwvlakken vastgelegd, voor ieder van de twee woningen één. Deze bouwvlakken zijn bepalend voor de locatie van de twee hoofdgebouwen. Tevens is vastgelegd dat het om vrijstaande woningen dient te gaan en zijn de maximum goot- en bouwhoogte opgenomen van respectievelijk 7 m en 10 m. Hiermee is de ruimtelijke hoofd opzet van het plan vastgelegd en kan daarbinnen door de initiatiefnemer een bouwplan worden uitgewerkt. Verkeersgeneratie Op basis van maximaal 2 grondgebondenwoningen bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 16,4 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 381). De verkeersgeneratie op basis van de CROW-kentallen is deels gebaseerd op de omgevingseigenschappen van de locatie en de directe omgeving. De gemeente Leeuwarden betreft een 'sterk stedelijke gemeente' en de locatie ligt in 'Centrum'. Het aantal verkeersbewegingen per woning van zware motorvoertuigen bedraagt 0,02 mvt/etmaal (CROW publicatie 381). Het totale aantal verkeersbewegingen van zware motorvoertuigen bedraagt afgerond 1 mvt/etmaal. Verkeersontsluiting Het plangebied wordt begrenst door de Julianaweg. De weg is getypeerd als een erftoegangsweg met een maximale snelheid van 30km/u.

Ter hoogte van het plangebied gaat dit over in 60km/u De Julianaweg loopt van de Bredeweg (noord) tot de weg Noordeinde (zuid). Gezien de lage verkeersgeneratie kan gesteld worden dat extra verkeersbewegingen geen knelpunt vormen voor de verkeerstoestroming van de omgeving.

7/13

Parkeernorm Op basis van de gebiedsindeling ie de Nota parkeernormen 2019 hanteert, ligt het plangebied in zone C 'buitengebied'. De norm voor niet-gestapelde woningen met een zeer grote omvang (> 150m2) bedraagt op basis van deze Nota 2,8 parkeerplaatsen per woningen. Dit maakt dat beide woningen over 3 parkeerplaatsen moeten beschikken.

8/13

3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN 3.1

Verkeer en parkeren

De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige effect op het verkeernetwerk binnen en buiten directe omgeving. Gezien de lage verkeersgeneratie kan gesteld worden dat extra verkeersbewegingen geen knelpunt vormen voor de verkeerstoestroming van de omgeving.. Daarbij kan de parkeerbehoefte opgevangen worden op eigen terrein van de woningen. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbare verkeerstoestroming. Gelet op de motie 'beargumenteren parkeren eigen terrein bij nieuw ruimtelijk plan of project' (M291) geldt in dit geval dat het parkeren bij deze ontwikkeling op eigen terrein zal worden opgelost. Deze verplichting is als planregel in het bestemmingsplan opgenomen in lid 12.1. Dit betekent dat daar bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het bouwen aan getoetst zal worden. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn uitgesloten.

3.2

Geluid

Ten behoeve van de ontwikkeling is door Rho adviseurs een onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd (18-5-2022,., rapportnummer RANA2278). Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 6 bij het bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek laat zien dat alleen ten gevolge van de Julianaweg de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting is 51 dB op de noordelijke woning en 49 dB op de zuidelijke woning. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Omdat maatregelen om de geluidbelasting op beide woningen te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde niet mogelijk zijn om verkeerskundige-, landschappelijke- en financiële redenen, is het laten vaststellen van hogere waarden nodig. Omdat hogere waarden nodig zijn, heeft toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid plaatsgevonden. Uit deze toetsing blijkt dat hieraan wordt voldaan en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De woningen worden derhalve mogelijk gemaakt binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Wel is het vaststellen van hogere waarden voor beide woningen nodig ten gevolge van de Julianaweg. Het gaat om 51 dB voor de noordelijke woning en om 49 dB voor de zuidelijke woning. De 2 woningen worden mogelijk gemaakt binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Het laten vaststellen van hogere waarden voor beide woningen ten gevolge van de Julianaweg is nodig.

De beoogde ontwikkeling brengt geen nadelige effecten mee, er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn uitgesloten.

3.3

Luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 2 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft Noordeinde, direct ten westen van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide

9/13

en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 16,5 µg/m³ voor NO2, 16,0 µg/m³ voor PM10 en 8,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn uitgesloten.

3.4

Externe veiligheid

De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. De twee woningen zijn (beperkt) kwetsbare objecten en dienen getoetst te worden aan de contouren van de risicobronnen in de omgeving. Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 3.1). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor of water.

Figuur 3.1 Uitsnede risicokaart. Groene omcirkeling geeft plangebied weer

Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten westen van het plangebied lopen een 3-tal buisleidingen: de A-803, A-518 en A-553 (zie figuur 3.1). Deze buisleidingstraat ligt op een afstand van circa 750m. De 10-6 plaatsgebonden risicocontouren van deze leidingen vallen niet buiten de belemmeringsstrook van 5 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van de buisleidingenstraat. Het groepsrisico wordt bepaald door de aanwezige personen binnen 180m vanaf leiding a553 en 160m vanaf leiding A518. Het plangebied is buiten deze zones gelegen. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden.

10/13

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de A12, wegvak z124 afrit 7 (Zoetermeer) – afrit 9 (Zevenhuizen). De A12 ligt op een afstand van circa 1,3 km. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie LT2 en bedraagt 880m. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Omdat de beoogde ontwikkeling op meer dan 200 meter afstand van de A17 ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied. Het vigerend bestemmingsplan 'Zuidplas Noord' heeft in de verbeelding een de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone- vervoer gevaarlijke stoffen – risico zone 2' opgenomen (figuur 4.6). Deze zonering stelt dat nieuwe milieugevoelige (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden na het verantwoorden van het groepsrisico. De beoogde ontwikkeling van 2 grondgebondenwoningen brengt een geringe toename van het aantal personen waardoor het effect op het groepsrisico verwaarloosbaar is. Daarbij zijn er binnen het bestemmingplan 'Zuidplas Noord' geen stofcategorieën en hoeveelheden opgenomen waardoor het berekenen van de het groepsrisico niet mogelijk is. Wel dient het groepsrisico in een beknopte verantwoording inzichtelijk te worden gemaakt.

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de 'veiligheidszone- vervoer gevaarlijke stoffen – risico zone 2' waarbinnen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen. Gezien de geringe toename van het aantal personen en de beperkte informatie beschikbaar over de veiligheidszone wordt er voldaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen is er geen sprake van negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

3.5

Bodem

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (IDDS, 21-09-2022, Project 1384315). Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 2 bij het bestemmingsplan. Uit dit onderzoek blijkt dat de aangetroffen sterke verontreiniging met PAK aanleiding geeft tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek om de mate en omvang van de aangetroffen verontreiniging te bepalen. Gelet op de bevindingen uit het verkennend bodemonderzoek, heeft vervolgens een nader bodemonderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is eveneens als bijlage 2 opgenomen bij het bestemmingsplan. Dit onderzoek is eveneens opgenomen in het rapport dat is opgenomen als bijlage 2. Daaruit blijkt dat de omvang van de verontreiniging met PAK beperkt is en dat er ingevolge de Wet bodembescherming geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Uit het rapport blijkt daarom dat onderzoek niet nodig wordt geacht. Verder zal de beoogde ontwikkeling geen negatief effect hebben op de bodem. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13898701/1